← Geldende tekst · Geschiedenis

Overeenkomst tot oprichting van het Europees Centrum voor weersvoorspellingen op middellange termijn

Geldende tekst a fecha 1975-11-01

Overwegende het belang van een aanzienlijke verbetering der weervoorspellingen op middellange termijn voor de Europese economie;

Overwegende dat het daartoe te ondernemen wetenschappelijke en technische onderzoek een goede stimulans zal vormen voor de ontwikkeling van de meteorologie in Europa;

Overwegende dat de verbetering der weervoorspellingen op middellange termijn zal bijdragen tot de bescherming en de veiligheid van de bevolking;

Overwegende dat het ter verwezenlijking van deze doelstellingen noodzakelijk is, middelen aan te wenden welke in het algemeen op nationaal niveau niet kunnen worden toegewezen;

Overwegende dat uit het verslag van de Groep van deskundigen, belast met het opstellen van een project ter zake, blijkt dat deze doelstellingen het best kunnen worden verwezenlijkt door de oprichting van een zelfstandig Europees centrum met een internationaal statuut;

Overwegende dat dit centrum tevens kan bijdragen tot de post-universitaire vorming van beoefenaars der wetenschappen;

Overwegende dat de werkzaamheden van dit centrum bovendien de mogelijkheid bieden een noodzakelijke bijdrage te leveren tot enkele programma's van de Meteorologische Wereldorganisatie (W.M.O.), met name het wereldwijde systeem van de Wereldwaarneming (W.W.W.) en het Programma voor onderzoek van de atmosfeer (G.A.R.P.), door de Meteorologische Wereldorganisatie ondernomen te zamen met het Internationale Verbond van Wetenschappelijke Unies (I.C.S.U.);

Overwegende het belang dat de oprichting van dit centrum voorts kan hebben voor de ontwikkeling van de Europese industrie op het gebied van de informatica,

Hebben besloten een Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn op te richten en de voorwaarden voor de werking ervan vast te stellen, en hebben te dien einde als hun gevolmachtigden aangewezen:

Zijne Majesteit de Koning der Belgen

De heer JOSEPH VAN DER MEULEN,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van Denemarken

De heer NIELS ERSBØLL,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Denemarken bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Bondsrepubliek Duitsland

De heer ULRICH LEBSANFT,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Gemeenschappen;

Het Hoofd van de Spaanse Staat

De heer ALBERTO ULLASTRES CALVO,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Spanje bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Franse Republiek

De heer EMILE CAZIMAJOU,

Adjunct Permanente Vertegenwoordiger van Frankrijk bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Republiek Griekenland

De heer BYRON THEODOROPOULOS,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanent gedelegeerde van Griekenland bij de Europese Economische Gemeenschap;

De President van Ierland

De heer BRENDAN DILLON,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Ierland bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Italiaanse Republiek

De heer GIORGIO BOMBASSEI FRASCANI DE VETTOR,

Ambassadeur van Italië,

Permanente Vertegenwoordiger van Italië bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Socialistische Federatieve Republiek Joegoslavië

De heer PETAR MILJEVIC,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Joegoslavië bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden

De heer E. M. J. A. SASSEN,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van Nederland bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Portugese Republiek

De heer FERNANDO DE MAGALHAES CRUZ,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Portugal bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Zwitserse Bondsstaat

De heer PAUL HENRI WURTH,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Zwitserland bij de Europese Gemeenschappen;

De President van de Republiek Finland

De heer PENTTI TALVITIE,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Finland bij de Europese Gemeenschappen;

Zijne Majesteit de Koning van Zweden

De heer ERIK VON SYDOW,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Hoofd van de missie van Zweden bij de Europese Gemeenschappen;

Hare Majesteit de Koningin van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

Sir MICHAEL PALLISER,

Buitengewoon en gevolmachtigd Ambassadeur,

Permanente Vertegenwoordiger van het Verenigd Koninkrijk bij de Europese Gemeenschappen;

Die, na overlegging van hun in goede en behoorlijke vorm bevonden volmachten,

Overeenstemming hebben bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel 1
1.

Er wordt opgericht een Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn, hierna te noemen „het Centrum".

2.

De organen van het Centrum zijn de Raad en de directeur. De Raad wordt bijgestaan door een Wetenschappelijk Raadgevend Comité en door een Financieel Comité. Elk dezer organen en Comités oefent zijn taken uit binnen de grenzen en overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd in deze Overeenkomst.

3.

De leden van het Centrum, hierna te noemen „Lid-Staten", zijn de Staten die partij zijn bij deze Overeenkomst.

4.

Het Centrum bezit op het grondgebied van elke Lid-Staat rechtspersoonlijkheid. Het heeft met name de rechtsbevoegdheid overeenkomsten aan te gaan, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden en in rechte op te treden.

5.

De zetel van het Centrum is gevestigd te Shinfield Park bij Reading (Berkshire) op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.

6.

De officiële talen van het Centrum zijn het Duits, het Engels, het Frans, het Italiaans en het Nederlands.

De werktalen van het Centrum zijn het Duits, het Engels en het Frans.

