Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/91091, houdende nadere regels over het bemannen van zeeschepen (Regeling bemanning zeeschepen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 275
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
18.

Een slaapplaats is, binnenwerks gemeten, 2 meter of meer lang en 0,80 meter of meer breed.

19.

Een slaapplaats is vervaardigd van hout, of van deugdelijk hard materiaal, dat niet gemakkelijk roest. De constructie is zodanig dat er zich geen ongedierte in kan nestelen en deze gemakkelijk kan worden schoongemaakt.

20.

Indien een slaapplaats uit buizen is samengesteld, zijn in deze buizen geen openingen aanwezig die aan ongedierte toegang kunnen verlenen. Houten kooiplanken zijn uitneembaar.

21.

Een slaapplaats is voorzien van een vaste of los ingelegde staaldraadmatras of van een andere ondermatras van daarmede gelijkwaardige constructie en een bovenmatras van doeltreffend materiaal. Bij gebruik van een matras met binnenvering of van een schuimrubbermatras kan een ondermatras vervallen.

22.

Een slaapplaats is niet gelegen onder de opening van een luchtkoker.

Artikel 4.2.10. Dagverblijven
1.

Op een zeeschip van 200 GT of meer zijn voldoende dagverblijven aanwezig die zijn gescheiden van de slaapverblijven en zo dicht mogelijk bij de kombuis zijn gelegen.

2.

Er is een afzonderlijk dagverblijf:

  • a. aan boord van een zeeschip van 400 GT of meer en minder dan 1.000 GT:
  • 1°. voor de kapitein en de officieren;
  • 2°. voor de gezellen.
  • b. aan boord van een zeeschip van 1.000 GT of meer:
  • 1°. voor de kapitein en de officieren;
  • 2°. voor de gezellen van het dekpersoneel;
  • 3°. voor de gezellen van het machinekamerpersoneel.
3.

In het tweede lid, onderdeel b, onder 2 en 3, is tevens van toepassing op ‘onderofficieren’ onderscheidenlijk ‘overige gezellen’.

4.

De minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden ontheffing verlenen van het tweede lid, onder b, en toestaan dat voor de gezellen één gezamenlijk dagverblijf is ingericht.

5.

Voor het personeel van de civiele dienst is een afzonderlijk dagverblijf ingericht of wordt behoorlijke gelegenheid tot gebruik van maaltijden in één van de dagverblijven gegeven.

6.

De grootte en inrichting en het aantal tafels en zitbanken of stoelen, vastgezet of verplaatsbaar, van een dagverblijf zijn voldoende voor het grootste aantal personen dat gelijktijdig van het verblijf gebruik kan maken.

7.

Het vloeroppervlak van de dagverblijven voor officieren en gezellen is niet minder dan één vierkante meter per zitplaats.

8.

Indien bijzondere omstandigheden dit noodzakelijk maken, kan de minister voor een passagiersschip ontheffing verlenen van het tweede en vierde tot en met zevende lid.

9.

Voor de bemanningsleden zijn te allen tijde beschikbaar:

  • a. een koelkast op een gemakkelijk toegankelijke plaats en voldoende groot, gezien het aantal personen dat van het dagverblijf of de dagverblijven gebruik maakt;
  • b. voorzieningen voor het verstrekken van warme dranken; en
  • c. voorzieningen voor het verstrekken van gekoeld water.
10.

Indien een pantry niet in rechtstreekse verbinding staat met een dagverblijf is deze voorzien van voldoende kastruimte voor het opbergen van eetgerei en een geschikte gelegenheid voor het schoonmaken daarvan.

11.

De bovenkanten van tafels, banken en stoelen zijn vervaardigd van vochtwerend materiaal, zonder barsten, dat gemakkelijk is schoon te houden.

Artikel 4.2.11. Ontspanningsruimten
1.

Van het open dek van een zeeschip zijn één of meer gedeelten toegankelijk voor de zeevarenden wanneer zij geen dienst hebben.

2.

Op een zeeschip van 500 GT of meer zijn voor de officieren en voor de gezellen ontspanningsruimten aanwezig, gelegen op een daartoe geschikte plaats en op passende wijze ingericht.

3.

Wanneer buiten de dagverblijven niet is voorzien in afzonderlijke ontspanningsruimten, zijn deze dagverblijven op zodanige wijze ingericht, gemeubileerd en uitgerust, dat zij als ontspanningsruimte kunnen dienstdoen.

4.

In een ontspanningsruimte is ten minste een boekenkast aanwezig en wordt gelegenheid geboden tot lezen en schrijven en zo mogelijk tot gezelschapsspelen.

5.

Op een zeeschip van 8.000 GT of meer is een bibliotheek aanwezig, waar films kunnen worden vertoond en naar televisie kan worden gekeken. Er is tevens voorzien in een ruimte waar men kan knutselen of gezelschapsspelen kan beoefenen. Er is een zwembad aanwezig tenzij, naar het oordeel van de minister, de inrichting van het zeeschip daartoe onvoldoende mogelijkheid biedt.

Artikel 4.2.12. Badkuipen, douches, wastafels en toiletten
1.

Op een zeeschip zijn op een geschikte plaats voor officieren en gezellen sanitaire voorzieningen aanwezig, bestaande uit ten minste een toilet, een badkuip of douche en een wastafel met warm en koud stromend zoet water voor iedere zes personen of minder, die niet beschikken over de sanitaire voorzieningen als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, met dien verstande dat het aantal toiletten op een zeeschip ten minste bedraagt:

400 tot 500 GT ten minste 2
500 tot 800 GT ten minste 3
800 tot 3.000 GT ten minste 4
3.000 GT of meer ten minste 6
2.

Bij de berekeningen van het aantal voorzieningen wordt bij meer dan zes zeevarenden of een veelvoud van zes zeevarenden, een aantal van twee zeevarenden of minder verwaarloosd.

3.

Voor vrouwelijke zeevarenden staan afzonderlijke sanitaire voorzieningen ter beschikking.

4.

De beschikbaarheid van de toiletten is gelijkelijk over de groepen van officieren en gezellen verdeeld.

5.

Op een zeeschip van 500 GT of meer zijn ten behoeve van de officieren toiletten in de nabijheid van hun slaapverblijven beschikbaar.

6.

Op een zeeschip van 5.000 GT of meer, en niet meer dan 15.000 GT, zijn ten minste vijf éénpersoons slaapverblijven voor officieren aanwezig met een eigen badkamer, die is voorzien van een toilet, een badkuip of douche en een wastafel met warm en koud stromend zoet water. De wastafel mag zich in het slaapverblijf bevinden.

7.

Op een zeeschip van 10.000 GT of meer en niet meer dan 15.000 GT zijn de slaapverblijven van alle overige officieren voorzien van een daaraan verbonden eigen badkamer, dan wel van een badkamer die op dezelfde wijze is uitgerust en is gelegen in een ruimte tussen twee slaapverblijven en die vanuit deze slaapverblijven direct bereikbaar is.

8.

Op een zeeschip van 15.000 GT of meer zijn de éénpersoons slaapverblijven voor de officieren voorzien van een daaraan verbonden eigen badkamer. De badkamer is uitgerust van een toilet, een badkuip of douche en een wastafel met warm en koud stromend zoet water. De wastafel mag zich in het slaapverblijf bevinden.

9.

Op een zeeschip van 25.000 GT of meer, met uitzondering van een passagiersschip, is per twee gezellen een badkamer aanwezig in een ruimte tussen twee aangrenzende slaapverblijven en van daaruit rechtstreeks te bereiken, of een badkamer gelegen tegenover deze verblijven. De badkamer is uitgerust met een toilet, een badkuip of douche en een wastafel met warm en koud stromend zoet water.

10.

Op een zeeschip van 5.000 GT of meer, met uitzondering van een passagiersschip, is een slaapverblijf voor gezellen voorzien van een wastafel met koud en warm stromend zoet water die is aangesloten op een afvoer, met uitzondering van een wastafel die aanwezig is in een badkamer overeenkomstig het zesde lid.

