Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 april 2025, nr. IENW/BSK-2025/91091, houdende nadere regels over het bemannen van zeeschepen (Regeling bemanning zeeschepen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-07-01
State In force
Source BWB
artikelen 275
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Voor een vissersschip dat voor 12 mei 1977 was afgebouwd, kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers, wanneer het vissersvaartuig wordt ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998 of wanneer ingrijpende veranderingen in de bouw of grote reparaties aan het vissersvaartuig worden uitgevoerd volgens een tevoren ontworpen plan en niet ten gevolge van een ongeval of ramp, ontheffing verlenen om het vissersvaartuig te laten voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 4.5.2 tot en met 4.5.15, voor zover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing voordoen.

3.

Was een vissersvaartuig voor 12 mei 1977 in aanbouw of werd het op of voor die datum verbouwd, dan kan de minister, na overleg met de betrokken organisaties van scheepsbeheerders en vissers, ontheffingen verlenen, welke nodig zijn om het vissersvaartuig te laten voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 4.5.3 tot en met 4.5.15, voor zover hij dit mogelijk acht, daarbij rekening houdende met alle praktische problemen welke zich bij de toepassing voordoen.

4.

De minister kan bij de toepassing van het derde of vierde lid bepalen binnen welke tijdsduur de voor te schrijven wijzigingen moeten zijn uitgevoerd.

Paragraaf 4.6. Certificaat maritieme arbeid en verklaring naleving maritieme arbeid

Artikel 4.6.1. Aanvraag certificaat maritieme arbeid en voorlopig certificaat maritieme arbeid
1.

Een aanvraag voor een certificaat maritieme arbeid of een voorlopig certificaat maritieme arbeid wordt schriftelijk ingediend bij een op grond van artikel 39, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaar of rechtspersoon.

2.

Bij de aanvraag verstrekt de scheepsbeheerder de volgende gegevens en documenten:

  • a. naam van het zeeschip;
  • b. IMO-nummer van het zeeschip;
  • c. de naam van de scheepsbeheerder;
  • d. technische gegevens van het zeeschip, inclusief de op grond van artikel 4.1.25 goedgekeurde plannen; en
  • e. de datum van de kiellegging.
3.

Op basis van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, ontvangt de scheepsbeheerder een verklaring naleving maritieme arbeid deel I, aan de hand waarvan de scheepsbeheerder een verklaring naleving maritieme arbeid deel II opstelt die in overeenstemming is met de artikelen 4.6.3 en 4.6.8, vierde lid, en, voor zover van toepassing, artikel 4.6.6, derde lid.

4.

Nadat de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of rechtspersoon de verklaring naleving maritieme arbeid deel II heeft ontvangen, worden de onderzoeken, bedoeld in artikel 4.6.4 of artikel 4.6.6, vierde lid, uitgevoerd.

Artikel 4.6.2. Inhoud verklaring naleving maritieme arbeid deel I
1.

Een verklaring naleving maritieme arbeid deel I bevat de elementen, bedoeld in norm A5.1.3, tiende lid, onderdeel a, van het MLC-verdrag, en wordt opgesteld met inachtneming van leidraad B5.1.3, eerste en vierde lid, van het MLC-verdrag met betrekking tot onder meer:

  • k. medische zorg aan boord gesteld bij of krachtens de artikelen 4, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, en 9, eerste lid, van de zeeschepenwet;
2.

Het model, bedoeld in artikel 4.6.8, derde lid, bevat een opsomming van de eisen, bedoeld in het eerste lid, die op het desbetreffende zeeschip van toepassing zijn. Daarbij wordt voor wat betreft de voorschriften met betrekking tot huisvesting en voorzieningen voor zeevarenden onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen zeeschepen, bedoeld in paragraaf 4.1 en 4.2.

Artikel 4.6.3. Inhoud verklaring naleving maritieme arbeid deel II
1.

In de verklaring naleving maritieme arbeid deel II wordt vermeld:

  • a. de maatregelen en procedures om te waarborgen dat voortdurend wordt voldaan aan de i eisen, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, van het besluit, en de voorgestelde maatregelen om voortdurende verbetering van de naleving te waarborgen;
  • c. welke personen zijn aangewezen voor het toepassen van de in de onderdelen a en b bedoelde maatregelen en procedures.
2.

De verklaring naleving maritieme arbeid deel II wordt opgesteld in overeenstemming met de normering van leidraad B5.1.3, tweede tot en met vierde lid, van het MLC-verdrag.

Artikel 4.6.4. Inspectie, geldigheid en verlenging certificaat maritieme arbeid
1.

Een certificaat maritieme arbeid heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar.

2.

Tijdens de geldigheidsduur van het certificaat maritieme arbeid wordt het zeeschip onderworpen aan een tussentijdse inspectie die plaatsvindt tussen de tweede en derde verjaardatum van het certificaat.

3.

Van een goed verlopen tussentijdse inspectie wordt aantekening gemaakt op het certificaat.

4.

Het onderzoek ter verlenging van een certificaat maritieme arbeid vindt plaats voor de vijfde verjaardatum van het certificaat.

5.

Ter verkrijging van een certificaat maritieme arbeid bij een tussentijdse inspectie als bedoeld in het tweede lid en bij een verlengingsinspectie als bedoeld in het vierde lid:

  • a. wordt onderzocht of het zeeschip voldoet aan de eisen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de wet en aan de voorschriften genoemd op de toepasselijke verklaring naleving maritieme arbeid deel I; en
  • b. wordt beoordeeld of de verklaring naleving maritieme arbeid deel II voldoet aan artikel 4.6.3, en of op basis van de inhoud van die verklaring voldoende is gewaarborgd dat de in onderdeel a bedoelde eisen die op het desbetreffende zeeschip van toepassing zijn, voortdurend worden nageleefd.
6.

Indien het onderzoek ter verlenging wordt afgerond binnen drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond voor een tijdvak dat ten hoogste loopt tot vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat.

7.

Indien het onderzoek ter verlenging meer dan drie maanden voor de vervaldatum van het bestaande certificaat wordt afgerond, is het nieuwe certificaat maritieme arbeid geldig voor vijf jaar gerekend vanaf de datum waarop de verlengingsinspectie is afgerond.

Artikel 4.6.5. Inspectierapport
1.