De Raad bepaalt in welke mate de officiële talen en de werktalen onderscheidenlijk worden gebruikt.

Artikel 2
1.

Het Centrum heeft als doelstellingen:

2.

Het Centrum draagt zorg voor de aanleg van de installaties die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in lid 1 omschreven doeleinden en exploiteert deze.

3.

Als algemene regel worden door het Centrum de wetenschappelijke en technische resultaten van zijn arbeid onder de door de Raad gestelde voorwaarden gepubliceerd of op enige ander wijze beschikbaar gesteld, indien althans die resultaten niet onder artikel 15 vallen.

Artikel 3
1.

Ter verwezenlijking van zijn doeleinden werkt het Centrum overeenkomstig de internationale meteorologische traditie in de ruimst mogelijke mate samen met de Regeringen en de nationale organisaties van de Lid-Staten, alsook met de Staten die geen lid zijn van het Centrum of met de al dan niet gouvernementele wetenschappelijke of technische internationale organisaties waarvan de werkzaamheden verband houden met zijn doelstellingen.

2.

Voorts heeft het Centrum de bevoegdheid samenwerkingsovereenkomsten te sluiten:

3.

Indien in de in lid 2 bedoelde samenwerkingsovereenkomsten wordt bepaald dat een deel van de rekencapaciteit van het Centrum beschikbaar wordt gesteld, dan kan zulks slechts ten goede komen aan openbare instellingen der Lid-Staten.

Artikel 4
1.

De Raad beschikt over de bevoegdheid te doen wat voor de uitvoering van deze Overeenkomst noodzakelijk is en neemt de ter zake vereiste maatregelen.

2.

De Raad bestaat uit ten hoogste twee Vertegenwoordigers van elke Lid-Staat, van wie er één een vertegenwoordiger van de nationale weerkundige dienst zou moeten zijn. Deze vertegenwoordigers kunnen tijdens de vergaderingen van de Raad worden bijgestaan door adviseurs.

Een vertegenwoordiger van de Meteorologische Wereldorganisatie wordt uitgenodigd als waarnemer aan de werkzaamheden van de Raad deel te nemen.

3.

Uit zijn leden kiest de Raad een Voorzitter en een Vice-Voorzitter voor een ambtstermijn van een jaar; zij kunnen niet meer dan tweemaal achtereen worden herkozen.

4.

De Raad komt ten minste eenmaal per jaar bijeen. Hij wordt bijeengeroepen op verzoek van de Voorzitter of op verzoek van ten minste een derde der Lid-Staten. De vergaderingen van de Raad worden gehouden in de zetel van het Centrum, tenzij de Raad in uitzonderingsgevallen anders beslist.

5.

Voor de uitvoering van hun mandaat kunnen de Voorzitter en de Vice-Voorzitter een beroep doen op de medewerking van de directeur.

6.

De Raad kan comités van raadgevende aard oprichten en stelt de samenstelling en de taak daarvan vast.

Artikel 5
1.

Om het quorum te bereiken, is in elke zitting van de Raad de aanwezigheid van de Vertegenwoordigers van de meerderheid der stemgerechtigde Lid-Staten noodzakelijk.

2.

Elke Lid-Staat beschikt in de Raad over één stem. Een Lid-Staat verliest zijn stemrecht in de Raad indien zijn achterstallige bijdragen groter zijn dan de door hem voor het lopende en het voorafgaande begrotingsjaar uit hoofde van artikel 13 verschuldigde bijdragen. Niettemin kan de Raad deze Lid-Staat overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub m), machtiging verlenen om te stemmen.

3.

Besluiten van de Raad betreffende een spoedeisende zaak kunnen tussen twee zittingen van de Raad in tot stand komen door middel van een stemming per brief. In dit geval is voor het bereiken van het quorum deelneming aan de stemming van de meerderheid der stemgerechtigde Lid-Staten noodzakelijk.

4.

Voor het constateren van eenstemmigheid en van de verschillende, in deze Overeenkomst genoemde meerderheden wordt alleen rekening gehouden met de stemmen die voor of tegen het besluit waarover wordt gestemd, zijn uitgebracht alsmede, in de gevallen waarin de Raad besluit volgens de procedure van artikel 6, lid 2, met de financiële bijdragen der aan de stemming deelnemende Lid-Staten.

Artikel 6
1.

Met eenparigheid van stemmen besluit de Raad:

2.

Met een meerderheid van twee derde van de Lid-Staten, mits het geheel van de bijdragen dezer Lid-Staten ten minste twee derde van het totaal der bijdragen op de begroting van het Centrum vertegenwoordigt, besluit de Raad:

3.

Met een meerderheid van twee derde besluit de Raad:

4.

Wanneer geen speciale meerderheid is vastgesteld, spreekt de Raad zich uit met eenvoudige meerderheid.

Artikel 7
1.

Het Wetenschappelijk Raadgevend Comité bestaat uit twaalf leden, op grond van hun persoonlijke hoedanigheden voor de duur van vier jaren door de Raad benoemd. Een vierde gedeelte van het Comité wordt jaarlijks vervangen; geen der leden mag meer dan twee achtereenvolgende ambtstermijnen zitting hebben.

