← Geldende tekst · Geschiedenis

Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van terrorisme

Geldende tekst a fecha 2002-04-10

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van goed nabuurschap, vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

Ernstig bezorgd over de toename over de gehele wereld van daden van terrorisme, in al zijn gedaantes en verschijningsvormen;

In herinnering brengend de Verklaring van 24 oktober 1995 ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van de Verenigde Naties, vervat in resolutie 50/6 van de Algemene Vergadering van 24 oktober 1995;

Tevens in herinnering brengend alle relevante resoluties terzake van de Algemene Vergadering, waaronder resolutie 49/60 van 9 december 1994 met als bijlage de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme, waarin de lidstaten van de Verenigde Naties opnieuw plechtig hun ondubbelzinnige veroordeling bevestigen van alle terroristische daden, methoden en praktijken als misdadig en ongerechtvaardigd, ongeacht waar en door wie zij zijn begaan, met inbegrip van daden die de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en volkeren schaden en de territoriale integriteit en veiligheid van Staten bedreigen;

Vaststellend dat de Verklaring inzake maatregelen tot uitbanning van internationaal terrorisme Staten tevens aanmoedigt het toepassingsgebied van de bestaande internationale wettelijke bepalingen inzake de preventie, bestrijding en uitbanning van terrorisme in al zijn gedaantes en verschijningsvormen spoedig te herzien teneinde een volledig wettelijk kader te scheppen dat alle aspecten van terrorisme omvat;

In herinnering brengend resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996, derde alinea, onderdeel f., waarin de Vergadering alle Staten opriep om stappen te ondernemen voor het, met passende nationale maatregelen, voorkomen en verhinderen van de financiering van terroristen en terroristische organisaties, of deze financiering nu rechtstreeks is of onrechtstreeks via organisaties die ook liefdadige, sociale of culturele doelstellingen hebben of voorgeven te hebben of die tevens zijn betrokken bij wederrechtelijke activiteiten zoals onwettige wapenhandel, handel in verdovende middelen en afpersing, waaronder het inzetten van personen ten dienste van het financieren van terroristische activiteiten, en in het bijzonder om te overwegen waar nodig regulerende maatregelen te nemen voor het voorkomen en verhinderen van verkeer van fondsen waarvan wordt vermoed dat zij bestemd zijn voor terroristische doeleinden, zonder op enige wijze de vrijheid van rechtmatig kapitaalverkeer te belemmeren, alsmede de uitwisseling van informatie over het internationale verkeer van dergelijke fondsen te intensiveren;

Tevens in herinnering brengend resolutie 52/165 van de Algemene Vergadering van 15 december 1997, waarin de Vergadering Staten opriep in het bijzonder aandacht te schenken aan de uitvoering van de maatregelen in de derde alinea a. tot en met f. van haar resolutie 51/210 van 17 december 1996;

Voorts in herinnering brengend resolutie 53/108 van de Algemene Vergadering van 8 december 1998, waarin de Vergadering besloot dat het bij resolutie 51/210 van de Algemene Vergadering van 17 december 1996 ingestelde Comité ad hoc een ontwerp moest opstellen voor een internationaal verdrag ter bestrijding van de financiering van het terrorisme, als aanvulling op hiermee verband houdende bestaande internationale instrumenten;

Overwegende dat de financiering van terrorisme de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrust;

Vaststellend dat aantal en ernst van daden van internationaal terrorisme afhankelijk is van de financiering die terroristen kunnen verkrijgen;

Tevens vaststellend dat de bestaande multilaterale juridische instrumenten zich niet expliciet richten op dergelijke financiering;

Overtuigd van de dringende noodzaak tot verbetering van de internationale samenwerking tussen Staten bij het opstellen en nemen van doeltreffende maatregelen ter voorkoming van de financiering van terrorisme, alsmede ter bestrijding ervan door vervolging en bestraffing van de daders;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Een persoon pleegt een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag indien deze persoon met enig middel, rechtstreeks of onrechtstreeks, wederrechtelijk en opzettelijk fondsen verstrekt of vergaart met de bedoeling die te gebruiken of met de wetenschap dat die, geheel of gedeeltelijk, gebruikt zullen worden ter uitvoering van:

3.

Om een gedraging/handeling een strafbaar feit te doen zijn als omschreven in het eerste lid, is het niet noodzakelijk dat de fondsen feitelijk zijn gebruikt voor het plegen van een strafbaar feit bedoeld in het eerste lid, onderdelen a. of b.

4.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon een poging doet tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van het eerste lid van dit artikel.

5.

Een persoon pleegt eveneens een strafbaar feit indien deze persoon:

Artikel 3

Dit Verdrag is niet van toepassing indien het strafbare feit wordt gepleegd binnen één Staat, de vermoedelijke dader een onderdaan is van die Staat en zich bevindt op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een grond heeft krachtens artikel 7, eerste lid, of artikel 7, tweede lid, tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van de artikelen 12 tot en met 18, voor zover deze zich daartoe lenen, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.

