← Geldende tekst · Geschiedenis

Tweede Protocol bij het Haags Verdrag van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict

Geldende tekst a fecha 1999-03-26

De Partijen,

Zich bewust van de noodzaak de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict te verbeteren en een versterkt systeem voor de bescherming van speciaal aangewezen cultuurgoederen in te stellen;

Opnieuw bevestigend het belang van de bepalingen van het Verdrag inzake de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict, gedaan te ’s-Gravenhage op 14 mei 1954, en de noodzaak benadrukkend deze bepalingen aan te vullen met maatregelen om de uitvoering ervan te versterken;

Geleid door de wens de Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag een middel te verschaffen om nauwer betrokken te zijn bij de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict door het instellen van daarvoor geschikte procedures;

Overwegende dat de regels met betrekking tot de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict de ontwikkelingen van het internationale recht dienen weer te geven;

Bevestigend dat de regels van het internationale gewoonterecht van toepassing blijven op vraagstukken die door dit Protocol niet worden geregeld;

Zijn het volgende overeengekomen:

HOOFDSTUK I. INLEIDING

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder:

Artikel 2. Verhouding tot het Verdrag

Dit Protocol vormt ten aanzien van de betrekkingen tussen de Partijen een aanvulling op het Verdrag.

Artikel 3. Werkingssfeer
1.

Naast de bepalingen die in vredestijd van toepassing zijn, is dit Protocol van toepassing op situaties bedoeld in artikel 18, eerste en tweede lid, van het Verdrag en in artikel 22, eerste lid.

2.

Indien een van de partijen bij een gewapend conflict niet door dit Protocol gebonden is, blijven de Partijen bij dit Protocol hierdoor gebonden in hun wederzijdse betrekkingen. Voorts zijn zij door dit Protocol gebonden in hun betrekkingen tot een Staat die partij is bij het conflict en die niet door het Protocol gebonden is, indien deze laatste de bepalingen van dit Protocol aanvaardt en voor zolang hij deze toepast.

Artikel 4. Verhouding tussen Hoofdstuk 3 en andere bepalingen van het Verdrag en dit Protocol

De toepassing van de bepalingen van Hoofdstuk 3 van dit Protocol laat onverlet:

HOOFDSTUK 2. ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE BESCHERMING

Artikel 5. Veiligstelling van cultuurgoederen

De in vredestijd getroffen voorbereidende maatregelen voor de veiligstelling van cultuurgoederen tegen de voorzienbare gevolgen van een gewapend conflict ingevolge artikel 3 van het Verdrag omvatten, naargelang hetgeen van toepassing is, het opstellen van inventarislijsten, het plannen van noodmaatregelen voor de bescherming tegen brand of instorting van gebouwen, de voorbereiding van de verwijdering van roerende cultuurgoederen of de verschaffing van een passende in situ bescherming voor dergelijke goederen, en de aanwijzing van bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de veiligstelling van cultuurgoederen.

Artikel 6. Eerbiediging van cultuurgoederen

Met het doel de eerbiediging van cultuurgoederen in overeenstemming met artikel 4 van het Verdrag te waarborgen:

Artikel 7. Voorzorgen bij aanvallen

Onverminderd andere voorzorgen die zijn voorgeschreven door het internationale humanitaire recht bij de uitvoering van militaire operaties, dient elke Partij bij het conflict:

Artikel 8. Voorzorgen tegen de gevolgen van vijandelijkheden

De partijen bij het conflict dienen, zo veel mogelijk als praktisch uitvoerbaar is:

Artikel 9. Bescherming van cultuurgoederen in bezet gebied
1.

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 4 en 5 het Verdrag dient een Partij die het grondgebied van een andere Partij geheel of gedeeltelijk bezet houdt, met betrekking tot het bezette gebied te verbieden en te voorkomen dat:

2.

Archeologische opgravingen, wijzigingen of verandering van het gebruik van cultuurgoederen in bezet gebied dienen, tenzij de omstandigheden zulks niet toelaten, plaats te vinden in nauwe samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten van het bezette gebied.

HOOFDSTUK 3. VERHOOGDE BESCHERMING

Artikel 10. Verhoogde bescherming

Een cultuurgoed kan onder verhoogde bescherming worden gesteld indien het voldoet aan de volgende drie voorwaarden:

Artikel 11. Verlening van verhoogde bescherming
1.