Een vertegenwoordiger van de Meteorologische Wereldorganisatie wordt uitgenodigd aan de werkzaamheden van het Comité deel te nemen.

De leden van het Comité worden gekozen uit de wetenschapsbeoefenaars van de Lid-Staten, en wel zodanig dat een zo breed mogelijke vertegenwoordiging van met de werkzaamheden van het Centrum verband houdende takken van wetenschap wordt verkregen. De directeur legt de Raad een lijst van kandidaten voor.

2.

Ten behoeve van de Raad brengt het Comité adviezen en aanbevelingen uit over het door de directeur opgestelde ontwerp-werkprogramma van het Centrum, alsmede over elke zaak die door de Raad aan het Comité wordt voorgelegd. De directeur houdt het Comité op de hoogte van de uitvoering van het programma. Het Comité brengt adviezen uit over de verkregen resultaten.

3.

Het Comité kan deskundigen, met name personen die behoren tot diensten die gebruik maken van de resultaten van de werkzaamheden van het Centrum, verzoeken aan zijn werkzaamheden voor de oplossing van bepaalde vraagstukken deel te nemen.

4.

Het Comité stelt zijn Reglement van Orde op. Dit treedt in werking na goedkeuring door de Raad, die besluit overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub g).

Artikel 8
1.

Het Financiële Comité bestaat uit:

2.

Onder de voorwaarden gesteld in het Financieel Reglement, brengt het Comité ten behoeve van de Raad adviezen en aanbevelingen uit over alle aan de Raad voorgelegde financiële vraagstukken en oefent het de bevoegdheden uit die de Raad op financieel gebied aan het Comité delegeert.

Artikel 9
1.

De directeur is het hoofd van de diensten van het Centrum. Hij vertegenwoordigt het Centrum naar buiten. Onder gezag van de Raad draagt hij zorg voor de uitvoering van de aan het Centrum toevertrouwde taken. Hij neemt zonder stemrecht deel aan alle vergaderingen van de Raad.

De Raad wijst degene aan die de directeursfunctie ad interim waarneemt.

2.

De directeur:

3.

Bij de uitoefening van zijn functie wordt de directeur bijgestaan door het personeel van het Centrum.

Artikel 10
1.

Behoudens het bepaalde in de tweede alinea, geldt voor het personeel van het Centrum het statuut van het personeel, dat wordt vastgesteld door de Raad, die besluit overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub b).

Indien dit statuut niet van toepassing is op de arbeidsvoorwaarden van een personeelslid van het Centrum, is het recht van de Staat waar de betrokkene zijn werkzaamheden verricht, van toepassing.

2.

De aanwerving van het personeel geschiedt op grond van de persoonlijke bekwaamheden der betrokkenen en met inachtneming van het internationale karakter van het Centrum.

Geen enkel ambt kan worden voorbehouden aan onderdanen van een bepaalde Lid-Staat.

3.

Er kan een beroep worden gedaan op personeelsleden van nationale organisaties van de Lid-Staten, die voor een bepaalde duur ter beschikking van het Centrum worden gesteld.

4.

De Raad keurt de benoeming en het ontslag goed van de personeelsleden van de in het statuut omschreven hogere bezoldigingscategorieën, alsmede van de financiële controleur en van diens plaatsvervanger.

5.

Geschillen in verband met de toepassing van het statuut of de uitvoering van de dienstcontracten van het personeel worden beslecht overeenkomstig de bepalingen van het statuut.

6.

Een ieder die in het Centrum werkt, is, onderworpen aan het gezag van de directeur en dient alle door de Raad goedgekeurde algemene voorschriften na te leven.

7.

Iedere Lid-Staat is gehouden het internationale karakter van de verantwoordelijkheid van de directeur en van de overige personeelsleden van het Centrum te eerbiedigen. Bij de uitoefening van hun functies mogen de directeur en de overige personeelsleden geen instructies van enige Regering of van enige andere autoriteit buiten het Centrum vragen of ontvangen.

Artikel 11

Het werkprogramma van het Centrum wordt op voorstel van de directeur vastgesteld door de Raad, die besluit overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub i).

Het programma bestrijkt in beginsel een tijdvak van vier jaar en moet jaarlijks worden aangepast en aangevuld voor een aanvullende periode van een jaar. In het programma wordt het maximum van de uitgaven voor de gehele looptijd van het programma vastgesteld; voorts bevat het een raming per jaar en in hoofdgroepen van de met de uitvoering gemoeide uitgaven.

Dit maximum der uitgaven kan slechts volgens de procedure van artikel 6, lid 3 sub i), worden gewijzigd.

Artikel 12
1.

De begroting van het Centrum wordt voor elk begrotingsjaar vóór de aanvang daarvan opgesteld, overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in het Financieel Reglement.

De uitgaven van het Centrum worden gedekt door de financiële bijdragen van de Lid-Staten en de eventuele overige ontvangsten van het Centrum.

Op de begroting dienen de ontvangsten en de uitgaven met elkaar in evenwicht te zijn. Zij is gesteld in de valuta van de Staat waar de zetel van het Centrum is gevestigd.

