Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen, 1961, zoals gewijzigd door het Protocol tot wijziging van het Enkelvoudige Verdrag inzake verdovende middelen, 1961
- (b). Niettegenstaande het bepaalde in de voorgaande letter kunnen Partijen bepalen dat wanneer personen, die misbruik maken van verdovende middelen, deze strafbare feiten hebben begaan, zij in plaats van te worden veroordeeld of bestraft dan wel naast hun veroordeling of bestraffing moeten worden onderworpen aan maatregelen voor behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij overeenkomstig artikel 38, eerste lid.
Met inachtneming van de beperkingen, een Partij door haar grondwet, haar rechtsstelsel en nationale wetgeving opgelegd, worden:
- (a).
- (i). de in het eerste lid opgesomde strafbare feiten, indien deze in verschillende landen zijn begaan, als afzonderlijke strafbare feiten beschouwd;
- (ii). opzettelijke deelneming aan, samenspanning tot het plegen van en pogingen tot het plegen van elk dezer strafbare feiten, alsmede opzettelijk gepleegde voorbereidende handelingen en financiële verrichtingen in verband met de in dit artikel bedoelde feiten, als strafbare feiten krachtens het eerste lid beschouwd;
- (iii). buitenlandse veroordelingen ter zake van zulke strafbare feiten mede in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van recidive; en
- (iv). ernstige door eigen onderdanen of door vreemdelingen begane strafbare feiten als hierboven bedoeld, vervolgd door de Partij op wier gebied het strafbare feit werd begaan of door de Partij op wier gebied de dader wordt aangetroffen, indien uitlevering niet toelaatbaar is overeenkomstig de wet van de Partij waaraan een desbetreffend verzoek is gericht en indien zulk een dader niet reeds is vervolgd en onherroepelijk is berecht.
- (b).
- (i). Elk van de strafbare feiten opgesomd in het eerste lid en het tweede lid, letter (a), onder (ii), van dit artikel wordt geacht in elk tussen Partijen bestaand uitleveringsverdrag te zijn begrepen als een uitleveringsdelict. Partijen verplichten zich ertoe dergelijke strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
- (ii). Indien een Partij welke uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan zij, indien zij dat verkiest, dit Verdrag beschouwen als de wettelijke basis voor uitlevering wegens de strafbare feiten opgesomd in het eerste lid en het tweede lid, letter (a), onder (ii) van dit artikel. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Partij voorziet.
- (iii). Partijen welke uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de strafbare feiten opgesomd in het eerste lid en het tweede lid, letter (a), onder (ii) van dit artikel, onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Partij voorziet.
- (iv). Uitlevering wordt toegestaan overeenkomstig de wetgeving van de aangezochte Partij en niettegenstaande het bepaalde in letter (b), onder (i), (ii) en (iii) van dit lid heeft de Partij het recht uitlevering te weigeren in gevallen waarin de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat het strafbare feit niet voldoende ernstig is.
De bepalingen van dit artikel laten de bepalingen van het strafrecht van de betrokken Partij met betrekking tot kwesties van rechtsbevoegdheid onverlet.
Geen enkele bepaling van dit artikel tast het beginsel aan, dat de strafbare feiten waarop het betrekking heeft worden omschreven, vervolgd en gestraft overeenkomstig de nationale wetgeving van een Partij.
Artikel 37. Inbeslagneming en verbeurdverklaring
Alle verdovende middelen, stoffen en benodigdheden die worden gebruikt of zijn bestemd om te worden gebruikt voor het plegen van de in artikel 36 bedoelde strafbare feiten, kunnen in beslag worden genomen en verbeurd verklaard.
Artikel 38. Maatregelen tegen het gebruik van verdovende middelen
De Partijen besteden bijzondere aandacht aan en nemen alle doenlijke maatregelen voor het voorkomen van het misbruik van verdovende middelen en voor de tijdige onderkenning, behandeling, opvoeding, nazorg, wederaanpassing aan en wederopneming in de maatschappij van de betrokkenen en coördineren daartoe hun inspanningen.
De Partijen bevorderen zo veel mogelijk de opleiding van personeel ten behoeve van de behandeling, de nazorg, de wederaanpassing aan en de wederopneming in de maatschappij van degenen die misbruik maken van verdovende middelen.
