← Geldende tekst · Geschiedenis

Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval

Geldende tekst a fecha 2001-06-18

Preambule

De Verdragsluitende Partijen

Erkennend dat de bedrijfsvoering van kernreactoren bestraalde splijtstof en radioactief afval produceert en dat andere toepassingen van nucleaire technologieën eveneens radioactief afval produceren;

Erkennend dat dezelfde veiligheidsdoelstellingen zowel op het beheer van bestraalde splijtstof als op het beheer van radioactief afval van toepassing zijn;

Opnieuw bevestigend dat het voor de internationale gemeenschap van belang is ervoor te zorgen dat verantwoorde praktijken worden gepland en uitgevoerd voor de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval;

Erkennend dat het van belang is het publiek te informeren inzake onderwerpen met betrekking tot de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval;

Geleid door de wens een effectieve nucleaire veiligheidscultuur over de gehele wereld te bevorderen;

Opnieuw bevestigend dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval berust bij de Staat;

Erkennend dat de bepaling van een beleid inzake de splijtstofcyclus berust bij de Staat, aangezien sommige Staten bestraalde splijtstof beschouwen als een waardevol materiaal dat kan worden opgewerkt en andere Staten ervoor kiezen het op te bergen;

Erkennend dat bestraalde splijtstof en radioactief afval die niet onder dit Verdrag vallen omdat zij tot militaire of defensieprogramma's behoren, moeten worden beheerd in overeenstemming met de in dit Verdrag neergelegde doelstellingen;

Het belang bevestigend van internationale samenwerking bij het verhogen van de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en van radioactief afval door middel van bilaterale en multilaterale mechanismen en door middel van dit tot een inspanning verplichtend Verdrag;

Indachtig de behoeften van de ontwikkelingslanden, en in het bijzonder van de minst ontwikkelde landen, en van de Staten met economieën die in een overgangsfase verkeren en indachtig de noodzaak tot het vergemakkelijken van bestaande mechanismen tot het verlenen van bijstand bij het uitoefenen van hun rechten en het nakomen van hun plichten die in dit tot een inspanning verplichtend Verdrag zijn genoemd;

Ervan overtuigd dat radioactief afval, voor zover dit verenigbaar is met de veiligheid van het beheer van dergelijk materiaal, definitief opgeborgen moet worden in de Staat waar het is ontstaan, en erkennend dat onder bepaalde omstandigheden een veilig en efficiënt beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval aangemoedigd zou kunnen worden door overeenkomsten tussen de Verdragsluitende Partijen om installaties op het grondgebied van een van hen te gebruiken ten bate van de andere Partijen, in het bijzonder wanneer afval uit gezamenlijke projecten ontstaat;

Erkennend dat elke Staat het recht heeft de invoer van bestraalde splijtstof en radioactief afval van buitenlandse herkomst naar zijn grondgebied te verbieden;

Indachtig het Verdrag inzake nucleaire veiligheid (1994), het Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval (1986), het Verdrag inzake de verlening van bijstand in het geval van een nucleair ongeval of een calamiteit met radioactieve stoffen (1986), het Verdrag inzake de fysieke beveiliging van kernmateriaal (1980), het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, zoals gewijzigd (1994), en andere relevante internationale instrumenten;

Indachtig de beginselen die zijn opgenomen in de gezamenlijke „internationale basis veiligheidsnormen inzake de bescherming tegen ioniserende straling en inzake de veiligheid van stralingsbronnen” van verschillende organisaties (1996), in de veiligheidsbeginselen van de IAEA genaamd „De beginselen van het beheer van radioactief afval” (1995) en in de bestaande internationale normen met betrekking tot de veiligheid van het vervoer van radioactieve stoffen;

In herinnering brengend Hoofdstuk 22 van Agenda 21 van de conferentie van de Verenigde Naties inzake milieu en ontwikkeling in Rio de Janeiro, aangenomen in 1992, dat opnieuw het enorme belang bevestigt van het op veilige en milieuverantwoorde wijze beheren van radioactief afval;

Erkennend de wenselijkheid van de versterking van het internationale beheerssysteem dat met name van toepassing is op radioactieve stoffen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan (1989);

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK 1. DOELSTELLINGEN, BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN EN WERKINGSSFEER

Artikel 1. Doelstellingen

De doelstellingen van dit Verdrag zijn:

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag

Artikel 3. Werkingssfeer
1.

