← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tussen het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, Ierland, de Italiaanse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (lidstaten van de Europese Unie) en de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek betreffende de toetreding van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie

Geldende tekst a fecha 2004-05-01

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

de President van de Tsjechische Republiek,

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

de President van de Bondsrepubliek Duitsland,

de President van de Republiek Estland,

de President van de Helleense Republiek,

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

de President van de Franse Republiek,

de President van Ierland,

de President van de Italiaanse Republiek,

de President van de Republiek Cyprus,

de President van de Republiek Letland,

de President van de Republiek Litouwen,

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

de President van de Republiek Hongarije,

de President van Malta,

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

de Federale President van de Republiek Oostenrijk,

de President van de Republiek Polen,

de President van de Portugese Republiek,

de President van de Republiek Slovenië,

de President van de Slowaakse Republiek,

de President van de Republiek Finland,

de Regering van het Koninkrijk Zweden,

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

Verenigd in de wil de verwezenlijking van de doelstellingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest voort te zetten,

Vastbesloten, in de geest van deze Verdragen, op de reeds gelegde grondslagen een steeds hechtere eenheid tussen de Europese volkeren tot stand te brengen,

Overwegende dat artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie aan de Europese Staten de mogelijkheid biedt lid van de Unie te worden,

Overwegende dat de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek hebben verzocht lid te worden van de Europese Unie,

Overwegende dat de Raad van de Europese Unie, na advies van de Commissie te hebben ingewonnen en na de instemming van het Europees Parlement te hebben verkregen, zich heeft uitgesproken voor toelating van deze Staten,

Hebben besloten in gemeenschappelijk overleg de voorwaarden voor deze toelating en de in de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrondvest aan te brengen aanpassingen vast te stellen, en hebben daartoe als gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen,

Guy Verhofstadt

Eerste Minister

Louis Michel

Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Tsjechische Republiek,

Václav Klaus

President

Vladimír Špidla

Minister-President

Cyril Svoboda

Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken

Pavel Telička

Hoofd van de delegatie van de Tsjechische Republiek voor de onderhandelingen over de toetreding tot de Europese Unie en Ambassadeur en Hoofd van de Missie van de Tsjechische Republiek bij de Europese Gemeenschappen

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken,

Anders Fogh Rasmussen

Minister-President

Dr. Per Stig Møller

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Bondsrepubliek Duitsland,

Gerhard Schröder

Bondskanselier

Joseph Fischer

Minister van Buitenlandse Zaken en Plaatsvervanger van de Bondskanselier

De President van de Republiek Estland,

Arnold Rüütel

President

Kristiina Ojuland

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Helleense Republiek,

Konstantinos Simitis

Eerste minister

Giorgos Papandreou

Minister van Buitenlandse Zaken

Tassos Giannitsis

Onderminister van Buitenlandse Zaken

Zijne Majesteit de Koning van Spanje,

José Maria Aznar López

Minister-President

Ana Palacio Vallerersundi

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Franse Republiek,

Jean-Pierre Raffarin

Eerste minister

Dominique Galouzeau de Villepin

Minister van Buitenlandse Zaken

Noëlle Lenoir

Minister, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, belast met Europese Zaken

De President van Ierland,

Bertie Ahern

Eerste minister (Taoiseach)

Brian Cowen

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Italiaanse Republiek,

Silvio Berlusconi

Minister-President

Franco Frattini

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Republiek Cyprus,

Tassos Papadopoulos

President

George Iacovou

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Republiek Letland,

Vaira Vīķe-Freiberga

President

Einars Repše

Eerste minister

Sandra Kalniete

Minister van Buitenlandse Zaken

Andris Ķesteris

Hoofdonderhandelaar voor de toetreding van de Republiek Estland tot de Europese Unie, Ondersecretaris van Staat bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken

De President van de Republiek Litouwen,

Algirdas Mykolas Brazauskas

Eerste minister

Antanas Valionis

Minister van Buitenlandse Zaken

Zijne Koninklijke Hoogheid de Groothertog van Luxemburg,

Jean-Claude Juncker

Minister-President, Minister van Staat

Lydie Polfer

Minister van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel

De President van de Republiek Hongarije,

Dr. Péter Medgyessy

Eerste minister

László Kovács

Minister van Buitenlandse Zaken

Dr. Endre Juhász

Ambassadeur van de Republiek Hongarije,

Hoofdonderhandelaar voor de toetreding van de Republiek Hongarije tot de Europese Unie

De President van Malta,

The Hon Edward Fenech Adami

Eerste minister

The Hon Joe Borg

Minister van Buitenlandse Zaken

Richard Cachia Caruana

Hoofd van de Onderhandelingsdelegatie

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden,

Jan Pieter Balkenende

Minister-President

Jakob Gijsbert de Hoop Scheffer

Minister van Buitenlandse Zaken

De Federale President van de Republiek Oostenrijk,

Dr. Wolfgang Schüssel

Bondskanselier

Dr. Benita Ferrero-Waldner

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Republiek Polen,

Leszek Miller

Eerste minister

Włodzimierz Cimoszewicz

Minister van Buitenlandse Zaken

Dr. Danuta Hübner

Staatssecretaris, Ministerie van Buitenlandse Zaken

De President van de Portugese Republiek,

José Manuel Durão Barroso

Minister-President

António Martins da Cruz

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Republiek Slovenië,

Dr. Janez Drnovšek

President

Anton Rop

Eerste minister

Dr. Dimitrij Rupel

Minister van Buitenlandse Zaken

De President van de Slowaakse Republiek,

Rudolf Schuster

President

Mikuláš Dzurinda

Eerste minister

Eduard Kukan

Minister van Buitenlandse Zaken

Ján Figel'

Hoofdonderhandelaar voor de toetreding van de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie

De President van de Republiek Finland,

Paavo Lipponen

Minister-President

Jari Vilén

Minister van Buitenlandse Handel

De Regering van het Koninkrijk Zweden,

Göran Persson

Minister-President

Anna Lindh

Minister van Buitenlandse Handel

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland,

The Rt. Hon Tony Blair

Eerste minister

The Rt. Hon Jack Straw

Minister van Buitenlandse Zaken en Gemenebestzaken

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten, omtrent de volgende bepalingen

Overeenstemming hebben bereikt:

Artikel 1
1.

De Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek worden lid van de Europese Unie en worden Partij bij de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, zoals deze Verdragen zijn gewijzigd of aangevuld.

2.

De voorwaarden voor de toelating en de daaruit voortvloeiende aanpassingen van de Verdragen waarop de Unie is gegrondvest, zijn neergelegd in de bij dit Verdrag gevoegde Akte. De bepalingen van deze Akte maken een integrerend deel van dit Verdrag uit.

3.

De in de in lid 1 genoemde Verdragen voorkomende bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de lidstaten, alsmede de algemene en bijzondere bevoegdheden van de Instellingen van de Unie, zijn van toepassing ten aanzien van dit Verdrag.

Artikel 2
1.

Dit Verdrag zal door de Hoge Verdragsluitende Partijen worden bekrachtigd overeenkomstig hun onderscheiden grondwettelijke bepalingen. De akten van bekrachtiging zullen uiterlijk op 30 april 2004 worden neergelegd bij de Regering van de Italiaanse Republiek.

2.

Dit Verdrag treedt in werking op 1 mei 2004, mits alle akten van bekrachtiging voor die datum zijn neergelegd.

Indien echter niet alle in artikel 1, lid 1, genoemde Staten tijdig hun akten van bekrachtiging hebben neergelegd, treedt het Verdrag in werking voor de Staten die tot de nederlegging zijn overgegaan. In dit geval besluit de Raad van de Europese Unie, met eenparigheid van stemmen, onmiddellijk over de hierdoor noodzakelijk geworden aanpassingen van artikel 3 van het onderhavige Verdrag en van de artikelen 1, 6, lid 6, 11 tot en met 15, 18, 19, 25, 26, 29, 30, 31, 33, 34, 35, 46 tot en met 49, 58 en 61 van de Toetredingsakte, van de bijlagen II tot en met XV van de aanhangsels bij die Akten en van de Protocollen nr. 1 tot en met 10 die daaraan zijn gehecht; de Raad kan eveneens, met eenparigheid van stemmen, de bepalingen van voornoemde Akte, met inbegrip van de daaraan gehechte bijlagen, aanhangsels en Protocollen, waarin een Staat die zijn akte van bekrachtiging niet heeft neergelegd, met name wordt genoemd, vervallen verklaren of aanpassen.

3.

In afwijking van lid 2 kunnen de Instellingen van de Unie voor de toetreding de maatregelen vaststellen bedoeld in de artikelen 6, lid 2, tweede alinea, 6, lid 6, tweede alinea, 6, lid 7, tweede en derde alinea, 6, lid 8, tweede en derde alinea, 6, lid 9, derde alinea, 21, 23, 28, lid 1, 32, lid 5, 33, lid 1, 33, lid 4, 33, lid 5, 38, 39, 41, 42, 55, 56 en 57 van de Toetredingsakte, de bijlagen III tot en met XIV van de Akte, en Protocol 2, artikel 6 van Protocol 3, artikel 2, lid 2, van Protocol 4, Protocol 8 en de artikelen 1, 2, 4 van Protocol 10. Deze maatregelen treden slechts in werking onder voorbehoud en op de datum van inwerkingtreding van het onderhavige Verdrag.

Artikel 3

Dit Verdrag, opgesteld in één enkel exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Ierse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zijnde de teksten in elk van deze talen gelijkelijk authentiek, zal worden neergelegd in het archief van de Regering van de Italiaanse Republiek, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de Regeringen der andere ondertekenende Staten.

DEEL EERSTE. BEGINSELEN

Artikel 1

In de zin van deze Akte:

Artikel 2

Onmiddellijk bij de toetreding zijn de oorspronkelijke Verdragen en de door de Instellingen en de Europese Centrale Bank vóór de toetreding genomen besluiten verbindend voor de nieuwe lidstaten en in deze staten toepasselijk onder de voorwaarden waarin wordt voorzien door die Verdragen en door deze Akte.

Artikel 3
1.

De bepalingen van het Schengenacquis zoals dat in het kader van de Europese Unie is opgenomen door middel van het Protocol dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna het „Schengenprotocol” genoemd), en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde rechtsbesluiten zoals zij zijn opgesomd in bijlage I bij deze Akte, evenals alle andere dergelijke rechtsbesluiten die eventueel worden aangenomen vóór de toetredingsdatum, zijn vanaf de datum van toetreding verbindend voor en toepasselijk in de nieuwe lidstaten.

2.

De bepalingen van het Schengenacquis zoals dat in het kader van de Europese Unie is opgenomen, en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde rechtsbesluiten welke niet in lid 1 bedoeld worden, zijn vanaf de datum van toetreding verbindend voor de nieuwe lidstaten, maar zijn in een nieuwe lidstaat slechts toepasselijk op grond van een daartoe strekkend besluit van de Raad, nadat overeenkomstig de toepasselijke Schengenevaluatieprocedures is geconstateerd dat in die nieuwe lidstaat aan de nodige voorwaarden voor de toepassing van alle onderdelen van het betreffende acquis is voldaan en na raadpleging van het Europees Parlement.