Artikel 4

Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om:

Artikel 5
1.

Elke Staat die Partij is neemt, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, de noodzakelijke maatregelen om een op zijn grondgebied gevestigde of krachtens zijn wetten georganiseerde rechtspersoon aansprakelijk te stellen wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor de leiding van of het toezicht op die rechtspersoon, in die hoedanigheid, een in artikel 2 omschreven strafbaar feit heeft gepleegd. Deze aansprakelijkheid kan straf-, civiel- of bestuursrechtelijk zijn.

2.

Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.

3.

Elke Staat die Partij is ziet er in het bijzonder op toe dat de overeenkomstig het bovenstaande eerste lid aansprakelijke rechtspersonen worden onderworpen aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende straf-, civiel- of bestuursrechtelijke sancties. Dergelijke sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.

Artikel 6

Elke Staat die Partij is treft de nodige maatregelen, eventueel met inbegrip van de benodigde nationale wetgeving, om te verzekeren dat strafbare gedragingen/handelingen die vallen binnen het toepassingsgebied van dit Verdrag onder geen enkele omstandigheid worden gerechtvaardigd door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of andere soortgelijke aard.

Artikel 7
1.

Elke Staat die Partij is neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten indien:

2.

Een Staat die Partij is kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vestigen indien:

3.

Elke Staat die Partij is en die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties in kennis van de rechtsmacht die hij overeenkomstig het tweede lid heeft gevestigd. Indien zich wijzigingen voordoen, stelt de betrokken Staat die Partij is de Secretaris-Generaal daarvan onmiddellijk in kennis.

4.

Elke Staat die Partij is neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat die Partij is en die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste of tweede lid.

5.

Wanneer meer dan een Staat die Partij is aanspraak maakt op rechtsmacht met betrekking tot de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, streven de betrokken Staten die Partij zijn ernaar hun optreden op passende wijze te coördineren, in het bijzonder betreffende de voorwaarden voor vervolging en de modaliteiten voor wederzijdse rechtshulp.

6.

Onverminderd de maatstaven van algemeen internationaal recht sluit dit Verdrag niet de uitoefening uit van enige rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden die een Staat die Partij is in overeenstemming met zijn nationale wetgeving heeft gevestigd.

Artikel 8
1.

Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor het identificeren, opsporen en bevriezen of in beslag nemen van alle fondsen gebruikt of bestemd ten dienste van het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, alsmede de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten, ten behoeve van eventuele verbeurdverklaring.

2.

Elke Staat die Partij is neemt passende maatregelen, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen, voor de verbeurdverklaring van fondsen gebruikt of bestemd ten dienste van het plegen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten en de opbrengsten afkomstig van dergelijke strafbare feiten.

3.

Elke betrokken Staat kan overwegen verdragen te sluiten inzake het delen met andere Staten die Partij zijn, op reguliere basis of van geval tot geval, van de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen.

4.

Elke Staat die Partij is overweegt het instellen van mechanismen waarmee de fondsen afkomstig van de in dit artikel bedoelde verbeurdverklaringen worden aangewend voor het schadeloos stellen van de slachtoffers van strafbare feiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a. of b., of hun verwanten.

5.

De bepalingen van dit artikel worden toegepast onverminderd de rechten van te goeder trouw handelende derden.

Artikel 9
1.

Indien een Staat die Partij is informatie verkrijgt dat de pleger of vermoedelijke pleger van een in artikel 2 omschreven strafbaar feit zich mogelijk op zijn grondgebied bevindt, neemt de desbetreffende Staat die Partij is de maatregelen die krachtens zijn nationale recht nodig zijn voor een onderzoek naar de in de verstrekte informatie opgenomen feiten.

2.

Een Staat die Partij is en op wiens grondgebied de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, neemt, indien hij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in overeenstemming met zijn nationale recht de passende maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon ten behoeve van strafvervolging of uitlevering.

3.

Een ieder tegen wie de in het tweede lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht:

4.

De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.

5.

De bepalingen van het derde en vierde lid gelden onverminderd het recht van een Staat die Partij is die zich beroept op rechtsmacht overeenkomstig artikel 7, eerste lid, onderdeel c., of tweede lid, onderdeel d., het Internationale Comité van het Rode Kruis te verzoeken zich in verbinding te stellen met de vermoedelijke dader en deze te bezoeken.

6.

Wanneer een Staat die Partij is krachtens dit artikel een persoon in detentie heeft gesteld, stelt hij de Staten die Partij zijn die overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid, hun rechtsmacht hebben gevestigd, alsmede wanneer hij dit nodig acht alle andere belanghebbende Staten die Partij zijn, rechtstreeks of via de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, onverwijld in kennis van het feit dat de betrokken persoon in detentie is gesteld en van de omstandigheden die zijn detentie rechtvaardigen. De Staat die het in het eerste lid bedoelde onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mee aan genoemde Staten die Partij zijn en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

Artikel 10
1.