11.

Een zeeschip van 1.600 GT of meer, met uitzondering van een zeeschip waarop het gehele machinekamerpersoneel de beschikking heeft over een eigen slaapverblijf en een badkamer per één of twee slaapverblijven, zijn kleedruimten aanwezig, die:

  • a. buiten de machinekamer zijn gelegen, en gemakkelijk bereikbaar zijn vanuit de machinekamer. Deze ruimten kunnen door het machinekamerpersoneel vanuit de machinekamer worden bereikt zonder dat men in de open lucht komt; en
  • b. zijn voorzien van een kledingkast voor een zeevarende alsmede van badkuipen of douches en wastafels met warm en koud stromend zoet water.
12.

Een zeeschip van 1.600 GT of meer is voorzien van:

  • a. een aparte toiletruimte, met een toilet en een wastafel met warm en koud stromend zoet water, die gemakkelijk bereikbaar is vanaf het navigatie brugdek en bedoeld voor diegenen die daar hun werk verrichten; en
  • b. een toilet en een wastafel met warm en koud stromend zoet water, gemakkelijk bereikbaar vanuit de machinekamer, indien deze voorzieningen niet zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de centrale controlekamer in de machinekamer.
13.

Op een zeeschip met meer dan 100 zeevarenden, kan de minister ontheffing verlenen het eerste tot en met tiende lid en een vermindering van het aantal wastafels, badkuipen en douches toestaan.

Artikel 4.2.13. Eisen sanitaire voorzieningen
1.

Sanitaire ruimten en voorzieningen als bedoeld in artikel 4.2.12 met uitzondering van ruimten die zijn verbonden met hutten, voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de vloer bestaat uit deugdelijk, duurzaam en gemakkelijk te reinigen materiaal, dat ondoordringbaar is voor vocht;
  • b. schotten zijn vervaardigd van staal of ander deugdelijk materiaal, dat tot ten minste 23 centimeter boven de vloer waterdicht is;
  • c. toiletten zijn op voldoende wijze van elkaar zijn gescheiden en gemakkelijk bereikbaar;
  • d. een toilet is van een ruime afvoer voorzien en kan afzonderlijk door middel van een vaste inrichting gemakkelijk worden doorgespoeld, zodanig, dat geen stank wordt verspreid;
  • e. wastafels en badkuipen zijn van voldoende afmetingen en zijn vervaardigd van deudelijk materiaal, met een glad oppervlak, niet onderhevig aan scheuren, schilferen of roesten; en
  • f. de vloer van een ruimte, waarin een toilet of een wasgelegenheid is ondergebracht, is voorzien van een behoorlijke waterafvoer.
2.

Een toilet staat niet rechtstreeks in verbinding met slaapverblijven, en met een doodlopende gang tussen de slaapverblijven en de toiletten, met dien verstande, dat dit niet geldt voor een toilet tussen twee slaapverblijven, welke tezamen voor niet meer dan vier personen zijn bestemd.

3.

Een toilet is van een zodanig model en de afvoer is zodanig ingericht, dat de kans op verstopping zo klein mogelijk is en het schoonhouden vergemakkelijkt wordt.

Artikel 4.2.14. Wassen en drogen van kleding, opbergen van oliegoed
1.

Er zijn voldoende voorzieningen voor het wassen, drogen en strijken van kleding, in een mate die in overeenstemming is met het aantal bemanningsleden en de normale duur van de reis. Deze voorzieningen zijn aangebracht op een gemakkelijk vanuit de hutten te bereiken plaats.

2.

De voorzieningen bestaan uit:

  • a. wasmachines;
  • b. droogtrommels of behoorlijk verwarmde en geventileerde droogkamers; en
  • c. strijkijzers en strijkplanken of gelijkwaardige voorzieningen.
3.

Op een zeeschip van minder dan 250 GT mag van het eerste en tweede lid worden afgeweken, mits andere voorzieningen zijn getroffen die naar het oordeel van de minister genoegzaam zijn.

4.

Nabij de slaapverblijven is voldoende behoorlijk geventileerde bergruimte om oliegoed en natte of vuile kleding op te hangen.

5.

Op een zeeschip van minder dan 400 GT mogen kledingstukken als bedoeld in het vierde lid in een goed sluitende kast in het slaapverblijf worden opgeborgen, mits deze kast op een ruimte buiten het verblijf ventileert.

Artikel 4.2.15. Ziekenverblijf en ziekenkooi
1.

Op een zeeschip met een bemanning van 15 of meer zeevarenden aan boord dat reizen van meer dan 3 dagen maakt, is een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig.

2.

Het ziekenverblijf is doelmatig gelegen en is gemakkelijk bereikbaar.

3.

Het ziekenverblijf is zo groot dat de verpleging naar behoren kan geschieden en de zieken of gewonden gerieflijk zijn gehuisvest. Zieken of gewonden kunnen op gemakkelijke wijze in en uit het verblijf worden gebracht.

4.

De verlichting, ventilatie en verwarming voldoen aan de eisen voor de verblijven, bedoeld in de artikelen 4.2.2 tot en met 4.2.7.

5.

Het ziekenverblijf is voorzien van voldoende wasgelegenheid met toebehoren en een afvoer van vuil water. De wasgelegenheid is voorzien van warm en koud stromend zoet water.

6.

Indien het aantal zeevarenden dat niet beschikt over een eigen slaapverblijf minder dan 30 bedraagt, is het ziekenverblijf voorzien van één slaapplaats. Bedraagt dat aantal zeevarenden 30 of meer, is het ziekenverblijf voorzien van twee slaapplaatsen, of zoveel meer als in verband met de omstandigheden van de reis door de minister wordt vastgesteld.

7.

Indien voor passagiers geen ziekenverblijf aanwezig is, mogen de passagiers in het ziekenverblijf worden opgenomen en gelden de voorschriften van het vijfde lid voor de zeevarenden en de passagiers gezamenlijk.

8.

Slaapplaatsen zijn niet boven elkaar geplaatst. De inrichting van de slaapplaatsen voldoet ten minste aan de eisen, bedoeld in het elfde lid en artikel 4.2.9, dertiende tot en met tweeëntwintigste lid.

9.

In of in de onmiddellijke nabijheid van het ziekenverblijf zijn een toilet en een daaraan toegevoegde badkamer beschikbaar. Deze zijn van het ziekenverblijf afgescheiden en zijn uitsluitend bestemd voor gebruik door patiënten.

10.

Indien een arts tot de bemanning behoort is een ruimte bij het ziekenverblijf ingericht als apotheek en verbandkamer, die van het ziekenverblijf is afgescheiden.

11.

Het ziekenverblijf wordt niet voor andere doeleinden dan het verplegen of behandelen van zieken en gewonden gebruikt.

12.

Op een zeeschip dat krachtens het eerste lid niet van een ziekenverblijf is voorzien, kan voor een zieke of gewonde een éénpersoonsslaapverblijf beschikbaar worden gesteld, waarin de slaapplaats als ziekenkooi is ingericht. Is het aantal zeevarenden minder dan zes, kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte slaapplaats in een slaapverblijf.

13.

Indien iemand aan een ernstige of aan een besmettelijke ziekte lijdt, wordt getracht deze, afgezonderd van alle anderen, te verplegen.

Artikel 4.2.16. Diversen
1.

Een zeeschip dat geregeld wordt gebruikt voor reizen in de tropen of in andere gebieden met vergelijkbare klimaatomstandigheden is uitgerust met tenten over de aan de zon blootgestelde dekken boven de verblijven en over de voor ontspanning bestemde dekruimten.

2.

Aan boord van een zeeschip dat niet is voorzien van een luchtbehandelingsinstallatie en dat geregeld havens aandoet waar malaria voorkomt of kan voorkomen, zijn de dag-, nacht- en ziekenverblijven tegen binnendringen van muggen beschermd door het aanbrengen van passende horren voor patrijspoorten, luchtkokers, en deuren die toegang geven tot het open dek.

