Protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau

Type Verdrag
Publication 2021-07-15
State In force
Source BWB
artikelen 22
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • x. „emissiegrenswaarde (EGW)”: de maximumhoeveelheid VOS (uitgezonderd methaan) die wordt uitgestoten uit een installatie die gedurende normale werking niet mag worden overschreden. Voor afgassen wordt zij uitgedrukt in termen van massa VOS per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg C/m3 tenzij anders aangegeven), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas. Gasvolumes die worden toegevoegd om de afgassen te koelen of te verdunnen worden niet meegeteld bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas. Emissiegrenswaarden voor afgassen worden aangeduid met EGWc; emissiegrenswaarden voor diffuse emissies worden aangeduid met EGWf;
  • y. „normale werking”: alle perioden van werking met uitzondering van het in gebruik nemen, het buiten gebruik stellen en het onderhouden van apparatuur;
  • z. „stoffen die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid” zijn onderverdeeld in twee categorieën:
  • i. gehalogeneerde VOS met het mogelijke risico van onomkeerbare gevolgen; of
  • ii. gevaarlijke stoffen die carcinogenen of mutagenen zijn of die toxisch zijn voor de voortplanting of die kanker of erfelijke genetische schade kunnen veroorzaken, door inhaleren kanker kunnen veroorzaken, de vruchtbaarheid kunnen aantasten of schade kunnen toebrengen aan het ongeboren kind;
  • aa. „fabricage van schoeisel”: elke activiteit met betrekking tot de fabricage van volledig schoeisel of delen daarvan;
  • bb. „verbruik van oplosmiddelen”: de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele VOS die voor hergebruik worden teruggewonnen;

4

Aan de volgende vereisten dient te worden voldaan:

  • a. Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of door berekeningen4)Berekeningsmethoden worden weerspiegeld in een door het Uitvoerend Orgaan aangenomen richtlijn. waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de EGW wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring of elke andere technisch betrouwbare methode. Bij emissies van afgassen worden bij ononderbroken metingen de EGW nageleefd indien het gevalideerde dagelijks gemiddelde van de emissie de EGW niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende methoden voor vaststelling, worden de EGW nageleefd wanneer het gemiddelde van alle meetresultaten of andere procedures bij een monitoringsoperatie de grenswaarden niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden. De diffuse en totale EGW worden als jaarlijkse gemiddelden toegepast;
  • b. De concentraties aan luchtverontreinigende stoffen in gasvoerende kanalen worden op een representatieve wijze gemeten. Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde systemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit.

5

De volgende EGW zijn van toepassing op afgassen die stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid:

  • a. 20 mg/m3 (uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen) voor uitstoot van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen, die de volgende risicoaanduidingen dragen: „wordt ervan verdacht kanker te veroorzaken” en/of „wordt ervan verdacht genetische schade te veroorzaken”, wanneer de massastroom van de som van de betrokken verbindingen groter is dan of gelijk is aan 100 g/h; en
  • b. 2 mg/m3 (uitgedrukt als de massasom van afzonderlijke verbindingen) voor uitstoot van VOS, die de volgende risicoaanduidingen dragen: „kan kanker veroorzaken”, „kan erfelijke genetische schade veroorzaken”, „kan kanker veroorzaken bij inademing”, “kan de vruchtbaarheid schaden”, „kan het ongeboren kind schaden”, wanneer de massastroom van de som van de betrokken verbindingen groter is dan of gelijk is aan 10 g/u.

6

Wanneer bij de in de paragrafen 9 tot en met 22 vermelde categorieën bronnen wordt aangetoond dat de diffuse-emissiegrenswaarde (EGWf) technisch en economisch niet haalbaar is voor een afzonderlijke installatie, kan een Partij voor die installatie ontheffing verlenen op voorwaarde dat er geen aanmerkelijke risico’s voor de menselijke gezondheid of het milieu zijn te verwachten en dat er gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken.

7

De grenswaarden voor VOS-emissies voor de categorieën van bronnen die in paragraaf 3 staan omschreven zijn zoals aangegeven in de onderstaande paragrafen 8 tot en met 22.

8

Opslag en distributie van benzine:

  • a. Opslaginstallaties voor benzine bij terminals, die boven de in tabel 1 genoemde grenswaarden uitkomen, dienen ofwel:
  • i. tanks met een vast dak te zijn, verbonden met een dampterugwinningseenheid die voldoet aan de in tabel 1 vervatte EGW; ofwel
  • ii. ontworpen te zijn met hetzij een uitwendig, hetzij een inwendig drijvend dak, dat is voorzien van primaire en secundaire afdichtingen die voldoen aan de in tabel 1 vervatte reductie-efficiency.
  • b. In afwijking van de bovengenoemde vereisten dienen tanks met een vast dak die vóór 1 januari 1996 in bedrijf waren en die niet zijn aangesloten op een dampterugwinningseenheid te zijn voorzien van een primaire afdichting met een reductie-efficiency van 90%.
Activiteit Drempelwaarde EGW of reductie-efficiency
Laden en lossen van mobiele containers bij terminals jaarlijks debiet 5.000 m3 benzine 10g VOS/m3 met inbegrip van methaan1)
Opslaginstallaties bij terminals Bestaande terminals of tankparken met een jaarlijks debiet van 10.000 Mg per jaar of meer. Nieuwe terminals (zonder grenswaarden, uitgezonderd terminals op kleine afgelegen eilanden met een debiet van minder dan 5.000 Mg per jaar). 95 wt-%2)
Benzinestations Debiet meer dan 100 m3 benzine per jaar 0.01wt-% van het debiet3)
  • 1) De damp die door het vullen van benzineopslagtanks wordt verdrongen, dient te worden afgevoerd naar andere opslagtanks of naar nabehandelingsapparatuur die voldoet aan de grenswaarden in bovenstaande tabel.
  • 2) Reductie-efficiency uitgedrukt in een % vergeleken met een vergelijkbare tank met een vast dak zonder dampbeheersingsvoorzieningen, d.w.z. een tank met vast dak en alleen een vacuüm/overdrukklep.
  • 3) De dampen die worden verplaatst door het vullen van opslaginstallaties van benzinestations met benzine en in tanks met vast dak voor voorlopige dampopslag, dienen via een dampdichte leiding te worden teruggevoerd naar de mobiele tank van waaruit de benzine wordt geleverd. Vulwerkzaamheden mogen alleen plaatsvinden als deze voorzieningen aanwezig zijn en naar behoren werken. Onder deze voorwaarden is aanvullende monitoring van de naleving van de grenswaarde niet verplicht.
Drempelwaarden Minimaal dampafvangrendement wt- %1)
Nieuw benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet meer dan 500 m3 per jaar bedraagt Bestaand benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet vanaf 2019 meer dan 3.000 m3 per jaar bedraagt, Gelijk aan of meer dan 85% wt-% met een damp/benzineverhouding gelijk aan of hoger dan 0,95 maar kleiner dan of gelijk aan 1,05 (v/v).
Bestaand benzinestation indien het feitelijke of voorziene debiet meer dan 500 m3 per jaar bedraagt en het benzinestation uitgebreid wordt gerenoveerd
  • 1) Het afvangrendement van de systemen dient te worden gecertificeerd door de producent in overeenstemming met de relevante technische normen of typegoedkeuringsprocedures.