De Raad besluit met eenparigheid van stemmen van de leden die de regeringen vertegenwoordigen van de lidstaten ten aanzien waarvan de bepalingen van dit lid reeds van kracht zijn en van de vertegenwoordiger van de regering van de lidstaat ten aanzien waarvan die bepalingen van kracht moeten worden. De leden van de Raad die de regeringen van Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vertegenwoordigen, nemen aan dit besluit deel voor zover het verband houdt met de bepalingen van het Schengenacquis en de daarop voortbouwende of op een andere wijze daaraan gerelateerde rechtsbesluiten waaraan deze lidstaten deelnemen.

3.

De door de Raad uit hoofde van artikel 6 van het Schengenprotocol gesloten overeenkomsten zijn vanaf de datum van toetreding verbindend voor de nieuwe lidstaten.

4.

De nieuwe lidstaten verbinden zich ertoe met betrekking tot die overeenkomsten of instrumenten op het gebied van Justitie en Binnenlandse zaken welke onlosmakelijk zijn verbonden met de doelstellingen van het EU-Verdrag:

Artikel 4

Vanaf de datum van toetreding neemt elke nieuwe lidstaat aan de Economische en Monetaire Unie deel als lidstaat met een derogatie in de zin van artikel 122 van het EG-Verdrag.

Artikel 5
1.

Bij deze Akte treden de nieuwe lidstaten toe tot de door de Vertegenwoordigers van de Regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, genomen besluiten en gesloten overeenkomsten. Zij verbinden zich ertoe op het tijdstip van de toetreding ook toe te treden tot elke andere door de huidige lidstaten gesloten overeenkomst die de werking van de Unie betreft of in nauw verband staat met het optreden van deze Unie.

2.

De nieuwe lidstaten verbinden zich ertoe toe te treden tot de overeenkomsten bedoeld in artikel 293 van het EG-Verdrag en tot de overeenkomsten die niet te scheiden zijn van het bereiken van de doelstellingen van het EG-Verdrag, alsmede tot de Protocollen betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van deze overeenkomsten, die door de lidstaten zijn ondertekend, en te dien einde onderhandelingen aan te knopen met de huidige lidstaten om daarin de vereiste aanpassingen aan te brengen.

3.

De nieuwe lidstaten bevinden zich ten aanzien van de verklaringen, resoluties of andere standpuntbepalingen van de Europese Raad of de Raad, alsmede ten aanzien van die welke betrekking hebben op de Gemeenschap of de Unie en in onderling overleg tussen de lidstaten zijn aanvaard, in dezelfde situatie als de huidige lidstaten; zij zullen derhalve de beginselen en beleidslijnen die hieruit voortvloeien eerbiedigen en de maatregelen treffen die nodig zouden kunnen blijken ter verzekering van de toepassing daarvan.

Artikel 6
1.

De door de Gemeenschap of uit hoofde van artikel 24 of artikel 38 van het EU-Verdrag met een of meer derde Staten, met een internationale organisatie dan wel met een onderdaan van een derde Staat gesloten of voorlopig toegepaste overeenkomsten of akkoorden, zijn verbindend voor de nieuwe lidstaten, en wel onder de in de oorspronkelijke Verdragen en in deze Akte neergelegde voorwaarden.

2.

De nieuwe lidstaten verbinden zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de door de huidige lidstaten en de Gemeenschap gezamenlijk gesloten of voorlopig toegepaste overeenkomsten of akkoorden, alsmede tot de door deze Staten gesloten overeenkomsten die verband houden met deze overeenkomsten of akkoorden.

De toetreding van de nieuwe lidstaten tot de in lid 6 genoemde overeenkomsten of akkoorden alsmede tot de overeenkomsten met Belarus, China, Chili, de Mercosur en Zwitserland die gezamenlijk zijn gesloten of ondertekend door de Gemeenschap en haar lidstaten, wordt geregeld door de sluiting van een protocol bij die overeenkomsten of akkoorden door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en het (de) betrokken derde land(en) of internationale organisatie. Deze procedure geldt onverminderd de eigen bevoegdheden van de Gemeenschap en laat de verdeling van bevoegdheden tussen de Gemeenschap en de lidstaten op het gebied van de sluiting van dergelijke overeenkomsten in de toekomst dan wel andere, niet met de toetreding verband houdende wijzigingen onverlet. De Commissie voert namens de lidstaten onderhandelingen over deze protocollen, op basis van door de Raad met eenparigheid van stemmen goedgekeurde onderhandelingsrichtsnoeren en in overleg met een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. De Commissie dient een ontwerp van de te sluiten protocollen in bij de Raad.

3.

Vanaf hun toetreding tot de in lid 2 bedoelde overeenkomsten en verdragen, verwerven de nieuwe lidstaten dezelfde rechten en verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten en akkoorden als de huidige lidstaten.

4.

Bij deze Akte treden de nieuwe lidstaten toe tot de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds1)PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3., ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000.

5.

De nieuwe lidstaten verbinden zich ertoe onder de in deze Akte neergelegde voorwaarden toe te treden tot de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte2)PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3., zulks overeenkomstig artikel 128 van die Overeenkomst.

6.

Vanaf de datum van toetreding, en in afwachting van de sluiting van de nodige protocollen als bedoeld in lid 2, passen de nieuwe lidstaten de bepalingen toe van de overeenkomsten die door de huidige lidstaten, gezamenlijk met de Gemeenschap, zijn gesloten met Algerije, Armenië, Azerbeidzjan, Bulgarije, Kroatië, Egypte, de VJRM, Georgië, Israël, Jordanië, Kazachstan, Kirgizië, Libanon, Mexico, Moldavië, Marokko, Roemenië, de Russische Federatie, San Marino, Zuid-Afrika, Zuid-Korea, Syrië, Tunesië, Turkije, Turkmenistan, Oekraïne en Oezbekistan, evenals het bepaalde in andere overeenkomsten die voor de toetreding door de huidige lidstaten, gezamenlijk met de Gemeenschap, zijn gesloten.

Eventuele aanpassingen van die overeenkomsten zullen het onderwerp vormen van met de medeovereenkomstsluitende landen te sluiten protocollen overeenkomstig lid 2, tweede alinea. Indien de protocollen niet zijn gesloten op de datum van toetreding, nemen de Gemeenschap en de lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, de noodzakelijke maatregelen om op het tijdstip van de toetreding het hoofd te bieden aan die situatie.

7.

Onmiddellijk bij de toetreding worden de door de Gemeenschap met derde landen gesloten bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen in de nieuwe lidstaten toegepast.

De door de Gemeenschap toegepaste kwantitatieve beperkingen op de invoer van textielproducten en kleding worden aangepast om rekening te houden met de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Gemeenschap. Te dien einde kan door de Gemeenschap met de betrokken derde landen nog voor de toetreding worden onderhandeld over wijzigingen van de bovengenoemde bilaterale overeenkomsten en regelingen.

Indien de wijzigingen van de bilaterale textielovereenkomsten en -regelingen nog niet in werking zijn getreden op de datum van toetreding, verricht de Gemeenschap de nodige aanpassingen van haar regels betreffende de invoer van textielproducten en kleding uit derde landen om rekening te kunnen houden met de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de Gemeenschap.

8.

De door de Gemeenschap toegepaste kwantitatieve beperkingen op de invoer van staal en staalproducten worden aangepast op basis van de invoer van de nieuwe lidstaten over de afgelopen jaren van staalproducten van oorsprong uit de betrokken leverancierlanden.

Te dien einde wordt nog voor de toetreding onderhandeld over de nodige wijzigingen in de door de Gemeenschap met derde landen gesloten bilaterale overeenkomsten en regelingen op het gebied van staal.

Indien de wijzigingen van de bilaterale overeenkomsten en regelingen nog niet in werking zijn getreden op de datum van toetreding, is de eerste alinea van toepassing.

9.

Onmiddellijk bij de toetreding wordt het beheer van door de nieuwe lidstaten gesloten visserijovereenkomsten door de Gemeenschap waargenomen.

De rechten en plichten die voor de nieuwe lidstaten uit deze overeenkomsten voortvloeien, blijven onverlet gedurende een periode waarin de bepalingen van deze overeenkomsten voorlopig worden gehandhaafd.

Zo spoedig mogelijk, en in ieder geval vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde overeenkomsten, stelt de Raad, in elk apart geval, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de passende besluiten vast voor het voortduren van de daaruit voortvloeiende visserijactiviteiten, met inbegrip van de mogelijkheid om bepaalde van deze overeenkomsten met ten hoogste één jaar te verlengen.

10.

Met ingang van de datum van toetreding zeggen de nieuwe lidstaten elke vrijhandelsovereenkomst met derde landen, inclusief de Midden-Europese Vrijhandelsovereenkomst, op.

Voorzover de overeenkomsten tussen één of meer nieuwe lidstaten enerzijds, en één of meer derde landen anderzijds, niet verenigbaar zijn met de verplichtingen die voortvloeien uit deze Akte, treft de nieuwe lidstaat alle passende maatregelen om geconstateerde onverenigbaarheden weg te werken. Indien een nieuwe lidstaat moeilijkheden ondervindt om een overeenkomst aan te passen die vóór de toetreding is gesloten met één of meer derde landen, trekt zij zich terug uit die overeenkomst met inachtneming van de daarin vervatte voorwaarden.

11.

Bij deze Akte en onder de daarin neergelegde voorwaarden treden de nieuwe lidstaten toe tot de interne overeenkomsten welke door de lidstaten werden gesloten met het oog op de toepassing van de in lid 2 en de leden 4 tot en met 6 bedoelde overeenkomsten en akkoorden.

12.

De nieuwe lidstaten treffen de passende maatregelen om zo nodig hun positie ten aanzien van internationale organisaties en internationale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap of andere lidstaten eveneens partij zijn, aan te passen aan de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit hun toetreding tot de Unie.

Met name zeggen zij, op de datum van toetreding of zo spoedig mogelijk daarna, de internationale visserijovereenkomsten en hun lidmaatschap van internationale visserijorganisaties op waarbij ook de Gemeenschap partij is, tenzij hun lidmaatschap geen verband houdt met visserijzaken.

Artikel 7

De bepalingen van deze Akte kunnen, tenzij anders is bepaald, uitsluitend worden geschorst, gewijzigd of ingetrokken door middel van de procedures voorzien in de oorspronkelijke Verdragen die het mogelijk maken tot een herziening van die Verdragen te komen.

Artikel 8

De door de Instellingen genomen besluiten waarop de in deze Akte vastgestelde overgangsmaatregelen zijn gebaseerd, behouden hun eigen rechtskarakter; met name blijven de voor deze besluiten geldende wijzigingsprocedures van toepassing.

Artikel 9

De bepalingen van deze Akte waarvan het doel of het gevolg is dat besluiten van de Instellingen anders dan bij wijze van overgangsmaatregel worden ingetrokken of gewijzigd, verkrijgen hetzelfde rechtskarakter als de daardoor ingetrokken of gewijzigde bepalingen en zijn onderworpen aan dezelfde regels als laatstgenoemde bepalingen.

Artikel 10

Ten aanzien van de toepassing van de oorspronkelijke Verdragen en van de door de Instellingen genomen besluiten gelden, bij wijze van overgang, de in deze Akte neergelegde afwijkende bepalingen.

