← Geldende tekst · Geschiedenis

Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica

Geldende tekst a fecha 2016-12-08

Preambule

De Staten die Partij zijn bij dit Protocol bij het Verdrag inzake Antarctica, hierna te noemen de Partijen,

Overtuigd van de noodzaak het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen beter te beschermen ;

Overtuigd van de noodzaak het Antarctisch Verdragssysteem te verstevigen om te verzekeren dat Antarctica ook in de toekomst uitsluitend voor vreedzame doeleinden wordt gebruikt en niet het toneel wordt van strijd, noch het voorwerp van internationale geschillen;

Indachtig de speciale wettelijke en politieke status van Antarctica en de speciale verantwoordelijkheid van de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica om ervoor zorg te dragen dat alle activiteiten in Antarctica in overeenstemming zijn met de doelstellingen en beginselen van het Verdrag inzake Antarctica;

Eraan herinnerend dat Antarctica is aangewezen als Speciaal Beschermd Gebied en verwijzend naar de andere krachtens het Antarctisch Verdragssysteem genomen maatregelen om het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen te beschermen;

Voorts erkennend de unieke mogelijkheden die Antarctica biedt voor wetenschappelijke waarneming en onderzoek van processen van zowel mondiale als regionale betekenis;

Opnieuw de instandhoudingsbeginselen bevestigend van hetVerdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren;

Ervan overtuigd dat de ontwikkeling van een alomvattend stelsel ter bescherming van het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen in het belang is van de gehele mensheid;

Geleid door de wens het Verdrag inzake Antarctica hiertoe aan te vullen;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doelstelling en aanwijzing

De Partijen verplichten zich ertoe het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen op alomvattende wijze te beschermen en wijzen hierbij Antarctica aan als natuurreservaat, ten dienste van vrede en wetenschap.

Artikel 3. Milieubeginselen
1.

De bescherming van het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen alsmede de intrinsieke waarde van Antarctica, met inbegrip van de wildernis van Antarctica, de esthetische waarden en de waarde van Antarctica als gebied voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, in het bijzonder onderzoek dat essentieel is voor inzicht in het milieu van de gehele aarde, vormen fundamentele uitgangspunten bij het plannen en uitvoeren van alle activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

2.

Hiertoe:

3.

Bij de planning en uitvoering van activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, wordt voorrang verleend aan wetenschappelijk onderzoek en staat het behoud van de waarde van Antarctica als gebied voor het verrichten van dergelijk onderzoek, met inbegrip van onderzoek dat essentieel is voor inzicht in het milieu van de gehele aarde, voorop.

4.

Activiteiten voortvloeiende uit programma's voor wetenschappelijk onderzoek en toeristische activiteiten die worden ondernomen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, alsmede alle andere gouvernementele en niet-gouvernementele activiteiten ondernomen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en waarvan overeenkomstig artikel VII, vijfde lid, van het Verdrag inzake Antarctica, vooraf kennisgeving dient te worden gedaan, met inbegrip van logistieke ondersteuning,

Artikel 4. Samenhang met de andere onderdelen van het Antarctisch Verdragssysteem
1.

Dit Protocol is een aanvulling op het Verdrag inzake Antarctica en verandert of wijzigt dit Verdrag niet.

2.

Geen enkele bepaling van dit Protocol doet afbreuk aan de rechten en verplichtingen van de Partijen bij dit Protocol krachtens andere binnen het Antarctisch Verdragssysteem van kracht zijnde internationale juridische instrumenten.

Artikel 5. Verenigbaarheid met de andere onderdelen van het Antarctisch Verdragssysteem

De Partijen treden in overleg en werken samen met de Verdragsluitende Partijen bij de andere binnen het Antarctisch Verdragssysteem van kracht zijnde internationale juridische instrumenten en hun onderscheiden instellingen ten einde te verzekeren dat de doelstellingen van dit Protocol worden bereikt en zijn beginselen gehandhaafd en ten einde te vermijden dat het bereiken van de doelstellingen en het handhaven van de beginselen van die juridische instrumenten worden belemmerd of dat de toepassing van die juridische instrumenten en dit Protocol niet met elkaar verenigbaar zijn.

Artikel 6. Samenwerking
1.

De Partijen werken samen bij het plannen en uitvoeren van activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is. Hiertoe streeft elke Partij ernaar:

2.

Elke Partij verbindt zich, voor zover mogelijk, tot het delen van informatie die nuttig kan zijn voor andere Partijen bij het plannen en uitvoeren van hun activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, om het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen te beschermen.

3.

De Partijen werken samen met de Partijen die jurisdictie uitoefenen in de aan het gebied waarop het Verdrag inzake Antarcticavan toepassing is grenzende gebieden, ten einde te verzekeren dat activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, geen nadelige effecten hebben voor het milieu in die gebieden.

Artikel 7. Verbod van activiteiten betreffende minerale rijkdommen

Met uitzondering van wetenschappelijk onderzoek is elke activiteit betreffende minerale rijkdommen verboden.

Artikel 8. Milieu-effectrapportage
1.

Op voorgenomen activiteiten zoals bedoeld in het tweede lid hieronder zijn de in Bijlage I beschreven procedures voor het vooraf beoordelen van de effecten van deze activiteiten voor het Antarctisch milieu of de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen van toepassing al naar gelang de effecten van deze activiteiten! worden gekenschetst als:

2.

Alle Partijen zien erop toe dat de in Bijlage I beschreven milieurapportage- en beoordelingsprocedures worden toegepast bij de planning voorafgaande aan beslissingen inzake activiteiten voortvloeiende uit programma's voor wetenschappelijk onderzoek en toeristische activiteiten die worden ondernomen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, alsmede alle andere gouvernementele en niet-gouvernementele activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en waarvan krachtens artikel VI, vijfde lid, van het Verdrag inzake Antarctica, vooraf kennisgeving dient te worden gedaan, met inbegrip van daarmee samenhangende logistieke ondersteuning.

3.

De in Bijlage I beschreven milieurapportage- en beoordelingsprocedures zijn van toepassing op elke verandering in een activiteit, ongeacht of deze verandering voortvloeit uit een toename of afname van de intensiteit van een bestaande activiteit, uit het toevoegen van een activiteit, het buiten dienst stellen van een faciliteit, of anderszins.

4.

Wanneer activiteiten gezamenlijk door meer Partijen worden gepland, benoemen de betrokken Partijen uit hun midden één persoon die de toepassing van de in Bijlage I beschreven milieu-effectrapportageprocedures coördineert.

Artikel 9. Bijlagen
1.

De Bijlagen bij dit Protocol maken een integrerend deel hiervan uit.

2.

Naast de Bijlagen I-IV kunnen bijlagen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig artikel IX van het Verdrag inzake Antarctica.

3.

Veranderingen en wijzigingen van Bijlagen kunnen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig artikel IX van het Verdrag inzake Antarctica, met dien verstande dat elke Bijlage een bepaling kan bevatten om veranderingen en wijzigingen op versnelde wijze van kracht te doen worden.

4.

Bijlagen en alle veranderingen en wijzigingen hiervan die overeenkomstig het tweede en derde lid hierboven van kracht zijn geworden, treden in werking voor een Verdragsluitende Partij bij het Verdrag inzake Antarctica die geen Consultatieve Partij bij het Verdrag inzake Antarctica is, of geen Consultatieve Partij bij het Verdrag inzake Antarctica was op het tijdstip waarop deze werden aangenomen, wanneer de Depositaris mededeling van goedkeuring heeft ontvangen van die Verdragsluitende Partij, tenzij in een dergelijke Bijlage ten aanzien van de inwerkingtreding van een verandering of wijziging hiervan anders wordt bepaald.

5.

Tenzij in een bijlage anders wordt bepaald, zijn de in de artikelen 18 tot en met 20 beschreven procedures voor de beslechting van geschillen van toepassing op de bijlagen.

Artikel 10. Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica
1.

De Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica stellen, met gebruikmaking van de beste ter beschikking staande wetenschappelijke en technische adviezen, het volgende vast:

2.

De Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica bezien het werk van de Commissie en maken ten volle gebruik van haar adviezen en aanbevelingen voor het uitvoeren van de in het eerste lid hierboven bedoelde taken alsmede van de adviezen van de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica.

Artikel 11. Commissie voor milieubescherming
1.

Hierbij wordt de Commissie voor Milieubescherming ingesteld.

2.

Elke Partij heeft het recht lid te zijn van de Commissie en een vertegenwoordiger te benoemen, die kan worden vergezeld door deskundigen en adviseurs.

3.

Iedere Partij bij het Verdrag inzake Antarctica die geen Partij is bij dit Protocol kan de status van waarnemer in de Commissie hebben.

4.

De Commissie nodigt de President van de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica en de Voorzitter van de Wetenschappelijke Commissie voor de Instandhouding van de Levende Rijkdommen in de Antarctische Wateren, uit als waarnemer aan de bijeenkomsten deel te nemen. Met goedkeuring van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica, kan de Commissie ook andere ter zake gespecialiseerde wetenschappelijke en technische organisaties en milieuorganisaties die een bijdrage kunnen leveren aan haar werk, uitnodigen als waarnemer aan haar bijeenkomsten deel te nemen.