Elke Partij dient het Comité een lijst van cultuurgoederen in te dienen voor welke zij van plan is om verlening van verhoogde bescherming te verzoeken.

2.

De Partij die rechtsmacht of zeggenschap uitoefent over een cultuurgoed kan verzoeken dat het wordt opgenomen in de overeenkomstig artikel 27, eerste lid, letter b, op te stellen Lijst. Dit verzoek dient alle benodigde informatie met betrekking tot de in artikel 10 vermelde criteria te omvatten. Het Comité kan een Partij uitnodigen te verzoeken om opneming van cultuurgoederen in de Lijst.

3.

Andere Partijen, het Internationale Comité van het Blauwe Schild en andere niet-gouvernementele organisaties met relevante deskundigheid kunnen specifieke cultuurgoederen aan het Comité aanbevelen. In dergelijke gevallen kan het Comité besluiten een Partij uit te nodigen te verzoeken om opneming van dat culturele goed in de Lijst.

4.

Noch het verzoek om opneming van een cultuurgoed dat zich op een grondgebied bevindt, waarover de soevereiniteit of de rechtsmacht door meer dan één Staat wordt opgeëist, noch de opneming van een dergelijk goed, doet op enigerlei wijze afbreuk aan de rechten van de partijen bij het geschil.

5.

Na ontvangst van een verzoek om opneming in de Lijst, brengt het Comité alle Partijen van het verzoek op de hoogte. De Partijen kunnen binnen zestig dagen hun bezwaren met betrekking tot een dergelijk verzoek indienen bij het Comité. Deze bezwaren mogen uitsluitend gebaseerd zijn op de in artikel 10 vermelde criteria. De bezwaren moeten specifiek zijn en betrekking hebben op feiten. Het Comité neemt de bezwaren in behandeling, waarbij het de Partij die om opneming verzoekt, redelijke gelegenheid biedt een antwoord te geven alvorens het zijn besluit neemt. Wanneer dergelijke bezwaren aan het Comité zijn voorgelegd, moet een besluit ten aanzien van de opneming in de Lijst, onverminderd artikel 26, worden genomen met een meerderheid van vier vijfde van de aanwezige en hun stem uitbrengende leden van het Comité.

6.

Bij het besluit over een verzoek dient het Comité het advies in te winnen van gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, alsmede van individuele deskundigen.

7.

Een besluit tot verlening of weigering van verhoogde bescherming kan alleen worden genomen op basis van de in artikel 10 genoemde criteria.

8.

In uitzonderlijke gevallen, wanneer het Comité tot de conclusie is gekomen dat de Partij die om opneming van cultuurgoederen in de Lijst heeft verzocht, niet kan voldoen aan de criteria van artikel 10, letter b, kan het Comité besluiten verhoogde bescherming toe te kennen, mits de verzoekende Partij een verzoek om internationale bijstand uit hoofde van artikel 32 indient.

9.

Zodra de vijandelijkheden aanvangen kan een Partij bij het conflict, op grond van een noodgeval, verzoeken om verhoogde bescherming van cultuurgoederen die onder haar rechtsmacht of zeggenschap staan, door een verzoek bij het Comité in te dienen. Het Comité brengt dit verzoek onverwijld ter kennis van alle partijen bij het conflict. In dergelijke gevallen bestudeert het Comité de bezwaren van de betrokken partijen met spoed. Het besluit tot toekenning van voorlopige verhoogde bescherming wordt zo snel mogelijk genomen en, onverminderd artikel 26, met een meerderheid van vier vijfde van de aanwezige en hun stem uitbrengende leden van het Comité. Het Comité kan de verhoogde bescherming voorlopig toekennen, in afwachting van de uitkomst van de reguliere procedure voor de toekenning van verhoogde bescherming, mits wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 10, letters a en c.

10.

Verhoogde bescherming wordt door het Comité aan een cultuurgoed toegekend vanaf het moment dat het in de Lijst is opgenomen.

11.

De Directeur-Generaal zendt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en alle Partijen onverwijld een kennisgeving van een besluit van het Comité tot opneming van cultuurgoederen in de Lijst.