De Partijen nemen alle doenlijke maatregelen om degenen wier werk zulks vereist, te helpen inzicht te verwerven in de vraagstukken van het misbruik van verdovende middelen en van het voorkomen daarvan en bevorderen dit inzicht eveneens bij het publiek indien er gevaar bestaat dat het misbruik van verdovende middelen zich sterk zal uitbreiden.
Artikel 38 bis. Overeenkomsten inzake regionale centra
Indien een Partij, met inachtneming van haar grondwettelijke stelsel, rechtsstelsel en administratief stelsel, zulks wenselijk acht als onderdeel van haar optreden tegen de sluikhandel in verdovende middelen, en, desgewenst met het technisch advies van het Comité of van de gespecialiseerde organisaties, bevordert zij de totstandkoming, in overleg met andere belanghebbende Partijen in de regio, van overeenkomsten waarbij de ontwikkeling wordt overwogen van regionale centra voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, ter bestrijding van de problemen die voortvloeien uit het clandestien gebruik van en de sluikhandel in verdovende middelen.
Artikel 39. De toepassing van strengere nationale maatregelen van toezicht dan die welke krachtens dit Verdrag vereist zijn
De bepalingen van dit Verdrag verhinderen niet, dat een Partij eventueel maatregelen van toezicht neemt die strenger zijn dan die voorzien in dit Verdrag en, in het bijzonder, eist, dat de preparaten van Lijst III of de verdovende middelen van Lijst II worden onderworpen aan alle of aan die maatregelen van toezicht die van toepassing zijn op verdovende middelen van Lijst I, indien dit naar haar oordeel noodzakelijk of wenselijk is ter bescherming van de volksgezondheid of het algemeen welzijn.
Artikel 40. Talen van het Verdrag en de procedure voor ondertekening, bekrachtiging en toetreding
Dit Verdrag, waarvan de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, staat tot 1 augustus 1961 voor ondertekening open voor alle leden van de Verenigde Naties, elke Staat die geen lid is van de Verenigde Naties maar die Partij is bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof of lid is van een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties, alsmede voor elke andere Staat die door de Raad wordt uitgenodigd Partij te worden.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden bij de Secretaris-Generaal nedergelegd.
Dit Verdrag staat na 1 augustus 1961 open voor toetreding door de in lid 1 bedoelde Staten. De akten van toetreding worden bij de Secretaris-Generaal nedergelegd.
Artikel 41. Inwerkingtreding
Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag na de datum waarop de veertigste akte van bekrachtiging of toetreding overeenkomstig artikel 40 wordt nedergelegd.
Ten aanzien van elke andere Staat die een akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt na de datum van nederlegging van bovengenoemde veertigste akte, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.
Artikel 42. Territoriale toepassing
Dit Verdrag is van toepassing op alle buiten het moederland gelegen gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen een Partij verantwoordelijk is, tenzij de voorafgaande toestemming van zulk een gebied door de grondwet van de Partij of het betrokken gebied of krachtens gewoonterecht vereist is. In zulk een geval dient de Partij het noodzakelijke te doen, opdat de vereiste toestemming van het gebied binnen de kortst mogelijke tijd wordt verkregen; wanneer deze toestemming is verkregen, stelt de Partij de Secretaris-Generaal hiervan in kennis. Dit Verdrag is van toepassing op het gebied of de gebieden vermeld in deze kennisgeving van de datum van haar ontvangst door de Secretaris-Generaal af. In die gevallen waarin de voorafgaande toestemming van het buiten het moederland gelegen gebied niet is vereist, verklaart de betrokken Partij ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding op welk buiten het moederland gelegen gebied of op welke buiten het moederland gelegen gebieden dit Verdrag van toepassing is.
Artikel 43. Gebieden als bedoeld in de artikelen 19, 20, 21 en 31
Elke Partij kan de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen, dat, wat betreft de artikelen 19, 20, 21 en 31, een van haar gebieden in twee of meer gebieden is verdeeld of dat twee of meer van haar gebieden tot een enkel gebied zijn samengevoegd.
Twee of meer Partijen kunnen de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen, dat, als gevolg van een tussen hen opgerichte douaneünie, deze Partijen, wat betreft de artikelen 19, 20, 21 en 31, een enkel gebied vormen.