3.

Op een zeeschip van meer dan 3.000 GT is zowel voor de dekdienst als voor de machinedienst een afzonderlijke ruimte als kantoor beschikbaar.

Artikel 4.2.17. Ontheffing of vrijstellingen
1.

Onverminderd het tweede lid kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, hetzij in een incidenteel geval, hetzij algemeen, ontheffing of vrijstelling verlenen van de artikelen 4.2.2 tot en met 4.2.16, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen.

2.

De minister kan voor een zeeschip aan boord waarvan vanwege de samenstelling van de bemanning rekening wordt gehouden met de belangen van bemanningsleden die verschillende gewoonten van godsdienstige en maatschappelijke aard hebben, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 4.2.8, eerste en vierde lid, onder d, 4.2.9, tweede en derde lid, en 4.2.12, eerste tot en met het derde en negende lid, onder zo nodig door hem te stellen voorwaarden of beperkingen, mits de hiervoor bedoelde organisaties ter zake overeenstemming hebben bereikt. Op oude schepen blijft van toepassing het bepaalde in de artikelen 46 tot en met 64 van het koninklijk besluit van 15 mei 1937, Stb. 242, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 5 juni 1975, Stb. 327.

Artikel 4.2.18. Uitsluiting oude zeeschepen

Onverminderd artikel 4.2.19, eerste lid, zijn de artikelen 4.2.2 tot en met 4.2.16 niet van toepassing op een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig, waarvan de kiel is gelegd of de bouw zich in een overeenkomstige fase van ontwikkeling bevond voor 1 augustus 1983.

Artikel 4.2.19. Bijzondere voorzieningen voor oude zeeschepen
1.

De minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en zeevarenden, bepalen, dat geheel of gedeeltelijk wordt voldaan aan de artikelen 4.2.2 tot en met 4.2.16 door een zeeschip als bedoeld in artikel 4.2.17, eerste lid, dat:

  • a. hetzij de Nederlandse nationaliteit verkrijgt;
  • b. hetzij ingrijpende veranderingen in de bouw of grote reparaties ondergaat volgens een tevoren ontworpen plan, echter niet ten gevolge van een ongeval of ramp.
2.

De minister kan voorschrijven dat de te treffen voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, binnen een bepaalde termijn worden aangebracht.

3.

Voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend voorgeschreven voor zover deze redelijk en uitvoerbaar zijn.

Paragraaf 4.3. Voeding en drinkwater ten behoeve van zeevarenden aan boord van een zeeschip, niet zijnde een vissersvaartuig

Artikel 4.3.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is niet van toepassing op een vissersvaartuig.

Artikel 4.3.2. Voeding
1.

Voor de bevoorrading van een zeeschip met levensmiddelen die voldoen aan de in artikel 4, derde lid, van de wet bedoelde eisen, worden de soorten en hoeveelheden mee te nemen levensmiddelen bepaald op basis van:

  • a. het aantal zeevarenden aan boord;
  • b. de duur van de reis;
  • c. de aard van de reis;
  • d. de mogelijkheid tot het aanvullen van voorraden in aanloophavens; en
  • e. de religieuze achtergrond en de culturele gewoonten van de zeevarenden.
2.

De voorraden levensmiddelen worden opgeslagen in de in artikel 4.1.19, derde lid, bedoelde bergplaatsen.

Artikel 4.3.3. Drinkwater
1.

Voor de bevoorrading van een zeeschip met drinkwater wordt de benodigde hoeveelheid vastgesteld op basis van de in artikel 4.3.2, eerste lid, genoemde criteria, alsmede op basis van de mogelijkheid van aanvulling gedurende de reis met behulp van een voorziening om drinkwater te maken.

2.

In geval van onvoorziene omstandigheden tijdens de reis kan de kapitein de hoeveelheid drinkwater per zeevarende rantsoeneren.

3.

Het drinkwater wordt opgeslagen in de in artikel 4.1.19, vierde lid, bedoelde of andere daarvoor geschikte tanks die schoon zijn en zo zijn afgesloten dat daarin geen vreemde bestanddelen komen.

4.

Het drinkwater wordt slechts in de drinkwatertank geleid:

  • a. met een aanvoerslang die vrij van de kade wordt gehouden;
  • b. nadat ten minste één minuut het water op volle aanvoerdruk uit de aanvoerslang heeft gestroomd;
  • c. indien tijdens het laden per ton drinkwater wordt toegevoegd:
  • 1°. een gestabiliseerd hypochloriet in zodanige hoeveelheid, dat minstens 0,7 gram vrij chloor per ton vrijkomt;
  • 2°. een hoeveel gestabiliseerd hypochloriet met een hoeveelheid ammoniumzout, zodat ten minste 2,5 gram monochlooramine (NH2Cl) per ton ontstaat; of
  • 3°. een door de minister toegestane stof in een zodanige hoeveelheid dat minstens 0,7 gram vrij chloor per ton water vrijkomt; en
  • d. indien de in onderdeel c genoemde stoffen behoorlijk door het drinkwater worden gemengd.
5.

Een drinkwatertank die voor inspectie, onderhoud, of anderszins is betreden, wordt gereinigd door de tank te vullen met drinkwater waarin 10 gram vrij chloor per ton drinkwater is gemengd.

6.

De drinkwatertank wordt slechts bevoorraad met drinkwater als dat water ten minste twee uur lang in de tank is geweest en daarna is uitgepompt

Artikel 4.3.4. Peilen van drinkwatertanks
1.

Peilstokken of andere instrumenten die gebruikt worden om het restant drinkwater in tanks op te meten, zijn vóór ieder gebruik gereinigd. Zij worden opgeborgen op een plaats waar het gevaar van besmetting het geringst is.

2.

Bij het gebruik van metalen roestvrije tapelines die worden geborgen in een doos waarin enkele formalinetabletten aanwezig zijn, is het afzonderlijk reinigen niet nodig.

3.

De kapitein ziet erop toe dat de persoon belast met het peilen, onmiddellijk vóór hij gaat peilen, zijn handen wast.

Artikel 4.3.5. Zout- en zoetwaterkranen
1.

In kombuizen en pantry’s moet bij elke drinkwaterkraan een opschrift ‘drinkwater’ en bij elke zoutwaterkraan een opschrift ‘zoutwater’ aangebracht zijn.

2.

Na vertrek uit een haven wordt de zoutwaterleiding, welke voor afwas van keuken- en eetgerei dient, buiten de driemijlsgrens geruime tijd doorgespoeld, voordat deze voor afwasdoeleinden gebruikt mag worden.

Artikel 4.3.6. Maximale hoeveelheid sterke drank
1.

De voorraad sterke drank aan boord is niet groter dan 0,1 liter per zeevarende per reisdag.

2.

Het aantal reisdagen wordt vastgesteld gerekend vanaf de dag van vertrek tot en met de dag van aankomst in de eerstvolgende haven waar het zeeschip weer zal worden bevoorraad als vastgesteld overeenkomstig artikel 4.3.2, eerste lid, onderdeel d.

Artikel 4.3.7. Inspectie
1.

Een inspectie als bedoeld in artikel 4.1.1, derde lid, van het besluit wordt ten minste één keer per maand uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in norm A3.2, zevende lid, van het MLC-verdrag.

2.

De bevindingen van de inspectie worden in het scheepsdagboek vermeld.

3.

Voor het uitvoeren van een inspectie van het drinkwater worden alle noodzakelijke hygiënemaatregelen genomen om besmetting van het drinkwater te voorkomen.

