Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2026, nr. HO&S/63327145, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het inrichten van co-creatielabs in het kader van de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (Subsidieregeling co-creatielabs NAPL)
Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanbodanalyse: beeld van reeds bestaand professionaliseringsaanbod dat aansluit op de vraagarticulatie;
- co-creatielab: interdisciplinaire werkplaats waarin op gelijkwaardige basis wordt samengewerkt aan de systematische ontwikkeling van leerarrangementen gericht op de professionele ontwikkeling van leraren.
- DUS-I: Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen;
- educatieve alliantie: samenwerkingsverband, genoemd in bijlage 1 bij deze regeling;
- educatief consortium: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 11, eerste lid;
- instellingsbestuur: instellingsbestuur als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel j, van de WHW;
- hogeronderwijsinstelling: bekostigde instelling als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel g, van de WHW;
- Kaderregeling: Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;
- leerarrangement: samenhangend geheel van formele en informele leeractiviteiten ten behoeve van de professionalisering van leraren, dat past binnen de in bijlage 2 omschreven ontwikkelpaden en dat voldoet aan de in bijlage 3 gestelde kwaliteitscriteria;
- leraar: persoon als bedoeld in artikel 2.1, onderdelen a, b c of e van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel;
- lerarenopleiding: op basis van de WHW bekostigde bachelor- of masteropleiding die leidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om onderwijs te geven als bedoeld in de WPO, de WEC, de Wet primair onderwijs BES of de WVO 2020 of die ertoe leidt dat een docent voldoet aan de bekwaamheidseisen voor benoeming of tewerkstelling van docenten als bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel b, van de WEB;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- onderwijsregio: onderwijsregio als bedoeld in artikel 1 van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s waarvoor op basis van die regeling subsidie wordt verstrekt;
- ontwikkelpaden: in bijlage 2 opgenomen kaders voor professionaliseringstrajecten die door leraren kunnen worden gebruikt om zich te ontwikkelen van start- naar vakbekwaam, of van vakbekwaam naar expert;
- penvoerder: penvoerder van een educatief consortium als bedoeld in artikel 5, derde lid;
- private opleider: opleider die geen bekostigd onderwijs aanbiedt in de zin van artikel 2.1.1 WEB, artikel 2.1.2 WEB of een bekostigde instelling is in de zin van artikel 1.1, onder g van de WHW;
- Realisatie-Eenheid: organisatieonderdeel van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, opgericht in samenwerking met onderwijsraden, lerarenopleidingen en werknemersorganisaties, met de opdracht zorg te dragen voor de vorming van een landelijk dekkend netwerk van onderwijsregio’s en hier regie op te voeren;
- sectoren: primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs als bedoeld in de WPO, WEC, WVO 2020 en WEB;
- school: school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of artikel 1.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- schoolleider: directeur als bedoeld in artikel 32 van de WPO, artikel 29 van de WEC, of directeur en rector als bedoeld in artikel 7.23 van de WVO 2020;
- schoolbestuur: bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de WPO, artikel 1 van de WEC, artikel 1.1 van de WVO 2020 of in artikel 1.1.1 van de WEB;
- vraagarticulatie: voortdurend proces van afstemming binnen een onderwijsregio waarin professionaliseringsbehoeften van leraren, scholen en schoolbesturen worden gesignaleerd, verkend en doorgrond, waarbij het resultaat van dit proces de basis vormt voor het ontwikkelen, testen en evalueren van professionaliseringstrajecten in een co-creatielab;
- WVO 2020: Wet voortgezet onderwijs 2020.
Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS
Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling, met uitzondering van artikel 4.3, eerste lid.
Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten
De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 5 subsidie verstrekken voor:
- a. het inrichten van een co-creatielab waarin leerarrangementen worden ontwikkeld, getest en geëvalueerd en waarin bestaande leerarrangementen op de in bijlage 3 genoemde kwaliteitscriteria worden getoetst, waarbij de activiteiten in het co-creatielab betrekking hebben op de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren voor zover relevant naar aanleiding van de vraagarticulatie en aanbodanalyse; en
- b. het voor eenieder kosteloos toegankelijk maken van ontwikkelde en getoetste leerarrangementen als bedoeld in onderdeel a en de overige kennis die door uitvoering van de in onderdeel a bedoelde activiteiten is opgedaan:
- 1°. via een digitaal platform; en
- 2°. binnen het educatief consortium en met andere educatieve consortia door middel van deelname aan minimaal drie door de Realisatie-Eenheid te organiseren bijeenkomsten; en
- c. het verrichten van onderzoek dat bijdraagt aan kennisdeling als bedoeld onder b, en dat aansluit bij een landelijk onderzoek naar het functioneren van co-creatielabs.
Het co-creatielab bestaat in ieder geval uit:
- 1°. één of meer leraren; en
- 2°. één of meer lerarenopleidingen; en
- 3°. één of meerdere werkgevers, die kunnen bestaan uit schoolbesturen, schoolleiders en personen die op de desbetreffende vestiging van een mbo-instelling als directeur werkzaam zijn, voor zover dit blijkt uit de vraagarticulatie en de aanbodanalyse; en
- 4°. eventueel één of meer private opleiders.
Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:
- a. het verrichten van vraagarticulatie en aanbodanalyse voorafgaand aan de aanvraag;
- b. het verrichten van activiteiten waarvoor de minister reeds uit anderen hoofde subsidie heeft verstrekt;
- c. het verrichten van activiteiten die reeds worden bekostigd uit de rijksbijdrage voor scholen of hogeronderwijsinstellingen; en
- d. de deelname van leraren aan professionaliseringstrajecten.
Artikel 4. Hoogte van de subsidie
De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een vast bedrag van € 2.700.000 per aanvraag.
Artikel 5. Penvoerder
De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.
De penvoerder is een instellingsbestuur van een hogeronderwijsinstelling als bedoeld in bijlage 1 die deel uitmaakt van een educatief consortium, en die namens dat educatief consortium als penvoerder optreedt.
Per educatieve alliantie kan één daaraan deelnemende hogeronderwijsinstelling worden aangewezen die optreedt als penvoerder van een educatief consortium.
Een penvoerder kan zijn penvoerderschap krachtens schriftelijke overeenkomst overdragen aan een ander instellingsbestuur als bedoeld in het tweede lid, dat deelneemt aan dezelfde educatieve alliantie. Indien de penvoerder zijn penvoerderschap aldus overdraagt:
- a. wordt de subsidie, onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn verleend; en
- b. worden eventueel reeds door de oorspronkelijke penvoerder ontvangen voorschotten geacht met terugwerkende kracht aan de nieuwe penvoerder te zijn betaald op grond van artikel 4:89, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Een overeenkomst als bedoeld in het vierde lid wordt, alvorens die in werking treedt, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister en bevat:
- a. één of meer bepalingen over de overdracht van verantwoordingsinformatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de oorspronkelijke penvoerder aan de nieuwe penvoerder; en
- b. voor zover sprake is van reeds betaalde voorschotten, en voor zover nog niet besteed, een regeling over bijschrijving daarvan op het vroegst mogelijke moment op een bij DUS-i bekende bankrekening van de nieuwe penvoerder.
Artikel 6. Subsidieplafond
Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in 2026 een bedrag van € 27.000.000,– beschikbaar.
Artikel 7. Algemene bepalingen subsidieaanvraag
Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd van 17 augustus 2026 om 9:00 uur tot en met 4 september 2026 om 13:00 uur.
Aanvragen die buiten de in het eerste lid bedoelde aanvraagronde worden ingediend, worden afgewezen.
Per penvoerder kan maximaal één aanvraag worden ingediend.
De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.