5.

De Commissie dient op elke bijeenkomst een rapport in bij de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica. Dit rapport bevat alle op de bijeenkomst behandelde aangelegenheden en geeft de tot uitdrukking gebrachte meningen weer. Het rapport wordt toegezonden aan alle Partijen en waarnemers die de bijeenkomst bijwonen en wordt vervolgens ter beschikking van het publiek gesteld.

6.

De Commissie stelt haar reglement van orde vast; dit dient te worden goedgekeurd door de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica.

Artikel 12. Taken van de Commissie
1.

De Commissie heeft tot taak de Partijen te adviseren en voor de Partijen aanbevelingen te formuleren in verband met de toepassing van dit Protocol, met inbegrip van de werking van de Bijlagen, ter bestudering op de Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica, en verricht de andere taken die haar kunnen worden opgedragen door de Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica. In het bijzonder dient de Commissie advies te geven inzake:

2.

Bij de uitvoering van haar taken treedt de Commissie eventueel in overleg met de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica, de Wetenschappelijke Commissie voor de Instandhouding van de Levende Rijkdommen in de Antarctische Wateren en andere ter zake gespecialiseerde wetenschappelijke en technische organisaties en milieuorganisaties.

13. Naleving van dit Protocol
1.

Elke Partij neemt de binnen haar bevoegdheid vallende passende maatregelen, met inbegrip van het aannemen van wetten en regelingen, bestuursmaatregelen en handhavingsmaatregelen, om naleving van dit Protocol te verzekeren.

2.

In overeenstemming met het Handvest der Verenigde Naties doet elke Partij passende inspanningen om te voorkomen dat activiteiten worden ontplooid die in strijd zijn met dit Protocol.

3.

Elke Partij stelt alle andere Partijen in kennis van de maatregelen die zij ingevolge het eerste en tweede lid hierboven treft.

4.

Elke Partij vestigt de aandacht van alle andere Partijen op activiteiten die naar haar mening de uitvoering van de doelstellingen en de handhaving van de beginselen van dit Protocol raken.

5.

De Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica vestigen de aandacht van elke Staat die geen Partij is bij dit Protocol op activiteiten die worden ondernomen door die Staat, diens instanties, organen, natuurlijke personen of rechtspersonen, schepen, luchtvaartuigen of andere transportmiddelen die de uitvoering van de doelstellingen en de handhaving van de beginselen van dit Protocol raken.

Artikel 14. Inspectie
1.

Ten einde de bescherming van het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen te bevorderen, en de naleving van dit Verdrag te verzekeren, organiseren de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica, individueel of gezamenlijk, inspecties door waarnemers, overeenkomstig artikel VII van het Verdrag inzake Antarctica.

2.

Waarnemers zijn:

3.

De Partijen werken ten volle samen met waarnemers die inspecties uitvoeren, en dragen er zorg voor dat de waarnemers gedurende de inspecties toegang krijgen tot alle delen van stations, installaties, materieel, schepen en luchtvaartuigen waar zij krachtens artikel VII, derde lid, van het Verdrag inzake Antarctica inspecties mogen uitvoeren, alsmede tot alle registers die hierover worden bijgehouden en die ingevolge dit Protocol zijn vereist.

4.

Inspectierapporten worden toegezonden aan de Partijen over wier stations, installaties, materieel, schepen of luchtvaartuigen rapporten zijn opgemaakt. Nadat deze Partijen in staat zijn gesteld commentaar te geven, worden de rapporten en het commentaar daarop toegezonden aan alle Partijen en de Commissie, bestudeerd op de eerstvolgende Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica, en vervolgens ter beschikking van het publiek gesteld.

Artikel 15. Bestrijdingsacties in noodsituaties
1.

Ten einde milieubedreigende noodsituaties in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, te bestrijden, stemt elke Partij ermee in:

2.

Hiertoe:

3.

Voor de toepassing van dit artikel maken de Partijen gebruik van de adviezen van de ten dienste staande internationale organisaties.

Artikel 16. Aansprakelijkheid

Overeenkomstig de doelstellingen van dit Protocol voor de alom\vattende bescherming van het Antarctisch milieu en de daarvan afhankelijke en daarmee samenhangende ecosystemen, verbinden de Partijen zich ertoe regels en procedures uit te werken ten aanzien van de aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van activiteiten die plaatsvinden in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en die onder dit Protocol vallen. Deze regels en procedures worden opgenomen in een of meerdere bijlagen die worden aangenomen overeenkomstig artikel 9, tweede lid.

Artikel 17. Jaarlijks verslag van de Partijen
1.

Elke Partij brengt jaarlijks verslag uit over de stappen die zijn ondernomen om dit Protocol toe te passen. Deze verslagen bevatten de overeenkomstig artikel 13, derde lid, gedane kennisgevingen, de overeenkomstig artikel 15 opgestelde rampenplannen en alle andere ingevolge dit Protocol vereiste kennisgevingen en informatie ten aanzien waarvan geen andere bepaling bestaat omtrent toezending en uitwisseling.

2.

De overeenkomstig het eerste lid hierboven opgestelde verslagen worden toegezonden aan alle Partijen en aan de Commissie, bestu\deerd op de eerstvolgende Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica en ter beschikking van het publiek gesteld.

Artikel 18. Beslechting van geschillen

Indien een geschil ontstaat over de uitlegging of de toepassing van dit Protocol, treden de Partijen bij dit geschil, op verzoek van een van hen, zo spoedig mogelijk met elkaar in overleg om het geschil te regelen via onderhandelingen, onderzoek, bemiddeling, conciliatie, arbitrage, gerechtelijke beslissing of andere vreedzame methoden die de partijen bij het geschil overeenkomen.

Artikel 19. Keuze van procedure voor de beslechting van geschillen
1.

Elke Partij kan, bij ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van, of toetreding tot dit Protocol, of te allen tijde daarna, door middel van een schriftelijke verklaring een of beide volgende middelen kiezen voor de beslechting van geschillen inzake de uitlegging of toepassing van de artikelen 7, 8 en 15, en van de bepalingen van een Bijlage, tenzij in een Bijlage anders wordt bepaald, en van artikel 13, voor zover verband houdend met deze artikelen en bepalingen:

2.

Een ingevolge het eerste lid hierboven afgelegde verklaring laat de werking van artikel 18 en artikel 20, tweede lid, onverlet.

3.

Een Partij die geen verklaring heeft afgelegd ingevolge het eerste lid hierboven of ten aanzien waarvan een verklaring niet langer van kracht is, wordt geacht de bevoegdheid van het scheidsgerecht te hebben aanvaard.

4.

Indien de partijen bij een geschil dezelfde middelen hebben aanvaard om een geschil te beslechten, kan het geschil uitsluitend via deze procedure worden beslecht, tenzij de partijen anders overeenkomen.

5.

Indien de partijen niet hetzelfde middel hebben aanvaard om een geschil te beslechten, of indien zij beide methoden hebben aanvaard, kan het geschil uitsluitend worden voorgelegd aan het scheidsgerecht, tenzij de partijen anders overeenkomen.

6.

Een ingevolge het eerste lid hierboven afgelegde verklaring blijft van kracht tot aan het verstrijken van de geldigheidsduur hiervan overeenkomstig de erin vervatte voorwaarden of tot drie maanden nadat een schriftelijke kennisgeving van herroeping is nedergelegd bij de Depositaris.

7.

Een nieuwe verklaring, een kennisgeving van herroeping of het verstrijken van de geldigheidsduur van een verklaring hebben geen enkele invloed op de procedures die aanhangig zijn bij het Internationale Gerechtshof of het scheidsgerecht, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.

8.

Verklaringen en kennisgevingen zoals bedoeld in dit artikel worden nedergelegd bij de Depositaris, die afschriften hiervan doet toekomen aan alle Partijen.

Artikel 20. Procedure voor de beslechting van geschillen
1.

Indien de partijen bij een geschil inzake de uitlegging of toepassing van de artikelen 7,8 en 15, of inzake de bepalingen van een Bijlage, tenzij in de Bijlage anders is bepaald, of inzake artikel 13, voor zover verband houdend met deze artikelen en bepalingen, niet binnen 12 maanden na verzoek om overleg ingevolge artikel 18, overeenstemming hebben bereikt over een middel om het geschil te regelen, wordt het geschil op verzoek van een partij hierbij ter beslechting voorgelegd overeenkomstig de in artikel 19, vierde en vijfde lid, vastgestelde procedure.

2.

