← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie

Geldende tekst a fecha 1979-12-28

De Regeringen van de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Oostenrijk, het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, Spanje, de Franse Republiek, het Koninkrijk Griekenland, de Republiek IJsland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk Noorwegen, het Koninkrijk der Nederlanden, de Portugese Republiek, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Koninkrijk Zweden, de Zwitserse Bondsstaat en de Republiek Turkije,

Overwegende dat het binnen het kader van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna te noemen de „Organisatie") opgerichte OESO-Agentschap voor Kernenergie belast is met het bevorderen van de uitwerking en het onderling in overeenstemming brengen van wettelijke bepalingen op het gebied van de kernenergie in de deelnemende landen, in het bijzonder wat betreft de aansprakelijkheid jegens derden en de verzekering tegen atoomrisico's;

Verlangende zekerheid te geven dat personen die schade hebben geleden ten gevolge van kernongevallen, een passende en billijke schadevergoeding zullen ontvangen, zulks onder het treffen van de nodige maatregelen om te verzekeren dat de ontwikkeling van de produktie en van het gebruik van kernenergie voor vreedzame doeleinden daardoor niet wordt gehinderd;

Overtuigd van de noodzaak om te komen tot gelijkluidende grondregelen welke in de verschillende landen van toepassing zullen zijn op de aansprakelijkheid voor die schade, waarbij het die landen zal blijven vrijstaan nationaal de aanvullende maatregelen te treffen, welke zij nodig achten;

Zijn overeengekomen als volgt:

Betreft de Nederlandse tekst van het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, zoals laatstelijk gewijzigd door het Protocol houdende wijziging van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, Trb. 1983, 80.

Artikel 1

a. Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

b. De Bestuurscommissie kan, indien naar haar mening de geringe omvang van de betrokken risico's dit rechtvaardigt, kerninstallaties, splijtstoffen of nucleaire stoffen van de toepassing van dit Verdrag uitsluiten.

Artikel 2

Dit Verdrag is, tenzij de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied de kerninstallatie van de aansprakelijke exploitant is gelegen, anders bepaalt niet van toepassing op kernongevallen welke zich voordoen op het grondgebied van een niet-Verdragsluitende Staat, noch op schade op zodanig grondgebied geleden, behoudens wat betreft de in artikel 6 (e) bedoelde rechten.

Artikel 3

a. De exploitant van een kerninstallatie is, overeenkomstig dit Verdrag, aansprakelijk voor:

indien wordt bewezen dat bedoelde schade (hierna te noemen,,schade") is veroorzaakt door een kernongeval dat zich heeft voorgedaan in die installatie of waarbij nucleaire stoffen afkomstig uit die installatie waren betrokken, behoudens het bepaalde in artikel 4.

b. In gevallen waarin de schade wordt veroorzaakt door een kernongeval en door een ongeval niet zijnde een kernongeval te zamen, wordt het gedeelte van de schade dat door zulk een ander ongeval wordt veroorzaakt voor zover dit redelijkerwijze niet te scheiden valt van de door het kernongeval veroorzaakte schade, beschouwd als door het kernongeval veroorzaakte schade. In gevallen waarin de schade wordt veroorzaakt door een kernongeval en door een niet onder dit Verdrag vallend vrijkomen van ioniserende straling te zamen, wordt de aansprakelijkheid van enigerlei persoon in verband met dit vrijkomen van ioniserende straling door niets in dit Verdrag beperkt of anderszins aangetast.

Artikel 4

Ten aanzien van vervoer van nucleaire stoffen, met inbegrip van de daarmee verband houdende opslag, geldt onverminderd het bepaalde in artikel 2 het volgende:

Artikel 5

a. Indien de splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen welke bij een kernongeval zijn betrokken zich in meer dan een kerninstallatie hebben bevonden en zich op het tijdstip waarop de schade wordt veroorzaakt in een kerninstallatie bevinden, is geen der exploitanten van de kerninstallaties waarin zij zich voordien hebben bevonden aansprakelijk voor de schade.

b. In gevallen echter, waarin de schade wordt veroorzaakt door een kernongeval dat plaatsvindt in een kerninstallatie en waarbij slechts nucleaire stoffen betrokken zijn welke daarin tijdens het vervoer zijn opgeslagen, is de exploitant van die kerninstallatie niet aansprakelijk indien een andere exploitant of een persoon ingevolge artikel 4 aansprakelijk is.