2.

De ramingen van alle uitgaven en alle ontvangsten van het Centrum dienen voor elk begrotingsjaar uitvoerig te worden gespecificeerd en in de begroting te worden opgenomen.

Vastleggingskredieten voor een tijdvak dat de duur van het begrotingsjaar overschrijdt, kunnen worden verleend overeenkomstig de voorwaarden gesteld in het Financieel Reglement.

Voorts wordt een totale raming opgesteld van de voor de drie daaropvolgende begrotingsjaren te verwachten uitgaven en ontvangsten per hoofdgroep.

3.

De Raad neemt, overeenkomstig artikel 6, lid 2 sub b), de begroting van elk begrotingsjaar en de daaraan gehechte lijst van het aantal ambten van het Centrum alsmede eventueel de aanvullende of gewijzigde begrotingen aan en keurt de totale raming van de voor de drie volgende begrotingsjaren te verwachten uitgaven en ontvangsten goed.

4.

De aanneming van de begroting door de Raad houdt in:

5.

Indien de begroting aan het begin van een begrotingsjaar nog niet door de Raad is vastgesteld, kan de directeur maandelijks de verplichtingen aangaan en de uitgaven doen, mits hij voor elk hoofdstuk binnen de grens blijft van een twaalfde van de op de begroting van het voorgaande jaar geopende kredieten en zonder dat deze maatregel tot gevolg kan hebben dat hij de beschikking krijgt over hogere kredieten dan een twaalfde van de in de ontwerp-begroting voorkomende kredieten.

Maandelijks storten de Lid-Staten als voorlopige betaling overeenkomstig de in artikel 13 bedoelde schaal, de bedragen die noodzakelijk zijn ter verzekering van de toepassing van het in de eerste alinea bepaalde.

6.

De begroting wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden vastgesteld in het Financieel Reglement.

Artikel 13
1.

Iedere Lid-Staat betaalt het Centrum jaarlijks in inwisselbare valuta een bijdrage die is bepaald op basis van een bijdragenschaal die om de drie jaar door de Raad wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub h). Deze schaal is gebaseerd op het gemiddelde van het bruto nationaal produkt van elke Lid-Staat gedurende de laatste drie kalenderjaren waarvoor statistieken bestaan.

2.

De Raad kan, overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub h), besluiten tot tijdelijke verlaging van de bijdrage van een Lid-Staat op grond van voor deze Staat geldende bijzondere omstandigheden. Als bijzondere omstandigheid zal worden beschouwd het feit dat een Lid-Staat een bruto nationaal produkt per hoofd heeft dat lager is dan een bedrag dat door de Raad zal worden bepaald volgens de procedure van artikel 6, lid 3.

3.

Indien een Staat na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst partij wordt bij deze overeenkomst, wordt de bijdragenschaal door de Raad gewijzigd overeenkomstig de in lid 1 genoemde berekeningsgrondslag. De nieuwe schaal wordt van kracht op de datum waarop de betrokken Staat partij wordt bij deze overeenkomst.

Iedere Staat die na de 31e december van het jaar waarin deze overeenkomst in werking treedt, partij wordt, is gehouden, boven de in lid 1 bedoelde bijdrage, een bijkomende eenmalige bijdrage voor de eerder door het Centrum gedane uitgaven te voldoen. De hoogte van deze bijkomende bijdrage wordt vastgesteld door de Raad, die besluit volgens de procedure van artikel 6, lid 1.

Tenzij de Raad anders heeft besloten overeenkomstig artikel 6, lid 1, wordt elke uit hoofde van de tweede alinea gestorte bijkomende bijdrage in mindering gebracht op de bijdragen der overige Lid-Staten. Deze mindering wordt berekend naar rata van de door elke Lid-Staat vóór het lopende begrotingsjaar werkelijk gestorte bijdragen.

4.

Indien een Staat na de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst ophoudt partij te zijn bij deze overeenkomst, wordt de bijdragenschaal door de Raad gewijzigd overeenkomstig de in lid 1 genoemde berekeningsgrondslag. De nieuwe schaal wordt van kracht op de datum waarop de betrokken Staat ophoudt partij te zijn bij deze overeenkomst.

5.

De wijze van storting van de bijdragen wordt vastgesteld in het Financieel Reglement.

Artikel 14
1.

De rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven op de begroting, alsmede de balans van de activa en passiva van het Centrum worden onder de voorwaarden van het Financieel Reglement ter controle voorgelegd aan financiële commissarissen die alle waarborgen van onafhankelijkheid bieden. Deze controle, die aan de hand van bescheiden en zo nodig ter plaatse geschiedt, heeft ten doel de wettigheid en de regelmatigheid van de ontvangsten en uitgaven na te gaan en vast te stellen of een goed financieel beheer van het Centrum is gevoerd. De financiële commissarissen leggen aan de Raad een verslag over de jaarrekeningen voor.

2.

De Raad stelt, op voordracht van het Financieel Comité, overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub e), het aantal financiële commissarissen, de duur van hun ambtstermijn en hun bezoldiging vast en benoemt hen.

3.