9

Aanbrengen van lijmlagen:

Activiteit en grenswaarde EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Vervaardiging van schoeisel (oplosmiddelenverbruik > 5 Mg/jaar) 251) g VOS/paar schoenen
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWc = 50 mg2) C/m3
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Of totale EGW van 1,2 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg2) C/m3
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Of totale EGW van 1 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg3) C/m3
Overige lijmlagen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Of totale EGW van 0,8 kg of minder VOS/kg input vaste stoffen
  • 1) Totale EGW worden uitgedrukt in grammen oplosmiddel die worden uitgestoten per paar schoenen dat wordt geproduceerd.
  • 2) Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
  • 3) Indien technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 100 mg C/m3.

10

Lamineren van hout en kunststof:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (per jaar)
Lamineren van hout en plastic (oplosmiddelenverbruik >5 Mg/jaar) Totale EGW voor 30 g VOS/m2 eindproduct

11

Coatingactiviteiten (Voertuigcoating-industrie)

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS1) (jaarlijks voor totale EGW)
Productie van auto’s (M1, M2) (oplosmiddelen- verbruik > 15 Mg/jaar en ≤ 5.000 gecoate items per jaar of > 3.500 gebouwde chassis) 90 g VOS/m2 of 1,5 kg/carrosserie + 70 g/m2
Productie van auto’s (M1, M2) (oplosmiddelen- verbruik 15–200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar Bestaande installaties: 60g VOS/m2 of 1,9 kg/carrosserie + 41 g/m2 Nieuwe installaties: 45 g VOS/m2 of 1,3 kg/carrosserie + 33 g/m2
Productie van auto's (M1, M2) (oplosmiddelen-verbruik >200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) 35 g VOS/m2 of 1 kg/carrosserie + 26 g/m22)
Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik >15 Mg/jaar en ≤ 5.000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 85 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 65 g VOS/m2
Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 75 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 55 g VOS/m2
Productie van vrachtwagencabines (N1, N2, N3) (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 5.000 gecoate items per jaar) 55 g VOS/m2
Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik >15 Mg/jaar en ≤ 2.500 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 120 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 90 g VOS/m2
Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 2.500 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 90 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 70 g VOS/m2
Productie van vrachtwagens en bestelwagens (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 2.500 gecoate items per jaar) 50 g VOS/m2
Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar en ≤ 2000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 290 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 210 g VOS/m2
Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar en > 2000 gecoate items per jaar) Bestaande installaties: 225 g VOS/m2 Nieuwe installaties: 150 g VOS/m2
Productie van bussen (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar en > 2000 gecoate items per jaar) 150 g VOS/m2
  • 1) De totale grenswaarden zijn uitgedrukt in emissie van massa organisch oplosmiddel (g) in verhouding tot de oppervlakte van het product (m2). De oppervlakte van het product is omschreven als de oppervlakte berekend uitgaande van het totale elektroforetische coatingoppervlak en de oppervlakte van onderdelen die kunnen worden toegevoegd in opeenvolgende fases van het lakprocédé en die met dezelfde coatings gelakt worden. De oppervlakte van het elektroforetische coatingoppervlak wordt berekend aan de hand van de formule: (2 x het totale gewicht van het omhulsel)/(gemiddelde dikte van de metaalplaat x dichtheid van de metaalplaat). De totale EGW in bovenstaande tabel hebben betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingsproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.
  • 2) Voor bestaande installaties kan het bereiken van deze niveaus, effecten op alle milieucompartimenten, hoge kapitaalkosten en lange terugverdientijden met zich meebrengen. Om belangrijke stappen te kunnen zetten bij het verminderen van VOS-emissies dienen het soort verfsysteem en/of het verfapplicatiesysteem en/of het droogsysteem vervangen te worden. Hiervoor is meestal of een nieuwe installatie of een complete renovatie van de spuiterij nodig hetgeen een forse kapitaalinvestering vereist.

12

Coatingactiviteiten (coaten van metaal, textiel, stof, film, kunststof, papier en houten oppervlakken)

Activiteit en grenswaarde EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Coaten van hout (oplosmiddelen-verbruik 15–25 Mg/jaar) EGWc = 1001) mg C/m3 EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van hout (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van hout (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,75 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van metaal en kunststoffen (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWc = 1001), 2) mg C/m3 EGWf = 252) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Overige coatings, waaronder textiel, stof, film en papier (uitgezonderd rotatiezeefdruk op textiel, zie drukken) (oplosmiddelenverbruik 5–15 Mg/jaar) EGWc = 1001), 2) mg C/m3 EGWf = 252) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Het coaten van textiel, stof, film en papier (uitgezonderd rotatiezeefdruk op textiel, zie drukken) (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2), 3) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van werkstukken van kunststof (oplosmiddelenverbruik 15 – 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,375 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van werkstukken van kunststof (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,35 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van metalen oppervlakken (oplosmiddelenverbruik 15–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,375 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Uitzondering voor coatings die in aanraking komen met voedsel: Totale EGW van 0,5825 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Coaten van metalen oppervlakken (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m3 voor drogen en 75 mg C/m3 voor coaten2) EGWf = 202) wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,33 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Uitzondering voor coatings die in aanraking komen met voedsel: Totale EGW van 0,5825 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
  • 1) De grenswaarde is van toepassing op procédés voor het aanbrengen en drogen van coating in een gesloten systeem.
  • 2) Indien het niet mogelijk is het coaten te laten plaatsvinden in een gesloten systeem (scheepsbouw, coaten van vliegtuigen enz.), kan voor installaties vrijstelling van deze waarden worden verleend. Dan dient het reductieprogramma te worden gevolgd, tenzij deze optie technisch en economisch niet haalbaar is. In dat geval moet gebruik worden gemaakt van de beste beschikbare techniek.
  • 3) Indien voor het coaten van textiel technieken worden toegepast waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3 voor het drogen en coaten tezamen.

13

Coating-activiteiten (coaten van leer en wikkeldraad)

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (jaarlijks voor totale EGW)
Coaten van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen, riemen, portefeuilles enz. (oplosmiddelenverbruik > 10 Mg/jaar) Totale EGW van 150 g/m2
Coaten van overig leer (oplosmiddelenverbruik 10–25 Mg/jaar) Totale EGW van 85 g/m2
Coaten van overig leer (oplosmiddelenverbruik > 25 Mg/jaar) Totale EGW van 75 g/m2
Coaten van wikkeldraad (oplosmiddelen-verbruik > 5 Mg/jaar) Totale EGW van 10g/kg geldt voor installaties met een gemiddelde draaddiameter van ≤ 0,1 mm
Totale EGW van 5 g/kg geldt voor alle overige installaties

14

Coating-activiteiten (bandlakken):

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Bestaande installatie (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,45 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Bestaande installatie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,45 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Nieuwe installatie (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg C/m31) EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,3 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Nieuwe installatie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) EGWc = 50 mg1) C/m3 EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,3 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
  • 1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.

15

Chemisch reinigen:

Activiteit EGW voor VOS1),2) (jaarlijks voor totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties Totale EGW van 20 g VOS/kg
  • 1) Grenswaarde voor totale VOS-emissies, berekend als massa van uitgestoten oplosmiddel per massa gereinigd en gedroogd product.
  • 2) Dit emissieniveau kan worden bereikt door ten minste een machine van het type IV of een nog efficiënter type te gebruiken.

16

Vervaardiging van coatings, lak, inkt en kleefstoffen:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties met een oplosmiddelenverbruik tussen 100 en 1.000 Mg/jaar EGWc = 150 mg C/m3 EGWf1) = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
Nieuwe en bestaande installaties met een oplosmiddelenverbruik > 1.000 Mg/jaar EGWc = 150 mg C/m3 EGWf1) = 3 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 3 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput
  • 1) De diffuse grenswaarde betreft geen oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.