Elke kennisgeving krachtens het hierboven genoemde lid 1 of 2 wordt van kracht op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving werd gedaan.
Artikel 44. Beëindiging van reeds bestaande internationale verdragen
De bepalingen van dit Verdrag beëindigen en vervangen, bij de inwerkingtreding daarvan tussen de Partijen daarbij, de bepalingen van de volgende verdragen:
- (a). het Internationaal Opiumverdrag, ondertekend te 's-Gravenhage op 23 januari 1912;
- (b). de Overeenkomst nopens de vervaardiging van, de binnenlandse handel in en het gebruik van bereid opium, ondertekend te Genève op 11 februari 1925;
- (c). het Internationaal Opiumverdrag, ondertekend te Genève op 19 februari 1925;
- (d). het Verdrag tot beperking van de vervaardiging en tot regeling van de distributie van verdovende middelen, ondertekend te Genève op 13 juli 1931;
- (e). de Overeenkomst nopens het toezicht op het opiumschuiven in het Verre-Oosten, ondertekend te Bangkok op 27 november 1931;
- (f). het op 11 december 1946 te Lake Success ondertekende Protocol tot wijziging van de Overeenkomsten, Verdragen en Protocollen inzake verdovende middelen, gesloten te 's-Gravenhage op 23 januari 1912, te Genève op 11 februari 1925, 19 februari 1925 en 13 juli 1931, te Bangkok op 27 november 1931 en te Genève op 26 juni 1936, behalve voor zover dit op laatstgenoemd Verdrag betrekking heeft;
- (g). de in de alinea's (a) tot en met (e) bedoelde Verdragen en Overeenkomsten zoals deze zijn gewijzigd bij het in alinea (f) genoemde Protocol van 1946;
- (h). het op 19 november 1948 te Parijs ondertekende Protocol tot het onder internationaal toezicht brengen van verdovende middelen welke buiten de werking vallen van het Verdrag van 13 juli 1931 tot beperking van de vervaardiging en tot regeling van de distributie van verdovende middelen, zoals gewijzigd bij het op 11 december 1946 te Lake Success ondertekende Protocol;
- (i). het Protocol tot beperking en regeling van de verbouw van de papaver, alsmede van de produktie van, de internationale handel en groothandel in, en het gebruik van opium, ondertekend te New York op 23 juni 1953, indien dit Protocol in werking mocht zijn getreden.
Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt artikel 9 van het Verdrag tot onderdrukking van de sluikhandel in verdovende middelen, ondertekend te Genève op 26 juni 1936, tussen Partijen daarbij die eveneens Partij bij dit Verdrag zijn, beëindigd en vervangen door lid 2(b) van artikel 36 van dit Verdrag, met dien verstande dat zulk een Partij door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal kan bepalen, dat bovenbedoeld artikel 9 van kracht blijft.
Artikel 45. Overgangsbepalingen
De werkzaamheden van het in artikel 9 voorziene Comité worden van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag af (artikel 41, lid 1) voorlopig uitgevoerd door het Permanente Centrale Comité, ingesteld krachtens Hoofdstuk VI van het in artikel 44 (c) bedoelde Verdrag zoals gewijzigd, en door het Orgaan van Toezicht, ingesteld krachtens Hoofdstuk II van het in artikel 44(d ) bedoelde Verdrag zoals gewijzigd, al naar gelang de aard der werkzaamheden.
De Raad stelt de datum vast waarop het nieuwe in artikel 9 bedoelde Comité zijn werkzaamheden zal aanvangen. Met ingang van die datum belast dat Comité zich, wat betreft de Staten die Partij zijn bij de in artikel 44 opgesomde verdragen maar geen partij bij dit Verdrag, met de werkzaamheden van het in lid 1 bedoelde Permanente Centrale Comité en Orgaan van Toezicht.
Artikel 46. Opzegging
Na het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag (artikel 41, lid 1) kan elke Partij dit Verdrag ten aanzien van zichzelf of ten aanzien van een gebied waarvoor zij internationale verantwoordelijkheid heeft en dat zijn overeenkomstig artikel 42 gegeven toestemming heeft ingetrokken, opzeggen door middel van nederlegging van een schriftelijke akte bij de Secretaris-Generaal.
