Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie

Type Verdrag
Publication 2006-11-30
Laatst bijgewerkt 2003-10-31
State In force
Source BWB
artikelen 71
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
18.

Indien een persoon zich op het grondgebied van een Staat die partij is bevindt en als getuige of deskundige gehoord moet worden door de gerechtelijke autoriteiten van een andere Staat die partij is, kan de eerste Staat die partij is, op verzoek van de andere, waar mogelijk en overeenkomstig de grondbeginselen van het nationale recht, toestaan dat het verhoor plaatsvindt door middel van videoconferencing, indien het voor de persoon in kwestie niet mogelijk of wenselijk is persoonlijk te verschijnen op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is. De Staten die partij zijn, kunnen overeenkomen dat het verhoor wordt uitgevoerd door een gerechtelijke autoriteit van de verzoekende Staat die partij is en wordt bijgewoond door een gerechtelijke autoriteit van de aangezochte Staat die partij is.

19.

De verzoekende Staat die partij is, gebruikt of zendt geen informatie of bewijsmateriaal verstrekt door de aangezochte Staat die partij is voor opsporing, vervolging of gerechtelijke procedures anders dan vermeld in het verzoek zonder voorafgaande toestemming van de aangezochte Staat die partij is. Niets in dit lid belet de verzoekende Staat die partij is tijdens zijn procedures informatie of bewijsmateriaal bekend te maken die respectievelijk dat ontlastend is voor een verdachte. In het laatste geval stelt de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is voorafgaand aan de bekendmaking daarvan in kennis, en overlegt, indien daarom is verzocht, met de aangezochte Staat die partij is. Indien in een uitzonderlijk geval voorafgaande kennisgeving niet mogelijk is, stelt de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is onverwijld op de hoogte van de bekendmaking.

20.

De verzoekende Staat die partij is, kan verlangen dat de aangezochte Staat die partij is het bestaan en de inhoud van het verzoek geheimhoudt, behalve voorzover bekendmaking nodig is voor de uitvoering van het verzoek. Indien de aangezochte Staat die partij is niet kan voldoen aan het vereiste van geheimhouding, stelt hij de verzoekende Staat die partij is daarvan onverwijld op de hoogte.

21.

Wederzijdse rechtshulp kan worden geweigerd:

  • a. indien het verzoek niet wordt gedaan overeenkomstig de bepalingen van dit artikel;
  • b. indien de aangezochte Staat die partij is uitvoering van het verzoek schadelijk acht voor zijn soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen;
  • c. indien het de autoriteiten van de aangezochte Staat die partij is krachtens zijn nationale recht verboden zou zijn de verzochte maatregel uit te voeren ten behoeve van een vergelijkbaar strafbaar feit, indien het onder hun eigen rechtsmacht zou worden onderworpen aan opsporing, vervolging of een gerechtelijke procedure;
  • d. indien het in strijd zou zijn met het rechtsstelsel van de aangezochte Staat die partij is met betrekking tot wederzijdse rechtshulp om het verzoek te honoreren.
22.

De Staten die partij zijn, mogen een verzoek om wederzijdse rechtshulp niet afwijzen uitsluitend op grond van het feit dat het strafbare feit geacht wordt tevens fiscale aangelegenheden te omvatten.

23.

Elke weigering van wederzijdse rechtshulp wordt met redenen omkleed.

24.

De aangezochte Staat die partij is, voert het verzoek om wederzijdse rechtshulp zo spoedig mogelijk uit en houdt zoveel mogelijk rekening met eventuele uiterste termijnen die door de verzoekende Staat die partij is zijn vermeld en die met redenen zijn omkleed, bij voorkeur in het verzoek. De verzoekende Staat die partij is, kan redelijke verzoeken doen om informatie over de status en voortgang van maatregelen die door de aangezochte Staat die partij is zijn genomen om aan zijn verzoek te voldoen. De aangezochte Staat die partij is, antwoordt op redelijke verzoeken van de verzoekende Staat die partij is om informatie over de status en voortgang van de behandeling van het verzoek. De verzoekende Staat die partij is, stelt de aangezochte Staat die partij is onverwijld in kennis indien de verzochte rechtshulp niet langer nodig is.

25.

De wederzijdse rechtshulp kan door de aangezochte Staat die partij is worden uitgesteld op grond van het feit dat een lopend onderzoek, een lopende vervolging of gerechtelijke procedure hierdoor wordt doorkruist.

26.

Alvorens een verzoek ingevolge het eenentwintigste lid van dit artikel te weigeren of de uitvoering ervan uit te stellen ingevolge het vijfentwintigste lid van dit artikel, overlegt de aangezochte Staat die partij is met de verzoekende Staat die partij is om te overwegen of rechtshulp kan worden verleend onder de door hem nodig geachte voorwaarden en bepalingen. Indien de verzoekende Staat die partij is rechtshulp aanvaardt onder die voorwaarden, dient hij daaraan te voldoen.

27.

Onverminderd de toepassing van het twaalfde lid van dit artikel, wordt een getuige, deskundige of andere persoon die op verzoek van de verzoekende Staat die partij is ermee instemt te getuigen in een procedure of mee te werken aan een onderzoek, vervolging of gerechtelijke procedure op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is, niet vervolgd, in hechtenis genomen, gestraft of onderworpen aan een andere beperking van zijn of haar persoonlijke vrijheid op dat grondgebied ten aanzien van handelen, nalaten of veroordelingen voorafgaand aan zijn of haar vertrek uit het grondgebied van de aangezochte Staat die partij is. Een dergelijk vrijgeleide houdt op wanneer de getuige, deskundige of andere persoon gedurende vijftien achtereenvolgende dagen of gedurende een door de Staten die partij zijn overeengekomen tijdvak vanaf de datum waarop hij of zij officieel ervan in kennis is gesteld dat zijn of haar aanwezigheid niet langer verlangd wordt door de gerechtelijke autoriteiten, de mogelijkheid heeft gekregen te vertrekken, niettemin vrijwillig gebleven is op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is of, na te zijn vertrokken, vrijwillig is teruggekeerd.

28.

