Wet van 10 december 2025, houdende regels omtrent productie, transport en levering van warmte (Wet collectieve warmte)
Het derde lid is niet van toepassing indien de taak, bedoeld in het derde lid, reeds rust op een ander aangewezen warmtebedrijf of een warmtebedrijf met een vrijstelling als bedoeld in artikel 3.1, vierde lid, of een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, of indien een overeenkomst is gesloten als bedoeld in artikel 1.2, derde lid.
Een warmtebedrijf kan ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, werkzaamheden laten uitvoeren door een derde. Het warmtebedrijf behoudt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over een taak als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.
§ 3.5. Verplichtingen warmtebedrijf
Artikel 3.8. artikelen hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing
De artikelen 2.14, 2.19 tot en met 2.21, 2.23 tot en met 2.43, 2.46 tot en met 2.50 zijn van overeenkomstige toepassing indien voor een warmtebedrijf een vrijstelling geldt op grond van artikel 3.1, vierde lid, of aan een warmtebedrijf een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend met dien verstande dat telkens:
- a. voor «artikel 2.9» wordt gelezen «artikel 3.4»;
- b. voor «artikel 2.10» wordt gelezen «artikel 3.5»;
- c. voor «artikel 2.13» wordt gelezen «artikel 3.7».
Artikel 3.9. financiële monitoring
Een warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt of waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend stelt elke drie jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een plan op met een beschrijving van:
- a. de organisatorische en technische bekwaamheid van het warmtebedrijf;
- b. de financiële situatie van het warmtebedrijf en in voorkomend geval van de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort.
Het warmtebedrijf verstrekt op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt het plan.
Het warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie van het warmtebedrijf of in voorkomend geval de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort significant verslechtert.
De Autoriteit Consument en Markt kan:
- a. het warmtebedrijf opdragen de organisatorische en technische bekwaamheid te verbeteren;
- b. het warmtebedrijf en een rechtspersoon of vennootschap die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort opdragen het plan te wijzigen of maatregelen te treffen teneinde de financiële situatie te verbeteren.
Het warmtebedrijf, de rechtspersoon of vennootschap volgen de opdracht op grond van het vierde lid op.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;
- b. de wijze waarop het warmtebedrijf de informatie meldt op grond van het eerste lid;
- c. de eisen aan de financiële situatie, bedoeld in het derde lid;
- d. de omstandigheden waarin sprake is van een significante verslechtering van de financiële situatie als bedoeld in het derde lid.
Artikel 3.10. plan leveringszekerheid en duurzaamheid
Het warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt, of waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend stelt elke drie jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn voor het gebied waarop de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft een plan op met in ieder geval een beschrijving van:
- a. de wijze waarop gedurende de komende drie jaar de leveringszekerheid wordt verzekerd;
- b. welke risico’s voor de leveringszekerheid gedurende de komende drie jaar zich kunnen voordoen;
- c. de wijze waarop deze risico’s ondervangen zullen worden;
- d. de wijze waarop het warmtebedrijf de bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, bepaalde normen, gelezen in samenhang met artikel 3.8, voornemens is te bereiken.
Het warmtebedrijf verstrekt het plan op verzoek van:
- a. de Autoriteit Consument en Markt;
- b. het college.
De Autoriteit Consument en Markt kan ambtshalve of op advies van het college het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na het verzoek opdragen het plan te wijzigen.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden.
Het warmtebedrijf volgt de opdracht op en voert de in het plan opgenomen maatregelen uit.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de inhoud van het plan.
Artikel 3.11. ontheffing normen uitstoot broeikasgassen
De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van een warmtebedrijf voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen periode ontheffing verlenen van de normen bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.8, voor een klein collectief warmtesysteem als bedoeld in artikel 13.12, eerste lid, indien:
- a. dit klein collectief warmtesysteem afhankelijk is van een niet-duurzame warmtebron die het klein collectief warmtesysteem voor een groot deel van warmte voorziet, en
- b. aannemelijk is dat het warmtebedrijf niet kan voldoen aan de normen bepaald bij of krachtens artikel 2.21, eerste lid, doordat de vervanging van de niet-duurzame warmtebron door een duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is.
De Autoriteit Consument en Markt kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden alsmede op aanvraag van een warmtebedrijf de geldigheidsduur van een ontheffing verlengen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden;
- b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit tot ontheffing neemt;
- c. de periode, bedoeld in het eerste lid;
- d. wanneer er sprake is van een groot deel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a;
- e. de voorwaarden waaronder een aanvraag om verlenging van het tijdvak waarvoor een ontheffing geldt wordt ingewilligd.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen die aan een ontheffing kunnen worden verbonden.
Artikel 3.12. eigendom warmtenet van een klein collectief warmtesysteem
Een warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt, of waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, is verleend, beschikt over de eigendom van het warmtenet van een klein collectief warmtesysteem waarop de taken, bedoeld in artikel 3.7, van het warmtebedrijf betrekking hebben. Het is verboden de economische eigendom van het warmtenet geheel of deels over te dragen aan een derde of het warmtenet geheel of deels te bezwaren met een zekerheidsrecht ten gunste van een directe of indirecte aandeelhouder of certificaathouder van het warmtebedrijf waardoor de feitelijke zeggenschap over het warmtenet direct of op termijn niet langer bij het warmtebedrijf rust.
Het warmtebedrijf draagt de eigendom van het warmtenet over aan het daarop volgende warmtebedrijf waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt, of dat de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, heeft verkregen, of dat een aanwijzing heeft verkregen voor het gebied waarvoor de vrijstelling of de ontheffing gold, indien de vrijstelling of ontheffing van het warmtebedrijf:
- a. is gewijzigd op grond van artikel 3.3, eerste lid, voor zover het gebied waarvoor de vrijstelling of ontheffing gold is verkleind;
- b. is ingetrokken op grond van artikel 3.4, tweede of derde lid;
- c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van de vrijstelling of ontheffing;
- d. is overgedragen op grond van artikel 3.5, eerste lid.
Het warmtebedrijf waarvan de vrijstelling of ontheffing is gewijzigd, ingetrokken, komen te vervallen of overgedragen heeft recht op een tegenprestatie van het daarop volgende warmtebedrijf waarvoor de vrijstelling op grond van artikel 3.1, vierde lid, geldt of dat de ontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, heeft verkregen, die de marktwaarde van de verschafte rechten op het warmtenet vertegenwoordigt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de overdracht van de eigendom van het warmtenet en de tegenprestatie.
§ 3.6. Overige bepalingen
Artikel 3.13. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking:
- a. als bedoeld in de artikelen 3.2, negende lid, en 3.5, achtste lid;
- b. als bedoeld in de artikelen 3.1, derde lid, 3.2, vierde lid, 3.5, vierde lid, 3.9, zesde lid, 3.10, vierde lid, en 3.11, tweede lid.