Artikel 12. Onschendbaarheid van cultuurgoederen onder verhoogde bescherming

De partijen bij een conflict waarborgen de onschendbaarheid van cultuurgoederen die onder verhoogde bescherming zijn geplaatst door zich te onthouden van iedere verwording van deze goederen tot aanvalsdoelen of van ieder gebruik van deze goederen of de onmiddellijke omgeving daarvan ter ondersteuning van militair optreden.

Artikel 13. Verlies van verhoogde bescherming
1.

Cultuurgoederen onder verhoogde bescherming verliezen deze bescherming uitsluitend:

2.

In de omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, letter b, mag een dergelijk goed uitsluitend het voorwerp van een aanval vormen indien:

Artikel 14. Schorsing en opheffing van verhoogde bescherming
1.

Wanneer een cultuurgoed niet langer aan een van de in artikel 10 van dit Protocol genoemde criteria voldoet, kan het Comité de verhoogde bescherming ervan schorsen of opheffen door het culturele goed van de Lijst te verwijderen.

2.

In geval van ernstige schending van artikel 12 met betrekking tot cultuurgoederen onder verhoogde bescherming als gevolg van het gebruik ervan ter ondersteuning van militair optreden, kan het Comité de verhoogde bescherming ervan schorsen. Wanneer deze schendingen voortdurend zijn, kan het Comité de bescherming van het genoemde goed bij wijze van uitzondering opheffen door het van de Lijst te verwijderen.

3.

De Directeur-Generaal zendt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en alle Partijen bij dit Protocol onverwijld een kennisgeving van elk besluit van het Comité tot schorsing of opheffing van de verhoogde bescherming van cultuurgoederen.

4.

Alvorens een dergelijk besluit te nemen, stelt het Comité de Partijen in de gelegenheid hun mening kenbaar te maken.

HOOFDSTUK 4. STRAFRECHTELIJKE AANSPRAKELIJKHEID EN RECHTSMACHT

Artikel 15. Ernstige schendingen van dit Protocol
1.

Hij die opzettelijk en in strijd met het Verdrag of met dit Protocol één van de volgende handelingen verricht, begaat een strafbaar feit in het kader van dit Protocol:

2.

Elke Partij neemt de nodige maatregelen teneinde de in dit artikel bedoelde strafbare feiten in haar nationale recht aan te merken als misdrijven en op dergelijke strafbare feiten passende straffen te stellen. Hierbij eerbiedigen de Partijen de algemene rechtsbeginselen en het internationale recht, met inbegrip van de regels die de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid uitbreiden tot andere personen dan de rechtstreekse daders.

Artikel 16. Rechtsmacht
1.

Onverminderd het tweede lid treft elke Partij de nodige wettelijke maatregelen om haar rechtsmacht ten aanzien van de in artikel 15 bedoelde strafbare feiten in de volgende gevallen te vestigen:

2.

Ten aanzien van de uitoefening van rechtsmacht en onverminderd artikel 28 van het Verdrag:

Artikel 17. Vervolging
1.

De Partij op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een van de in artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c, genoemde strafbare feiten wordt aangetroffen, legt, indien zij deze persoon niet uitlevert, de zaak zonder enige uitzondering en zonder onnodige vertraging, voor aan haar bevoegde autoriteiten, voor vervolging in overeenstemming met haar nationale recht of, in voorzover van toepassing, met de desbetreffende regels van internationaal recht.

2.

Onverminderd de desbetreffende regels van internationaal recht, voorzover van toepassing, wordt een ieder ten aanzien van wie een procedure plaatsvindt in verband met het Verdrag of dit Protocol, in alle fasen van de procedure, een eerlijke behandeling en een eerlijk proces gewaarborgd in overeenstemming met nationaal en internationaal recht en worden hem in geen geval minder gunstige waarborgen toegekend dan die welke in het internationale recht zijn voorzien.

Artikel 18. Uitlevering
1.

De in artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c, genoemde strafbare feiten worden geacht te vallen onder de uitleveringsdelicten in elk tussen de Partijen bestaand uitleveringsverdrag dat is gesloten vóór de inwerkingtreding van dit Protocol. De Partijen verplichten zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen in ieder uitleveringsverdrag dat in een later stadium tussen hen wordt gesloten.

2.

Indien een Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft, kan de aangezochte Partij, indien zij dit verkiest, dit Protocol beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering ten aanzien van de strafbare feiten omschreven in artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c.

3.

Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c, omschreven strafbare feiten als uitleveringsdelicten, onverminderd de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Partij voorziet.