De directeur verschaft de financiële commissarissen alle inlichtingen en alle hulp die zij voor de in lid 1 bedoelde controle nodig hebben.

Artikel 15
1.

Elke Lid-Staat geniet voor zijn eigen behoeften op het gebied van de weervoorspellingen kosteloos een niet-uitsluitende licentie en elk ander niet-uitsluitend gebruiksrecht op de rechten van industriële eigendom, de computerprogramma's en de technologische kennis die uit de ter toepassing van deze overeenkomst verrichte werkzaamheden zijn voortgekomen en aan het Centrum toebehoren.

2.

Wanneer de in lid 1 bedoelde rechten niet aan het Centrum toebehoren, beijvert het zich om onder de door de Raad gestelde voorwaarden de noodzakelijke rechten te verkrijgen.

3.

Over de voorwaarden waaronder de in lid 1 bedoelde licenties kunnen worden uitgebreid tot andere toepassingen dan weervoorspellingen beslist de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub 1).

Artikel 16

De voorrechten en immuniteiten die het Centrum, de vertegenwoordigers der Lid-Staten, alsmede het personeel en de deskundigen van het Centrum genieten op het grondgebied der Lid-Staten, zijn vastgesteld in een aan deze overeenkomst gehecht protocol dat daarvan een integrerend deel uitmaakt, en in een tussen het Centrum en de Staat op welks grondgebied de zetel van het Centrum is gevestigd, te sluiten overeenkomst. Deze overeenkomst wordt overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub c), door de Raad goedgekeurd.

Artikel 17
1.

Elk geschil tussen Lid-Staten, of tussen een of meer Lid-Staten en het Centrum, betreffende de uitlegging of de toepassing van deze overeenkomst, met inbegrip van het in artikel 16 bedoelde Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, of betreffende één der in artikel 24 van dit Protocol bedoelde gevallen, dat niet door de goede diensten van de Raad kan worden bijgelegd, wordt op verzoek van één der partijen bij het geschil, gericht aan de andere partij, voorgelegd aan een scheidsgerecht, gevormd overeenkomstig lid 2, eerste alinea, tenzij de partijen onderling binnen een termijn van drie maanden overeenstemming bereiken over een andere wijze van regeling.

2.

Elk der partijen bij het geschil, ongeacht of deze door een of meer Lid-Staten wordt gevormd, wijst binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het in lid 1 bedoelde verzoek een lid van het scheidsgerecht aan. Deze leden wijzen binnen twee maanden nadat het tweede lid is aangewezen, een derde lid aan als Voorzitter van het gerecht; deze kan geen onderdaan zijn van een Lid-Staat die partij is bij het geschil. Indien een der drie leden niet binnen de gestelde termijn is aangewezen, wordt dit lid op verzoek van één der partijen aangewezen door de President van het Internationaal Gerechtshof.

Het scheidsgerecht besluit met meerderheid van stemmen. Zijn besluiten zijn bindend voor de partijen bij het geschil. Elke partij draagt de uitgaven die betrekking hebben op het door haar aangewezen lid van het scheidsgerecht en de lasten van haar vertegenwoordiging bij de procesvoering voor het scheidsgerecht. De partijen bij het geschil dragen in gelijke delen de uitgaven die betrekking hebben op de voorzitter van het scheidsgerecht en de overige uitgaven, tenzij het scheidsgerecht anders beslist. Het scheidsgerecht stelt zijn overige regels voor de procesvoering vast.

Artikel 18
1.

Elke Lid-Staat kan aan de directeur voorstellen tot wijziging van deze Overeenkomst doen. De directeur deelt de overige Lid-Staten deze voorstellen ten minste drie maanden vóór hun behandeling door de Raad mede. De Raad behandelt deze voorstellen en kan, overeenkomstig artikel 6, lid 3 sub n), de Lid-Staten aanbevelen de voorgestelde wijzigingen te aanvaarden.

2.

De door de Raad aanbevolen wijzigingen kunnen door de Lid-Staten slechts schriftelijk worden aanvaard. Zij treden in werking dertig dagen nadat de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen de laatste schriftelijke kennisgeving van aanvaarding heeft ontvangen.

Artikel 19
1.

Aan het einde van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, kan deze door elke Lid-Staat worden opgezegd door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen. De opzegging gaat in aan het einde van het tweede begrotingsjaar, volgende op het jaar in de loop waarvan de kennisgeving is gedaan.

2.

De Lid-Staat die de Overeenkomst heeft opgezegd, blijft gehouden bij te dragen in de financiering van alle verplichtingen die door het Centrum zijn aangegaan vóór deze opzegging, en de verplichtingen na te komen die hij zelf als Lid-Staat vóór de opzegging ten aanzien van het Centrum heeft aangegaan.

3.

Een Lid-Staat die deze Overeenkomst heeft opgezegd, verliest zijn rechten op het vermogen van het Centrum en moet dit, onder de overeenkomstig artikel 6, lid 2 sub d), door de Raad vastgestelde voorwaarden, elk verlies van het Centrum aan goederen op het grondgebied van die Staat vergoeden, tenzij er een bijzondere overeenkomst wordt gesloten waarbij het Centrum het gebruik van deze goederen wordt gewaarborgd.