Dit Verdrag is van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof wanneer de bestraalde splijtstof resulteert uit de bedrijfsvoering van civiele kernreactoren. Bestraalde splijtstof die in opwerkingsfaciliteiten voorhanden is als onderdeel van een opwerkingsactiviteit valt niet onder de werkingssfeer van dit Verdrag, tenzij de Verdragsluitende Partij verklaart dat opwerking deel uitmaakt van het beheer van bestraalde splijtstof.

2.

Dit Verdrag is tevens van toepassing op de veiligheid van het beheer van radioactief afval wanneer dit radioactieve afval resulteert uit civiele toepassingen. Dit Verdrag is echter niet van toepassing op afval dat slechts natuurlijke radioactieve stoffen bevat en dat niet afkomstig is uit de splijtstofcyclus, tenzij het bestaat uit een buiten bedrijf genomen ingekapselde bron of door de Verdragsluitende Partij wordt aangemerkt als radioactief afval in de zin van dit Verdrag.

3.

Dit Verdrag is niet van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval binnen militaire of defensieprogramma's, tenzij deze door de Verdragsluitende Partij als bestraalde splijtstof of radioactief afval in de zin van dit Verdrag zijn aangemerkt. Dit Verdrag is echter van toepassing op de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval afkomstig uit militaire of defensieprogramma's indien en wanneer deze stoffen permanent worden overgedragen aan en beheerd worden binnen uitsluitend civiele programma's.

4.

Dit Verdrag is tevens van toepassing op lozingen overeenkomstig de artikelen 4, 7, 11, 14, 24 en 26.

HOOFDSTUK 2. VEILIGHEID VAN HET BEHEER VAN BESTRAALDE SPLIJTSTOF

Artikel 4. Algemene veiligheidseisen

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat in alle stadia van het beheer van bestraalde splijtstof personen, de samenleving en het milieu op adequate wijze beschermd zijn tegen de gevaren van radioactiviteit.

Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen:

Artikel 5. Bestaande faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de veiligheid te toetsen van elke faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof die bestaat op het tijdstip waarop het Verdrag voor die Verdragsluitende Partij in werking treedt en om te waarborgen dat, indien noodzakelijk, alle redelijkerwijs uitvoerbare verbeteringen worden aangebracht ter vergroting van de veiligheid van een dergelijke faciliteit.

Artikel 6. Keuze van de vestigingsplaats van geplande faciliteiten
1.

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om te waarborgen dat procedures worden vastgelegd en uitgevoerd voor een geplande faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof:

2.

Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen om zeker te stellen dat deze faciliteiten geen onaanvaardbare effecten hebben op andere Verdragsluitende Partijen door de vestigingsplaats van de faciliteiten te kiezen in overeenstemming met de algemene veiligheidseisen van artikel 4.

Artikel 7. Ontwerp en bouw van faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 8. Beoordeling van veiligheid van faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 9. Bedrijfsvoering van faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 10. Eindberging van bestraalde splijtstof

Indien een Verdragsluitende Partij, krachtens haar eigen wet- en regelgevend kader, bestraalde splijtstof heeft aangewezen voor opberging, geschiedt de eindberging van deze bestraalde splijtstof in overeenstemming met de verplichtingen van hoofdstuk 3 met betrekking tot de eindberging van radioactief afval.

HOOFDSTUK 3. VEILIGHEID VAN HET BEHEER VAN RADIOACTIEF AFVAL

Artikel 11. Algemene veiligheidseisen

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat in alle stadia van het beheer van radioactief afval personen, de samenleving en het milieu op adequate wijze beschermd zijn tegen gevaren van radioactiviteit en andere gevaren.

Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen:

Artikel 12. Bestaande faciliteiten en praktijken uit het verleden

Elke Verdragsluitende Partij neemt te zijner tijd passende maatregelen ter bestudering van:

Artikel 13. Keuze van de vestigingsplaats van geplande faciliteiten
1.

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om te waarborgen dat procedures worden vastgelegd en uitgevoerd voor een geplande faciliteit voor het beheer van radioactief afval:

2.

Elke Verdragsluitende Partij neemt hierbij passende maatregelen om zeker te stellen dat deze faciliteiten geen onaanvaardbare effecten hebben op andere Verdragsluitende Partijen door de vestigingsplaats van de faciliteiten te kiezen in overeenstemming met de algemene veiligheidseisen van artikel 11.

Artikel 14. Ontwerp en bouw van faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 15. Beoordeling van veiligheid van faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 16. Bedrijfsvoering van de faciliteiten

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 17. Institutionele maatregelen na de sluiting

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat na de sluiting van een eindbergingsfaciliteit:

HOOFDSTUK 4. ALGEMENE VEILIGHEIDSBEPALINGEN

Artikel 18. Uitvoeringsbepalingen

Elke Verdragsluitende Partij treft binnen het kader van haar nationale recht de wetgevende, regelgevende en bestuurlijke maatregelen en andere voorzieningen die noodzakelijk zijn ter nakoming van haar verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

Artikel 19. Wet- en regelgevend kader
1.

Elke Verdragsluitende Partij schept en handhaaft een wet- en regelgevend kader betreffende de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval.

2.

Dit wet- en regelgevend kader voorziet in:

3.

Wanneer nagegaan wordt of radioactieve stoffen aan de toepasselijke regelgeving voor radioactief afval moeten worden onderworpen houden de Verdragsluitende Partijen naar behoren rekening met de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 20. Regulerend lichaam
1.

Door elke Verdragsluitende Partij wordt een regulerend lichaam opgericht of aangewezen ter uitvoering van het in artikel 19 bedoelde wet- en regelgevend kader, dat beschikt over passende bevoegdheden, bekwaamheid en financiële en personele middelen om de zijn toegewezen taken te vervullen.

2.

Elke Verdragsluitende Partij neemt in overeenstemming met haar wet- en regelgevend kader passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de regelgevende taken daadwerkelijk onafhankelijk zijn van andere taken indien organisaties die zowel bij het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval als met de regelgeving ter zake betrokken zijn.

Artikel 21. Verantwoordelijkheid van de vergunninghouder
1.

Elke Verdragsluitende Partij zorgt ervoor dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de veiligheid van een installatie voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval berust bij de houder van de desbetreffende vergunning en neemt passende maatregelen om te waarborgen dat iedere vergunninghouder zijn verantwoordelijkheid in acht neemt.

2.

Indien er geen vergunninghouder of andere verantwoordelijke partij is, berust de verantwoordelijkheid bij de Verdragsluitende Partij die de jurisdictie heeft over de bestraalde splijtstof of over het radioactieve afval.

Artikel 22. Personele en financiële middelen

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat:

Artikel 23. Kwaliteitsborging

Elke Verdragsluitende Partij neemt de noodzakelijke maatregelen om zeker te stellen dat passende programma's voor kwaliteitsborging inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en radioactief afval worden opgezet en uitgevoerd.

Artikel 24. Bescherming tegen straling tijdens de bedrijfsvoering
1.

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat gedurende de operationele levensduur van een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval:

2.

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat lozingen worden beperkt:

3.

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat tijdens de operationele levensduur van een gereguleerde kerninstallatie, in het geval dat een niet-geplande of ongecontroleerde emissie van radioactieve stoffen in het milieu geschiedt, passende corrigerende maatregelen worden getroffen om de lozingen te beheersen en de effecten ervan te beperken.

Artikel 25. Voorbereiding op noodsituaties
1.

Elke Verdragsluitende Partij stelt zeker dat er voor en tijdens de bedrijfsvoering van een installatie voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval passende interne en, indien nodig, externe rampenbestrijdingsplannen bestaan. Deze rampenbestrijdingsplannen dienen regelmatig te worden getest.