De gewone kosten voor de uitvoering van een verzoek worden gedragen door de aangezochte Staat die partij is, tenzij anders is overeengekomen door de betrokken Staten die partij zijn. Indien met de uitvoering van het verzoek aanzienlijke kosten of kosten van buitengewone aard zijn of zullen zijn gemoeid, plegen de Staten die partij zijn overleg om de voorwaarden en omstandigheden te bepalen waaronder het verzoek zal worden uitgevoerd, alsmede de wijze waarop de kosten worden gedragen.

29.

De aangezochte Staat die partij is:

  • a. verstrekt aan de verzoekende Staat die partij is afschriften van overheidsdossiers, -documenten of -informatie waarover hij beschikt die krachtens zijn nationale wet toegankelijk zijn voor het algemene publiek;
  • b. kan, naar eigen oordeel, aan de verzoekende Staat die partij is geheel of gedeeltelijk of onder door hem passend geachte voorwaarden, afschriften van overheidsdossiers, -documenten of -informatie waarover hij beschikt verstrekken die krachtens zijn nationale wet niet toegankelijk zijn voor het algemene publiek.
30.

De Staten die partij zijn, overwegen, indien nodig, de mogelijkheid van het aangaan van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die dienstig zijn voor, praktische uitvoering geven aan of bevorderlijk zijn voor de bepalingen van dit artikel.

Artikel 47. Overdracht van strafvervolging

De Staten die partij zijn, overwegen de mogelijkheid strafvervolging aan elkaar over te dragen van een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit in de gevallen waarin een dergelijke overdracht geacht wordt in het belang te zijn van een goede rechtsbedeling, in het bijzonder in gevallen waarbij diverse jurisdicties betrokken zijn, teneinde de vervolging te concentreren.

Artikel 48. Samenwerking op het gebied van rechtshandhaving

1.

De Staten die partij zijn, werken in overeenstemming met hun onderscheiden nationale rechtsstelsels en bestuurlijke stelsels nauw met elkaar samen teneinde de doeltreffendheid te bevorderen van handhavingsmaatregelen ter bestrijding van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen. De Staten die partij zijn, nemen in het bijzonder doeltreffende maatregelen teneinde:

  • a. communicatiekanalen te verbeteren en waar nodig te creëren tussen hun bevoegde autoriteiten, organisaties en diensten ter vergemakkelijking van de veilige en snelle uitwisseling van informatie met betrekking tot alle aspecten van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van, indien de Staten die partij zijn dit van toepassing achten, verbanden met andere criminele activiteiten;
  • b. samen te werken met andere Staten die partij zijn bij de opsporing ten aanzien van strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen betreffende:
  • i. de identiteit, verblijfplaats en activiteiten van personen die worden verdacht van betrokkenheid bij die strafbare feiten of de verblijfplaats van andere betrokkenen;
  • ii. de bewegingen van opbrengsten van misdaad of goederen verkregen door het plegen van dergelijke strafbare feiten;
  • iii. de bewegingen van goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen gebruikt of bedoeld voor gebruik bij het plegen van die strafbare feiten;
  • c. indien van toepassing de nodige goederen of hoeveelheden stoffen te verstrekken ten behoeve van analyse of opsporing;
  • d. indien van toepassing, informatie uit te wisselen met andere Staten die partij zijn met betrekking tot specifieke middelen en methoden om de strafbare feiten te plegen die onder dit Verdrag vallen, met inbegrip van het gebruik van valse identiteiten, gewijzigde, vervalste of valse documenten of andere middelen om hun activiteiten te verhelen;
  • e. doeltreffende coördinatie tussen hun bevoegde autoriteiten, organisaties en diensten te vergemakkelijken en de uitwisseling te bevorderen van personeel en andere deskundigen, met inbegrip van, met inachtneming van bilaterale overeenkomsten of regelingen tussen de betrokken Staten die partij zijn, de detachering van verbindingsofficieren;
  • f. informatie uit te wisselen en bestuursrechtelijke en andere maatregelen te coördineren die waar nodig zijn genomen ten behoeve van de vroegtijdige ontdekking van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen.
2.

Teneinde uitvoering te geven aan dit Verdrag, overwegen de Staten die partij zijn bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen aan te gaan inzake rechtstreekse samenwerking tussen hun rechtshandhavingsorganisaties en, indien dergelijke overeenkomsten of regelingen reeds bestaan, deze aan te passen. Bij ontbreken van dergelijke overeenkomsten of regelingen tussen de betrokken Staten die partij zijn, kunnen de Staten die partij zijn overwegen dit Verdrag te beschouwen als de grondslag voor wederzijdse samenwerking op het gebied van rechtshandhaving ten aanzien van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen. Indien van toepassing, maken de Staten die partij zijn volledig gebruik van overeenkomsten of regelingen, met inbegrip van internationale of regionale organisaties, ter versterking van de samenwerking tussen hun rechtshandhavingsorganisaties.

3.

De Staten die partij zijn, trachten waar dat in hun vermogen ligt samen te werken teneinde het hoofd te bieden aan de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen en worden gepleegd met behulp van moderne technologie.

Artikel 49. Gezamenlijke opsporing

De Staten die partij zijn, overwegen het aangaan van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen op grond waarvan ten behoeve van aangelegenheden die het voorwerp zijn van opsporing, vervolging of gerechtelijke procedures in een of meer Staten, de betrokken bevoegde autoriteiten gemeenschappelijke opsporingsinstanties kunnen oprichten. Bij het ontbreken van dergelijke overeenkomsten of regelingen kunnen gezamenlijke opsporingen op ad hoc-basis worden overeengekomen. De betrokken Staten die partij zijn, verzekeren dat de soevereiniteit van de Staat die partij is op het grondgebied waarvan een dergelijke opsporing moet plaatsvinden volledig wordt geëerbiedigd.

Artikel 50. Speciale opsporingstechnieken

1.

Teneinde corruptie doeltreffend te bestrijden neemt elke Staat die partij is, voorzover toegestaan volgens de grondbeginselen van zijn nationale rechtsstelsel en onder de door zijn nationale recht voorgeschreven voorwaarden, binnen zijn mogelijkheden de maatregelen die nodig kunnen zijn ten behoeve van het passend gebruik van gecontroleerde aflevering en, wanneer hij dat passend acht, voor het gebruik van andere speciale opsporingstechnieken, zoals elektronisch of andere vormen van toezicht en infiltratie-operaties, door zijn bevoegde autoriteiten op zijn grondgebied, en laat daaruit verkregen bewijsmateriaal toe in gerechtelijke procedures.