Artikel 20

Aan een Lid-Staat die de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, kan bij besluit van de Raad overeenkomstig artikel 6, lid 1 sub c), het lidmaatschap worden ontnomen. Het bepaalde in artikel 19, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21
1.

Tenzij de Raad anders besluit overeenkomstig artikel 6, lid 2 sub e), wordt het Centrum ontbonden indien de opzegging van de Overeenkomst door een of meer Lid-Staten ertoe leidt dat de bijdragen van de overige Lid-Staten met een vijfde van hun aanvankelijke hoogte stijgen.

2.

Behalve in het in lid 1 genoemde geval, kan het Centrum te allen tijde door de Raad worden ontbonden overeenkomstig artikel 6, lid 1 sub d).

3.

In geval van ontbinding van het Centrum, wijst de Raad een liquidatieorgaan aan.

Tenzij de Raad anders besluit overeenkomstig artikel 6, lid 2 sub e), worden de activa verdeeld over de Staten die op het tijdstip van de ontbinding lid zijn, en wel naar rata van de bijdragen die zij werkelijk hebben gestort sinds zij partij zijn bij deze Overeenkomst.

Indien er een passief bestaat, komt dit naar rata van de bijdragen die zijn vastgesteld voor het lopende begrotingsjaar ten laste van de Lid-Staten.

Artikel 22
1.

Deze Overeenkomst staat tot en met 11 april 1974 bij het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen open voor ondertekening door de Europese Staten die in de bijlage zijn vermeld.

Zij dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.

2.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de dag waarop zij door ten minste twee derde van de ondertekenende Staten, waaronder de Staat op welks grondgebied de zetel van het Centrum is gevestigd, is bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, mits het geheel van de bijdragen dezer Staten overeenkomstig de bijdragenschaal zoals deze is opgenomen in de bijlage, ten minste 80 % van het totaal der bijdragen bedraagt.

Voor elke andere ondertekenende Staat treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de tweede maand, volgende op de dag waarop zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring is nedergelegd.

Artikel 23

Na de datum waarop deze Overeenkomst in werking is getreden, kan elke Staat die de Overeenkomst niet heeft ondertekend, doch wel is genoemd in de bijlage, tot deze Overeenkomst toetreden, mits de Raad hiermee overeenkomstig artikel 6, lid 1 sub b), instemt. De akten van toetreding worden nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen.

Voor de toetredende Staat treedt deze Overeenkomst in werking op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de nederlegging van zijn akte van toetreding.

Artikel 24

De Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen doet de ondertekenende en toetredende Staten mededeling van:

Zodra deze Overeenkomst in werking is getreden, laat de Secretaris-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen deze Overeenkomst, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties, registreren bij het Secretariaat-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 25
1.

Het eerste begrotingsjaar loopt van de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst tot en met de 31e december daaropvolgend. Indien dit begrotingsjaar in het tweede halfjaar begint, loopt het tot en met de 31e december van het volgende jaar.

2.

De Staten die deze Overeenkomst hebben ondertekend, maar nog niet hebben bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd, kunnen zich gedurende een tijdvak van twaalf maanden, te rekenen van de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst, op de vergaderingen van de Raad doen vertegenwoordigen en zonder stemrecht aan zijn werkzaamheden deelnemen. Dit tijdvak kan volgens de procedure van artikel 6, lid 3, door de Raad met een periode van zes maanden worden verlengd.

3.

Tijdens zijn eerste vergadering wijst het Wetenschappelijk Raadgevend Comité door loting de negen leden van het Comité aan wier ambtstermijn overeenkomstig artikel 7, lid 1 eerste alinea, verstrijkt na het eerste, na het tweede en na het derde jaar van werking van het Comité.

Artikel 26

Deze Overeenkomst, opgesteld in een enkel exemplaar in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal, zijnde de vijf teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd in het archief van het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen, dat een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift doet toekomen aan de Regeringen van alle ondertekenende of toetredende Staten.

De Staten die partij zijn bij de Overeenkomst tot oprichting van het Europees Centrum voor weervoorspellingen op middellange termijn, welke op 11 oktober 1973 te Brussel is ondertekend,

Geleid door de wens de voor de goede werking van dit Centrum noodzakelijke voorrechten en immuniteiten vast te stellen,

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

Artikel 1
1.

De gebouwen van het Centrum zijn onschendbaar, onder voorbehoud van de bepalingen van dit protocol.

2.

De autoriteiten van de Staat van vestiging hebben slechts toegang tot de gebouwen van het Centrum met toestemming van de directeur of van de door hem aangewezen persoon. De toestemming van de directeur mag echter worden geacht te zijn verkregen in geval van brand of van een andere ramp waartoe onmiddellijke beschermingsmaatregelen zijn vereist.

3.

Het Centrum belet dat de gebouwen als toevluchtsoord dienen voor personen die zich willen onttrekken aan een arrestatie of die zich trachten te onttrekken aan de betekening van een procedurestuk.

Artikel 2

Het archief van het Centrum is onschendbaar.

Artikel 3
1.