Paragraaf 4.4. Huisvesting, voorzieningen, voeding en drinkwater ten behoeve van vissers aan boord van een vissersvaartuig van na 15 november 2019

Artikel 4.4.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op een van een dek voorzien vissersvaartuig:

  • a. waarvoor het bouwcontract of het contract voor ingrijpende verbouwing op of na 15 november 2019 is gegund;
  • b. waarvoor het bouwcontract of het contract voor ingrijpende verbouwing voor 15 november 2019 is gegund en dat drie of meer jaar na die datum wordt opgeleverd; of
  • c. waarvan, bij gebrek aan een bouwcontract, op of na 15 november 2019:
  • 1°. de kiel is gelegd;
  • 2°. de bouw als een herkenbaar specifiek type vaartuig begint; of
  • 3°. de assemblage is begonnen, die ten minste 50.000 kilogram of 1 procent van de geschatte massa van alle constructiemateriaal omvat, waarbij de kleinste van de twee hoeveelheden bepalend is.
Artikel 4.4.2. Stahoogte
1.

In alle verblijven is voldoende stahoogte.

2.

Voor verblijven waar de vissers geacht worden gedurende langere tijd achtereen te staan, is de stahoogte ten minste twee meter.

Artikel 4.4.3. Openingen naar en tussen verblijfsruimten
1.

Vanuit visruimen en machinekamers zijn geen directe openingen naar slaapverblijven, met uitzondering van nooduitgangen.

2.

Directe openingen naar slaapverblijven vanuit kombuizen, opslagruimten, droogkamers of gemeenschappelijke sanitaire ruimten worden, waar redelijk en uitvoerbaar, vermeden, tenzij uitdrukkelijk elders anders is bepaald.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid zijn in een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer geen directe openingen naar slaapverblijven vanuit visruimen, machineruimten, kombuizen, opslagruimten, droogkamers of gemeenschappelijke sanitaire ruimten, met uitzondering van nooduitgangen.

4.

Het derde lid sluit de aanwezigheid van gedeelde sanitaire ruimten tussen twee slaapverblijven niet uit.

5.

Het gedeelte van een schot dat in het derde lid bedoelde ruimten scheidt van slaapverblijven alsmede de buitenwanden van die ruimten zijn doelmatig vervaardigd van staal of van ander goedgekeurd materiaal en zijn water- en gasdicht.

6.

Verblijven zijn voor zover nodig voorzien van nooduitgangen.

Artikel 4.4.4. Isolatie verblijfsruimten
1.

Verblijven zijn voldoende geïsoleerd.

2.

Materialen die zijn gebruikt voor de constructie van interne wanden, lambrisering en bekleding, evenals vloeren en verbindingselementen zijn geschikt voor het beoogde doel en dragen bij tot een gezonde omgeving.

3.

In verblijven is voldoende waterafvoer.

4.

Aan het gestelde in het eerste tot en met derde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, zesde lid, onderdelen b en g, van het MLC-verdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.

Artikel 4.4.5. Maatregelen tegen vliegen en andere insecten

Alle praktische maatregelen worden getroffen om verblijven voor de bemanning van vissersvaartuigen te beschermen tegen vliegen en andere insecten, met name wanneer het vissersvaartuig actief is in door muggen geteisterde gebieden.

Artikel 4.4.6. Ventilatie
1.

Verblijven worden geventileerd, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden.

2.

Het ventilatiesysteem zorgt constant en onder alle weers- en klimatologische omstandigheden voor voldoende verse lucht wanneer er vissers aan boord zijn.

3.

Aan het gestelde in het eerste en tweede lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, zevende lid, onderdeel b, en leidraad B3.1.2 van het C188-verdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.

Artikel 4.4.7. Verwarming en airconditioning
1.

Verblijven worden voldoende verwarmd, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden.

2.

Onverminderd het eerste lid wordt een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer, met uitzondering van een vissersvaartuig dat uitsluitend in tropische gebieden actief is, voldoende verwarmd door middel van een geschikt verwarmingssysteem.

3.

Het verwarmingssysteem, bedoeld in het tweede lid, zorgt, voor zover nodig, onder alle omstandigheden voor warmte en is operationeel wanneer vissers aan boord zijn.

4.

Een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer is, voorzien van airconditioning in verblijven, op de brug, in de radiokamer en in de gecentraliseerde machinecontrolekamer, met uitzondering van een vissersvaartuig dat regelmatig actief is in gebieden waar de gematigde klimatologische omstandigheden geen airconditioning vereisen.

5.

Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, zevende lid, onderdelen b en d, en leidraad B3.1.3, tweede en derde lid, van het MLC-verdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.

Artikel 4.4.8. Verlichting
1.

Een verblijf is behoorlijk verlicht.

2.

Indien uitvoerbaar zijn verblijven met zowel daglicht als kunstlicht verlicht.

3.

Slaapverblijven kunnen worden afgeschermd van daglicht.

4.

In aanvulling op het eerste lid is in iedere kooi voldoende leesverlichting aanwezig.

5.

Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien leidraad B3.1.4, eerste lid, van het MLC-verdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.

Artikel 4.4.9. Noodverlichting
1.

Slaapverblijven zijn voorzien van noodverlichting.

2.

Indien eetverblijven, gangen of andere ruimten nooduitgang zijn en niet zijn voorzien van noodverlichting, zijn deze voorzien van permanente nachtverlichting

3.

Een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer is in alle delen van de verblijven waar de bemanning zich vrij kan bewegen, voorzien van verlichting die ten minste zodanig is dat een persoon met een normaal gezichtsvermogen in staat is een normaal gedrukte krant op een heldere dag te lezen.

Artikel 4.4.10. Effecten bewegingen vissersvaartuig op slaapverblijven
1.

Indien het ontwerp, de afmetingen of het gebruik van het vissersvaartuig dat toelaat, zijn slaapverblijven zodanig geplaatst dat de gevolgen van bewegingen en versnellingen van het vissersvaartuig tot een minimum beperkt blijven.

2.

Slaapverblijven zijn achter het aanvaringsschot gelegen.

Artikel 4.4.11. Vloeroppervlak slaapverblijven
1.

Het aantal personen per slaapverblijf en het vloeroppervlak per persoon, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, is zodanig dat, rekening houdend met het gebruik van het vissersvaartuig, de vissers aan boord beschikken over voldoende ruimte en comfort.

2.

Aan het gestelde in het eerste lid wordt in ieder geval voldaan indien het vloeroppervlak per persoon in een slaapverblijf voor gezellen of in een gecombineerd slaapverblijf voor officieren en gezellen, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, ten minste bedraagt:

  • a. op een vissersvaartuig met een lengte van 13 tot 19 meter: 0,75 vierkante meter;
  • b. op een vissersvaartuig met een lengte van 19 tot 24 meter: 1 vierkante meter.
3.

In aanvulling op het eerste en tweede lid is op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer maar minder dan 45 meter, het vloeroppervlak per persoon in een slaapverblijf, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, ten minste 1,5 vierkante meter.

4.

In aanvulling op het eerste en tweede lid is op een vissersvaartuig met een lengte van 45 meter of meer het vloeroppervlak per persoon in een slaapverblijf, exclusief de ruimte ingenomen door kooien en kasten, ten minste 2 vierkante meter.

Artikel 4.4.12. Aantal personen per slaapverblijf
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, is het toegestane aantal personen per slaapverblijf niet meer dan zes.

2.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer is het toegestane aantal personen per slaapverblijf niet meer dan vier.

3.

De minister kan ontheffing verlenen van het tweede lid, indien het vereiste vanwege de grootte, het type of het beoogde gebruik van het vissersvaartuig naleving onredelijk of niet uitvoerbaar is.

4.

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald en indien uitvoerbaar zijn voor officieren één of meer afzonderlijke slaapverblijven aanwezig.

5.

Het maximumaantal personen dat in een slaapverblijf kan worden ondergebracht, is duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld op een duidelijk zichtbare plaats in de slaapruimte.

Artikel 4.4.13. Slaapverblijven voor officieren
1.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer beschikken officieren, waar mogelijk, over een apart slaapverblijf. In geen geval zal het slaapverblijf voor officieren meer dan twee kooien bevatten.

2.

De minister kan in bepaalde gevallen ontheffing verlenen van het eerste lid, indien het vereiste vanwege de grootte, het type of het beoogde gebruik van het vissersvaartuig naleving onredelijk of niet uitvoerbaar is.