c. Indien de splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen welke bij een kernongeval zijn betrokken, zich in meer dan één kerninstallatie hebben bevonden en zich op het tijdstip waarop de schade wordt veroorzaakt niet in één kerninstallatie bevinden, is voor de schade geen andere exploitant aansprakelijk dan de exploitant van de laatste kerninstallatie waarin deze zich bevonden voordat de schade werd veroorzaakt dan wel de exploitant die deze daarna heeft overgenomen of hiervoor de aansprakelijkheid heeft aanvaard ingevolge de uitdrukkelijke bepalingen van een schriftelijke overeenkomst.

d. Indien schade aanleiding geeft tot aansprakelijkheid van meer dan een exploitant overeenkomstig dit Verdrag, zijn die exploitanten hoofdelijk en ieder voor het geheel aansprakelijk, met dien verstande dat indien een zodanige aansprakelijkheid ontstaat tengevolge van schade veroorzaakt door een kernongeval waarbij nucleaire stoffen tijdens het vervoer in een en hetzelfde vervoermiddel of, in het geval van opslag tijdens het vervoer, in een en dezelfde kerninstallatie betrokken zijn, als hoogste totale bedrag van de aansprakelijkheid van die exploitanten zal gelden het hoogste bedrag dat voor een van hen overeenkomstig artikel 7 is vastgesteld; in geen geval zal een exploitant in verband met een kernongeval meer behoeven te betalen dan het overeenkomstig artikel 7 voor hem vastgestelde bedrag.

Artikel 6

a. Het recht op vergoeding van schade ontstaan door een kernongeval kan slechts worden uitgeoefend tegen een exploitant die overeenkomstig dit Verdrag aansprakelijk is voor de schade of, indien het volgens het nationale recht mogelijk is de verzekeraar of andere persoon, die de volgens artikel 10 vereiste financiële zekerheid heeft gesteld, rechtstreeks aan te spreken, jegens de verzekeraar of die andere persoon.

b. Tenzij in dit artikel anders is bepaald, is niemand anders aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een kernongeval; deze bepaling laat echter onverlet de toepassing van internationale overeenkomsten op het gebied van het vervoer, die op de datum van dit Verdrag van kracht zijn of open staan ter ondertekening, bekrachtiging of toetreding.

d. Iedere persoon die met betrekking tot door een kernongeval veroorzaakte schade schadevergoeding heeft betaald krachtens een in lid (b) van dit artikel bedoelde internationale overeenkomst of krachtens de wetgeving van een niet-Verdragsluitende Staat, verkrijgt bij subrogatie de rechten ingevolge dit Verdrag van de persoon die schade heeft geleden en aan wie hij die schadevergoeding heeft betaald, tot het bedrag dat hij heeft betaald.

e. Iedere persoon die zijn hoofdbedrijf op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij heeft of die in dienst van een zodanig persoon is en die schadevergoeding heeft betaald met betrekking tot schade veroorzaakt door een kernongeval dat op het grondgebied van een niet-Verdragsluitende Staat plaatshad, of met betrekking tot op zulk een grondgebied geleden schade, verkrijgt de rechten welke de persoon aan wie hij schadevergoeding heeft betaald jegens de exploitant gehad zou hebben zonder de bepaling van artikel 2, tot het bedrag dat hij heeft betaald.

f. De exploitant heeft slechts recht van verhaal:

g. Voor zover de exploitant overeenkomstig lid (f) van dit artikel recht van verhaal heeft op een ander mist deze tegen de exploitant het verhaalsrecht bedoeld in lid (d) of lid (e) van dit artikel.

h. Indien bepalingen van regelingen betreffende nationale of andere openbare ziektekostenverzekering, sociale zekerheid, arbeidsongevallen- of beroepsziekteverzekering, mede voorzien in vergoeding van schade veroorzaakt door een kernongeval, worden de aanspraken van rechthebbenden uit hoofde van die regelingen, alsmede het verhaalsrecht op grond van die regelingen, vastgesteld bij de wet van de Verdragsluitende Partij of in de voorschriften van de intergouvernementele organisatie die bedoelde regelingen heeft ingesteld.