2.

Ten behoeve van de opsporing van de strafbare feiten die onder dit Verdrag vallen, worden de Staten die partij zijn aangemoedigd, indien noodzakelijk, passende bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen aan te gaan voor het gebruik van dergelijke speciale opsporingstechnieken in het kader van samenwerking op internationaal niveau. Deze overeenkomsten of regelingen worden aangegaan en uitgevoerd onder volledige eerbiediging van het grondbeginsel van de soevereine gelijkheid van Staten en worden onder strikte naleving van de bepalingen van die overeenkomsten of regelingen uitgevoerd.

3.

Bij het ontbreken van een overeenkomst of regeling als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, worden de beslissingen om die speciale opsporingstechnieken te gebruiken op internationaal niveau op ad-hocbasis genomen, waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met financiële regelingen en akkoorden ten aanzien van de uitoefening van de rechtsmacht door de betrokken Staten die partij zijn.

4.

De beslissingen over gecontroleerde aflevering op internationaal niveau kunnen, met de instemming van de betrokken Staten die partij zijn, methoden betreffen zoals het onderscheppen van goederen en fondsen en het toestaan dat deze goederen of fondsen intact worden gelaten of geheel of gedeeltelijk worden verwijderd of vervangen.

HOOFDSTUK V. HET TERUGKRIJGEN VAN ACTIVA

Artikel 51. Algemene bepaling

De teruggave van activa ingevolge dit hoofdstuk vormt een grondbeginsel van dit Verdrag en de Staten die partij zijn werken in dit opzicht in de ruimst mogelijke zin met elkaar samen en verlenen elkaar de ruimst mogelijke hulp.

Artikel 52. Voorkomen en opsporen van de overmaking van opbrengsten van misdaad

1.

Onverminderd artikel 14 van dit Verdrag, neemt elke Staat die partij is de maatregelen die nodig kunnen zijn, overeenkomstig zijn nationale recht, om de financiële instellingen die onder zijn rechtsmacht vallen te verplichten de identiteit van cliënten te verifiëren, redelijke stappen te nemen om de identiteit vast te stellen van uiteindelijk begunstigden van fondsen die op rekeningen waarop grote bedragen staan zijn gestort en scherper toezicht te houden op rekeningen die personen die belangrijke openbare functies bekleden of hebben bekleed, alsmede hun familieleden en mensen in hun directe omgeving aanhouden of willen openen of die tussenpersonen namens hen aanhouden of willen openen. Een dergelijke verscherpte controle wordt redelijkerwijs opgezet om verdachte transacties op te sporen teneinde deze ter kennis te brengen van de bevoegde autoriteiten en mogen niet zodanig zijn dat zij financiële instellingen ervan weerhouden of verbieden met legitieme cliënten zaken te doen.

2.

Teneinde de invoering van de maatregelen voorzien in het eerste lid van dit artikel te vergemakkelijken, neemt elke Staat die partij is, overeenkomstig zijn nationale recht en ingegeven door relevante initiatieven van regionale, interregionale en multilaterale organisaties gericht tegen het witwassen, de volgende maatregelen:

  • a. het publiceren van richtlijnen inzake het soort natuurlijke persoon of rechtspersoon op wiens rekeningen de financiële instellingen binnen zijn rechtsmacht verscherpte controle zouden moeten uitoefenen, het soort rekeningen en transacties waaraan bijzondere aandacht moet worden besteed en de passende maatregelen die moeten worden genomen ten aanzien van het openen en bijhouden van dergelijke rekeningen en het documentenbeheer met betrekking daartoe; en
  • b. waar passend, het op de hoogte stellen van financiële instellingen binnen zijn rechtsmacht, op verzoek van een andere Staat die partij is of uit eigen beweging, van de identiteit van een bepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon op wiens rekeningen dergelijke instellingen verscherpte controle moeten uitoefenen, in aanvulling op personen die de financiële instellingen daarnaast zouden kunnen identificeren.
3.

In het kader van het tweede lid, onderdeel a, van dit artikel voert elke Staat die partij is maatregelen in om te verzekeren dat zijn financiële instellingen adequate dossiers bijhouden, gedurende een passend tijdvak, van rekeningen en transacties waarbij de in het eerste lid van dit artikel genoemde personen betrokken zijn, die ten minste gegevens moeten bevatten over de identiteit van de cliënt en, voorzover mogelijk, van de uiteindelijk gerechtigde.

4.

Met het oog op het voorkomen en ontdekken van overmakingen van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten, voert elke Staat die partij is passende en doeltreffende maatregelen in om, met behulp van zijn regelgevende en toezichthoudende autoriteiten, de vestiging te voorkomen van banken die niet fysiek aanwezig zijn en niet zijn aangesloten bij een gereguleerde financiële groep. Daarnaast kunnen Staten die partij zijn overwegen hun financiële instellingen te verplichten te weigeren betrekkingen als correspondentbank aan te gaan of voort te zetten met dergelijke instellingen en zich te hoeden voor het aangaan van betrekkingen met buitenlandse financiële instellingen die toestaan dat hun rekeningen worden gebruikt door banken die niet fysiek aanwezig zijn en niet zijn aangesloten bij een gereguleerde financiële groep.

5.

Elke Staat die partij is, overweegt, overeenkomstig zijn nationale recht, het instellen van doeltreffende systemen voor het verstrekken van financiële informatie voor de daarvoor in aanmerking komende overheidsfunctionarissen en voorziet in passende sancties in geval van niet-naleving. Elke Staat die partij is, overweegt tevens de maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn om zijn bevoegde autoriteiten toe te staan informatie te delen met de bevoegde autoriteiten in andere Staten die partij zijn wanneer dit nodig is voor het onderzoeken, vorderen en terugkrijgen van de opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten.

6.

Elke Staat die partij is, overweegt de maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn, overeenkomstig zijn nationale recht, om daarvoor in aanmerking komende overheidsfunctionarissen die een belang hebben in of een tekenbevoegdheid of andere bevoegdheid hebben ter zake van een financiële rekening in het buitenland te verplichten deze relatie ter kennis te brengen van de bevoegde autoriteiten en van deze rekeningen een adequate administratie bij te houden. Dergelijke maatregelen voorzien tevens in passende sancties bij niet-naleving.