4.

Voor uitlevering tussen Partijen worden de in artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c, omschreven strafbare feiten indien nodig beschouwd als niet alleen begaan op de plaats waar zij zijn gepleegd maar ook op het grondgebied van de Partijen die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 16, eerste lid.

Artikel 19. Wederzijdse rechtshulp
1.

De Partijen verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp met betrekking tot onderzoeken, bij strafzaken en bij uitleveringsprocedures ten aanzien van de in artikel 15 omschreven strafbare feiten, met inbegrip van rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor de procedure.

2.

De Partijen komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste lid na in overeenstemming met de verdragen en regelingen inzake wederzijdse rechtshulp die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen of regelingen ontbreken, verlenen de Partijen elkaar rechtshulp overeenkomstig hun nationale recht.

Artikel 20. Weigeringsgronden
1.

Ten behoeve van uitlevering en wederzijdse rechtshulp zullen de strafbare feiten omschreven in respectievelijk artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c, en artikel 15, niet worden beschouwd als politieke delicten, noch als met politieke delicten samenhangende delicten, noch als delicten ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of om wederzijdse rechtshulp op basis van dergelijke delicten niet worden geweigerd op grond van het enkele feit dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.

2.

Niets in dit Protocol mag zo worden uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Partij ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek om uitlevering voor in artikel 15, eerste lid, letters a tot en met c, omschreven strafbare feiten of om wederzijdse rechtshulp met betrekking tot in artikel 15 genoemde strafbare feiten, is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging, of dat inwilliging van het verzoek de positie van de betrokkene om één van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Artikel 21. Maatregelen met betrekking tot andere schendingen

Onverminderd artikel 28 van het Verdrag neemt elke Partij de wettelijke, bestuurlijke of disciplinaire maatregelen die nodig kunnen zijn voor het doen ophouden van de volgende handelingen wanneer deze opzettelijk worden verricht:

HOOFDSTUK 5. DE BESCHERMING VAN CULTUURGOEDEREN BIJ GEWAPENDE CONFLICTEN VAN NIET-INTERNATIONALE AARD

Artikel 22. Gewapende conflicten van niet-internationale aard
1.

Dit Protocol is van toepassing in geval van een gewapend conflict van niet-internationale aard dat zich voordoet op het grondgebied van een van de Partijen.

2.

Dit Protocol is niet van toepassing op situaties van interne ongeregeldheden en spanningen, zoals rellen, op zichzelf staande en sporadische daden van geweld en andere handelingen van soortgelijke aard.

3.

Geen enkele bepaling van dit Protocol wordt ingeroepen met het oog op de aantasting van de soevereiniteit van een Staat of de verantwoordelijkheid van de regering om, met alle wettige middelen, de rechtsorde in de Staat te handhaven of te herstellen of de nationale eenheid en territoriale integriteit van de Staat te verdedigen.

4.

Geen enkele bepaling van dit Protocol doet afbreuk aan de primaire rechtsmacht van een Partij op het grondgebied waarvan een gewapend conflict van niet-internationale aard zich voordoet ten aanzien van de in artikel 15 genoemde schendingen.

5.

Geen enkele bepaling van dit Protocol wordt ingeroepen ter rechtvaardiging van, rechtstreeks of onrechtstreeks ingrijpen, om welke reden dan ook, in het gewapend conflict of in de interne of externe aangelegenheden van de Partij op het grondgebied waarvan dat conflict zich voordoet.

6.

De toepassing van dit Protocol op de in het eerste lid vermelde situatie is niet van invloed op de rechtspositie van de partijen bij het conflict.

7.

De UNESCO kan haar diensten aanbieden aan de partijen bij het conflict.

HOOFDSTUK 6. INSTITUTIONELE KWESTIES

Artikel 23. Vergadering van de Partijen
1.

De Vergadering van de Partijen wordt gelijktijdig met de Algemene Conferentie van de UNESCO bijeengeroepen, en wordt gecoördineerd met de Vergadering van de Hoge Verdragsluitende Partijen, indien deze door de Directeur-Generaal van de UNESCO bijeen is geroepen.

2.

De Vergadering van de Partijen neemt haar eigen huishoudelijk reglement aan.

3.

De Vergadering van de Partijen heeft de volgende taken:

4.