De uitkomsten van een inspectie als bedoeld in artikel 4.6.4, tweede en vierde lid, worden door de betrokken ambtenaar of degene die namens een rechtspersoon de inspectie heeft uitgevoerd, opgenomen in een inspectierapport, waarbij alle eventuele zwaarwegende tekortkomingen uitdrukkelijk worden vermeld.

2.

De datum waarop wordt vastgesteld dat een zwaarwegende tekortkoming is verholpen, wordt eveneens aangetekend op het inspectierapport.

3.

Een afschrift van het inspectierapport wordt in de werktaal van het zeeschip en in het Engels, indien de werktaal geen Engels is en het zeeschip internationale reizen maakt, verstrekt aan de kapitein.

4.

De kapitein verstrekt op verzoek een afschrift van het inspectierapport alsmede van het certificaat maritieme arbeid en de verklaring naleving maritieme arbeid in het Engels of in de werktaal van het zeeschip aan krachtens artikel 39, eerste lid, van de wet aangewezen ambtenaren, aan inspecteurs van een havenstaat of aan vertegenwoordigers van scheepsbeheerders of zeevarenden.

5.

Een afschrift van het inspectierapport wordt aan boord van het zeeschip op een duidelijk zichtbare en voor de bemanning toegankelijke plaats beschikbaar gesteld.

Artikel 4.6.6. Voorwaarden afgifte voorlopige certificaten
1.

Een voorlopig certificaat maritieme arbeid kan worden afgegeven met betrekking tot:

  • a. een nieuw zeeschip bij de oplevering;
  • b. een zeeschip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels onder de vlag van het Koninkrijk gaat varen;
  • c. een zeeschip dat in het beheer komt van een andere scheepsbeheerder.
2.

Een voorlopig certificaat maritieme arbeid kan eenmalig worden afgegeven voor een tijdvak van ten hoogste 26 weken.

3.

In afwijking van artikel 4.6.3, eerste lid, onderdelen a en b, worden de maatregelen en procedures in de verklaring naleving maritieme arbeid deel II zoveel als mogelijk vermeld.

4.

De scheepsbeheerder toont aan dat de kapitein op de hoogte is van de eisen van het MLC-verdrag en zijn verantwoordelijkheden voor de uitvoering en de naleving van de voor het desbetreffende zeeschip geldende regels en procedures voor de naleving van het MLC-verdrag.

5.

Het zeeschip wordt met het oog op een voorlopig certificaat als bedoeld in het eerste lid onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 4.6.4, vijfde lid, onderdeel a.

Artikel 4.6.7. Vervallen certificaat bij onttrekken van zeeschip aan oorspronkelijke bestemming

Onverminderd artikel 4.2.2 van het besluit vervalt een voor dat zeeschip afgegeven certificaat maritieme arbeid indien:

  • a. het zeeschip wordt onttrokken aan zijn oorspronkelijke bestemming, waardoor het niet meer als zeeschip wordt gebruikt;
Artikel 4.6.8. Modellen
1.

Het model van het certificaat maritieme arbeid is opgenomen in bijlage 16.

2.

Het model van het voorlopige certificaat maritieme arbeid is opgenomen in bijlage 17.

3.

Het model van de verklaring naleving maritieme arbeid, deel I, is opgenomen in bijlage 18.

4.

Het model van de verklaring naleving maritieme arbeid, deel II, is opgenomen in bijlage 19.

5.

De documenten, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, zijn slechts geldig indien ze zijn opgesteld overeenkomstig de in de bijlagen bij deze regeling opgenomen modellen en naar waarheid zijn ingevuld.

Artikel 4.6.9. Erkenning van organisaties
1.

Een erkenning als bedoeld in artikel 39, vierde lid, van de wet kan worden verleend aan rechtspersonen die voldoen aan de volgende criteria:

  • a. de rechtspersoon beschikt over een gecertificeerd kwaliteitssysteem, waarin de procedures alsmede het beheer van alle documentatie met betrekking tot de onderzoeken waarvoor de aanwijzing geldt zijn geborgd;
  • b. de rechtspersoon heeft de beschikking over een wereldwijd netwerk van voldoende en bekwaam personeel met voldoende en actuele kennis van het MLC-verdrag en de Nederlandse wettelijke vereisten voor de afgifte van een certificaat maritieme arbeid, alsmede diensttijd met betrekking tot het onderzoeken van zeeschepen; en
  • c. de rechtspersoon voert een onafhankelijke bedrijfsvoering en kan daarover verantwoording afleggen.
2.

Een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid houdt kantoor in Nederland en heeft met de minister een overeenkomst gesloten met betrekking tot de taken die zij in het kader van de aanwijzing uitvoert, waarin de in leidraad B5.1.2 van het MLC-verdrag genoemde onderwerpen zijn opgenomen.

3.

Rechtspersonen die zijn erkend op grond van verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (PbEU 2009, L 131), worden geacht te voldoen aan de erkenningscriteria, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid.

4.

Een erkenning wordt verleend voor onbepaalde tijd.

5.

Een erkenning kan worden ingetrokken indien de rechtspersoon waaraan de erkenning is verleend, niet meer voldoet aan een van de criteria, genoemd in het eerste lid.

6.

Een besluit tot erkenning of intrekking van een erkenning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 4.6.10. Aanwijzing erkende rechtspersonen
1.

Een rechtspersoon die is erkend overeenkomstig artikel 4.6.9 en die is aangewezen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Schepenwet, kan de minister verzoeken om een aanwijzing als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de wet.

2.

Een aanwijzing wordt ingetrokken indien de erkenning, bedoeld in artikel 4.6.9, wordt ingetrokken.

3.

Een aanwijzing kan worden ingetrokken indien de aangewezen rechtspersoon handelt in strijd met een voorschrift dat is verbonden aan de aanwijzing of in strijd met de overeenkomst, bedoeld in artikel 4.6.9, tweede lid.

4.

Een aanwijzing kan worden geschorst indien door een handeling of nalaten van de aangewezen rechtspersoon ernstig gevaar voor de veiligheid kan of is ontstaan.