Artikel 7

a. Het totaal der vergoedingen te betalen voor door een kernongeval veroorzaakte schade zal het overeenkomstig dit artikel vastgestelde maximumbedrag der aansprakelijkheid niet overschrijden.

b. Het maximumbedrag waarvoor de exploitant aansprakelijk is in verband met door een kernongeval veroorzaakte schade bedraagt 15.000.000 bijzondere trekkingsrechten zoals deze door het Internationale Monetaire Fonds zijn omschreven en door dit Fonds worden gebruikt voor zijn eigen verrichtingen en transacties (hierna te noemen „bijzondere trekkingsrechten").

Evenwel,

met dien verstande, dat de aldus vastgestelde bedragen in geen geval lager mogen zijn dan 5.000.000 bijzondere trekkingsrechten. De bovengenoemde bedragen mogen worden omgerekend in de nationale munteenheid in ronde bedragen.

c. De vergoeding van de schade veroorzaakt aan het vervoermiddel waarin de desbetreffende nucleaire stoffen zich bevinden op het ogenblik van het kernongeval, mag niet ten gevolge hebben dat de aansprakelijkheid van de exploitant voor de andere schade wordt teruggebracht tot een bedrag dat lager is dan 5.000.000 bijzondere trekkingsrechten of dat lager is dan het hogere bedrag dat door een Verdragsluitende Partij bij de wet is vastgesteld.

d. Het overeenkomstig lid (b) van dit artikel vastgestelde bedrag waarvoor exploitanten van kerninstallaties op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij aansprakelijk zijn, alsmede de wettelijke bepalingen van een Verdragsluitende Partij als bedoeld in lid (c) van dit artikel, zijn van toepassing op de aansprakelijkheid van genoemde exploitanten, ongeacht waar het kernongeval zich voordoet.

e. Iedere Verdragsluitende Partij kan de doorvoer van nucleaire stoffen over haar grondgebied afhankelijk stellen van de voorwaarde dat het maximumbedrag waarvoor de betrokken buitenlandse exploitant aansprakelijk is, wordt verhoogd indien zij van mening is dat dit bedrag de risico's van een kernongeval tijdens de doorvoer niet voldoende dekt, met dien verstande dat het aldus verhoogde maximumbedrag niet meer zal bedragen dan het maximumbedrag waarvoor de exploitanten van op haar grondgebied gelegen kerninstallaties aansprakelijk zijn.

f. De bepalingen van lid (e) van dit artikel zijn niet van toepassing op:

g. Alle kosten en interesten welke door de rechter naar aanleiding van een rechtsvordering tot schadevergoeding krachtens dit Verdrag worden toegewezen, worden niet beschouwd als schadevergoeding in de zin van dit Verdrag en zijn door de exploitant verschuldigd boven het bedrag waarvoor hij overeenkomstig dit artikel aansprakelijk is.

Artikel 8

a. Het recht op schadevergoeding krachtens dit Verdrag vervalt indien niet binnen tien jaar na de datum van het kernongeval een rechtsvordering is ingesteld. De nationale wetgeving kan evenwel een langere termijn dan tien jaar vaststellen indien de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied de kerninstallatie van de aansprakelijke exploitant is gelegen, maatregelen heeft genomen om de aansprakelijkheid van die exploitant te dekken met betrekking tot alle rechtsvorderingen voor schadevergoeding welke zijn ingesteld tijdens de verlengingstermijn na het verstrijken van de termijn van tien jaar: een dergelijke verlenging van de vervaltermijn zal echter in elk geval onverlet laten het recht op schadevergoeding krachtens dit Verdrag van een ieder die een rechtsvordering tegen de exploitant vóór het verstrijken van de termijn van tien jaar heeft ingesteld terzake van schade aan personen.

b. In het geval van schade veroorzaakt door een kernongeval waarbij splijtstoffen of radioactieve produkten of afvalstoffen betrokken zijn die ten tijde van het ongeval zijn gestolen, verloren, geworpen of verlaten en niet opnieuw in bezit zijn genomen, wordt de overeenkomstig lid (a) van dit artikel vastgestelde termijn gerekend van de datum, waarop dit kernongeval plaats vond; deze termijn mag echter in geen geval langer zijn dan twintig jaar te rekenen van de datum van de diefstal, het verlies, de werping of het verlaten.