DEEL TWEEDE. AANPASSING DER VERDRAGEN

TITEL I. INSTITUTIONELE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1. HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 11

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957. Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25-03-1957.

HOOFDSTUK 2. DE RAAD

Artikel 12
1.

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957. Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25-03-1957. Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

2.

Wijzigt het Protocol, gehecht aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, betreffende de uitbreiding van de Europese Unie; Nice, 26-02-2001.

3.

Indien minder dan tien nieuwe lidstaten tot de Europese Unie toetreden, wordt de drempel voor de gekwalificeerde meerderheid bij besluit van de Raad met toepassing van een strikt lineaire rekenkundige interpolatie, met afronding naar boven of naar beneden tot het dichtstbijzijnde stemmenaantal, vastgesteld op een percentage tussen 71% voor een Raad met 300 stemmen en 72,27% voor een EU met 25 lidstaten.

HOOFDSTUK 3. HET HOF VAN JUSTITIE

Artikel 13

Wijzigt het Protocol, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, betreffende het statuut van het Hof van Justitie; Nice, 26-02-2001.

HOOFDSTUK 4. HET ECONOMISCH EN SOCIAAL COMITÉ

Artikel 14

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957. Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25-03-1957. Wijzigt het Verdrag betreffende de Europese Unie; Maastricht, 07-02-1992.

HOOFDSTUK 5. HET COMITÉ VAN DE REGIO'S

Artikel 15

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957.

HOOFDSTUK 6. HET WETENSCHAPPELIJK EN TECHNISCH COMITÉ

Artikel 16

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; Rome, 25-03-1957.

HOOFDSTUK 7. DE EUROPESE CENTRALE BANK

Artikel 17

Wijzigt het Protocol betreffende de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken en de Europese Centrale Bank; Maastricht, 07-02-1992.

TITEL II. ANDERE AANPASSINGEN

Artikel 18

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957.

Artikel 19

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957.

DERDE DEEL. PERMANENTE BEPALINGEN

TITEL I. AANPASSINGEN VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 20

In de besluiten genoemd in bijlage II van deze Akte worden de aanpassingen aangebracht die in die bijlage worden omschreven.

Artikel 21

De ingevolge de toetreding noodzakelijke aanpassingen van de besluiten genoemd in de lijst in bijlage III van deze Akte worden verricht overeenkomstig de in die bijlage vervatte richtsnoeren en volgens de procedure en op de wijze bepaald in artikel 57.

TITEL II. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 22

De in bijlage IV van deze Akte opgesomde maatregelen worden toegepast op de in die bijlage bepaalde wijze.

Artikel 23

De Raad kan, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement besluiten tot de aanpassingen van de bepalingen van deze Akte betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid welke nodig zouden kunnen blijken ten gevolge van een wijziging van de communautaire voorschriften. Die aanpassingen kunnen vóór de datum van toetreding plaatsvinden.

VIERDE DEEL. TIJDELIJKE BEPALINGEN

TITEL I. OVERGANGSMAATREGELEN

Artikel 24

De in de bijlagen V tot en met XIV van deze Akte genoemde maatregelen zijn ten opzichte van de nieuwe lidstaten van toepassing op de wijze als bepaald in die bijlagen.

Artikel 25
1.

In afwijking van de tweede alinea van artikel 189 van het EG-Verdrag en van artikel 107, tweede alinea, van het Euratom-verdrag, en met betrekking tot artikel 190, lid 2, van het EG-Verdrag en artikel 108, lid 2, van het Euratom-verdrag, is het aantal afgevaardigden van de nieuwe lidstaten in het Europees Parlement voor de periode vanaf de datum van toetreding tot het begin van de zittingsperiode 2004–2009 van het Europees Parlement als volgt vastgesteld:

Tsjechië 24
Estland 6
Cyprus 6
Letland 9
Litouwen 13
Hongarije 24
Malta 5
Polen 54
Slovenië 7
Slowakije 14
2.

In afwijking van artikel 190, lid 1, van het EG-Verdrag en van artikel 108, lid 2, van het Euratom-verdrag, worden de vertegenwoordigers in het Europees Parlement van de volkeren van de nieuwe lidstaten voor de periode vanaf de datum van toetreding tot het begin van de zittingsperiode 2004–2009 van het Europees Parlement aangewezen door de volksvertegenwoordigingen van deze Staten uit hun midden, zulks volgens de door elk dezer Staten vastgestelde procedure.

Artikel 26
1.

Voor de periode tot en met 31 oktober 2004 zijn de volgende bepalingen van toepassing:

België 5
Tsjechië 5
Denemarken 3
Duitsland 10
Estland 3
Griekenland 5
Spanje 8
Frankrijk 10
Ierland 3
Italië 10
Cyprus 2
Letland 3
Litouwen 3
Luxemburg 2
Hongarije 5
Malta 2
Nederland 5
Oostenrijk 4
Polen 8
Portugal 5
Slovenië 3
Slowakije 3
Finland 3
Zweden 4
Verenigd Koninkrijk 10
2.

Ingeval minder dan tien nieuwe lidstaten toetreden tot de Unie, wordt de drempel voor de gekwalificeerde meerderheid tot en met 31 oktober 2004 bij besluit van de Raad zo dicht mogelijk bij 71,26% van het totale aantal stemmen vastgesteld.

Artikel 27
1.

De „rechten van het Gemeenschappelijke Douanetarief en andere douanerechten" genoemde ontvangsten, bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad betreffende het stelsel van de eigen middelen van de Europese Gemeenschappen1)PB L 253 van 7.10.2000, blz. 42. , of de overeenkomstige bepaling in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van de nieuwe lidstaten met derde landen toepast., of de overeenkomstige bepaling in enig besluit dat dit vervangt, omvatten de douanerechten die worden berekend op basis van de rechten die voortvloeien uit het gemeenschappelijk douanetarief en alle daarmee samenhangende tariefconcessies die de Gemeenschap in het handelsverkeer van de nieuwe lidstaten met derde landen toepast.

2.

Voor 2004 zijn de in artikel 2, lid 1, onder c), respectievelijk d), van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad bedoelde geharmoniseerde BTW-grondslag en BNP-grondslag (bruto nationaal product) van elke nieuwe lidstaat gelijk aan twee derde van de jaarbasis. De BNP-grondslag van elke nieuwe lidstaat waarmee rekening zal worden gehouden bij de berekening van de in artikel 5, lid 1, van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad bedoelde financiering van de correctie voor begrotingsonevenwichtigheden die aan het Verenigd Koninkrijk is toegestaan, is eveneens gelijk aan twee derde van de jaarbasis.

3.

Voor de bepaling van het in artikel 2, lid 4, onder b), van Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad bedoelde „bevroren percentage" voor 2004, worden de afgetopte BTW-grondslagen voor de nieuwe lidstaten berekend op basis van twee derde van de niet-afgetopte BTW-grondslag en twee derde van hun BNP.

Artikel 28
1.

De algemene begroting van de Europese Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 2004 wordt aangepast om rekening te houden met de toetreding van de nieuwe lidstaten: dit gebeurt door middel van een wijzigingsbegroting die op 1 mei 2004 van kracht wordt.

2.

De twaalf maandelijkse twaalfden van de op de BTW en op het BNP gebaseerde middelen die door de nieuwe lidstaten moeten worden betaald krachtens deze gewijzigde begroting, alsmede de aanpassing met terugwerkende kracht van de maandelijkse twaalfden voor het tijdvak januari–april 2004 die uitsluitend gelden voor de huidige lidstaten, worden omgezet in achtsten die tijdens de periode mei–december 2004 moeten worden afgedragen. De aanpassingen met terugwerkende kracht die voortvloeien uit eventuele later in 2004 aangenomen gewijzigde begrotingen, worden op dezelfde wijze omgezet in gelijke delen die tijdens de rest van het jaar moeten worden afgedragen.

Artikel 29

De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan Tsjechië, Cyprus, Malta en Slovenië, uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, één achtste in 2004 vanaf de datum van toetreding en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van tijdelijke begrotingscompensatie:

2004 2005 2006
(miljoen euro – prijzen van 1999) (miljoen euro – prijzen van 1999)
Tsjechië 125,4 178,0 85,1
Cyprus 68,9 119,2 112,3
Malta 37,8 65,6 62,9
Slovenië 29,5 66,4 35,5
Artikel 30

De Gemeenschap stort op de eerste werkdag van elke maand aan Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, uit hoofde van de uitgaven van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen, één achtste in 2004 vanaf de datum van toetreding en één twaalfde in 2005 en 2006 van de volgende bedragen bij wijze van forfaitaire speciale cash flow-faciliteit:

2004 2005 2006
(miljoen euro – prijzen van 1999) (miljoen euro – prijzen van 1999)
Tsjechië 174,7 91,55 91,55
Estland 15,8 2,9 2,9
Cyprus 27,7 5,05 5,05
Letland 19,5 3,4 3,4
Litouwen 34,8 6,3 6,3
Hongarije 155,3 27,95 27,95
Malta 12,2 27,15 27,15
Polen 442,8 550,0 450,0
Slovenië 65,4 17,85 17,85
Slowakije 63,2 11,35 11,35

Een in de forfaitaire speciale cash flow-faciliteit opgenomen bedrag van 1 miljard euro voor Polen en van 100 miljoen euro voor de Tsjechische Republiek wordt in aanmerking genomen voor berekeningen betreffende de verdeling van de structuurfondsen voor de jaren 2004 tot en met 2006.

Artikel 31
1.

De hieronder vermelde nieuwe lidstaten betalen de volgende bijdragen aan het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal als bedoeld in Besluit 2002/234/EGKS van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 februari 2002 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal1)PB L 79 van 22.3.2002, blz. 42. :

(miljoen euro – huidige prijzen) (miljoen euro – huidige prijzen)
Tsjechië 39,88
Estland 2,5
Letland 2,69
Hongarije 9,93
Polen 92,46
Slovenië 2,36
Slowakije 20,11
2.

De bijdragen aan het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal worden in vier keer betaald, te beginnen in 2006, volgens het onderstaande schema, steeds op de eerste werkdag van de eerste maand van elk jaar:

2006: 15%

2007: 20%

2008: 30%

2009: 35%.

Artikel 32
1.