Hoofdstuk 4. Verhuurders en verenigingen van eigenaars
§ 4.1. Meldplicht, vrijstelling en ontheffing
Artikel 4.1. meldplicht
Een verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm meldt aan het college de voorgenomen levering en het voorgenomen transport van warmte in een bepaald gebied aan zijn huurder of de leden van de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm tenzij:
- a. het de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel d, betreft;
- b. het de doorlevering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, onderdeel e of f, betreft.
De verhuurder of vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbare rechtsvorm is 30 jaar vrijgesteld van het verbod, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, indien de levering en het transport van warmte, bedoeld in het eerste lid, buiten een warmtekavel plaatsvindt. De vrijstelling geldt voor het gebied waarbinnen de levering aan huurders of leden van de vereniging van eigenaars plaatsvindt.
Indien de levering en het transport van warmte, bedoeld in het eerste lid, binnen een warmtekavel plaatsvindt, kan het college de verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbare rechtsvorm binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding op grond van het eerste lid aangeven dat een ontheffing aangevraagd dient te worden van artikel 1.2, eerste lid.
Indien het college binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, niet heeft aangegeven dat een ontheffing aangevraagd dient te worden, wordt voor de levering en het transport van warmte, bedoeld in het derde lid, geacht een ontheffing verleend te zijn van artikel 1.2, eerste lid. Het college plaatst een mededeling in de Staatscourant en op andere geschikte wijze binnen twee weken nadat de ontheffing van rechtswege is verleend.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de wijze waarop het gebied, bedoeld in het tweede lid wordt bepaald:
- b. de wijze waarop melding wordt gedaan en de bij de melding te verstrekken gegevens en bescheiden;
- c. de mededeling, bedoeld in het vierde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over wanneer er sprake is van voorgenomen levering en voorgenomen transport van warmte aan zijn huurder of de leden van de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm.
Artikel 4.2. ontheffing
Het college kan op aanvraag van een verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm voor de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een ontheffing verlenen van artikel 1.2, eerste lid. In de ontheffing wordt het gebied aangegeven waarvoor de ontheffing geldt.
Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om een ontheffing indien:
- a. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffing het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijk rendement meer kan behalen;
- b. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat door de ontheffing de tarieven voor de resterende verbruikers van de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf significant verhoogd zullen moeten worden.
Het college kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden;
- b. de termijn waarbinnen het college een besluit tot ontheffing neemt;
- c. de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede lid;
- d. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde lid.
§ 4.2. Wijziging, intrekking en overdragen van een vrijstelling en ontheffing
Artikel 4.3. melden significante wijziging en wijziging vrijstelling en ontheffing
De verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm meldt aan het college een significante wijziging van de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.
De verhuurder of vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbare rechtsvorm is 30 jaar vrijgesteld van het verbod, bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, indien de significante wijziging van de levering en het transport van warmte, bedoeld in het eerste lid, buiten een warmtekavel plaatsvindt. De vrijstelling geldt voor het gebied waarbinnen de levering aan huurders of leden van de vereniging van eigenaars plaatsvindt.
Indien de significante wijziging van de levering en het transport van warmte, bedoeld in het eerste lid, binnen een warmtekavel plaatsvindt, kan het college de verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbare rechtsvorm binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de melding aangeven dat:
- a. een ontheffing aangevraagd dient te worden van artikel 1.2, eerste lid;
- b. een wijziging van de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, aangevraagd dient te worden.
Voor de significante wijziging van de levering en het transport van warmte, bedoeld in het derde lid, wordt geacht een ontheffing te zijn verleend van artikel 1.2, eerste lid, indien het college binnen de termijn, bedoeld in het derde lid, niet heeft aangegeven dat voor deze significante wijziging een ontheffing of een wijziging van de ontheffing aangevraagd dient te worden. Het college plaatst een mededeling in de Staatscourant en op andere geschikte wijze binnen twee weken nadat de ontheffing van rechtswege is verleend.
Het college kan ambtshalve of op aanvraag van een verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm een ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, wijzigen.
Artikel 4.2, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstig toepassing op de wijziging van de ontheffing.
Artikel 4.4. intrekken vrijstelling en ontheffing
De vrijstelling op grond van artikel 4.1, tweede lid, en 4.3, tweede lid, geldt niet langer of het college kan een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, intrekken indien de verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbare rechtsvorm:
- a. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;
- b. in de aanvraag om een ontheffing of in de melding, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, en 4.3, eerste lid, onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;
- c. hierom verzoekt.
De vrijstelling of ontheffing wordt niet ingetrokken voordat:
- a. voor een andere verhuurder een vrijstelling geldt of aan een andere verhuurder op grond van artikel 4.2, eerste lid, een ontheffing is verleend;
- b. voor een andere verhuurder of voor een ander warmtebedrijf op grond van artikel 3.1, vierde lid, een vrijstelling geldt, of aan een ander warmtebedrijf op grond van artikel 3.2, eerste lid, een ontheffing is verleend voor het gebied waarop de ingetrokken ontheffing betrekking heeft, of
- c. een warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen voor het gebied waarop de ingetrokken vrijstelling of ontheffing betrekking heeft.
Artikel 4.5. overdragen vrijstelling of ontheffing
Een vrijstelling op grond van artikel 4.1, tweede lid, en een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, kan alleen worden overgedragen aan een andere verhuurder, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm indien deze na de overdracht de warmte gaat leveren en transporteren als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.
De verhuurder, vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm meldt de overdracht van de vrijstelling of ontheffing aan het college.
§ 4.3. Verplichtingen
Artikel 4.6. artikelen hoofdstuk 2 van overeenkomstige toepassing
De artikelen 2.37 en 2.41 tot en met 2.43 zijn van overeenkomstige toepassing op de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.
§ 4.4. Overige bepalingen
Artikel 4.7. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in artikel 4.2, vierde lid.
Hoofdstuk 5. Warmtetransportnetten
§ 5.1. Aanwijzing van een warmtetransportbeheerder
Artikel 5.1. aanwijzing warmtetransportbeheerder
Onze Minister kan op aanvraag van een warmtetransportonderneming voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar deze onderneming aanwijzen die de exclusieve bevoegdheid heeft binnen een in de aanwijzing aangeduid gebied, de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren.
Alvorens een warmtetransportonderneming een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid indient, dient de onderneming een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of de onderneming:
- a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid;
- b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren;
- c. voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14.
De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het tweede lid voorschriften en beperkingen verbinden.
Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid overlegt de warmtetransportonderneming in ieder geval het besluit, bedoeld in het tweede lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de onderneming voldoet aan de gronden genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met c.
Onze Minister wint alvorens een warmtetransportonderneming aan te wijzen advies in van het college van de gemeente en gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied:
- a. de levering van warmte naar redelijke verwachting met gebruikmaking van het warmtetransportnet zal plaatsvinden;
- b. de warmtebronnen zich bevinden waarvan de warmte of restwarmte afkomstig is die naar redelijke verwachting door het warmtetransportnet getransporteerd zal worden.
Onze Minister verleent uitsluitend de aanwijzing indien:
- a. sprake is van een grootschalig aanbod van meerdere warmtebronnen die de lokale warmtebehoefte structureel overstijgt en die met een warmtetransportnet op de meest doelmatige wijze beschikbaar kan worden gemaakt;
- b. er naar verwachting meerdere afzonderlijke afnemers in verschillende gemeenten in de regio warmte van het warmtetransportnet zullen afnemen;
- c. het beschikbaar maken van de warmtebronnen, bedoeld in onderdeel a, alleen door de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder leidt tot een efficiënte warmtetransitie in de regio en niet door de samenwerking tussen warmtebedrijven.
Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan de aanwijzing.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen Onze Minister het besluit tot aanwijzing neemt;
- b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt;
- c. de gronden, genoemd in het tweede en het zesde lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het derde en zevende lid.
Artikel 5.2. wijziging aanwijzing van een warmtetransportbeheerder
Onze Minister kan een aanwijzing van een warmtetransportbeheerder wijzigen.
Artikel 5.1, vijfde tot en met negende lid, is van overeenkomstige toepassing op deze wijziging waarbij geldt dat het vijfde lid alleen van toepassing is indien de wijziging van de aanwijzing ziet op een wijziging van het gebied, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid.
Artikel 5.3. intrekking aanwijzing van een warmtetransportbeheerder
De Autoriteit Consument en Markt kan aan Onze Minister melden dat een besluit als bedoeld in artikel 5.7, zesde lid, is genomen waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder in te trekken omdat de warmtetransportbeheerder:
- a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren;
- b. in strijd handelt met artikel 5.7, vierde lid.
Onze Minister trekt een aanwijzing van een warmtetransportbeheerder in indien Onze Minister een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen.
Onze Minister kan de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder intrekken indien:
- a. de warmtetransportbeheerder de aan de aanwijzing verbonden voorschriften of beperkingen niet nakomt;
- b. de warmtetransportbeheerder in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;
- c. de warmtetransportbeheerder hierom verzoekt.
De warmtetransportbeheerder stelt de Autoriteit Consument en Markt zo spoedig mogelijk op de hoogte van het verzoek, bedoeld in het derde lid, onderdeel c.
De aanwijzing wordt niet ingetrokken voordat een andere warmtetransportonderneming op grond van artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen als warmtetransportbeheerder.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de gronden, genoemd in het derde lid;
- b. de procedure en de termijn waarbinnen Onze Minister een andere warmtetransportonderneming aanwijst.
Artikel 5.4. overdragen aanwijzing van een warmtetransportbeheerder
Onze Minister kan op aanvraag van een warmtetransportbeheerder instemmen met de overdracht van een aanwijzing van een warmtetransportbeheerder aan een andere warmtetransportonderneming.
Alvorens de warmtetransportbeheerder een aanvraag om een instemming als bedoeld in het eerste lid indient, dient de warmtetransportbeheerder een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of de andere warmtetransportonderneming, bedoeld in het eerste lid:
- a. voldoende beschikt over de organisatorische en technische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid;
- b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren;
- c. voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14.
De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in het tweede lid, voorschriften en beperkingen verbinden.
Bij een aanvraag om instemming overlegt de warmtetransportbeheerder in ieder geval het besluit, bedoeld in het tweede lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de andere warmtetransportonderneming, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de gronden, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met c.
Onze Minister beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om instemming indien de andere warmtetransportonderneming, bedoeld in het eerste lid, niet heeft ingestemd met de overdracht.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluit als bedoeld in het tweede lid neemt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de wijze waarop de aanvraag om instemming wordt ingediend, de bij de aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen Onze Minister het besluit tot instemming neemt;
- b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt;
- c. de gronden, bedoeld in het tweede lid;.
- d. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het derde lid.
Artikel 5.5. toezending aan de Autoriteit Consument en Markt
Onze Minister zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschrift van de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder, de wijziging van de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, de intrekking van de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder, bedoeld in artikel 5.3, tweede en derde lid, en de instemming met de overdracht van de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder, bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.
§ 5.2. Taken van een warmtetransportbeheerder
Artikel 5.6. taken
De warmtetransportbeheerder heeft uitsluitend tot taak om in het gebied waarvoor de aanwijzing geldt:
- a. het warmtetransportnet aan te leggen waardoor op een doelmatige wijze de in de regio aanwezige grote warmtebronnen ontsloten kunnen worden zodat kan worden voldaan aan de verwachte vraag naar warmte in de regio;
- b. degene die daarom verzoekt te voorzien van een warmtetransportaansluiting tenzij:
- 1°. daardoor de betrouwbaarheid van het warmtetransport in het geding komt;
- 2°. daardoor de efficiënte exploitatie en een efficiënt beheer van het transportnet in het geding komt;
- 3°. de kosten van de voor de warmtetransportaansluiting noodzakelijke investeringen in het warmtetransportnet niet in verhouding staan tot de verwachte met de warmtetransportaansluiting samenhangende inkomsten voor de warmtetransportbeheerder;
- c. het warmtetransportnet op een doelmatige wijze te beheren en te onderhouden;
- d. de betrouwbaarheid van het warmtetransport op een doelmatige wijze zeker te stellen;
- e. de veiligheid van het warmtetransportnet op een doelmatige wijze te waarborgen;
- f. warmte op een doelmatige wijze te transporteren en warmteverliezen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen;
- g. de beschikbare transportcapaciteit zodanig te verdelen dat dit leidt tot een efficiënt gebruik van het warmtetransportnet;
- h. de temperatuur van de warmte die wordt ingevoed in en afgenomen van het warmtetransportnet zodanig vast te stellen dat dit leidt tot een doelmatig gebruik van het warmtetransportnet;
- i. het warmtetransportnet als geheel in balans te houden en te waarborgen dat onbalans op een efficiënte wijze wordt gecorrigeerd of voorkomen;
- j. een programma per warmtetransportaansluiting vast te stellen waarin de hoeveelheid warmte is opgenomen die op de warmtetransportaansluiting wordt ingevoed of onttrokken;
- k. de hoeveelheid warmte per warmtetransportaansluiting te meten die van het warmtetransportnet wordt afgenomen en ingevoed;
- l. vraag naar en aanbod van warmte van partijen met een warmtetransportaansluiting en partijen die in de toekomst gebruik willen maken van het warmtetransportnet in kaart te brengen en bijeen te brengen.