In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in het derde lid, dient de penvoerder die een subsidie aanvraagt de volgende documenten in:
- a. een ambitiedocument als bedoeld in artikel 8;
- b. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 9;
- c. een begroting als bedoeld in artikel 10;
- d. een samenwerkingsovereenkomst als bedoeld in artikel 11; en
- e. een samenvatting van de aanvraag die openbaar gemaakt kan worden.
De penvoerder neemt voorafgaande aan de subsidieaanvraag deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab gedurende het eerste jaar van de subsidiabele periode.
Artikel 8. Ambitiedocument
Het ambitiedocument bevat in ieder geval:
- a. een beschrijving van de vraagarticulatie in het kader van het professionaliseren van leraren op de arbeidsmarkt binnen de regio of sector waar het educatief consortium zich op richt;
- b. een aanbodanalyse van de hogeronderwijsinstellingen en private opleiders in het educatief consortium waaruit blijkt in welke mate het bestaande professionaliseringsaanbod aansluit op de vraagarticulatie als bedoeld in onderdeel a, en welk professionaliseringsaanbod nog ontwikkeld dient te worden; en
- c. een beschrijving van de ambities van het educatief consortium met betrekking tot de verduurzaming van de activiteiten en resultaten daarvan, na afronding van de subsidieperiode.
Voor het ambitiedocument wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 9. Activiteitenplan
In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:
- a. een omschrijving hoe de betrokkenheid van leraren binnen het educatief consortium wordt geborgd, onderbouwd met concrete plannen;
- b. een activiteitenplanning met een uitgewerkt overzicht van realiseerbare activiteiten in het eerste jaar van de subsidiabele periode, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, dat bestaat uit fasering, mijlpalen en beoogde tussentijdse resultaten en een globaal overzicht van realiseerbare activiteiten voor de overige jaren van de subsidiabele periode, bestaande uit fasering, mijlpalen en beoogde eindresultaten; en
- c. een beschrijving van de lerende aanpak waarmee de voortgang en de uitkomsten van het project worden gemonitord, geëvalueerd en waarmee de aanpak indien nodig wordt bijgesteld.
Voor het activiteitenplan wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 10. Begroting
In aanvulling op artikel 3.5 van de Kaderregeling kan in de begroting voor wat betreft de personele kosten worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:
- a. secretarieel of administratief medewerker € 67;
- b. projectmedewerker € 93;
- c. projectleider, leraar of onderzoeker € 117; en
- d. (associate) practor, lector, of hoogleraar € 138.
Voor de begroting wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 11. Educatief consortium en samenwerkingsovereenkomst
Een educatief consortium bestaat in ieder geval uit een penvoerder, en ten minste één penvoerder van een onderwijsregio, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s.
In aanvulling op de in het eerste lid bedoelde partijen kunnen ook private opleiders die opgenomen zijn in de aanbodanalyse en passen bij één of meerdere ontwikkelpaden, en hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen, deelnemen aan het educatief consortium.
De samenwerking tussen de penvoerder en de overige deelnemende partijen van een educatief consortium wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door tekenbevoegd gezag van deelnemende partijen aan het desbetreffend educatief consortium.
In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:
- a. de beoogde start- en einddatum van de samenwerking die ten minste de subsidieperiode, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, omvat;
- b. dat de penvoerder gemachtigd is om als penvoerder namens het educatief consortium op te treden;
- c. wat elke partij in het educatief consortium inhoudelijk en organisatorisch bijdraagt aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, waarvoor subsidie wordt gevraagd;
- d. hoe het aangevraagde subsidiebedrag tussen de partijen van het educatief consortium wordt verdeeld;
- e. dat elke partij toestemming geeft voor het indienen van de stukken, bedoeld in artikel 7, vierde en vijfde lid;
- f. dat alle partijen in het educatief consortium medewerking verlenen aan de verantwoording van de subsidie en aan de nakoming van de aan de subsidie verbonden verplichtingen, en dat alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn op verzoek aan de penvoerder worden verstrekt; en
- g. dat alle partijen in het educatief consortium alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk maken en zij hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons kunnen hanteren.