Artikel 53. Maatregelen voor het rechtstreeks terugkrijgen van goederen

Overeenkomstig zijn nationale recht, neemt elke Staat die partij is:

  • a. de maatregelen die nodig kunnen zijn om een andere Staat die partij is toe te staan een civiele vordering bij zijn rechters aanhangig te maken ter vaststelling van de titel op of de eigendom van goederen die zijn verworven door het plegen van een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit;
  • b. de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechters toe te staan degenen die overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten hebben gepleegd te gelasten schadeloosstelling te betalen aan de andere Staat die partij is die door dergelijke strafbare feiten schade heeft geleden; en
  • c. de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechters of bevoegde autoriteiten, wanneer deze voor het besluit staan of zij tot confiscatie overgaan, toe te staan de vordering te erkennen van de andere Staat die partij is als rechtmatig eigenaar van goederen die zijn verworven door het plegen van een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit.

Artikel 54. Mechanismen voor het terugkrijgen van goederen door internationale samenwerking bij confiscatie

1.

Overeenkomstig zijn nationale recht neemt elke Staat die partij is, met het oog op het verlenen van wederzijdse rechtshulp krachtens artikel 55 van dit Verdrag met betrekking tot goederen die verworven zijn door of betrokken zijn bij het plegen van een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit:

  • a. de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn bevoegde autoriteiten toe te staan uitvoering te geven aan een bevel tot confiscatie uitgevaardigd door een rechter van een andere Staat die partij is;
  • b. de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn bevoegde autoriteiten, waar deze rechtsmacht hebben, toe te staan de confiscatie te gelasten van dergelijke goederen van buitenlandse herkomst door berechting van het strafbare feit van witwassen of elk ander strafbaar feit dat onder zijn rechtsmacht valt of door andere ingevolge zijn nationale recht toegestane procedures; en
  • c. overweegt de Staat die partij is het nemen van de maatregelen die nodig kunnen zijn om toe te staan dat dergelijke goederen worden geconfisqueerd zonder dat een strafrechtelijke veroordeling vereist is in zaken waarin de dader niet vervolgd kan worden vanwege zijn overlijden, vlucht of afwezigheid, of in andere van toepassing zijnde gevallen.
2.

Overeenkomstig zijn nationale recht, neemt elke Staat die partij is, met het oog op het verlenen van wederzijdse rechtshulp na een krachtens artikel 55, tweede lid, van dit Verdrag gedaan verzoek:

  • a. de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn bevoegde autoriteiten toe te staan goederen te bevriezen of in beslag te nemen na een bevel daartoe uitgevaardigd door een rechter of bevoegde autoriteit van een verzoekende Staat die partij is, dat voor de aangezochte Staat die partij is een redelijke basis is om aan te nemen dat er voldoende gronden bestaan voor het nemen van dergelijke maatregelen en dat op de goederen uiteindelijk een bevel tot confiscatie van toepassing zou zijn voor de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel;
  • b. de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn bevoegde autoriteiten toe te staan goederen te bevriezen of in beslag te nemen na een verzoek daartoe dat voor de aangezochte Staat een redelijke basis vormt om aan te nemen dat er voldoende gronden bestaan voor het nemen van dergelijke maatregelen en dat op de goederen uiteindelijk een bevel tot confiscatie van toepassing zou zijn voor de uitvoering van het eerste lid, onderdeel a, van dit artikel; en
  • c. overweegt de Staat die partij is het nemen van aanvullende maatregelen om zijn bevoegde autoriteiten toe te staan goederen veilig te stellen voor confiscatie, zoals op grond van een aanhouding of vervolging in het buitenland met betrekking tot de verwerving van dergelijke goederen.

Artikel 55. Internationale samenwerking ten behoeve van confiscatie

1.

Een Staat die partij is, die een verzoek heeft ontvangen van een andere Staat die partij is met rechtsmacht over een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit, tot confiscatie van opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van dit Verdrag, die zich op zijn grondgebied bevinden, stuurt, voorzover dat mogelijk is binnen zijn nationale rechtsstelsel:

  • a. het verzoek aan zijn bevoegde autoriteiten ten behoeve van het verkrijgen van een bevel tot confiscatie en, voert het uit indien een dergelijk bevel wordt verleend; of
  • b. aan zijn bevoegde autoriteiten, met de bedoeling dit naar de mate waarin verzocht is ten uitvoer te brengen, een bevel tot confiscatie, dat is uitgevaardigd door een rechter op het grondgebied van de verzoekende Staat die partij is, overeenkomstig de artikelen 31, eerste lid, en 54, eerste lid, onderdeel a, van dit Verdrag, voorzover dat betrekking heeft op opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, die zich bevinden op het grondgebied van de aangezochte Staat die partij is.
2.

Naar aanleiding van een verzoek van een andere Staat die partij is met rechtsmacht over een overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gesteld feit, neemt de aangezochte Staat die partij is maatregelen voor het identificeren, opsporen en bevriezen of in beslag nemen van opbrengsten van misdaad, goederen, benodigdheden of andere hulpmiddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van dit Verdrag ten behoeve van de mogelijke confiscatie hetzij krachtens bevel van de verzoekende Staat die partij is, hetzij naar aanleiding van een verzoek overeenkomstig het eerste lid van dit artikel door de aangezochte Staat die partij is.

3.

De bepalingen van artikel 46 van dit Verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op dit artikel. Aanvullend op de in artikel 46, vijftiende lid, omschreven informatie, bevatten verzoeken die worden gedaan uit hoofde van dit artikel:

  • a. in het geval van een verzoek dat betrekking heeft op het eerste lid, onderdeel a van dit artikel, een beschrijving van de te confisqueren goederen, met inbegrip van, voorzover mogelijk, hun locatie en, wanneer relevant, de geschatte waarde van de goederen en een uiteenzetting van de feiten waarop de verzoekende Staat die partij is zich baseert die de aangezochte Staat die partij is voldoende in staat stellen om het bevel overeenkomstig zijn nationale recht aan te vragen;
  • b. in het geval van een verzoek dat betrekking heeft op het eerste lid, onderdeel b van dit artikel, een wettig toelaatbaar afschrift van een confiscatiebevel waarop het verzoek is gebaseerd, afgegeven door de verzoekende Staat die partij is, een uiteenzetting van de feiten en informatie over de mate waarin om uitvoering van het bevel wordt verzocht, een uiteenzetting van de maatregelen die door de verzoekende Staat die partij is zijn genomen om derden die te goeder trouw zijn op adequate wijze op de hoogte te stellen en om een eerlijke rechtsgang te verzekeren, en een verklaring dat het bevel tot confiscatie onherroepelijk is;
  • c. in het geval van een verzoek dat betrekking heeft op het tweede lid van dit artikel, een uiteenzetting van de feiten waarop de verzoekende Staat die partij is zich baseert en een beschrijving van de verzochte maatregelen, en, wanneer beschikbaar, een wettig toelaatbaar afschrift van een bevel waarop het verzoek is gebaseerd.
4.