2.

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen voor het opstellen en testen van rampenbestrijdingsplannen voor haar grondgebied, voor zover zij zou kunnen worden getroffen door een ongeval met stralingsgevolgen in een faciliteit voor het beheer van bestraalde splijtstof of radioactief afval in de nabijheid van haar grondgebied.

Artikel 26. Buitenbedrijfstelling

Elke Verdragsluitende Partij neemt passende maatregelen om de veiligheid van de buitenbedrijfstelling van een kerninstallatie zeker te stellen. Deze maatregelen moeten waarborgen dat:

HOOFDSTUK 5. DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 27. Grensoverschrijdende overbrenging
1.

Elke Verdragsluitende Partij die betrokken is bij een grensoverschrijdende overbrenging neemt passende maatregelen om zeker te stellen dat deze overbrenging geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en van relevante bindende internationale instrumenten.

Hierbij:

2.

Een Verdragsluitende Partij verleent geen vergunning voor de overbrenging van haar bestraalde splijtstof of radioactief afval ten behoeve van opslag of eindberging naar een bestemming ten zuiden van 60 graden zuiderbreedte.

3.

Niets in dit Verdrag maakt inbreuk op of doet afbreuk aan:

Artikel 28. Uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen
1.

Elke Verdragsluitende Partij neemt binnen het kader van haar nationale wetgeving, passende maatregelen om zeker te stellen dat het bezit, het voor hergebruik geschikt maken of opbergen van uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen op een veilige wijze plaatsvindt.

2.

Een Verdragsluitende Partij staat toe dat uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen naar haar grondgebied terugkeren indien zij, binnen het kader van haar nationale wetgeving, heeft aanvaard dat deze worden teruggezonden naar een fabrikant die gekwalificeerd is uit bedrijf genomen, ingekapselde bronnen te ontvangen en in bezit te hebben.

HOOFDSTUK 6. VERGADERINGEN VAN DE VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 29. Voorbereidende vergadering
1.

Uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt een voorbereidende vergadering van de Verdragsluitende Partijen gehouden.

2.

Op deze vergadering zullen de Verdragsluitende Partijen:

3.

Elke Staat of elke regionale organisatie strevend naar integratie dan wel van andere aard, die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt, bevestigt of ertoe toetreedt en waarvoor het Verdrag nog niet in werking is getreden kan de voorbereidende vergadering bijwonen alsof hij c.q. zij Partij bij dit Verdrag was.

Artikel 30. Toetsingsvergaderingen
1.

De Verdragsluitende Partijen houden vergaderingen ter toetsing van de ingevolge artikel 32 ingediende rapporten.

2.

Op elke toetsingsvergadering:

3.

Op elke toetsingsvergadering wordt elke Verdragsluitende Partij een redelijke mogelijkheid geboden de door andere Verdragsluitende Partijen ingediende rapporten te bespreken en te vragen om een toelichting ter zake.

Artikel 31. Buitengewone vergaderingen

Er wordt een buitengewone vergadering van de Verdragsluitende Partijen gehouden:

Artikel 32. Rapportage
1.

In overeenstemming met het bepaalde in artikel 30 dient elke Verdragsluitende Partij een nationaal rapport in op elke toetsingsvergadering van de Verdragsluitende Partijen. Dit rapport heeft betrekking op de maatregelen die zijn genomen ter nakoming van elk van de verplichtingen van het Verdrag. Voor elke Verdragsluitende Partij heeft het rapport tevens betrekking op:

2.

Dit rapport bevat tevens:

Artikel 33. Deelname
1.

Elke Verdragsluitende Partij neemt deel aan de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen en wordt daar vertegenwoordigd door één afgevaardigde en door plaatsvervangers, deskundigen en adviseurs, in zoverre zij dit noodzakelijk acht.

2.

De Verdragsluitende Partijen kunnen, bij consensus, iedere intergouvernementele organisatie die deskundig is met betrekking tot de in dit Verdrag geregelde aangelegenheden uitnodigen als waarnemer aan een vergadering of bepaalde zittingen daarvan deel te nemen. Waarnemers dienen schriftelijk en van te voren in te stemmen met het bepaalde in artikel 36.