Een warmtetransportbeheerder kan werkzaamheden laten uitvoeren door een derde ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid. De warmtetransportbeheerder behoudt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de taken van de warmtetransportbeheerder.
§ 5.3. Verplichtingen warmtetransportbeheerder
§ 5.3.1. Niet uit kunnen voeren van een taak
Artikel 5.7. meldplicht bij niet nakomen taken
Een warmtetransportbeheerder meldt Onze Minister en de Autoriteit Consument en Markt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de warmtetransportbeheerder een taak als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, niet langer kan uitvoeren.
Een warmtetransportbeheerder meldt Onze Minister en de Autoriteit Consument en Markt op korte termijn na de melding:
- a. welke maatregelen de warmtetransportbeheerder heeft genomen om de taak wederom uit te kunnen voeren of te voorkomen dat de warmtetransportbeheerder de taak niet kan uitvoeren;
- b. wanneer in voorkomend geval de warmtetransportbeheerder de taak weer uit zal kunnen voeren.
De Autoriteit Consument en Markt kan de warmtetransportbeheerder opdragen maatregelen te treffen indien redelijkerwijs kan worden voorzien dat de warmtetransportbeheerder een taak niet langer kan uitvoeren.
De warmtetransportbeheerder volgt de opdracht op grond van het derde lid op.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden.
De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat de warmtetransportbeheerder:
- a. niet langer in staat is een taak uit te voeren;
- b. in strijd handelt met het vierde lid.
Artikel 5.8. financiële monitoring
Een warmtetransportbeheerder zendt elk jaar binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn aan de Autoriteit Consument en Markt informatie over:
- a. de organisatorische en technische bekwaamheid van de warmtetransportbeheerder;
- b. de financiële situatie van de warmtetransportbeheerder en in voorkomend geval van de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe de warmtetransportbeheerder behoort.
Een warmtetransportbeheerder meldt de Autoriteit Consument en Markt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie van de warmtetransportbeheerder of in voorkomend geval de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe de warmtetransportbeheerder behoort significant verslechtert.
De Autoriteit Consument en Markt kan:
- a. de warmtetransportbeheerder opdragen de organisatorische en technische bekwaamheid te verbeteren;
- b. de warmtetransportbeheerder en een rechtspersoon of vennootschap die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe de warmtetransportbeheerder behoort opdragen een plan op te stellen of maatregelen te treffen om de financiële situatie te verbeteren.
De warmtetransportbeheerder, de rechtspersoon of vennootschap volgen de opdracht op grond van het derde lid op.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht verbinden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;
- b. de wijze waarop de warmtetransportbeheerder de informatie meldt op grond van het eerste lid;
- c. de eisen aan de financiële situatie, bedoeld in het tweede lid;
- d. de omstandigheden waarin sprake is van een significante verslechtering van de financiële situatie als bedoeld in het tweede lid.
§ 5.3.2. Warmtetransportinvesteringsplan
Artikel 5.9. warmtetransportinvesteringsplan
Een warmtetransportbeheerder stelt periodiek binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een warmtetransportinvesteringsplan op.
Een warmtetransportinvesteringsplan bevat:
- a. een beschrijving en onderbouwing van de voorgenomen investeringen in de aanleg, uitbreiding of vervanging van het warmtetransportnet die de warmtetransportbeheerder noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, en de in dat licht overwogen alternatieven voor de investeringen;
- b. een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomen investeringen passen binnen een langetermijnvisie van de warmtetransportbeheerder op het warmtetransportnet.
In het warmtetransportinvesteringsplan wordt rekening gehouden met de plannen met betrekking tot de levering van warmte in de regio opgenomen in een omgevingsplan, een omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet, of een provinciale omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van de Omgevingswet.
Een warmtetransportbeheerder legt een ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan achtereenvolgens voor aan:
- a. partijen met een warmtetransportaansluiting en partijen waarvan het aannemelijk is dat zij zullen verzoeken om een warmtetransportaansluiting en verantwoordt daarbij op welke wijze de ingediende zienswijzen al dan niet hebben geleid tot wijziging van het plan;
- b. het college van de gemeente en gedeputeerde staten van de provincie op wiens grondgebied de levering van warmte naar redelijke verwachting gebruik zal maken van het warmtetransportnet en verantwoordt daarbij op welke wijze de ingediende zienswijzen al dan niet hebben geleid tot wijziging van het plan;
- c. de Autoriteit Consument en Markt.
De Autoriteit Consument en Markt toetst of:
- a. de in het ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan opgenomen investeringen noodzakelijk zijn voor de warmtetransportbeheerder om de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, op doelmatige wijze uit te voeren;
- b. de warmtetransportbeheerder ook anderszins in redelijkheid tot het ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan heeft kunnen komen.
Een warmtetransportbeheerder stelt het warmtetransportinvesteringsplan vast en verantwoordt daarbij op welke wijze de resultaten van de toets van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het vijfde lid al dan niet hebben geleid tot wijziging van het investeringsplan.
Een warmtetransportbeheerder voert de in het warmtetransportinvesteringsplan opgenomen investeringen uit.
Een warmtetransportbeheerder zendt een wijziging van het warmtetransportinvesteringsplan aan de Autoriteit Consument en Markt. Het vierde tot en met zevende lid en negende en tiende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een significante wijziging van de investeringen als bedoeld in het tweede lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de frequentie waarmee een warmtetransportinvesteringsplan wordt opgesteld;
- b. de procedure voor totstandkoming;
- c. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan toetst.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de inhoud en het aggregatieniveau van een warmtetransportinvesteringsplan;
- b. een wijziging van het warmtransportinvesteringsplan;
- c. de wijze waarop de noodzakelijkheid van de investeringen wordt aangetoond.
Artikel 5.10. exploitatieplan
Een warmtetransportbeheerder stelt periodiek binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een exploitatieplan op.
Een exploitatieplan bevat:
- a. een beschrijving van de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, onderdelen d, h, i en l;
- b. een beschrijving van de wijze waarop met schaarste van transportcapaciteit wordt omgegaan;
- c. een overzicht van goederen en diensten die worden aangeboden in verband met het transport van warmte.
De warmtetransportbeheerder zendt op verzoek van de Autoriteit Consument en Markt het exploitatieplan naar de Autoriteit Consument en Markt.