De besluiten of maatregelen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, worden genomen door de aangezochte Staat die partij is overeenkomstig en met inachtneming van de bepalingen van zijn nationale recht en zijn procedureregels of een bilaterale of multilaterale overeenkomst of regeling waaraan hij gebonden kan zijn jegens de verzoekende Staat die partij is.

5.

Elke Staat die partij is, verstrekt de tekst van zijn wetten en voorschriften die gevolg geven aan dit artikel en van alle latere wijzigingen van die wetten en voorschriften of een beschrijving daarvan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

6.

Indien een Staat die partij is, verkiest de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde maatregelen afhankelijk te maken van het bestaan van een verdrag ter zake, beschouwt die Staat die partij is dit Verdrag als de vereiste en toereikende verdragsbasis.

7.

Samenwerking krachtens dit artikel kan tevens worden geweigerd of voorlopige maatregelen kunnen worden opgeheven indien de aangezochte Staat die partij is niet tijdig voldoende bewijsmateriaal ontvangt of indien de goederen een zeer geringe waarde hebben.

8.

Alvorens krachtens dit artikel een voorlopige maatregel op te heffen, geeft de aangezochte Staat die partij is, wanneer mogelijk, de verzoekende Staat die partij is de gelegenheid zijn argumenten uiteen te zetten die voor voortzetting van de maatregel pleiten.

9.

De bepalingen van dit artikel mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij afbreuk doen aan de rechten van derden te goeder trouw.

Artikel 56. Bijzondere samenwerking

Onverminderd zijn nationale recht spant elke Staat die partij is zich in maatregelen te nemen die hem in staat stellen, onverminderd zijn eigen onderzoeken, vervolgingen of gerechtelijke procedures, informatie over opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten zonder voorafgaand verzoek naar een andere Staat die partij is te zenden indien hij van mening is dat de bekendmaking van dergelijke informatie de ontvangende Staat die partij is zou kunnen helpen bij het initiëren of uitvoeren van onderzoeken, vervolgingen of gerechtelijke procedures of zou kunnen leiden tot een verzoek door die Staat die partij is krachtens dit hoofdstuk van het Verdrag.

Artikel 57. Teruggave en afhandeling van activa

1.

Goederen die ingevolge de artikelen 31 of 55 van dit Verdrag door een Staat die partij is worden geconfisqueerd, worden krachtens het derde lid van dit artikel door die Staat die partij is overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag en zijn nationale recht afgehandeld, of teruggegeven aan de vorige rechtmatige eigenaren.

2.

Elke Staat die partij is neemt, overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationale recht, de wettelijke en andere maatregelen die nodig kunnen zijn om, indien handelend naar aanleiding van een verzoek van een andere Staat die partij is, zijn bevoegde autoriteiten in staat te stellen geconfisqueerde goederen terug te geven, overeenkomstig dit Verdrag en rekening houdend met de rechten van derden die te goeder trouw zijn.

3.

Overeenkomstig de artikelen 46 en 55 van dit Verdrag en het eerste en tweede lid van dit artikel handelt de aangezochte Staat die partij is als volgt:

  • a. in het geval van verduistering van openbare middelen of het witwassen van verduisterde openbare middelen zoals bedoeld in de artikelen 17 en 23 van dit Verdrag, wanneer de confiscatie is uitgevoerd overeenkomstig artikel 55 en op basis van een onherroepelijke uitspraak in de verzoekende Staat die partij is, een voorwaarde waarvan de aangezochte Staat die partij is afstand kan doen, worden de geconfisqueerde goederen aan de verzoekende Staat teruggegeven;
  • b. in het geval van opbrengsten van een ander strafbaar feit dat onder dit Verdrag valt, wanneer de confiscatie is uitgevoerd overeenkomstig artikel 55 en op basis van een onherroepelijke uitspraak in de verzoekende Staat die partij is, een voorwaarde waarvan de aangezochte Staat die partij is afstand kan doen, worden de geconfisqueerde goederen aan de verzoekende Staat teruggegeven, wanneer de verzoekende Staat die partij is de aangezochte Staat die partij is redelijkerwijs bewijs kan overleggen van vorig eigendom van deze geconfisqueerde goederen of wanneer de aangezochte Staat die partij is schade aan de verzoekende Staat die partij is erkent als basis voor de teruggave van geconfisqueerde goederen;
  • c. in alle andere gevallen worden de teruggave van geconfisqueerde goederen aan de verzoekende Staat die partij is, de teruggave van dergelijke goederen aan de vorige rechtmatige eigenaren of de schadeloosstelling van de slachtoffers van de misdaad met voorrang in overweging genomen.
4.

Tenzij de Staten die partij zijn anders beslissen, kan de aangezochte Staat die partij is, waar passend, redelijke kosten aftrekken die voortvloeien uit opsporingen, vervolgingen of gerechtelijke procedures die leiden tot de teruggave of afhandeling van geconfisqueerde goederen krachtens dit artikel.

5.

Waar passend kunnen de Staten die partij zijn tevens in het bijzonder overwegen van geval tot geval overeenkomsten of wederzijds aanvaardbare regelingen aan te gaan voor de definitieve afhandeling van geconfisqueerde goederen.

Artikel 58. Financiële informatie-eenheid

De Staten die partij zijn, werken samen met het oog op het voorkomen en bestrijden van de overmaking van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten en het bevorderen van middelen om dergelijke opbrengsten terug te krijgen en overwegen daartoe het instellen van een financiële informatie-eenheid die verantwoordelijk zal zijn voor het ontvangen, analyseren en onder de bevoegde autoriteiten verspreiden van meldingen van verdachte financiële transacties.