Het scheidsgerecht is niet bevoegd te beslissen in of een uitspraak te doen over een aangelegenheid die onder artikel IV van het Verdrag inzake Antarctica valt. Bovendien kan geen bepaling in dit Protocol zodanig worden uitgelegd dat hiermee bevoegdheid of jurisdictie wordt toegekend aan het Internationale Gerechtshof of een ander voor de beslechting van geschillen tussen Partijen ingesteld gerecht om in een onder artikel IV van het Verdrag inzake Antarctica vallende aangelegenheid te beslissen of anderszins een uitspraak hierover te doen.

Artikel 21. Ondertekening

Dit Protocol wordt op 4 oktober 1991 te Madrid en daarna tot 3 oktober 1992 te Washington opengesteld voor ondertekening door alle Staten die Partij zijn bij het Verdrag inzake Antarctica.

Artikel 22. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding
1.

Dit Protocol dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd.

2.

Na 3 oktober 1992 staat dit Protocol open voor toetreding door elke Staat die Partij is bij het Verdrag inzake Antarctica.

3.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding worden nedergelegd bij de Regering van de Verenigde Staten, die hierbij wordt aangewezen als de Depositaris.

4.

Na de datum waarop dit Protocol in werking is getreden ondernemen de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica niets naar aanleiding van een kennisgeving betreffende het recht van een Verdragsluitende Partij om vertegenwoordigers te benoemen die overeenkomstig artikel IX, tweede lid, van het Verdrag inzake Antarctica kunnen deelnemen aan Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica, voordat die Partij dit Protocol heeft bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, of tot dit Protocol is toegetreden.

Artikel 23. Inwerkingtreding
1.

Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag volgende op de datum van nederlegging van de akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door alle Staten die Consultatieve Partij bij het Verdrag inzake Antarctica zijn op de datum waarop dit Protocol is aangenomen.

2.

Voor elke Partij bij het Verdrag inzake Antarctica die, na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding nederlegt, treedt dit Protocol in werking op de dertigste dag volgende op deze nederlegging.

Artikel 24. Voorbehouden

Voorbehouden ten aanzien van dit Protocol zijn niet toegestaan.

Artikel 25. Wijziging of amendering
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 9 kan dit Protocol te allen tijde worden gewijzigd of geamendeerd overeenkomstig de in artikel XII, eerste lid, letters a en b, van het Verdrag inzake Antarctica beschreven procedures.

2.

Indien na verloop van vijftig jaar te rekenen van de datum van inwerkingtreding van dit Protocol een Consultatieve Partij bij het Verdrag inzake Antarctica zulks door middel van een aan de Depositaris gerichte kennisgeving verzoekt, wordt zo spoedig mogelijk een conferentie belegd om de werking van dit Protocol te toetsen.

3.

Een op een dergelijke, ingevolge het tweede lid hierboven, bijeengeroepen Toetsingsconferentie voorgestelde wijziging of amendering wordt aangenomen met een meerderheid van de Partijen, met inbegrip van 3/4 van de Staten die Consultatieve Partij bij het Verdrag inzake Antarctica waren op het tijdstip waarop dit Protocol werd aangenomen.

4.

Een wijziging of amendering die ingevolge het derde lid van dit artikel is aangenomen, treedt in werking na bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding door 3/4 van de Consultatieve Partijen, met inbegrip van de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van alle Staten die Consultatieve Partij bij het Verdrag inzake Antarctica zijn op het tijdstip waarop dit Protocol werd aangenomen.

Artikel 26. Kennisgevingen door de Depositaris

De Depositaris stelt alle Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica in kennis van het volgende:

Artikel 27. Authentieke teksten en registratie bij de Verenigde Naties
1.

Dit Protocol, opgesteld in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd in het archief van de Regering van de Verenigde Staten van Amerika, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften hiervan toezendt aan alle Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica.

2.

Dit Protocol wordt door de Depositaris geregistreerd overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 1
1.

Het scheidsgerecht wordt ingesteld en functioneert overeenkomstig dit Protocol, met inbegrip van dit Aanhangsel.

2.

De in dit Aanhangsel bedoelde Secretaris is de Secretaris-Generaal van het Permanente Hof van Arbitrage.

Artikel 2
1.

Elke Partij heeft het recht maximaal drie arbiters aan te wijzen, van wie ten minste een wordt aangewezen binnen drie maanden nadat dit Protocol voor die Partij in werking treedt. Elke arbiter dient ervaring te hebben met Antarctische aangelegenheden, te beschikken over grondige kennis van het internationale recht en in hoog aanzien te staan wat rechtvaardigheid, bekwaamheid en integriteit aangaat. De namen van de aldus aangewezen personen vormen de lijst van arbiters. Elke Partij handhaaft te allen tijde de naam van ten minste een arbiter op de lijst.

2.

Behoudens het derde lid hieronder blijft een door een Partij aangewezen arbiter voor een tijdvak van vijfjaar op de lijst en kan opnieuw door die Partij worden aangewezen voor verdere tijdvakken van vijfjaar.

3.

Een Partij die een arbiter heeft aangewezen kan de naam van die arbiter van de lijst verwijderen. Indien een arbiter overlijdt of indien om enige reden een Partij de naam van een door haar aangewezen arbiter van de lijst verwijdert, stelt deze Partij de Secretaris hiervan onverwijld in kennis. Een arbiter wiens naam van de lijst is verwijderd, blijft zitting hebben in elk scheidsgerecht waarin hij is benoemd, tot de beëindiging van de procedures voor het scheidsgerecht.

4.

De Secretaris draagt er zorg voor dat een bijgewerkte lijst van de ingevolge dit artikel aangewezen arbiters wordt aangehouden.

Artikel 3
1.

Het scheidsgerecht is samengesteld uit drie arbiters, die als volgt worden benoemd:

2.

Elke vacature wordt vervuld op de voor de oorspronkelijke benoeming voorgeschreven wijze.

3.

Bij elk geschil waarbij meer dan twee partijen zijn betrokken, benoemen de partijen die hetzelfde belang hebben in onderlinge overeenstemming een arbiter, binnen het in het eerste lid, letter b, hierboven aangegeven tijdvak.

Artikel 4

De partij bij het geschil die de procedure begint, stelt de andere partij of partijen bij het geschil en de Secretaris schriftelijk hiervan in kennis. Deze kennisgeving bevat een uiteenzetting van de eis en de gronden waarop deze is gebaseerd. De kennisgeving wordt door de Secretaris aan alle Partijen toegezonden.

Artikel 5
1.

Tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen, vindt de arbitrage plaats te 's-Gravenhage, waar de registers van het scheidsgerecht worden bewaard. Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast. Deze regels verzekeren dat elke partij bij het geschil ten volle de gelegenheid heeft te worden gehoord en haar zaak uiteen te zetten en tevens dat de procedure een vlot verloop heeft.

2.

Het scheidsgerecht kan tegeneisen die voortkomen uit het geschil horen en erover beslissen.

Artikel 6
1.

Indien het scheidsgerecht van mening is dat het prima facie krachtens dit Protocol jurisdictie heeft, kan het:

2.

De partijen bij het geschil houden zich onverwijld aan alle krachtens het eerste lid, letter b, hierboven voorgeschreven voorlopige maatregelen, in afwachting van een uitspraak krachtens artikel 10.

3.

Niettegenstaande het in artikel 20, van het Protocol genoemde tijdvak, kan een partij bij het geschil te allen tijde door middel van kennisgeving aan de andere partij of partijen bij het geschil en aan de Secretaris, overeenkomstig artikel 4, verzoeken buitengewone spoed te betrachten bij het instellen van het scheidsgerecht om voorlopige noodvoorzieningen overeenkomstig dit artikel aan te geven of voor te schrijven. In een dergelijk geval wordt het scheidsgerecht zo spoedig mogelijk samengesteld overeenkomstig artikel 3, behalve dat de tijdvakken in artikel 3, eerste lid, letters b, c, en d, voor elk van deze gevallen worden teruggebracht tot 14 dagen. Het scheidsgerecht beslist over het verzoek om voorlopige noodvoorzieningen binnen twee maanden na benoeming van zijn voorzitter.

4.

Na een beslissing van het scheidsgerecht inzake een verzoek om voorlopige noodvoorzieningen overeenkomstig het derde lid hierboven, vindt de beslechting van het geschil plaats overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 20 van het Protocol.

Artikel 7

Een Partij die van mening is dat zij een algemeen dan wel individueel rechtsbelang heeft dat wezenlijk kan worden geraakt door de uitspraak van een scheidsgerecht, kan interveniëren in de procedure, tenzij het scheidsgerecht anders bepaalt.

Artikel 8

De partijen bij het geschil vergemakkelijken het werk van het scheidsgerecht en voorzien het met name, in overeenstemming met hun wetgeving en met gebruikmaking van alle ten dienste staande middelen, van alle relevante documenten en informatie en stellen het in staat, waar nodig, getuigen of deskundigen op te roepen en verklaringen van hen te verkrijgen.

Artikel 9

Indien een van de partijen bij het geschil niet voor het scheidsgerecht verschijnt of haar zaak niet verdedigt, kan elke andere partij bij het geschil het scheidsgerecht verzoeken de procedure voort te zetten en een uitspraak te doen.