c. Bij nationale wet kan een termijn van tenminste twee jaar worden vastgesteld als verval- of verjaringstermijn, ingaande op de dag, waarop de persoon die schade heeft geleden kennis draagt of redelijkerwijze geacht kan worden kennis te dragen van de schade en van de aansprakelijke exploitant, met dien verstande dat de overeenkomstig de leden (a) en (b) van dit artikel vastgestelde termijn niet zal worden overschreden.

d. In de gevallen waarin de bepalingen van artikel 13 (c) (ii) van toepassing zijn, vervalt het recht op schadevergoeding echter niet, indien binnen de in de leden (a), (b) en (c) van dit artikel gestelde termijn:

e. Tenzij het nationale recht voorziet in het tegendeel, kan een ieder die schade heeft geleden tengevolge van een kernongeval en die binnen de bij dit artikel vastgestelde termijn een rechtsvordering tot schadevergoeding heeft ingesteld, zijn eis in verband met toeneming van de schade na het verstrijken van die termijn wijzigen, mits de bevoegde rechter nog geen einduitspraak heeft gedaan.

Artikel 9

De exploitant is niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een kernongeval dat rechtstreeks te wijten is aan een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of, tenzij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij op wier grondgebied diens kerninstallatie is gelegen het tegendeel bepaalt, een ernstige natuurramp van uitzonderlijke aard.

Artikel 10

a. Ter dekking van de aansprakelijkheid krachtens dit Verdrag is de exploitant gehouden een verzekering of andere financiële zekerheid te hebben en in stand te houden ter grootte van het overeenkomstig artikel 7 vastgestelde bedrag en van de aard en op de voorwaarden, als door het bevoegde openbare gezag worden vastgesteld.

b. De verzekeraar of andere persoon die financiële zekerheid heeft gesteld, kan de in lid (a) van dit artikel bedoelde verzekering of andere financiële zekerheid niet schorsen of beëindigen dan nadat hij daarvan ten minste twee maanden te voren schriftelijk mededeling heeft gedaan aan het bevoegde openbare gezag; voor zover de verzekering of andere financiële zekerheid betrekking heeft op het vervoer van nucleaire stoffen, kan schorsing of beëindiging niet tijdens de duur van het betrokken vervoer geschieden.

c. De bedragen welke ter beschikking staan ingevolge verzekering, herverzekering of andere financiële zekerheid mogen alleen worden aangewend voor vergoeding van schade veroorzaakt door een kernongeval.

Artikel 11

Aard, vorm en omvang van de schadevergoeding, alsmede de billijke verdeling daarvan, worden binnen de grenzen van dit Verdrag geregeld door het nationale recht.

Artikel 12

Schadevergoeding betaalbaar krachtens dit Verdrag, verzekerings- en herverzekeringspremies, bedragen ter beschikking staande ingevolge verzekering, herverzekering of andere overeenkomstig artikel 10 vereiste financiële zekerheid en kosten en interesten, als bedoeld in artikel 7 (g) kunnen tussen de monetaire gebieden van de Verdragsluitende Partijen vrij worden overgemaakt.

Artikel 13

a. Tenzij in dit artikel anders is bepaald kunnen rechtsvorderingen ingevolge de artikelen 3, 4, 6(a) en 6(e) uitsluitend worden ingesteld bij de bevoegde rechters van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied het kernongeval heeft plaatsgevonden.

b. In gevallen waarin een kernongeval plaatsvindt buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen of in gevallen waarin de plaats van het kernongeval niet met zekerheid kan worden vastgesteld zijn uitsluitend bevoegd de rechters van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied de kerninstallatie van de aansprakelijke exploitant is gelegen.

c. Indien overeenkomstig lid (a) of (b) van dit artikel rechters van meer dan een Verdragsluitende Partij bevoegd zouden zijn, zijn bevoegd:

d. Indien op tegenspraak gewezen vonnissen of verstekvonnissen van de overeenkomstig dit artikel bevoegde rechter uitvoerbaar zijn geworden krachtens het door die rechter toegepaste recht, worden zij uitvoerbaar op het grondgebied van elke andere Verdragsluitende Partij zodra de door de betrokken Verdragsluitende Partij vereiste formaliteiten zijn vervuld. De feiten van de zaak mogen niet opnieuw aan een onderzoek worden onderworpen. Voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing op vonnissen die nog slechts uitvoerbaar zijn bij voorraad.

e. Indien tegen een Verdragsluitende Partij een rechtsvordering krachtens het Verdrag is ingesteld, is het die Verdragsluitende Partij niet toegestaan voor de overeenkomstig dit artikel bevoegde rechter een beroep te doen op onschendbaarheid ten aanzien van rechtsvervolging, behoudens met betrekking tot maatregelen ter tenuitvoerlegging.