In het kader van zijn officiële werkzaamheden geniet het Centrum immuniteit van jurisdictie en van executie behalve:

2.

Bij ieder geschil waarbij een personeelslid of een deskundige van het Centrum betrokken is, ten behoeve van wie een beroep wordt gedaan op de immuniteit van jurisdictie overeenkomstig artikel 13 of artikel 14, treedt de aansprakelijkheid van het Centrum in de plaats van die van dit personeelslid of van deze deskundige.

3.

Onder voorbehoud van lid 1 kunnen de eigendommen en bezittingen van het Centrum, ongeacht waar deze zich bevinden, niet worden getroffen door enige administratieve of voorlopige gerechtelijke dwangmaatregel, zoals vordering, inbeslagneming, onteigening of conservatoir beslag, tenzij een dergelijke maatregel tijdelijk noodzakelijk is ter voorkoming van ongevallen waarbij een voertuig toebehorend aan het Centrum of rijdend voor rekening daarvan is betrokken, dan wel om onderzoekingen mogelijk te maken waartoe die ongevallen aanleiding kunnen geven.

Artikel 4
1.

In het kader van zijn officiële werkzaamheden is het Centrum, alsmede zijn eigendommen en inkomsten, vrijgesteld van alle directe belastingen.

2.

Wanneer het Centrum voor aanzienlijke bedragen aankopen verricht of voor een aanzienlijk bedrag een beroep doet op dienstverrichtingen, welke strikt noodzakelijk zijn voor het verrichten van zijn officiële werkzaamheden, en indien de prijs van deze aankopen en dienstverrichtingen rechten of belastingen omvat, neemt de Lid-Staat die de rechten en belastingen heft, passende maatregelen met het oog op de ontheffing of teruggave van het bedrag van de aantoonbare rechten en belastingen.

3.

Geen vrijstelling wordt verleend van belastingen, rechten en heffingen die in feite een eenvoudige vergoeding zijn voor diensten van openbaar nut.

Artikel 5

De door het Centrum ingevoerde of uitgevoerde goederen welke strikt noodzakelijk zijn voor het verrichten van zijn officiële werkzaamheden, zijn vrijgesteld van alle douanerechten, belastingen of heffingen en van alle douaneheffingen, met uitzondering van die welke in feite een eenvoudige vergoeding zijn voor verleende diensten. Deze goederen zijn eveneens vrijgesteld van alle in- en uitvoerverboden en -beperkingen. De Lid-Staten nemen in het kader van hun onderscheiden bevoegdheden alle dienstige maatregelen voor een zo vlot mogelijk verloop van de douanebehandeling van deze goederen.

Artikel 6

Geen vrijstelling wordt verleend uit hoofde van artikel 4 of artikel 5 wat betreft de aankoop en invoer van goederen welke bestemd zijn ter voorziening in de persoonlijke behoeften van de personeelsleden van het Centrum of van de deskundigen in de zin van artikel 14.

Artikel 7

Goederen die zijn verkregen overeenkomstig artikel 4 of ingevoerd overeenkomstig artikel 5, mogen slechts worden verkocht, overgedragen of verhuurd onder de voorwaarden die zijn neergelegd in de voorschriften van de Staat die de vrijstellingen heeft verleend.

Artikel 8
1.

Het Centrum kan alle fondsen of deviezen ontvangen en in bezit hebben. Het kan daarover voor het verrichten van zijn officiële werkzaamheden vrijelijk beschikken en rekeningen aanhouden in ongeacht welke valuta voor zover zulks nodig is voor het nakomen van zijn verplichtingen.

2.

In het kader van zijn officiële werkzaamheden en onverminderd lid 1, kan het Centrum eveneens waardepapieren ontvangen, in bezit hebben en daarover beschikken, onder voorbehoud van de voorschriften op het gebied van de deviezenregeling die in de betrokken Lid-Staat eventueel op de andere intergouvernementele organisaties van toepassing zijn.

Artikel 9

Voor de verspreiding van de in het kader van zijn officiële werkzaamheden door het Centrum verzonden of aan hem gerichte publikaties en ander voorlichtingsmateriaal geldt geen enkele beperking.

Artikel 10
1.

Voor de toezending van gegevens in het kader van zijn officiële werkzaamheden geniet het Centrum op het grondgebied van iedere Lid-Staat een even gunstige behandeling als die welke deze Staat verleent aan zijn nationale meteorologische dienst, rekening houdend met internationale verbintenissen van deze Staat op het gebied van de telecommunicatie.

2.

Voor zijn officiële mededelingen en het overbrengen van al zijn documenten geniet het Centrum een even gunstige behandeling als die welke iedere Lid-Staat aan andere internationale organisaties verleent, rekening houdend met de internationale verbintenissen van deze Staat op het gebied van de telecommunicatie.

3.

Op de officiële mededelingen van het Centrum mag, ongeacht langs welke weg zij worden gedaan, geen censuur worden uitgeoefend.

Artikel 11

De Lid-Staten treffen alle dienstige maatregelen ter vergemakkelijking van de binnenkomst, het verblijf en het vertrek van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten, van de personeelsleden van het Centrum en van de deskundigen in de zin van artikel 14.

