Verdrag inzake het Open Luchtruim

Type Verdrag
Publication 2002-01-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Tenzij ten minste drie Staten-Partijen reeds eerder daarom verzoeken, beleggen de Depositarissen drie jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna eens in de vijf jaar, een conferentie van de Staten-Partijen ter toetsing van de toepassing van dit Verdrag.

Artikel XVII. Depositarissen, inwerkingtreding en toetreding

1.

Dit Verdrag dient door elke Staat-Partij te worden bekrachtigd in overeenstemming met zijn constitutionele procedures. De akten van bekrachtiging en de akten van toetreding worden nedergelegd bij de Regering van Canada of de Regering van de Republiek Hongarije, of bij beide, die hierbij als Depositarissen worden aangewezen. Dit Verdrag wordt door de Depositarissen geregistreerd ingevolge artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

2.

Dit Verdrag treedt in werking 60 dagen na de nederlegging van 20 akten van bekrachtiging, met inbegrip van die van de Depositarissen en van de Staten-Partijen waarvan het toegekende individuele passieve quotum als neergelegd in Bijlage A acht of meer bedraagt.

3.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door Armenië, Azerbajdzjan, Georgië, Kazachstan, Kirgizstan, Moldavië, Tadzjikistan, Turkmenistan en Oezbekistan en dient door hen te worden bekrachtigd. Elk van deze Staten die dit Verdrag niet ondertekent voordat het in werking treedt in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van dit artikel, kan hiertoe te allen tijde toetreden door middel van de nederlegging van een akte van toetreding bij één van de Depositarissen.

4.

Gedurende zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan elke Staat die deelneemt aan de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa verzoeken om toetreding door een daartoe strekkend schriftelijk verzoek in te dienen bij één van de Depositarissen. De Depositaris die dit verzoek ontvangt, zendt het onverwijld toe aan alle Staten-Partijen. De Staten die verzoeken om toetreding tot het Verdrag inzake het open luchtruim kunnen ook, indien zij zulks wensen, verzoeken om toekenning van een passief quotum en de hoogte daarvan voorstellen.

Deze aangelegenheid wordt bestudeerd tijdens de volgende gewone vergadering van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie en hierover wordt te gelegener tijd beslist.

5.

Na een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit Verdrag kan de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie beraadslagen over de toetreding tot het Verdrag van een Staat die, naar het oordeel van de Commissie, in staat en bereid is bij te dragen tot de doelstellingen van het Verdrag.

6.

Voor elke Staat die op het tijdstip van inwerkingtreding geen akte van bekrachtiging heeft nedergelegd, doch dit Verdrag later bekrachtigt of hiertoe toetreedt, treedt dit Verdrag in werking 60 dagen na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

7.

De Depositaris stelt alle Staten-Partijen onverwijld in kennis van:

  • A. de datum van nederlegging van elke akte van bekrachtiging en de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag;
  • B. de datum van een verzoek om toetreding, de naam van de verzoekende Staat en het resultaat van de procedure;
  • C. de datum van nederlegging van elke akte van toetreding en de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor elke Staat die hiertoe later toetreedt;
  • D. de belegging van een conferentie ingevolge de artikelen XV en XVI;
  • E. een terugtrekking in overeenstemming met artikel XV en de datum van vankrachtwording;
  • F. de datum van vankrachtwording van elke wijziging op het Verdrag;
  • G. elke andere aangelegenheid waarvan de Depositarissen krachtens dit Verdrag de Staten-Partijen in kennis dienen te stellen.

Artikel XVIII. Voorlopige toepassing en gefaseerde toepassing van het verdrag

Ter vergemakkelijking van de toepassing van dit Verdrag worden enkele bepalingen daarvan voorlopig toegepast en worden andere in fasen toegepast.

1.

Onverminderd het in artikel XVII bepaalde, passen de ondertekenende Staten de volgende bepalingen van het Verdrag voorlopig toe:

  • A. artikel VI, Afdeling I, vierde lid;
  • B. artikel X, eerste, tweede, derde, zesde en zevende lid;
  • C. artikel XI;
  • D. artikel XIII, Afdeling I, eerste en tweede lid;
  • E. artikel XIV; en
  • F. Bijlage L, Afdeling I.
1.

Na de inwerkingtreding wordt dit Verdrag in fasen toegepast in overeenstemming met de bepalingen van deze Afdeling. De bepalingen van het tweede tot en met het zesde lid van deze Afdeling zijn van toepassing gedurende het tijdvak vanaf de inwerkingtreding van dit Verdrag tot 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de inwerkingtreding plaatsvindt.

2.

Onverminderd de bepalingen van artikel IV, eerste lid, mag een Staat-Partij gedurende het in het eerste lid hierboven genoemde tijdvak niet een infrarood-lijnaftasttoestel gebruiken, indien er één in het observatievliegtuig is aangebracht, tenzij anders is overeengekomen tussen de observerende en de geobserveerde Partij. Dergelijke sensoren behoeven niet te worden gecertificeerd in overeenstemming met Bijlage D. Indien het moeilijk is bedoelde sensor uit het observatievliegtuig te verwijderen, dient deze tijdens het uitvoeren van de observatievluchten te zijn voorzien van kappen of andere inrichtingen die het gebruik ervan verhinderen, zulks in overeenstemming met de bepalingen van artikel IV, vierde lid.

3.

Onverminderd de bepalingen van artikel IV, negende lid, is een Staat-Partij gedurende het in het eerste lid van deze Afdeling genoemde tijdvak niet verplicht een observatievliegtuig ter beschikking te stellen dat is uitgerust met sensoren uit elke categorie sensoren, met het maximumvermogen en in de aantallen als genoemd in artikel IV, tweede lid, mits het observatievliegtuig is uitgerust met:

  • A. één optische panorama-camera; of
  • B. ten minste één paar optische fotocamera's.
4.

Onverminderd de bepalingen van Afdeling II, paragraaf 2, letter A, van Bijlage B bij dit Verdrag worden de gegevensdragers van verklarende aantekeningen voorzien in overeenstemming met de bestaande gebruiken van de Staten-Partijen gedurende het in het eerste lid van deze Afdeling genoemde tijdvak.

5.

Onverminderd de bepalingen van artikel VI, Afdeling I, eerste lid, heeft geen enkele Staat-Partij gedurende het in het eerste lid van deze Afdeling genoemde tijdvak het recht te beschikken over een vliegtuig dat een bepaalde afstand zonder bijtanken kan afleggen.

6.

Gedurende het in het eerste lid van deze Afdeling genoemde tijdvak wordt de verdeling van de actieve quotums vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling II, paragraaf 2, van Bijlage A bij dit Verdrag.

7.

De instelling van volgende fasen met betrekking tot de invoering van extra categorieën sensoren of verbeteringen van het vermogen van bestaande categorieën sensoren wordt besproken door de „Open Luchtruim" Overlegcommissie in overeenstemming met de bepalingen van artikel IV, derde lid, inzake die invoering of verbetering.

Artikel XIX. Authentieke teksten

De oorspronkelijke exemplaren van dit Verdrag, waarvan de Duitse, de Franse, de Engelse, de Italiaanse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, worden nedergelegd in het archief van de Depositarissen. De Depositarissen doen alle Staten-Partijen voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen.

AFDELING I. TOEKENNING VAN PASSIEVE QUOTUMS

1

De toekenning van de individuele passieve quotums wordt hieronder uiteengezet en geldt slechts voor de Staten-Partij en die het Verdrag hebben bekrachtigd:

Voor de Bondsrepubliek Duitsland 12
Voor de Verenigde Staten van Amerika 42
Voor de groep Staten-Partijen Wit-Rusland en de Russische Federatie 42
Voor de Benelux 6
Voor de Republiek Bulgarije 4
Voor Canada 12
Voor het Koninkrijk Denemarken 6
Voor het Koninkrijk Spanje 4
Voor de Franse Republiek 12
Voor het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland 12
Voor de Griekse Republiek 4
Voor de Republiek Hongarije 4
Voor de Republiek IJsland 4
Voor de Italiaanse Republiek 12
Voor het Koninkrijk Noorwegen 7
Voor de Republiek Polen 6
Voor de Portugese Republiek 2
Voor Roemenië 6
Voor de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek 4
Voor de Republiek Turkije 12
Voor Oekraïne 12

2

Ingeval een nieuwe Staat dit Verdrag bekrachtigt of hiertoe toetreedt in overeenstemming met de bepalingen van artikel XVII en artikel X, vierde lid, letter C, wordt, met inachtneming van het vierde lid, letter D, van laatstgenoemd artikel over de toekenning van een passief quotum aan die Staat beraadslaagd gedurende de gewone vergadering van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

AFDELING II. EERSTE VERDELING VAN ACTIEVE QUOTUMS VOOR OBSERVATIEVLUCHTEN

1

De eerste verdeling van actieve quotums ingevolge artikel III, Afdeling I, zesde lid, van het Verdrag geschiedt op zodanige wijze, dat elke Staat-Partij verplicht is over zijn grondgebied een aantal observatievluchten te dulden dat niet groter is dan 75 procent, naar beneden afgerond op het eerstvolgende hele getal, van het individuele passieve quotum, toegekend als uiteengezet in Afdeling 1, paragraaf 1, van deze Bijlage. Op deze grondslag, en voor de Staten-Partijen die onderhandelingen hebben gevoerd in het kader van de „Open Luchtruim"-Conferentie te Wenen, is de eerste wederzijdse verdeling geldig vanaf de datum van inwerkingtreding van het Verdrag tot 31 december van het daaropvolgende jaar; zij geldt slechts ten aanzien van de Staten-Partijen die het Verdrag hebben bekrachtigd. De eerste verdeling wordt hieronder uiteengezet:

De Bondsrepubliek Duitsland heeft het recht drie observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van Oekraïne;

De Verenigde Staten van Amerika hebben het recht acht observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht, tezamen met Canada, boven het grondgebied van Oekraïne;

De groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie heeft het recht twee observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de Benelux, als genoemd in artikel XIV van het Verdrag, twee observatievluchten boven het grondgebied van Canada, twee observatievluchten boven het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, drie observatievluchten boven het grondgebied van de Franse Republiek, drie observatievluchten boven het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, één observatievlucht boven het grondgebied van de Griekse Republiek, twee observatievluchten boven het grondgebied van de Italiaanse Republiek, twee observatievluchten boven het grondgebied van het Koninkrijk Noorwegen, twee observatievluchten boven het grondgebied van de Republiek Turkije, drie observatievluchten boven het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en vier observatievluchten boven het grondgebied van de Verenigde Staten van Amerika;