Paragraaf 4.7. Visserij-arbeidscertificaat

Artikel 4.7.1. Opsomming voorschriften C 188-verdrag

De minister geeft op aanvraag een visserij-arbeidscertificaat als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet af indien na onderzoek blijkt dat voor dat vissersvaartuig ten minste wordt voldaan aan:

Artikel 4.7.2. Model visserij-arbeidscertificaat

Het model voor het visserij-arbeidscertificaat voor vissersvaartuigen is opgenomen in bijlage 20.

Artikel 4.7.3. Geldigheidsduur visserij-arbeidscertificaat

Het visserij-arbeidscertificaat heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar.

Artikel 4.7.4. Afgifte en verlenging visserij-arbeidscertificaat

De artikelen 4.6.3 tot en met 4.6.7 zijn van overeenkomstige toepassing op het visserij-arbeidscertificaat.

Paragraaf 4.8. Register

Artikel 4.8. Gegevensregistratie Centraal inspectieregister
1.

Na het uitvoeren van een inspectie als bedoeld in artikel 4.6.3, tweede, derde of vierde lid, worden door de betrokken ambtenaar of degene die namens een rechtspersoon de inspectie heeft uitgevoerd, de volgende gegevens in het register, bedoeld in artikel 77 van de wet, geregistreerd:

  • a. naam van het zeeschip;
  • b. IMO-nummer van het zeeschip;
  • c. naam van de scheepsbeheerder van het zeeschip;
  • e. datum en plaats van de inspectie;
  • f. de resultaten van vraaggesprekken met zeevarenden aan boord;
  • h. informatie betreffende eventuele inbreuken op de wetgeving, opgelegde sancties en aanhouding van het zeeschip; en
  • i. gerapporteerde arbeidsongevallen.
2.

Rechtspersonen die zijn aangewezen op grond van artikel 39, eerste lid, van de wet, dragen er zorg voor dat de in het eerste lid bedoelde inspectiegegevens in het register worden geregistreerd op de door de minister bij die aanwijzing voorgeschreven wijze.

3.

De minister brengt binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar een verslag uit van de in het desbetreffende jaar uitgevoerde inspecties.

Paragraaf 4.9. Klachtenprocedures

Artikel 4.9.1. Klager

In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘klager’: zeevarende die op grond van de artikelen 6 of 40, eerste lid, van de wet, een klacht indient.

Artikel 4.9.2. Klachtenprocedure aan boord
1.

In een klachtenprocedure als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt ten minste opgenomen:

  • a. bij welke persoon of personen aan boord een klacht kan worden ingediend, waarbij klachten in ieder geval bij de kapitein kunnen worden ingediend;
  • b. bij welke vertegenwoordiger van de scheepsbeheerder die niet tot de zeevarenden aan boord behoort, een klacht kan worden ingediend;
  • d. de naam van één of meer vertrouwenspersonen aan boord die zeevarenden onpartijdig kunnen adviseren over het indienen van een klacht en klagers kunnen bijstaan bij het doorlopen van de klachtenprocedure en kan helpen bij het voorkomen van nadelige behandeling vanwege het feit dat diegene een klacht heeft ingediend; en
  • e. volgens welke procedure een klacht wordt behandeld waarbij leidraad B5.1.5, tweede lid, van het MLC-verdrag in acht wordt genomen.
2.

De klachtenprocedure, bedoeld in het eerste lid, stelt geen beperkingen aan het recht van de klager:

  • a. zich door iemand te laten vergezellen of vertegenwoordigen;
  • b. om te allen tijde zijn klacht rechtstreeks bij de kapitein of de vertegenwoordiger van de scheepsbeheerder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, in te dienen;
  • c. om klachten in te dienen betreffende een vermoedelijke schending van het MLC-verdrag of het C188-verdrag.
Artikel 4.9.3. Klachtbehandeling aan de wal
1.

Een klacht als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de wet wordt ingediend bij de voor de klachtenbehandeling door de Inspecteur-Generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport aangewezen ambtenaren van die inspectie. De Inspecteur-Generaal draagt zorg voor een vertrouwelijke behandeling van de klacht.

2.

Indien een erkende rechtspersoon als bedoeld in artikel 4.6.9 een melding ontvangt van een klacht, zorgt deze erkende rechtspersoon ervoor dat de klacht wordt ingediend bij de in het eerste lid bedoelde ambtenaar.

3.

Schriftelijk ingediende klachten worden gericht aan de Inspectie Leefomgeving en Transport, te bereiken via:

  • a. het postadres: Postbus 16191, IPC 525, 2500 BD Den Haag, Nederland; of
4.

Een klacht is ontvankelijk indien:

  • a. deze een vermoedelijke schending van het MLC-verdrag, het Verdrag betreffende werk in de visserijsector of een vermeend onrechtmatig bevel van de kapitein betreft;
  • b. het voorval waarop de klacht betrekking heeft minder dan zes maanden geleden heeft plaatsgevonden;
  • c. de klacht in het Engels of het Nederlands is gesteld; en
  • d. de klacht voldoende gedetailleerde informatie bevat om onderzoek naar de klacht te kunnen doen.
5.

Aan de klager wordt zo spoedig mogelijk na het indienen van de klacht medegedeeld of de klacht ontvankelijk is.

6.

Indien de klacht ontvankelijk is:

  • a. wordt nagegaan of het een individuele klacht of een algemene klacht betreft en wordt nagegaan waarop de klacht betrekking heeft;
  • b. wordt de klager gevraagd of hij zijn klacht wil handhaven indien zijn anonimiteit, gelet op de aard van de klacht, niet gewaarborgd kan worden;
  • c. wordt nagegaan of de klachtenprocedure, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de wet, is doorlopen en indien dat niet het geval is, wordt de klacht niet verder behandeld, tenzij blijkt dat de klager die klachtenprocedure niet heeft gebruikt uit angst voor de gevolgen daarvan of wegens een andere goede reden als bedoeld in leidraad B5.2.2, vierde lid, van het MLC-verdrag;
  • e. worden, indien de aard van de klacht en noodzakelijke waarborgen voor de klager dit toelaten, de kapitein, de scheepsbeheerder en eventueel andere bij de klacht betrokken personen in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken;
  • f. wordt nagegaan of de klacht aan boord eenvoudig kan worden opgelost;
  • g. wordt een klacht zo nodig onderzocht door het uitoefenen van toezicht als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet of in het kader van een inspectie als bedoeld in artikel 4.6.3 waarbij niet wordt gemeld dat de inspectie het gevolg is van een klacht; en
  • h. worden de conclusie en eventuele maatregelen op basis van het onderzoek naar de klacht medegedeeld aan de klager of aan een door de klager opgegeven contactpersoon of belangenorganisatie, op een wijze die de gewenste anonimiteit van de klager in acht neemt.