17

Drukactiviteiten (flexografie, heat-set rotatie-offset, illustratierotatiediepdruk, enz.):

Activiteit en grenswaarde EMG voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik 15–25 Mg/jaar) EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 30 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput1)
Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) Nieuwe en bestaande installaties EGWc = 20 mg C/m3 EGWf = 30 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput1)
Heat-set-offset (oplosmiddelen-verbruik > 200 Mg/jaar) Nieuwe en verbeterde persen Totale EGW = 10 wt-% of minder van het inktverbruik1) Voor bestaande persen Totale EGW = 15 wt-% of minder van het inktverbruik1)
Illustratiedruk (oplosmiddelen-verbruik 25–200 Mg/jaar) Nieuwe installaties EGWc = 75 mg C/m3 EGWf = 10 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,6 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Voor bestaande installaties EGWc = 75 mg C/m3 EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 0,8 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
Illustratiedruk (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) Voor nieuwe installaties Totale EGW = 5 wt-% of minder van het oplosmiddelenverbruik
Voor bestaande installaties Totale EGW = 7 wt-% of minder van het oplosmiddelenverbruik
verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik 15–25 Mg/jaar) EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 25 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,2 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik 25–200 Mg/jaar) en rotatiezeefdruk (oplosmiddelenverbruik > 30 Mg/jaar) EGWc = 100 mg C/m3 EGWf = 20 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput Of totale EGW van 1,0 kg of minder van de VOS/kg input vaste stof
verpakkingsdiepdruk en flexografie (oplosmiddelenverbruik > 200 Mg/jaar) Voor installaties waarin alle machines op oxidatie zijn aangesloten Totale EGW = 0,5 kg VOS/kg input vaste stof Voor installaties waarin alle machines op koolstofadsorptie zijn aangesloten Totale EGW = 0,6 kg VOS/kg input vaste stof Voor bestaande gecombineerde installaties waarbij sommige bestaande machines wellicht niet zijn aangesloten op een verbrander of terugwinning van oplosmiddelen:
Emissies van machines die zijn aangesloten op oxidatie-apparaten of koolstofadsorptie zijn lager dan de emissiegrenzen van respectievelijk 0,5 of 0,6 kg VOS/kg input van vaste stoffen Voor machines die niet zijn aangesloten op gaswassers: gebruik van producten die weinig of geen oplosmiddelen bevatten, aansluiting op een afgasbehandelingssysteem wanneer er overcapaciteit is en, bij voorkeur, werkzaamheden waarbij veel oplosmiddelen worden gebruikt uitvoeren op machines die op een afgasbehandelingssysteem zijn aangesloten. Totale emissies minder dan 1,0 kg VOS/kg input vaste stof
  • 1) Een residu van oplosmiddel in eindproducten wordt niet beschouwd als onderdeel van de diffuse emissie.

18

Vervaardigen van farmaceutische producten:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Nieuwe installaties (oplosmiddelenverbruik > 50 Mg/jaar) EGWc = 20 mg C/m31) ,2) EGWf = 5 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput2)
Bestaande installaties (oplosmiddelenverbruik > 50 Mg/jaar) EGWc = 20 mg C/ m3 1),3) EGWf = 15 wt-% of minder van de oplosmiddeleninput3)
  • 1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
  • 2) Een totale grenswaarde van 5% van de oplosmiddeleninput kan worden toegepast in plaats van de EGWc en EGWf.
  • 3) Een totale grenswaarde van 15% van de oplosmiddeleninput kan worden toegepast in plaats van de EGWc en EGWf.

19

Bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber:

Activiteit en grenswaarde EGW voor VOS (dagelijks voor EGWc en jaarlijks voor EGWf en totale EGW)
Nieuwe en bestaande installaties: bewerken van natuurlijk of synthetisch rubber (oplosmiddelenverbruik > 15 Mg/jaar) EGWc = 20 mg C/m3 1) EGWf = 25 wt-% van oplosmiddeleninput2) Of totale EGW = 25 wt-% van oplosmiddeleninput
  • 1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddel mogelijk is, is de grenswaarde 150 mg C/m3.
  • 2) De grenswaarde voor diffuse emissies betreft geen oplosmiddelen die worden verkocht als onderdeel van een preparaat in een gesloten verpakking.

B. Canada

C. Verenigde Staten van Amerika

1

De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden als bedoeld in artikel 3, tweede en derde lid, zijn:

  • a. voor nieuwe stationaire bronnen, een jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie; en
  • b. voor bestaande stationaire bronnen, een jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie of 31 december 2020, afhankelijk van welke datum later valt.

2

De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden voor brandstoffen en nieuwe mobiele bronnen als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, is de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie of de data die in verband staan met de maatregelen nader omschreven in bijlage VIII, afhankelijk van welke datum later valt.

3

De tijdschema’s voor de toepassing van de grenswaarden voor VOS in de in artikel 3, zevende lid, bedoelde producten, zijn één jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie.

4

Niettegenstaande het eerste, tweede en derde lid, maar met inachtneming van het vijfde lid, kan een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2013 en 31 december 2024 Partij wordt bij het onderhavige Protocol, bij bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol verklaren dat zij een of alle tijdschema's voor de toepassing van de in artikel 3, tweede, derde, vijfde en zevende lid bedoelde grenswaarden op de volgende wijze wil verlengen:

  • a. voor bestaande stationaire bronnen, met maximaal vijftien jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie;
  • b. voor brandstoffen en nieuwe stationaire bronnen, met maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie; en
  • c. voor VOS in producten, met maximaal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Protocol voor de Partij in kwestie.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

2

De bijlage bevat grenswaarden voor NOx, uitgedrukt als stikstofdioxide-equivalenten (NO2), voor koolwaterstoffen, die voor het merendeel vluchtige organische stoffen zijn, voor kooldioxide (CO) en voor zwevende deeltjes alsmede milieuspecificaties voor in de handel gebrachte brandstoffen voor voertuigen.

3

De tijdschema’s voor het toepassen van de grenswaarden in deze bijlage zijn vastgelegd in bijlage VII.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

Personenauto's en lichte voertuigen

4

Grenswaarden voor motorvoertuigen met ten minste vier wielen die gebruikt worden voor het vervoer van personen (categorie M) en goederen (categorie N), zijn vermeld in tabel 1.

Zware voertuigen

5

Grenswaarden voor motoren van zware voertuigen zijn vermeld in de tabellen 2 en 3 naargelang van de toepasselijke testprocedures.

Niet voor de weg bestemde voertuigen en machines met compressieontsteking (CI) of vonkontsteking (SI)

6

Grenswaarden voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en andere niet voor de weg bestemde voertuigen/motoren zijn vermeld in de tabellen 4 tot en met 6.

7

Grenswaarden voor locomotieven en railvoertuigen zijn vermeld in de tabellen 7 en 8.

8

Grenswaarden voor binnenvaartschepen zijn vermeld in tabel 9.

9

Grenswaarden voor pleziervaartuigen zijn vermeld in tabel 10.

10

Grenswaarden voor motorfietsen en bromfietsen zijn vermeld in de tabellen 11 en 12.

11

Ecologische kwaliteitsspecificaties voor benzine en diesel zijn vermeld in de tabellen 13 en 14.

Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1) Grenswaarde1)
Koolmonoxide Koolmonoxide Totaal koolwaterstoffen (HC) Totaal koolwaterstoffen (HC) NMVOS NMVOS Stikstofoxiden Stikstofoxiden Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Koolwaterstoffen en stikstofoxiden gecombineerd Zwevende deeltjes Zwevende deeltjes Aantal deeltjesa (P) Aantal deeltjesa (P)
Referentiemassa (RW) (kg) L1 (g/km) L1 (g/km) L2 (g/km) L2 (g/km) L3 (g/km) L3 (g/km) L4 (g/km) L4 (g/km) L2 + L4 (g/km) L2 + L4 (g/km) L5 (g/km) L5 (g/km) L6(#/km) L6(#/km)
Categorie Categorie Klasse, datum toepassing* Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel Benzine Diesel
M2) 1,1. 2014 Alle 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,18 0,23 0,0050 0,0050 6.0x10
N13) I, 1.1.2014 RW 1 305 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,18 0,23 0,0050 0,0050 6.0x1011
II, 1.1.2014 1 305 < RW≤ 1 760 1,81 0,63 0,13 0,090 0,075 0,235 0,295 0,0050 0,0050 6.0x1011
Euro 5 III, 1.1.2014 1 760 < RW 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,28 0,35 0,0050 0,0050 6.0x1011
N2 1.1.2014 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,28 0,35 0,0050 0,0050 6.0x1011
M2) 1.9.2015 Alle 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,08 0,17 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
N13) I, 1.9.2015 RW 1 305 1,0 0,50 0,10 0,068 0,06 0,08 0,17 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
II, 1.9.2016 1 305 < RW≤ 1 760 1,81 0,63 0,13 0,090 0,075 0,105 0,195 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
III, 1.9.2016 1 760 < RW 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,125 0,215 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
Euro 6 N2 1.9.2016 2,27 0,74 0,16 0,108 0,082 0,125 0,215 0,0045 0,0045 6.0x1011 6.0x1011
  • 1) Testcyclus gespecificeerd door NEDC.
  • 2) Uitgezonderd voertuigen met een maximummassa van meer dan 2.500 kg.
  • 3) En de voertuigen uit categorie M omschreven in noot b.
  • De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, wordt geweigerd per de in deze kolom genoemde data.
Toe te passen vanaf Koolstofmonoxide g/kWh Koolwaterstoffen g/kWh Totaal koolwaterstoffen g/kWh Stikstofoxiden g/kWh Zwevende deeltjes g/kWh Rook(m-1)
B2 („EURO V”)1) 1.10.2009 1,5 0,46 2,0 0,02 0,5
„EURO VI”2) 31.12.2013 1,5 0,13 0,40 0,010
  • 1) Testcyclus gespecificeerd door de European steady-state cycle (ESC) en de European loadresponse (ELR) tests.
  • 2 ) Testcyclus gespecificeerd door de world heavy duty steady state cycle (WHSC).
Toe te passen vanaf* Koolstofmonoxide g/kWh Totaal Koolwaterstoffen g/kWh Koolwaterstoffen uitgezonderd methaan g/kWh Methaan1) g/kWh Stikstofoxiden g/kWh Deeltjes (g/kWh)2)
B2 „EURO V”3) 1.10.2009 4,0 0,55 1,1 2,0 0,030
„EURO VI” (CI)4) 31.12.2013 4,0 0,160 0,46 0,010
„EURO VI” (PI)4) 31.12.2013 4,0 0,160 0,50 0,46 0,010
  • 1) Uitsluitend voor aardgasmotoren.
  • 2 ) Niet van toepassing op gasmotoren tijdens fase B2.
  • 3 ) Testcyclus gespecificeerd door de European transient cycle (ETC) test.
  • 4) Testcyclus gespecificeerd door de world heavy duty transient cycle (WHTC).

Noot: PI = elektrische ontsteking CI = compressieontsteking

  • De registratie, verkoop of ingebruikneming van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan de respectieve grenswaarden, worden geweigerd per de in deze kolom genoemde data.
Nettovermogen (P) (kW) Toe te passen vanaf* Koolstofmonoxide g/kWh Koolwaterstoffen g/kWh Stikstofoxiden g/kWh Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P ≤ 560 31.12.2010 3,5 0,19 2,0 0,025
75 ≤ P < 130 31.12.2011 5,0 0,19 3,3 0,025
56 ≤ P < 75 31.12.2011 5,0 0,19 3,3 0,025
37 ≤ P < 56 31.12.2012 5,0 4,71) 4,71) 0,025
  • 1) Redactionele noot: Dit getal is de som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden en werd in de uiteindelijke goedgekeurde tekst weergegeven als een enkel getal in een samengevoegde cel in de tabel. Aangezien deze tekst geen tabellen met scheidslijnen bevat wordt het getal omwille van de duidelijkheid in elke kolom herhaald.
  • Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
Nettovermogen (P) (kW) Toe te passen vanaf* Koolmonoxide (g/kWh) Koolwaterstoffen (g/kWh) Stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 ≤ P ≤ 560 31.12.2013 3,5 0,19 0,4 0,025
56 ≤ P < 130 31.12.2014 5,0 0,19 0,4 0,025
  • Vanaf de vermelde datum en met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.
Motoren voor handapparatuur
Inhoud (cm3) Koolmonoxide (g/kWh) Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)1)
Inh. < 20 805 50
20 ≤ inh. < 50 805 50
Inh. ≥ 50 603 72
Motoren voor niet-handapparatuur
Inhoud (cm3) Koolmonoxide (g/kWh) Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh)
Inh. < 66 610 50
66 ≤ inh. < 100 610 40
100 ≤ inh. < 225 610 16,1
Inh. ≥ 225 610 12,1
  • 1 ) De NOx-uitstoot mag voor geen enkele motorklasse 10 g/kWh overschrijden.

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Nettovermogen (P) (kW) Koolmonoxide (g/kWh) Koolwaterstoffen (g/kWh) Stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 < P 3,5 0,19 2,0 0,025

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Nettovermogen (P) (kW) Koolmonoxide (g/kWh) Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes (g/kWh)
130 < P 3,5 4,0 0,025
Inhoud (liters per cilinder/kW) Koolstofmonoxide g/kWh Som van koolwaterstoffen en stikstofoxiden (g/kWh) Zwevende deeltjes g/kWh
--- --- --- ---
Inh. < 0,9 5,0 7,5 0,4
Vermogen (≥ 37 kW)
0,9 ≤ inh. < 1,2 5,0 7,2 0,3
1,2 ≤ inh. < 2,5 5,0 7,2 0,2
2,5 ≤ inh. < 5,0 5,0 7,2 0,2
5,0 ≤ inh. < 15 5,0 7,8 0,27
15 ≤ inh. < 20 5,0 8,7 0,5
Vermogen < 3 300 kW
15 ≤ inh. < 20 5,0 9,8 0,5
Vermogen > 3 300 kW
20 ≤ inh. < 25 5,0 9,8 0,5
25 ≤ inh. < 30 5,0 11,0 0,5

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

CO (g/kWh) CO (g/kWh) CO (g/kWh) Koolwaterstoffen (HC) Koolwaterstoffen (HC) Koolwaterstoffen (HC)
CO = A +B/PnN CO = A +B/PnN CO = A +B/PnN (g/kWh) HC = A +B/PnN (g/kWh) HC = A +B/PnN (g/kWh) HC = A +B/PnN
Motortype A B n A B n NOx g/kWh PM g/kWh
tweetakt 150 600 1 30 100 0,75 10 n.v.t.
viertakt 150 600 1 6 50 0,75 15 n.v.t.
CI 5 0 0 1,5 2 0,5 9,8 1
  • 1 ) Waarbij A, B en n constanten zijn en PN het nominale motorvermogen in kW en emissies worden gemeten overeenkomstig geharmoniseerde normen.

