Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudige Verdrag inzake verdovende middelen, 1961

Type Verdrag
Publication 2025-06-09
Laatst bijgewerkt 1988-04-25
State In force
Source BWB
artikelen 54
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
2.

Met inachtneming van de beperkingen, een Partij door haar grondwet, haar rechtsstelsel en nationale wetgeving opgelegd, worden:

3.

De bepalingen van dit artikel laten de bepalingen van het strafrecht van de betrokken Partij met betrekking tot kwesties van rechtsbevoegdheid onverlet.

4.

Geen enkele bepaling van dit artikel tast het beginsel aan, dat de strafbare feiten waarop het betrekking heeft worden omschreven, vervolgd en gestraft overeenkomstig de nationale wetgeving van een Partij.

Artikel 37. Inbeslagneming en verbeurdverklaring

Alle verdovende middelen, stoffen en benodigdheden die worden gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt voor het plegen van de in artikel 36 bedoelde strafbare feiten, kunnen in beslag worden genomen en verbeurd verklaard.

Artikel 38. Maatregelen tegen het gebruik van verdovende middelen

1.

De Partijen besteden bijzondere aandacht aan en nemen alle doenlijke maatregelen voor het voorkomen van het misbruik van verdovende middelen en voor de tijdige onderkenning, behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij van de betrokkenen en coördineren daartoe hun inspanningen.

2.

De Partijen bevorderen zo veel mogelijk de opleiding van personeel ten behoeve van de behandeling, de nazorg, de wederaanpassing aan en de wederopneming in de maatschappij van degenen die misbruik maken van verdovende middelen.

3.

De Partijen nemen alle doenlijke maatregelen om degenen wier werk zulks vereist, te helpen inzicht te verwerven in de vraagstukken van het misbruik van verdovende middelen en van het voorkomen daarvan en bevorderen dit inzicht eveneens bij het publiek indien er gevaar bestaat dat het misbruik van verdovende middelen zich sterk zal uitbreiden.

Artikel 38 bis. Overeenkomsten inzake regionale centra

Indien een Partij, met inachtneming van haar grondwettelijke stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel, zulks wenselijk acht als onderdeel van haar optreden tegen de sluikhandel in verdovende middelen, en, desgewenst met het technisch advies van het Comité of van de gespecialiseerde organisaties, bevordert zij de totstandkoming, in overleg met andere belanghebbende Partijen in de regio, van overeenkomsten waarbij de ontwikkeling wordt overwogen van regionale centra voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, ter bestrijding van de problemen die voortvloeien uit het clandestien gebruik van en de sluikhandel in verdovende middelen.

Artikel 39. De toepassing van strengere nationale maatregelen van toezicht dan die welke krachtens dit Verdrag vereist zijn

De bepalingen van dit Verdrag verhinderen niet, dat een Partij eventueel maatregelen van toezicht neemt die strenger zijn dan die voorzien in dit Verdrag en, in het bijzonder, eist, dat de preparaten van Lijst III of de verdovende middelen van Lijst II worden onderworpen aan alle of aan die maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op verdovende middelen van Lijst I, indien dit naar haar oordeel noodzakelijk of wenselijk is ter bescherming van de volksgezondheid of het algemeen welzijn.

Artikel 40. Talen van het Verdrag en de procedure voor ondertekening, bekrachtiging en toetreding

1.

Dit Verdrag, waarvan de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, staat tot 1 augustus 1961 voor ondertekening open voor alle leden van de Verenigde Naties, elke Staat die geen lid is van de Verenigde Naties maar die Partij is bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof of lid is van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, alsmede voor elke andere Staat die door de Raad wordt uitgenodigd Partij te worden.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden bij de Secretaris-Generaal nedergelegd.

3.

Dit Verdrag staat na 1 augustus 1961 open voor toetreding door de in lid 1 bedoelde Staten. De akten van toetreding worden bij de Secretaris-Generaal nedergelegd.

Artikel 41. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag na de datum waarop de veertigste akte van bekrachtiging of toetreding overeenkomstig artikel 40 wordt nedergelegd.