Artikel 10
1.

Het scheidsgerecht doet een uitspraak in de aan het scheidsgerecht voorgelegde geschillen op basis van de bepalingen in het Protocol en andere van toepassing zijnde rechtsregels die niet strijdig zijn met deze bepalingen.

2.

Het scheidsgerecht kan ex aequo et bono in een aan het scheidsgerecht voorgelegd geschil beslissen, indien de partijen bij het geschil dit overeenkomen.

Artikel 11
1.

Voordat het scheidsgerecht een uitspraak doet, overtuigt het zich ervan dat het bevoegd is ten aanzien van het geschil en dat de eis en de tegeneis ten aanzien van de feiten en het recht gegrond zijn.

2.

De uitspraak dient vergezeld te gaan van een uiteenzetting van de gronden waarop de beslissing is genomen en wordt medegedeeld aan de Secretaris, die deze aan alle Partijen doet toekomen.

3.

De uitspraak is onherroepelijk en bindend voor de partijen bij het geschil en voor elke Partij die heeft geïntervenieerd en wordt onverwijld nageleefd. Het scheidsgerecht licht op verzoek van een partij bij het geschil of een interveniërende partij de uitspraak toe.

4.

De uitspraak heeft geen bindende kracht behalve ten aanzien van die bepaalde zaak.

5.

Tenzij het scheidsgerecht anders bepaalt, komen de kosten van het scheidsgerecht, met inbegrip van de honorering van zijn arbiters, gelijkelijk ten laste van de partijen bij het geschil.

Artikel 12

Alle beslissingen van het scheidsgerecht, met inbegrip van de beslissingen bedoeld in de artikelen 5,6 en 11, worden genomen met een meerderheid van de arbiters, die zich niet van stemming mogen onthouden.

Artikel 13
1.

Dit Aanhangsel kan worden geamendeerd of gewijzigd door middel van een overeenkomstig artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica aangenomen maatregel. Tenzij in de maatregel anders wordt aangegeven, wordt de amendering of wijziging geacht te zijn goedgekeurd en treedt zij in werking één jaar na sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke zij werd aangenomen, tenzij een of meer van de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica de Depositaris binnen deze termijn ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Alle amenderingen of wijzigingen van dit Aanhangsel die in werking treden overeenkomstig het eerste lid hierboven, treden daarna in werking ten aanzien van elke andere Partij wanneer kennisgeving van haar goedkeuring door de Depositaris is ontvangen.

Artikel 1. Voorbereidingsstadium
1.

De milieu-effecten van de in artikel 8 van het Protocol bedoelde voorgenomen activiteiten worden voor aanvang bestudeerd overeenkomstig de passende nationale procedures.

2.

Indien van een activiteit wordt vastgesteld dat deze een minder dan gering of tijdelijk effect heeft, kan de activiteit onmiddellijk doorgang vinden.

Artikel 2. Eerste Milieu-evaluatie
1.

Tenzij is vastgesteld dat een activiteit minder dan een gering of tijdelijk effect heeft, of tenzij een Uitgebreide Milieu-evaluatie wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3, wordt een Eerste Milieu-evaluatie opgesteld. Deze bevat voldoende details om te beoordelen of een voorgenomen activiteit meer dan een gering of tijdelijk effect heeft en bevat:

2.

Indien uit een Eerste Milieu-evaluatie blijkt dat een voorgenomen activiteit waarschijnlijk niet meer dan een gering of tijdelijk effect heeft, kan de activiteit doorgang vinden op voorwaarde dat passende procedures, eventueel met inbegrip van toezicht, worden ingesteld om het effect van de activiteit te beoordelen en te verifiëren.

Artikel 3. Uitgebreide Milieu-evaluatie
1.

Indien uit een Eerste Milieu-evaluatie blijkt of indien anderszins wordt vastgesteld dat een voorgenomen activiteit waarschijnlijk meer dan een gering of tijdelijk effect heeft, wordt een Uitgebreide Milieuevaluatie opgesteld.

2.

Een Uitgebreide Milieu-evaluatie bevat:

3.

Het ontwerp van de Uitgebreide Milieu-evaluatie wordt ter beschikking van het publiek gesteld en wordt toegezonden aan alle Partijen, die het eveneens ter beschikking van het publiek stellen voor commentaar. Er wordt een tijdvak van 90 dagen aangehouden voor het ontvangen van commentaren.

4.

Het ontwerp van de Uitgebreide Milieu-evaluatie wordt aan de Commissie voorgelegd op hetzelfde tijdstip als waarop het wordt toegezonden aan de Partijen, en ten minste 120 dagen voor de eerstvolgende Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica, om op passende wijze te worden bestudeerd.

5.

Er kan geen definitieve beslissing worden genomen om de voorgenomen activiteit doorgang te doen vinden in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, tenzij de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica gelegenheid heeft gehad het ontwerp van de Uitgebreide Milieu-evaluatie op advies van de Commissie te bestuderen, met dien verstande dat een beslissing om de voorgenomen activiteit doorgang te doen vinden door de werking van dit lid niet langer wordt uitgesteld dan 15 maanden te rekenen van de datum van toezending van het ontwerp van de Uitgebreide Milieu-evaluatie.

6.

Een definitieve Uitgebreide Milieu-evaluatie behandelt en bevat de op het ontwerp van de Uitgebreide Milieu-evaluatie ontvangen commentaren of een samenvatting hiervan. De definitieve Uitgebreide Milieu-evaluatie, kennisgeving van beslissingen in verband hiermee, en evaluaties van de betekenis van de voorspelde effecten in verhouding tot de voordelen van de voorgenomen activiteit, worden ten minste 60 dagen voor aanvang van de voorgenomen activiteit in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, toegezonden aan alle Partijen, die deze eveneens ter beschikking van het publiek stellen.

Artikel 4. Beslissingen die gebaseerd dienen te worden op Uitgebreide Milieu-evaluaties

Iedere beslissing over de vraag of een voorgenomen activiteit, waarop artikel 3 van toepassing is, doorgang dient te vinden, en zo ja, of dit dient te geschieden in de oorspronkelijke of in een gewijzigde vorm, dient te worden gebaseerd op de Uitgebreide Milieu-evaluatie en op andere ter zake doende overwegingen.

Artikel 5. Toezicht
1.

Procedures dienen te worden ingesteld, met inbegrip van passende observatie van essentiële milieu-indicatoren, om het effect van een activiteit die doorgang vindt na de voltooiing van een Uitgebreide Milieu-evaluatie, te rapporteren en te verifiëren.

2.

Met de in het eerste lid hierboven en in artikel 2',tweede lid, bedoelde procedures wordt beoogd een regelmatige en controleerbare registratie van de effecten van de activiteit te verkrijgen, onder andere om:

Artikel 6. Toezending van informatie
1.

De volgende informatie wordt toegezonden aan de Partijen, voorgelegd aan de Commissie en ter beschikking van het publiek gesteld:

2.

Eerste Milieu-evaluaties opgesteld overeenkomstig artikel 2 worden op verzoek ter beschikking gesteld.

Artikel 7. Noodgevallen
1.

Deze Bijlage is niet van toepassing in noodgevallen verband houdend met de veiligheid van mensenlevens of van schepen, luchtvaartuigen, of materieel en faciliteiten van grote waarde, of de bescherming van het milieu, waarvoor een activiteit is vereist zonder dat de in deze Bijlage beschreven procedures zijn voltooid.

2.

Kennisgeving van in noodgevallen ondernomen activiteiten, waarvoor anders een Uitgebreid Milieu-evaluatie dient te worden opgesteld, wordt onmiddellijk toegezonden aan de Partijen en voorgelegd aan de Commissie en een volledige toelichting op de verrichte activiteiten wordt verstrekt binnen 90 dagen na deze activiteiten.

Artikel 8. Amendering of wijziging
1.

Deze Bijlage kan worden geamendeerd of gewijzigd door een maatregel aangenomen in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders wordt aangegeven, wordt de amendering of de wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking één jaar na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke zij werd aangenomen, tenzij een of meer van de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica de Depositaris binnen die termijn ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Amenderingen of wijzigingen van deze Bijlage die in werking treden overeenkomstig het eerste lid hierboven, treden daarna in werking ten aanzien van iedere andere Partij, wanneer kennisgeving van haar goedkeuring door de Depositaris is ontvangen.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 2. Noodgevallen
1.

De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing in noodgevallen betreffende de veiligheid van mensenlevens of van schepen, luchtvaartuigen of materieel en faciliteiten van grote waarde, of de bescherming van het milieu.

2.

Van activiteiten ondernomen in noodgevallen die leiden tot onttrekking van planten of dieren aan hun populatie of schadelijk optreden wordt onverwijld kennisgeving gedaan aan alle Partijen en aan de Commissie.

Artikel 3. Bescherming van de inheemse flora en fauna
1.

Het onttrekken van planten en dieren aan hun populatie of schadelijk optreden is verboden, behalve overeenkomstig een vergunning.

2.