Voor de samenwerkingsovereenkomst wordt gebruik gemaakt van het format dat daartoe op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld.
Artikel 12. Wijze van verdeling beschikbare middelen
De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.
Artikel 13. Weigeringsgronden
Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverstrekking in ieder geval geweigerd indien voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde subsidie is verstrekt.
Artikel 14. Algemene verplichtingen subsidie
Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:
- a. De activiteiten waarvoor op basis van deze regeling subsidie wordt verstrekt, worden uitgevoerd in de periode van 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2029;
- b. De penvoerder zendt binnen 13 weken na de afronding van het project, doch uiterlijk binnen 13 weken na het verstrijken van de subsidieperiode, een eindrapportage aan de minister over de subsidiabele periode, bedoeld in onderdeel a;
- c. De penvoerder zendt op uiterlijk 15 oktober 2027 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2026 tot en met 31 augustus 2027 en op uiterlijk 15 oktober 2028 een voortgangsrapportage over de periode 1 september 2027 tot en met 31 augustus 2028 aan de minister;
- d. De penvoerder voert met betrekking tot de financiering van de kosten en inkomsten uit economische activiteiten een gescheiden boekhouding, indien de penvoerder naast niet- economische activiteiten ook economische activiteiten verricht;
- e. De penvoerder zorgt er voor dat de partijen die deelnemen aan het educatief consortium desgevraagd meewerken aan monitoring en evaluatie van de gesubsidieerde activiteiten;
- f. de penvoerder maakt alle resultaten van de gesubsidieerde activiteiten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, voor eenieder zonder onderscheid kosteloos toegankelijk en kan hiervoor de standaardlicentie CC-BY-SA, versie 4.0 van Creative Commons hanteren.
Artikel 15. Inhoud voortgangsrapportage
Een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel c, bevat ten minste:
- a. een omschrijving van de bestede middelen;
- b. een geactualiseerd ambitiedocument als bedoeld in artikel 8, een geactualiseerd activiteitenplan als bedoeld in artikel 9 en een geactualiseerde begroting als bedoeld in artikel 10 over het tweede, onderscheidenlijk het derde jaar van de subsidieperiode;
- c. de bereikte mijlpalen en de gerealiseerde doelen over de betreffende periode voorafgaand aan de voortgangsrapportage, bedoeld in artikel 14, onderdeel c; en
- d. de geleverde inspanningen om tot één of meerdere leerarrangementen te komen.
De penvoerder neemt voorafgaande aan het indienen van de voortgangsrapportage deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en sectoren per co-creatielab gedurende het tweede en derde jaar van de subsidieperiode.
De voortgangsrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 16. Inhoud eindrapportage
Een eindrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel b, bevat ten minste:
- a. een verslag van de realisatie van de in de activiteitenplannen genoemde activiteiten; en
- b. een verslag van de realisatie van de begrote kosten.
Indien gedurende de subsidieperiode één of meer leerarrangementen zijn ontworpen, wordt de eindrapportage aangevuld met een omschrijving van deze ontworpen leerarrangementen.
De eindrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.
Artikel 17. Besteding subsidie
De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.
De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.
Artikel 18. Betaling
De minister verleent een voorschot van 100% dat in drie termijnen wordt uitbetaald waarbij het eerste voorschot 44% van de totale toegekende subsidie bedraagt, het tweede voorschot 33%, en het derde voorschot 23%.
Op verzoek van de aanvrager kan de minister afwijken van de in het eerste lid bedoelde verdeling. De aanvrager kan hiertoe onderbouwd verzoeken in de aanvraag of in de voortgangsrapportages.
De betalingen van de termijnen zullen uiterlijk plaatsvinden in januari 2027, 2028 en 2029.