Hoofdstuk 5. Tuchtrechtspraak

Artikel 5.1. Eed of belofte

De voorzitter, de plaatsvervangende voorzitters, de leden, de plaatsvervangende leden, de secretaris en de plaatsvervangende secretarissen van het tuchtcollege voor de scheepvaart leggen voor de aanvang van hun werkzaamheden ten overstaan van de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven de eed of belofte af overeenkomstig het volgende formulier:

‘Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, voor het verkrijgen van mijn benoeming tot voorzitter/plaatsvervangend voorzitter/ lid/plaatsvervangend lid/secretaris/plaatsvervangend secretaris van het tuchtcollege voor de scheepvaart aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven;

ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij een zaak heeft of zal krijgen bij het tuchtcollege voor de scheepvaart;

ik zweer/beloof dat ik mij niet op enige wijze zal inlaten met partijen of hun raadslieden of gemachtigden over enige zaak die bij het tuchtcollege voor de scheepvaart aanhangig is, of waarvan ik weet of kan vermoeden dat deze bij het tuchtcollege voor de scheepvaart aanhangig zal worden gemaakt;

ik zweer/beloof dat ik geheim zal houden de gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn taak de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijk karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit, alsmede al hetgeen in de raadkamer over aanhangige zaken is geuit;

ik zweer/beloof dat ik mijn taak in het tuchtcollege voor de scheepvaart met eerlijkheid, nauwgezetheid en onpartijdigheid, zonder aanzien van personen, zal uitoefenen en dat ik niets zal doen dat het aanzien van het tuchtcollege voor de scheepvaart kan schaden.

Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! / Dat verklaar en beloof ik!’

Op .......... heeft .......... (1) ten overstaan van de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (2) te .......... de bovenstaande eed/belofte afgelegd.

(1) ..........

(2) ..........

Artikel 5.2. Vacatiegeld
1.

De leden, de plaatsvervangende leden en de plaatsvervangende secretarissen ontvangen voor het bijwonen van een zitting van het tuchtcollege voor de scheepvaart een vacatiegeld van € 342.

2.

De voorzitter of de plaatsvervangende voorzitters ontvangen voor het voorbereiden van een zitting, het leiden van een zitting en het voorbereiden van een uitspraak na afloop van een zitting van het tuchtcollege voor de scheepvaart een vacatiegeld van € 684 per zaak.

3.

De plaatsvervangende secretaris ontvangt voor het uitschrijven van een concept van een uitspraak een vacatiegeld van € 342 per zaak.

4.

De voorzitter of de plaatsvervangende voorzitter ontvangt voor het nemen van een beslissing als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet, en voor het beproeven van een minnelijke schikking als bedoeld in artikel 49, vierde lid, van de wet, een vacatiegeld van € 228.

5.

De voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en de plaatsvervangende secretaris ontvangt voor werkzaamheden die verband houden met het algemene functioneren van het tuchtcollege een vacatiegeld van € 684 per dag.

6.

De plaatsvervangende secretaris ontvangt voor werkzaamheden die verband houden met het algemene functioneren van het tuchtcollege een vacatiegeld van € 342 per dag.

Hoofdstuk 6. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6.1. Gelijkstelling certificaten en bekwaamheidsbewijzen
1.

Een certificaat uitvoering beveiligingstaken, afgegeven op grond van sectie A-VI/6, negende lid, van de STCW-code, wordt gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs uitvoering beveiligingstaken, afgegeven op grond van artikel 3.5.9.

2.

Een certificaten bewustwording scheepsbeveiliging, afgegeven op grond van sectie A-VI/6, vijfde lid, van de STCW-code, wordt gelijkgesteld met een bekwaamheidsbewijs uitvoering beveiligingstaken, afgegeven op grond van artikel 3.5.10.

Artikel 6.2. Erkenning trainingen
1.

Een op grond van artikel 1 van de Erkenningsregeling trainingen zeevaartbemanning, zoals dat luidde voor de dag van inwerkingtreding van deze regeling, afgegeven erkenning behoudt zijn geldigheid gedurende de op de erkenning aangegeven einddatum.

2.

Artikel 3.7.1, onderdeel a, is tot 1 januari 2027 niet van toepassing op een trainingsinstituut dat één of meer erkende trainingen verzorgt op grond van artikel 1 van de ingetrokken Erkenningsregeling trainingen zeevaartbemanning, met dien verstande dat de aanvraag om de erkenning van het trainingsinstituut, bedoeld in artikel 3.7.1, onderdeel a, niet later dan 1 januari 2026 is ingediend bij de minister.

Artikel 6.3. Uitsluiting oude zeeschepen
1.

Op een zeeschip als bedoeld in artikel 4.2.18, eerste lid, blijven de artikelen 46 tot en met 67 van het ingetrokken Schepelingenbesluit van toepassing, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.

2.

Op een bestaand vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4.5.18, eerste lid, zijn de artikelen 68 tot en met 84 van het ingetrokken Schepelingenbesluit, zoals deze luidden voor 12 mei 1977 van toepassing.

Artikel 6.4. Intrekkingen

De volgende regelingen worden ingetrokken:

  • –. Besluit vaststelling modellen van de monsterrol ex artikel 6 van het Schepelingenbesluit;
Artikel 6.5

Wijzigt de Binnenvaartregeling.

Artikel 6.6

Wijzigt de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties zeevisserij.

Artikel 6.7

Wijzigt de Nadere regeling kinderarbeid.

Artikel 6.8

Wijzigt de Regeling aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Inspectie Leefomgeving en Transport op het domein scheepvaart.

Artikel 6.9

Wijzigt de Regeling tarieven transportsectoren.

Artikel 6.10

Wijzigt de Regeling veiligheid zeeschepen.

Artikel 6.11

Wijzigt de Regeling inzage gegevens en bescheiden Zeebrievenwet.

Artikel 6.12

Wijzigt de Regeling zorgverzekering.

Artikel 6.13

Wijzigt de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering.