Deze vergunningen vermelden de toegestane activiteit, met inbegrip van wanneer, waar en door wie deze zal worden uitgevoerd en worden uitsluitend in de volgende omstandigheden afgegeven:

3.

De afgifte van dergelijke vergunningen wordt beperkt teneinde te verzekeren dat:

4.

Alle soorten inheemse zoogdieren, vogels, planten en ongewervelde dieren genoemd in Aanhangsel A bij deze Bijlage worden aangewezen als „Speciaal Beschermde Soorten” en genieten speciale bescherming door de Partijen.

5.

Aanwijzing van een soort als Speciaal Beschermde Soort geschiedt overeenkomstig de overeengekomen procedures en criteria aangenomen door de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica.

6.

De Commissie toetst de criteria voor het voordragen van inheemse zoogdieren, vogels, planten of ongewervelde dieren voor aanwijzing als Speciaal Beschermde Soort en brengt daarover advies uit.

7.

Elke Partij, de Commissie, de Wetenschappelijke commissie voor onderzoek op Antarctica of de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren kunnen soorten voordragen voor aanwijzing als Speciaal Beschermde Soort door een met redenen omkleed voorstel in te dienen bij de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica.

8.

Er wordt geen vergunning afgegeven voor het onttrekken van een Speciaal Beschermde Soort aan haar populatie, tenzij:

9.

Het gebruik van letale technieken op Speciaal Beschermde Soorten is uitsluitend toegestaan indien er geen geschikte alternatieve techniek voor bestaat.

10.

Voorstellen voor de aanwijzing van een soort als Speciaal Beschermde Soort worden toegezonden aan de Commissie, aan de Wetenschappelijke commissie voor onderzoek op Antarctica en, voor inheemse zoogdieren en vogels, aan de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren en, indien van toepassing, de Vergadering van de Partijen bij het Verdrag inzake de instandhouding van albatrossen en stormvogels en andere organisaties. Bij het opstellen van haar advies aan de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica omtrent de vraag of een soort als Speciaal Beschermde Soort moet worden aangewezen, houdt de Commissie rekening met het commentaar van de Wetenschappelijke commissie voor onderzoek op Antarctica en, voor inheemse zoogdieren en vogels, van de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren alsmede, indien van toepassing, van de Vergadering van de Partijen bij het Verdrag inzake de instandhouding van albatrossen en stormvogels en andere organisaties.

11.

Het onttrekken van inheemse zoogdieren en vogels aan hun populatie vindt zodanig plaats dat dit zo min mogelijk pijn en lijden met zich meebrengt.

Artikel 4. Het in het gebied brengen van niet-inheemse soorten en ziekten
1.

Er worden geen soorten van levende organismen die niet inheems zijn in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is binnengebracht op het land, op ijsplaten of in het water waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, behalve overeenkomstig een vergunning.

2.

Er worden geen honden binnengebracht op het land, op ijsplaten of op zee-ijs.

3.

Vergunningen krachtens het eerste lid hierboven:

4.

Alle soorten waarvoor overeenkomstig het eerste en derde lid hierboven een vergunning is afgegeven, worden voor het verlopen van de vergunning verwijderd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is of worden vernietigd door verbranding dan wel met behulp van even doeltreffende middelen waardoor risico voor de inheemse flora en fauna uitgesloten wordt. De vergunning vermeldt deze verplichting.

5.

Alle soorten die niet inheems zijn in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, met inbegrip van daaruit voortgekomen nageslacht, die zonder een overeenkomstig het eerste en derde lid hierboven afgegeven vergunning in dat gebied zijn binnengebracht worden, waar mogelijk, verwijderd of vernietigd, tenzij verwijdering of vernietiging grotere schadelijke gevolgen zou hebben voor het milieu. De verwijdering of vernietiging kan geschieden door verbranding of met behulp van even doeltreffende middelen die de soorten steriel doen worden, tenzij is vastgesteld dat zij geen risico vormen voor de inheemse flora en fauna. Daarnaast dienen alle redelijke maatregelen te worden genomen om de gevolgen van het binnenbrengen te beheersen en schade aan de inheemse flora en fauna te voorkomen.

6.

Geen enkele bepaling in dit artikel is van toepassing op de invoer van voedsel in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, mits hiertoe geen levende dieren worden ingevoerd en alle delen en producten van planten en dieren onder zorgvuldig gecontroleerde omstandigheden worden bewaard en verwijderd overeenkomstig Bijlage III bij het Protocol.

7.

Elke Partij vereist dat voorzorgen worden getroffen om te voorkomen dat micro-organismen (zoals virussen, bacteriën, gisten, schimmels) die er niet van nature thuishoren onbedoeld worden binnengebracht in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

8.

Geen levend pluimvee of andere levende vogels mogen worden binnengebracht in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is. Alles dient in het werk te worden gesteld om te verzekeren dat pluimvee- of gevogelteproducten die Antarctica worden binnengebracht vrij zijn van ziekten (zoals de ziekte van Newcastle, tuberculose en gistinfecties) die schadelijk kunnen zijn voor de inheemse flora en fauna. Alle niet-geconsumeerde pluimvee- of gevogelteproducten worden uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is verwijderd of verbrand of op daarmee vergelijkbare wijze vernietigd teneinde de risico's uit te bannen van het binnenbrengen van micro-organismen (zoals virussen, bacteriën, gisten, schimmels) voor de inheemse flora en fauna.

9.

De opzettelijke invoer van niet-steriele aarde in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, is verboden. De Partijen zouden alles in het werk moeten stellen om te verzekeren dat niet-steriele aarde onbedoeld het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is wordt binnengebracht.

Artikel 5. Informatie

Elke Partij maakt voor alle aanwezigen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is alsmede voor personen die voornemens zijn er naartoe te gaan, informatie openbaar over verboden activiteiten en Speciaal Beschermde Soorten teneinde te verzekeren dat zij de bepalingen van deze Bijlage begrijpen en in acht nemen.

Artikel 6. Uitwisseling van informatie
1.

De Partijen treffen regelingen voor:

2.

Zo snel mogelijk na het eind van het zomerseizoen op het zuidelijk halfrond en in elk geval vóór 1 oktober van elk jaar lichten de Partijen elkaar en de Commissie in over ingevolge het eerste lid hierboven genomen actie en over het aantal en de aard van de vergunningen die in de daaraan voorafgaande periode tussen 1 april en 31 maart uit hoofde van deze Bijlage zijn afgegeven.

Artikel 7. Verhouding tot andere overeenkomsten buiten het antarctisch verdragssysteem

De bepalingen in deze Bijlage laten de rechten en verplichtingen van de Partijen uit hoofde van het Verdrag tot regeling van de walvisvangst onverlet.

Artikel 8. Toetsing

De Partijen toetsen voortdurend de maatregelen voor de instandhouding van de flora en fauna van Antarctica, daarbij rekening houdend met eventuele aanbevelingen van de Commissie.

Artikel 9. Amendering of wijziging
1.

Deze Bijlage kan worden geamendeerd of gewijzigd bij een maatregel aangenomen in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders wordt aangegeven, wordt de amendering of wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking één jaar na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke zij werd aangenomen, tenzij een of meer van de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica de Depositaris binnen die termijn ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Amenderingen of wijzigingen van deze Bijlage die in werking treden overeenkomstig het eerste lid hierboven treden daarna in werking ten aanzien van iedere andere Partij wanneer de kennisgeving van haar goedkeuring door de Depositaris is ontvangen.

Artikel 1. Algemene verplichtingen
1.

Deze Bijlage is van toepassing op activiteiten die worden ondernomen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en die voortvloeien uit programma's voor wetenschappelijk onderzoek, toeristische activiteiten en alle andere gouvernementele en niet-gouvernementele activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is en waarvan vooraf, krachtens artikel VII, vijfde lid, van het Verdrag inzake Antarctica kennisgeving dient te worden gedaan, met inbegrip van daarmee samenhangende logistieke ondersteuning.

2.

De hoeveelheid afval geproduceerd of gestort of verbrand in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, wordt zoveel mogelijk beperkt om het effect op het Antarctisch milieu tot een minimum te beperken, alsmede om verstoring van de natuurlijke waarden van Antarctica, van wetenschappelijk onderzoek en van andere vormen van gebruik van Antarctica die verenigbaar zijn met het Verdrag inzake Antarctica, tot een minimum te beperken.

3.

Opslag, storten en verbranden, en afvoer van afval uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is alsmede hergebruik en reductie aan de bron vormen essentiële overwegingen bij het plannen en uitvoeren van activiteiten in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

4.

Afval afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, wordt zoveel mogelijk geretourneerd naar het land dat de activiteiten heeft georganiseerd waardoor het afval is ontstaan, of ieder ander land waar regelingen zijn getroffen voor het storten of verbranden van dit afval overeenkomstig relevante internationale overeenkomsten.

5.