Artikel 4.4.14. Kooien
1.

Kooien hebben geschikte afmetingen voor één persoon en de matrassen zijn vervaardigd van geschikt materiaal.

2.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer zijn de binnenmaten van kooien ten minste 200 bij 80 centimeter.

Artikel 4.4.15. Comfort slaapverblijven
1.

Slaapverblijven zijn zodanig gelegen en ingericht dat een redelijk comfort voor de vissers is gewaarborgd en netheid wordt bevorderd.

2.

Slaapverblijven zijn ingericht met kooien, individuele kasten voor kleding en andere persoonlijke eigendommen en een geschikt schrijfoppervlak.

3.

Slaapverblijven op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer zijn voorzien van een schrijftafel met stoel.

4.

De slaapverblijven zijn waar mogelijk zodanig geplaatst en uitgerust dat mannen en vrouwen over voldoende privacy beschikken.

Artikel 4.4.16. Eetverblijven
1.

Een vissersvaartuig is voorzien van geschikte eetverblijven die, waar mogelijk, gescheiden zijn van de slaapverblijven.

2.

Eetverblijven zijn zo dicht mogelijk bij de kombuis gelegen, maar zijn niet gelegen voor het aanvaringsschot.

3.

Eetverblijven op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer zijn gescheiden van slaapverblijven.

Artikel 4.4.17. Afmetingen en uitrusting eetverblijven
1.

De afmetingen en uitrusting van een eetverblijf zijn geschikt voor het aantal personen aan boord.

2.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 12 meter of meer zijn te allen tijde een koelkast met voldoende capaciteit en voorzieningen voor het bereiden van warme en koude dranken beschikbaar.

Artikel 4.4.18. Aanwezigheid sanitaire voorzieningen
1.

Voor alle personen zijn sanitaire voorzieningen aanwezig, bestaande uit toiletten, wastafels, en baden of douches al naar gelang het gebruik van het vissersvaartuig. Deze voorzieningen voldoen ten minste aan de minimumnormen op het gebied van gezondheid en hygiëne en aan redelijke kwaliteitsnormen.

2.

Sanitaire voorzieningen zijn zodanig uitgevoerd dat verontreiniging van andere ruimten uitgesloten is.

3.

Sanitaire voorzieningen bieden redelijke privacy.

4.

Aan het gestelde in het eerste tot en met derde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, elfde lid, onderdelen a tot en met c, van het MLC-verdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.

Artikel 4.4.19. Eisen sanitaire voorzieningen
1.

Koud en warm stromend water zijn in zodanig voldoende mate beschikbaar voor alle vissers en alle overige personen aan boord dat een behoorlijke hygiëne mogelijk is.

2.

Sanitaire voorzieningen zijn voorzien van ventilatie met de buitenlucht, die onafhankelijk is van overige verblijven.

3.

Oppervlakken in sanitaire verblijven zijn eenvoudig en doeltreffend te reinigen. Vloeren zijn voorzien van een antislip laag.

4.

Onverminderd het eerste tot en met derde lid zijn op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer voor vissers, die niet beschikken over een eigen slaapverblijf met bijbehorende sanitaire voorzieningen, ten minste een bad of douche, een toilet en een wasbak per vier of minder vissers aanwezig.

5.

Aan het gestelde in het eerste tot en met vierde lid wordt in ieder geval voldaan indien norm A3.1, zevende lid, onderdeel c, en elfde lid, onderdelen a tot en met d en f, en leidraad B3.1.7, eerste lid tot en met derde lid, van het MLC-verdrag, zoals die luidde op 15 november 2019, is toegepast.

Artikel 4.4.20. Wasvoorzieningen
1.

Er zijn voorzieningen voor het wassen en drogen van kleding beschikbaar, rekening houdend met het gebruik van het vissersvaartuig.

2.

Onverminderd het eerste lid zijn op een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer toereikende voorzieningen voor het wassen, drogen en strijken van kleding beschikbaar.

3.

Onverminderd het eerste lid zijn op een vissersvaartuig met een lengte van 45 meter of meer toereikende voorzieningen voor het wassen, drogen en strijken van kleding beschikbaar die zijn gelegen in een van de slaapverblijven, eetverblijven en toiletten afgescheiden ruimte, die voldoende is geventileerd en verwarmd en is voorzien van waslijnen of andere middelen voor het drogen van kleding.

Artikel 4.4.21. Voorzieningen voor zieke en gewonde vissers
1.

Indien nodig wordt een slaapverblijf beschikbaar gemaakt als ziekenverblijf voor een zieke of gewonde visser.

2.

Op een vissersvaartuig van meer dan 950 GT die met een bemanning van 15 vissers of meer een reis van meer dan drie dagen maakt, of een vissersvaartuig met een lengte van 45 meter of meer ongeacht het aantal bemanningsleden en de duur van de reis, is een apart ziekenverblijf aanwezig waar medische zorg kan worden verleend.

3.

Het ziekenverblijf is adequaat uitgerust en verkeert te allen tijde in hygiënische staat.

Artikel 4.4.22. Overige voorzieningen

Op een gemakkelijk bereikbare plaats buiten de slaapverblijven is een ruimte beschikbaar voor het ophangen van spullen voor gebruik bij slecht weer en andere persoonlijke beschermingsmiddelen.

Artikel 4.4.23. Beddengoed, eetgerei en overige verstrekkingen
1.

Aan vissers aan boord worden eetgerei, beddengoed en ander linnengoed verstrekt.

2.

De kosten van het in het eerste lid bedoelde linnengoed kunnen worden ingehouden als exploitatiekosten indien daartoe is voorzien in de zee-arbeidsovereenkomst in de zeevisserij, de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst of de maatschapsovereenkomst op grond waarvan de vissers werk verrichten.

Artikel 4.4.24. Recreatievoorzieningen
1.

Een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer beschikt over geschikte recreatieve voorzieningen en -diensten voor alle vissers aan boord.

2.

Indien geschikt kunnen eetverblijven worden gebruikt voor recreatie.

Artikel 4.4.25. Communicatievoorzieningen

Vissers aan boord krijgen, voor zover mogelijk en binnen redelijke grenzen, toegang tot communicatievoorzieningen tegen een redelijke kostprijs die de totale kostprijs voor de eigenaar van het vissersvaartuig niet overstijgt.

Artikel 4.4.26. Kombuis
1.

Aan boord zijn kookvoorzieningen en kookgerei beschikbaar. Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald en indien uitvoerbaar zijn deze ondergebracht in een afzonderlijke kombuis.

2.

Een kombuis of de kookplaats indien geen afzonderlijke kombuis aanwezig is, is van voldoende afmetingen, goed verlicht, geventileerd en naar behoren uitgerust en onderhouden.

3.

Een vissersvaartuig met een lengte van 24 meter of meer beschikt over een afzonderlijke kombuis.

Artikel 4.4.27. Opslag butaan-propaan voor het koken

Tanks of flessen met butaan- of propaangas voor het koken in een kombuis zijn geplaatst op het open dek en afdoende beschermd tegen externe hittebronnen en andere externe invloeden.

Artikel 4.4.28. Opslagvoorzieningen voor levensmiddelen
1.

Aan boord is een geschikte plaats met voldoende capaciteit aanwezig voor de opslag van levensmiddelen zodat deze droog, koel en goed geventileerd kunnen worden bewaard en bederf wordt voorkomen. Waar mogelijk worden koelkasten of andere voorzieningen voor opslag bij lage temperaturen gebruikt.

2.

Een vissersvaartuig met een lengte van 12 meter of meer beschikt over een provisiekamer, een koelkast en andere voorzieningen voor opslag bij lagere temperaturen.

Artikel 4.4.29. Voeding en drinkwater
1.

Aan boord is voldoende voeding en drinkwater aanwezig voor de vissers aan boord, gelet op de duur en aard van de reis.

2.