Op verzoek van ten minste een vijfde van de Partijen, roept de Directeur-Generaal een Buitengewone Vergadering van de Partijen bijeen.

Artikel 24. Comité voor de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict
1.

Hierbij wordt het Comité voor de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict in het leven geroepen. Het Comité is samengesteld uit twaalf Partijen die door de Vergadering van de Partijen worden gekozen.

2.

Het Comité komt eenmaal per jaar in gewone zitting, en telkens wanneer het dit nodig acht, in buitengewone zittingen bijeen.

3.

Bij de vaststelling van de samenstelling van het Comité streven de Partijen naar een billijke vertegenwoordiging van de verschillende regio’s en culturen van de wereld.

4.

De Partijen die lid zijn van het Comité kiezen voor hun vertegenwoordiging personen die gekwalificeerd zijn op het terrein van cultureel erfgoed, defensie of internationaal recht, en zij streven er in onderling overleg naar te waarborgen dat het Comité in zijn geheel de nodige deskundigheid op al deze terreinen omvat.

Artikel 25. Ambtstermijn
1.

Een Partij wordt tot lid van het Comité gekozen voor een termijn van vier jaar en is slechts eenmaal onmiddellijk opnieuw verkiesbaar.

2.

Onverminderd de bepalingen van het eerste lid, loopt de ambtstermijn van de helft van de gedurende de eerste verkiezing gekozen leden af aan het einde van de eerste gewone zitting van de Vergadering van de Partijen die volgt op die gedurende welke zij zijn gekozen. Deze leden worden gekozen door middel van loting door de Voorzitter van deze Vergadering na de eerste verkiezing.

Artikel 26. Huishoudelijk reglement
1.

Het Comité neemt zijn eigen huishoudelijk reglement aan.

2.

Het quorum wordt gevormd door een meerderheid van de leden. Besluiten van het Comité worden genomen met een meerderheid van twee derde van de hun stem uitbrengende leden.

3.

De leden nemen niet deel aan de stemming over besluiten die betrekking hebben op cultuurgoederen die worden bedreigd door een gewapend conflict waarbij zij partij zijn.

Artikel 27. Taken
1.

Het Comité heeft de volgende taken:

2.

Het Comité verricht zijn taken in samenwerking met de Directeur-Generaal.

3.

Het Comité werkt samen met internationale en nationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties die doeleinden hebben die vergelijkbaar zijn met die van het Verdrag, met het eerste Protocol daarvan en met dit Protocol. Teneinde het te helpen bij de uitvoering van zijn taken, kan het Comité vooraanstaande professionele organisaties uitnodigen, in een adviserende hoedanigheid, zijn vergaderingen bij te wonen, zoals die welke formele betrekkingen met de UNESCO hebben, in het bijzonder het Internationale Comité van het Blauwe Schild en de organisaties waaruit dit is samengesteld. Vertegenwoordigers van het International Centre for the Study of the Preservation and Restauration of Cultural Property (Centrum van Rome) (ICCROM) en van het Internationaal Comité van het Rode Kruis kunnen eveneens uitgenodigd worden een vergadering in een adviserende hoedanigheid bij te wonen.

Artikel 28. Secretariaat

Het Comité wordt bijgestaan door het secretariaat van de UNESCO, dat de documentatie van het Comité voorbereidt alsmede de agenda van zijn vergaderingen en dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van zijn besluiten.

Artikel 29. Fonds voor de bescherming van cultuurgoederen in geval van een gewapend conflict
1.

Hierbij wordt een Fonds ingesteld dat de volgende doelen heeft:

2.

Het Fonds is, in overeenstemming met de bepalingen van het financieel reglement van de UNESCO, een trustfonds.

3.

Betalingen uit het Fonds worden uitsluitend gebruikt voor de doelen die het Comité vaststelt, overeenkomstig de in artikel 23, derde lid, letter c, gedefinieerde richtlijnen. Het Comité kan bijdragen aanvaarden die uitsluitend dienen te worden gebruikt voor een bepaald programma of project, op voorwaarde dat het Comité besloten heeft tot uitvoering van een dergelijk programma of project.

4.

De middelen van het Fonds bestaan uit:

HOOFDSTUK 7. VERSPREIDING VAN INFORMATIE EN INTERNATIONALE BIJSTAND

Artikel 30. Verspreiding
1.