Artikel 34. Samenvattend verslag

De Verdragsluitende Partijen hechten, bij consensus, hun goedkeuring aan een document betreffende tijdens vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen besproken onderwerpen en getrokken conclusies en stellen dit ter beschikking van het publiek.

Artikel 35. Talen
1.

De voertalen tijdens vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen zijn het Arabisch, het Chinees, het Engels, het Frans, het Russisch en het Spaans, tenzij in het reglement van orde anders is bepaald.

2.

De ingevolge artikel 32 in te dienen rapporten worden opgesteld in de landstaal van de indienende Verdragsluitende Partij of in één hiertoe aangewezen taal, vastgelegd in het reglement van orde. Indien het rapport wordt ingediend in een landstaal die niet de in het reglement van orde aangewezen taal is, verstrekt de Verdragsluitende Partij een vertaling van het rapport in de aangewezen taal.

3.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, verzorgt het secretariaat, tegen vergoeding, de vertaling in de aangewezen taal van rapporten die in een andere ter vergadering gebezigde voertaal zijn ingediend.

Artikel 36. Vertrouwelijkheid
1.

De bepalingen van dit Verdrag laten de rechten en verplichtingen onverlet die de Verdragsluitende Partijen krachtens hun wetgeving hebben met betrekking tot de bescherming van informatie tegen openbaarmaking. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „informatie" mede verstaan: informatie met betrekking tot de nationale veiligheid of de fysieke bescherming van kernmateriaal, informatie die wordt beschermd uit hoofde van de intellectuele eigendom of uit hoofde van het fabrieks- en handelsgeheim, en persoonsgegevens.

2.

Wanneer, in het kader van dit Verdrag, een Verdragsluitende Partij informatie verstrekt die door haar is aangemerkt als beschermd in de zin van het eerste lid, wordt deze informatie uitsluitend gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij werd verstrekt en wordt het vertrouwelijk karakter daarvan geëerbiedigd.

3.

Wat betreft de informatie inzake de bestraalde splijtstof of het radioactief afval die krachtens artikel 3, derde lid, onder de werkingssfeer van dit Verdrag valt, doen de bepalingen van dit Verdrag geen afbreuk aan de uitsluitende bevoegdheid van de betrokken Verdragsluitende Partij om te beslissen:

4.

De inhoud van de besprekingen gedurende het toetsen van de nationale rapporten op iedere krachtens artikel 30 gehouden toetsingsvergadering is vertrouwelijk.

Artikel 37. Secretariaat
1.

De Internationale Organisatie voor Atoomenergie (hierna te noemen de „Organisatie") treedt op als secretariaat voor de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen.

2.

Het secretariaat:

De door de Organisatie gemaakte kosten ter verrichting van de onder i. en ii. bedoelde taken, worden gedragen door de Organisatie ten laste van haar gewone begroting.

3.

De Verdragsluitende Partijen kunnen, bij consensus, de Organisatie verzoeken andere diensten te verlenen ter ondersteuning van de vergaderingen van de Verdragsluitende Partijen. De Organisatie kan deze diensten verlenen indien daarvoor ruimte is in haar programma en haar gewone begroting. Mocht daarvoor geen ruimte zijn, dan kan de Organisatie bedoelde diensten verlenen indien wordt gezorgd voor vrijwillige financiering uit een andere bron.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN EN ANDERE BEPALINGEN

Artikel 38. Oplossen van verschillen van mening

In geval van een verschil van mening tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen betreffende de interpretatie of toepassing van dit Verdrag, plegen de Verdragsluitende Partijen overleg in het kader van een vergadering van de Verdragsluitende Partijen teneinde een oplossing te vinden voor het verschil van mening. Wanneer het overleg niet tot een oplossing leidt, kan een beroep worden gedaan op de mechanismen van bemiddeling, conciliatie en arbitrage die zijn neergelegd in het internationale recht, met inbegrip van de binnen de IAEA geldende regels en praktijken.