Voorzover in dit Verdrag niet anders is bepaald, worden na 31 december 2003 geen financiële verbintenissen aangegaan ten behoeve van de nieuwe lidstaten uit hoofde van het Phare-programma2)Verordening (EEG) nr. 3906/89 (PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11), zoals gewijzigd., het Phare-programma voor grensoverschrijdende samenwerking3)Verordening (EG) nr. 2760/98 (PB L 345 van 19.12.1998, blz. 49), zoals gewijzigd., de pretoetredingsinstrumenten voor Cyprus en Malta4)Verordening (EG) nr. 555/2000 (PB L 68 van 16.3.2000, blz. 3), zoals gewijzigd., het ISPA-programma5)Verordening (EG) nr. 1267/1999 (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73), zoals gewijzigd. en het Sapard-programma6)Verordening (EG) nr. 1268/1999 (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 87).. De nieuwe lidstaten krijgen met ingang van 1 januari 2004 dezelfde behandeling als de huidige lidstaten wat betreft uitgaven onder de eerste drie rubrieken van de financiële vooruitzichten, als bepaald in de Interinstitutionele Overeenkomst van 6 mei 19997)Interinstitutioneel akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure (PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1). , met inachtneming van de hieronder vermelde individuele specificaties en uitzonderingen of zoals anderszins is bepaald in dit Verdrag. De maximum aanvullende vastleggingen voor de rubrieken 1, 2, 3 en 5 van de Financiële Perspectieven in verband met de toetreding staan in bijlage XV. Voor geen enkel programma of geen enkele orgaan mogen echter financiële verbintenissen worden aangegaan uit hoofde van de begroting voor 2004 voordat de betrokken nieuwe lidstaat is toegetreden., het Phare-programma voor grensoverschrijdende samenwerking, de pretoetredingsinstrumenten voor Cyprus en Malta, het ISPA-programma en het Sapard-programma. De nieuwe lidstaten krijgen met ingang van 1 januari 2004 dezelfde behandeling als de huidige lidstaten wat betreft uitgaven onder de eerste drie rubrieken van de financiële vooruitzichten, als bepaald in de Interinstitutionele Overeenkomst van 6 mei 1999, met inachtneming van de hieronder vermelde individuele specificaties en uitzonderingen of zoals anderszins is bepaald in dit Verdrag. De maximum aanvullende vastleggingen voor de rubrieken 1, 2, 3 en 5 van de Financiële Perspectieven in verband met de toetreding staan in bijlage XV. Voor geen enkel programma of geen enkele orgaan mogen echter financiële verbintenissen worden aangegaan uit hoofde van de begroting voor 2004 voordat de betrokken nieuwe lidstaat is toegetreden.

2.

Lid 1 is niet van toepassing op uitgaven uit hoofde van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, overeenkomstig artikel 2, lid 1, artikel 2, lid 2, en artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid1)PB L 160 van 26.6.1999, blz. 103., die pas vanaf de datum van toetreding voor communautaire financiering in aanmerking komen, overeenkomstig artikel 2 van deze Akte., die pas vanaf de datum van toetreding voor communautaire financiering in aanmerking komen, overeenkomstig artikel 2 van deze Akte.

Lid 1 van dit artikel is echter wel van toepassing op uitgaven voor uit hoofde van door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, afdeling Garantie, gefinancierde plattelandsontwikkeling, overeenkomstig artikel 47 bis van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen2)PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80. , met inachtneming van de voorwaarden daaraan verbonden in de wijziging van deze verordening in bijlage II bij deze Akte.

3.

Onder voorbehoud van de laatste zin van lid 1, nemen de nieuwe lidstaten vanaf 1 januari 2004 deel aan communautaire programma's en organen, met financiering uit de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen volgens dezelfde regels en voorwaarden als de huidige lidstaten. De regels en voorwaarden van besluiten van de Associatieraden, overeenkomsten en memoranda van overeenstemming tussen de Europese Gemeenschappen en de nieuwe lidstaten betreffende hun deelname aan communautaire programma's en organen worden met ingang van 1 januari 2004 vervangen door de bepalingen die op deze programma's en organen van toepassing zijn.

4.

Indien één van de, in artikel 1, lid 1, van het Toetredingsverdrag genoemde staten niet in de loop van 2004 tot de Gemeenschap toetreedt, dan zijn alle verzoeken van of uit dat land om uitgavensteun uit hoofde van de eerste drie rubrieken van de Financiële Perspectieven voor 2004 nietig. In dat geval blijft het betreffende besluit van de Associatieraad, de betreffende overeenkomst of het memorandum van overeenstemming ten aanzien van die staat gedurende het hele jaar 2004 van toepassing.

5.

Indien er maatregelen moeten worden genomen om de overgang tussen de pretoetredingsregeling en die welke voortvloeit uit de toepassing van dit artikel te vergemakkelijken, neemt de Commissie de vereiste maatregelen.

Artikel 33
1.

Vanaf de datum van toetreding worden de aanbesteding, de afsluiting, de uitvoering en de betaling met betrekking tot pretoetredingsmiddelen in het kader van het Phare-programma1)Verordening (EEG) nr. 3906/89 (PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11), zoals gewijzigd., het GS-programma in het kader van Phare2)Verordening (EG) nr. 2760/98 (PB L 345 van 19.12.1998, blz. 49), zoals gewijzigd. en de pretoetredingsmiddelen voor Cyprus en Malta3)Verordening (EG) nr. 555/2000 (PB L 68 van 16.3.2000, blz. 3), zoals gewijzigd.beheerd door een uitvoeringsinstantie in de nieuwe lidstaten.

Van de voorafgaande goedkeuring door de Commissie in verband met de aanbesteding en de afsluiting van de overeenkomst zal worden afgezien bij een besluit van de Commissie te dien einde, na een als positief beoordeelde aanvraag voor een versterkt gedecentraliseerd uitvoeringssysteem (EDIS), overeenkomstig de criteria en de voorwaarden van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1266/1999 van de Raad betreffende de coördinatie van de bijstand aan de kandidaat-lidstaten in het kader van de pretoetredingsstrategie en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3906/894)PB L 232 van 2.9.1999, blz. 34..

Indien de beslissing van de Commissie om af te zien van voorafgaande goedkeuring niet is genomen vóór de toetreding, heeft dat tot gevolg dat overeenkomsten die zijn ondertekend tussen de toetredingsdatum en de datum waarop de Commissie haar beslissing neemt, niet in aanmerking komen voor pretoetredingsbijstand.

Indien evenwel, bij wijze van uitzondering, de beslissing van de Commissie om af te zien van voorafgaande goedkeuring pas kan worden getroffen na de toetredingsdatum om redenen die niet kunnen worden toegeschreven aan de autoriteiten van de nieuwe lidstaat, kan de Commissie in naar behoren gemotiveerde gevallen aanvaarden dat overeenkomsten die zijn gesloten tussen de toetredingsdatum en de datum van de beslissing van de Commissie, in aanmerking komen voor pretoetredingsbijstand, en dat de uitvoering van de pretoetredingsbijstand nog gedurende een beperkte periode wordt voortgezet, op voorwaarde dat de Commissie vooraf haar goedkeuring verleent aan de aanbesteding en de afsluiting van de overeenkomst.

2.

Algemene begrotingsverplichtingen die zijn aangegaan voor de toetreding krachtens de in lid 1 bedoelde financiële instrumenten voor de pretoetredingssteun, met inbegrip van de afsluiting en registratie van latere individuele vastleggingen en betalingen die na de toetreding zijn verricht, blijven vallen onder de regels en voorschriften van de financiële instrumenten in het kader van de pretoetredingsbijstand en blijven ten laste van de desbetreffende begrotingshoofdstukken tot de betrokken programma's en projecten worden afgesloten. Onverminderd hetgeen voorafgaat, worden procedures inzake overheidsopdrachten die worden ingeleid na de toetreding, uitgevoerd overeenkomstig de toepasselijke communautaire richtlijnen.

3.

De laatste programmeringsperiode voor de in lid 1 bedoelde pretoetredingsbijstand valt samen met het laatste volledige kalenderjaar dat aan de toetreding voorafgaat. Voor de acties uit hoofde van deze programma's dient binnen de twee volgende jaren een overeenkomst te worden gesloten; de betalingen worden verricht zoals in het financieringsmemorandum1)Zoals omschreven in de Phare-richtsnoeren (SEC(1999) 1596, bijgewerkt op 6.9.2002 bij C 3303/2). is vastgesteld, normaliter tegen het einde van het derde jaar nadat de betalingsverplichting is aangegaan. Er worden geen verlengingen toegestaan voor de termijn van de overeenkomsten. Bij wijze van uitzondering en in naar behoren gemotiveerde gevallen, is een beperkte verlenging van de termijnen mogelijk voor de betalingen. is vastgesteld, normaliter tegen het einde van het derde jaar nadat de betalingsverplichting is aangegaan. Er worden geen verlengingen toegestaan voor de termijn van de overeenkomsten. Bij wijze van uitzondering en in naar behoren gemotiveerde gevallen, is een beperkte verlenging van de termijnen mogelijk voor de betalingen.

4.

Om te zorgen voor de noodzakelijke geleidelijke beëindiging van de in lid 1 bedoelde financiële instrumenten voor de pretoetredingsbijstand en van het ISPA-programma2)Verordening (EG) nr. 1267/99 (PB L 161 van 26.6.1999, blz. 73), zoals gewijzigd., alsmede voor een vlotte overgang tussen de regels die voor, respectievelijk na de toetreding gelden, kan de Commissie alle passende maatregelen treffen om in de nieuwe lidstaten het nodige wettelijk vereiste personeel te handhaven gedurende een periode van maximaal 15 maanden na de toetreding. Tijdens die periode genieten de ambtenaren die in de nieuwe lidstaten voor de toetreding gedetacheerd waren en die in die lidstaten in dienst blijven na de toetreding bij wijze van uitzondering dezelfde financiële en materiële voorwaarden als die welke door de Commissie vóór de toetreding werden toegepast overeenkomstig bijlage X van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen zoals die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/683)PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2265/02 (PB L 347 van 20.12.2002, blz. 1).. De administratieve uitgaven, met inbegrip van de salarissen van andere personeelsleden, die nodig zijn voor het beheer van de pretoetredingsbijstand, worden tijdens het gehele jaar 2004 en tot eind juli 2005 gefinancierd ten laste van de begrotingspost„ondersteuningsuitgaven voor acties" (het vroegere deel B van de begroting) of ten laste van overeenkomstige begrotingsposten voor de in lid 1 bedoelde instrumenten, alsmede het ISPA-programma, van de desbetreffende pretoetredingsbegrotingen. , alsmede voor een vlotte overgang tussen de regels die voor, respectievelijk na de toetreding gelden, kan de Commissie alle passende maatregelen treffen om in de nieuwe lidstaten het nodige wettelijk vereiste personeel te handhaven gedurende een periode van maximaal 15 maanden na de toetreding. Tijdens die periode genieten de ambtenaren die in de nieuwe lidstaten voor de toetreding gedetacheerd waren en die in die lidstaten in dienst blijven na de toetreding bij wijze van uitzondering dezelfde financiële en materiële voorwaarden als die welke door de Commissie vóór de toetreding werden toegepast overeenkomstig bijlage X van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen zoals die zijn vastgesteld bij Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68. De administratieve uitgaven, met inbegrip van de salarissen van andere personeelsleden, die nodig zijn voor het beheer van de pretoetredingsbijstand, worden tijdens het gehele jaar 2004 en tot eind juli 2005 gefinancierd ten laste van de begrotingspost„ondersteuningsuitgaven voor acties" (het vroegere deel B van de begroting) of ten laste van overeenkomstige begrotingsposten voor de in lid 1 bedoelde instrumenten, alsmede het ISPA-programma, van de desbetreffende pretoetredingsbegrotingen.

5.