De opzegging wordt, indien zij door de Secretaris-Generaal op of voor 1 juli van enig jaar wordt ontvangen, van kracht op 1 januari van het navolgende jaar; indien zij na 1 juli wordt ontvangen wordt zij van kracht als ware zij ontvangen op of voor 1 juli van het navolgende jaar.
Dit Verdrag wordt beëindigd indien, als gevolg van overeenkomstig lid 1 gedane opzeggingen, de voorwaarden voor de inwerkingtreding ervan als vervat in artikel 41, lid 1, hebben opgehouden te bestaan.
Artikel 47. Wijzigingen
Elke Partij kan een voorstel doen tot wijziging van dit Verdrag. De tekst van een dergelijke wijziging, alsmede de redenen voor de wijziging, worden aan de Secretaris-Generaal medegedeeld, die deze aan Partijen en aan de Raad doet toekomen. De Raad kan besluiten:
- (a). dat een conferentie wordt bijeengeroepen overeenkomstig artikel 62, lid 4, van het Handvest der Verenigde Naties om de voorgestelde wijziging te bestuderen; of
- (b). dat Partijen wordt gevraagd of zij de voorgestelde wijziging aanvaarden, terwijl hun tevens wordt gevraagd aan de Raad hun opmerkingen over het voorstel over te leggen.
Indien een voorgestelde wijziging die krachtens lid 1(b ) van dit artikel is rondgestuurd door geen Partij binnen achttien maanden nadat zij is rondgestuurd, is verworpen, treedt zij onmiddellijk daarna in werking. Indien echter een voorgestelde wijziging door een Partij wordt verworpen, kan de Raad naar aanleiding van de van Partijen ontvangen opmerkingen besluiten of er een conferentie dient te worden bijeengeroepen om zulk een wijziging te bestuderen.
Artikel 48. Geschillen
Indien tussen twee of meer Partijen een geschil mocht ontstaan met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, plegen de betrokken Partijen met elkaar overleg teneinde het geschil te beslechten door middel van onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, verzoening, scheidsrechterlijke uitspraak, beroep op regionale lichamen, rechterlijke uitspraak of andere door hen te kiezen vreedzame middelen.
Elk geschil dat niet op de hierboven omschreven wijze kan worden beslecht, wordt onderworpen aan de uitspraak van het Internationale Gerechtshof.
Artikel 49. Voorbehouden van tijdelijke aard
Een Partij kan zich ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding het recht voorbehouden tijdelijk op elk van haar gebieden het volgende toe te laten:
- (a). het gebruik van opium voor quasi-geneeskundige doeleinden;
- (b). opiumschuiven;
- (c). het kauwen van cocabladeren;
- (d). het gebruik van cannabis, cannabishars, extracten en tincturen van cannabis voor niet-geneeskundige doeleinden; en
- (e). produktie en vervaardiging van en de handel in de onder (a) t/m (d) bedoelde verdovende middelen voor de daarin vermelde doeleinden.
De voorbehouden krachtens lid 1 zijn onderworpen aan de volgende beperkingen:
- (a). de in lid 1 vermelde handelingen zijn slechts toegestaan voor zover zij in de gebieden ten aanzien waarvan het voorbehoud is gemaakt van oudsher gebruikelijk en op 1 januari 1961 geoorloofd waren;
- (b). uitvoer van de in lid 1 bedoelde verdovende middelen voor de daarin vermelde doeleinden is niet toegelaten voor een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag of aan een gebied waarop dit Verdrag niet van toepassing is krachtens artikel 42;
- (c). slechts die personen mogen opium schuiven die als zodanig door de bevoegde autoriteiten op 1 januari 1964 waren geregistreerd;
- (d). het gebruik van opium voor quasi-geneeskundige doeleinden moet zijn afgeschaft binnen vijftien jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag als voorzien in lid 1 van artikel 41;
- (e). het kauwen van cocabladeren moet zijn afgeschaft binnen vijfentwintig jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag als voorzien in lid 1 van artikel 41;
- (f). het gebruik van cannabis voor andere dan geneeskundige en wetenschappelijke doeleinden moet zo spoedig mogelijk worden beeindigd maar in elk geval binnen vijfentwintig jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag als voorzien in lid 1 van artikel 41;
- (g). de produktie en de vervaardiging van en de handel in de in lid 1 bedoelde verdovende middelen voor elk der daarin genoemde handelingen moeten worden verminderd en tenslotte afgeschaft gelijktijdig met de vermindering en afschaffing van die handelingen.