Afkorting n.v.t. = niet van toepassing

Noot: Met uitzondering van machines en motoren bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen van al dan niet in machines geïnstalleerde nieuwe motoren alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Cilinderinhoud Grenswaarden
Motorfiets < 150 cc HC = 0,8 g/km
NOx = 0,15 g/km
Motorfiets > 150 cc HC = 0,3 g/km
NOx = 0,15 g/km

Noot: Met uitzondering van machines bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Grenswaarden
CO (g/km) HC + NOx (g/km)
II 1,01) 1,2
  • 1 ) Voor drie- en vierwielers, 3,5 g/km.

Noot: Met uitzondering van voertuigen bestemd voor de export naar landen die geen Partij zijn bij het onderhavige Protocol, staan de Partijen de registratie, voor zover van toepassing, en het in de handel brengen alleen toe als zij voldoen aan de onderscheiden grenswaarden die in de tabel staan vermeld.

Parameter Grenswaarden Grenswaarden
Eenheid Minimum Maximum
Research-octaangetal 95
Motoroctaangetal 85
Dampspanning volgens de Reidmethode, zomerperiode1) kPa 60
Distillatie:
Verdampt bij 100°C % v/v 46
Verdampt bij 150°C % v/v 75
Koolwaterstoffenanalyse:
– olefinen % v/v 18,02)
– aromaten 35
– benzeen 1
Zuurstofgehalte % m/m 3,7
Oxygenaten:
– Methanol, stabilisatoren moeten worden toegevoegd % v/v 3
– Ethanol, stabilisatoren eventueel nodig % v/v 10
– Isopropylalcohol % v/v 12
– Tert-butylalcohol % v/v 15
– Isobutylalcohol % v/v 15
– Ethers met vijf of meer koolstofatomen per molecuul % v/v 22
Andere zuurstofhoudende verbindingen3) % v/v 15
Zwavelgehalte mg/kg 10
  • 1 ) De zomerperiode begint uiterlijk op 1 mei en eindigt niet voor 30 september. Voor Partijen met arctische omstandigheden begint de zomerperiode uiterlijk 1 juni en eindigt zij niet voor 31 augustus en bedraagt de dampspanning volgens de Reidmethode maximaal 70 kPa.
  • 2 ) Behalve voor gewone loodvrije benzine (minimum motor octaan getal (MON) minimaal 81 en minimum research octaan getal (RON) minimaal 91), waarvoor het olefinegehalte maximaal 21% (v/v) is. Deze grenzen vormen geen belemmering voor het in de handel van een Partij brengen van een andere loodvrije benzine met octaangetallen die lager zijn dan hier vermeld.
  • 3) Overige mono-alcoholen waarvan het distillatie-eindpunt niet hoger is dan het distillatie-eindpunt dat vastgesteld is in nationale specificaties of, waar deze ontbreken, in industriële specificaties voor motorbrandstoffen.
Parameter Grenswaarden Grenswaarden
Eenheid Minimum Maximum
Cetaangetal 51
Dichtheid bij 15°C kg/m3 845
Distillatiepunt: 95% °C 360
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen % m/m 8
Zwavelgehalte mg/kg 10

12

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van brandstoffen en mobiele bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten:

  • a. Passenger Automobile and Light Truck Greenhouse Gas Emission Regulations, SOR/2010–201;
  • b. Marine Spark-Ignition Engine, Vessel and Off-Road Recreational Vehicle Emission Regulations, SOR/2011–10;
  • c. Renewable Fuels Regulations, SOR/2010–189;
  • d. Regulations for the Prevention of Pollution from Ships and for Dangerous Chemicals, SOR/2007–86;
  • e. Off-Road Compression-Ignition Engine Emission Regulations, SOR/2005–32;
  • f. On-Road Vehicle and Engine Emission Regulations, SOR/2003–2;
  • g. Off-Road Small Spark-Ignition Engine Emission Regulations, SOR/2003–355;
  • h. Sulphur in Diesel Fuel Regulations, SOR/2002–254;
  • i. Gasoline and Gasoline Blend Dispensing Flow Rate Regulations SOR/2000–43;
  • j. Sulphur in Gasoline Regulations, SOR/99–236;
  • k. Benzene in Gasoline Regulations, SOR/97–493;
  • l. Gasoline Regulations, SOR/90–247;
  • m. Federal Mobile PCB Treatment and Destruction Regulations, SOR/90–5;
  • n. Environmental Code of Practice for Aboveground and Underground Storage Tank Systems Containing Petroleum and Allied Petroleum Products;
  • o. Canada-Wide Standards for Benzene, Phase 2;
  • p. Environmental Guidelines for Controlling Emissions of Volatile Organic Compounds from Aboveground Storage Tanks. PN 1180;
  • q. Environmental Code of Practice for Vapour Recovery in Gasoline Distribution Networks. PN 1057;
  • r. Environmental Code of Practice for Light Duty Motor Vehicle Emission Inspection and Maintenance Programs – 2nd Edition. PN 1293;
  • s. Joint Initial Actions to Reduce Pollutant Emissions that Contribute to Particulate Matter and Ground-level Ozone; en
  • t. Operating and Emission Guidelines for Municipal Solid Waste Incinerators. PN 1085.

13

Uitvoering van een programma voor emissie van mobiele bronnen voor lichte voertuigen, lichte vrachtwagens, zware vrachtwagens en brandstoffen in de mate vereist in de secties 202 (a), 202 (g) en 202 (h) van de Clean Air Act, zoals geïmplementeerd door:

  • a. Registration of fuels and fuel additives – 40 C.F.R deel 79;
  • b. Regulation of fuels and fuel additives – 40 C.F.R deel 80, met inbegrip van: paragraaf A – general provisions; paragraaf B – controls and prohibitions; paragraaf D – reformulated gasoline; paragraaf H – gasoline sulphur standards; paragraaf I – motor vehicle diesel fuel; non-road, locomotive, and marine diesel fuel; and ECA marine fuel; paragraaf L – gasoline benzene; en
  • c. Control of emissions from new and in-use highway vehicles and engines – 40 C.F.R deel 85 en deel 86.

14

Normen voor niet voor de weg bestemde machines en voertuigen zijn in de volgende documenten gespecificeerd:

  • a. Fuel sulphur standards for non-road diesel engines – 40 C.F.R deel 80, paragraaf I;
  • b. Aircraft engines – 40 C.F.R deel 87;
  • c. Exhaust emission standards for non-road diesel engines – rij 2 en 3; 40 C.F.R deel 89;
  • d. Non-road compression-ignition engines – 40 C.F.R deel 89 en deel 1039;
  • e. Non-road and marine spark-ignition engines – 40 C.F.R deel 90, deel 91, deel 1045 en deel 1054;
  • f. Locomotives – 40 C.F.R deel 92 en deel 1033;
  • g. Marine compression-ignition engines – 40 C.F.R deel 94 en deel 1042;
  • h. New large non-road spark-ignition engines – 40 C.F.R deel 1048;
  • i. Recreational engines and vehicles – 40 C.F.R deel 1051;
  • j. Control of evaporative emissions from new and in-use non-road and stationary equipment – 40 C.F.R. deel 1060;
  • k. Engine testing procedures – 40 C.F.R deel 1065; en
  • l. General compliance provisions for non-road programs – 40 C.F.R deel 1068.

1

De Partijen die onderworpen zijn aan de verplichtingen in artikel 3, lid 8, onder a, treffen de maatregelen die in deze bijlage omschreven staan.

2

Elke Partij houdt naar behoren rekening met de noodzaak om verliezen uit de gehele stikstofkringloop te verminderen.