Vroegere en huidige afvalstort- en verbrandingsplaatsen op land en verlaten werkplaatsen waar activiteiten op Antarctica hebben plaatsgevonden, worden schoongemaakt door de veroorzaker van dat afval en de gebruiker van die plaatsen. Deze verplichting wordt niet uitgelegd als zou vereist zijn:

Artikel 2. Afvoer van afval uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica va toepassing is
1.

Indien de volgende soorten afval zijn ontstaan na de inwerkingtreding van deze Bijlage, worden deze door de veroorzaker hiervan afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is:

2.

Vloeibaar afval dat niet valt onder het eerste lid hierboven, sanitair afval alsmede vloeibaar huishoudelijk afval wordt zo veel mogelijk uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, afgevoerd door de veroorzaker van dit afval.

3.

De volgende soorten afval worden afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is door de veroorzaker van dit afval, tenzij het is verbrand, door een autoclaaf is gevoerd of anderszins is behandeld om steriel te maken:

Artikel 3. Verbranding van afval
1.

Behoudens het tweede lid hieronder wordt ander verbrandbaar afval dan bedoeld in artikel 2, eerste lid, dat niet is afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, verbrand in verbrandingsovens, waarbij schadelijke emissie zo veel mogelijk wordt beperkt. Er wordt rekening gehouden met alle emissienormen en richtlijnen voor materieel die onder andere kunnen worden aanbevolen door de Commissie en de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica. De vaste verbrandingsresten worden afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

2.

Het in de open lucht verbranden van afval wordt zo snel mogelijk stapsgewijs afgeschaft, maar uiterlijk aan het eind van het seizoen 1998/1999. In afwachting van de voltooiing van die stapsgewijze afschaffing wordt, wanneer het nodig is zich te ontdoen van afval door verbranding in de open lucht, rekening gehouden met de windrichting, de windkracht en het soort afval dat wordt verbrand om afzetting van deeltjes te beperken en te vermijden dat deze worden afgezet in gebieden van bijzondere biologische, wetenschappelijke, historische of esthetische betekenis of van betekenis als wildernis, met inbegrip van, met name, de gebieden die bescherming genieten uit hoofde van het Verdrag inzake Antarctica.

Artikel 4. Andere wijzen van verwijderen van afval op land
1.

Afval dat niet is afgevoerd, of gestort of verbrand overeenkomstig de artikelen 2 en 3 wordt niet verwijderd in ijsvrije gebieden of in zoetwatersystemen.

2.

Sanitair afval, vloeibaar huishoudelijk afval alsmede ander vloeibaar afval dat niet is afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, wordt zo min mogelijk verwijderd op zeeijs, ijsplaten of de ijskap, met dien verstande dat afval ontstaan in landinwaarts op ijsplaten of op de ijskap gelegen stations mag worden gestort in diepe ijsputten, waar een dergelijke storting de enig uitvoerbare methode is. Dergelijke putten worden niet aangelegd op bekende stroomlijnen in ijs die eindigen bij ijsvrije gebieden of in gebieden met een hoge afsmelting.

3.

Afval ontstaan in bivakken wordt zoveel mogelijk door de veroorzaker van dat afval afgevoerd naar ondersteunende stations of schepen om te worden verwijderd overeenkomstig deze Bijlage.

Artikel 5. Het lozen van afval in zee
1.

Sanitair afval alsmede vloeibaar huisafval kan direct in zee worden geloosd, daarbij rekening houdend met het assimilatievermogen van het ontvangende mariene milieu en op voorwaarde dat:

2.

Het bijprodukt dat ontstaat bij de behandeling van sanitair afval met behulp van een roterende biologische waterzuiveringstrommel of met soortgelijke procédés kan worden verwijderd in zee mits die verwijdering geen nadelige invloed heeft op het plaatselijke milieu en mits die verwijdering in zee tevens in overeenstemming is met Bijlage IV bij het Protocol.

Artikel 6. Opslag van afval

Al het afval dat dient te worden afgevoerd uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, dan wel anderszins dient te worden verwijderd, wordt zodanig tijdelijk opgeslagen dat verspreiding daarvan in het milieu wordt voorkomen.

Artikel 7. Verboden produkten

Er worden geen polychloorbifenylen (PCB's), niet-steriele aarde, polystyrene bolletjes, chips of soortgelijke vormen van verpakking, of pesticiden (anders dan vereist voor wetenschappelijke, medische of hygiënische doeleinden) binnengebracht op het land of ijsplaten of in het water in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

Artikel 8. Afvalbeheersplanning
1.

Elke Partij die zelfactiviteiten uitvoert in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, stelt ten aanzien van die activiteiten een classificatiesysteem voor het verwijderen van afval op als basis voor de registratie van afval en ten einde onderzoek te vergemakkelijken ter evaluatie van de milieu-effecten van wetenschappelijke activiteiten en daarmee samenhangende logistieke ondersteuning. Hiertoe wordt geproduceerd afval geclassificeerd als:

2.

Ten einde het effect van afval op het Antarctische milieu verder te beperken, stelt elke Partij afvalbeheersplannen op die zij jaarlijks toetst en bijstelt (met inbegrip van afvalbeperking, opslag en verwijdering), en waarin voor elke vaste plaats, voor bivakken in het algemeen en voor elk schip (anders dan kleine boten die onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van vaste plaatsen of van schepen en rekening houdend met bestaande beheersplannen voor schepen) het volgende wordt vermeld:

3.

Elke Partij stelt voor zover mogelijk een inventaris op van locaties waar in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden (zoals overslagplaatsen, brandstofdepots, veldbases, neergestorte vliegtuigen) voordat de informatie verloren is gegaan, zodat met die locaties rekening kan worden gehouden bij het in de toekomst plannen van wetenschappelijke programma's (zoals chemisch onderzoek van het ijs, milieuvervuilende stoffen in korstmossen of het boren naar ijskernen).

Artikel 9. Toezending en toetsing van afvalbeheersplannen
1.

De overeenkomstig artikel 8 opgestelde afvalbeheersplannen, rapporten over de uitvoering hiervan en de inventarissen bedoeld in artikel 8, derde lid, maken onderdeel uit van de jaarlijkse informatieuitwisselingen overeenkomstig de artikelen III en VII van het Verdrag inzake Antarctica en daarmee verband houdende Aanbevelingen krachtens artikel IX van het Verdrag inzake Antarctica.

2.

Elke Partij zendt afschriften van haar afvalbeheersplannen en rapporten inzake de uitvoering en toetsing hiervan, aan de Commissie.

3.

De Commissie kan afvalbeheersplannen en rapporten daarover toetsen en kan commentaren hierop, met inbegrip van suggesties om de effecten tot een minimum te beperken en wijzigingen en verbetering van de plannen, ter bestudering aan de Partijen voorleggen.

4.

De Partijen kunnen informatie uitwisselen en advies verstrekken over, onder andere, ter beschikking staande schone technologieën, aanpassing van bestaande installaties, speciale eisen ten aanzien van uitstromende vloeistoffen en passende verwijderings- en loosmethoden.

Artikel 10. Beheersprocedures in de praktijk

Elke Partij:

Artikel 11. Toetsing

Deze Bijlage wordt aan regelmatige toetsing onderworpen ten einde te verzekeren dat deze wordt bijgewerkt om verbeteringen in de technologie en procedures voor het verwijderen van afval daarin op te nemen, en een maximale bescherming van het Antarctisch milieu te waarborgen.

Artikel 12. Noodgevallen
1.

Deze Bijlage is niet van toepassing in noodgevallen verband houdend met de veiligheid van mensenlevens, of met de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen of ander materieel en andere faciliteiten van grote waarde, of de bescherming van het milieu.

2.

Van activiteiten ondernomen in noodgevallen wordt onverwijld kennisgeving gedaan aan alle Partijen en aan de Commissie.

Artikel 13. Amendering of wijziging
1.

Deze Bijlage kan worden geamendeerd of gewijzigd door een maatregel aangenomen in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders wordt aangegeven, wordt de amendering of wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking één jaar na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke zij werd aangenomen, tenzij een of meer van de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica de Depositaris binnen die termijn ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Amenderingen of wijzigingen van deze Bijlage die in werking treden overeenkomstig het eerste lid hierboven, treden daarna in werking ten aanzien van iedere andere Partij wanneer kennisgeving van haar goedkeuring door de Depositaris is ontvangen.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 2. Toepassing

Deze Bijlage is, ten aanzien van elke Partij, van toepassing op schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, en ten aanzien van andere schepen die zich bezig houden met of ondersteuning verlenen aan haar werkzaamheden in het Antarctische gebied, terwijl deze dienst doen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

Artikel 3. Lozen van olie
1.

Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels is verboden, behalve in de gevallen toegestaan krachtens Bijlage I bij MARPOL 73/78. Terwijl zij werkzaam zijn in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, dienen schepen alle oliehoudend slik, vuile ballast, tankwaswater en andere oliehoudende residuen en mengsels die niet in de zee mogen worden geloosd, aan boord te houden. Schepen mogen deze residuen alleen lozen buiten het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, afgeven aan ontvangstinrichtingen of lozen zoals anderszins toegestaan krachtens Bijlage I bij MARPOL.

