← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 april 2026, nr. HO&S/63327145, houdende regels voor de subsidieverstrekking ten behoeve van het inrichten van co-creatielabs in het kader van de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (Subsidieregeling co-creatielabs NAPL)

Geldende tekst a fecha 2026-05-05

Gelet op de artikelen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en artikel 1.3 en 2.1 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling, met uitzondering van artikel 4.3, eerste lid.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten
1.

De minister kan aan een penvoerder als bedoeld in artikel 5 subsidie verstrekken voor:

2.

Het co-creatielab bestaat in ieder geval uit:

3.

Op grond van deze regeling wordt geen subsidie verstrekt voor:

Artikel 4. Hoogte van de subsidie

De subsidie voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3, eerste lid, bestaat uit een vast bedrag van € 2.700.000 per aanvraag.

Artikel 5. Penvoerder
1.

De subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de penvoerder. Op de penvoerder rusten alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke partij feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende activiteiten.

2.

De penvoerder is een instellingsbestuur van een hogeronderwijsinstelling als bedoeld in bijlage 1 die deel uitmaakt van een educatief consortium, en die namens dat educatief consortium als penvoerder optreedt.

3.

Per educatieve alliantie kan één daaraan deelnemende hogeronderwijsinstelling worden aangewezen die optreedt als penvoerder van een educatief consortium.

4.

Een penvoerder kan zijn penvoerderschap krachtens schriftelijke overeenkomst overdragen aan een ander instellingsbestuur als bedoeld in het tweede lid, dat deelneemt aan dezelfde educatieve alliantie. Indien de penvoerder zijn penvoerderschap aldus overdraagt:

5.

Een overeenkomst als bedoeld in het vierde lid wordt, alvorens die in werking treedt, ter goedkeuring voorgelegd aan de minister en bevat:

Artikel 6. Subsidieplafond

Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in 2026 een bedrag van € 27.000.000,– beschikbaar.

Artikel 7. Algemene bepalingen subsidieaanvraag
1.

Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd van 17 augustus 2026 om 9:00 uur tot en met 4 september 2026 om 13:00 uur.

2.

Aanvragen die buiten de in het eerste lid bedoelde aanvraagronde worden ingediend, worden afgewezen.

3.

Per penvoerder kan maximaal één aanvraag worden ingediend.

4.

De subsidie wordt aangevraagd met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe beschikbaar is gesteld op de website van DUS-I.

5.

In aanvulling op het aanvraagformulier, bedoeld in het derde lid, dient de penvoerder die een subsidie aanvraagt de volgende documenten in:

6.

De penvoerder neemt voorafgaande aan de subsidieaanvraag deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en de sectoren per co-creatielab gedurende het eerste jaar van de subsidiabele periode.

Artikel 8. Ambitiedocument
1.

Het ambitiedocument bevat in ieder geval:

2.

Voor het ambitiedocument wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 9. Activiteitenplan
1.

In aanvulling op artikel 3.4 van de Kaderregeling, bevat het activiteitenplan in ieder geval:

2.

Voor het activiteitenplan wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 10. Begroting
1.

In aanvulling op artikel 3.5 van de Kaderregeling kan in de begroting voor wat betreft de personele kosten worden gekozen uit vier functies met een vast integraal uurtarief inclusief opslag voor overhead en administratie:

2.

Voor de begroting wordt gebruikgemaakt van het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 11. Educatief consortium en samenwerkingsovereenkomst
1.

Een educatief consortium bestaat in ieder geval uit een penvoerder, en ten minste één penvoerder van een onderwijsregio, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Subsidieregeling Landelijk dekkend netwerk onderwijsregio’s.

2.

In aanvulling op de in het eerste lid bedoelde partijen kunnen ook private opleiders die opgenomen zijn in de aanbodanalyse en passen bij één of meerdere ontwikkelpaden, en hogeronderwijsinstellingen die een lerarenopleiding verzorgen, deelnemen aan het educatief consortium.

3.

De samenwerking tussen de penvoerder en de overige deelnemende partijen van een educatief consortium wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

4.

De samenwerkingsovereenkomst wordt ondertekend door tekenbevoegd gezag van deelnemende partijen aan het desbetreffend educatief consortium.

5.

In de samenwerkingsovereenkomst is in elk geval vastgelegd:

6.

Voor de samenwerkingsovereenkomst wordt gebruik gemaakt van het format dat daartoe op de website van DUS-I beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 12. Wijze van verdeling beschikbare middelen

De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van binnenkomst van de volledige aanvragen.

Artikel 13. Weigeringsgronden

Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverstrekking in ieder geval geweigerd indien voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde subsidie is verstrekt.

Artikel 14. Algemene verplichtingen subsidie

Aan de subsidieontvanger worden de volgende verplichtingen opgelegd:

Artikel 15. Inhoud voortgangsrapportage
1.

Een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel c, bevat ten minste:

2.

De penvoerder neemt voorafgaande aan het indienen van de voortgangsrapportage deel aan één of meerdere door de Realisatie-Eenheid georganiseerde overleggen ten behoeve van een verdeling van de in bijlage 2 opgenomen ontwikkelpaden en sectoren per co-creatielab gedurende het tweede en derde jaar van de subsidieperiode.

3.

De voortgangsrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 16. Inhoud eindrapportage
1.

Een eindrapportage als bedoeld in artikel 14, onderdeel b, bevat ten minste:

2.

Indien gedurende de subsidieperiode één of meer leerarrangementen zijn ontworpen, wordt de eindrapportage aangevuld met een omschrijving van deze ontworpen leerarrangementen.

3.

De eindrapportage wordt aangeleverd in het hiervoor door DUS-I beschikbaar gestelde format.