Het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, de Benelux genoemd, hebben het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Polen;

De Republiek Bulgarije heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Griekse Republiek, één observatievlucht boven het grondgebied van de Italiaanse Republiek, en één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Turkije;

Canada heeft het recht twee observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, één observatievlucht boven het grondgebied van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek, één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Polen, en één observatievlucht, tezamen met de Verenigde Staten van Amerika, boven het grondgebied van Oekraïne;

Het Koninkrijk Denemarken heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Polen;

Het Koninkrijk Spanje heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek;

De Franse Republiek heeft het recht drie observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van Roemenië;

Het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland heeft het recht drie observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van Oekraïne;

De Griekse Republiek heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Republiek Bulgarije, en één observatievlucht boven het grondgebied van Roemenië;

De Republiek Hongarije heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van Roemenië, en één observatievlucht boven het grondgebied van Oekraïne;

De Italiaanse Republiek heeft het recht twee observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Hongarije, en één observatievlucht, tezamen met de Republiek Turkije, boven het grondgebied van Oekraïne;

Het Koninkrijk Noorwegen heeft het recht twee observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partij en de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Polen;

De Republiek Polen heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, één observatievlucht boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, en één observatievlucht boven het grondgebied van Oekraïne;

Roemenië heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Republiek Bulgarije, één observatievlucht boven het grondgebied van de Griekse Republiek, één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Hongarije, en één observatievlucht boven het grondgebied van Oekraïne;

De Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, en één observatievlucht boven het grondgebied van Oekraïne;

De Republiek Turkije heeft het recht twee observatievluchten uit te voeren boven het grondgebied van de groep Staten-Partijen de Republiek Wit-Rusland en de Russische Federatie, één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Bulgarije, en twee observatievluchten, waarvan één tezamen met de Italiaanse Republiek, boven het grondgebied van Oekraïne;

Oekraïne heeft het recht één observatievlucht uit te voeren boven het grondgebied van de Tsjechische en Slowaakse Federatieve Republiek, één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Hongarije, één observatievlucht boven het grondgebied van de Republiek Polen, één observatievlucht boven het grondgebied van Roemenië, en twee observatievluchten boven het grondgebied van de Republiek Turkije.

2

Na deze eerste verdeling tot de in artikel XVIII met het oog hierop voor het gebruik van de actieve quotums genoemde datum van volledige toepassing van het Verdrag, geschiedt de jaarlijkse verdeling op grond van de in paragraaf 1 van deze Afdeling met betrekking tot de toekenning van de individuele passieve quotums vastgelegde 75%-regel.

3

Vanaf de datum van volledige toepassing duldt elke Staat-Partij, indien daarom wordt verzocht, bij volgende verdelingen van actieve quotums boven zijn grondgebied een aantal observatievluchten tot ten hoogste de totale hoeveelheid van zijn individuele passieve quotum. Wanneer zulks mogelijk is of daarom wordt verzocht en tenzij niet anders is overeengekomen, geschieden die verdelingen op grond van een evenredige vermeerdering van de bij de eerste verdeling vastgelegde actieve quotums.

4

Ingeval een nieuwe Staat het Verdrag bekrachtigt, of hiertoe toetreedt, in overeenstemming met de bepalingen van artikel XVII, wordt over de verdeling van de aan die Staat toe te kennen actieve quotums beraadslaagd tijdens de gewone vergadering van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie na de datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, behoudens de volgende bepalingen:

  • A. de bekrachtigende of toetredende Staat heeft het recht te verzoeken om observatievluchten boven de grondgebieden van Staten-Partijen binnen het in overeenstemming met Afdeling I, paragraaf 2, van deze Bijlage aan die Staat toegekende passieve quotum, en binnen de passieve quotums van de Staten-Partijen waarop een verzoek om observatievluchten betrekking heeft, tenzij door de betrokken Staten-Partijen anders is overeengekomen; en
  • B. alle Staten-Partijen hebben tegelijkertijd het recht te verzoeken om observatievluchten boven het grondgebied van die ondertekenende of toetredende Staat binnen hun actieve quotums en binnen het aan die Staat toegekende passieve quotum.

AFDELING III. MAXIMALE VLIEGAFSTANDEN VAN OBSERVATIEVLUCHTEN

AFDELING I. TECHNISCHE GEGEVENS

1

Ingevolge artikel IV, tiende lid, stelt elke Staat-Partij alle andere Staten-Partijen in kennis van de toepasselijke, in deze Afdeling genoemde, technische gegevens betreffende elke sensor die is aangebracht in een door die Staat-Partij ingevolge artikel V van het Verdrag aangewezen observatievliegtuig.

2

De volgende technische gegevens dienen te worden verstrekt voor panorama- en fotocamera's:

  • A. het type en het model;
  • B. het gezichtsveld, in lengte- en dwarsrichting van de vliegbaan, of de aftasthoeken, in graden;
  • C. het beeldformaat, in millimeters bij millimeters;
  • D. de belichtingstijd in seconden;
  • E. het type en de kleuren van de gebruikte optische filters en hun filterfactor;
  • F. voor elk objectief:
    1. de naam;
    1. de brandpuntsafstand in millimeters;
    1. de maximale openingsverhouding van het objectief;
    1. het oplossend vermogen bij een contrastverhouding van 1000:1, of bij een gelijkwaardige modulatie van 1,0 bij de maximale openingsverhouding, in lijnen per millimeter;
  • G. het minimale en maximale fotografische tijdsinterval in seconden, of de frequentie van de bewegingscyclus in beelden per seconde;
  • H. indien van toepassing, de maximale verhouding snelheid/ hoogte;
  • I. voor optische fotocamera's, de grootste hoek ten opzichte van het horizontale vlak, of de kleinste hoek ten opzichte van het verticale vlak, in graden; en
  • J. indien van toepassing, de maximale gebruikshoogte in meters.

3

De volgende technische gegevens dienen te worden verstrekt voor videocamera's:

  • A. het type en het model;
  • B. het gezichtsveld, in lengte- en breedterichting van de vliegbaan, in graden;
  • C. voor het objectief:
    1. de brandpuntsafstand, in millimeters;
    1. de maximale openingsverhouding;
    1. het oplossend vermogen bij een contrastverhouding van 1000:1, of bij een gelijkwaardige modulatie van 1,0 bij de maximale openingsverhouding, in lijnen per millimeter;
  • D. de grootte van het detectie-element in micrometers, of gelijkwaardige gegevens betreffende de buis;
  • E. het aantal detectie-elementen;
  • F. lichtgevoeligheid van het systeem in lux of watt per vierkante centimeter; en
  • G. de spectrale bandbreedte in nanometers.

4

De volgende technische gegevens dienen te worden verstrekt voor infrarood-lijnaftasttoestellen:

  • A. het type en het model;
  • B. het gezichtsveld of de aftasthoeken in graden;
  • C. het minimale onmiddellijke gezichtsveld, in lengte- of breedterichting van de vliegbaan, in milliradialen;
  • D. de spectrale bandbreedte in micrometers;
  • E. het minimale waarneembare temperatuurverschil in graden Celsius;
  • F. de temperatuur van de werkende detector in graden Celsius;
  • G. de tijd die het systeem na het in werking stellen nodig heeft om op gang te komen en af te koelen tot de normale werktemperatuur, in minuten;
  • H. indien van toepassing, de maximale gebruiksduur;
  • I. de maximale verhouding snelheid/hoogte; en
  • J. indien van toepassing, de maximale gebruikshoogte in meters.

5

De volgende technische gegevens dienen te worden verstrekt voor zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur:

  • A. het type en het model;
  • B. de radarfrequentiebanden en de specifieke werkfrequentie in megahertz;
  • C. de polarisaties;
  • D. het aantal radarpulsen per meter of seconde;
  • E. de begrenzingshoek van de werking op korte afstand, uitgedrukt in graden ten opzichte van het verticale vlak;
  • F. de aftaststrookbreedte in kilometers;
  • G. de grondresolutie in bereik en azimut, op het schuine vlak, in meters;
  • H. indien van toepassing, de maximale gebruikshoogte; en
  • I. het uitgangsvermogen van de zender in watt.

6

De volgende technische gegevens dienen te worden verstrekt voor sensoren die gegevens vastleggen op fotofilm:

  • A. de typen film die in elke sensor kunnen worden gebruikt;
  • B. de breedte van de film in millimeters;
  • C. het oplossend vermogen van de film bij een contrastverhouding van 1000:1, of bij een gelijkwaardige modulatie van 1,0, in lijnen per millimeter; en
  • D. de capaciteit van het filmchassis voor elk type film in meters.

7

De volgende technische gegevens dienen te worden verstrekt voor sensoren die gegevens vastleggen op andere gegevensdragers:

  • A. het type en het model van de opname-apparatuur;
  • B. het type en het formaat van de gegevensdragers;
  • C. indien van toepassing, de bandbreedte in hertz;
  • D. indien van toepassing, de opnamesnelheid in megabits per seconde;
  • E. de capaciteit van de gegevensdragers in minuten of megabits; en
  • F. het formaat voor de opslag van de door de sensoren verzamelde gegevens en voor het voorzien van verklarende aantekeningen.

AFDELING II. HET VAN VERKLARENDE AANTEKENINGEN VOORZIEN

1

De gedurende een observatieperiode door sensoren verzamelde gegevens dienen van de volgende verklarende aantekeningen te worden voorzien op de aanloopstrook van elke rol van het oorspronkelijke negatief of aan het begin van elke andere gegevensdrager, zulks in overeenstemming met de bepalingen van Aanhangsel I bij deze Bijlage:

  • A. het referentienummer van de observatievlucht;
  • B. de datum van de observatievlucht;
  • C. een omschrijving van de sensor;
  • D. de opstelling van de sensor; en
  • E. indien van toepassing, de brandpuntsafstand.