Voeding en drinkwater zijn voor wat betreft de voedingswaarde, kwaliteit, kwantiteit en variatie geschikt, waarbij ook rekening is gehouden met de voorschriften en gebruiken omtrent voeding die voortvloeien uit de religie en cultuur van de vissers.

Artikel 4.4.30. Hygiëne en netheid
1.

Verblijven worden schoon en bewoonbaar gehouden en zijn vrij van goederen en voorraden die niet tot de persoonlijke eigendommen van de visser behoren en niet zijn bedoeld voor hun veiligheid of redding in geval van nood.

2.

Een kombuis en de opslagvoorzieningen voor levensmiddelen worden in een hygiënische staat gehouden.

3.

Afval wordt bewaard in goed afgesloten containers en tijdig afgevoerd uit de ruimten waar voedsel wordt bereid.

Artikel 4.4.31. Inspectie
1.

Aan boord van een vissersvaartuig met een lengte van meer dan 24 meter wordt door of op gezag van de schipper eenmaal per reis of ten minste eenmaal per maand inspecties uitgevoerd om te waarborgen dat:

  • a. verblijven schoon, aanvaardbaar bewoonbaar, veilig en in een goede staat van onderhoud verkeren;
  • b. voedsel- en watervoorraden toereikend zijn; en
  • c. kombuis, ruimten en uitrusting voor de opslag van voedsel hygiënisch zijn en in een goede staat van onderhoud verkeren.
2.

De bevindingen van deze inspecties en de getroffen maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen worden vermeld in het scheepsdagboek.

Artikel 4.4.32. Uitzonderingen

De minister kan na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers ontheffing verlenen van de artikelen van deze paragraaf waardoor, zonder discriminatie, rekening kan worden gehouden met de belangen van vissers met onderling verschillende en bijzondere religieuze en sociale gewoonten, op voorwaarde dat deze ontheffing niet ertoe leidt dat de algemene algehele omstandigheden minder gunstig zijn dan die welke voortvloeien uit de toepassing van deze paragraaf.

Paragraaf 4.5. Huisvesting, voorzieningen, voeding en drinkwater ten behoeve van vissers aan boord van een vissersvaartuig gebouwd voor 15 november 2019

Artikel 4.5.1. Reikwijdte

Deze paragraaf is van toepassing op een vissersvaartuig, niet zijnde een vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4.4.1.

Artikel 4.5.2. Plaats en algemene inrichting van de verblijven
1.

Verblijven zijn midscheeps of in het achterschip gelegen.

2.

In bijzondere gevallen kan de minister ontheffing verlenen van het eerste lid indien de grootte, het type of het beoogde gebruik van het naleving naleving onredelijk of niet uitvoerbaar is.

3.

Er zijn voldoende dagverblijven aanwezig, gescheiden van de slaapverblijven en zo dicht mogelijk bij de kombuis gelegen. Indien op een vissersvaartuig met een lengte van minder dan 24 meter een afzonderlijk dagverblijf niet mogelijk is, kan worden volstaan met een gecombineerd dag- en slaapverblijf.

4.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 60 meter of meer zijn zowel voor de kapitein en de officieren als voor de gezellen afzonderlijke dagverblijven aanwezig.

Artikel 4.5.3. Algemene eisen dag- en slaapverblijven
1.

De plaats, de toegangen, de constructie en de indeling van een dag- of slaapverblijf ten opzichte van een andere ruimte is zodanig dat de veiligheid, de bescherming tegen weersinvloeden en overkomend zeewater en de isolatie tegen hitte en kou, overmatig lawaai of tegen uitwaseming van andere ruimten, voldoende zijn verzekerd.

2.

De inrichting van de toegangen tot een dag- of slaapverblijf is zodanig, dat deze toegangen steeds aan beide zijden gemakkelijk en vlug kunnen worden geopend en voldoende doorgang laten.

3.

Indien de minister dit noodzakelijk acht, is een dag- of slaapverblijf op naar zijn oordeel doelmatige plaatsen voorzien van nooduitgangen.

4.

Het materiaal en de constructie van de dekken in een dag- of slaapverblijf zijn goedgekeurd door de minister. Het oppervlak van deze dekken is ondoordringbaar voor vocht en gemakkelijk schoon te houden.

5.

Indien de vloeren zijn vervaardigd uit samengesteld materiaal, zijn de verbindingen met de wanden naar boven afgerond om spleten of naden te vermijden.

6.

Indien het stalen bovendek van een dag- of slaapverblijf aan de buitenlucht of aan de invloed van enige warmtebron aan boord is blootgesteld, wordt deze aan de bovenzijde met hout ter dikte van ten minste 5 centimeter of met ander deugdelijk en gelijkwaardig isolatiemateriaal bekleed, dan welis aan de onderzijde een bekleding met even groot isolerend vermogen aangebracht.

7.

In een dag- en slaapverblijf is aansluitend tegen de dekbalken een plafond aangebracht, dat geheel of gedeeltelijk wegneembaar is.

8.

Een slaapverblijf staat niet rechtstreeks in verbinding met visruimen, opslagplaatsen voor vismeel, ruimten waarin werktuigen zijn opgesteld, kombuizen, lampenhutten, verfhutten, bergruimten, droogkamers, gemeenschappelijke wasplaatsen en toiletten.

9.

Het gedeelte van een schot dat de in het achtste lid bedoelde ruimten scheidt van slaapverblijven alsmede de buitenwanden van die ruimten zijn doelmatig vervaardigd van staal of van ander goedgekeurd materiaal en zijn water- en gasdicht.

10.

Buitenschotten van een dag- of slaapverblijf zijn doelmatig geïsoleerd. Schotten van een machinekamerschacht, een kombuis en van een andere ruimte waarin warmte wordt ontwikkeld, zijn doelmatig geïsoleerd dat geen warmteuitstraling plaatsvindt naar aangrenzende verblijven of gangen van de verblijven. Tevens vindt bescherming plaats tegen warmteuitstraling van stoom of warmwaterleidingen.

11.

Schotten in een dag- of slaapverblijf zijn vervaardigd van goedgekeurd materiaal waarin zich geen ongedierte kan nestelen.

12.

Een dag- of slaapverblijf en gangen in de verblijven zijn voldoende geïsoleerd om condensatie en te hoge temperaturen te voorkomen.

13.

De hoogte van een dag- of slaapverblijf tussen de dekken, gemeten van de onderkant van het plafond tot de bovenkant van de vloerbedekking, bedraagt op alle plaatsen waar de bemanning zich vrij moet kunnen bewegen, 2 meter of meer.

14.

Hoofdstoom- en afvoerleidingen van lieren en andere hulpwerktuigen zijn buiten de dag- en slaapverblijven en zo mogelijk buiten de gangen naar deze verblijven aangelegd.

15.

Waar de leidingen, bedoeld in het dertiende de lid, door de gangen lopen, zijn deze voorzien van een doelmatige isolatie en omkasting.

16.

Flenskoppelingen van leidingen zijn niet in een dag- of slaapverblijf aangebracht. Indien dit niet uitvoerbaar is, kan de minister, hiervan ontheffing verlenen.

17.

Lucht- en overvloeileidingen van tanks monden niet uit in een dag- of slaapverblijf of in een gang naar een zodanig verblijf.

18.

Ankerkettingen lopen niet door een dag- of slaapverblijf, tenzij deze zijn beschermd door zware kokers.

19.

In dag- en slaapverblijven zijn de huid en de eindschotten van de bovenbouw met hout bekleed of op soortgelijke wijze van een bekleding van ander deugdelijk materiaal voorzien.

20.

De wanden en plafonds van dag- en slaapverblijven zijn gemakkelijk schoon te houden. Indien deze zijn geschilderd, is dit gebeurd in een lichte kleur.

21.

Er zijn voldoende middelen aanwezig zijn voor het afvoeren van water uit een dag- of slaapverblijf.

22.

Alle praktische maatregelen worden getroffen om verblijven voor de bemanning vanvissersvaartuigen te beschermen tegen vliegen en andere insecten, met name wanneer het vissersvaartuig actief is in door muggen geteisterde gebieden.