Een Partij die een voorbehoud maakt krachtens lid 1 dient:
- (a). in het jaarverslag aan de Secretaris-Generaal overeenkomstig artikel 18, lid 1(a), een uiteenzetting te geven van de in het voorafgaande jaar gemaakte vorderingen ten aanzien van de afschaffing van het gebruik, de produktie, vervaardiging of handel als bedoeld in lid 1; en
- (b). het Comité afzonderlijke ramingen (artikel 19) en statistieken (artikel 20) te doen toekomen op de wijze en in de vorm door het Comité voorgeschreven met betrekking tot de handelingen ten aanzien waarvan een voorbehoud werd gemaakt.
- (a). Indien een Partij die een voorbehoud maakt krachtens lid 1 de volgende gegevens niet verstrekt: geeft het Comité of de Secretaris-Generaal, al naar de omstandigheden, aan de betrokken Partij kennis van de vertraging en verzoekt daarbij toezending van die gegevens binnen een termijn van drie maanden na ontvangst van die kennisgeving.
- (i). het in lid 3 (a) bedoelde verslag, en wel binnen zes maanden na het verstrijken van het jaar waarop de gegevens betrekking hebben;
- (ii). de in lid 3 (b) bedoelde ramingen, en wel binnen drie maanden na de door het Comité voor dat doel overeenkomstig artikel 12, lid 1, vastgestelde datum;
- (iii). de in lid 3 (b) bedoelde statistieken, en wel binnen drie maanden na de datum waarop zij overeenkomstig artikel 20, lid 2, dienen te worden verstrekt,
- (b). Indien de Partij nalaat binnen deze termijn te voldoen aan het verzoek van het Comité of de Secretaris-Generaal, houdt het desbetreffende krachtens lid 1 gemaakte voorbehoud op van kracht te zijn.
Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt kan deze voorbehouden te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk intrekken.
Artikel 50. Andere voorbehouden
Behalve de voorbehouden gemaakt overeenkomstig artikel 49 of de volgende leden zijn geen voorbehouden toegelaten.
Elke Staat kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging of toetreding voorbehouden maken ten aanzien van de volgende bepalingen van dit Verdrag: artikel 12, leden 2 en 3, artikel 13, lid 2, artikel 14, leden 1 en 2, artikel 31, lid 1(b ), en artikel 48.
Een Staat die Partij wenst te worden, doch die het recht wenst te verkrijgen andere voorbehouden te maken dan die overeenkomstig lid 2 van dit artikel of artikel 49, kan de Secretaris-Generaal van dit voornemen in kennis stellen. Tenzij aan het eind van twaalf maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal van het desbetreffende voorbehoud mededeling heeft gedaan, een-derde van de Staten die dit Verdrag hebben bekrachtigd of tot dit Verdrag zijn toegetreden voor het einde van dat tijdvak tegen dit voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, wordt dit geacht te zijn aanvaard, met dien verstande echter dat de Staten die tegen het voorbehoud bezwaar hebben gemaakt, ten aanzien van de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt geen rechtsverplichting krachtens dit Verdrag op zich behoeven te nemen die door dit voorbehoud wordt aangetast.
Een Staat die voorbehouden heeft gemaakt kan deze voorbehouden te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving geheel of gedeeltelijk intrekken.
Artikel 51. Kennisgevingen
De Secretaris-Generaal geeft aan alle in lid 1 van artikel 40 bedoelde Staten kennis van:
- (a). ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen overeenkomstig artikel 40;
- (b). de datum waarop dit Verdrag overeenkomstig artikel 41 in werking treedt;
- (c). opzeggingen overeenkomstig artikel 46; en
- (d). verklaringen en kennisgevingen krachtens de artikelen 42, 43, 47, 49 en 50.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag namens hun onderscheidene Regeringen hebben ondertekend.
GEDAAN te New York, de dertigste maart negentienhonderd eenenzestig, in een enkel exemplaar, dat zal worden nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften worden toegezonden aan alle Leden van de Verenigde Naties, alsmede aan de andere in artikel 40, lid 1, bedoelde Staten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)