Wanneer krachtens Verordening (EG) nr. 1268/1999 goedgekeurde projecten niet langer uit hoofde van dat instrument kunnen worden gefinancierd, kunnen zij worden geïntegreerd in de programmering inzake plattelandsontwikkeling en gefinancierd door het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw. Indien in dit verband specifieke overgangsmaatregelen nodig zijn, worden deze door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 50, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/1999 van de Raad houdende algemene bepalingen inzake de Structuurfondsen1)PB L 161 van 26.6.1999, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1447/2001 (PB L 198 van 21.7.2001, blz. 1)..

Artikel 34
1.

Tussen de datum van toetreding en eind 2006 verstrekt de Unie aan de nieuwe lidstaten tijdelijke financiële bijstand (hierna de „overgangsfaciliteit" te noemen) voor de ontwikkeling en versterking van hun administratieve capaciteit om de communautaire wetgeving uit te voeren en te handhaven, en de uitwisseling van beste praktijken tussen overeenkomstige instanties in verschillende landen te bevorderen.

2.

Deze bijstand is gericht op de blijvende noodzaak om de institutionele capaciteit op bepaalde terreinen te versterken door middel van maatregelen die niet door de structuurfondsen kunnen worden gefinancierd, in het bijzonder op de volgende gebieden:

3.

Over de bijstand uit hoofde van de overgangsfaciliteit wordt besloten overeenkomstig de procedure van artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen van Midden- en Oost-Europa1)PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2500/2001 (PB L 342 van 27.12.2001, blz. 1)..

4.

Het programma wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder a) en b), van het financieel reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen2)Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1). . Voor samenwerkingsverbonden tussen overheidsinstanties met het oog op institutionele ontwikkeling blijft de procedure met betrekking tot het doen van voorstellen via het netwerk van contactpunten in de huidige lidstaten van toepassing; deze procedure is vastgelegd in de kaderovereenkomsten met de huidige lidstaten met betrekking tot de pretoetredingssteun.. Voor samenwerkingsverbonden tussen overheidsinstanties met het oog op institutionele ontwikkeling blijft de procedure met betrekking tot het doen van voorstellen via het netwerk van contactpunten in de huidige lidstaten van toepassing; deze procedure is vastgelegd in de kaderovereenkomsten met de huidige lidstaten met betrekking tot de pretoetredingssteun.

De vastleggingen voor de overgangsfaciliteit bedragen, tegen de prijzen van 1999, 200 miljoen euro voor 2004, 120 miljoen euro in 2005 en 60 miljoen euro in 2006. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegekend binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 35
1.

Hierbij wordt een Schengenfaciliteit als tijdelijk instrument ingesteld om de begunstigde lidstaten vanaf de datum van toetreding tot eind 2006 te helpen bij de financiering van acties aan de nieuwe buitengrenzen van de Unie met het oog op de uitvoering van het Schengenacquis en de controle aan de buitengrenzen.

Om de bij de voorbereiding voor deelname aan Schengen ontdekte tekortkomingen te verhelpen, komen de volgende soorten acties in aanmerking voor financiering uit hoofde van de Schengenfaciliteit:

2.

De volgende bedragen worden in het kader van de Schengenfaciliteit beschikbaar gesteld en als forfaitaire steunbetalingen uitgekeerd aan de onderstaande begunstigde lidstaten:

2004 2005 2006
(miljoen euro – prijzen van 1999) (miljoen euro – prijzen van 1999)
Estland 22,9 22,9 22,9
Letland 23,7 23,7 23,7
Litouwen 44,78 61,07 29,85
Hongarije 49,3 49,3 49,3
Polen 93,34 93,33 93,33
Slovenië 35,64 35,63 35,63
Slowakije 15,94 15,93 15,93
3.

Het is de taak van de begunstigde lidstaten om de afzonderlijke operaties overeenkomstig dit artikel te selecteren en uit te voeren. Zij zijn tevens verantwoordelijk voor het coördineren van het gebruik van de faciliteit met steun uit andere communautaire instrumenten, voor de compatibiliteit met het beleid en de maatregelen van de Gemeenschap en voor de naleving van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

De forfaitaire steunbetalingen worden binnen drie jaar na de eerste betaling gebruikt en ongebruikte of onterecht uitgegeven middelen worden teruggevorderd door de Commissie. De begunstigde lidstaten dienen, uiterlijk zes maanden na de termijn van drie jaar, een overzichtsverslag in over de wijze waarop de forfaitaire steunbetalingen zijn gebruikt, met een verklaring waarin de uitgaven worden gerechtvaardigd.

De begunstigde lidstaat oefent deze verantwoordelijkheid uit onverminderd de bevoegdheden van de Commissie inzake de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen en overeenkomstig het bepaalde in het financieel reglement betreffende gedecentraliseerd beheer.

4.

De Commissie houdt een toetsingsrecht via het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF). De Commissie en de Rekenkamer kunnen tevens controles ter plaatse uitvoeren volgens de passende procedures.

5.

De Commissie kan de voor de werking van deze faciliteit noodzakelijke technische bepalingen aannemen.

Artikel 36

De in de artikelen 29, 30, 34 en 35 genoemde bedragen worden jaarlijks aangepast in het kader van de technische aanpassing op grond van punt 15 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999.

TITEL II. OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 37
1.

Indien zich voor het einde van een periode van ten hoogste drie jaar na de toetreding ernstige en mogelijk aanhoudende moeilijkheden voordoen in een sector van het economische leven, dan wel moeilijkheden die de economische toestand van een bepaalde streek ernstig kunnen verstoren, kan een nieuwe lidstaat machtiging vragen om beschermingsmaatregelen te nemen, zodat de toestand weer in evenwicht kan worden gebracht en de betrokken sector kan worden aangepast aan de economie van de gemeenschappelijke markt.

Onder dezelfde voorwaarden kan een van de huidige lidstaten verzoeken gemachtigd te worden beschermingsmaatregelen te nemen ten opzichte van een of meer van de nieuwe lidstaten.

2.

Op verzoek van de betrokken staat stelt de Commissie door middel van een spoedprocedure onverwijld de beschermingsmaatregelen vast welke zij noodzakelijk acht, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

In geval van ernstige economische moeilijkheden spreekt de Commissie zich op uitdrukkelijk verzoek van de betrokken lidstaat uit binnen een termijn van vijf werkdagen na de ontvangst van het met redenen omkleed verzoek. De aldus getroffen maatregelen zijn onmiddellijk van toepassing, houden rekening met de belangen van alle betrokken partijen en leiden niet tot grenscontroles.

3.

De overeenkomstig lid 2 toegestane maatregelen kunnen afwijkingen van de regels van het EG-Verdrag en van deze Akte inhouden, voorzover en voor zolang zij strikt noodzakelijk zijn om de in lid 1 bedoelde doelstellingen te verwezenlijken. Bij voorrang moeten die maatregelen worden gekozen die de werking van de gemeenschappelijke markt het minst verstoren.

Artikel 38

Bij niet-naleving door een nieuwe lidstaat van in het kader van de toetredingsonderhandelingen aangegane verbintenissen waardoor de werking van de interne markt ernstig wordt verstoord, met inbegrip van verbintenissen inzake sectoraal beleid betreffende economische activiteiten met grensoverschrijdende gevolgen, of bij onmiddellijke dreiging van een dergelijke verstoring, kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Akte op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief passende maatregelen treffen.

Deze maatregelen moeten evenredig zijn en er moet voorrang worden gegeven aan maatregelen die de werking van de interne markt het minst verstoren en, in voorkomend geval, aan de toepassing van de bestaande sectorale vrijwaringsmechanismen. Deze vrijwaringsmaatregelen mogen echter niet worden gebruikt als middel tot willekeurige discriminatie noch als verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de clausule kan vanaf de datum van toetreding van kracht worden. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken verplichting is nagekomen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast indien de betrokken verplichtingen niet zijn nagekomen. In antwoord op de vooruitgang die door de betrokken nieuwe lidstaat bij het nakomen van zijn verplichtingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel 39

Indien er zich in een nieuwe lidstaat ernstige tekortkomingen of directe risico's op dergelijke tekortkomingen voordoen bij de omzetting, de stand van de uitvoering of de toepassing van de kaderbesluiten of andere ter zake doende verbintenissen, samenwerkingsinstrumenten en besluiten betreffende wederzijdse erkenning in strafzaken uit hoofde van titel VI van het EU-Verdrag en richtlijnen en verordeningen inzake wederzijdse erkenning in burgerlijke zaken uit hoofde van titel IV van het EG-verdrag, kan de Commissie tot aan het einde van een periode van ten hoogste drie jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze Akte op een met redenen omkleed verzoek van een lidstaat dan wel op eigen initiatief en na overleg met de lidstaten passende maatregelen treffen, waarbij zij de voorwaarden en praktische regels voor de toepassing ervan aangeeft.

Deze maatregelen kunnen de vorm aannemen van een tijdelijke schorsing van de toepassing van de betrokken bepalingen en besluiten in de betrekkingen tussen een nieuwe lidstaat en een andere lidstaat of andere lidstaten, zonder afbreuk te doen aan de verdere nauwe justitiële samenwerking. Op een vrijwaringsclausule kan zelfs vóór de toetreding een beroep gedaan worden op basis van de bevindingen van het toezicht, en de clausule kan vanaf de datum van toetreding van kracht worden. De maatregelen worden niet langer gehandhaafd dan strikt noodzakelijk is en zij worden in elk geval ingetrokken wanneer de betrokken tekortkomingen zijn verholpen. Zij kunnen evenwel tot na de in de eerste alinea bedoelde periode worden toegepast zo lang de betrokken tekortkomingen blijven bestaan. In antwoord op de vooruitgang die door de betrokken nieuwe lidstaat bij het verhelpen van de aangegeven tekortkomingen is geboekt, kan de Commissie in voorkomend geval de maatregelen aanpassen na overleg met de lidstaten. De Commissie stelt de Raad tijdig in kennis alvorens zij vrijwaringsmaatregelen intrekt, en zij houdt terdege rekening met de desbetreffende opmerkingen van de Raad.

Artikel 40

Teneinde de goede werking van de interne markt niet te verstoren mag de tenuitvoerlegging van de nationale voorschriften van de nieuwe lidstaten gedurende de in de bijlagen V tot en met XIV bedoelde overgangsperioden niet leiden tot grenscontroles tussen de lidstaten.

Artikel 41

Indien overgangsmaatregelen nodig zijn ter vergemakkelijking van de overgang van de in de nieuwe lidstaten bestaande regeling naar die welke voortvloeit uit de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid overeenkomstig het bepaalde in deze Akte, worden deze maatregelen door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 42, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker1)PB L 178 van 30.6.2001, blz. 1. of, naargelang van het geval, van de desbetreffende artikelen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten of volgens de desbetreffende comitéprocedure van de toepasselijke wetgeving. De in dit artikel bedoelde overgangsmaatregelen kunnen worden genomen gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak. De Raad kan dit tijdvak met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement verlengen.

De overgangsmaatregelen die betrekking hebben op de toepassing van ingevolge de toetreding vereiste maar niet in deze Akte gespecificeerde instrumenten betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid, worden vóór de datum van toetreding door de Raad op voorstel van de Commissie met een gekwalificeerde meerderheid aangenomen of, indien die maatregelen gevolgen hebben voor oorspronkelijk door de Commissie aangenomen instrumenten, door de Commissie volgens de procedure die is vereist voor de aanneming van de betrokken instrumenten.