De Partijen spannen zich ervoor in, door middel van geschikte middelen, en met name door middel van onderwijs- en informatieprogramma’s, de waardering voor en eerbiediging van cultuurgoederen door hun gehele bevolking te vergroten.

2.

De Partijen verspreiden dit Protocol zo breed mogelijk, zowel in vredestijd als tijdens een gewapend conflict.

3.

Militaire of civiele autoriteiten die, tijdens een gewapend conflict, verantwoordelijkheden dragen ten aanzien van de toepassing van dit Protocol, dienen volledig vertrouwd te zijn met de inhoud ervan. Hiertoe dragen de Partijen, naargelang van het geval, zorg voor:

Artikel 31. Internationale samenwerking

In geval van ernstige schendingen van dit Protocol verplichten de Partijen zich ertoe gezamenlijk via het Comité, of individueel, in samenwerking met de UNESCO en de Verenigde Naties, en in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties op te treden.

Artikel 32. Internationale bijstand
1.

Een Partij kan het Comité om internationale bijstand ten behoeve van cultuurgoederen onder verhoogde bescherming verzoeken alsmede om bijstand bij de voorbereiding, ontwikkeling of uitvoering van de in artikel 10 bedoelde wetten, bestuurlijke bepalingen en maatregelen.

2.

Een partij bij het conflict, die geen Partij is bij dit Protocol, maar die, in overeenstemming met artikel 3, tweede lid, de bepalingen ervan aanvaardt en toepast, kan het Comité om passende internationale bijstand verzoeken.

3.

Het Comité neemt regels aan voor de indiening van verzoeken om internationale bijstand en stelt vast welke vormen de internationale bijstand kan aannemen.

4.

De Partijen worden aangemoedigd die Partijen of partijen bij het conflict welke daarom verzoeken, door tussenkomst van het Comité, alle vormen van technische bijstand toe te kennen.

Artikel 33. Bijstand van de UNESCO
1.

Een Partij kan een beroep doen op de UNESCO voor technische bijstand met betrekking tot het organiseren van de bescherming van haar cultuurgoederen, zoals voorzorgen voor het veiligstellen van cultuurgoederen, preventieve en organisatorische maatregelen voor noodsituaties en samenstelling van nationale inventarislijsten van cultuurgoederen, of met betrekking tot ieder ander probleem, voortvloeiende uit de toepassing van dit Protocol. De UNESCO verleent deze medewerking binnen de grenzen van haar programma en haar middelen.

2.

De Partijen worden aangemoedigd op bilateraal of multilateraal niveau technische bijstand te verlenen.

3.

De UNESCO is bevoegd uit eigen beweging voorstellen op dit gebied te doen aan de Partijen.

HOOFDSTUK 8. UITVOERING VAN DIT PROTOCOL

Artikel 34. Beschermende mogendheden

Dit Protocol wordt toegepast met de medewerking van de beschermende mogendheden, belast met de behartiging van de belangen van de partijen bij het conflict.

Artikel 35. Verzoeningsprocedure
1.

De beschermende mogendheden verlenen hun goede diensten in alle gevallen waarin zij dit wenselijk kunnen achten in het belang van cultuurgoederen, in het bijzonder wanneer er verschil van mening is tussen de partijen bij het conflict met betrekking tot de toepassing of de uitlegging van de bepalingen van dit Protocol.

2.

Te dien einde kan elk van de beschermende mogendheden op uitnodiging van een Partij, van de Directeur-Generaal of uit eigen beweging, aan de partijen bij het conflict een bijeenkomst van hun vertegenwoordigers voorstellen, en in het bijzonder van de autoriteiten belast met de bescherming van cultuurgoederen, zonodig op het grondgebied van een Staat die geen partij is bij het conflict. De partijen bij het conflict zijn gehouden gevolg te geven aan de hun gedane voorstellen tot het houden van een bijeenkomst. De beschermende mogendheden leggen aan de partijen bij het conflict een voorstel ter goedkeuring voor betreffende een persoon, behorende tot een staat die geen partij is bij het conflict, of een persoon voorgesteld door de Directeur-Generaal, die uitgenodigd zal worden aan deze bijeenkomst deel te nemen in de hoedanigheid van voorzitter.

Artikel 36. Verzoening in afwezigheid van beschermende mogendheden
1.