2

De gedurende een observatieperiode door sensoren verzamelde gegevens dienen van de volgende verklarende aantekeningen te worden voorzien, die hetzij met de hand, hetzij elektronisch zijn geregistreerd met behulp van het navigatiesysteem of de Iuchtvaartelektronica van het observatievliegtuig, op een wijze die geen details verhult, zulks in overeenstemming met de bepalingen van Aanhangsel I bij deze Bijlage:

  • A. bij optische camera's
    1. aan het begin van de observatieperiode en op elke positie in de loop van de observatieperiode waar een aanmerkelijke verandering optreedt met betrekking tot de hoogte boven de grond, de koers, of de snelheid ten opzichte van een punt op de grond, alsmede op de binnen het tijdvak van voorlopige toepassing door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen tijdstippen:
  • a. de hoogte boven de grond;
  • b. de positie;
  • c. de werkelijke koers;
  • d. de aftasthoek;
    1. op elk filmbeeld:
  • a. het beeldnummer;
  • b. het tijdstip; en
  • c. de rolhoek;
  • B. bij videocamera's en infrarood-lijnaftasttoestellen, aan het begin van de observatieperiode en op elke positie in de loop van de observatieperiode waar een aanmerkelijke verandering optreedt met betrekking tot de hoogte boven de grond, de koers, of de snelheid ten opzichte van een punt op de grond, alsmede op de binnen het tijdvak van voorlopige toepassing door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen tijdstippen:
    1. de datum en het tijdstip;
    1. de hoogte boven de grond;
    1. de positie;
    1. de werkelijke koers; en
    1. de aftasthoek;
  • C. bij zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur:
    1. aan het begin van de observatieperiode en op elke positie in de loop van de observatieperiode waar een aanmerkelijke verandering optreedt met betrekking tot de hoogte boven de grond, de koers, of de snelheid ten opzichte van een punt op de grond, alsmede op de binnen het tijdvak van voorlopige toepassing door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vast te stellen tijdstippen:
  • a. de datum en het tijdstip;
  • b. de hoogte boven de grond;
  • c. de positie;
  • d. de werkelijke koers;
  • e. openingshoek ten opzichte van het dichtsbij gelegen punt van de aftaststrookbreedte;
  • f. de aftaststrookbreedte; en
  • g. de polarisaties;
    1. telkens wanneer zij worden gemeten ter verzekering van een juiste bewerking van het beeld:
  • a. de snelheid ten opzichte van een punt op de grond;
  • b. de drift;
  • c. de langshoek; en
  • d. de rolhoek

3

Bij kopieën of beeldstroken, vervaardigd van het oorspronkelijke negatief of andere gegevensdragers, dienen de in de paragrafen 1 en 2 van deze Afdeling genoemde verklarende aantekeningen op elk positief te worden aangebracht.

4

Staten-Partijen hebben het recht de gedurende een observatievlucht verzamelde gegevens van verklarende aantekeningen te voorzien met behulp van alfanumerieke tekens, dan wel met behulp van tijdens het tijdvak van voorlopige toepassing door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie overeen te komen codes.

1

Het referentienummer van de observatievlucht wordt op de volgende wijze aangegeven door middel van één reeks van zes alfanumerieke tekens:

  • A. de letters „OS";
  • B. het laatste cijfer van het kalenderjaar waarop het individuele actieve quotum van toepassing is; en
  • C. een getal van drie cijfers ter aanduiding van elke afzonderlijke observatievlucht, waaruit het actieve quotum blijkt dat tijdens de jaarlijkse toetsing in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie voor een kalenderjaar is toegekend aan een Staat-Partij met betrekking tot het grondgebied van een andere Staat-Partij.

2

De omschrijving van de sensor wordt op de volgende wijze aangegeven door middel van één blok van ten hoogste zes alfanumerieke tekens, bestaande uit twee reeksen:

  • A. een reeks van ten hoogste vier tekens ter aanduiding van de categorie van de sensor, zulks op de volgende wiize:
1. „OP" - optische panorama-camera;
2. „OF" - optische fotocamera;
3. „TV" - videocamera;
4. „IRLS" - infrarood-lijnaftasttoestel;of
5. „SAR" - zijwaarts gerichte radar met synthetische apertuur;
  • B. een reeks van twee tekens ter aanduiding van het type gegevensdrager, zulks op de volgende wijze:
1. „BI" - zwart/wit, iso-panchromatisch;
2. „BM" - zwart/wit, monochromatisch;
3. „BP" - zwart/wit, panchromatisch;
4. „BR" - zwart/wit, omkeerbaar;
5. „TA" - band, analoog; of
6. „TD" - band, digitaal.

3

De opstelling van de sensoren wordt op de volgende wijze aangegeven door middel van één blok van ten hoogste negen alfanumerieke tekens, bestaande uit drie reeksen:

  • A. een reeks van vier alfanumerieke tekens ter aanduiding van de wijze van aanbrenging van de sensor aan boord van het observatievliegtuig, hetzij:
    1. binnenin, hetgeen wordt aangegeven met de code „INT", gevolgd door een getal ter aanduiding van de relatieve plaats waar de sensor in het observatievliegtuig is aangebracht, in volgorde van de neus tot de staart van het observatievliegtuig; hetzij
    1. in gondels, hetgeen wordt aangegeven met de code „POD", gevolgd door één van de volgende letters:
a. „L" - gemonteerd onder de linkervleugel;
b. „R" - gemonteerd onder de rechtervleugel; of
c. „C" - gemonteerd onder de middellijn van het vliegtuig;
  • B. een reeks van ten hoogste drie alfanumerieke tekens ter aanduiding van het type opstelling, zulks op de volgende wijze:
    1. een verticale opstelling, waarbij de sensor niet meer dan vijf graden is gekanteld ten opzichte van het verticale vlak, wordt aangeduid met de letter „V" ;
    1. een schuine opstelling, waarbij de sensor meer dan vijf graden is gekanteld ten opzichte van het verticale vlak, wordt aangeduid met één van de volgende twee letters, gevolgd door de kantelhoek in graden:
a. „L” - naar links gericht;
b. „R" - naar rechts gericht;
    1. een waaiervormige opstelling met twee of meer sensoren wordt aangeduid met de letter „F";
  • C. bij een waaiervormige opstelling, een reeks van ten hoogste twee getallen ter aanduiding van het aantal en de plaats van de sensoren, zulks op de volgende wijze:
    1. het eerste getal ter aanduiding van het totale aantal sensoren in die opstelling; en
    1. het tweede getal ter aanduiding van de afzonderlijke plaats van de sensor, in volgorde van links naar rechts ten opzichte van de vliegrichting van het observatievliegtuig.

4

De brandpuntsafstand van een objectief wordt aangegeven in millimeters.

5

De datum en het tijdstip worden tot op de minuut aangegeven in de Gecoördineerde Wereldtijd.

6

De gemiddelde hoogte van het observatievliegtuig boven de grond wordt aangegeven door middel van een getal van vijf cijfers, gevolgd door een code ter aanduiding van de maateenheid, hetzij in voeten, door middel van de letter „F", hetzij in meters, door middel van de letter „M".

7

De positie in lengte- en breedtegraden van het observatievliegtuig wordt aangegeven in graden, afgerond op de dichtstbijzijnde honderdste van een graad, als „gg.gg(N of S) ggg.gg(E of W)", of in graden en minuten, afgerond op de dichtstbijzijnde minuut, als „gg mm(N of S) ggg mm(E of W)".

8

De werkelijke koers van het observatievliegtuig wordt aangegeven in graden, afgerond op de dichtstbijzijnde graad.

9

De rolhoek van het observatievliegtuig wordt aangegeven in graden, gevolgd door een code die aanduidt of de rolhoek naar links, aangegeven door middel van de letter „L", dan wel naar rechts, aangegeven door middel van de letter „R", is gericht.

10

De langshoek van het observatievliegtuig wordt aangegeven in graden, gevolgd door een code die aanduidt of de langshoek naar boven, aangegeven door middel van de letter U, dan wel naar beneden, aangegeven door middel van de letter „D", is gericht ten opzichte van het horizontale vlak.

11

De drifthoek van het observatievliegtuig wordt aangegeven in graden, gevolgd door een code die aanduidt of de drifthoek naar links, aangegeven door middel van de letter „L", dan wel naar rechts, aangegeven door middel van de letter „R", is gericht ten opzichte van de vliegbaan van het observatievliegtuig.

12

De snelheid van het observatievliegtuig ten opzichte van een punt op de grond wordt aangegeven door middel van een getal van drie cijfers, gevolgd door een code van twee letters die de maateenheid aanduidt, hetzij in zeemijlen, door middel van de letters „NM", hetzij in kilometers, door middel van de letters „KM", per uur.

13

Het dichtstbij gelegen punt van de aftaststrookbreedte wordt aangegeven in kilometers.

14

De openingshoek wordt aangegeven in graden, gemeten vanaf het verticale vlak.

15

De aftaststrookbreedte wordt aangegeven in kilometers.

16

Bij films wordt elk filmchassis dat gedurende een observatievlucht door dezelfde sensor is gebruikt, doorlopend genummerd, te beginnen bij één. Elk beeld op het oorspronkelijke negatief dat door elke sensor werd belicht, wordt doorlopend genummerd, van het eerste tot het laatste beeld van het desbetreffende chassis van die sensor. Wanneer een film is genummerd met één of twee getallen per beeld, wordt een afzonderlijk beeld eenduidig benoemd door middel van ofwel het getal dat het dichtst bij het middelpunt van het beeld is gelegen, ofwel, indien beide getallen even ver van het middelpunt zijn gelegen, het kleinste hele getal.

AFDELING I. ALGEMENE BEPALINGEN

1

Elke Staat-Partij heeft het recht deel te nemen aan de certificering van elk type en model observatievliegtuig en de bijbehorende sensoren dat door een andere Staat-Partij is aangewezen overeenkomstig artikel V van het Verdrag; daarbij worden het observatievliegtuig en de sensoren daarvan zowel op de grond als tijdens een vlucht aan een onderzoek onderworpen.

2

Elke certificering wordt verricht teneinde vast te stellen:

  • A. dat het vliegtuig van een type en model is dat is aangewezen overeenkomstig artikel V van het Verdrag;
  • B. dat de aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren van een categorie zijn die is genoemd in artikel IV, eerste lid, van het Verdrag en dat zij voldoen aan de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag genoemde vereisten;
  • C. dat de technische gegevens zijn verstrekt in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling I van Bijlage B bij het Verdrag;
  • D. de minimumhoogte boven de grond waarbij elke aan boord van een observatievliegtuig van dat type en model aangebrachte sensor gedurende een observatievlucht kan worden bediend, overeenkomstig de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag genoemde limiet voor de grondresolutie, zulks ingeval de grondresolutie van de sensor afhankelijk is van de hoogte boven de grond;
  • E. de grondresolutie van elke aan boord van een observatievliegtuig van dat type en model aangebrachte sensor overeenkomstig de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag genoemde limiet voor de grondresolutie, zulks ingeval de grondresolutie niet afhankelijk is van de hoogte boven de grond; en
  • F. dat de kappen voor sensoraperturen of andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen op de juiste wijze zijn aangebracht in overeenstemming met de bepalingen van artikel IV, vierde lid, van het Verdrag.