2.

Dit artikel is niet van toepassing op:

Artikel 4. Lozen van schadelijke vloeistoffen

Het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen en andere chemische of andere stoffen in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu is verboden.

Artikel 5. Storten van vuilnis
1.

Het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal en plastic vuilniszakken, is verboden.

2.

Het storten in zee van alle andere vuilnis, met inbegrip van papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, verbrandingsas, stuwhout en bekledings- en verpakkingsmaterialen, is verboden.

3.

Het storten in zee van voedselresten kan worden toegestaan, indien deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd, mits zulk storten, behalve in de gevallen toegestaan uit hoofde van Bijlage V bij MARPOL 73/78, zo ver als mogelijk van het land en van ijsplaten geschiedt, maar in elk geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaten. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.

4.

Ingeval onder dit artikel vallende stoffen of materialen zijn vermengd met andere stoffen of materialen voor storten of lozen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen voor storten of lozen van toepassing.

5.

De bepalingen van het eerste en tweede lid hierboven zijn niet van toepassing op:

6.

De Partijen vereisen, waar passend, het gebruik van een vuilnisjournaal.

Artikel 6. Lozen van sanitair afval
1.

Behalve wanneer het de werkzaamheden in het Antarctisch gebied onnodig zou belemmeren:

2.

De Partijen vereisen, waar passend, het gebruik van een journaal voor sanitair afval.

Artikel 7. Noodgevallen
1.

De artikelen 3,4,5 en 6 van deze Bijlage zijn niet van toepassing in noodgevallen verband houdend met de veiligheid van schip en opvarenden, of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Van activiteiten ondernomen in noodgevallen wordt onverwijld kennisgeving gedaan aan alle Partijen en aan de Commissie.

Artikel 8. Gevolgen voor afhankelijke en samenhangende ecosystemen

Bij de toepassing van de bepalingen van deze Bijlage dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de noodzaak nadelige gevolgen te vermijden voor afhankelijke en samenhangende ecosystemen buiten het gebied waarop hetVerdrag inzake Antarctica van toepassing is.

Artikel 9. Opslagcapaciteit van het schip en ontvangstinrichtingen
1.

Elke Partij verbindt zich ertoe te verzekeren dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren en alle andere schepen die zich bezig houden met of ondersteuning verlenen aan haar werkzaamheden in het Antarctisch gebied, alvorens het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is binnen te varen, aan boord zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit voor het aan boord houden van alle oliehoudend slik, vuile ballast, tankwaswater en andere oliehoudende residuen en mengsels en over voldoende capaciteit voor het aan boord houden van vuilnis beschikken, terwijl zij werkzaam zijn in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, en regelingen hebben getroffen om zulke oliehoudende residuen en vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van dat gebied. Schepen dienen ook te beschikken over voldoende capaciteit voor het aan boord houden van schadelijke vloeistoffen.

2.

Elke Partij uit wier havens schepen vertrekken op weg naar of in wier havens schepen aankomen uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarcticavan toepassing is, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk toereikende inrichtingen worden geïnstalleerd voor het in ontvangst nemen van alle oliehoudend slik, vuile ballast, tankwaswater, andere oliehoudende residuen en mengsels en vuilnis van schepen, zonder onnodig oponthoud te veroorzaken en in overeenstemming met de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.

3.

De Partijen die schepen exploiteren die vertrekken naar of aankomen uit het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, uit of in havens van andere Partijen, treden in overleg met deze Partijen ten einde te verzekeren dat de installatie van ontvangstinrichtingen in havens geen onevenredige last legt op de Partijen (wier grondgebied) grenst aan het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is.

Artikel 10. Ontwerp, bouw, bemanning en uitrusting van schepen

Bij het ontwerp, de bouw, de bemanning en de uitrusting van schepen die zich bezig houden met of ondersteuning verlenen aan werkzaamheden in het Antarctisch gebied, houdt elke Partij rekening met de doelstellingen van deze Bijlage.

Artikel 11. Soevereine immuniteit
1.

Deze Bijlage is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die, tijdelijk, uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Partij waarborgt evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen in haar eigendom of beheer niet aantasten, dat dergelijke schepen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, opereren in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Bij de toepassing van het eerste lid hierboven, houdt elke Partij rekening met het belang van de bescherming van het Antarctisch milieu.

3.

Elke Partij stelt de andere Partijen ervan in kennis hoe zij deze bepaling toepast.

4.

De procedure voor de beslechting van geschillen beschreven in de artikelen 18 tot en met 20 van het Protocol is niet van toepassing op dit artikel.

Artikel 12. Voorzorgsmaatregelen en voorbereiding op en bestrijding van noodsituaties
1.

Ten einde doeltreffender te kunnen optreden bij voorvallen van mariene verontreiniging of de dreiging daarvan in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, stellen de Partijen in overeenstemming met artikel 15 van het Protocol rampenplannen op voor de bestrijding van mariene verontreiniging in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, met inbegrip van rampenplannen voor schepen (niet zijnde kleine boten die deel uitmaken van de werkzaamheden van vaste plaatsen of van schepen) die dienst doen in het gebied waarop het Verdrag inzake Antarctica van toepassing is, met name voor schepen die olie als lading vervoeren en voor het wegvloeien van olie uit kustinstallaties die in het mariene milieu terechtkomt. Hiertoe:

2.

De Partijen stellen tevens procedures op voor samenwerking bij de bestrijding van door verontreiniging veroorzaakte noodsituaties en nemen passende bestrijdingsmaatregelen in overeenstemming met zodanige procedures.

Artikel 13. Toetsing

De Partijen toetsen voortdurend de bepalingen van deze Bijlage, alsmede andere maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het Antarctische mariene milieu, met inbegrip van eventuele wijzigingen en nieuwe voorschriften aangenomen uit hoofde van MARPOL 73/78, ten einde de doelstellingen van deze Bijlage te bereiken.

Artikel 14. Betrekking met MARPOL 73/78

Ten aanzien van de Partijen die tevens Partij zijn bij MARPOL 73/78 laten de bepalingen in deze Bijlage de specifieke rechten en verplichtingen uit hoofde van dat verdrag onverlet.

Artikel 15. Amendering of wijziging
1.

Deze Bijlage kan worden geamendeerd of gewijzigd door een maatregel aangenomen in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders wordt aangegeven, wordt de amendering of wijziging geacht te zijn aanvaard en treedt zij in werking één jaar na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke zij werd aangenomen, tenzij een of meer van de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica de Depositaris binnen die termijn ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Amenderingen of wijzigingen van deze Bijlage die in werking treden overeenkomstig het eerste lid hierboven treden daarna in werking ten aanzien van iedere andere Partij wanneer kennisgeving van haar goedkeuring door de Depositaris is ontvangen.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 2. Doelstellingen

Voor de toepassing van deze Bijlage kan elk gebied, met inbegrip van elk zeegebied, worden aangewezen als Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied of Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied. In die gebieden worden activiteiten verboden, aan beperkingen onderworpen of beheerd in overeenstemming met ingevolge de bepalingen van deze Bijlage aangenomen Beheersplannen.

Artikel 3. Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden
1.

Elk gebied, met inbegrip van elk zeegebied, kan worden aangewezen als Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied ter bescherming van opmerkelijke ecologische, wetenschappelijke, historische of esthetische waarden of de waarde als wildernis, dan wel een combinatie van deze waarden, of lopend of gepland wetenschappelijk onderzoek.

2.

De Partijen streven ernaar, binnen een systematisch milieukundig-geografisch kader, aan te duiden en op te nemen in de reeks Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden:

3.

Speciaal Beschermde Gebieden en Terreinen van Bijzonder Wetenschappelijk Belang die in het verleden door Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica als zodanig zijn aangewezen, worden hierbij aangewezen als Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden en daaraan wordt bijgevolg een nieuwe benaming en een nieuw nummer toegekend.

4.

De toegang tot een Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied, anders dan in overeenstemming met een ingevolge artikel 7 afgegeven vergunning, is verboden.

Artikel 4. Speciaal Beheerde Antarctische Gebieden
1.

Elk gebied, met inbegrip van elk zeegebied, waarin activiteiten worden verricht of in de toekomst kunnen worden verricht, kan worden aangewezen als Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied ter ondersteuning van de planning of coördinatie van activiteiten, ter vermijding van mogelijke conflicten, ter verbetering van de samenwerking tussen Partijen of ter beperking van de milieu-effecten.

2.

Speciaal Beheerde Antarctische Gebieden kunnen omvatten:

3.

Voor de toegang tot een Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied is geen vergunning vereist.

4.

Niettegenstaande het derde lid hierboven kan een Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied één of meer Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden omvatten, waartoe de toegang, anders dan in overeenstemming met een ingevolge artikel 7 afgegeven vergunning, is verboden.

Artikel 5. Beheersplannen
1.