In gevallen van een conflict waarbij geen beschermende mogendheden zijn aangewezen, kan de Directeur-Generaal zijn goede diensten toekennen of door middel van elke andere vorm van verzoening of bemiddeling optreden teneinde het geschil te beslechten.

2.

Op uitnodiging van een Partij of van de Directeur-Generaal, kan de voorzitter van het Comité de partijen bij het conflict een bijeenkomst van hun vertegenwoordigers voorstellen, en in het bijzonder van de autoriteiten belast met de bescherming van cultuurgoederen, zonodig op het grondgebied van een Staat die geen partij is bij het conflict.

Artikel 37. Vertalingen en rapporten
1.

De Partijen vertalen dit Protocol in hun officiële talen en doen deze officiële vertalingen aan de Directeur-Generaal toekomen.

2.

De Partijen leggen iedere vier jaar een rapport inzake de uitvoering van dit Protocol aan het Comité voor.

Artikel 38. Aansprakelijkheid van Staten

Geen enkele bepaling in dit Protocol met betrekking tot individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid doet afbreuk aan de aansprakelijkheid van Staten ingevolge het internationale recht, met inbegrip van de verplichting tot schadeloosstelling.

HOOFDSTUK 9. SLOTBEPALINGEN

Artikel 39. Talen

Dit Protocol is opgesteld in het Arabisch, Chinees, Engels, Frans, Russisch en Spaans, zijnde de zes teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 40. Ondertekening

Dit Protocol draagt de datum van 26 maart 1999. Het staat van 17 mei 1999 tot en met 31 december 1999 te ’s-Gravenhage open ter ondertekening door alle Hoge Verdragsluitende Partijen.

Artikel 41. Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
1.

Dit Protocol dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Hoge Verdragsluitende Partijen die dit Protocol hebben ondertekend, in overeenstemming met hun onderscheiden grondwettelijke procedures.

2.

De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal.

Artikel 42. Toetreding
1.

Dit Protocol staat vanaf 1 januari 2000 open voor toetreding door andere Hoge Verdragsluitende Partijen.

2.

Toetreding vindt plaats door middel van de nederlegging van een akte van toetreding bij de Directeur-Generaal.

Artikel 43. Inwerkingtreding
1.

Dit Protocol treedt in werking drie maanden nadat 20 akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding zijn nedergelegd.

2.

Daarna treedt het ten aanzien van elke Partij in werking, drie maanden na de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel 44. Inwerkingtreding in omstandigheden van gewapend conflict

De in de artikelen 18 en 19 van het Verdrag bedoelde omstandigheden doen de door de partijen bij het conflict voor of na het begin van de vijandelijkheden of van de bezetting nedergelegde akten van bekrachtiging, aanvaarding respectievelijk goedkeuring van of toetreding tot dit Protocol onmiddellijk van kracht worden. In die gevallen doet de Directeur-Generaal langs de snelste weg de mededelingen bedoeld in artikel 46.

Artikel 45. Opzegging
1.

Elke Partij kan dit Protocol opzeggen.

2.

De opzegging wordt medegedeeld door middel van een schriftelijke akte, welke wordt nedergelegd bij de Directeur-Generaal.

3.

De opzegging wordt van kracht een jaar na ontvangst van de akte van opzegging. Indien echter de opzeggende Partij op het ogenblik dat deze termijn afloopt, betrokken is bij een gewapend conflict, heeft de opzegging geen gevolg zolang de vijandelijkheden niet zijn beëindigd of zolang de terugvoering van cultuurgoederen naar het gebied van herkomst niet is voltooid, naar gelang van wat het laatst plaatsvindt.

Artikel 46. Kennisgevingen

De Directeur-Generaal stelt zowel alle Hoge Verdragsluitende Partijen als de Verenigde Naties in kennis van de nederlegging van alle akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bedoeld in de artikelen 41 en 42, evenals van de opzeggingen, bedoeld in artikel 45.

Artikel 47. Registratie bij de Verenigde Naties

Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van Verenigde Naties wordt dit Verdrag geregistreerd bij het Secretariaat van de Verenigde Naties op verzoek van de Directeur-Generaal.

IN FAITH WHEREOF the undersigned, duly authorized, have signed the present Protocol.

DONE at The Hague, this twenty-sixth day of March 1999, in a single copy which shall be deposited in the archives of the UNESCO, and certified true copies of which shall be delivered to all the High Contracting Parties.