Artikel 42

Indien er overgangsmaatregelen nodig zijn om de overgang te vergemakkelijken van de in de nieuwe lidstaten bestaande regeling naar de regeling die voortvloeit uit de toepassing van de communautaire veterinaire en fytosanitaire wetgeving, dienen deze maatregelen door de Commissie volgens de in de toepasselijke wetgeving vastgestelde comitologieprocedure te worden aangenomen. Deze maatregelen worden genomen gedurende een tijdvak dat drie jaar na de datum van toetreding verstrijkt; de toepassing ervan is beperkt tot dat tijdvak.

VIJFDE DEEL. BEPALINGEN BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN DEZE AKTE

TITEL I. HET IN WERKING STELLEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 43

Het Europees Parlement brengt in zijn Reglement de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 44

De Raad brengt in zijn Reglement van Orde de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 45
1.

Elke staat die toetreedt heeft het recht om een van zijn onderdanen tot lid van de Commissie te doen benoemen.

3.

De Commissie brengt in haar Reglement van Orde de aanpassingen aan die door de toetreding noodzakelijk zijn geworden.

Artikel 46
1.

Bij het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg worden tien rechters benoemd.

4.

Voor het wijzen van vonnis in zaken die op de datum van toetreding bij het Hof of het Gerecht aanhangig zijn en waarvoor de mondelinge procedure vóór deze datum is geopend, komen het Hof en het Gerecht in voltallige zitting of de Kamers bijeen in de samenstelling van voor de toetreding en passen zij het reglement voor de procesvoering toe zoals dit op de dag voor de toetredingsdatum gold.

Artikel 47

De Rekenkamer wordt aangevuld door de benoeming van tien extra leden met een ambtstermijn van zes jaar.

Artikel 48

Het Economisch en Sociaal Comité wordt aangevuld door de benoeming van 95 leden die de verschillende economische en sociale componenten van de georganiseerde civiele samenleving in de nieuwe lidstaten vertegenwoordigen. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt tegelijk met het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 49

Het Comité van de Regio's wordt aangevuld door de benoeming van 95 leden die een regionaal of lokaal lichaam uit de nieuwe lidstaten vertegenwoordigen, en die ofwel in een regionaal of lokaal lichaam gekozen zijn ofwel politiek verantwoording schuldig zijn aan een gekozen vergadering. Het mandaat van de aldus benoemde leden eindigt tegelijk met het mandaat van de leden die op het tijdstip van toetreding in functie zijn.

Artikel 50
1.

De ambtstermijn van de huidige leden van het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit hoofde van artikel 134, lid 2, van het Euratom-Verdrag verstrijkt op de dag van inwerkingtreding van deze Akte.

2.

Bij de toetreding benoemt de Raad de nieuwe leden van het Wetenschappelijk en Technisch Comité volgens de procedure van artikel 134, lid 2, van het Euratom-Verdrag.

Artikel 51

De door de toetreding noodzakelijk geworden aanpassingen van de statuten en van de reglementen van orde van de bij de oorspronkelijke Verdragen ingestelde comités geschieden zo spoedig mogelijk na de toetreding.

Artikel 52
1.

Voor wat de in bijlage XVI vermelde, bij de Verdragen en door de wetgever opgerichte comités, groepen en andere instanties betreft, verstrijkt de ambtstermijn der nieuwe leden tegelijk met de ambtstermijn van de leden die op het tijdstip van de toetreding in functie zijn.

2.

De ambtstermijn van de nieuwe leden van de in bijlage XVII vermelde, door de Commissie opgerichte comités en groepen verstrijkt tegelijk met de ambtstermijn van de leden die op het tijdstip van de toetreding in functie zijn.

3.

De in bijlage XVIII vermelde comités worden bij de toetreding volledig vernieuwd.

TITEL II. TOEPASSING VAN DE BESLUITEN VAN DE INSTELLINGEN

Artikel 53

Vanaf het tijdstip van toetreding wordt ervan uitgegaan dat de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het EG-Verdrag en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag, eveneens tot de nieuwe lidstaten zijn gericht, voorzover deze richtlijnen en beschikkingen tot alle huidige lidstaten zijn gericht. Behoudens wat betreft richtlijnen en beschikkingen die in werking treden overeenkomstig artikel 254, leden 1 en 2, van het EG-Verdrag, wordt ervan uitgegaan dat van deze richtlijnen en beschikkingen onmiddellijk bij de toetreding kennis is gegeven aan de nieuwe lidstaten.

Artikel 54

De nieuwe lidstaten stellen de maatregelen in werking die nodig zijn om vanaf het tijdstip van toetreding uitvoering te geven aan de richtlijnen en beschikkingen in de zin van artikel 249 van het EG-Verdrag en van artikel 161 van het Euratom-Verdrag, tenzij in de in artikel 24 bedoelde bijlagen of in andere bepalingen van de onderhavige Akte of de bijlagen daarvan een andere termijn is vastgesteld.

Artikel 55

Op een met redenen omkleed verzoek van een van de nieuwe lidstaten kan de Raad, met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie vóór 1 mei 2004 maatregelen treffen die tijdelijke afwijkingen behelzen van de door de instellingen tussen 1 november 2002 en de datum van ondertekening van het Toetredingsverdrag genomen besluiten.

Artikel 56

Behoudens andersluidende bepalingen, stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de maatregelen vast die nodig zijn ter uitvoering van het bepaalde in de bijlagen II, III en IV, waarnaar wordt verwezen in de artikelen 20, 21 en 22 van deze Akte.

Artikel 57
1.

Indien besluiten van de Instellingen van vóór de toetreding in verband met de toetreding moeten worden aangepast, en in deze Akte of de bijlagen daarvan niet in de noodzakelijke aanpassingen is voorzien, worden deze aanpassingen aangebracht overeenkomstig de procedure van lid 2. Deze aanpassingen treden onmiddellijk bij de toetreding in werking.

2.

De daartoe noodzakelijke teksten worden, op voorstel van de Commissie, door de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, of door de Commissie vastgesteld, naargelang de oorspronkelijke besluiten door de ene dan wel door de andere Instelling zijn aangenomen.

Artikel 58

De teksten van de vóór de toetreding aangenomen besluiten van de Instellingen en van de Europese Centrale Bank die door de Raad, de Commissie of de Europese Centrale Bank in de Estse, de Hongaarse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Sloveense, de Slowaakse en de Tsjechische taal zijn vastgesteld, zijn vanaf het tijdstip van toetreding op gelijke wijze authentiek als de in de elf huidige talen vastgestelde teksten. Zij worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt, wanneer de teksten in de huidige talen aldus zijn bekendgemaakt.

Artikel 59

De wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de bescherming van de gezondheid van de werknemers en van de bevolking op het grondgebied van de nieuwe lidstaten tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren worden overeenkomstig artikel 33 van het Euratom-Verdrag door deze staten aan de Commissie medegedeeld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de toetreding.

TITEL III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 60

De aan deze Akte gehechte bijlagen I tot en met XVIII, de aanhangsels daarbij en de Protocollen 1 tot en met 10 maken daar een integrerend deel van uit.

Artikel 61

De Regering van de Italiaanse Republiek zendt aan de Regeringen van de nieuwe lidstaten een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal toe van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en de Verdragen tot wijziging of aanvulling daarvan, met inbegrip van het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Verdrag betreffende de toetreding van de Helleense Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, het Verdrag betreffende de toetreding van het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek tot de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Verdrag betreffende de toetreding van de Republiek Oostenrijk, de Republiek Finland en het Koninkrijk Zweden tot de Europese Unie.

De teksten van deze Verdragen in de Estse, de Hongaarse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Sloveense, de Slowaakse, en de Tsjechische taal worden aan de onderhavige Akte gehecht. Deze teksten zijn op gelijke wijze authentiek als de teksten van de in de eerste alinea genoemde Verdragen die zijn opgesteld in de huidige talen.

Artikel 62

De secretaris-generaal van de Raad van de Europese Unie zal een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de internationale overeenkomsten die zijn nedergelegd in het archief van het secretariaat-generaal, aan de Regeringen van de nieuwe lidstaten toezenden.

DEEL EERSTE. WIJZIGING VAN DE STATUTEN VAN DE EUROPESE INVESTERINGSBANK

Artikel 1

Wijzigt het Protocol betreffende de Statuten van de Europese Investeringsbank; Rome, 25-03-1957.

DEEL TWEEDE. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 2

Het Koninkrijk Spanje stort het bedrag van 309 686 775 euro, als aandeel in het kapitaal gestort voor de verhoging van het geplaatste kapitaal. Deze bijdrage wordt gestort in acht gelijke termijnen die vervallen op 30/09/2004, 30/09/2005, 30/09/2006, 31/03/2007, 30/09/2007, 31/03/2008, 30/09/2008 en 31/03/20091)Bij deze data wordt uitgegaan van de daadwerkelijke toetreding van de nieuwe lidstaten uiterlijk twee maanden vóór 30/09/2004..

Het Koninkrijk Spanje draagt in acht gelijke termijnen die vervallen op de bovengenoemde data bij tot de reserves en de met reserves gelijk te stellen voorzieningen, alsmede tot het nog naar de reserves en voorzieningen over te boeken bedrag, bevattende het saldo van de verlies- en winstrekening, zoals deze aan het einde van de maand voorafgaande aan de toetreding zijn vastgesteld en in de balans van de Bank voorkomen, door storting van bedragen die overeenkomen met 4,1292% van de reserves en voorzieningen.

Artikel 3

Vanaf de datum van toetreding storten de nieuwe lidstaten de volgende bedragen overeenkomende met hun aandeel in het kapitaal gestort voor het geplaatste kapitaal als gedefinieerd in artikel 4 van de statuten:1)De genoemde cijfers zijn indicatief en zijn gebaseerd op de voor 2002 door Eurostat (New Cronos) gepubliceerde ramingen.

Polen EUR 181 751 525
Tsjechië EUR 60 629 500
Hongarije EUR 56 079 150
Slowakije EUR 20 424 475
Slovenië EUR 18 971 450
Litouwen EUR 12 542 600
Cyprus EUR 9 037 350
Letland EUR 7 809 625
Estland EUR 5 758 600
Malta EUR 3 692 450

Deze bijdragen worden gestort in acht gelijke termijnen die vervallen op 30/09/2004, 30/09/2005, 30/09/2006, 31/03/2007, 30/09/2007, 31/03/2008, 30/09/2008 en 31/03/20092)Bij deze data wordt uitgegaan van de effectieve toetreding van de nieuwe lidstaten uiterlijk twee maanden vóór 30/09/2004..