De Autoriteit Consument en Markt kan de warmtetransportbeheerder binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na het verzoek opdragen het exploitatieplan te wijzigen indien door de inhoud van dit plan de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, in het geding kan komen.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan de opdracht op grond van het vierde lid verbinden.
De warmtetransportbeheerder volgt de opdracht op en voert de in het exploitatieplan opgenomen maatregelen uit.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de frequentie waarmee een exploitatieplan wordt opgesteld;
- b. de procedure voor totstandkoming en bekendmaking van een exploitatieplan.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. de inhoud van een exploitatieplan;
- b. een wijziging van een exploitatieplan.
§ 5.3.3. Waarborgen onafhankelijkheid warmtetransportbeheerder
Artikel 5.11. waarborgen voor onafhankelijkheid
Het is een warmtetransportbeheerder verboden in het gebied waarvoor deze op grond van artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen warmte te produceren, te leveren of daarin te handelen.
Artikel 5.12. toegestane activiteiten
Een warmtetransportbeheerder en een met een warmtetransportbeheerder verbonden groepsmaatschappij als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek beperkt zich naast de in artikel 5.6, eerste lid, toegekende taken in Nederland tot handelingen en activiteiten die gerelateerd zijn aan de aanleg en het beheer van energie-infrastructuur.
Onder handelingen en activiteiten worden in ieder geval verstaan handelingen en activiteiten als bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, en 3.20, eerste lid, van de Energiewet.
Onder energie-infrastructuur wordt in ieder geval verstaan:
- a. een transmissiesysteem of distributiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet;
- b. infrastructuur voor koolstofdioxide, waterstof, warmte, koude en biogas.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld worden over de handelingen en activiteiten, bedoeld in het eerste lid.
§ 5.3.4. Informatieverplichtingen
Artikel 5.13. verstrekken informatie
De warmtetransportbeheerder verstrekt op verzoek van de partijen, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel a, of het college of gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel b:
- a. een overzicht van goederen en diensten die worden aangeboden in verband met het transport van warmte;
- b. informatie over de prijzen van en voorwaarden waaronder deze goederen en diensten kunnen worden geleverd.
Een partij die verzoekt om een warmtetransportaansluiting om warmte op het warmtetransportnet te kunnen invoeden stelt aan de warmtetransportbeheerder informatie ter beschikking:
- a. tegen welke prijzen en voorwaarden zij goederen en diensten aanbiedt in verband met de productie van warmte of het ter beschikking stellen van restwarmte;
- b. over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de te leveren warmte.
De warmtetransportbeheerder verstrekt de informatie over de goederen en diensten, bedoeld in het tweede lid, op verzoek aan de partijen, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel a, of het college of gedeputeerde staten, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel b.
§ 5.3.5. Overige verplichtingen
Artikel 5.14. aandelen warmtetransportbeheerder in handen van een openbaar lichaam
De aandelen in een warmtetransportbeheerder berusten direct of indirect bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam, onverminderd het bepaalde in artikel 3.15 van de Energiewet.
Onder indirect berusten wordt verstaan dat de aandelen in een warmtetransportbeheerder berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan alle aandelen van elke rechtspersoon worden gehouden door de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam. De aandelen, bedoeld in de eerste volzin, kunnen worden gehouden door één of meerdere tussengelegen rechtspersonen, mits in elke schakel in de keten telkens alle aandelen berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan de aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam.
Artikel 5.15. eigendom warmtetransportnet
De warmtetransportbeheerder beschikt over de eigendom van het door hem beheerde warmtetransportnet. Het is verboden de economische eigendom van het warmtetransportnet geheel of deels over te dragen aan een derde of het warmtetransportnet geheel of deels te bezwaren met een zekerheidsrecht ten gunste van een directe of indirecte aandeelhouder of certificaathouder van de warmtetransportbeheerder waardoor de feitelijke zeggenschap over het warmtetransportnet direct of op termijn niet langer bij de warmtetransportbeheerder rust.
De warmtetransportbeheerder draagt de eigendom van het warmtetransportnet over aan de daarop volgende warmtetransportbeheerder, indien de aanwijzing van de warmtetransportbeheerder:
- a. is gewijzigd op grond van artikel 5.2, voor zover het gebied waarop de aanwijzing betrekking heeft is verkleind;
- b. is ingetrokken op grond van artikel 5.3, tweede of derde lid;
- c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van de aanwijzing;
- d. is overgedragen op grond van artikel 5.4, eerste lid.
De warmtetransportbeheerder waarvan de aanwijzing is gewijzigd, ingetrokken, komen te vervallen of overgedragen heeft recht op een tegenprestatie die de marktwaarde van de verschafte rechten op het warmtetransportnet vertegenwoordigt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de overdracht van de eigendom van het warmtetransportnet en de tegenprestatie.
§ 5.4. Verplichtingen derden
Artikel 5.16. warmtetransportprogramma
Degene die een warmtetransportaansluiting heeft is verantwoordelijk voor het opstellen van een warmtetransportprogramma waarin is opgenomen:
- a. hoeveel warmte op de warmtetransportaansluiting wordt ingevoed of onttrokken;
- b. wanneer de invoeding of onttrekking van warmte plaatsvindt.
De verantwoordelijkheid, bedoeld in het eerste lid, kan in zijn geheel worden overgedragen.
Een aansluitingsverantwoordelijke zendt het warmtetransportprogramma naar de warmtetransportbeheerder.
De aansluitingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor een afwijking van het warmtetransportprogramma.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over:
- a. het warmtetransportprogramma en de wijze waarop het warmtetransportprogramma wordt ingediend;
- b. de verantwoordelijkheid, bedoeld in het eerste lid;
- c. de overdracht van de verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid.
Artikel 5.17. verbod overdragen warmtetransportcapaciteit
Het is een partij die warmtetransportcapaciteit afneemt van de warmtetransportbeheerder verboden warmtetransportcapaciteit van de warmtetransportbeheerder af te nemen anders dan voor eigen gebruik.
In afwijking van het eerste lid kan het college warmtetransportcapaciteit afnemen van de warmtetransportbeheerder indien het een gemeente betreft op wiens grondgebied de warmtetransportcapaciteit wordt gebruikt of zal worden gebruikt.
Een partij die warmtetransportcapaciteit afneemt van de warmtetransportbeheerder en die niet gebruikt, stelt op verzoek van de warmtetransportbeheerder deze warmtetransportcapaciteit ter beschikking indien er geen warmtetransportcapaciteit beschikbaar is voor een andere partij met een warmtetransportaansluiting en deze partij om deze warmtetransportcapaciteit heeft verzocht.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. het gebruik van de warmtetransportcapaciteit, bedoeld in het eerste lid;
- b. de situaties waarin op grond van het derde lid warmtetransportcapaciteit ter beschikking gesteld wordt.