Artikel 14

a. Dit Verdrag zal worden toegepast zonder onderscheid van nationaliteit en van woon- of verblijfplaats.

b. „Nationaal recht" en „nationale wetgeving" betekenen het nationale recht of de nationale wetgeving van de rechter die overeenkomstig dit Verdrag bevoegd is kennis te nemen van rechtsvorderingen tot schadevergoeding voortvloeiende uit een kernongeval; dat recht of die wetgeving is van toepassing op alle materieelrechtelijke en procesrechtelijke aangelegenheden die niet uitdrukkelijk in dit Verdrag zijn geregeld.

c. Dat recht of die wetgeving zal worden toegepast zonder onderscheid van nationaliteit en van woon- of verblijfplaats.

Artikel 15

a. Iedere Verdragsluitende Partij kan die maatregelen treffen, welke zij nodig oordeelt voor een verhoging van het in dit Verdrag genoemde bedrag der schadevergoeding.

b. Voor zover bij schadevergoeding openbare middelen betrokken zijn en deze schadevergoeding uitgaat boven de 5.000.000 bijzondere trekkingsrechten, bedoeld in artikel 7, kunnen aan de toepassing van die maatregelen, welke vorm zij ook mogen hebben, bijzondere voorwaarden worden verbonden, welke kunnen afwijken van de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 16

Besluiten van de Bestuurscommissie krachtens artikel 1 (a) (ii), 1 (a) (iii) en 1 (b) worden genomen in onderlinge overeenstemming tussen de leden, die de Verdragsluitende Partijen vertegenwoordigen.

Artikel 17

Ieder geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt door de Bestuurscommissie onderzocht en, indien geen minnelijke schikking wordt bereikt, op verzoek van een der betrokken Verdragsluitende Partijen voorgelegd aan het Tribunaal ingesteld bij het Verdrag van 20 december 1957 inzake de instelling van een veiligheidscontrole op het gebied van de kernenergie.

Artikel 18

a. Te allen tijde kunnen vóór de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Verdrag of vóór de mededeling krachtens artikel 23 met betrekking tot één of meer der in die mededeling genoemde gebieden, ten aanzien van één of meer bepalingen van dit Verdrag voorbehouden worden gemaakt; deze voorbehouden zijn slechts toelaatbaar indien de bepalingen daarvan uitdrukkelijk door de ondertekenende regeringen zijn aanvaard.

b. Een zodanige aanvaarding is niet vereist van een ondertekenende regering, die zelf dit Verdrag niet heeft bekrachtigd binnen een termijn van twaalf maanden na de dag waarop haar door de Secretaris-Generaal van de Organisatie overeenkomstig artikel 24 mededeling is gedaan van een zodanig voorbehoud.

c. Elk overeenkomstig dit artikel toegelaten voorbehoud kan te allen tijde door middel van een tot de Secretaris-Generaal van de Organisatie gerichte mededeling worden ingetrokken.

Artikel 19

a. Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.

b. Dit Verdrag treedt in werking zodra tenminste vijf ondertekenende regeringen hun akte van bekrachtiging hebben nedergelegd. Voor iedere ondertekenende regering die het Verdrag daarna bekrachtigt treedt het in werking zodra haar akte van bekrachtiging is nedergelegd.

Artikel 20

Dit Verdrag kan slechts worden gewijzigd met onderling goedvinden van alle Verdragsluitende Partijen. De wijzigingen worden van kracht zodra zij door twee derde van de Verdragsluitende Partijen zijn bekrachtigd of bevestigd. Voor iedere Verdragsluitende Partij die de wijzigingen daarna bekrachtigt of bevestigt, worden zij van kracht op de dag van bekrachtiging of bevestiging.

Artikel 21

a. De regering van ieder lid of geassocieerd land van de Organisatie die dit Verdrag niet heeft ondertekend, kan tot dit Verdrag toetreden door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie gerichte mededeling.

b. De regering van ieder land die dit Verdrag niet heeft ondertekend kan tot dit Verdrag toetreden door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie gerichte mededeling en met eenstemmige goedkeuring van de Verdragsluitende Partijen. De toetreding wordt van kracht op de dag van die goedkeuring.