Artikel 6.14

Wijzigt de Uitvoeringsregeling zeevisserij.

Artikel 6.15

Wijzigt het Aanwijzingsbesluit erkende rechtspersonen voor onderzoek certificering Wet zeevarenden.

Artikel 6.16

Wijzigt het Besluit aanwijzing toezichthouders Wet zeevarenden.

Artikel 6.17

Wijzigt het Besluit terbeschikkingstelling scheepvaartinspecteurs Rijksdienst Caribisch Nederland inzake toezicht ex Wet havenstaatcontrole en Wet zeevarenden in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 6.18

Wijzigt het Besluit mandaat en machtiging certificering zeeschepen 2012.

Artikel 6.19

Wijzigt het Besluit mandaat en machtiging Kiwa N.V. (I).

Artikel 6.20. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling bemanning zeeschepen.

Artikel 6.21. Inwerkingtreding
1.

Deze regeling treedt met uitzondering van de artikelen 3.8.4, onderdeel e, 3.8.5, onderdeel d, 3.8.6, onderdeel d, en 3.8.7, onderdeel d, in werking op het tijdstip waarop de Wet bemanning zeeschepen in werking treedt.

2.

De artikelen 3.8.4, onderdeel e, 3.8.5, onderdeel d, 3.8.6, onderdeel d, en 3.8.7, onderdeel d, treden in werking met ingang van 1 juli 2026.

Bijlage 1. behorend bij artikel 3.2.1: tabellen vaarbevoegdheid zeeschepen, niet zijnde zeilschepen minder dan 500 GT op basis van opleidingen gevolgd vanaf het collegejaar 2021–2022

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier nautisch schepen van minder dan 3.000 GT betreft de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT en wachtwerktuigkundige alle schepen

3 De eerste maritiem officier nautisch alle schepen betreft de functie eerste stuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen betreft de functie als tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen en wachtstuurman alle schepen

3 De eerste maritiem officier technisch alle schepen betreft de functie tweede werktuigkundige alle schepen en wachtstuurman alle schepen

4 De eerste maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen betreft de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en wachtstuurman alle schepen

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

3 De maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen betreft de functie als tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen en wachtstuurman alle schepen

4 De eerste maritiem officier alle schepen betreft de functie eerste stuurman alle schepen en tweede werktuigkundige alle schepen

5 De eerste maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen betreft de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en wachtstuurman alle schepen

1 De minor moet zijn gevolgd in het kader van een HBO maritiem officier kennisbewijs.

Opleidingen op MBO 4 niveau

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier nautisch schepen van minder dan 3.000 GT betreft de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT en wachtwerktuigkundige alle schepen

3 De eerste maritiem officier nautisch betreft de functie als eerste stuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier nautisch schepen van minder dan 3.000 GT betreft de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT en wachtwerktuigkundige alle schepen

3 De eerste maritiem officier nautisch betreft de functie als eerste stuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier nautisch schepen van minder dan 3.000 GT betreft de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT en wachtwerktuigkundige alle schepen

3 De stuurman-werktuigkundige zeevisvaart alle vissersvaartuigen betreft de functie stuurman zeevisvaart en werktuigkundige zeevisvaart

4 De eerste maritiem officier nautisch betreft de functie als eerste stuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

1 De maritiem officier alle schepen betreft de functie wachtstuurman alle schepen en wachtwerktuigkundige alle schepen

2 De maritiem officier technisch op schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen betreft de functie als tweede werktuigkundige tot 3.000 kW en wachtstuurman alle schepen

3 De eerste maritiem officier technisch alle schepen betreft de functie als tweede werktuigkundige alle schepen en wachtstuurman alle schepen

4 De eerste maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen betreft de functie als hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en wachtstuurman alle schepen

Opleidingen op MBO 3 niveau

1 De maritiem officier nautisch schepen van minder dan 3.000 GT en minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen betreft de functie eerste stuurman schepen van minder dan 3.000 GT en wachtwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen

1 De stuurman-werktuigkundige alle vissersvaartuigen betreft de functie wachtstuurman zeevisvaart alle vissersvaartuigen en wachtwerktuigkundige zeevisvaart alle vissersvaartuigen

1 De maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en van minder dan 3.000 GT betreft de functie tweede werktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en wachtstuurman schepen van minder dan 3.000 GT

2 De eerste maritiem officier technisch schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en van minder dan 3.000 GT betreft de functie hoofdwerktuigkundige schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen en Wachtstuurman schepen van minder dan 3.000 GT

Opleidingen op MBO 2 niveau

1 Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.

2 De maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ) betreft de functie eerste stuurman van schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ) en tweede werktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ)

3 De eerste maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ) betreft de functie eerste stuurman van schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ) en hoofdwerktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ)

1 De Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone

2 De maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen (TZ + EEZ) betreft de functie eerste stuurman tot 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ+EEZ en tweede werktuigkundige tot 3.000 kW met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + EEZ)

3 De eerste maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse (TZ + EEZ) betreft de functie eerste stuurman van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ+EEZ) en hoofdwerktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ+EEZ)

1 Er wordt in de koopvaardij onderscheid gemaakt tussen het varen in de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee en het varen in de Nederlandse EEZ, zie voor de relevante bekwaamheidsbewijzen de eerder genoemde Schipper-machinist beperkt werkgebied tabellen.

1 Er wordt in de koopvaardij onderscheid gemaakt tussen het varen in de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee en het varen in de Nederlandse EEZ, zie voor de relevante bekwaamheidsbewijzen de eerder genoemde Schipper-machinist beperkt werkgebied tabellen.

Opleiding Grote Zeilvaart

Overzicht Keuzedelen

1 De functies zijn alleen aan te vragen met het aanvullende MBO keuzedeel indien de zeevarende reeds in bezit is van een relevant kennisbewijs op ten minste MBO 3 niveau of een geldig vaarbevoegdheidsbewijs dat op basis hiervan is afgegeven. Het kennisbewijs mag niet ouder zijn dan vier jaar op het moment van aanvraag.

1 De functies zijn alleen aan te vragen met het aanvullende MBO keuzedeel indien de zeevarende reeds in bezit is van een relevant kennisbewijs op ten minste MBO 3 niveau of een geldig vaarbevoegdheidsbewijs dat op basis hiervan is afgegeven. Het kennisbewijs mag niet ouder zijn dan vier jaar op het moment van aanvraag.