3

Elke Staat-Partij die een certificering verricht, stelt alle andere Staten-Partijen ten minste 60 dagen van tevoren in kennis van het tijdvak van zeven dagen gedurende hetwelk de certificering van het desbetreffende vliegtuig en de sensoren daarvan zal plaatsvinden. In de kennisgeving dient te zijn vermeld:

  • A. de Staat-Partij die de certificering van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan verricht;
  • B. het punt van binnenkomst waar het personeel van de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen, dient aan te komen;
  • C. de plaats waarde certificering zal worden verricht;
  • D. de datum waarop de certificering begint en de datum waarop deze eindigt;
  • E. het aantal, type en model van elk te certificeren observatievliegtuig; en
  • F. het type en het model, alsmede een omschrijving en de opstelling van elke aan boord van het te certificeren observatievliegtuig aangebrachte sensor, zulks in overeenstemming met de in Aanhangsel 1 bij Bijlage B bij dit Verdrag voorgeschreven aanduidingen.

4

Uiterlijk tien dagen na ontvangst van de kennisgeving ingevolge de bepalingen van paragraaf 3 van deze Afdeling stelt elke Staat-Partij alle andere Staten-Partijen in kennis van zijn voornemen deel te nemen aan de certificering van het desbetreffende vliegtuig en de sensoren daarvan overeenkomstig de bepalingen van artikel IV, elfde lid. Over het aantal personen uit de Staten-Partijen die kennisgeving van hun voorgenomen deelneming hebben gedaan, dat aan de certificering zal deelnemen, wordt besloten in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie. Tenzij anders is overeengekomen, mag het aantal personen niet meer bedragen dan 40 in totaal en niet meer dan vier per Staat-Partij.

Ingeval twee of meer Staten-Partijen kennisgeving doen van hun voornemen een certificering te verrichten gedurende hetzelfde tijdvak, wordt in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie besloten wie van hen de certificering zal verrichten in dit tijdvak.

5

Elke Staat-Partij die aan de certificering deelneemt, stelt de Staat-Partij die de certificering verricht ten minste 30 dagen vóór de aanvangsdatum van de certificering van het observatievliegtuig, als bekendgemaakt in overeenstemming met paragraaf 3 van deze Afdeling, in kennis van het volgende:

  • A. de namen van de personen die aan de certificering deelnemen en, ingeval een niet-commercieel transportvliegtuig wordt gebruikt om naar het punt van binnenkomst te reizen, een lijst met de namen van de bemanningsleden, telkens onder vermelding van het geslacht, de geboortedatum, de geboorteplaats en het paspoortnummer. Al deze personen dienen voor te komen op de lijst van aangewezen personen als bedoeld in artikel XIII, Afdeling I, van het Verdrag;
  • B. de datum en het verwachte tijdstip van aankomst van deze personen op het punt van binnenkomst; en
  • C. het vervoermiddel dat wordt gebruikt om het punt van binnenkomst te bereiken.

6

Ten minste 14 dagen vóór de datum waarop de certificering van het observatievliegtuig begint, als bekendgemaakt in overeenstemming met paragraaf 3 van deze Afdeling, stelt de Staat-Partij die de certificering verricht de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen in kennis van de volgende informatie betreffende elke aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor en de bijbehorende apparatuur waarmee de door de sensoren verzamelde gegevens van verklarende aantekeningen worden voorzien:

  • A. een beschrijving van elk onderdeel van de sensor, waaronder het doel ervan, en elke aansluitmogelijkheid voor bijbehorende apparatuur waarmee de gegevens van verklarende aantekeningen worden voorzien;
  • B. foto's van elke sensor, genomen los van het observatievliegtuig, zulks met inachtneming van het volgende:
    1. elke sensor moet ten minste 80% van de foto vullen, hetzij horizontaal, hetzij verticaal;
    1. deze foto's mogen kleuren- dan wel zwart/wit-foto's zijn en moeten een afmeting hebben van 18 bij 24 centimeter, de rand niet meegerekend; en
    1. op elke foto dient de categorie, het type en het model van de sensor, alsmede de Staat-Partij die de sensor ter certificering aanbiedt, te zijn aangetekend.
  • C. aanwijzingen betreffende de bediening van de sensor tijdens de vlucht.

7

Ingeval geen enkele Staat-Partij kennisgeving doet van zijn voornemen deel te nemen aan de certificering in overeenstemming met de bepalingen van paragraaf 5 van deze Afdeling, verricht de Staat-Partij zelf een onderzoek tijdens een vlucht in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling III van deze Bijlage en stelt deze een certificeringsrapport op in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling IV van deze Bijlage.

8

De bepalingen van artikel XIII, Afdeling II, van het Verdrag zijn op de leden van het personeel van elke Staat-Partij die aan de certificering deelneemt van toepassing gedurende hun gehele verblijf op het grondgebied van de Staat-Partij die de certificering verricht.

9

Het personeel van elke Staat-Partij die aan de certificering deelneemt, verlaat het grondgebied van de Staat-Partij die de certificering verricht onmiddellijk na het ondertekenen van het certificeringsrapport.

AFDELING II. ONDERZOEK OP DE GROND

1

Met instemming van de Staat-Partij die de certificering verricht, kunnen gelijktijdig onderzoeken op de grond worden verricht door meer dan één Staat-Partij. Staten-Partijen hebben het recht gezamenlijk een onderzoek op de grond te verrichten van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan. De Staat-Partij die de certificering verricht, heeft het recht het aantal personen vast te stellen dat op een bepaald tijdstip bezig mag zijn met een onderzoek op de grond van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan.

2

Tenzij anders is overeengekomen, mag het onderzoek op de grond niet langer duren dan drie tijdvakken van 8 uur per observatievliegtuig en de sensoren daarvan.

3

Voor het begin van het onderzoek op de grond verstrekt de Staat-Partij die de certificering verricht de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen de volgende informatie:

  • A. voor optische panorama- en fotocamera's:
    1. de curve van de modulatie-overbrengingsfunctie van het objectief ten opzichte van ruimtelijke frequenties (frequentie/contrastkarakteristiek) bij de maximale openingsverhouding van dat objectief in lijnen per millimeter;
    1. gegevens betreffende de zwart/wit-film voor luchtopnamen die zal worden gebruikt ter verzameling van de gegevens tijdens een observatievlucht, of voor het verveelvuldigen van die gegevens, in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling 1, paragraaf 2, van Bijlage K bij het Verdrag;
    1. gegevens betreffende de filmontwikkelingsapparatuur die zal worden gebruikt ter ontwikkeling van het oorspronkelijke negatief en de duplicators die zullen worden gebruikt ter vervaardiging van positieven en negatieven in overeenstemming met Afdeling I, paragraaf 1, van Bijlage K bij het Verdrag; en
    1. vliegproefgegevens waaruit de grondresolutie in verhouding tot de hoogte boven de grond blijkt voor elk type film voor luchtopnamen dat met de optische camera zal worden gebruikt;
  • B. voor videocamera's, vliegproefgegevens afkomstig uit alle uitvoerapparatuur, waaruit de grondresolutie in verhouding tot de hoogte boven de grond blijkt;
  • C. voor infrarood-lijnaftasttoestellen, vliegproefgegevens afkomstig uit alle uitvoerapparatuur, waaruit de grondresolutie in verhouding tot de hoogte boven de grond blijkt; en
  • D. voor zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur, vliegproefgegevens afkomstig uit alle uitvoerapparatuur, waaruit de grondresolutie in verhouding tot het schuine zicht vanuit het vliegtuig blijkt.

4

Voor het begin van het onderzoek op de grond geeft de Staat-Partij die de certificering verricht de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen, voorlichting over:

  • A. zijn plan voor het verrichten van het onderzoek op de grond van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan;
  • B. het observatievliegtuig, alsmede de sensoren, de bijbehorende apparatuur en de kappen voor de sensoraperturen of de andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen, waarbij hun plaats in het observatievliegtuig wordt aangegeven met behulp van schema's, foto's, dia's en ander beeld-materiaal;
  • C. alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen die tijdens het onderzoek op de grond van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan in acht moeten worden genomen; en
  • D. de inventarisatieprocedures die de begeleiders van de Staat-Partij die de certificering verricht, beogen toe te passen overeenkomstig paragraaf 6 van deze Afdeling.

5

Voor het begin van het onderzoek op de grond verstrekt elke Staat-Partij die aan de certificering deelneemt aan de Staat-Partij die de certificering verricht een lijst van alle apparatuur die zal worden gebruikt gedurende het onderzoek op de grond of tijdens een vlucht. Het is de Staten-Partijen die het onderzoek verrichten toegestaan videocamera's, draagbare geluidsopname-apparatuur en draagbare computers mee aan boord te nemen en deze aldaar te gebruiken. Onder voorbehoud van goedkeuring door de Staat-Partij die de certificering verricht, is het de Staten-Partij en die aan de certificering deelnemen toegestaan andere apparatuur te gebruiken.

6

De Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen, gaan te zamen met de Staat-Partij die de certificering verricht over tot inventarisatie van alle in paragraaf 5 van deze Afdeling bedoelde apparatuur en gaan de in acht te nemen inventarisatieprocedures na teneinde zich ervan te vergewissen dat alle apparatuur die door de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen aan boord van het observatievliegtuig is gebracht, na afloop van het onderzoek uit het observatievliegtuig is verwijderd.

7

Het personeel van elke Staat-Partij die aan de certificering deelneemt heeft het recht gedurende het onderzoek op de grond van het observatievliegtuig en van elke aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor:

  • A. zich ervan te vergewissen dat het aantal en de opstelling van elke aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor overeenstemt met de overeenkomstig de bepalingen van Afdeling I, paragraaf 6, van deze Bijlage, Bijlage C en Bijlage B, Afdeling 1, verstrekte gegevens;
  • B. zichzelf vertrouwd te maken met de wijze van aanbrenging van elke sensor aan boord van het observatievliegtuig, met inbegrip van de onderdelen daarvan en de onderlinge aansluitmogelijkheden en de aansluitmogelijkheden voor bijbehorende apparatuur waarmee de gegevens van verklarende aantekeningen worden voorzien;
  • C. zich de bediening en de werking van elke sensor te doen demonstreren; en
  • D. zichzelf vertrouwd te maken met de in overeenstemming met de bepalingen van paragraaf 3 van deze Afdeling verstrekte vliegproefgegevens.