Artikel 17. Besteding subsidie
1.

De subsidie wordt uitsluitend besteed aan de activiteiten waarvoor deze wordt verleend. Niet bestede middelen worden teruggevorderd.

2.

De subsidie wordt verleend binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag.

Artikel 18. Betaling
1.

De minister verleent een voorschot van 100% dat in drie termijnen wordt uitbetaald waarbij het eerste voorschot 44% van de totale toegekende subsidie bedraagt, het tweede voorschot 33%, en het derde voorschot 23%.

2.

Op verzoek van de aanvrager kan de minister afwijken van de in het eerste lid bedoelde verdeling. De aanvrager kan hiertoe onderbouwd verzoeken in de aanvraag of in de voortgangsrapportages.

3.

De betalingen van de termijnen zullen uiterlijk plaatsvinden in januari 2027, 2028 en 2029.

Artikel 19. Verantwoording
1.

De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 2, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving. Het onderwijsaccountantsprotocol, zoals gepubliceerd op de website van de Inspectie van het onderwijs, is van toepassing.

2.

Onverminderd artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, kan de minister de subsidie lager vaststellen.

3.

De vaststelling vindt plaats binnen 22 weken na ontvangst van het jaarverslag over het laatste jaar van de subsidiabele periode.

Artikel 20. Hardheidsclausule

De minister kan deze regeling in bijzondere gevallen buiten toepassing verklaren of daarvan afwijken, voor zover de toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zal leiden.

Artikel 21. Inwerkingtreding en vervaldatum
1.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2.

Deze regeling vervalt met ingang van 1 januari 2031, met dien verstande dat de regeling van toepassing blijft ten aanzien van de subsidies die voor die datum op grond van de regeling zijn verstrekt.

Artikel 22. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling co-creatielabs NAPL.

Bijlage 1. behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Educatieve allianties en deelnemende hogeronderwijsinstellingen

Bijlage 2. behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Ontwikkelpaden en specialismen

In bekwaamheid van leraren kunnen we drie niveaus onderscheiden: startbekwaam, vakbekwaam en expert. Aan het einde van zijn initiële opleiding is een leraar startbekwaam en wettelijk bevoegd om les te geven. Via ontwikkelpaden kan een leraar een volgend niveau bereiken. Vakbekwame leraren hebben een breder en effectiever handelingsrepertoire dan de startbekwame leraar en kunnen autonomer handelen en lesgeven in complexere onderwijssituaties. Waar vakbekwaamheid ontwikkeling in de breedte is, gaat het bij het expertniveau om ontwikkeling in de diepte in een specifiek domein, zoals curriculumontwikkeling. Als zodanig bieden ontwikkelpaden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen).

Voor een volledige omschrijving van de ontwikkelpaden wordt verwezen naar www.napl.nl.

1 Een specialisatie kan typerend zijn voor één sector, maar ook voor twee of alle drie (po, vo, mbo). Een specialisatie kan generiek zijn en sectorspecifiek worden uitgewerkt.

Bijlage 3. behorend bij de Subsidieregeling co-creatielabs NAPL

Kwaliteitskader

Het kwaliteitskader bestaat uit kwaliteitsstandaarden. De kwaliteitsstandaarden zijn gebaseerd op de visie van NAPL op de kwaliteit van de leerarrangementen.

Samenhang met ontwikkelpaden

Ontwikkelpaden bieden leraren inzicht in waar ze staan in hun professionele ontwikkeling, waar ze naartoe kunnen groeien en via welke route. De ontwikkelpaden schrijven geen vaste routes voor en worden modulair opgebouwd (in leerarrangementen). Leraren ontwikkelen zich binnen een ontwikkelpad door te werken aan leeruitkomsten. De volgende fasering wordt onderscheiden: van start bekwaam naar vakbekwaam en van vakbekwaam naar expert leraar. Een leraar ontwikkelt zich, in een ontwikkelpad, door een of meerdere leerarrangementen in de loop van tijd te volgen of het hele ontwikkelpad (te stapelen). Er wordt geen vaste route voorgeschreven voor het aantal leerarrangementen per ontwikkelpad. Vorm moet inhoud volgen en de leerarrangementen (die samen optellen tot een ontwikkelpad) moeten een samenhangend geheel vormen, met logische onderwijskundige opbouw.

Om de samenhang van een ontwikkelpad te bewaken wordt uitgegaan van maximaal 6–10 aanbieders. Er is voor leraren vrije keuze om te kiezen voor een passende aanbieder.Een aanbieder baseert zich op de ontwikkelpaden van NAPL en het aanbod voldoet aan het kwaliteitskader.Een aanbieder kan ervoor kiezen om een of meerdere leerarrangementen, of alle leerarrangementen van een ontwikkelpad als geheel aan te bieden. Het moet altijd duidelijk zijn voor leraren hoe een leerarrangement zich verhoudt tot het gehele ontwikkelpad.

Kwaliteitsstandaarden

1 Met leeruitkomsten wordt bedoeld wat een deelnemende leraar geacht wordt te weten, te begrijpen en te kunnen toepassen na afronding van een leerperiode. Aanbieders kunnen er voor kiezen om met andere terminologie te gaan werken zoals leerdoelen, eindkwalificaties of microcredentials.

Kenmerken van effectieve professionalisering

Er is veel wetenschappelijk onderzoek naar kenmerken van effectieve professionalisering, binnen het onderwijsdomein en daarbuiten. Leerarrangement moeten daarom aansluiten op de kenmerken van effectieve professionalisering. Aanbieders van leerarrangementen schrijven hiervoor een theory of change.

Het kwaliteitskader kent de volgende kenmerken van effectieve professionalisering:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.