2 De functies zijn alleen aan te vragen met het aanvullende MBO keuzedeel indien de zeevarende reeds in bezit is van een relevant kennisbewijs op ten minste MBO 3 niveau of een geldig vaarbevoegdheidsbewijs dat op basis hiervan is afgegeven. Het kennisbewijs mag niet ouder zijn dan vier jaar op het moment van aanvraag.

Vaarbevoegdheidsbewijzen gezel

1 Het kennisbewijs wachtlopend gezel kan worden vervangen door een schriftelijke verklaring van de kapitein dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/4 van de STCW-Code. Hierbij dient men wel 6 maanden ervaring aan te tonen als aankomend gezel dek.

2 Een door de kapitein opgestelde schriftelijke verklaring waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/5 van de STCW-Code

1 Het kennisbewijs wachtlopend gezel machinekamer kan worden vervangen door een schriftelijke verklaring van de hoofdwerktuigkundige dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/4 van de STCW-Code. Hierbij dient men wel 6 maanden ervaring aan te tonen als aankomend gezel machinekamer.

2 Een door de hoofdwerktuigkundige opgestelde schriftelijke verklaring waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/5 van de STCW-Code

1 Een door de kapitein of de hoofdwerktuigkundige schriftelijke verklaring waarin is verklaard dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-III/7 van de STCW-Code en de betrokkene een ervaring heeft van ten minste 12 maanden als aankomend gezel elektrotechniek.

1 Het kennisbewijs wachtlopend gezel kan worden vervangen door een schriftelijke verklaring van de schipper dat de betrokkene heeft aangetoond te voldoen aan de eisen van bekwaamheid, bedoeld in sectie A-II/4 van de STCW-Code. Hierbij dient men wel 6 maanden ervaring aan te tonen als aankomend gezel dek.

Bijlage 2. behorend bij artikel 3.2.1: tabellen vaarbevoegdheid zeeschepen, niet zijnde zeilschepen minder dan 500 GTop basis van opleidingen gevolgd in of voor 2022

Opleidingen op MBO 2 niveau

1 Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee.

2 De functie maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen (TZ + AZ) betreft de functie eerste stuurman van schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ) en tweede werktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ)

3 De functie eerste maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen (TZ + AZ) betreft de functie eerste stuurman van schepen van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ) en hoofdwerktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + AZ)

1 De Nederlandse territoriale zee en de Nederlandse exclusieve economische zone

2 De functie maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen (TZ + EEZ) betreft de functie eerste stuurman tot 500 GT en tweede werktuigkundige tot 3.000 kW met de beperking tor reizen nabij de Nederlandse kust (TZ + EEZ)

3 De functie eerste maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse (TZ + EEZ) betreft de functie eerste stuurman van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ+EEZ) en hoofdwerktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen.

1 De functie eerste maritiem officier schepen van minder dan 500 GT en met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse (TZ + EEZ) betreft de functie eerste stuurman van minder dan 500 GT met de beperking tot reizen nabij de Nederlandse kust (TZ+EEZ) en hoofdwerktuigkundige op schepen met minder dan 3.000 kW voorstuwingsvermogen.

1 Er wordt in de koopvaardij onderscheid gemaakt tussen het varen in de Nederlandse territoriale zee en de aansluitende zone van het Koninkrijk grenzend aan de Nederlandse territoriale zee en het varen in de Nederlandse EEZ, zie voor de relevante bekwaamheidsbewijzen de eerder genoemde Schipper-machinist beperkt werkgebied tabellen.

Bijlage 3. behorend bij artikel 3.5.2: basisveiligheidstraining voor alle bemanningsleden op vissersvaartuigen – module visserij

Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
Competentie Kennis, inzicht en bekwaamheid Methoden om competentie aan te tonen Criteria om competentie te beoordelen
Overleven op zee wanneer het schip verlaten moet worden Type reddingsmiddelen die specifiek op vissersvaartuigen aanwezig zijn Overlevingsbeginselen zoals: .1 te ondernemen acties bij reddingsoperaties door een helikopter .2 het reddingsvaartuig snel bij het vissersvaartuig en het vistuig weghalen .3 anderen helpen aan boord van een reddingsvaartuig te komen. Basiskennis van de man-overboord procedures. Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus De acties die zijn ondernomen op grond van de herkenning van signalen passen bij de aangegeven noodsituatie en komen overeen met vastgelegde procedures Hijsmethoden, beschrijf de hand- en armsignalen die worden gebruikt om iemand veilig omhoog te hijsen, beschrijf hoe een lid van de helikopterbemanning kan helpen bij het hijsen, legt uit waarom het belangrijk is gehoor te geven aan de instructies van de helikopterpiloot of zijn assistent Beschrijf hoe je anderen helpt aan boord te komen van een reddingsvaartuig Eerste handelingen na het vaststellen van een man-overboord situatie
Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
--- --- --- ---
Competentie Kennis, inzicht en bekwaamheid Methoden om competentie aan te tonen Criteria om competentie te beoordelen
Het brandgevaar zo klein mogelijk houden en een staat van paraatheid in stand houden zodat kan worden gereageerd op noodsituaties waarin sprake is van brand Brandgevaar en verspreiding van vuur door, maar niet beperkt tot: .1 straling .2 convectie .3 geleiding met de nadruk op gevaren die samenhangen met diepvriesapparatuur. Praktische kennis van de procedure voor het opnieuw betreden van een ruimte. Brandpreventiemaatregelen zoals: .1 rookverbod .2 zodanige plaatsing van warmtebronnen dat contact met brandbaar materiaal wordt voorkomen .3 controle op het gebruik van branders, snij- of lasapparatuur. .4 risicobeoordeling en -beheersing bij de aanschaf van artikelen en stoffen om, waar mogelijk, brandgevaar te voorkomen .5 risicobeoordeling en -beheersing bij het gebruik van brandgevaarlijke artikelen en stoffen om brand te voorkomen .6 het goed schoonmaken van werkgebieden .7 passend toezicht op kookvoorzieningen Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Eerste handelingen na het ontstaan van een noodsituatie in overeenstemming met geaccepteerde praktijken en procedures De ondernomen actie na instructie tot verzamelen is passend gelet de aangegeven noodsituatie en komt overeen met de vastgelegde procedures Actie ondernomen vóór terugkeer in een ruimte
Brand bestrijden en blussen Instructie met betrekking tot het effect van het gebruik van het verkeerde blusmiddel Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Beschrijf wat het effect zou kunnen zijn van het gebruik van het verkeerde blusmiddel
Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
--- --- --- ---
Competentie Kennis, inzicht en bekwaamheid Methoden om competentie aan te tonen Criteria om competentie te beoordelen
Voldoen aan noodprocedures Andere typen noodsituaties die kunnen voorkomen, zoals een gasalarm Te ondernemen actie bij het horen van een gasalarm Gevolgen van paniek Inzicht in de onmiddellijke en juiste actie die nodig is om een schip in nood te helpen. Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Eerste handelingen na het ontdekken van een noodsituatie, waaronder een gasalarm, zijn in overeenstemming met de vastgelegde noodrespons procedures Bij afgaan van het alarm wordt snel, accuraat, volledig en helder informatie verschaft Licht toe waarom paniek moet worden voorkomen Definieer besloten ruimtes en de gevaren die daaraan verbonden zijn. Beschrijf welke voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen alvorens een besloten ruimte in te gaan. Zo moeten de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm) worden gebruikt, moeten waakzaamheid en alertheid worden betracht en moet toezichthoudend personeel buiten de afgesloten ruimte worden gestationeerd Vermeld de verantwoordelijkheid die men heeft om andere zeevarenden en vissers in nood te helpen en hulp te bieden bij zoek- en reddingsoperaties. Beschrijf de onmiddellijke en juiste actie die nodig is om een schip in nood te helpen.
Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
--- --- --- ---
Competentie Kennis, inzicht en bekwaamheid Methoden om competentie aan te tonen Criteria om competentie te beoordelen
Onmiddellijk actie ondernemen wanneer zich een ongeval of een andere medische noodsituatie voordoet Op de hoogte zijn van de beschikbaarheid van radio medisch advies. Basiskennis van de methoden om radio medisch advies te verkrijgen. Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Licht het doel van radio medisch advies toe evenals de manieren om dergelijk advies te verkrijgen.
Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
--- --- --- ---
Competentie Kennis, inzicht en bekwaamheid Methoden om competentie aan te tonen Criteria om competentie te beoordelen
Voorzorgsmaatregelen nemen om verontreiniging van de zee te voorkomen Herkennen van en het nemen van maatregelen om verontreiniging door verloren vistuig en visverpakkingsmateriaal te voorkomen. Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Organisatorische procedures die zijn bedoeld om het mariene milieu te beschermen, worden te allen tijde nageleefd
Kolom 1 Kolom 2 Kolom 3 Kolom 4
--- --- --- ---
Competentie Kennis, inzicht en bekwaamheid Methoden om competentie aan te tonen Criteria om competentie te beoordelen
Veiligheidsbewustzijn, risicobeoordeling en preventie van ongevallen aan boord van het schip Op de hoogte zijn van de wettelijke regels met betrekking tot veiligheid in de visserij Op de hoogte zijn van de gevaren en risico's voor de gezondheid en veiligheid Basiskennis van risicobeoordelingen door: .1 het vaststellen van gevaren .2 het vaststellen van daaraan verbonden risico's voor de gezondheid en veiligheid .3 het beslissen over passende beheersmaatregelen .4 het voorspellen van mogelijke uitkomsten .5 het bepalen van het risiconiveau Basiskennis van risicobeperkende methoden, zoals: .1 eliminatie .2 gevaar inperken en personen beschermen .3 procedures en training .4 persoonlijke beschermingsmiddelen (pbm) .5 veiligheidssymbolen .6 onderhoud De methoden kennen voor veiligheidsbeheer die geschikt zijn voor vissersvaartuigen, zoals: .1 beleidsverklaring .2 risico-inventarisatie/evaluatie .3 introductie voor de bemanning .4 training aan boord .5 werkprocedures .6 onderhoudsschema's .7 het ontwerp van vissersvaartuigen .8 checklists .9 gezondheidscontroles .10 afspraken over de te gebruiken taal In staat zijn om deel te nemen aan een voortdurend toezicht op verbetering van de veiligheid door: .1 begrip van redenen voor het herzien van bestaande veiligheidsmethoden, zoals: (i) preventieve actie (ii) corrigerende actie .2 begrip van richtlijnen ter ondersteuning van het herzieningsproces, waaronder: (i) bestaande methoden (ii) wetgeving (iii) rapportage van ongevallen, incidenten en bijna-ongevallen .3 beoordeling van in ieder geval de volgende opties die noodzakelijk zijn voor de geslaagde implementatie van veranderingen: (i) haalbaarheid van voorgestelde veranderingen (ii) de doeltreffendheid van de implementatie (iii) huidige gedrag/cultuur aan boord. Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Leg uit wat de begrippen gevaar en risico inhouden Beschrijf risico beheers methoden met inbegrip van risico-inventarisatie en -evaluatie en de last-minute risicobeoordeling Kan de volgorde van maatregelen voor het elimineren en beperken van risico’s bepalen Kan het proces van voortdurende verbetering van de veiligheid en gezondheid toelichten.
Bijna-ongevallen, ongevallen en incidenten In staat zijn om een bijna-ongeval, ongeval en incident te herkennen Basiskennis van de elementen van een bijna-ongeval, ongeval of incident, zoals: .1 de hoofdoorzaak vaststellen .2 de factoren die hierbij een rol spelen herkennen .3 mogelijke gevolgen evalueren .4 het verschil tussen een bijna-ongeval, een ongeval en een incident kunnen vaststellen In staat zijn om te voorkomen dat een bijna-ongeval, ongeval of incident zich verder ontwikkelt, onder meer door de veilige scheiding van apparatuur, machines en systemen. In staat zijn om een ongeval, incident of bijna-ongeval te rapporteren omwille van; .1 wettelijke verplichtingen .2 interne veiligheidsredenen .3 vertrouwelijkheidsredenen Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus De identificatie van elementen van een bijna-ongeval, ongeval of incident Het rapporteren van een bijna-ongeval, ongeval of incident
Veiligheid van visserij-activiteiten Bewustzijn van risico's aan boord van trawlers en kotters tijdens visserij-activiteiten als: .1 het uitzetten en binnenhalen van vistuig .2 het overladen van de vangst Bewustzijn van risico’s aan boord van vissersvaartuigen met betrekking tot onder andere: .1 vallen .2 beknellen .3 schommelende en losse lading .4 kabelbreuk Begrip van het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Veilige werkpraktijken worden nageleefd, en er wordt te allen tijde gebruik gemaakt van passende veiligheids- en beschermende middelen. Kunnen benoemen van risico’s m.b.t.: .1 het uitzetten en halen van vistuig 2. overladen van de vangst 3. vallen 4. beknellen 5. schommelende en losse lading en 6. kabelbreuk
Visserijuitrusting Basiskennis van visserijuitrusting aan boord van vissersvaartuigen en van het veilige gebruik daarvan Beoordeling van bewijzen die zijn verkregen via goedgekeurde instructie of tijdens het bijwonen van een goedgekeurde cursus Beschrijf visserijuitrusting, de gevaren en het veilige gebruik
Communicatie Basiskennis van mondelinge mededelingen en handsignalen tijdens visserijactiviteiten als: .1 het uitzetten en binnenhalen van vistuig .2 het overladen van de vangst .3 het werken met dekuitrusting en vistuig .4 hijsactiviteiten Beschrijf de hand- en armsignalen tijdens visserijactiviteiten als: .1 het uitzetten en binnenhalen van vistuig .2 het overladen van de vangst .3 het werken met dekuitrusting en vistuig .4 hijsactiviteiten
Operationele veiligheid Bewustzijn van risico's, gevaren en veilige werkprocedures tijdens: .1 afmeren .2 ontmeren .3 werken op hoogte .4 heet werk .5 werken met gevaarlijke stoffen Beschrijf gevaren, risico's en veilige werkprocedures tijdens: .1 afmeren .2 ontmeren .3 werken op hoogte .4 heet werk .5 werken met gevaarlijke stoffen