Artikel 4.5.4. Algemene eisen ten aanzien van ruimten voor sanitaire ruimten en verblijven voor ziekenverpleging en ontspanning

De bepalingen van artikel 4.5.3 zijn van overeenkomstige toepassing op sanitaire ruimten, verblijven voor ziekenverpleging en ontspanning, bestemd voor gebruik door de vissers met dien verstande dat de bekleding en de isolatie van wanden slechts daar is aangebracht, waar dit door de minister nodig wordt geoordeeld.

Artikel 4.5.5. Ventilatie
1.

Verblijven worden geventileerd, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden.

2.

Het ventilatiesysteem zorgt constant voor voldoende verse lucht wanneer er vissers aan boord zijn.

3.

Een vissersvaartuig dat regelmatig wordt ingezet voor reizen in de tropen of in andere gebieden met vergelijkbare klimatologische omstandigheden, is uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of met elektrisch aangedreven waaiers, met dien verstande dat slechts één van deze middelen behoeft te zijn aangebracht in ruimten waar dit een voldoende ventilatie verzekert.

4.

Een vissersvaartuig dat wordt ingezet op reizen in gebieden anders dan bedoeld in het tweede lid, is uitgerust met mechanische ventilatiemiddelen of met elektrisch aangedreven waaiers.

5.

Voor een vissersvaartuig dat geregeld wordt ingezet op reizen in koude streken, kan de minister ontheffing van het derde lid verlenen.

6.

Het vermogen dat nodig is om de ventilatiemiddelen, bedoeld in het tweede en derde lid, aan te drijven, is beschikbaar gedurende de gehele tijd dat er vissers aan boord verblijven of werken en de omstandigheden dit vereisen.

7.

Toiletten zijn onafhankelijk van andere gedeelten van een verblijf op de buitenlucht geventileerd.

Artikel 4.5.6. Verwarming
1.

Verblijven worden voldoende verwarmd, rekening houdend met de klimatologische omstandigheden.

2.

De verwarming geschiedt door toevoer van stoom, heet water, warme lucht of elektriciteit.

3.

De verwarmingsinrichting en de plaats en wijze van opstelling daarvan voldoet aan door de minister te stellen eisen.

4.

Het verwarmingssysteem is in gebruik zolang er vissers aan boord zijn en wanneer de omstandigheden dat vereisen.

5.

Radiatoren in een verblijf zijn doelmatig geplaatst en waar nodig afgeschermd.

6.

De verwarmingsinrichting heeft vermogen waarmee onder normale klimatologische omstandigheden die tijdens de reis kunnen worden ondervonden, in verblijven een temperatuur van ten minste 20 graden Celsius kan worden onderhouden.

Artikel 4.5.7. Verlichting
1.

Verblijven zijn van voldoende verlichting voorzien.

2.

Indien uitvoerbaar zijn verblijven met zowel daglicht als kunstlicht verlicht.

3.

Slaapverblijven kunnen worden afgeschermd van daglicht.

4.

In iedere kooi is in aanvulling op de normale verlichting van het slaapverblijf voldoende leesverlichting aanwezig.

Artikel 4.5.8. Aantal personen per slaapverblijf
1.

Met inachtneming van het tweede lid, is een slaapverblijf ten hoogste bestemd voor het hieronder vermelde aantal vissers:

  • a. een slaapverblijf voor officieren:
  • 1°. op een vissersvaartuig met een lengte van 60 meter en meer: één visser;
  • 2°. op een vissersvaartuig met een lengte van minder dan 60 meter: twee vissers;
  • b. een slaapverblijf voor gezellen:
  • 1°. op een vissersvaartuig met een lengte van 60 meter en meer: twee vissers;
  • 2°. op een vissersvaartuig met een lengte van 35 tot 60 meter: vier vissers;
  • 3°. op een vissersvaartuig met een lengte van minder dan 35 meter: zes vissers.
2.

Op een vissersvaartuig met een lengte van minder dan 35 meter kan het slaapverblijf voor officieren en dat voor gezellen worden gecombineerd tot één verblijf voor ten hoogste zes vissers.

3.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 35 meter en meer zijn voor het dekpersoneel, het machinekamerpersoneel en het personeel voor de civiele dienst afzonderlijke slaapverblijven beschikbaar.

4.

Voor zover dit praktisch uitvoerbaar is, zijn de slaapverblijven van wachtdoende vissers gescheiden van niet wachtdoende of vrije vissers.

5.

Het maximumaantal personen dat in een slaapverblijf kan worden ondergebracht, is duidelijk leesbaar en onuitwisbaar vermeld op een duidelijk zichtbare plaats in de slaapruimte.

Artikel 4.5.9. Comfort slaapverblijven
1.

Slaapverblijven zijn zodanig gelegen en ingericht dat een redelijk comfort voor de vissers is gewaarborgd en netheid wordt bevorderd.

2.

Het vloeroppervlak per persoon in een slaapverblijf voor gezellen of in een gecombineerd slaapverblijf voor officieren en gezellen als bedoeld in artikel 4.5.8, tweede lid, met uitzondering van de ruimte ingenomen door slaapplaatsen en kasten, bedraagt ten minste op een vissersvaartuig:

(i) met een lengte van 13 tot 19 meter: 0,5 vierkante meter
(ii) met een lengte van 19 tot 26 meter: 0,75 vierkante meter
(iii) met een lengte van 26 tot 35 meter: 0,9 vierkante meter
(iv) met een lengte van 35 meter en meer: 1,0 vierkante meter
3.

Het vloeroppervlak per persoon in een slaapverblijf voor officieren, met uitzondering van de ruimte ingenomen door slaapplaatsen en kasten, bedraagt ten minste:

(i) met een lengte van minder dan 60 meter: 2,0 vierkante meter
(ii) met een lengte van 60 meter en meer: 2,5 vierkante meter
4.

In een slaapverblijf is voor iedere visser een kledingkast aanwezig met een hoogte van ten minste 1,75 meter en een dwarsdoorsnede van ten minste 0,2 vierkante meter, voorzien van een legplank en een roede waaraan kleding op kleerhangers kan worden gehangen. De kast is voorzien van een slot of van lippen voor een hangslot.

5.

In een slaapverblijf is voor iedere bewoner een lade of soortgelijke ruimte aanwezig met een inhoud van tenminste 60 kubieke decimeter.

6.

In een slaapverblijf is een tafel of lessenaar met een gemakkelijke zitgelegenheid aanwezig. De tafel of lessenaar mag vast, inklapbaar of uitschuifbaar zijn.

7.

Een slaapverblijf is uitgerust met een spiegel, kastjes voor toiletbenodigdheden, een boekenrek en een voldoende aantal kleerhaken.

8.

Een slaapverblijf voor officieren is voorzien van een wastafel, de nodigelegkasten of laden, gordijnen, handdoek- en deurhaken en doelmatige vloerbedekking.

9.

De meubelen zijn vervaardigd van glad, hard materiaal dat niet kromtrekt of roest en waarin zich geen ongedierte kan nestelen.

10.

Voor de patrijspoorten in een slaapverblijf zijn gordijnen of jaloezieën aangebracht.

11.

Voor elke visser is een afzonderlijke slaapplaats beschikbaar.

12.

Slaapplaatsen zijn behoorlijk van elkaar gescheiden en afzonderlijk toegankelijk.

13.

Er zijn niet meer dan twee slaapplaatsen boven elkaar aangebracht.

14.

De onderkant van de onderste slaapplaats is meer dan 30 centimeter boven de vloer gelegen.

15.

De afstand tussen de onderkant van de onderste slaapplaats en de onderkant van de bovenste slaapplaats en de afstand tussen de onderkant van de bovenste slaapplaats en de onderkant van het plafond 75 centimeter of meer.

16.

Aan de onderkant van de bovenste slaapplaats is een stofdichte bodem van hout, zeildoek of ander geschikt materiaal aangebracht.