Artikel 59. Bilaterale en multilaterale overeenkomsten en regelingen

De Staten die partij zijn, overwegen bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen te sluiten teneinde de doeltreffendheid van de ingevolge dit hoofdstuk van het Verdrag verleende internationale medewerking te verhogen.

HOOFDSTUK VI. TECHNISCHE BIJSTAND EN UITWISSELING VAN INFORMATIE

Artikel 60. Opleiding en technische bijstand

1.

Elke Staat die partij is, initieert, ontwikkelt of verbetert, voorzover nodig, specifieke opleidingsprogramma's voor zijn personeel dat verantwoordelijk is voor het voorkomen en bestrijden van corruptie. Dergelijke opleidingsprogramma's kunnen, onder andere, het volgende betreffen:

  • a. doeltreffende maatregelen om corruptie te voorkomen, op te sporen, te onderzoeken, te bestraffen en te beheersen, met inbegrip van methoden, te gebruiken voor het verzamelen van bewijsmateriaal en de opsporing;
  • b. opbouw van capaciteit bij het ontwikkelen en plannen van strategisch anti-corruptiebeleid;
  • c. opleiden van bevoegde autoriteiten ten behoeve van het opstellen van verzoeken om wederzijdse rechtshulp die voldoen aan de vereisten van dit Verdrag;
  • d. toetsing en versterking van instellingen, beheer van publieke diensten en van openbare middelen, met inbegrip van de aanbesteding van overheidsopdrachten, en de particuliere sector;
  • e. voorkomen en bestrijden van de overmaking van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten en het terugkrijgen van dergelijke opbrengsten;
  • f. opsporen en bevriezen van de overmaking van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten;
  • g. toezicht op de bewegingen van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten en op de methoden die worden gebruikt om dergelijke opbrengsten over te maken, te verhelen of te verhullen;
  • h. passende en doeltreffende wettelijke en bestuursrechtelijke mechanismen en methoden om de teruggave te vergemakkelijken van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten;
  • i. methoden om slachtoffers en getuigen die met de gerechtelijke autoriteiten samenwerken te beschermen; en
  • j. opleiding op het gebied van nationale en internationale regelgeving en taaltrainingen.
2.

De Staten die partij zijn, overwegen, bij hun onderscheiden plannen en programma's om corruptie te bestrijden, naar gelang hun mogelijkheden, elkaar de ruimst mogelijke technische bijstand te verlenen, met name ten behoeve van ontwikkelingslanden, met inbegrip van materiële bijstand en opleiding op de in het eerste lid van dit artikel genoemde gebieden, alsmede opleiding en bijstand, en de wederzijdse uitwisseling van ervaring en specialistische kennis, die de internationale samenwerking tussen Staten die partij zijn op het gebied van uitlevering en wederzijdse rechtshulp vergemakkelijken.

3.

De Staten die partij zijn versterken, voorzover nodig, de maatregelen genomen tot optimalisering van operationele en opleidingsactiviteiten binnen internationale en regionale organisaties en in het kader van andere relevante bilaterale en multilaterale overeenkomsten of regelingen.

4.

De Staten die partij zijn, overwegen elkaar, op verzoek, bijstand te verlenen bij het uitvoeren van evaluaties en studies en onderzoek naar de vormen, oorzaken, gevolgen en kosten van corruptie in hun onderscheiden landen, met het oog op het samen met de bevoegde autoriteiten en de maatschappij ontwikkelen van strategieën en actieplannen voor de bestrijding van corruptie.

5.

Teneinde het terugkrijgen van opbrengsten van overeenkomstig dit Verdrag strafbaar gestelde feiten te vergemakkelijken, kunnen de Staten die partij zijn samenwerken door elkaar de namen te verstrekken van deskundigen die kunnen helpen bij het verwezenlijken van deze doelstelling.

6.

De Staten die partij zijn, overwegen gebruik te maken van subregionale, regionale en internationale conferenties en seminars ter bevordering van de samenwerking en technische bijstand en ter stimulering van de bespreking van gemeenschappelijke problemen, met inbegrip van de bijzondere problemen en behoeften van ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie.

7.

De Staten die partij zijn, overwegen vrijwillige mechanismen in te stellen met het oog op het door middel van programma's en projecten voor technische bijstand financieel ondersteunen van de inspanningen van ontwikkelingslanden en landen met een overgangseconomie om dit Verdrag toe te passen.

8.

Elke Staat die partij is, overweegt vrijwillige bijdragen aan het Bureau voor Drugs en Criminaliteit van de Verenigde Naties ter bevordering, via het Bureau, van programma's en projecten in ontwikkelingslanden met het oog op de uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 61. Verzamelen, uitwisselen en analyseren van informatie over corruptie

1.

Elke Staat die partij is, overweegt in samenspraak met deskundigen, de trends in corruptie op zijn grondgebied alsmede van de omstandigheden waaronder corruptie plaatsvindt te analyseren.

2.

De Staten die partij zijn, overwegen met elkaar en via internationale en regionale organisaties statistieken, analytische expertise inzake corruptie en informatie te ontwikkelen en te delen met het oog op de ontwikkeling, voorzover mogelijk, van gemeenschappelijke omschrijvingen, normen en methoden, alsmede informatie over beste praktijken ter voorkoming en bestrijding van corruptie.

3.

Elke Staat die partij is, overweegt zijn beleid en feitelijk genomen maatregelen om corruptie te bestrijden door te lichten en de doeltreffendheid en doelmatigheid ervan te beoordelen.

Artikel 62. Andere maatregelen: uitvoering van het Verdrag via economische ontwikkeling en technische bijstand

1.

De Staten die partij zijn, nemen maatregelen die bijdragen aan de optimale uitvoering van dit Verdrag, voor zover mogelijk door middel van internationale samenwerking, rekening houdend met de negatieve invloed van corruptie op de maatschappij in het algemeen, in het bijzonder op duurzame ontwikkeling.

2.