A. Gedragscode voor goede landbouwpraktijken

3

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, wordt door die Partij een gedragscode voor goede landbouwpraktijken voor de beheersing van ammoniakemissies vastgesteld en vervolgens gepubliceerd en verspreid. De code houdt rekening met de specifieke omstandigheden binnen het grondgebied van de Partij en bevat voorschriften omtrent:

  • –. stikstofmanagement, rekening houdend met de gehele stikstofkringloop;
  • –. voederstrategieën voor vee;
  • –. strooitechnieken voor meststoffen met geringe emissie;
  • –. opslagsystemen voor meststoffen met geringe emissie;
  • –. dierenverblijfsystemen met geringe emissie; en
  • –. mogelijkheden voor het beperken van ammoniakemissies bij het gebruik van minerale meststoffen.

De Partijen geven aan de code een zodanige titel dat verwarring met andere codes wordt vermeden.

4

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, neemt die Partij die stappen die haalbaar zijn om ammoniakemissies door gebruik van vaste mest op ureumbasis te beperken.

5

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, verbiedt die Partij het gebruik van meststoffen met ammoniumcarbonaat.

C. Toepassing meststoffen

6

Elke Partij dient erop toe te zien dat toepassingstechnieken voor drijfmest met geringe emissie (zoals vermeld in Guidance Document V, dat door het Uitvoerend Orgaan op zijn zeventiende zitting aangenomen is (besluit 1999/1) en eventuele wijzigingen daarop), waarvan aangetoond is dat ze de emissies in vergelijking met de omschreven referentie in dat guidance document met ten minste 30% verminderen, gebruikt worden voorzover de Partij in kwestie ze van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden, het type drijfmest en de structuur van het landbouwbedrijf.

7

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij erop toe te zien dat vaste meststoffen die toegepast zijn op land dat moet worden geploegd, binnen ten minste 24 uur na het verspreiden verwerkt worden voorzover zij deze maatregel van toepassing acht, rekening houdend met de lokale bodemgesteldheid en geomorfologische omstandigheden en de structuur van het landbouwbedrijf.

D

8

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe drijfmestoplaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) opslagsystemen of opslagtechnieken met geringe emissies te gebruiken, waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 40% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.

9

Voor bestaande drijfmestopslaginrichtingen bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) dient een Partij emissiereducties van 40% te behalen voorzover de Partij de noodzakelijke technieken technisch uitvoerbaar en economisch verantwoord acht.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a.

E. Dierenverblijven

10

Binnen een jaar na de datum waarop dit Protocol voor een Partij in werking treedt, dient die Partij voor nieuwe dierenverblijven bij grote varkensbedrijven (2.000 mestvarkens of 750 zeugen) of grote pluimveebedrijven (40.000 stuks pluimvee) verblijfssystemen te gebruiken waarvan aangetoond is dat ze de emissies met 20% of meer verminderen in vergelijking met de referentie (zoals vermeld in het guidance document als bedoeld in punt 6), of andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid.2)Wanneer een Partij van oordeel is dat voor de opslag van meststoffen en voor dierenverblijven andere systemen of technieken met een aantoonbaar gelijkwaardige doelmatigheid kunnen worden gebruikt om te voldoen aan punt 8 en 10, of wanneer een Partij van oordeel is dat de ingevolge punt 9 vereiste reductie van emissies bij de opslag van meststoffen technisch niet uitvoerbaar of economisch niet verantwoord is, wordt hierover verslag uitgebracht overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a. Toepasbaarheid kan beperkt zijn om redenen van dierenwelzijn, bijvoorbeeld in op stro gebaseerde systemen voor varkens alsmede vogelverblijven en scharrelsystemen voor pluimvee.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Uitsluitend in deze afdeling wordt onder „stof” en „totale hoeveelheid zwevende deeltjes” (TSP) verstaan de massa van deeltjes met elke vorm, dichtheid en structuur die onder de omstandigheden ter plaatse van het monsternemingspunt zwevend in de gasfase voorkomen die na representatieve monsterneming van het te onderzoeken gas verzameld kunnen worden door filtratie onder de vastgelegde omstandigheden en die na drogen onder de vastgelegde omstandigheden bovenstrooms van het filter en op het filter achterblijven.

3

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder „emissiegrenswaarde” (EGW) verstaan de hoeveelheid stof en/of totale hoeveelheid zwevende deeltjes in de afgassen uit een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273.15 K, 101.3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie bronnen in onderstaande tabellen gegeven zijn. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

4

Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of door berekeningen waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen, typegoedkeuring, of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. Bij ononderbroken metingen worden de grenswaarden nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de EGW niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende vaststellings- of berekeningsmethoden wordt naleving van de EGW bereikt indien de gemiddelde waarde op basis van een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden.

5

Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens opgeleverd worden van een vergelijkbare wetenschappelijke kwaliteit.

6

Bijzondere bepalingen voor in lid 7 bedoelde verbrandingsinstallaties:

  • a. Een Partij mag in de volgende gevallen afwijken van de verplichting de in het zevende lid voorziene EGW na te leven:
  • i. Bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof dienen te gebruiken en om die reden zouden moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur;
  • ii. Bij bestaande verbrandingsinstallaties die niet langer dan 17.500 uur in bedrijf zijn in een tijdvak beginnend vanaf 1 januari 2016 en eindigend uiterlijk 31 december 2023;
  • b. Wanneer een verbrandingsinstallatie met ten minste 50 MWth wordt uitgebreid, is de in lid 7 gespecificeerde EGW voor nieuwe installaties van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft. De EGW wordt berekend als een gewogen gemiddelde van het werkelijke thermische ingangsvermogen van zowel het bestaande als nieuwe deel van de installatie.
  • c. De Partijen waarborgen dat er procedures komen voor storingen aan of uitvallen van de nabehandelingsapparatuur;
  • d. Bij een gemengde verbrandingsinstallatie waarbij twee of meer soorten brandstof gelijktijdig worden gebruikt, wordt de EGW bepaald als gewogen gemiddelde van de EGW voor de afzonderlijke brandstoffen, op basis van het thermische ingangsvermogen van elke brandstof.

7

Verbrandingsinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen hoger dan 50 MWth:6)Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.

Brandstoftype Thermisch ingangsvermogen (MWth) EGW voor stof (mg/m3) 2)
Vaste brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties:
Vaste brandstoffen 50–100 20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
Vaste brandstoffen 50–100 20 (biomassa, turf)
Bestaande installaties:
30 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
30 (biomassa, turf)
100–300 Nieuwe installaties:
20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
Bestaande installaties:
25 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
>300 Nieuwe installaties:
10 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
Bestaande installaties:
20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)
20 (biomassa, turf)
Vloeibare brandstoffen 50–100 Nieuwe installaties:
Vloeibare brandstoffen 50–100 20
Bestaande installaties:
30 (algemeen)
50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties)
Vloeibare brandstoffen 100–300 Nieuwe installaties:
Vloeibare brandstoffen 100–300 20
Bestaande installaties:
25 (algemeen)
50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties)
>300 Nieuwe installaties:
>300 10
Bestaande installaties:
20 (algemeen)
50 (voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties)
Aardgas > 50 5
Overige gassen > 50 10
Overige gassen > 50 30 (voor door de staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt)
  • 1 ) EGW zijn met name niet van toepassing op:
  • –. installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;
  • –. naverbrandingsinstallaties ontworpen om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinstallatie worden gebruikt;
  • –. voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;
  • –. voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;
  • –. in de chemische industrie gebruikte reactoren;
  • –. cokesovenbatterijen;
  • –. windverhitters;
  • –. terugwinningsketels in installaties voor de productie van pulp;
  • –. vuilverbrandingsinstallaties; en
  • –. door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.
  • 2 ) Het O2-referentiegehalte is 6% voor vaste brandstoffen en 3% voor vloeibare en gasvormige brandstoffen.