2.

Ten aanzien van elke andere Staat die een akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt na de datum van nederlegging van bovengenoemde veertigste akte, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 42. Territoriale toepassing

Dit Verdrag is van toepassing op alle buiten het moederland gelegen gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen een Partij verantwoordelijk is, tenzij de voorafgaande toestemming van zulk een gebied door de grondwet van de Partij of het betrokken gebied of krachtens gewoonterecht vereist is. In zulk een geval dient de Partij het noodzakelijke te doen, opdat de vereiste toestemming van het gebied binnen de kortst mogelijke tijd wordt verkregen; wanneer deze toestemming is verkregen, stelt de Partij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis. Dit Verdrag is van toepassing op het gebied of de gebieden vermeld in deze kennisgeving van de datum van haar ontvangst door de Secretaris-Generaal af. In die gevallen waarin de voorafgaande toestemming van het buiten het moederland gelegen gebied niet is vereist, verklaart de betrokken Partij ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding op welk buiten het moederland gelegen gebied of op welke buiten het moederland gelegen gebieden dit Verdrag van toepassing is.

Artikel 43. Gebieden als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 31

1.

Elke Partij kan de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen, dat, wat betreft de artikelen 19, 20, 21 en 31, een van haar gebieden in twee of meer gebieden is verdeeld of dat twee of meer van haar gebieden tot een enkel gebied zijn samengevoegd.

2.

Twee of meer Partijen kunnen de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen, dat, als gevolg van een tussen hen opgerichte douaneünie, deze Partijen, wat betreft de artikelen 19, 20, 21 en 31, een enkel gebied vormen.

3.

Elke kennisgeving krachtens het hierboven genoemde lid 1 of 2 wordt van kracht op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving werd gedaan.

Artikel 44. Beëindiging van reeds bestaande internationale verdragen

1.

De bepalingen van dit Verdrag beëindigen en vervangen, bij de inwerkingtreding daarvan tussen de Partijen daarbij, de bepalingen van de volgende verdragen:

2.

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt artikel 9 van het Verdrag tot onderdrukking van de sluikhandel in verdovende middelen, ondertekend te Genève op 26 juni 1936, tussen Partijen daarbij die eveneens Partij bij dit Verdrag zijn, beëindigd en vervangen door lid 2(b) van artikel 36 van dit Verdrag, met dien verstande dat zulk een Partij door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal kan bepalen, dat bovenbedoeld artikel 9 van kracht blijft.

Artikel 45. Overgangsbepalingen

1.

De werkzaamheden van het in artikel 9 voorziene Comité worden van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag af (artikel 41, lid 1) voorlopig uitgevoerd door het Permanente Centrale Comité, ingesteld krachtens Hoofdstuk VI van het in artikel 44 (c) bedoelde Verdrag zoals gewijzigd, en door het Orgaan van Toezicht, ingesteld krachtens Hoofdstuk II van het in artikel 44(d ) bedoelde Verdrag zoals gewijzigd, al naar gelang de aard der werkzaamheden.

2.

De Raad stelt de datum vast waarop het nieuwe in artikel 9 bedoelde Comité zijn werkzaamheden zal aanvangen. Met ingang van die datum belast dat Comité zich, wat betreft de Staten die Partij zijn bij de in artikel 44 opgesomde verdragen maar geen partij bij dit Verdrag, met de werkzaamheden van het in lid 1 bedoelde Permanente Centrale Comité en Orgaan van Toezicht.

Artikel 46. Opzegging

1.

Na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag (artikel 41, lid 1) kan elke Partij dit Verdrag ten aanzien van zichzelf of ten aanzien van een gebied waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid heeft en dat zijn overeenkomstig artikel 42 gegeven toestemming heeft ingetrokken, opzeggen door middel van nederlegging van een schriftelijke akte bij de Secretaris-Generaal.

2.