8

Op verzoek van een Staat-Partij die aan de certificering deelneemt, fotografeert de Staat-Partij die de certificering verricht iedere aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor, de bijbehorende apparatuur aan boord van het observatievliegtuig, of de sensoraperturen met hun kappen of inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen. Deze foto's dienen te voldoen aan de in Afdeling 1, paragraaf 6, letter B, punten 1, 2 en 3, van deze Bijlage genoemde vereisten.

9

De Staat-Partij die de certificering verricht, heeft het recht personeel aan te wijzen dat de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen gedurende het gehele onderzoek op de grond begeleidt om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van deze Afdeling worden nageleefd. Het personeel van de Staat-Partij die de certificering verricht, bemoeit zich niet met de werkzaamheden van de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen, tenzij deze werkzaamheden in strijd zijn met de in paragraaf 4, letter C, van deze Afdeling bedoelde veiligheidsmaatregelen.

10

De Staat-Partij die de certificering verricht, verleent de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen toegang tot het gehele observatievliegtuig, alsmede de sensoren daarvan en de bijbehorende apparatuur en levert voldoende energie om deze te bedienen. De Staat-Partij die de certificering verricht, stelt afgeschermde gedeelten open of verwijdert panelen of obstakels voor zover zulks noodzakelijk is om de te certificeren sensoren en bijbehorende apparatuur aan een onderzoek te kunnen onderwerpen.

11

Onverminderd de bepalingen van deze Afdeling dient het onderzoek op de grond te worden verricht op een wijze die niet leidt tot:

  • A. aantasting of beschadiging van het observatievliegtuig of de sensoren daarvan, dan wel verhindering van het verdere gebruik ervan;
  • B. verandering van de elektrische of mechanische constructie van het observatievliegtuig of de sensoren daarvan; of
  • C. beïnvloeding van de luchtwaardigheid van het observatievliegtuig.

12

De Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen, hebben het recht maten te nemen en met behulp van de in paragraaf 5 van deze Afdeling genoemde apparatuur notities, tekeningen of soortgelijke verslagen en opnamen te maken betreffende het observatievliegtuig, de sensoren daarvan en de bijbehorende apparatuur. Dit werkmateriaal mag worden behouden door de Staat-Partij die aan de certificering deelneemt en wordt niet onderworpen aan een controle of onderzoek door de Staat-Partij die de certificering verricht.

13

De Staat-Partij die de certificering verricht, stelt alles in het werk om op het onderzoek op de grond betrekking hebbende vragen van de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen te beantwoorden.

14

Na afloop van het onderzoek op de grond, verlaten de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen het observatievliegtuig, waarna de Staat-Partij die de certificering verricht het recht heeft zijn eigen inventarisatieprocedures als bedoeld in paragraaf 6 van deze Afdeling toe te passen, teneinde zich ervan te vergewissen dat alle apparatuur die overeenkomstig paragraaf 5 van deze Afdeling gedurende het onderzoek op de grond is gebruikt, uit het observatievliegtuig is verwijderd.

AFDELING III. ONDERZOEK TIJDENS EEN VLUCHT

1

Naast het verrichten van een onderzoek op de grond van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan, verricht de Staat-Partij die de certificering verricht een onderzoek van de sensoren tijdens een vlucht, dat volstaat om:

  • A. observatie van alle aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren mogelijk te maken;
  • B. de minimumhoogte boven de grond vast te stellen waarbij elke aan boord van het observatievliegtuig van dat type en model aangebrachte sensor moet worden bediend voor een observatievlucht, in overeenstemming met de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag genoemde limiet van de grondresolutie, zulks ingeval de grondresolutie van een sensor afhankelijk is van de hoogte boven de grond; en
  • C. de grondresolutie van elke aan boord van het observatievliegtuig van dat type en model aangebrachte sensor vast te stellen, in overeenstemming met de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag genoemde limiet van de grondresolutie, zulks ingeval de grondresolutie van een sensor niet afhankelijk is van de hoogte boven de grond.

2

Voor het begin van het onderzoek van de sensoren tijdens een vlucht geeft de Staat-Partij die de certificering verricht de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen, voorlichting over zijn plan voor het verrichten van het onderzoek tijdens een vlucht. Deze voorlichting dient de volgende informatie te omvatten:

  • A. een schema van de ijkdoelen die hij beoogt te gebruiken voor het onderzoek tijdens een vlucht in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling I, paragraaf 5, van Aanhangsel I bij deze Bijlage;
  • B. het verwachte tijdstip, de weersomstandigheden, het aantal, de richting en de hoogte boven de grond van elke maal dat het desbetreffende ijkdoel van elke te certificeren sensor wordt gepasseerd; en
  • C. alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen die tijdens het onderzoek tijdens een vlucht van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan in acht moeten worden genomen.

3

Voor en tijdens het verrichten van het onderzoek tijdens een vlucht hebben de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen het recht de plaats van de ijkdoelen te bezoeken. De Staat-Partij die de certificering verricht, stelt de apparatuur ter beschikking die nodig is om zich ervan te vergewissen dat de ijkdoelen voldoen aan de in Afdeling I van Aanhangsel I bij deze Bijlage uiteengezette voorschriften.

4

Tenzij anders is overeengekomen, wordt het onderzoek tijdens een vlucht overdag bij helder weer verricht boven de desbetreffende ijkdoelen van elke categorie aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren, zulks in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling II van Aanhangsel I bij deze Bijlage, teneinde de grondresolutie van elke sensor vast te stellen.

5

De Staat-Partij die de certificering verricht, verstrekt de gegevens betreffende de weersomstandigheden op de plaats van de ijkdoelen gedurende het onderzoek van de sensoren tijdens een vlucht die nodig zijn om de berekeningen te kunnen maken in overeenstemming met de in Afdeling III van Aanhangsel I bij deze Bijlage omschreven methoden.

6

Elke Staat-Partij heeft het recht personeel aan te wijzen om deel te nemen aan het onderzoek tijdens een vlucht. Ingeval het aantal aldus aangewezen personen de passagierscapaciteit van het observatievliegtuig overschrijdt, komen de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen overeen welk personeel aan het onderzoek tijdens een vlucht deelneemt.

7

Overeenkomstig paragraaf 6 van deze Afdeling aangewezen personeel van de Staten-Partijen heeft het recht de bediening van de sensoren door personeel van de Staat-Partij die de certificering verricht te observeren.

8

Personeel van de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen heeft het recht het openen van de filmcassette, alsmede de opslag, ontwikkeling en gebruikmaking van het oorspronkelijke negatief, dat gedurende het onderzoek tijdens een vlucht is belicht, te controleren, zulks in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling II van Bijlage K bij het Verdrag.

AFDELING IV. CERTIFICERINGSRAPPORT

1

Na afloop van het onderzoek op de grond en tijdens een vlucht worden de door de sensoren en met behulp van de ijkdoelen verzamelde gegevens gezamenlijk bestudeerd door de Staat-Partij die de certificering verricht en de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen. Deze Staten-Partijen stellen een certificeringsrapport op waarin wordt vastgelegd:

  • A. dat het observatievliegtuig van een type en een model is dat is aangewezen overeenkomstig artikel V van het Verdrag;
  • B. dat de aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren behoren tot de in artikel IV, eerste lid, van het Verdrag bedoelde categorieën en voldoen aan de vereisten van artikel IV, tweede lid, van het Verdrag;
  • C. dat de technische gegevens betreffende de sensoren zijn verstrekt in overeenstemming met Afdeling I van Bijlage B bij het Verdrag;
  • D. de minimumhoogte boven de grond waarbij elke sensor aan boord van een observatievliegtuig van dat type en model gedurende een observatievlucht kan worden bediend overeenkomstig de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag genoemde limiet voor de grondresolutie, zulks ingeval de grondresolutie afhankelijk is van de hoogte boven de grond;
  • E. de grondresolutie van elke aan boord van een observatievliegtuig van dat type en model aangebrachte sensor overeenkomstig de in artikel IV, tweede lid, van het Verdrag bedoelde limiet voor de grondresolutie, zulks ingeval de grondresolutie niet afhankelijk is van de hoogte boven de grond; en
  • F. dat de kappen voor de sensoraperturen of de andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen, in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel IV, vierde lid, van het Verdrag.

2

Aan het certificeringsrapport wordt een kopie gehecht van de overeenkomstig Afdeling I, paragraaf 6, en Afdeling II, paragrafen 3 en 8, van deze Bijlage verstrekte gegevens betreffende elke sensor.

3

De Staat-Partij die de certificering verricht, verstrekt exemplaren van het certificeringsrapport aan alle andere Staten-Partijen. Staten-Partijen die niet aan de certificering hebben deelgenomen, hebben niet riet recht de in het certificeringsrapport vervatte conclusies te verwerpen.

4

Een observatievliegtuig en de bijbehorende sensoren worden geacht te zijn gecertificeerd, tenzij de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen niet in staat zijn overeenstemming te bereiken over de inhoud van het certificeringsrapport.

5

Ingeval de Staat-Partij die de certificering verricht en de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen niet in staat zijn overeenstemming te bereiken over het certificeringsrapport, mag het observatievliegtuig niet voor observatievluchten worden gebruikt totdat de kwestie is opgelost.

De grondresolutie van elke aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensor en, wanneer de prestaties ervan afhangen van de hoogte boven de grond, de minimumhoogte boven de grond waarbij die sensor kan worden bediend gedurende een observatievlucht, worden bepaald en bevestigd aan de hand van de gegevens die zijn verzameld met behulp van de desbetreffende ijkdoelen van elke categorie sensoren, zulks in overeenstemming met de Afdeling I genoemde voorschriften, en deze worden berekend in overeenstemming met de in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vastgestelde methoden.

AFDELING I. VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE IJKDOELEN

1

Door de Staat-Partij die de certificering verricht in overeenstemming met de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag worden ijkdoelen ter beschikking gesteld. Deze ijkdoelen worden gebruikt ter vaststelling van de grondresolutie van sensoren; elke categorie sensoren heeft zijn eigen type ijkdoel, ontworpen in overeenstemming met de hieronder aangegeven kenmerken.

2

IJkdoelen voor het vaststellen van de grondresolutie van optische camera's bestaan uit een reeks groepen van elkaar afwisselende zwarte en witte strepen.

Elke groep strepen bestaat uit ten minste twee zwarte strepen, gescheiden door een witte streep. De breedte van de zwarte en de witte strepen binnen een groep blijft constant. De breedte van de strepen van tot een ijkdoel behorende groepen strepen verandert geleidelijk, zulks in een mate die toereikend is om een accurate meting van de grondresolutie mogelijk te maken. De lengte van de strepen blijft binnen elke groep constant. De contrastverhouding van de zwarte ten opzichte van de witte strepen blijft over het gehele ijkdoel gelijk en bedraagt ten minste 5 : 1 (overeenkomend met een modulatie van 0,66).