De Staat die Partij is op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader zich bevindt, is, in de gevallen waarop artikel 7 van toepassing is, indien hij deze persoon niet uitlevert, zonder enige uitzondering en ongeacht of het strafbare feit op zijn grondgebied is gepleegd of niet, verplicht de zaak zonder onnodige vertraging over te dragen aan zijn bevoegde autoriteiten voor vervolging door middel van een procedure overeenkomstig het recht van die Staat. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander strafbaar feit van ernstige aard krachtens het recht van die Staat.

2.

Wanneer het een Staat die Partij is op grond van zijn nationale wetgeving alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te leveren op voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Staat om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de procedure waarvoor de uitlevering of overgave van de persoon werd verzocht, en deze Staat en de Staat die verzoekt om uitlevering van de persoon instemmen met deze optie en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overgave voldoende voor ontheffing van de in het eerste lid omschreven verplichting.

Artikel 11
1.

Voordat dit Verdrag in werking treedt, worden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten in alle tussen de Staten die Partij zijn bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Staten die Partij zijn verplichten zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat vervolgens tussen hen wordt gesloten.

2.

Indien een Staat die Partij is die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat die Partij is waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat die Partij is, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.

3.

Staten die Partij zijn die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in artikel 2 omschreven strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.

4.

Voor uitlevering tussen Staten die Partij zijn worden de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, indien nodig, ten behoeve van uitlevering tussen Staten die Partij zijn, beschouwd als niet alleen begaan op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Staten die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 7, eerste en tweede lid.

5.

De bepalingen van alle uitleveringsverdragen en -regelingen die tussen de Staten die Partij zijn bestaan met betrekking tot de strafbare feiten omschreven in artikel 2, worden geacht tussen die Staten die Partij zijn te zijn gewijzigd voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit Verdrag.

Artikel 12
1.

De Staten die Partij zijn verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp bij strafrechtelijke onderzoeken, bij strafzaken of bij uitleveringsprocedures op grond van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten, met inbegrip van rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor het proces.

2.

De Staten die Partij zijn kunnen een verzoek om wederzijdse rechtshulp niet weigeren op grond van het bankgeheim.

3.

De verzoekende Partij stelt niet ter beschikking noch maakt gebruik van inlichtingen of bewijs, verschaft door de aangezochte Partij voor onderzoek, vervolging of procedures, die niet vermeld worden in het verzoek, zonder de voorafgaande toestemming van de aangezochte Partij.

4.

Elke Staat die Partij is kan overwegen mechanismen in te stellen om andere Staten die Partij zijn deelgenoot te maken van inlichtingen of bewijs benodigd om straf-, civiel- of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen uit hoofde van artikel 5.

5.

De Staten die Partij zijn komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste en tweede lid na in overeenstemming met de verdragen en regelingen inzake wederzijdse rechtshulp of uitwisseling van inlichtingen die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen of regelingen ontbreken, verlenen de Staten die Partij zijn elkaar rechtshulp overeenkomstig hun nationale recht.

Artikel 13

Geen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, beschouwd als een fiscaal delict. Dienovereenkomstig mogen Staten die Partij zijn geen verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp weigeren met als enige reden dat het een fiscaal delict betreft.

Artikel 14

Geen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk delict niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.

Artikel 15

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Staat die Partij is ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering voor in artikel 2 omschreven strafbare feiten of tot wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging, of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Artikel 16
1.

Een persoon die in detentie zit of een straf ondergaat op het grondgebied van een Staat die Partij is, en om wiens aanwezigheid op het grondgebied van een andere Staat die Partij is wordt verzocht voor identificatie, een getuigenverklaring of voor het op andere wijze verlenen van medewerking ter verkrijging van bewijs voor onderzoek of vervolging inzake in artikel 2 omschreven strafbare feiten, mag worden overgebracht, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

2.

Voor de toepassing van dit artikel:

3.

Tenzij de Staat die Partij is vanwaar een persoon overeenkomstig dit artikel moet worden overgebracht daarvoor toestemming geeft, wordt die persoon, ongeacht zijn of haar nationaliteit, niet vervolgd of in detentie gesteld, noch aan enige andere beperking van zijn of haar persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waarnaar deze persoon wordt overgebracht, wegens feiten of veroordelingen voorafgaand aan zijn of haar vertrek uit het grondgebied van de Staat vanwaar deze persoon werd overgebracht.