Artikel 22

a. Dit Verdrag blijft van kracht gedurende een periode van tien jaar te rekenen van de dag van zijn inwerkingtreding af. Iedere Verdragsluitende Partij kan, met inachtneming van een opzeggingstermijn van twaalf maanden, aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie mededelen dat het Verdrag na afloop van die periode van tien jaar niet langer op haar van toepassing zal zijn.

b. Dit Verdrag blijft na het verstrijken van de periode van tien jaar nog gedurende een periode van vijf jaar van kracht voor die Verdragsluitende Partijen die de toepassing van dit Verdrag niet hebben beëindigd overeenkomstig lid (a) van dit artikel, en daarna gedurende opeenvolgende perioden van vijf jaar voor die Verdragsluitende Partijen die niet, met inachtneming van een opzeggingstermijn van twaalf maanden, aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie hebben medegedeeld, dat het Verdrag na het verstrijken van een van de perioden van vijf jaar niet langer op haar van toepassing zal zijn.

c. De Secretaris-Generaal van de Organisatie zal, na een periode van vijf jaar te rekenen van de inwerkingtreding van het Verdrag af, of op verzoek van een Verdragsluitende Partij op enig ander tijdstip en wel binnen zes maanden na de dag waarop een zodanig verzoek is ingediend, een conferentie bijeenroepen ter bespreking van een herziening van dit Verdrag.

Artikel 23

a. Dit Verdrag is van toepassing op het grondgebied van het moederland van de Verdragsluitende Partijen.

b. Iedere ondertekenende regering of Verdragsluitende Partij kan bij de ondertekening of bekrachtiging van of toetreding tot dit Verdrag of te eniger tijd daarna aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie mededelen dat dit Verdrag van toepassing is op die van haar gebieden (daaronder begrepen de gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is), waarop dit Verdrag overeenkomstig lid (a) van dit artikel niet van toepassing is en welke in de mededeling worden genoemd. Een zodanige mededeling kan ten aanzien van elk daarin genoemd gebied worden ingetrokken door middel van een daartoe strekkende mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie met inachtneming van een opzeggingstermijn van twaalf maanden.

c. De gebieden van een Verdragsluitende Partij (met inbegrip van de gebieden voor welker internationale betrekkingen zij verantwoordelijk is) waarop dit Verdrag niet van toepassing is zullen voor de toepassing van dit Verdrag worden beschouwd als gebieden van een niet-Verdragsluitende Staat.

Artikel 24

De Secretaris-Generaal van de Organisatie doet aan alle ondertekenende en toetredende regeringen mededeling van de ontvangst van iedere akte van bekrachtiging, toetreding en opzegging, van iedere mededeling overeenkomstig artikel 23 en van ieder besluit van de Bestuurscommissie krachtens artikel 1 (a) (ii), 1 (a) (iii) en 1 (b). Hij doet hun eveneens mededeling van het tijdstip waarop dit Verdrag in werking treedt, van de tekst van de wijzigingen van het Verdrag en van het tijdstip waarop deze wijzigingen van kracht worden, alsmede van de voorbehouden welke overeenkomstig artikel 18 zijn gemaakt.

De volgende voorbehouden zijn aanvaard op het tijdstip van de ondertekening van dit Verdrag of op het tijdstip van de ondertekening van het Aanvullend Protocol:

Betreft de Nederlandse tekst van het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, zoals laatstelijk gewijzigd door het Protocol houdende wijziging van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, Trb. 1983, 80.

1. Artikel 6 (a) en (c) (i):

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Republiek Oostenrijk en de Regering van het Koninkrijk Griekenland.

Voorbehoud van het recht bij nationale wet te bepalen dat andere personen dan de exploitant aansprakelijk kunnen blijven voor door een kernongeval veroorzaakte schade, op voorwaarde dat deze personen voor hun aansprakelijkheid volledig zijn gedekt, zelfs in geval van ongerechtvaardigde rechtsvorderingen, door middel van door de exploitant verkregen verzekering of andere financiële zekerheid of van openbare middelen.