17.

Een slaapplaats is, binnenwerks gemeten, 2 meter of meer lang en 0,68 meter of meer breed.

18.

Een slaapplaats is van hout of van deugdelijk hard materiaal dat niet gemakkelijk roest, vervaardigd. De constructie is zodanig dat er zich geen ongedierte in kan nestelen en de slaapplaats gemakkelijk kan worden schoongemaakt.

19.

Indien een slaapplaats uit buizen is samengesteld, zijn in deze buizen geen openingen aanwezig die aan ongedierte toegang kunnen verlenen. Houten kooiplanken zijn uitneembaar.

20.

Een slaapplaats is voorzien van een matras van deugdelijk materiaal. Als vulling voor matrassen is geen materiaal gebruikt waarin zich ongedierte kan nestelen.

21.

Onder de opening van een luchtkoker is geen slaapplaats aanwezig.

Artikel 4.5.10. Dagverblijven
1.

De grootte en inrichting en het aantal tafels en zitbanken of stoelen, vastgezet of verplaatsbaar, van een dagverblijf zijn voldoende voor het grootste aantal personen dat gelijktijdig van het verblijf gebruik kan maken.

2.

Tenzij pantry’s aanwezig zijn die in rechtstreekse verbinding staan met een dagverblijf, is in deze voldoende kastruimte aanwezig voor het opbergen van eetgerei, alsmede een geschikte gelegenheid voor het schoonmaken daarvan.

3.

De bovenkanten van tafels, zitbanken of stoelen zijn vervaardigd van vochtwerend materiaal, zonder barsten, dat gemakkelijk is schoon te houden.

4.

Waar dit uitvoerbaar is, is een dagverblijf zodanig ontworpen, gemeubileerd en uitgerust dat deze gelegenheid biedt tot ontspanning.

5.

Indien een radiodistributie-installatie aanwezig is, zijn dagverblijven daarop aangesloten.

Artikel 4.5.11. Sanitaire voorzieningen
1.

Een vissersvaartuig is voorzien van voldoende sanitaire voorzieningen, met inbegrip van wastafels, douches en toiletten.

2.

Voor vissers die gebruik maken van een slaapverblijf dat niet is voorzien van eigen sanitair, zijn de volgende voorzieningen aanwezig:

(i) voor zes vissers of minder: één wastafel
(ii) voor acht vissers of minder: één douche
(iii) één toilet voor acht vissers of minder: één toilet
3.

Bij de berekening wordt een aantal van drie vissers of minder ten aanzien van douches en toiletten en een aantal van twee vissers of minder ten aanzien van wastafels, verwaarloosd.

Artikel 4.5.12. Eisen sanitaire inrichtingen
1.

Een sanitaire ruimte bestemd voor gemeenschappelijk gebruik voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de vloer bestaat uit deugdelijk, duurzaam en gemakkelijk te reinigen materiaal, dat ondoordringbaar is voor vocht;
  • b. schotten zijn van staal of ander deugdelijk materiaal vervaardigd en tot een hoogte van ten minste 25 centimeter boven de vloer waterdicht uitgevoerd;
  • c. toiletten zijn op voldoende wijze van elkaar zijn gescheiden en gemakkelijk bereikbaar;
  • d. een toilet is van een ruime afvoer voorzien en kan afzonderlijk door middel van een vaste inrichting gemakkelijk worden doorgespoeld, zodanig, dat geen stank wordt verspreid;
  • e. wastafels en badkuipen zijn van voldoende afmetingen en zijn vervaardigd van deugdelijk materiaal, met een glad oppervlak, niet onderhevig aan scheuren, schilferen of roesten; en
  • f. de vloer van een ruimte, waarin een toilet of een wasgelegenheid is ondergebracht, is voorzien van een behoorlijke waterafvoer.
2.

Een toilet staat niet rechtstreeks in verbinding met slaapverblijven, en met een doodlopende gang tussen de slaapverblijven en de toiletten, met dien verstande, dat dit niet geldt voor een toilet tussen twee slaapverblijven, welke tezamen voor niet meer dan vier personen zijn bestemd.

3.

Een toilet is van een zodanig model en de afvoer is zodanig ingericht, dat de kans op verstopping zo klein mogelijk is en het schoonhouden vergemakkelijkt wordt.

4.

De afvoer van het toilet loopt niet door drinkwatertanks en, indien uitvoerbaar, niet onderdeks door dag- of slaapverblijven.

5.

Het eerste lid, onderdelen a, b, d, e en f, is mede van toepassing op wastafels in slaapverblijven en op sanitaire ruimten die rechtstreeks in verbinding staan met slaapverblijven.

Artikel 4.5.13. Wassen en drogen van kleding
1.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 35 meter of meer zijn voorzieningen voor het wassen en drogen van kleding beschikbaar, rekening houdend met het gebruik van het vissersvaartuig.

2.

De wasplaats voor kleding bevat geschikte spoelbakken die zijn voorzien van een afvoer.

3.

De wasplaats kan in een badkamer worden geplaatst indien niet in een afzonderlijke wasruimte kan worden voorzien.

4.

De spoelbakken zijn voorzien van stromend koud en warm zoet water.

5.

Onverminderd het eerste lid zijn toereikende voorzieningen voor het wassen, drogen en strijken van kleding beschikbaar die zijn gelegen in een van de slaapverblijven, eetverblijven en toiletten afgescheiden ruimte, die voldoende is geventileerd en verwarmd en is voorzien van waslijnen of andere middelen voor het drogen van kleding.

Artikel 4.5.14. Wassen en drogen van kleding, opbergen van oliegoed

Buiten, nabij de slaapverblijven is voldoende behoorlijk geventileerde bergruimte om oliegoed en natte of vuile kleding op te hangen.

Artikel 4.5.15. Ziekenverblijf en ziekenkooi
1.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 45 meter of meer is een afzonderlijk ziekenverblijf aanwezig dat voldoet aan artikel 4.2.15.

2.

Op een vissersvaartuig met een lengte van 35 tot 45 meter kan voor een zieke of gewonde een éénpersoons slaapverblijf beschikbaar worden gesteld, waarin de slaapplaats als ziekenkooi is ingericht.

3.

Op een vissersvaartuig met een lengte van minder dan 35 meter kan worden volstaan met een als ziekenkooi ingerichte slaapplaats in een slaapverblijf.

4.

De ziekenkooi is zodanig ingericht dat de zieke er gemakkelijk met de matras kan worden ingebracht en uitgenomen, waartoe zo nodig de schotten wegneembaar moeten zijn.

5.

Indien een visser aan een ernstige of aan een besmettelijke ziekte lijdt, wordt getracht deze, afgezonderd van alle anderen, te verplegen.

Artikel 4.5.16. Reinheid van de verblijven
1.

Een verblijf wordt schoon en in behoorlijk bewoonbare toestand gehouden.

2.

Goederen en voorraden die niet het persoonlijk eigendom zijn van de gebruikers van het verblijf, worden daar niet opgeborgen.

3.

Ten minste éénmaal per week wordt door de schipper of een daarvoor door hem aangewezen officier een inspectie van een verblijf gehouden, waarbij hij zich door een of meer leden van de bemanning doet vergezellen.

4.

De bevindingen van deze inspecties en de getroffen maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen worden vermeld in het scheepsdagboek.

Artikel 4.5.17. Plichten van de schipper

Indien tijdens de reis gebreken ontstaan aan de in deze paragraaf omschreven voorzieningen, is de schipper verantwoordelijk om deze zo spoedig mogelijk te verhelpen.

Artikel 4.5.18. Toepasselijkheid en ontheffingen
1.

De minister kan, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers ontheffing verlenen van de artikelen 4.5.2 tot en met 4.5.15, indien deze afwijkingen voordelen meebrengen welke tot resultaat hebben dat de inrichting over het geheel genomen niet minder gunstig is dan die welke het gevolg zou zijn van volledige toepassing van deze paragraaf.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)