Elke Partij, de Commissie, de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica en de Commissie voor de Instandhouding van de Levende Rijkdommen in de Antarctische Wateren kan een gebied voordragen voor aanwijzing als Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied of Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied door een ontwerp-Beheersplan in te dienen bij de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica.

2.

Het voor aanwijzing voorgedragen gebied moet van voldoende omvang zijn om de waarden te kunnen beschermen waarvoor speciale bescherming of speciaal beheer vereist is.

3.

Ontwerp-Beheersplannen dienen te omvatten, indien van toepassing:

Artikel 6. Aanwijzingsprocedures
1.

Ontwerp-Beheersplannen dienen te worden ingediend bij de Commissie, de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica en, indien van toepassing, de Commissie voor de Instandhouding van de Levende Rijkdommen in de Antarctische Wateren. Bij het uitbrengen van haar advies aan de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica houdt de Commissie rekening met eventuele opmerkingen van de Wetenschappelijke Commissie voor Onderzoek op Antarctica en, indien van toepassing, de Commissie voor de Instandhouding van de Levende Rijkdommen in de Antarctische Wateren. Daarna kunnen de ontwerp-Beheersplannen worden goedgekeurd door de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica door een maatregel, aangenomen tijdens een Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders is aangegeven, wordt het Beheersplan geacht te zijn goedgekeurd 90 dagen na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke de maatregel werd aangenomen, tenzij één of meer Consultatieve Partijen binnen dat tijdvak de Depositaris ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van de artikelen 4 en 5 van het Protocol, wordt geen zeegebied aangewezen als Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied of Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied zonder de voorafgaande goedkeuring van de Commissie voor de Instandhouding van de Levende Rijkdommen in de Antarctische Wateren.

3.

De aanwijzing van een Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied of een Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied geschiedt voor onbepaalde tijd, tenzij in het Beheersplan anders is bepaald. Ten minste eens in de vijf jaar,dient een Beheersplan te worden getoetst. Het dient, zo nodig, te worden bijgewerkt.

4.

Beheersplannen kunnen worden gewijzigd of ingetrokken in overeenstemming met het eerste lid hierboven.

5.

Na goedkeuring worden Beheersplannen onverwijld door de Depositaris toegezonden aan alle Partijen. De Depositaris houdt een register bij van alle tot dusver goedgekeurde Beheersplannen.

Artikel 7. Vergunningen
1.

Elke Partij wijst een bevoegde autoriteit aan met het oog op de afgifte van vergunningen voor de toegang tot of het ondernemen van activiteiten in een Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied in overeenstemming met de voorschriften van het op dat gebied betrekking hebbende Beheersplan. De vergunning dient vergezeld te gaan van de desbetreffende onderdelen van het Beheersplan en dient een vermelding td bevatten aangaande de omvang en de ligging van het gebied, de activiteiten waarvoor machtiging is verleend en waar, wanneer en door wie machtiging is verleend voor de activiteiten, alsmede aangaande eventuele andere voorwaarden die het Beheersplan voorschrijft.

2.

In het geval van een Speciaal Beschermd Gebied, dat in het verleden door Consultatieve Vergaderingen van het Verdrag inzake Antarctica als zodanig is aangewezen, ten aanzien waarvan geen Beheersplan bestaat, kan de bevoegde autoriteit een vergunning afgeven voor een dwingend wetenschappelijk doel dat niet elders kan worden gediend en dat het natuurlijke ecosysteem in dat gebied niet schaadt.

3.

Elke Partij verlangt dat de vergunninghouder een exemplaar van de vergunning bij zich draagt terwijl hij zich in het betrokken Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied bevindt.

Artikel 8. Historische plaatsen en historische monumenten
1.

Plaatsen of monumenten met een erkende historische waarde die zijn aangewezen als Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden of Speciaal Beheerde Antarctische Gebieden, ofwel binnen zodanige gebieden zijn gelegen, worden geplaatst op de lijst van Historische Plaatsen en Historische Monumenten.

2.

Elke Partij kan een plaats of monument met een erkende historische waarde die c.q. dat nog niet is aangewezen als Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied of Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied, dan wel niet in een zodanig gebied is gelegen, voordragen voor plaatsing op de lijst als Historische Plaats of Historisch Monument. Deze voordracht kan door de Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica worden goedgekeurd door een maatregel, aangenomen tijdens een Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders is aangegeven, wordt de voordracht geacht te zijn goedgekeurd 90 dagen na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke de maatregel werd aangenomen, tenzij één of meer Consultatieve Partijen binnen dat tijdvak de Depositaris ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

3.

Bestaande Historische Plaatsen of Historische Monumenten die als zodanig zijn aangemerkt door eerdere Consultatieve Vergadering gen van het Verdrag inzake Antarctica, worden geplaatst op de lijst van Historische Plaatsen en Historische Monumenten ingevolge dit artikel.

4.

Op de lijst geplaatste Historische Plaatsen en Historische Monumenten mogen niet worden beschadigd, verwijderd of vernietigd.

5.

De lijst van Historische Plaatsen en Historische Monumenten kan worden gewijzigd in overeenstemming met het tweede lid hierboven. De Depositaris houdt een lijst bij van tot dusver als zodanig aangemerkte Historische Plaatsen en Historische Monumenten.

Artikel 9. Informatie en Openbaarheid
1.

Ten einde te verzekeren dat alle personen die Antarctica bezoeken, of voornemens zijn dit te bezoeken, op de hoogte zijn van de bepalingen van deze Bijlage en deze in acht nemen, stelt elke Partij informatieve documentatie ter beschikking die, met name, omvat:

2.

Elke Partij draagt er zorg voor dat de ligging en, indien mogelijk, de grenzen van Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden, Speciaal Beheerde Antarctische Gebieden en Historische Plaatsen en Historische Monumenten zijn aangegeven op haar topografische kaarten, hydrografische kaarten en in andere relevante publikaties.

3.

De Partijen werken samen ten einde te verzekeren dat, indien van toepassing, de grenzen van Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden, Speciaal Beheerde Antarctische Gebieden en Historische Plaatsen en Historische Monumenten ter plaatse op passende wijze zijn aangegeven.

Artikel 10. Uitwisseling van informatie
1.

De Partijen treffen regelingen voor:

2.

Elke Partij licht de andere Partijen alsmede de Commissie voor eind november van elk jaar in over het aantal en de aard van de krachtens deze Bijlage in de daaraan voorafgaande periode van 1 juli tot en met 30 juni afgegegeven vergunningen.

3.

Elke Partij die onderzoek of andere activiteiten verricht in Speciaal Beschermde Antarctische Gebieden of Speciaal Beheerde Antarctische Gebieden, dan wel deze financiert of daartoe machtiging verleent, houdt een register bij van die activiteiten en geeft in de jaarlijkse uitwisseling van informatie in overeenstemming met het Verdrag beknopte beschrijvingen van de activiteiten die in het voorafgaande jaar in die gebieden werden verricht door personen die onder haar rechtsmacht vallen.

4.

Elke Partij licht de andere Partijen alsmede de Commissie voor eind november van elk jaar in over maatregelen die zij heeft genomen ter uitvoering van deze Bijlage, met inbegrip van inspecties en stappen die zij heeft ondernomen om in te grijpen in geval van activiteiten die in strijd zijn met de bepalingen van het goedgekeurde Beheersplan voor een Speciaal Beschermd Antarctisch Gebied of een Speciaal Beheerd Antarctisch Gebied.

Artikel 11. Noodgevallen
1.

De in deze Bijlage vastgelegde of toegestane beperkingen zijn niet van toepassing in noodgevallen verband houdend met de veiliheid van mensenlevens of van schepen, luchtvaartuigen, of van materieel en faciliteiten van grote waarde, of de bescherming van het milieu.

2.

Van activiteiten ondernomen in noodgevallen wordt onverwijld kennisgeving gedaan aan alle Partijen.

Artikel 12. Amendering of wijziging
1.

Deze Bijlage kan wórden geamendeerd of gewijzigd door een maatregel aangenomen in overeenstemming met artikel IX, eerste lid, van het Verdrag inzake Antarctica. Tenzij in de maatregel anders is aangegeven, wórdt dé amendering of wijziging geacht te zijn goedgekeurd en treedt zij in werking één jaar na de sluiting van de Consultatieve Vergadering van het Verdrag inzake Antarctica tijdens welke deze werd aangenomen, tenzij één of meer Consultatieve Partijen bij het Verdrag inzake Antarctica de Depositaris binnen dat tijdvak ervan in kennis stellen dat zij een verlenging van die termijn wensen of dat zij de maatregel niet kunnen goedkeuren.

2.

Amenderingen of wijzigingen van deze Bijlage die in werking treden overeenkomstig het eerste lid hierboven, treden daarna in werking ten aanzien van iedere andere Partij wanneer kennisgeving van haar goedkeuring door de Depositaris is ontvangen.

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned Plenipotentiaries, duly authorized, have signed the present Protocol.

DONE at Madrid this fourth day of October, one thousand ninehundred and ninety-one.