3

IJkdoelen voor het vaststellen van de grondresolutie van infraroodlijnaftasttoestellen worden in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie bepaald gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing.

4

IJkdoelen voor het vaststellen van de grondresolutie van zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur bestaan uit groepen drievlakkige hoekreflectoren, waarvan de opstelling in overeenstemming dient te zijn met de in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing bepaalde methoden.

5

Elke Staat-Partij verstrekt alle andere Staten-Partijen een schema van de ijkdoelen die hij beoogt te gebruiken ten behoeve van het onderzoek tijdens een vlucht. Op deze schema's dienen de totale afmetingen van de ijkdoelen, de ligging en het soort terrein waarop zij zijn gelegen, alsmede de informatie betreffende elk type ijkdoel, als bepaald in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing, te zijn vermeld.

AFDELING II. HET VERRICHTEN VAN HET ONDERZOEK TIJDENS EEN VLUCHT

1

Teneinde de grondresolutie van panorama-camera's of verticaal aangebrachte fotocamera's vast te stellen, loopt de vluchtlijn van het observatievliegtuig rechtstreeks over en parallel aan het ijkdoel. Teneinde de grondresolutie van schuin aangebrachte fotocamera's vast te stellen, loopt de vluchtlijn van het observatievliegtuig op zodanige afstand parallel aan het ijkdoel, dat het beeld van het ijkdoel op de voorgrond van het gezichtsveld van de optische camera verschijnt, ingesteld op de grootste hoek ten opzichte van het horizontale vlak, dan wel op de kleinste hoek ten opzichte van het verticale vlak.

2

Teneinde de grondresolutie van een infrarood-lijnaftasttoestel vast te stellen, loopt de vluchtlijn van het observatievliegtuig rechtstreeks over en parallel aan het ijkdoel op overeengekomen hoogten boven de grond.

3

Teneinde de grondresolutie van zijwaarts gerichte radars met synthetische apertuur vast te stellen, loopt de vluchtlijn van het observatievliegtuig ter zijde van de groep hoekreflectoren.

AFDELING III. ANALYSE VAN DE IN DE LOOP VAN HET ONDERZOEK TIJDENS EEN VLUCHT VERZAMELDE GEGEVENS

1

Na het onderzoek tijdens een vlucht analyseren de Staat-Partij die de certificering verricht en de Staten-Partijen die aan de certificering deelnemen gezamenlijk de gegevens die zijn verzameld in de loop van het onderzoek tijdens een vlucht overeenkomstig Afdeling IV, paragraaf 1, van Bijlage D bij het Verdrag.

2

De methode voor de berekening van de minimumhoogte boven de grond waarbij elke aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte optische camera tijdens een observatievlucht mag worden bediend, met inbegrip van de bij deze berekening te hanteren contrastverhouding dan wel de daarmee overeenkomende modulatie, die ten minste 1,6 : 1 (overeenkomend met 0,23) en ten hoogste 4 : 1 (overeenkomend met 0,6) bedraagt, wordt in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie bepaald gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing, doch vóór 30 juni 1992. De grondresolutie van optische camera's wordt bepaald door middel van een visuele analyse van het beeld van het ijkdoel op het oorspronkelijke negatief. De getalswaarde van de grondresolutie moet gelijk zijn aan de breedte van de smalste streep van het ijkdoel die als afzonderlijke streep te onderscheiden is.

3

De methode voor de berekening van de minimumhoogte boven de grond waarbij elke aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte videocamera tijdens een observatievlucht mag worden bediend, wordt in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie bepaald gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing.

4

De methode voor de berekening van de minimumhoogte boven de grond waarbij een aan boord van het observatievliegtuig aangebracht infrarood-Iijnaftasttoestel tijdens een observatievlucht mag worden bediend, met inbegrip van de waarde van het bij deze berekening te hanteren minimale waarneembare temperatuurverschil, wordt in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie bepaald gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing.

5

De methode voor de berekening van de grondresolutie van een zijwaarts gerichte radar met synthetische apertuur, met inbegrip van het resultaat van de vergelijking van de impulsresponsmethode met de objectscheidingsmethode, wordt in het kader van de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie bepaald gedurende het tijdvak van voorlopige toepassing.

1

Elke Staat-Partij wijst één of meer punten van binnenkomst, één of meer punten van vertrek en één of meer „open luchtruim"-vliegvelden op zijn grondgebied aan. De punten van binnenkomst en de punten van vertrek kunnen „open luchtruim"-vliegvelden zijn. Indien een „open luchtruim"-vliegveld geen punt van binnenkomst is, dient tenzij anders is overeengekomen - een „open luchtruim"-vliegveld te worden aangewezen dat de observerende Partij binnen vijf uur kan bereiken vanaf het punt van binnenkomst, hetzij met haar eigen observatievliegtuig, hetzij met het door de geobserveerde Partij ter beschikking gestelde vervoermiddel. De observerende Partij heeft na aankomst op een punt van binnenkomst of een „open luchtruim"-vliegveld het recht op een rustperiode, zulks met inachtneming van de bepalingen van artikel VI van het Verdrag.

2

Elke Staat-Partij heeft het recht binnenkomstposities en vertrekposities aan te wijzen. Indien een Staat-Partij besluit binnenkomst- en vertrekposities aan te wijzen, dienen deze posities de vlucht van het grondgebied van de observerende Partij naar het punt van binnenkomst van de geobserveerde Partij te vergemakkelijken. Geplande vluchten tussen binnenkomstposities en punten van binnenkomst en tussen punten van vertrek en vertrekposities worden uitgevoerd in overeenstemming met bekendgemaakte normen en aanbevelingen van de ICAO en nationale voorschriften. Ingeval delen van de vluchten tussen binnenkomstposities en punten van binnenkomst en punten van vertrek en vertrekposities in het internationale luchtruim zijn gelegen, wordt de vlucht door het internationale luchtruim uitgevoerd in overeenstemming met bekendgemaakte internationale voorschriften.

3

Informatie over de punten van binnenkomst en de punten van vertrek, de „open luchtruim"-vliegvelden, de binnenkomstposities en de vertrekposities, de bijtankvliegvelden en de ijkdoelen is vooralsnog de informatie als vermeld in Aanhangsel I bij deze Bijlage.

4

Een Staat-Partij heeft het recht wijzigingen aan te brengen in Aanhangsel I bij deze Bijlage door alle andere Staten-Partijen daarvan schriftelijk in kennis te stellen, zulks ten minste 90 dagen voordat die wijzigingen van kracht worden.

5

Elke Staat-Partij waarborgt een doeltreffende observatie van zijn gehele grondgebied op de volgende wijze:

  • A. op het vasteland worden de „open luchtruim"-vliegvelden zo aangewezen, dat geen enkel punt op zijn grondgebied op grotere afstand van één of meer van deze vliegvelden is gelegen dan 35 procent van de maximale vliegafstand(en) van die Staat-Partij overeenkomstig Bijlage A bij het Verdrag;
  • B. op delen van zijn grondgebied die van het vasteland zijn gescheiden:
    1. past die Staat-Partij de bepalingen van letter A van deze paragraaf toe; of
    1. past die Staat-Partij, ingeval dat gebiedsdeel of die gebiedsdelen meer dan 600 kilometer van het vasteland is c.q. zijn gelegen, of indien zulks is overeengekomen tussen die Staat-Partij en de observerende Partij, dan wel indien anders is bepaald in Bijlage A, bijzondere procedures toe, waaronder het eventuele gebruik van bijtankvliegvelden; of
    1. kan die Staat-Partij, ingeval dat gebiedsdeel of die gebiedsdelen minder dan 600 kilometer van het vasteland is c.q. zijn gelegen en niet onder de bepalingen van letter A van deze paragraaf valt c.q. vallen, daarvoor een afzonderlijke maximale vliegafstand aangeven in Bijlage A.

6

Onmiddellijk na de aankomst van een observatievliegtuig op het punt van binnenkomst en onmiddellijk vóór het vertrek van een observatievliegtuig van het punt van vertrek inspecteren de observerende en de geobserveerde Partij de overeenkomstig artikel IV, Afdeling 1, vierde lid, aangebrachte kappen voor de sensoraperturen en de andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen. Ingeval het punt van binnenkomst niet het „open luchtruim"-vliegveld is waar de observatievlucht aanvangt, inspecteren de observerende en de geobserveerde Partij de kappen voor de sensoraperturen en de andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen onmiddellijk vóór het vertrek van het observatievliegtuig van het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld waar de observatievlucht aanvangt. Ingeval het punt van vertrek niet het „open luchtruim" -vliegveld is waar de observatievlucht eindigt, inspecteren de observerende en de geobserveerde Partij de kappen voor de sensoraperturen en de andere inrichtingen die het gebruik van de sensoren verhinderen onmiddellijk vóór het vertrek van het observatievliegtuig van dat vliegveld naar het punt van vertrek.

7

Een Staat-Partij heeft het recht een onderzoek en een inventarisatie te verrichten met betrekking tot de voorwerpen die de andere Staat-Partij voornemens is te gebruiken ten behoeve van het verrichten van een aan de vlucht voorafgaande inspectie van de sensoren en, indien van toepassing, van het observatievliegtuig, alsmede met betrekking tot de voorwerpen die de vluchtwaarnemers voornemens zijn mede aan boord te nemen. Dit onderzoek en deze inventarisatie:

  • A. dienen uiterlijk een half uur na de aankomst van de desbetreffende voorwerpen op het punt van binnenkomst of het „open luchtruim"-vliegveld, naar keuze van de Staat-Partij die de inventarisatie verricht, te beginnen en binnen één uur te zijn beëindigd; en
  • B. dienen te worden uitgevoerd in aanwezigheid van één of meer door de andere Staat-Partij aangewezen personen.

8

Indien de Staat-Partij die het onderzoek en de inventarisatie verricht gedurende het onderzoek en de inventarisatie met betrekking tot voorwerpen die worden gebruikt bij de inspectie van de sensoren en, indien van toepassing, van het observatievliegtuig, alsmede met betrekking tot de voorwerpen die de vluchtwaarnemers voornemens zijn mede aan boord van het observatievliegtuig te nemen, vaststelt dat de voorwerpen niet in overeenstemming zijn met de lijst van toegestane voorwerpen als bedoeld in Bijlage D, Afdeling II, paragraaf 5, of met de voorwerpen als omschreven in Bijlage G, Afdeling I, paragraaf 4, heeft deze het recht te weigeren toestemming te verlenen voor het gebruik van die voorwerpen.