Artikel 4

De nieuwe lidstaten dragen in acht gelijke termijnen die vervallen op de in artikel 3 genoemde data bij tot de reserves, de met reserves gelijk te stellen voorzieningen, alsmede tot het nog naar de reserves en voorzieningen over te boeken bedrag, bevattende het saldo van de verlies- en winstrekening, zoals deze aan het einde van de maand voorafgaande aan de toetreding zijn vastgesteld en in de balans van de Bank voorkomen, door storting van bedragen die overeenkomen met de volgende percentages van de reserves en voorzieningen3)De genoemde cijfers zijn indicatief en zijn gebaseerd op de voor 2002 door Eurostat (New Cronos) gepubliceerde ramingen.:

Polen 2,4234%
Tsjechië 0,8084%
Hongarije 0,7477%
Slowakije 0,2723%
Slovenië 0,2530%
Litouwen 0,1672%
Cyprus 0,1205%
Letland 0,1041%
Estland 0,0768%
Malta 0,0492%
Artikel 5

De in de artikelen 2, 3 en 4 van dit Protocol bedoelde stortingen worden door het Koninkrijk Spanje en de nieuwe lidstaten verricht in contanten in euro, behoudens afwijkingen waartoe door de Raad van gouverneurs met eenparigheid van stemmen wordt besloten.

Artikel 6
1.

Bij de toetreding benoemt de Raad van gouverneurs overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de statuten voor elk van de nieuwe lidstaten een bewindvoerder, alsook plaatsvervangers.

2.

De ambtsperiode van de aldus benoemde bewindvoerders en plaatsvervangers loopt af aan het einde van de jaarvergadering van de Raad van gouverneurs tijdens welke het jaarverslag over het boekjaar 2007 wordt behandeld.

3.

Bij de toetreding coöpteert de Raad van bewind de deskundigen en hun plaatsvervangers.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Eraan herinnerend dat in de gemeenschappelijke verklaring betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen („Sovereign Base Areas", hierna „SBA's" genoemd), welke gehecht is aan de Slotakte bij het Verdrag betreffende de toetreding van het Verenigd Koninkrijk tot de Europese Gemeenschappen, gesteld wordt dat de regels die gelden voor de betrekkingen tussen de Europese Economische Gemeenschap en deze zones zullen worden vastgesteld in het kader van een eventuele regeling tussen deze Gemeenschap en de Republiek Cyprus;

Rekening houdend met de bepalingen over de SBA's in het Verdrag betreffende de oprichting van de Republiek Cyprus (hierna het „Oprichtingsverdrag" genoemd) en de daarbij horende notawisseling van 16 augustus 1960;

Akte nemend van de notawisseling tussen de Regering van het Verenigd Koninkrijk en de Regering van de Republiek Cyprus betreffende het bestuur van de SBA's van 16 augustus 1960 en de daaraan gehechte verklaring van de Regering van het Verenigd Koninkrijk dat een der hoofddoelstellingen de bescherming is van de belangen van personen die in een SBA verblijven of werken, en in dit verband overwegend dat de bedoelde personen zo veel mogelijk dezelfde behandeling moeten krijgen als personen die in de Republiek Cyprus verblijven of werken;

Tevens nota nemend van de bepalingen van het Oprichtingsverdrag betreffende de douaneregelingen tussen de SBA's en de Republiek Cyprus en met name van die welke vervat zijn in bijlage F bij dat verdrag;

Tevens nota nemend van de toezegging van het Verenigd Koninkrijk om geen douaneposten of andere grensafsluitingen te installeren tussen de SBA's en de Republiek Cyprus, alsmede van de regelingen die getroffen zijn uit hoofde van het Oprichtingsverdrag waarbij de autoriteiten van de Republiek Cyprus allerlei openbare diensten verrichten in de SBA's, inclusief op het gebied van landbouw, douane en belastingen;

Bevestigend dat de toetreding van de Republiek Cyprus tot de Europese Unie de rechten en verplichtingen van de partijen bij het Oprichtingsverdrag onverlet dient te laten;

Erkennend derhalve dat sommige bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en de daaraan gerelateerde communautaire wetgeving dienen te worden toegepast op de SBA's en dat speciale regelingen dienen te worden getroffen voor de uitvoering van deze bepalingen in de SBA's,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

Wijzigt het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap; Rome, 25-03-1957.

Artikel 2
1.

De SBA's worden opgenomen in het douanegebied van de Gemeenschap; hiertoe zijn de in deel I van de bijlage bij dit protocol opgesomde instrumenten op het gebied van douane en gemeenschappelijk handelsbeleid, met de in de Bijlage vermelde wijzigingen, van toepassing op de SBA's.

2.

De besluiten inzake omzetbelasting, accijnzen en andere vormen van indirecte belasting in deel II van de bijlage bij dit protocol zijn, met de in de bijlage vermelde wijzigingen, van toepassing op de SBA's, alsook de relevante bepalingen die van toepassing zijn op Cyprus, als vervat in de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek tot de Europese Unie.

3.

De besluiten in deel III van de bijlage bij dit protocol worden in de in de bijlage uiteengezette zin gewijzigd om het Verenigd Koninkrijk in staat te stellen de in het Oprichtingsverdrag vastgelegde verminderingen en vrijstellingen van rechten en heffingen op leveringen aan zijn strijdkrachten en daarmee geassocieerd personeel, te handhaven.

Artikel 3

De volgende bepalingen van het verdrag en daarmee verband houdende bepalingen zijn van toepassing op de SBA's:

Artikel 4

Personen die wonen of werken op het grondgebied van de SBA's en die krachtens de regelingen die zijn getroffen uit hoofde van het Oprichtingsverdrag en de daarmee verband houdende notawisseling van 16 augustus 1960 onderworpen zijn aan de socialezekerheidswetgeving van de Republiek Cyprus, worden voor Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen1)PB L 149 van 5.7.1971, blz. 2. behandeld alsof zij op het grondgebied van de Republiek Cyprus wonen of werken.

Artikel 5
1.

De Republiek Cyprus behoeft geen controle uit te oefenen op personen die haar land- en zeegrenzen met een SBA overschrijden; op dergelijke personen zijn eventuele communautaire beperkingen op overschrijding van de buitengrenzen niet van toepassing.

2.

Het Verenigd Koninkrijk oefent conform de verbintenissen in deel IV van de bijlage bij dit protocol controle uit op personen die de buitengrenzen van een SBA overschrijden.

Artikel 6

De Raad kan, in het belang van een doeltreffende uitvoering van de doelstellingen van dit protocol, met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie de artikelen 2 tot en met 5 alsook de bijlage wijzigen, dan wel andere bepalingen van het EG-Verdrag en daarmee verband houdende communautaire wetgeving op de door hem bepaalde wijze en voorwaarden op de SBA's toepassen. De Commissie raadpleegt het Verenigd Koninkrijk en de Republiek Cyprus alvorens een voorstel in te dienen.

Artikel 7
1.

Onverminderd lid 2 is het Verenigd Koninkrijk verantwoordelijk voor de uitvoering van dit protocol in de SBA's. In het bijzonder geldt het volgende:

2.

De Republiek Cyprus is verantwoordelijk voor het beheer en de uitbetaling van de gelden waarvoor personen in de SBA's krachtens artikel 3 van dit protocol uit hoofde van de toepassing van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in de SBA's in aanmerking komen; de Republiek Cyprus legt aan de Commissie verantwoording af voor dergelijke uitgaven.

3.

Onverminderd de leden 1 en 2 kan het Verenigd Koninkrijk de uitoefening van taken die bij of krachtens een bepaling als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5 aan een lidstaat zijn opgelegd, in overeenstemming met de regelingen die krachtens het Oprichtingsverdrag zijn getroffen, overdragen aan de bevoegde autoriteiten van de Republiek Cyprus.

4.

Het Verenigd Koninkrijk en de Republiek Cyprus werken samen in het belang van de doeltreffende uitvoering van dit protocol in de SBA's, en sluiten in voorkomend geval nadere akkoorden voor de overdracht van de uitvoering van bepalingen als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 5. Van dergelijke akkoorden wordt een afschrift verstrekt aan de Commissie.

Artikel 8

De in dit protocol vastgelegde regeling heeft uitsluitend betrekking op de speciale situatie van de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk vallen en kan op geen enkel ander grondgebied van de Gemeenschap worden toegepast, noch geheel of gedeeltelijk als precedent dienen voor enige andere speciale regeling die reeds bestaat of kan worden ingevoerd op een ander Europees grondgebied als bedoeld in artikel 299 van het Verdrag.

Artikel 9

De Commissie brengt om de vijf jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van dit protocol.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Uiting gevend aan de bereidheid van de Unie om ook na de toetreding van Litouwen tot de Europese Unie voor de periode tot 2006 en daarna voldoende aanvullende communautaire steun te geven voor de ontmantelingswerkzaamheden van Litouwen, en er nota van nemend dat Litouwen, gezien dit blijk van solidariteit van de Unie, heeft toegezegd reactor 1 en reactor 2 van de kerncentrale van Ignalina vóór respectievelijk 2005 en 2009 te zullen sluiten,

Zich er rekenschap van gevend dat de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina, met twee van de voormalige Sovjet-Unie geërfde reactoren van het RBMK-type met een vermogen van 1500 MW, een ongekend grootscheepse onderneming is die voor Litouwen een uitzonderlijk zware financiële last met zich meebrengt die niet in verhouding staat tot de omvang en de economische draagkracht van het land, en dat de ontmanteling ook na afloop van de huidige financiële vooruitzichten perspectieven van de Gemeenschap nog zal voortgaan,

Nota nemend van de noodzaak uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de aanvullende communautaire steun teneinde de gevolgen van de sluiting en de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina te ondervangen,

Er nota van nemend dat Litouwen bij het gebruik van de communautaire steun naar behoren rekening zal houden met de behoeften van de regio's die het meest getroffen worden door de sluiting van de kerncentrale van Ignalina,

Verklarend dat bepaalde maatregelen waarvoor staatssteun wordt verleend, beschouwd zullen worden als verenigbaar met de interne markt, zoals de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina, de aanpassing aan de milieu-eisen overeenkomstig het acquis en de modernisering van de conventionele elektriciteitsopwekkingscapaciteit die nodig is om de gevolgen van de sluiting van de twee reactoren van de kerncentrale van Ignalina te kunnen ondervangen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel 1

Uit erkentelijkheid voor de bereidheid van de Unie om voldoende aanvullende communautaire steun te verlenen voor de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina door Litouwen en ter onderstreping van dit blijk van solidariteit, zegt Litouwen toe reactor 1 en reactor 2 van de kerncentrale van Ignalina uiterlijk op respectievelijk 31 december 2005 en 31 december 2009 te zullen sluiten en vervolgens te zullen ontmantelen.

Artikel 2
1.

In de periode 2004–2006 zal de Gemeenschap Litouwen aanvullende financiële steun verlenen ter ondersteuning van de ontmanteling en om de gevolgen van de sluiting en ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina te ondervangen (hierna „het Ignalina-programma” genoemd).

2.

De maatregelen in het kader van het Ignalina-programma worden vastgesteld en uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen in Midden- en Oost-Europa1)PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11. , laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2500/20012)PB L 342 van 27.12.2001, blz. 1..

3.

Het Ignalina-programma omvat onder meer het volgende: maatregelen ter ondersteuning van de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina; maatregelen voor aanpassing aan de milieu-eisen overeenkomstig het acquis en voor modernisering van de conventionele elektriciteitsopwekkingscapaciteit ter vervanging van de productiecapaciteit van de twee reactoren van de kerncentrale van Ignalina; andere maatregelen die voortvloeien uit het besluit tot sluiting en ontmanteling van deze centrale en die bijdragen tot de noodzakelijke herstructurering, aanpassing aan de milieu-eisen en modernisering van de sectoren voor de productie, het transport en de distributie van energie in Litouwen, alsook tot de verbetering van de energievoorzieningszekerheid en van de energie-efficiëntie in Litouwen.