8

Aardolie- en gasraffinaderijen:

Emissiebron EGW voor stof (mg/m3)
FCC-regeneratoren 50

9

Cementklinkerproductie:

EGW voor stof (mg/m3)
Cementinstallaties, ovens, molens en klinkerkoelers 20

1) Installaties voor de productie van cementklinker in draaitrommelovens met een capaciteit van > 500 Mg/dag of in andere ovens met een capaciteit van > 50 Mg/dag. Het O2-referentiegehalte is 10%.

10

Kalkproductie:

EGW voor stof (mg/m3)
Stoken van kalkovens 202 )
  • 1) Installaties voor de productie van kalk met een capaciteit van 50 Mg/dag of meer. Hieronder vallen tevens kalkovens die zijn geïntegreerd in andere industriële processen, uitgezonderd de pulpindustrie (zie tabel 9). Het O2-referentiegehalte is 11%.
  • 2 ) Wanneer de weerstand van het stof hoog is, kan de EGW hoger zijn, tot maximaal 30 mg/m3.

11

Productie en verwerking van metalen:

Activiteit en capaciteitsdrempelwaarde EGW voor stof (mg/m3)
Sinterinstallatie 50
Pelletiseerinstallatie 20 voor verbrijzelen, malen en drogen 15 voor alle andere processtappen
Hoogoven: Windverhitters (>2.5 t/uur) 10
Oxystaalproductie en -gieten (>2.5 t/uur) 30
Productie en gieten van elektrostaal 15 (bestaand)
(>2.5 t/uur) 5 (nieuw)
Activiteit en capaciteitsdrempelwaarde EGW voor stof (mg/m3)
--- ---
IJzergieterijen (>20 t/dag): 20
– alle ovens (koepel, inductie, carrousel)
– alle vormen (verloren, permanent)
Warm en koud walsen 20 50 indien er geen filterzak kan worden gebruikt vanwege de aanwezigheid van natte dampen
EGW voor stof (mg/m3) (dagelijks)
--- ---
Verwerking van non-ferrometalen 20

12

Glasproductie

EGW voor stof (mg/m3)
Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 30

1) Installaties voor de productie van glas of glasvezels met een capaciteit van 20 Mg/dag of meer. Concentraties verwijzen naar droge afgassen bij een zuurstofgehalte van 8 volumeprocent (continu-smelten), een zuurstofgehalte van 13 volumeprocent (discontinu-smelten).

13

Pulpproductie:

EGW voor stof (mg/m3) (jaarlijkse gemiddelden)
Hulpketel 40 wanneer met vloeibare brandstoffen wordt gestookt (bij een zuurstofgehalte van 3%)
30 wanneer met vaste brandstoffen wordt gestookt (bij een zuurstofgehalte van 6%)
Terugwinningsinstallatie en kalkoven 50

14

Afvalverbranding:

EGW voor stof (mg/m3)
Gemeentelijke afvalverbrandingsinstallaties (> 3 Mg/uur) 10
Verbrandingsinstallaties voor gevaarlijk en medisch afval (> 1 Mg/uur) 10

15

Productie van titaniumdioxide:

EGW voor stof (mg/m3)
Sulfaatproces, totale emissie 50
Chlorideproces, totale emissie 50

16

Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 50 MWth:

Dit lid draagt het karakter van een aanbeveling en beschrijft de maatregelen die genomen worden voor zover een Partij deze in technisch en economisch opzicht haalbaar acht voor het controleren van zwevende deeltjes:

  • a. Stookinstallaties van woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen < 500 kWth:
  • i. Emissies van nieuwe kachels en -ketels in woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen van < 500 kWth kunnen worden teruggebracht door toepassing van: Noot:O2-referentiegehalte: 13%.
  • aa. Productnormen als omschreven in de CEN-normen (bijv. EN 303-5) en gelijkwaardige productnormen in de Verenigde Staten en Canada. Landen die dergelijke productnormen toepassen kunnen aanvullende nationale vereisten definiëren en daarbij met name rekening houden met de bijdrage van emissies van condenseerbare organische verbindingen aan de vorming van zwevende deeltjes in de lucht; of
  • bb. Ecolabels met prestatiecriteria die stringenter zijn dan de minimale efficiencynormen van de EN productnormen of nationale voorschriften.
Stof (mg/m3)
Open/gesloten haarden en ovens die op hout worden gestookt 75
Houtgestookte ketels (met warmteopslagtank) 40
Pelletkachels en -ketels 50
Kachels en ketels die gebruikmaken van andere vaste brandstoffen dan hout 50
Installaties met automatische verbranding 50
  • ii. Emissies van bestaande kachels en ketels in woningen kunnen worden teruggebracht door de volgende elementaire maatregelen:
  • aa. programma's om het publiek te informeren over en bewust te maken van:
  • –. het juiste gebruik van kachels en ketels;
  • –. het gebruik van uitsluitend onbehandeld hout;
  • –. het op de juiste wijze drogen van hout om het vochtgehalte te verminderen.
  • bb. opzetten van een programma om de vervanging van de oudste bestaande ketels en kachels door moderne apparaten te stimuleren; of
  • cc. het invoeren van de verplichting oude apparaten te vervangen of te moderniseren.
  • b. Stookinstallaties anders dan in woningen met een nominaal thermisch ingangsvermogen 100 kWth–1 MWth: Noot: O2-referentiegehalte: hout, overige vaste biomassa en turf: 13%: kolen, bruinkool en overige vaste fossiele brandstoffen 6%.
Stof (mg/m3)
Vaste brandstoffen 100–500 kWth Nieuwe installaties 50
Bestaande installaties 150
Vaste brandstoffen 500 kWth–1 MWth Nieuwe installaties 50
Bestaande installaties 150
  • c. Stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen > 1–50 MWth: Noot: O2-referentiegehalte: hout, overige vaste biomassa en turf: 11%: kolen, bruinkool en overige vaste fossiele brandstoffen: 6%: vloeibare brandstoffen, waaronder vloeibare biobrandstoffen: 3%.
Stof (mg/m3)
Vaste brandstoffen 1–5 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 50
Vaste brandstoffen > 5-50 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 30
Vloeibare brandstoffen > 1-5 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 50
Vloeibare brandstoffen > 5-50 MWth Nieuwe installaties 20
Bestaande installaties 30

B. Canada

17

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van zwevende deeltjes (PM) voor stationaire bronnen worden bepaald rekening houdend, al naargelang van toepassing, met informatie inzake beschikbare beheersingstechnologieën, in andere rechtsgebieden toegepaste grenswaarden en de volgende documenten die genoemd worden in onderstaande paragrafen a tot en met h. Grenswaarden kunnen worden uitgedrukt in PM of TPM. Onder TPM wordt in deze context verstaan elk PM met een aerodynamische diameter van minder dan 100 μm:

  • a. Secondary Lead Smelter Release Regulations, SOR/91-155;
  • b. Environmental Code of Practice for Base Metals Smelters and Refineries;
  • c. New Source Emission Guidelines for Thermal Electricity Generation;
  • d. Environmental Code of Practice for Integrated Steel Mills (EPS 1/MM/7);
  • e. Environmental Code of Practice for Non-Integrated Steel Mills (EPS 1/MM/8);
  • f. Emission Guidelines for Cement Kilns. PN 1284;
  • g. Joint Initial Actions to Reduce Pollutant Emissions that Contribute to Particulate Matter and Ground-level Ozone; en
  • h. Performance testing of solid-fuel-burning heating appliances, Canadian Standards Association, B415. 1-10.