Artikel 17

Een ieder die in detentie wordt gesteld of tegen wie andere maatregelen worden getroffen of een proces aanhangig wordt gemaakt op grond van dit Verdrag, heeft recht op een eerlijke behandeling, met inbegrip van het genot van alle rechten en waarborgen in overeenstemming met de wetgeving van de Staat op wiens grondgebied die persoon zich bevindt en de toepasselijke bepalingen van het internationaal recht, met inbegrip van die bepalingen die betrekking hebben op de rechten van de mens.

Artikel 18
1.

De Staten die Partij zijn werken samen ter voorkoming van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten door alle uitvoerbare maatregelen te nemen, onder meer door aanpassing van hun nationale recht, zo nodig, ter voorkoming en verijdeling van voorbereidingen op hun respectieve grondgebieden die zijn gericht op het plegen, al dan niet op hun grondgebied, van deze strafbare feiten, met inbegrip van:

2.

De Staten die Partij zijn werken voorts samen bij het voorkomen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten door te overwegen:

3.

De Staten die Partij zijn werken voorts samen bij het voorkomen van de in artikel 2 omschreven strafbare feiten door het uitwisselen van nauwkeurige en gecontroleerde inlichtingen in overeenstemming met hun nationale recht en het coördineren van bestuursrechtelijke en andere maatregelen die, waar nodig, worden genomen ter voorkoming van het plegen van in artikel 2 omschreven strafbare feiten, met name door:

4.

Staten die Partij zijn kunnen informatie uitwisselen via de Internationale Politie Organisatie (Interpol).

Artikel 19

De Staat die Partij is waar de vermoedelijke dader wordt vervolgd deelt, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving of de toepasselijke procedures, de afloop van de procedures mede aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de inlichtingen zal mededelen aan de andere Staten die Partij zijn.

Artikel 20

De Staten die Partij zijn komen hun verplichtingen uit hoofde van dit Verdrag na op een wijze die in overeenstemming is met de beginselen van soevereine gelijkheid en territoriale integriteit van Staten en van non-interventie in de interne aangelegenheden van andere Staten.

Artikel 21

Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van Staten en personen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen van het Handvest van de Verenigde Naties, internationaal humanitair recht en andere relevante verdragen.

Artikel 22

Niets in dit Verdrag geeft een Staat die Partij is de bevoegdheid op het grondgebied van een andere Staat die Partij is rechtsmacht uit te oefenen of functies te vervullen die door zijn nationale wetgeving uitsluitend zijn voorbehouden aan de autoriteiten van die andere Staat die Partij is.

Artikel 23
1.

De bijlage kan worden gewijzigd door toevoeging van relevante verdragen die:

2.

Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan elke Staat een dergelijke wijziging voorstellen. Elk voorstel tot wijziging wordt aan de depositaris in schriftelijke vorm meegedeeld. De depositaris deelt voorstellen die aan de eisen van het eerste lid voldoen mede aan alle Staten die Partij zijn en vraagt hun oordeel of de voorgestelde wijziging dient te worden aangenomen.

3.

De voorgestelde wijziging wordt geacht te zijn aangenomen tenzij een derde van de Staten die Partij zijn er uiterlijk binnen 180 dagen na de verzending bij schriftelijke kennisgeving bezwaar tegen maakt.

4.

De aangenomen wijziging van de bijlage wordt 30 dagen na de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van deze wijziging van kracht voor alle Staten die Partij zijn die een dergelijke akte hebben nedergelegd. Voor elke Staat die Partij is die de wijziging bekrachtigt, aanvaardt of goedkeurt na de nederlegging van de tweeëntwintigste akte, wordt de wijziging van kracht op de dertigste dag na de nederlegging door deze Staat die Partij is van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.

Artikel 24
1.

Elk geschil tussen twee of meer Staten die Partij zijn inzake de uitleg of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandeling kan worden beslecht, wordt op verzoek van één van hen onderworpen aan arbitrage. Indien de partijen binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage er niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van deze arbitrage, kan ieder van deze partijen het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.

2.

Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag, dan wel bij toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het eerste lid. De overige Staten die Partij zijn, zijn tegenover een Staat die Partij is en die dit voorbehoud heeft gemaakt niet gebonden door het eerste lid.

3.

Een Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het tweede lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 25
1.

Dit Verdrag staat van 10 januari 2000 tot en met 31 december 2001 open voor ondertekening voor alle Staten op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York.

2.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

3.

Dit Verdrag staat open voor toetreding door alle Staten. De akten van toetreding dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 26
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag volgend op de datum van nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

2.

Ten aanzien van iedere Staat die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt na de datum van de nederlegging van de tweeëntwintigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging door de betreffende Staat van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 27
1.

Iedere Staat die Partij is kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

2.

Een opzegging wordt van kracht één jaar na de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 28

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften hiervan aan alle Staten doet toekomen.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Convention, opened for signature at United Nations Headquarters in New York on 10 January 2000.