Artikel 39. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, toetreding
1.

Dit Verdrag staat voor alle Staten open voor ondertekening op de zetel van de Organisatie te Wenen van 29 september 1997 tot aan zijn inwerkingtreding.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de ondertekenende Staten.

3.

Na inwerkingtreding staat dit Verdrag voor alle Staten open voor toetreding.

5.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring, toetreding of bevestiging dienen te worden nedergelegd bij de depositaris.

Artikel 40. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging bij de depositaris van de vijfentwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, waaronder de akten van vijftien Staten die elk een in bedrijf zijnde kerncentrale hebben.

2.

Voor elke Staat of regionale organisatie strevend naar integratie dan wel van andere aard die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt, bevestigt of ertoe toetreedt na de datum van nederlegging van de laatste akte die is vereist om te voldoen aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden, treedt dit Verdrag in werking op de negentigste dag na de datum van nederlegging bij de depositaris van de desbetreffende akte door die Staat of organisatie.

Artikel 41. Wijzigingen van het Verdrag
1.

Elke Verdragsluitende Partij kan een wijziging van dit Verdrag voorstellen. Voorgestelde wijzigingen worden bestudeerd op een toetsingsvergadering of een buitengewone vergadering.

2.

De tekst van een voorgestelde wijziging en de redenen daarvoor worden verstrekt aan de depositaris, die het voorstel ten minste negentig dagen voor de vergadering waarop het voorstel ter bestudering wordt voorgelegd doet toekomen aan de Verdragsluitende Partijen. Alle naar aanleiding van het voorstel binnengekomen commentaar wordt door de depositaris toegezonden aan de Verdragsluitende Partijen.

3.

Na bestudering van de voorgestelde wijziging besluiten de Verdragsluitende Partijen of zij het voorstel aannemen bij consensus dan wel, indien geen consensus wordt bereikt, of zij het voorleggen aan een diplomatieke conferentie. Voor een besluit tot het voorleggen van een voorgestelde wijziging aan een diplomatieke conferentie is een meerderheid vereist van tweederde van de ter vergadering aanwezige Verdragsluitende Partijen die hun stem uitbrengen, mits op het tijdstip van stemming ten minste de helft van de Verdragsluitende Partijen aanwezig is.

4.

De diplomatieke conferentie waarop wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden bestudeerd en aangenomen, wordt door de depositaris belegd en vindt plaats uiterlijk een jaar nadat het desbetreffende besluit is genomen in overeenstemming met het derde lid van dit artikel. De diplomatieke conferentie stelt alles in het werk om ervoor te zorgen dat wijzigingen bij consensus worden aangenomen. Mocht dit niet mogelijk blijken, dan worden wijzigingen aangenomen met een meerderheid van tweederde van alle Verdragsluitende Partijen.

5.

Wijzigingen van dit Verdrag die zijn aangenomen overeenkomstig het derde en vierde lid, dienen door de Verdragsluitende Partijen te worden bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of bevestigd en worden voor de Verdragsluitende Partijen die ze hebben bekrachtigd, aanvaard, goedgekeurd of bevestigd van kracht op de negentigste dag na de ontvangst door de depositaris van de desbetreffende akten van ten minste twee derden van de Verdragsluitende Partijen. Ten aanzien van een Verdragsluitende Partij die bedoelde wijzigingen daarna bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of bevestigt, worden zij van kracht op de negentigste dag na de nederlegging van de desbetreffende akte door die Verdragsluitende Partij.

Artikel 42. Opzegging
1.

Elke Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris.

2.

De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de depositaris of op een in de kennisgeving vermelde latere datum.

Artikel 43. Depositaris
1.

De Directeur-Generaal van de Organisatie is depositaris van dit Verdrag.

2.

De depositaris stelt de Verdragsluitende Partijen in kennis van:

Artikel 44. Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de depositaris, die gewaarmerkte afschriften daarvan doet toekomen aan de Verdragsluitende Partijen.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized to that effect, have signed this Convention.

DONE at Vienna on the fifth day of September, one thousand nine hundred and ninetyseven.