§ 5.5. Overige bepalingen
Artikel 5.18. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking als bedoeld in de artikelen 5.1, derde en zevende lid, 5.4, derde lid, 5.7, vijfde lid, 5.8, vijfde lid, en 5.10, vijfde lid.
Hoofdstuk 6. Warmteproductie
§ 6.1. Restwarmte
Artikel 6.1. informatieverplichting producent van restwarmte
Een producent van restwarmte die deze warmte ongebruikt terecht laat komen in lucht of water geeft een warmtebedrijf op verzoek van dat warmtebedrijf informatie over:
- a. de productiecapaciteit van restwarmte nu en de verwachte productiecapaciteit van restwarmte in de toekomst;
- b. de kenmerken van deze productiecapaciteit van restwarmte;
- c. de geschatte termijn waarop de restwarmte beschikbaar gemaakt kan worden.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over:
- a. de eisen waaraan een verzoek als bedoeld in het eerste lid ten minste moet voldoen;
- b. de informatie over de kenmerken van de productiecapaciteit van restwarmte;
- c. de termijn waarbinnen de informatie wordt verstrekt.
Artikel 6.2. ter beschikking stellen restwarmte
Een producent van restwarmte die deze warmte ongebruikt terecht laat komen in lucht of water stelt deze ter beschikking aan een warmtebedrijf op een warmte overdrachtsstation waar de restwarmte wordt overgedragen op de collectieve warmtevoorziening of het klein collectief warmtesysteem van het warmtebedrijf of een warmtetransportnet van een warmtetransportbeheerder voor zover dit warmtebedrijf daarom heeft verzocht en indien de afname en het transport van de restwarmte vanaf dat warmte overdrachtsstation mogelijk is gemaakt door het warmtebedrijf.
Een producent van restwarmte die deze warmte ter beschikking stelt kan uitsluitend de volgende kosten in rekening brengen:
- a. de kosten die redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de wijziging van de restwarmte producerende installatie die noodzakelijk is om de restwarmte ter beschikking te stellen aan het warmtebedrijf dat daarom heeft verzocht;
- b. de kosten van de aanleg van het geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen voor zover de aanleg noodzakelijk is voor het transport van de restwarmte door de producent van restwarmte tot aan het warmte overdrachtsstation waar de restwarmte wordt overgedragen op de collectieve warmtevoorziening of het klein collectief warmtesysteem van het warmtebedrijf of een warmtetransportnet van een warmtetransportbeheerder;
- c. de jaarlijkse terugkerende kosten gemaakt ten behoeve van de onderdelen a en b.
De producent van restwarmte maakt de kosten, bedoeld in het tweede lid, op transparante wijze inzichtelijk.
Het warmtebedrijf en de producent van restwarmte leggen in een overeenkomst voorafgaande aan het ter beschikking stellen van de restwarmte in ieder geval vast:
- a. de kenmerken van de productiecapaciteit en hoe en onder welke voorwaarden de restwarmte ter beschikking wordt gesteld;
- b. wat de kosten hiervan zijn of hoe de kosten, bedoeld in het tweede lid, worden berekend.
Het eerste lid is niet van toepassing indien de producent van restwarmte een toestemming is geweigerd noodzakelijk voor de wijziging van de restwarmte producerende installatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, of de aanleg van de leidingen, installatie en overige hulpmiddelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de kosten, bedoeld in het tweede lid, en de wijze waarop deze kosten worden berekend;
- b. de wijze waarop de kosten, bedoeld in het tweede lid, op transparante wijze inzichtelijk, worden gemaakt;
- c. de kenmerken van de productiecapaciteit en de voorwaarden, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a.
§ 6.2. Garanties van oorsprong
Artikel 6.3. begripsbepalingen
In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- –. energie uit hernieuwbare bronnen: energie die is opgewekt uit hernieuwbare bronnen en energie die is opgewekt met gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen;
- –. garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen: gegevens op een rekening voor garanties van oorsprong die betrekking hebben op thermische energie uit hernieuwbare bronnen en waarmee wordt aangetoond dat een producent van thermische energie met zijn installatie een hoeveelheid thermische energie uit hernieuwbare bronnen heeft geproduceerd;
- –. handelaar: onderneming die zich bezighoudt met het verhandelen van garanties van oorsprong;
- –. hernieuwbare bronnen: hernieuwbare niet-fossiele bronnen, niet zijnde houtige biomassa, met uitzondering van het gebruik van houtige biomassa als de primaire warmtebron wegvalt of als de warmtebron onvoldoende warmte levert om te voldoen aan de tijdelijke hoge vraag om warmte, waarmee hernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2, eerste onderdeel, van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) kan worden opgewekt;
- –. meetbedrijf: onderneming die zich bezig houdt met het collecteren, valideren en vaststellen van meetgegevens betreffende thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- –. net voor thermische energie: geheel van tot elkaar behorende, met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen dienstbaar aan het transport van thermische energie uit hernieuwbare bronnen, behoudens voor zover deze leidingen, installaties en hulpmiddelen zijn gelegen in een inpandig leidingstelsel, een binneninstallatie of een gebouw of werk van een producent van thermische energie en strekken tot toe- of afvoer van thermische energie uit hernieuwbare bronnen ten behoeve van dat inpandig leidingstelsel, die binneninstallatie of dat gebouw of werk van een producent van thermische energie;
- –. producent van thermische energie: onderneming die zich bezighoudt met de productie van thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- –. rekening voor garanties van oorsprong: staat waarop een tegoed van garanties van oorsprong kan worden geboekt in het elektronische systeem voor het uitgeven, overdragen en innemen van garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- –. thermische energie uit hernieuwbare bronnen: thermische energie die ten behoeve van verwarming of verkoeling van ruimten of processen wordt geleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof en die:
- a. is opgewekt in een productie-installatie die uitsluitend gebruik maakt van hernieuwbare bronnen of energie uit hernieuwbare bronnen;
- b. is opgewekt met gebruik van hernieuwbare bronnen of energie uit hernieuwbare bronnen in een hybride productie-installatie die ook gebruik maakt van energie uit fossiele bronnen;
- –. verbruiker van thermische energie: natuurlijk persoon of rechtspersoon aan wie uitsluitend voor eigen verbruik thermische energie uit hernieuwbare bronnen wordt geleverd;
- –. warmteleveringsbedrijf van thermische energie: onderneming die zich bezighoudt met de levering van thermische energie uit hernieuwbare bronnen.
Artikel 6.4. taken Minister
Onze Minister is belast met het uitgeven, overdragen en innemen via een elektronisch systeem van garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen.