Artikel 19. Verantwoording
De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Het onderwijsaccountantsprotocol, zoals gepubliceerd op de website van de Inspectie van het onderwijs, is van toepassing.
Onverminderd artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de minister de subsidie lager vaststellen.
De vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van de subsidiabele periode.
Artikel 20. Hardheidsclausule
De minister kan deze regeling in bijzondere gevallen buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.
Artikel 21. Inwerkingtreding en vervaldatum
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van de subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.
Artikel 22. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling co-creatielabs NAPL.
Bijlage 1. behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL
Educatieve allianties en deelnemende hogeronderwijsinstellingen
Bijlage 2. behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL
Ontwikkelpaden en specialismen
In bekwaamheid van leraren kunnen we drie niveaus onderscheiden: startbekwaam, vakbekwaam en expert. Aan het einde van zijn initiële opleiding is een leraar startbekwaam en wettelijk bevoegd om les te geven. Via ontwikkelpaden kan een leraar een volgend niveau bereiken. Vakbekwame leraren hebben een breder en effectiever handelingsrepertoire dan de startbekwame leraar en kunnen autonomer handelen en lesgeven in complexere onderwijssituaties. Waar vakbekwaamheid ontwikkeling in de breedte is, gaat het bij het expertniveau om ontwikkeling in de diepte in een specifiek domein, zoals curriculumontwikkeling. Als zodanig bieden ontwikkelpaden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen).
Voor een volledige omschrijving van de ontwikkelpaden wordt verwezen naar www.napl.nl.
1 Een specialisatie kan typerend zijn voor één sector, maar ook voor twee of alle drie (po, vo, mbo). Een specialisatie kan generiek zijn en sectorspecifiek worden uitgewerkt.
Bijlage 3. behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL
Kwaliteitskader
Het kwaliteitskader bestaat uit kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaarden zijn gebaseerd op de visie van NAPL op de kwaliteit van de leerarrangementen.
Samenhang met ontwikkelpaden
Ontwikkelpaden bieden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen). Leraren ontwikkelen zich binnen een ontwikkelpad door te werken aan leeruitkomsten. De volgende fasering wordt onderscheiden: van start bekwaam naar vakbekwaam en van vakbekwaam naar expert leraar. Een leraar ontwikkelt zich, in een ontwikkelpad, door een of meerdere leerarrangementen in de loop van tijd te volgen of het hele ontwikkelpad (te stapelen). Er wordt geen vaste route voorgeschreven voor het aantal leerarrangementen per ontwikkelpad. Vorm moet inhoud volgen en de leerarrangementen (die samen optellen tot een ontwikkelpad) moeten een samenhangend geheel vormen, met logische onderwijskundige opbouw.
Om de samenhang van een ontwikkelpad te bewaken wordt uitgegaan van maximaal 6–10 aanbieders. Er is voor leraren vrije keuze om te kiezen voor een passende aanbieder.Een aanbieder baseert zich op de ontwikkelpaden van NAPL en het aanbod voldoet aan het kwaliteitskader.Een aanbieder kan ervoor kiezen om een of meerdere leerarrangementen, of alle leerarrangementen van een ontwikkelpad als geheel aan te bieden. Het moet altijd duidelijk zijn voor leraren hoe een leerarrangement zich verhoudt tot het gehele ontwikkelpad.
Kwaliteitsstandaarden
1 Met leeruitkomsten wordt bedoeld wat een deelnemende leraar geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode. Aanbieders kunnen er voor kiezen om met andere terminologie te gaan werken zoals leerdoelen, eindkwalificaties of microcredentials.
Kenmerken van effectieve professionalisering
Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar kenmerken van effectieve professionalisering, binnen het onderwijsdomein en daarbuiten. Leerarrangement moeten daarom aansluiten op de kenmerken van effectieve professionalisering. Aanbieders van leerarrangementen schrijven hiervoor een theory of change.
Het kwaliteitskader kent de volgende kenmerken van effectieve professionalisering:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.