2. Artikel 6 (b) en (d):

Voorbehoud van de Regering van de Republiek Oostenrijk, de Regering van het Koninkrijk Griekenland, de Regering van het Koninkrijk Noorwegen en de Regering van het Koninkrijk Zweden.

Voorbehoud van het recht hun nationale wetgeving, waarin bepalingen voorkomen van gelijke strekking als die vervat in de in artikel 6 (b) bedoelde internationale overeenkomsten, te beschouwen als internationale overeenkomsten in de zin van artikel 6 (b) en (d).

3. Artikel 8 (a):

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Regering van de Republiek Oostenrijk.

Voorbehoud van het recht met betrekking tot kernongevallen die zich voordoen in onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk een langere termijn dan tien jaar vast te stellen, indien maatregelen zijn genomen om de aansprakelijkheid te dekken van de exploitant ten aanzien van alle rechtsvorderingen voor schadevergoeding die na het verstrijken van de termijn van tien jaar zijn ingesteld tijdens de verlengingstermijn.

4. Artikel 9:

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van de Republiek Oostenrijk.

Voorbehoud van het recht met betrekking tot kernongevallen die zich voordoen in onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk te bepalen dat de exploitant aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door een kernongeval dat rechtstreeks te wijten is aan een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of een ernstige natuurramp van uitzonderlijke aard.

5. Artikel 19:

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Republiek Oostenrijk en de Regering van het Koninkrijk Griekenland.

Voorbehoud van het recht het bekrachtigen van dit Verdrag te beschouwen als het scheppen van een verplichting krachtens het internationale recht om bij nationale wet bepalingen vast te stellen inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 16bis

Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen van een Verdragsluitende Partij ingevolge de algemene regels van internationaal publiekrecht.

De volgende voorbehouden zijn aanvaard op het tijdstip van de ondertekening van dit Verdrag of op het tijdstip van de ondertekening van het Aanvullend Protocol:

Betreft de Nederlandse tekst van het Verdrag inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, zoals laatstelijk gewijzigd door het Protocol houdende wijziging van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, Trb. 1983, 80.

1. Artikel 6 (a) en (c) (i):

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Republiek Oostenrijk en de Regering van het Koninkrijk Griekenland.

Voorbehoud van het recht bij nationale wet te bepalen dat andere personen dan de exploitant aansprakelijk kunnen blijven voor door een kernongeval veroorzaakte schade, op voorwaarde dat deze personen voor hun aansprakelijkheid volledig zijn gedekt, zelfs in geval van ongerechtvaardigde rechtsvorderingen, door middel van door de exploitant verkregen verzekering of andere financiële zekerheid of van openbare middelen.

2. Artikel 6 (b) en (d):

Voorbehoud van de Regering van de Republiek Oostenrijk, de Regering van het Koninkrijk Griekenland, de Regering van het Koninkrijk Noorwegen en de Regering van het Koninkrijk Zweden.

Voorbehoud van het recht hun nationale wetgeving, waarin bepalingen voorkomen van gelijke strekking als die vervat in de in artikel 6 (b) bedoelde internationale overeenkomsten, te beschouwen als internationale overeenkomsten in de zin van artikel 6 (b) en (d).

3. Artikel 8 (a):

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Regering van de Republiek Oostenrijk.

Voorbehoud van het recht met betrekking tot kernongevallen die zich voordoen in onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk een langere termijn dan tien jaar vast te stellen, indien maatregelen zijn genomen om de aansprakelijkheid te dekken van de exploitant ten aanzien van alle rechtsvorderingen voor schadevergoeding die na het verstrijken van de termijn van tien jaar zijn ingesteld tijdens de verlengingstermijn.

4. Artikel 9:

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Regering van de Republiek Oostenrijk.

Voorbehoud van het recht met betrekking tot kernongevallen die zich voordoen in onderscheidenlijk de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk te bepalen dat de exploitant aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door een kernongeval dat rechtstreeks te wijten is aan een gewapend conflict, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of een ernstige natuurramp van uitzonderlijke aard.

5. Artikel 19:

Voorbehoud van de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland, de Regering van de Republiek Oostenrijk en de Regering van het Koninkrijk Griekenland.

Voorbehoud van het recht het bekrachtigen van dit Verdrag te beschouwen als het scheppen van een verplichting krachtens het internationale recht om bij nationale wet bepalingen vast te stellen inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.