Voorwerpen ten aanzien waarvan zulks is vastgesteld en die door de observerende Partij op het grondgebied van de geobserveerde Partij zijn gebracht, worden, tenzij anders is overeengekomen:

  • A. in een verzegelde houder op een veilige plaats bewaard; en
  • B. vervolgens bij de eerstkomende gelegenheid, doch uiterlijk bij het vertrek van de observerende Partij, van het grondgebied van de geobserveerde Partij verwijderd.

9

Ingeval de observerende Partij reist naar het punt van binnenkomst, als genoemd in de ingevolge artikel VI, Afdeling I, vijfde lid, van dit Verdrag verstrekte kennisgeving, met gebruikmaking van een transportvliegtuig dat is ingeschreven bij de observerende Staat-Partij of bij een andere Staat-Partij, mag dit transportvliegtuig:

  • A. vertrekken van het grondgebied van de geobserveerde Partij;
  • B. ingeval het punt van binnenkomst hetzelfde is als het punt van vertrek, op het punt van binnenkomst blijven tot het vertrek van de observerende Partij van het grondgebied van de geobserveerde Partij; of
  • C. ingeval het punt van binnenkomst niet hetzelfde is als het punt van vertrek, tijdig naar het punt van vertrek vliegen, zodat de bemanning nog voldoende rust kan nemen vóór het vertrek van al het personeel van de observerende Partij van het grondgebied van de geobserveerde Partij.

10

Ingeval het observatievliegtuig door de geobserveerde Partij ter beschikking wordt gesteld en de observerende Partij geen gebruik maakt van haar eigen transportvliegtuig om haar personeel te vervoeren van het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld, draagt de geobserveerde Partij er zorg voor dat het personeel van de observerende Partij wordt vervoerd van het punt van binnenkomst naar het „open luchtruim"-vliegveld en van het „open luchtruim"-vliegveld naar het punt van vertrek.

AFDELING I. AANDUIDING VAN PLAATSEN

AFDELING II. PUNTEN VAN BINNENKOMST, PUNTEN VAN VERTREK, ,,OPEN LUCHTRUIM”-VLIEGVELDEN, BINNENKOMSTPOSITIES, VERTREKPOSITIES, BIJTANKVLIEGVELDEN EN IJKDOELEN

AFDELING I. AAN DE VLUCHT VOORAFGAANDE INSPECTIE VAN OBSERVATIEVLIEGTUIGEN EN SENSOREN VAN DE OBSERVERENDE PARTIJ

1

De aan de vlucht voorafgaande inspectie van door de observerende Partij ter beschikking gestelde observatievliegtuigen en sensoren heeft tot doel zich ervan te vergewissen dat het observatievliegtuig, de sensoren en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag. De geobserveerde Partij heeft het recht een aan de vlucht voorafgaande inspectie te verrichten van een door de observerende Partij ter beschikking gesteld observatievliegtuig en de sensoren daarvan, teneinde zich ervan te vergewissen dat:

  • A. het observatievliegtuig, de sensoren en de bijbehorende apparatuur, indien van toepassing met inbegrip van het objectief en de fotofilm, overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag; en
  • B. zich geen andere apparatuur aan boord van het observatievliegtuig bevindt dan die welke is toegestaan op grond van artikel IV van het Verdrag.

2

Na aankomst van het observatievliegtuig op het punt van binnenkomst dient de geobserveerde Partij:

  • A. een lijst te verstrekken van de inspecteurs, wier aantal niet groter mag zijn dan tien, tenzij anders is overeengekomen, onder vermelding van de algemene taak van elk der inspecteurs ;
  • B. een lijst te verstrekken van de in Afdeling II, paragraaf 5, van Bijlage D bij het Verdrag bedoelde apparatuur die zij voornemens zijn te gebruiken gedurende de aan de vlucht voorafgaande inspectie; en
  • C. de observerende Partij te informeren over haar plan voor de aan de vlucht voorafgaande inspectie van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan.

3

Vóór het begin van de aan de vlucht voorafgaande inspectie dient een aangewezen persoon van de observerende Partij:

  • A. de geobserveerde Partij voor te lichten over de inventarisatieprocedures die moeten worden gevolgd om zich ervan te vergewissen dat alle door de inspecteurs aan boord van het observatievliegtuig gebrachte inspectie-apparatuur, alsmede alle niet tot vernietiging leidende testapparatuur als bedoeld in paragraaf 7 van deze Afdeling, uit het observatievliegtuig is verwijderd na afloop van de aan de vlucht voorafgaande inspectie;
  • B. te zamen met de inspecteurs een inventarisatie uit te voeren van alle apparatuur die tijdens de aan de vlucht voorafgaande inspectie zal worden gebruikt; en
  • C. de inspecteurs voor te lichten over alle veiligheidsmaatregelen die tijdens de aan de vlucht voorafgaande inspectie van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan in acht moeten worden genomen.

4

De aan de vlucht voorafgaande inspectie begint eerst na afloop van de formele aankomstprocedures en mag niet langer dan acht uur duren.

5

De observerende Partij heeft het recht haar eigen begeleiders te leveren die de inspecteurs gedurende de gehele aan de vlucht voorafgaande inspectie van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan vergezellen, teneinde zich ervan te vergewissen dat de inspectie geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Afdeling. De observerende Partij vergemakkelijkt de inspectie in overeenstemming met de in Afdeling II, paragrafen 7 en 8, van Bijlage D bij dit Verdrag omschreven procedures.

6

Bij de uitvoering van de aan de vlucht voorafgaande inspectie hebben de inspecteurs recht van toegang tot het observatievliegtuig, de sensoren en de bijbehorende apparatuur, zulks op dezelfde wijze als bepaald in Bijlage D, Afdeling II, paragraaf 10, en daarbij dienen zij de bepalingen van Afdeling II, paragrafen 11 en 12, van Bijlage D bij het Verdrag in acht te nemen.

7

Ten behoeve van de inspectie heeft de geobserveerde Partij het recht de volgende niet tot vernietiging leidende testapparatuur mede aan boord te nemen en deze aldaar te gebruiken:

  • A. een videosonde (videocamera met endoscoop);
  • B. röntgenbeeldapparatuur en röntgenbeeldapparatuur met terugverstrooiing;
  • C. ultrasone beeldapparatuur;
  • D. een Iogica-/gegevensanalysator;
  • E. passief-infraroodsensoren; en
  • F. een 35-millimeter-camera.

Daarnaast heeft de geobserveerde Partij het recht andere niet tot vernietiging leidende testapparatuur mede aan boord te nemen, en aldaar te gebruiken, die nodig is om vast te stellen dat zich aan boord van het observatievliegtuig geen andere apparatuur bevindt dan die welke is toegestaan op grond van artikel IV van het Verdrag, overeen te komen door de „Open Luchtruim"-Overlegcommissie vóór 30 juni 1992.

8

Na afloop van de aan de vlucht voorafgaande inspectie verlaten de inspecteurs het observatievliegtuig en heeft de observerende Partij het recht haar eigen inventarisatieprocedures toe te passen om zich ervan te vergewissen dat alle gedurende de aan de vlucht voorafgaande inspectie gebruikte inspectie-apparatuur uit het observatievliegtuig is verwijderd. Indien de geobserveerde Partij niet in staat is dit ten genoegen van de observerende Partij aan te tonen, heeft de observerende Partij het recht met de observatievlucht te beginnen of daarvan af te zien en het grondgebied van de geobserveerde Partij te verlaten, wanneer zij meent dat zij zulks veilig kan doen. In het laatstbedoelde geval wordt geen observatievlucht in mindering gebracht op het quotum van beide Staten-Partijen.

9

De inspecteurs lichten de observerende Partij onmiddellijk in indien zij vaststellen dat het observatievliegtuig, de sensoren of de bijbehorende apparatuur niet overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag, of dat zich aan boord van het observatievliegtuig andere apparatuur bevindt dan die welke is toegestaan op grond van artikel IV van het Verdrag. Indien de observerende Partij niet in staat is aan te tonen dat het observatievliegtuig, de sensoren en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag, en dat zich aan boord van het observatievliegtuig geen andere apparatuur bevindt dan die welke is toegestaan op grond van artikel IV van het Verdrag, heeft de geobserveerde Partij, indien de observerende en de geobserveerde Partij niet anders zijn overeengekomen, het recht de observatievlucht te verbieden overeenkomstig artikel VIII van het Verdrag. Indien de observatievlucht wordt verboden, dient het observatievliegtuig het grondgebied van de geobserveerde onverwijld te verlaten en wordt er geen observatievlucht in mindering gebracht op het quotum van beide Staten-Partijen.

10

Na afloop van de aan de vlucht voorafgaande inspectie van het observatievliegtuig en de sensoren daarvan, stellen de geobserveerde en de observerende Partij een rapport inzake de aan de vlucht voorafgaande inspectie op, waarin wordt vermeld dat:

  • A. het observatievliegtuig, de sensoren en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag; en
  • B. zich aan boord van het observatievliegtuig geen andere apparatuur bevindt dan die welke is toegestaan op grond van artikel IV van het Verdrag.

11

Ondertekening van het rapport inzake de aan de vlucht voorafgaande inspectie door de geobserveerde Partij betekent dat zij erin toestemt dat de observerende Partij dat observatievliegtuig gebruikt voor het uitvoeren van een observatievlucht boven het grondgebied van de geobserveerde Partij.

AFDELING II. AAN DE VLUCHT VOORAFGAANDE INSPECTIE VAN DE SENSOREN VAN DE GEOBSERVEERDE PARTIJ

1

De aan de vlucht voorafgaande inspectie van de sensoren aan boord van een door de geobserveerde Partij ter beschikking gesteld observatievliegtuig heeft tot doel zich ervan te vergewissen dat de sensoren en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van bijlage D bij het Verdrag. De observerende Partij heeft het recht een aan de vlucht voorafgaande inspectie te verrichten van de sensoren en de bijbehorende apparatuur die zijn aangebracht aan boord van een door de geobserveerde Partij ter beschikking gesteld observatievliegtuig, teneinde zich ervan te vergewissen dat de sensoren en de bijbehorende apparatuur overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag.