De Staten die partij zijn, spannen zich voorzover mogelijk en in overleg met elkaar en met internationale en regionale organisaties concreet in teneinde

  • a. hun samenwerking op verschillende niveaus met ontwikkelingslanden te verbeteren teneinde de capaciteit van die landen te versterken om corruptie te voorkomen en te bestrijden;
  • b. de financiële en materiële bijstand te verhogen ter ondersteuning van inspanningen van ontwikkelingslanden om corruptie doeltreffend te bestrijden en hen te helpen dit Verdrag met succes uit te voeren;
  • c. technische bijstand te verlenen aan ontwikkelingslanden en aan landen met een overgangseconomie teneinde hen te helpen te voorzien in hun behoeften ten behoeve van de uitvoering van dit Verdrag. Daartoe spannen de Staten die partij zijn zich in toereikende en regelmatige vrijwillige bijdragen te storten op een speciaal daarvoor aangewezen rekening in het kader van een financieringsstelsel van de Verenigde Naties. De Staten die partij zijn, kunnen, overeenkomstig hun nationale recht en de bepalingen van dit Verdrag, tevens in het bijzonder overwegen een percentage van het geld of van de overeenkomstige waarde van de opbrengsten van misdaad of goederen die zijn geconfisqueerd overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag te storten op deze rekening;
  • d. andere Staten en financiële instellingen, naar gelang wat van toepassing is, aan te moedigen en te bewegen zich aan te sluiten bij de inspanningen overeenkomstig dit artikel, in het bijzonder door ontwikkelingslanden te voorzien van meer opleidingsprogramma's en moderne uitrusting teneinde hen bij te staan bij het verwezenlijken van de doelstellingen van dit Verdrag.
3.

Voorzover mogelijk doen deze maatregelen geen afbreuk aan bestaande verplichtingen op het gebied van internationale bijstand of aan andere regelingen op het gebied van financiële samenwerking op bilateraal, regionaal of internationaal niveau.

4.

De Staten die partij zijn, kunnen bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen aangaan inzake materiële of logistieke bijstand, rekening houdend met de nodige financiële regelingen om de doeltreffendheid te waarborgen van de middelen voor internationale samenwerking waarin dit Verdrag voorziet en ten behoeve van de voorkoming, opsporing en bestrijding van corruptie.

HOOFDSTUK VII. MECHANISMEN TEN BEHOEVE VAN DE UITVOERING

Artikel 63. Conferentie van de Staten die partij zijn bij het Verdrag

1.

Hierbij wordt een Conferentie van de Staten die partij zijn bij het Verdrag ingesteld ter verbetering van de capaciteit van en samenwerking tussen de Staten die partij zijn ter verwezenlijking van de in dit Verdrag vervatte doelstellingen en ter bevordering en toetsing van de uitvoering van dit Verdrag.

2.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties roept de Conferentie van de Staten die partij zijn uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag bijeen. Daarna worden gewone vergaderingen van de Conferentie van de Staten die partij zijn gehouden overeenkomstig het reglement van orde dat door de Conferentie is aangenomen.

3.

De Conferentie van de Staten die partij zijn, neemt een reglement van orde en regels inzake de uitvoering van de in dit artikel omschreven activiteiten aan, met inbegrip van regels inzake de toelating en deelname van waarnemers en de vergoeding van kosten die voortvloeien uit de uitvoering van deze activiteiten.

4.

De Conferentie van de Staten die partij zijn, bereikt een akkoord over activiteiten, procedures en werkmethoden overeen voor het verwezenlijken van de in het eerste lid van dit artikel omschreven doelstellingen, met inbegrip van:

  • a. het vergemakkelijken van de activiteiten van de Staten die partij zijn zoals beschreven in de artikelen 60 en 62 en de hoofdstukken II tot en met V van dit Verdrag, met inbegrip van het aanmoedigen van het mobiliseren van vrijwillige bijdragen;
  • b. het vergemakkelijken van de uitwisseling tussen de Staten die partij zijn van informatie over patronen en trends in corruptie en over succesvolle praktijken voor het voorkomen en bestrijden ervan en voor de teruggave van de opbrengsten van misdaad, door middel van, onder andere, de publicatie van relevante informatie zoals genoemd in dit artikel;
  • c. het samenwerken met relevante internationale en regionale organisaties en mechanismen en niet-gouvernementele organisaties;
  • d. het op passende wijze gebruik maken van relevante informatie afkomstig van andere internationale en regionale mechanismen ter bestrijding en voorkoming van corruptie teneinde dubbel werk te voorkomen;
  • e. het periodiek toetsen van de uitvoering van dit Verdrag door de Staten die partij zijn;
  • f. het doen van aanbevelingen ter verbetering van dit Verdrag en de uitvoering ervan;
  • g. het kennisnemen van de behoefte aan technische bijstand van de Staten die partij zijn ten aanzien van de uitvoering van dit Verdrag en het aanbevelen van maatregelen die hij in dit opzicht noodzakelijk acht.
5.

Voor de toepassing van het vierde lid van dit artikel, verwerft de Conferentie van de Staten die partij zijn de nodige kennis van de maatregelen genomen door de Staten die partij zijn bij de uitvoering van dit Verdrag en de moeilijkheden die zij daarbij hebben ondervonden, door middel van door hen verstrekte informatie en door middel van aanvullende toetsingsmechanismen die door de Conferentie van de Staten die partij zijn kunnen worden vastgesteld.

6.

Elke Staat die partij is, voorziet de Conferentie van de Staten die partij zijn van informatie over zijn programma's, plannen en praktijken, alsmede zijn wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen ter uitvoering van dit Verdrag, zoals vereist door de Conferentie van de Staten die partij zijn. De Conferentie van de Staten die partij zijn onderzoekt de meest doeltreffende wijze van het ontvangen van informatie en het daarnaar handelen, met inbegrip van, onder andere, informatie ontvangen van Staten die partij zijn en van bevoegde internationale organisaties. De inbreng van relevante niet-gouvernementele organisaties die naar behoren zijn geaccrediteerd overeenkomstig door de Conferentie van Staten die partij zijn te bepalen procedures, kan eveneens worden bestudeerd.

7.

Ingevolge het vierde tot en met het zesde lid van dit artikel stelt de Conferentie van Staten die partij zijn, indien hij dit noodzakelijk acht, een passend mechanisme of lichaam in dat zal helpen bij de doeltreffende uitvoering van dit Verdrag.