C. Verenigde Staten van Amerika

18

Grenswaarden voor het beheersen van zwevende deeltjes (PM) uit stationaire bronnen in de volgende categorieën stationaire bronnen, en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:

  • a. Steel Plants: Electric Arc Furnaces – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AA en paragraaf AAa;
  • b. Small Municipal Waste Combustors – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;
  • c. Kraft Pulp Mills – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf BB;
  • d. Glass Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf CC;
  • e. Electric Utility Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf D en paragraaf Da;
  • f. Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Db en paragraaf Dc;
  • g. Grain Elevators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf DD;
  • h. Municipal Waste Incinerators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf E, paragraaf Ea en paragraaf Eb;
  • i. Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ec;
  • j. Portland Cement – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf F;
  • k. Lime Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf HH;
  • l. Hot Mix Asphalt Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf I;
  • m. Stationary Internal Combustion Engines: Compression Ignition – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf IIII;
  • n. Petroleum Refineries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf J en paragraaf Ja;
  • o. Secondary Lead Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf L;
  • p. Metallic Minerals Processing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf LL;
  • q. Secondary Brass and Bronze – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf M;
  • r. Basic Oxygen Process Furnaces – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf N;
  • s. Basic Process Steelmaking Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Na;
  • t. Phosphate Rock Processing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf NN;
  • u. Sewage Treatment Plant Incineration – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf O;
  • v. Nonmetallic Minerals Processing Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf OOO;
  • w. Primary Copper Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf P;
  • x. Ammonium Sulfate Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf PP;
  • y. Wool Fiberglass Insulation – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf PPP;
  • z. Primary Zinc Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Q;
  • aa. Primary Lead Smelters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf R;
  • bb. Primary Aluminum reduction plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf S;
  • cc. Phosphate Fertilizer Production – 40 C.F.R. deel 60, paragrafen T, U, V, W, X;
  • dd. Asphalt Processing and Asphalt Roofing Manufacturing – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf UU;
  • ee. Calciners and Dryers in Mineral Industries – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf UUU;
  • ff. Coal Preparation Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Y;
  • gg. Ferroalloy Production Facilities – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Z;
  • hh. Residential Wood Heaters – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAA;
  • ii. Small Municipal Waste Combustors (na 11/30/1999) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;
  • jj. Small Municipal Waste Combustors (voor 11/30/1999) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf BBBB;
  • kk. Other Solid Waste Incineration Units (na 12/9/2004) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf EEEE;
  • ll. Other Solid Waste Incineration Units (voor 12/9/2004) – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf FFFF;
  • mm. Stationary Compression Ignition Internal Combustion Engines – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf IIII; en
  • nn. Lead Acid BatteryManufacturing Plants – 40 C.F.R. deel 60, paragraaf KK.

19

Grenswaarden voor het beheersen van emissies van zwevende deeltjes (PM) uit bronnen die vallen onder de nationale emissienormen voor schadelijke luchtverontreinigende stoffen (National Emission Standards for Hazardous Air Pollutants):

  • a. Coke oven batteries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf L;
  • b. Chrome Electroplating (major and Area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf N;
  • c. Secondary lead smelters – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf X;
  • d. Phosphoric Acid Manufacturing Plants – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf AA;
  • e. Phosphate Fertilizers Production Plants – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf BB;
  • f. Magnetic Tape Manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EE;
  • g. Primary Aluminum – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf L;
  • h. Pulp and paper II (combustion) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf MM;
  • i. Mineral wool manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf DDD;
  • j. Hazardous waste combustors – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEE;
  • k. Portland cement manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf LLL;
  • l. Wool fiberglass manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf NNN;
  • m. Primary copper – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf QQQ;
  • n. Secondary aluminum – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf RRR;
  • o. Primary lead smelting – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTT;
  • p. Petroleum refineries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf UUU;
  • q. Ferroalloys production – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf XXX;
  • r. Lime manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf AAAAA;
  • s. Coke Ovens: Pushing, Quenching, and Battery Stacks – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf CCCCC;
  • t. Iron and steel foundries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEE;
  • u. Integrated iron and steel manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf FFFFF;
  • v. Site remediation – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GGGGG;
  • w. Miscellaneous coating manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf HHHHH;
  • x. Asphalt Processing and Roofing Manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf LLLLL;
  • y. Taconite Iron Ore Processing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf RRRRR;
  • z. Refractory products manufacturing – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf SSSSS;
  • aa. Primary magnesium refining – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTTTT;
  • bb. Electric Arc Furnace Steelmaking Facilities – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YYYYY;
  • cc. Iron and steel foundries – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf ZZZZZ;
  • dd. Primary Copper Smelting Area Sources – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEEE;
  • ee. Secondary Copper Smelting Area Sources – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf FFFFFF;
  • ff. Primary Nonferrous Metals Area Sources: Zinc, Cadmium, and Beryllium – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GGGGGG;
  • gg. Lead Acid Battery Manufacturing (Area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf PPPPPP;
  • hh. Glass manufacturing (area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf SSSSSS;
  • ii. Secondary Nonferrous Metal Smelter (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTTTTT;
  • jj. Chemical Manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf VVVVVV;
  • kk. Plating and Polishing Operations (Area sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf WWWWWW;
  • ll. Area Source Standards for Nine Metal Fabrication and Finishing Source Categories – 40 C.F.R.deel 63, paragraaf XXXXXX;
  • mm. Ferroalloys Production (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YYYYYY;
  • nn. Aluminum, Copper, and Nonferrous Foundries (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf ZZZZZZ;
  • oo. Asphalt Processing and Roofing Manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf AAAAAAA;
  • pp. Chemical Preparation (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf BBBBBBB;
  • qq. Paints and Allied Products Manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf CCCCCCC;
  • rr. Prepared animal feeds manufacturing (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf DDDDDDD; en
  • ss. Gold Mine Ore Processing and Production (Area Sources) – 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEEEE.

1

Afdeling A is van toepassing op andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika, afdeling B is van toepassing op Canada en afdeling C is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A. Andere Partijen dan Canada en de Verenigde Staten van Amerika

2

Deze afdeling heeft betrekking op het beperken van de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en lakken en producten voor het overspuiten van voertuigen.

3

Voor de toepassing van deel A van deze bijlage wordt onder de onderstaande algemene begrippen het volgende verstaan:

  • a. „stoffen”: chemische elementen en hun verbindingen die in de natuur voorkomen of door de industrie worden geproduceerd, in vaste of vloeibare of gasvorm;
  • b. „mengsel”: een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;
  • c. „organische stof”: een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast één of meer van de volgende elementen: waterstof, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium, stikstof of halogeen met uitzondering van koolstofoxiden en anorganische carbonaten en bicarbonaten;
  • d. „vluchtige organische stof (VOS)”: een organische verbinding met een beginkookpunt van 250°C of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa;
  • e. „VOS-gehalte”: de massa van VOS uitgedrukt in gram/liter (g/l) bij de bereiding van het product in gebruiksklare vorm. De massa van VOS in een bepaald product die, tijdens het drogen, door een chemische reactie deel gaan uitmaken van de coating, wordt niet in aanmerking genomen voor de berekening van het VOS-gehalte;
  • f. „organisch oplosmiddel”: een VOS die alleen of in combinatie met andere middelen wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of te verdunnen, of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als dispergeermiddel, als een middel om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel;
  • g. „coating”: een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om op een oppervlak een film met decoratief, beschermend of ander functioneel effect te bereiken;
  • h. „film”: een ononderbroken laag ten gevolge van het opbrengen van één of meer coatings op een ondergrond;
  • i. „watergedragen coating (WG)”: coating waarvan de viscositeit door middel van water wordt aangepast;
  • j. „solventgedragen coating (SG)”: coating waarvan de viscositeit door middel van een oplosmiddel wordt aangepast;

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)