Onze Minister opent op aanvraag van een in Nederland gevestigde producent van thermische energie, warmteleveringsbedrijf van thermische energie of handelaar een rekening voor garanties van oorsprong. Bij deze aanvraag overlegt de producent van thermische energie het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid.
Onze Minister boekt op aanvraag garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen op een daarbij aangegeven rekening voor garanties van oorsprong, indien een in Nederland gevestigde producent van thermische energie bij deze aanvraag de gegevens overlegt omtrent:
- a. de gemeten hoeveelheid thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- b. indien een producent van thermische energie gebruik maakt van omzetting van energie in een andere vorm van energie:
- 1°. de gemeten hoeveelheid thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- 2°. de gemeten hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen die is gebruikt voor de productie van de hoeveelheid, bedoeld onder 1°;
- 3°. het bewijs van afboeking of verzoek tot afboeking van garanties van oorsprong van een Nederlandse rekening voor garanties van oorsprong voor de gemeten hoeveelheid, bedoeld onder 2°.
Onze Minister kan de taken, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, mandateren aan een niet-ondergeschikte die onafhankelijk is van producenten van thermische energie, warmteleveringsbedrijven van thermische energie en handelaren.
Artikel 6.5. vaststelling hernieuwbare bron
Een meetbedrijf stelt op verzoek van een producent van thermische energie vast of:
- a. diens productie-installatie geschikt is voor de productie van thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- b. de inrichting om te meten geschikt is voor de meting van de thermische energie uit hernieuwbare bronnen die met de productie-installatie wordt opgewekt en op een net voor thermische energie ingevoed;
- c. in geval van omzetting van energie in een andere vorm van energie, of de inrichting om te meten, die wordt gebruikt in de installatie geschikt is voor de meting van de hoeveelheid energie uit hernieuwbare bronnen of uit andere bronnen die is gebruikt voor de productie van de hoeveelheid, bedoeld in onderdeel b.
Een meetbedrijf verricht geen metingen bij:
- a. een producent van thermische energie waarin het meetbedrijf aandelen houdt of waaraan het deelneemt;
- b. bij een producent van thermische energie waar het meetbedrijf warmte inkoopt.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de verplichtingen op grond van het eerste lid.
Artikel 6.6. aantonen productie uit hernieuwbare bronnen
Een garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen toont bij uitsluiting aan dat een producent van thermische energie de daarop aangegeven hoeveelheid thermische energie heeft geproduceerd uit hernieuwbare bronnen of met energie uit hernieuwbare bronnen.
Artikel 6.7. afboeken garanties van oorsprong
Een warmteleveringsbedrijf van thermische energie zorgt ervoor dat als bewijs van levering van thermische energie uit hernieuwbare bronnen aan een in Nederland gevestigde verbruiker van thermische energie, binnen één maand na de levering een corresponderende hoeveelheid garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen van een Nederlandse rekening voor garanties van oorsprong wordt afgeboekt.
Artikel 6.8. garanties van oorsprong binnen Europese Unie
Garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen uitgegeven door een onafhankelijke instantie in een andere lidstaat van de Europese Unie, die naar aard en strekking overeenkomen met in Nederland uitgegeven garanties van oorsprong, worden daarmee gelijkgesteld.
Garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen uitgegeven door een onafhankelijke instantie in een derde land, die naar aard en strekking overeenkomen met in Nederland uitgegeven garanties van oorsprong, worden niet erkend, behalve indien de Europese Unie daarvoor een overeenkomst heeft afgesloten met het derde land en de energie rechtstreeks uit dat land wordt ingevoerd of uitgevoerd.
Artikel 6.9. delegatiegrondslag garanties van oorsprong
Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld ter dekking van de kosten die worden gemaakt met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 6.4.
Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
- a. de informatie die door een producent van thermische energie, warmteleveringsbedrijf van thermische energie, handelaar of warmtetransportbeheerder verstrekt wordt aan Onze Minister;
- b. de uitgifte en de geldigheidsduur van een garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- c. de gegevens die worden vermeld op een garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen;
- d. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop een producent van thermische energie, warmteleveringsbedrijf van thermische energie of handelaar gebruik kunnen maken van de door hen verkregen garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen of deze kunnen verhandelen;
- e. de vaststelling, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid;
- f. het meten van de hoeveelheid, bedoeld in artikel 6.4, derde lid.
Artikel 6.10. erkenning meetbedrijf
Het is verboden zonder een erkenning als bedoeld in het derde lid, bij een producent van thermische energie werkzaamheden als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, te verrichten.
Een meetbedrijf:
- a. beschikt over de benodigde organisatorische en technische kwaliteiten alsmede voldoende deskundigheid voor een goede uitvoering van zijn verplichtingen;
- b. is redelijkerwijs in staat de verplichtingen op grond van artikel 6.5, eerste lid, na te komen.
De Autoriteit Consument en Markt verleent een meetbedrijf op aanvraag een erkenning als het bedrijf voldoet aan de eisen, bedoeld in het tweede lid.
De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een erkenning.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de vereisten, bedoeld in het tweede lid.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:
- a. de voorwaarden waaraan een aanvraag moet voldoen;
- b. de procedure voor de aanvraag van een erkenning;
- c. de informatie die een meetbedrijf na het verlenen van de erkenning al dan niet periodiek moet verstrekken.
Artikel 6.11. wijziging en intrekken erkenning
De Autoriteit Consument en Markt kan een erkenning als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, wijzigen of intrekken indien:
- a. de houder van de erkenning niet langer voldoet aan één of meer verplichtingen, bedoeld in de artikelen 6.5, eerste lid, en 6.10, tweede lid, onderdeel a;
- b. de houder van de erkenning dit verzoekt;
- c. de houder van de erkenning de in de erkenning opgenomen voorschriften of opgelegde beperkingen niet nakomt;
- d. de houder van de erkenning bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste en volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag zou hebben geleid;
- e. de houder van de erkenning om andere redenen niet langer in staat moet worden geacht de erkende activiteit of in de erkenning opgenomen voorschriften na te komen.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de tijdelijke voorzieningen en de procedure bij intrekking van de erkenning.
Artikel 6.12. rapportageverplichting
Een meetbedrijf rapporteert aan de Autoriteit Consument en Markt over de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 6.5, eerste en derde lid.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de frequentie waarmee gerapporteerd wordt en de eisen waaraan een rapportage moet voldoen.
Artikel 6.13. overdragen erkenning
Een erkenning als bedoeld in artikel 6.10, derde lid, kan slechts worden overgedragen met toestemming van de Autoriteit Consument en Markt.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de voorwaarden voor en de procedure bij het overdragen van een erkenning als bedoeld in het eerste lid.