Artikel 64. Secretariaat

1.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzorgt de nodige secretariaatsdiensten voor de Conferentie van de Staten die partij zijn bij het Verdrag.

2.

Het secretariaat:

  • a. is de Conferentie van de Staten die partij zijn behulpzaam bij het uitvoeren van de in artikel 63 van dit Verdrag omschreven activiteiten en treft regelingen en verricht de nodige diensten voor de bijeenkomsten van de Conferentie van de Staten die partij zijn;
  • b. is op verzoek de Staten die partij zijn behulpzaam bij het verstrekken van informatie aan de Conferentie van de Staten die Partij zijn zoals voorzien in artikel 63, vijfde en zesde lid, van dit Verdrag; en
  • c. zorgt voor de nodige afstemming met de secretariaten van de relevante internationale en regionale organisaties.

HOOFDSTUK VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 65. Uitvoering van het Verdrag

1.

Elke Staat die partij is, neemt de nodige maatregelen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen, overeenkomstig de grondbeginselen van zijn nationale recht, om de uitvoering van zijn verplichtingen ingevolge dit Verdrag te verzekeren.

2.

Elke Staat die partij is, kan strengere of zwaardere maatregelen nemen dan die voorzien in dit Verdrag ten behoeve van de voorkoming en bestrijding van corruptie.

Artikel 66. Beslechting van geschillen

1.

De Staten die partij zijn, spannen zich in geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag te beslechten door onderhandeling.

2.

Elk geschil tussen twee of meer Staten die partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van een van de Staten die partij zijn onderworpen aan arbitrage. Indien deze Staten die partij zijn binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage er niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van de arbitrage, kan ieder van deze Staten die partij zijn het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.

3.

Elke Staat die partij is, kan, bij de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, verklaren zich niet gebonden te achten door het tweede lid van dit artikel. De andere Staten die partij zijn, zijn niet gebonden door het tweede lid van dit artikel ten aanzien van een Staat die partij is die een dergelijk voorbehoud heeft gemaakt.

4.

Een Staat die partij is die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het derde lid van dit artikel, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 67. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

1.

Dit Verdrag is voor alle Staten opengesteld voor ondertekening van 9 tot en met 11 december 2003 te Merida, Mexico, en daarna tot en met 9 december 2005 op het hoofdkwartier van de Verenigde Naties te New York.

2.

Dit Verdrag is tevens opengesteld voor ondertekening door regionale organisaties voor economische integratie, mits ten minste een lidstaat van een dergelijke organisatie dit Verdrag heeft ondertekend overeenkomstig het eerste lid van dit artikel.

3.

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Een regionale organisatie voor economische integratie kan haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring nederleggen indien ten minste een van haar lidstaten dit eveneens heeft gedaan. In die akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring geeft deze regionale organisatie voor economische integratie de omvang van haar bevoegdheid ter zake van door dit Verdrag geregelde aangelegenheden aan. Een dergelijke organisatie stelt de depositaris ook in kennis van elke relevante wijziging in de omvang van haar bevoegdheden.

4.

Dit Verdrag staat open voor toetreding door elke Staat of elke regionale organisatie voor economische integratie waarvan ten minste een lidstaat partij is bij dit Verdrag. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. Bij haar toetreding geeft een regionale organisatie voor economische integratie de omvang van haar bevoegdheden ter zake van in dit Verdrag geregelde aangelegenheden aan. Een dergelijke organisatie stelt de depositaris ook in kennis van elke relevante wijziging in de omvang van haar bevoegdheden.

Artikel 68. Inwerkingtreding

1.

Dit Verdrag treedt in werking negentig dagen na de datum van de nederlegging van de dertigste akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding. Voor de toepassing van dit lid wordt een door een regionale organisatie voor economische integratie nedergelegde akte niet meegeteld naast de door de lidstaten van deze organisatie reeds nedergelegde akten.

2.

Voor elke Staat of regionale organisatie voor economische integratie die dit Verdrag bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt na de nederlegging van de desbetreffende dertigste akte, treedt dit Verdrag in werking dertig dagen na de datum van nederlegging door een dergelijke Staat of organisatie van de desbetreffende akte of op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt ingevolge het eerste lid van dit artikel, naar gelang van welke datum het laatst valt.

Artikel 69. Wijziging

1.

Na het verstrijken van een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan een Staat die partij is een wijziging voorstellen en toezenden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die de voorgestelde wijziging vervolgens toezendt aan de Staten die partij zijn en aan de Conferentie van de Staten die partij zijn bij het Verdrag, teneinde het voorstel te bestuderen en erover te beslissen. De Conferentie van de Staten die partij zijn stelt alles in het werk om consensus te bereiken over iedere wijziging. Indien alle pogingen om consensus te bereiken zijn mislukt en er geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de wijziging in laatste instantie aangenomen met een tweederde meerderheid van de Staten die partij zijn die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de Conferentie van de Staten die partij zijn.

2.

Regionale organisaties voor economische integratie oefenen ter zake van binnen hun bevoegdheid vallende aangelegenheden hun stemrecht ingevolge dit artikel uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van hun lidstaten die partij zijn bij dit Verdrag. Deze organisaties oefenen hun stemrecht niet uit indien hun lidstaten hun stemrecht uitoefenen en vice versa.

3.

Een wijziging aangenomen overeenkomstig het eerste lid van dit artikel dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Staten die partij zijn.

4.

Een wijziging aangenomen overeenkomstig het eerste lid van dit artikel wordt ten aanzien van een Staat die partij is van kracht negentig dagen na de datum van de nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van die wijziging bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

5.

Wanneer een wijziging van kracht wordt, is zij bindend voor de Staten die partij zijn en die het feit dat zij ermee instemmen erdoor gebonden te worden tot uitdrukking hebben gebracht. De andere Staten die partij zijn, blijven gebonden door de bepalingen van dit Verdrag en door alle eerdere wijzigingen die zij hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd.

Artikel 70. Opzegging

1.

Iedere Staat die partij is, kan dit Verdrag opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.

2.

Een regionale organisatie voor economische integratie houdt op partij te zijn bij dit Verdrag wanneer al haar lidstaten het hebben opgezegd.

Artikel 71. Depositaris en talen

1.

De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties wordt aangewezen als depositaris van dit Verdrag.

2.

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned plenipotentiaries, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Convention.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)