De opzegging wordt, indien zij door de Secretaris-Generaal op of voor 1 juli van enig jaar wordt ontvangen, van kracht op 1 januari van het navolgende jaar; indien zij na 1 juli wordt ontvangen wordt zij van kracht als ware zij ontvangen op of voor 1 juli van het navolgende jaar.

3.

Dit Verdrag wordt beëindigd indien, als gevolg van overeenkomstig lid 1 gedane opzeggingen, de voorwaarden voor de inwerkingtreding ervan als vervat in artikel 41, lid 1, hebben opgehouden te bestaan.

Artikel 47. Wijzigingen

1.

Elke Partij kan een voorstel doen tot wijziging van dit Verdrag. De tekst van een dergelijke wijziging, alsmede de redenen voor de wijziging, worden aan de Secretaris-Generaal medegedeeld, die deze aan Partijen en aan de Raad doet toekomen. De Raad kan besluiten:

2.

Indien een voorgestelde wijziging die krachtens lid 1(b ) van dit artikel is rondgestuurd door geen Partij binnen achttien maanden nadat zij is rondgestuurd, is verworpen, treedt zij onmiddellijk daarna in werking. Indien echter een voorgestelde wijziging door een Partij wordt verworpen, kan de Raad naar aanleiding van de van Partijen ontvangen opmerkingen besluiten of er een conferentie dient te worden bijeengeroepen om zulk een wijziging te bestuderen.

Artikel 48. Geschillen

1.

Indien tussen twee of meer Partijen een geschil mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken Partijen met elkaar overleg teneinde het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, verzoening, scheidsrechterlijke uitspraak, beroep op regionale lichamen, rechterlijke uitspraak of andere door hen te kiezen vreedzame middelen.

2.

Elk geschil dat niet op de hierboven omschreven wijze kan worden beslecht, wordt onderworpen aan de uitspraak van het Internationale Gerechtshof.

Artikel 49. Voorbehouden van tijdelijke aard

1.

Een Partij kan zich ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding het recht voorbehouden tijdelijk op elk van haar gebieden het volgende toe te laten:

2.

De voorbehouden krachtens lid 1 zijn onderworpen aan de volgende beperkingen:

3.

Een Partij die een voorbehoud maakt krachtens lid 1 dient:

5.

Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt kan deze voorbehouden te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk intrekken.

Artikel 50. Andere voorbehouden

1.

Behalve de voorbehouden gemaakt overeenkomstig artikel 49 of de volgende leden zijn geen voorbehouden toegelaten.

2.

Elke Staat kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding voorbehouden maken ten aanzien van de volgende bepalingen van dit Verdrag: artikel 12, leden 2 en 3, artikel 13, lid 2, artikel 14, leden 1 en 2, artikel 31, lid 1(b ), en artikel 48.

3.

Een Staat die Partij wenst te worden, doch die het recht wenst te verkrijgen andere voorbehouden te maken dan die overeenkomstig lid 2 van dit artikel of artikel 49, kan de Secretaris-Generaal van dit voornemen in kennis stellen. Tenzij aan het eind van twaalf maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van het desbetreffende voorbehoud mededeling heeft gedaan, een-derde van de Staten die dit Verdrag hebben bekrachtigd of tot dit Verdrag zijn toegetreden voor het einde van dat tijdvak tegen dit voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, wordt dit geacht te zijn aanvaard, met dien verstande echter dat de Staten die tegen het voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, ten aanzien van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt geen rechtsverplichting krachtens dit Verdrag op zich behoeven te nemen die door dit voorbehoud wordt aangetast.

4.

Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt kan deze voorbehouden te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk intrekken.

Artikel 51. Kennisgevingen

De Secretaris-Generaal geeft aan alle in lid 1 van artikel 40 bedoelde Staten kennis van:

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag namens hun onderscheidene Regeringen hebben ondertekend.

GEDAAN te New York, de dertigste maart negentienhonderd eenenzestig, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften worden toegezonden aan alle Leden van de Verenigde Naties, alsmede aan de andere in artikel 40, lid 1, bedoelde Staten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)