§ 6.3. Wijziging in zeggenschap
Artikel 6.14. wijziging in zeggenschap
Een wijziging met betrekking tot zeggenschap in een installatie van een producent met een vermogen van meer dan 20 megawatt, wordt voorafgaand aan de wijziging door één van de bij deze wijziging betrokken partijen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn gemeld aan Onze Minister.
Onze Minister kan binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn op grond van overwegingen van openbare veiligheid, de leveringszekerheid of de betrouwbaarheid van een warmtetransportnet de wijziging verbieden of opdragen maatregelen te treffen.
Onze Minister kan aan het verbod of de opdracht op grond van het tweede lid beperkingen en voorschriften verbinden.
De producent neemt het verbod in acht of volgt de opdracht op.
Rechtshandelingen verricht in strijd met het eerste lid of het verbod of opdracht, bedoeld in het vierde lid, zijn vernietigbaar.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de melding op grond van het eerste lid.
§ 6.4. Overige bepalingen
Artikel 6.15. prijzen en voorwaarden productie van warmte
Een producent die warmte levert aan een warmtebedrijf levert deze warmte tegen redelijk prijzen en voorwaarden.
Een prijs is in ieder geval niet redelijk indien die prijs onevenredig hoog is gezien de kosten van de producent of niet marktconform is.
Artikel 6.16. verbod handelen in strijd met voorschriften en beperkingen
Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking:
- a. als bedoeld in artikel 6.10, vierde lid;
- b. als bedoeld in artikel 6.14, derde lid.
Hoofdstuk 7. Tariefregulering
§ 7.1. Tariefregulering levering van warmte door een aangewezen warmtebedrijf
§ 7.1.1. Door het aangewezen warmtebedrijf in rekening te brengen maximale tarieven
Artikel 7.1. door een aangewezen warmtebedrijf in rekening te brengen maximale tarieven
Een aangewezen warmtebedrijf brengt ten behoeve van het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 2.13, bij een kleinverbruiker voor het leveren van goederen en diensten ten hoogste de tarieven in rekening die zijn vastgesteld op grond van artikel 7.2, eerste lid, waarbij geldt dat het aangewezen warmtebedrijf bij een kleinverbruiker voor de eerste drie jaar na aanvang van de levering van warmte door middel van de aansluiting van het gebouw op het collectief warmtesysteem niet een hoger tarief in rekening kan brengen dan het maximale tarief, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, indien een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 2.26, eerste lid.
Het aangewezen warmtebedrijf brengt tarieven in rekening voor de volgende goederen en diensten:
- a. het transport en de levering van warmte;
- b. het transport en levering van koude, indien de levering van koude noodzakelijk is voor een efficiënte werking van de collectieve warmtevoorziening en het warmtebedrijf om die reden de verbruiker uitsluitend de mogelijkheid biedt om warmte in combinatie met koude af te nemen;
- c. de afleverset voor warmte of een afleverset voor warmte en koude;
- d. het aansluiten op een collectieve warmtevoorziening;
- e. de meting van het warmteverbruik;
- f. overige goederen of diensten.
De tarieven zijn non-discriminatoir, met dien verstande dat bij de vaste tarieven onderscheid kan worden gemaakt op grond van de mate waarin een kleinverbruiker bijdraagt aan de kosten van de collectieve warmtevoorziening.
Een aangewezen warmtebedrijf maakt op transparante wijze de tarieven aan verbruikers bekend en openbaar.
In afwijking van het eerste lid kunnen een aangewezen warmtebedrijf en een kleinverbruiker overeenkomen dat de kleinverbruiker een tarief in rekening wordt gebracht dat afwijkt van het tarief, bedoeld in het eerste lid, indien het aangewezen warmtebedrijf aantoonbaar een aanbod voor levering van warmte heeft gedaan dat in ieder geval de mogelijkheid bevat om warmte geleverd te krijgen tegen ten hoogste het tarief, bedoeld in het eerste lid.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een aangewezen warmtebedrijf het tarief dat voor een kleinverbruiker op grond van artikel 7.2, eerste lid, is vastgesteld, in het geval de kleinverbruiker geen gebouweigenaar is, voor daarbij te bepalen goederen en diensten in afwijking van het eerste lid, geheel of gedeeltelijk in rekening brengt bij de gebouweigenaar van het gebouw dat de kleinverbruiker in gebruik heeft.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de goederen en diensten, bedoeld in het tweede lid;
- b. welk deel van de tarieven overeenkomstig het zesde lid in rekening wordt gebracht bij de gebouweigenaar, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen de verhuurder van de kleinverbruiker dan wel de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij hij is aangesloten;
- c. de wijze van bekendmaking en openbaarmaking van de tarieven, bedoeld in het vierde lid;
- d. het aanbod, bedoeld in het vijfde lid;
- e. het onderscheid in de vaste tarieven, bedoeld in het derde lid.
§ 7.1.2. Vaststelling maximale tarieven voor kleinverbruikers door de Autoriteit Consument en Markt (fase 1)
Artikel 7.2. vaststelling maximale tarieven fase 1
De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks de maximale tarieven vast die een aangewezen warmtebedrijf voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, in rekening kan brengen bij een kleinverbruiker.
De tarieven zijn non-discriminatoir en worden berekend op grond van:
- a. een gecorrigeerd gasreferentietarief, of
- b. een kostengebaseerd referentietarief inclusief een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen redelijk rendement.
Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of de maximale tarieven worden berekend op grond van het tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, waarbij de berekeningsmethode per goed of dienst kan verschillen.
Van het besluit tot vaststelling van de maximale tarieven wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over:
- a. de correctie op het gasreferentietarief, het kostengebaseerd referentietarief en de methode voor het berekenen van de tarieven;
- b. de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, en subcategorieën van deze goederen en diensten;
- c. de verschillen in de berekeningsmethode, bedoeld in het derde lid;
- d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen een vast, variabel, eenmalig of periodiek tarief.
§ 7.1.3. Vaststelling maximale tarieven en tariefformules voor kleinverbruikers door de Autoriteit Consument en Markt (fase 2)
Artikel 7.3. vaststelling berekeningsmethode maximale tarieven en tariefformules in methodebesluit
De Autoriteit Consument en Markt stelt voor een periode van minimaal drie en maximaal vijf jaar een methodebesluit vast.
De Autoriteit Consument en Markt stelt in het methodebesluit:
- a. de methode voor de berekening van de maximale tarieven vast die een aangewezen warmtebedrijf voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, in rekening kan brengen bij een kleinverbruiker;
- b. de methode voor het vaststellen van de tariefformules vast op grond waarvan het aangewezen warmtebedrijf de maximale tarieven voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, berekent die het in rekening kan brengen bij een kleinverbruiker.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)