Bijlage 4. behorend bij artikel 3.5.12: bekwaamheidsbewijs wetgeving en openbaar gezag

    1. Kennis van de hoofdlijnen en de structuur van de onderstaande wetten en de daarop gebaseerde regelgeving op het terrein van:
  • a. Veiligheid en beveiliging van zeeschepen:
  • –. zeeschepenwet;
  • b. Voorkoming van verontreiniging van het milieu door zeeschepen:
  • c. Het bemannen van zeeschepen:
  • –. Regeling bemanning zeeschepen.
  • d. Werk- en leefomstandigheden aan boord van zeeschepen:
  • e. Zeearbeidsrecht:
  • f. Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee:
    1. Voor kapiteins naast de in punt 1 genoemde regelgeving tevens kennis van onderstaande wetten en de daarop gebaseerde regelgeving op het terrein van:
  • a. Nationaliteit en registratie van zeeschepen:
  • b. Positie en verantwoordelijkheden van de kapitein:
  • –. Relevante onderdelen uit de in punt 1 genoemde regelgeving.
  • c. Strafrecht m.b.t. misdrijven en overtredingen in de scheepvaart:
  • d. Geboorte en overlijden aan boord:
  • e. Opmaken aan boord van uiterste wil:
  • f. Oorlog en buitengewone omstandigheden:

Bijlage 5. behorend bij artikel 3.5.13: bekwaamheidsbewijs scheepsmanagement-N

Onderdelen van tabel A-II/2, behorende bij sectie A-II/2 van de STCW-code:

    1. Coordinate search and rescue operations;
    1. Respond to navigational emergencies;
    1. Monitor and control compliance with legislative requirements and measures to ensure safety of life at sea, security and the protection of the marine environment;
    1. Maintain safety and security of the ship’s crew and passengers and the operational condition of life-saving, fire-fighting and other safety systems, only:
  • a. Actions to be taken to protect and safeguard all persons on board in emergencies;
  • b. Actions to limit damage and salve the ship following a fire, explosion, collision or grounding;
    1. Develop emergency and damage control plans and handle emergency situations;
    1. Use of leadership and managerial skill.

Bijlage 6. behorend bij artikel 3.5.14: bekwaamheidsbewijs scheepsmanagement-W

Onderdelen van tabel A-III/2, behorende bij sectie A-III/2 van de STCW-code:

    1. Ensure safe working practices;
    1. Monitor and control compliance with legislative requirements and measures to ensure safety of life at sea, security and protection of the marine environment;
    1. Maintain safety and security of the vessel, crew and passengers and the operational condition of life-saving, fire-fighting and other safety systems, only:
  • a. Actions to be taken to protect and safeguard all persons on board in emergencies;
  • b. Actions to limit damage and salve the ship following fire, explosion, collision or grounding;
    1. Develop emergency and damage control plans and handle emergency situations;
    1. Use leadership and managerial skill.

Bijlage 7. behorend bij artikel 3.5.15: bekwaamheidsbewijs aanvulling-N voor reizen nabij de kust (EEZ)

Onderdelen van tabel A-II/3, behorende bij sectie A-II/3 van de STCW-code:

    1. Maintain a safe navigational watch, alleen het onderdeel Reporting in accordance with general principles for ship reporting systems and with VTS procedures.
    1. Respond to emergencies, de onderdelen:
  • a. emergency steering;
  • b. arrangements for towing and for being taken in tow;
  • c. rescuing persons from sea;
  • d. assisting a vessel in distress;
  • e. appreciation of the action to be taken when emergencies arise in port.
    1. Ensure compliance with pollution-prevention requirements.
    1. Maintain seaworthiness of the ship, de onderdelen:
  • a. understanding of fundamental actions to be taken in the event of partial loss of intact buoyancy;
  • b. understanding of the fundamentals of watertight integrity.
    1. Monitor compliance with legislative requirements.

Het onderdeel ‘Use of leadership and managerial skill’ van tabel A-II/2, behorende bij sectie A-II/2 van de STCW-code, te beheersen op het niveau van reizen nabij de kust, de onderdelen:

    1. knowledge of shipboard personnel management and training;
    1. knowledge and ability to apply effective resource management, de onderdelen:
  • a. allocation, assignment, and prioritization of resources;
  • b. effective communication on board and ashore;
  • c. obtaining and maintaining situation awareness.
    1. knowledge and ability to apply decision-making techniques.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)