2

Na aankomst van de inspecteurs van de observerende Partij op de plaats waar de aan de vlucht voorafgaande inspectie plaatsvindt, dient de observerende Partij:

  • A. een lijst te verstrekken van de inspecteurs, wier aantal niet groter mag zijn dan vijf, tenzij anders is overeengekomen, onder vermelding van de algemene taak van elke inspecteur;
  • B. een lijst te verstrekken van de apparatuur die de inspecteurs voornemens zijn te gebruiken gedurende de aan de vlucht voorafgaande inspectie; en
  • C. de observerende Partij te informeren over haar plan voor de aan de vlucht voorafgaande inspectie van de sensoren en bijbehorende apparatuur aan boord van het observatievliegtuig.

3

Vóór het begin van de aan de vlucht voorafgaande inspectie dient een aangewezen persoon van de geobserveerde Partij:

  • A. de observerende Partij voor te lichten over de inventarisatieprocedures die moeten worden gevolgd om zich ervan te vergewissen dat alle door de inspecteurs aan boord van het observatievliegtuig gebrachte apparatuur uit het observatievliegtuig is verwijderd na afloop van de aan de vlucht voorafgaande inspectie;
  • B. te zamen met de inspecteurs een onderzoek en een inventarisatie uit te voeren van alle apparatuur die tijdens de aan de vlucht voorafgaande inspectie zal worden gebruikt; en
  • C. de inspecteurs voor te lichten over alle noodzakelijke veiligheidsmaatregelen die tijdens de aan de vlucht voorafgaande inspectie van de aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren en bijbehorende apparatuur in acht moeten worden genomen.

4

De aan de vlucht voorafgaande inspectie begint eerst na afloop van de formele aankomstprocedures en mag niet langer dan acht uur duren.

5

De geobserveerde Partij heeft het recht haar eigen begeleiders te leveren die de inspecteurs gedurende de gehele aan de vlucht voorafgaande inspectie van de sensoren en de bijbehorende apparatuur aan boord van het observatievliegtuig vergezellen, teneinde zich ervan te vergewissen dat de inspectie geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Afdeling. De geobserveerde Partij vergemakkelijkt de inspectie van de sensoren en de bijbehorende apparatuur aan boord van het observatievliegtuig door de inspecteurs in overeenstemming met de in Afdeling II, paragraaf 7, van Bijlage D bij dit Verdrag omschreven procedures.

6

Bij de uitvoering van de aan de vlucht voorafgaande inspectie hebben de inspecteurs recht van toegang tot de sensoren en de bijbehorende apparatuur aan boord van het observatievliegtuig, zulks op dezelfde wijze als bepaald in Bijlage D, Afdeling II, paragraaf 10, en daarbij dienen zij de bepalingen van Afdeling II, paragrafen 11 en 12, van Bijlage D bij het Verdrag in acht te nemen.

7

Na afloop van de aan de vlucht voorafgaande inspectie verlaten de inspecteurs het observatievliegtuig en heeft de geobserveerde Partij het recht haar eigen inventarisatieprocedures toe te passen om zich ervan te vergewissen dat alle apparatuur uit het observatievliegtuig is verwijderd. Indien de observerende Partij niet in staat is dit ten genoegen van de geobserveerde Partij aan te tonen, heeft de geobserveerde Partij het recht de observatievlucht te verbieden in overeenstemming met artikel VIII van het Verdrag en wordt er geen observatievlucht in mindering gebracht op het quotum van beide Staten-Partijen.

8

De inspecteurs lichten de geobserveerde Partij onmiddellijk in indien zij vaststellen dat een van de sensoren of de bijbehorende apparatuur niet overeenstemt met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag. Indien de geobserveerde Partij niet in staat is aan te tonen dat de sensoren en de bijbehorende apparatuur aan boord van het observatievliegtuig overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag, heeft de observerende Partij het recht:

  • A. in te stemmen met het gebruik van andere door de geobserveerde Partij voorgestelde sensortypen of vermogens;
  • B. te handelen volgens het oorspronkelijke missieplan;
  • C. in te stemmen met uitstel van de aanvang van de observatievlucht, teneinde de geobserveerde Partij in staat te stellen het overeenkomstig deze paragraaf door de observerende Partij vastgestelde probleem te verhelpen. Ingeval het probleem ten genoegen van de observerende Partij wordt opgelost, vindt de vlucht plaats overeenkomstig het missieplan, indien nodig herzien in verband met uitstel. Ingeval het probleem niet ten genoegen van de observerende Partij wordt opgelost, verlaat de observerende Partij het grondgebied van de geobserveerde Partij; of
  • D. af te zien van de observatievlucht en het grondgebied van de geobserveerde Partij onmiddellijk te verlaten.

9

Indien de observerende Partij het grondgebied van de geobserveerde Partij verlaat zonder een observatievlucht te hebben uitgevoerd, zoals bepaald in paragraaf 8, letters C en D, van deze Afdeling, wordt er geen observatievlucht in mindering gebracht op het quotum van beide Staten-Partijen.

10

Na afloop van de aan de vlucht voorafgaande inspectie van de aan boord van het observatievliegtuig aangebrachte sensoren en bijbehorende apparatuur stellen de geobserveerde en de observerende Partij een rapport inzake de aan de vlucht voorafgaande inspectie op, waarin wordt vermeld dat de sensoren overeenstemmen met die welke zijn gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen van Bijlage D bij het Verdrag. Ondertekening van het rapport inzake de aan de vlucht voorafgaande inspectie door de observerende Partij betekent dat zij instemt met het gebruik van dat observatievliegtuig voor het uitvoeren van een observatievlucht boven het grondgebied van de geobserveerde Partij.

AFDELING III. DEMONSTRATIEVLUCHTEN

1

Ingeval het vliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de observerende Partij voert de observerende Partij, op verzoek van de geobserveerde Partij, na de aan de vlucht voorafgaande inspectie een demonstratievlucht uit teneinde de inspecteurs in staat te stellen de werking van de tijdens de observatievlucht te gebruiken sensoren waar te nemen en voldoende gegevens te verzamelen om hen in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat het vermogen van die sensoren in overeenstemming is met de bepalingen van artikel IV, achtste lid, van het Verdrag.

2

Ingeval het vliegtuig ter beschikking wordt gesteld door de geobserveerde Partij voert de geobserveerde Partij, op verzoek van de observerende Partij, na de aan de vlucht voorafgaande inspectie een demonstratievlucht uit teneinde de inspecteurs in staat te stellen de werking van de tijdens de observatievlucht te gebruiken sensoren waar te nemen en voldoende gegevens te verzamelen om hen in staat te stellen zich ervan te vergewissen dat het vermogen van die sensoren in overeenstemming is met de bepalingen van artikel IV, negende lid, van het Verdrag.

3

Ingeval hetzij de geobserveerde, hetzij de observerende Partij gebruik maakt van haar recht te verzoeken om een demonstratievlucht:

  • A. wordt de demonstratievlucht uitgevoerd in overeenstemming met de vereisten van Bijlage D, Afdeling III;
  • B. duurt de demonstratievlucht niet langer dan twee uur;
  • C. stelt de geobserveerde Partij ijkdoelen ter beschikking in overeenstemming met de voorschriften van Aanhangsel I bij Bijlage D bij het Verdrag, zulks in de nabijheid van het vliegveld waar de aan de vlucht voorafgaande inspectie wordt verricht;
  • D. wordt een vertraging in de uitvoering van een verzoek om een demonstratievlucht, ten gevolge van weersomstandigheden of problemen met het vliegtuig of de sensoren van de geobserveerde Partij, niet in mindering gebracht op de tijd die voor zulke vluchten is voorzien, tenzij anders is overeengekomen;
  • E. verwerkt de geobserveerde Partij de door sensoren verzamelde gegevens in een inrichting in de nabijheid van het vliegveld waar de aan de vlucht voorafgaande inspectie wordt uitgevoerd, in aanwezigheid van personeel van de observerende Partij in overeenstemming met de bepalingen van artikel IX, Afdelingen II en III, van het Verdrag; en
  • F. worden de kosten van de demonstratievlucht, met inbegrip van die van de gegevensdragers en het verwerken van de gegevens, gedeeld in overeenstemming met de bepalingen van Afdeling 1, paragraaf 9, van Bijlage L bij het Verdrag.

4

Ingeval de geobserveerde Partij gebruik maakt van haar recht om een demonstratievlucht te verzoeken, heeft de observerende Partij het recht aan het in artikel VI, Afdeling I, negende lid, bepaalde tijdvak van 96 uur voor het uitvoeren van een observatievlucht ten hoogste 24 uur toe te voegen. Dit laat het recht van andere Staten-Partijen om observatievluchten uit te voeren na het oorspronkelijke tijdvak van 96 uur, als bepaald in artikel VI, Afdeling I, derde lid, van het Verdrag, onverlet.

5

Ingeval de observerende Partij gebruik maakt van haar recht om een demonstratievlucht te verzoeken, dient deze plaats te vinden binnen het in artikel VI, Afdeling 1, negende lid, van het Verdrag bepaalde tijdvak van 96 uur voor het uitvoeren van de observatievlucht.

6

Ingeval de geobserveerde Partij er niet van overtuigd is dat het vermogen van een sensor aan boord van het door de observerende Partij ter beschikking gestelde observatievliegtuig in overeenstemming is met de bepalingen van artikel IV, achtste lid, van het Verdrag, heeft de geobserveerde Partij het recht:

  • A. bij een sensor waarvan de grondresolutie afhankelijk is van de hoogte boven de grond, een andere minimumhoogte boven de grond voor te stellen waarbij de sensor gedurende de observatievlucht mag worden bediend;
  • B. bij een sensor waarvan de grondresolutie niet afhankelijk is van de hoogte boven de grond, de bediening van die sensor gedurende de observatievlucht te verbieden; of
  • C. de observatievlucht te verbieden overeenkomstig de bepalingen van artikel VIII van het Verdrag.

7

Ingeval de observerende Partij er niet van overtuigd is dat het vermogen van een sensor aan boord van het door de geobserveerde Partij ter beschikking gestelde observatievliegtuig in overeenstemming is met de bepalingen van artikel IV, negende lid, van het Verdrag, heeft de observerende Partij het recht:

  • A. in te stemmen met het gebruik van andere door de geobserveerde Partij voorgestelde sensortypen of vermogens;
  • B. bij een sensor waarvan de grondresolutie afhankelijk is van de hoogte boven de grond, een andere minimumhoogte boven de grond voor te stellen waarbij die sensor gedurende de observatievlucht mag worden bediend;
  • C. bij een sensor waarvan de grondresolutie niet afhankelijk is van de hoogte boven de grond, de observatievlucht uit te voeren zoals gepland, waarbij de kosten van de gegevensdragers voor die sensor worden gedragen door de geobserveerde Partij;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)