4.

Het Ignalina-programma omvat maatregelen die ertoe moeten bijdragen dat het personeel van de centrale een hoog niveau van operationele veiligheid van de kerncentrale van Ignalina kan handhaven in de perioden voorafgaand aan de sluiting en tijdens de ontmanteling van de beide reactoren.

5.

Voor de periode 2004–2006 zal het Ignalina-programma 285 miljoen euro aan vastleggingskredieten belopen, vast te leggen in gelijke bedragen per jaar.

6.

De bijdrage in het kader van het Ignalina-programma kan voor bepaalde maatregelen tot 100% van de totale uitgaven belopen. Alles moet in het werk gesteld worden om de medefinanciering in het kader van de pretoetredingssteun voor de ontmantelingswerkzaamheden van Litouwen voort te zetten, en om, waar nodig, medefinanciering uit andere bronnen aan te trekken.

7.

De steun in het kader van het Ignalina-programma, of delen daarvan, kan beschikbaar worden gesteld in de vorm van een bijdrage van de Gemeenschap aan het Internationale steunfonds voor de ontmanteling van Ignalina, dat beheerd wordt door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.

8.

Staatssteun uit nationale, communautaire en internationale bronnen:

dient verenigbaar te zijn met de interne markt als omschreven in het EG-Verdrag.

9.

Staatssteun uit nationale, communautaire en internationale bronnen ter ondersteuning van de inspanningen van Litouwen om de gevolgen van de sluiting en ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina te ondervangen, mag voor elk afzonderlijk geval geacht worden – in het kader van het EG-Verdrag – verenigbaar te zijn met de interne markt, met name wanneer het gaat om staatssteun ter verbetering van de energievoorzieningszekerheid.

Artikel 3
1.

De EU geeft er zich rekenschap van dat de ontmanteling van de kerncentrale van Ignalina een langetermijnproject is en voor Litouwen uitzonderlijke financiële lasten met zich meebrengt, belasting die niet in verhouding staat tot de omvang en de economische draagkracht van het land, en bevestigt uit solidariteit met Litouwen bereid te zijn ook na 2006 voldoende aanvullende communautaire steun voor de ontmanteling te zullen blijven verlenen.

2.

Met het oog hierop wordt het Ignalina-programma ononderbroken voortgezet en verlengd tot na 2006. De uitvoeringsbepalingen voor het verlengde Ignalina-programma worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 56 van de Akte van toetreding en treden uiterlijk op de einddatum van de huidige financiële vooruitzichten in werking.

3.

Het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 2, van dit Protocol verlengde Ignalina-programma is gebaseerd op dezelfde elementen en beginselen als omschreven in artikel 2 van dit Protocol.

4.

Voor de periode van de volgende financiële vooruitzichten zullen de algemene gemiddelde vastleggingen in het kader van het verlengde Ignalina-programma toereikend zijn. De programmering van deze middelen zal gebaseerd zijn op de feitelijke betalingsbehoeften en opnamecapaciteit.

Artikel 4

Onverminderd het bepaalde in artikel 1 is tot en met 31 december 2012 de algemene vrijwaringsclausule bedoeld in artikel 37 van de Akte van toetreding van toepassing indien de energievoorziening in Litouwen verstoord wordt.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Gezien de bijzondere positie van de regio Kaliningrad van de Russische Federatie in de context van de uitbreiding van de Unie,

Indachtig de verplichtingen en toezeggingen van Litouwen betreffende het acquis inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid,

Er nota van nemend dat Litouwen het EG-acquis met betrekking tot de lijst van landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum, en van landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van deze plicht, alsook het EG-acquis inzake een uniform visummodel uiterlijk vanaf de toetreding volledig zal toepassen en implementeren,

Erkennend dat de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie over EU-grondgebied een aangelegenheid is die de Unie als geheel betreft en als zodanig behandeld moet worden en geen negatieve gevolgen voor Litouwen mag hebben,

Overwegende het door de Raad te nemen besluit om de controles aan de binnengrenzen op te heffen nadat hij heeft vastgesteld dat aan de daartoe noodzakelijke voorwaarden voldaan is,

Vastbesloten Litouwen bij te staan de voorwaarden te vervullen om zo spoedig mogelijk volledig te kunnen deelnemen aan het Schengengebied zonder binnengrenzen,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

De communautaire voorschriften en regelingen voor de doorreis van personen over land tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie, met name Verordening (EG) nr. 693/2003 van de Raad van 14 april 2003 tot invoering van een specifiek Doorreisfaciliteringsdocument (FTD), een Doorreisfaciliteringsdocument voor treinreizigers (FRTD) en tot wijziging van de Gemeenschappelijke Visum-instructie en het Gemeenschappelijk Handboek1)PB L 99 van 17.4.2003, blz. 8., vormen als zodanig geen reden tot uitstel of belemmering voor de volledige deelname van Litouwen aan het Schengenacquis, inclusief de opheffing van de binnengrenscontroles.

Artikel 2

De Gemeenschap staat Litouwen bij bij de implementatie van de voorschriften en regelingen voor de doorreis van personen tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie, opdat Litouwen zo spoedig mogelijk volledig aan het Schengenacquis kan deelnemen.

De Gemeenschap staat Litouwen bij bij het beheer van de doorreis van personen tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie en neemt met name alle extra kosten voor de implementatie van de specifieke bepalingen van het acquis voor deze doorreis voor haar rekening.

Artikel 3

Onverminderd de soevereine rechten van Litouwen zullen latere besluiten inzake de doorreis van personen tussen de regio Kaliningrad en andere delen van de Russische Federatie pas na de toetreding van Litouwen worden genomen; de Raad neemt deze besluiten met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Nota nemend van de toezegging van Slowakije dat het reactor 1 en reactor 2 van de V1-kerncentrale in Bohunice uiterlijk in respectievelijk 2006 en 2008 zal sluiten, en uiting gevend aan de bereidheid van de Unie om tot 2006 financiële steun te blijven verlenen ter voortzetting van de pretoetredingssteun in het kader van het PHARE-programma, teneinde Slowakije bij te staan bij de ontmanteling,

Nota nemend van de noodzaak om uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de voortzetting van de communautaire steun,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel 1

Slowakije verbindt zich ertoe reactor 1 en reactor 2 van de V1-kerncentrale van Bohunice uiterlijk op respectievelijk 31 december 2006 en 31 december 2008 te sluiten en vervolgens te ontmantelen.

Artikel 2
1.

In de periode 2004–2006 zal de Gemeenschap Slowakije financiële steun verlenen ter ondersteuning van de ontmanteling en om de gevolgen van de sluiting en ontmanteling van reactor 1 en reactor 2 van de V1-kerncentrale in Bohunice te ondervangen (hierna „de steun" genoemd).

2.

De steun wordt vastgesteld en uitgevoerd – ook na de toetreding van Slowakije tot de Unie – overeenkomstig het bepaalde van Verordening (EEG) nr. 3906/89 van de Raad van 18 december 1989 betreffende economische hulp ten gunste van bepaalde landen in Midden- en Oost-Europa1)PB L 375 van 23.12.1989, blz. 11., laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2500/20012)PB L 342 van 27.12.2001, blz. 1..

3.

Voor de periode 2004–2006 zal de steun 90 miljoen euro aan vastleggingskredieten belopen, vast te leggen in gelijke bedragen per jaar.

4.

De steun of delen daarvan kunnen beschikbaar worden gesteld als bijdrage van de Gemeenschap aan het Internationale steunfonds voor de ontmanteling van Bohunice, dat beheerd wordt door de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.

Artikel 3

De Europese Unie is zich ervan bewust dat de ontmanteling van de V1-kerncentrale van Bohunice ook na afloop van de huidige financiële vooruitzichten zal moeten voortduren en dat deze inspanning een aanzienlijke financiële last vormt voor Slowakije. Bij besluiten over de voortzetting van EU-steun op dit gebied na 2006 zal met deze situatie rekening worden gehouden.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Nogmaals bevestigend dat zij zich verbonden hebben tot een algehele regeling van het vraagstuk Cyprus, in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en dat zij de inspanningen te dien einde van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties krachtig steunen,

Overwegende dat een dergelijke algehele regeling van het vraagstuk Cyprus nog niet tot stand is gekomen,

Overwegende dat derhalve de invoering van het acquis moet worden opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent,

Overwegende dat deze opschorting zal worden ingetrokken zodra het vraagstuk Cyprus is opgelost,

Overwegende dat de Europese Unie bereid is, in overeenstemming met de beginselen waarop zij is gegrondvest, zich naar de voorwaarden van een dergelijke regeling te schikken,

Overwegende dat de voorwaarden moeten worden vastgesteld waaronder de toepasselijke rechtsvoorschriften van de EU gelden ten aanzien van de grens tussen enerzijds de bovengenoemde zones en anderzijds de zones waarover de regering van de Republiek Cyprus feitelijk het gezag uitoefent, alsmede de oostelijke zone onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland,

De wens uitend dat de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie alle Cypriotische burgers ten goede komt en vrede en verzoening bevordert,

Overwegende derhalve dat dit Protocol in geen enkel opzicht een beletsel mag zijn voor daartoe strekkende maatregelen,

Overwegende dat zulke maatregelen onverlet laten, de toepassing van het acquis in alle andere gebiedsdelen van de Republiek Cyprus volgens de voorwaarden van het Toetredingsverdrag,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1
1.

De invoering van het acquis wordt opgeschort in de zones van de Republiek Cyprus waarover de regering van de Republiek Cyprus niet feitelijk het gezag uitoefent.

2.

De Raad besluit, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen over de intrekking van de in lid 1 bedoelde opschorting.

Artikel 2
1.

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen de voorwaarden vast waaronder de rechtsvoorschriften van de EU gelden ten aanzien van de grens tussen de in artikel 1 bedoelde gebieden en de gebieden waarover de regering van de Republiek Cyprus feitelijk het gezag uitoefent.

2.

De grens tussen de oostelijke zone onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de in artikel 1 bedoelde zones wordt, voor de toepassing van deel IV van de bijlage bij het Protocol betreffende de zones van Cyprus die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, beschouwd als een deel van de buitengrenzen van de zones die onder de soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland vallen, zulks voor de duur van de opschorting van de invoering van het acquis uit hoofde van artikel 1.

Artikel 3
1.

Dit Protocol vormt in geen enkel opzicht een beletsel voor maatregelen die worden getroffen ter bevordering van de economische ontwikkeling van de in artikel 1 bedoelde zones.

2.

Die maatregelen laten onverlet, de toepassing van het acquis in alle andere gebiedsdelen van de Republiek Cyprus, volgens de voorwaarden van het Toetredingsverdrag.

Artikel 4

Indien een regeling tot stand komt, besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen omtrent over de aanpassingen die met betrekking tot de Turks-Cypriotische gemeenschap worden aangebracht in de voorwaarden betreffende de toetreding van Cyprus tot de Europese Unie.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit Verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Athene, de zestiende april tweeduizenddrie.