Artikel 12

De aan de werkzaamheden van de organen en comités van het Centrum deelnemende vertegenwoordigers van de Lid-Staten genieten gedurende de uitoefening van hun functie en op hun reizen naar en van de plaatsen van bijeenkomst de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten:

Artikel 13

Binnen de in dit Protocol genoemde grenzen genieten de personeelsleden van het Centrum de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten:

Artikel 14

De niet tot het personeel behorende deskundigen die functies bij het Centrum uitoefenen of die missies voor het Centrum uitvoeren, gemeten gedurende de uitoefening van hun functies of tijdens hun missies alsmede tijdens de in het kader van deze functies of missies gemaakte reizen, de volgende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies, of voor de uitvoering van hun missies:

Artikel 15
1.

Met inachtneming van de voorwaarden en volgens de procedure zoals die door de Raad binnen een tijdvak van één jaar, te rekenen van de datum van inwerkingtreding van de Overeenkomst, zijn vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 2, daarvan, zijn de personeelsleden van het Centrum, ten gunste van het Centrum, binnen de in dit protocol genoemde grenzen onderworpen aan een belasting op door het Centrum betaalde salarissen, lonen en emolumenten. Met ingang van de datum waarop die belasting van toepassing wordt, zijn deze salarissen, lonen en emolumenten vrijgesteld van de nationale inkomstenbelasting; de Lid-Staten behouden zich de mogelijkheid voor rekening te houden met deze salarissen, lonen en emolumenten bij de berekening van de belasting die geheven wordt op inkomsten uit andere bronnen.

2.

Lid 1 geldt niet voor de door het Centrum verstrekte pensioenen en soortgelijke uitkeringen.

Artikel 16

Geen enkele Lid-Staat is verplicht de in artikel 12, artikel 13, sub b), e), f), g), en artikel 14, sub c), genoemde voorrechten en immuniteiten te verlenen aan zijn Vertegenwoordigers, zijn onderdanen of aan de personen die bij hun indiensttreding bij het Centrum hun vaste woonplaats in die Staat hebben.

Artikel 17

Overeenkomstig de procedure van artikel 6, lid 3 sub o), van de Overeenkomst bepaalt de Raad, op welke categorieën van personeelsleden de artikelen 13 en 15 geheel of ten dele van toepassing zijn, alsmede op welke categorieën van deskundigen artikel 14 van toepassing is. De namen, hoedanigheden en adressen van de personen die onder deze categorieën zijn begrepen, worden op gezette tijden ter kennis van de Lid-Staten gebracht.

Artikel 18

Ingeval het Centrum zijn eigen stelsel van sociale zekerheid vaststelt of zich aansluit bij dat van een andere internationale organisatie onder de voorwaarden van het statuut van het personeel, genieten het Centrum en zijn personeelsleden vrijstelling van alle verplichte bijdragen aan nationale organen van sociale zekerheid, onder voorbehoud van de hiertoe overeenkomstig de voorwaarden van artikel 22 te sluiten overeenkomsten met de betrokken Lid-Staten.

Artikel 19
1.

De bij dit protocol verleende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten worden uitsluitend toegekend in het belang van het Centrum en van de Lid-Staten en niet voor het persoonlijk voordeel der begunstigden.

2.

De bevoegde instanties hebben niet alleen het recht, doch ook de plicht om een immuniteit op te heffen indien deze de loop van het recht in de weg staat en indien deze kan worden opgeheven zonder de doeleinden waarvoor zij is verleend, te schaden.

3.

De in lid 2 bedoelde bevoegde instanties zijn:

Artikel 20
1.

Het Centrum onderhoudt een bestendige samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten, ten einde een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, de naleving van de politievoorschriften, de voorschriften inzake de volksgezondheid en de arbeidsinspectie alsmede soortgelijke wetten te waarborgen, en misbruik van de bij dit protocol verleende voorrechten, immuniteiten en faciliteiten te verhinderen.

2.

De wijze van samenwerking kan in de in artikel 22 genoemde aanvullende overeenkomsten nader worden bepaald.

Artikel 21

De bepalingen van dit protocol mogen geen afbreuk doen aan het recht van iedere Lid-Staat, alle in het belang van zijn veiligheid nodige voorzorgen te nemen.

Artikel 22

Het Centrum kan, wanneer de Raad daartoe met eenparigheid van stemmen besluit, met iedere Lid-Staat aanvullende overeenkomsten aangaan met het oog op de tenuitvoerlegging van dit protocol, alsmede andere regelingen treffen om het goed functioneren van het Centrum en de vrijwaring van zijn belangen te waarborgen.

Artikel 23
1.

Het Centrum is verplicht in alle schriftelijke contracten - behalve in de overeenkomstig het statuut van het personeel gesloten contracten -, waarbij het partij is en die betrekking hebben op gebieden, waarvoor het immuniteit van jurisdictie geniet, een arbitrageclausule op te nemen krachtens welke elk geschil in verband met de uitlegging of uitvoering van het contract, op verzoek van één der partijen, aan arbitrage zal worden onderworpen.

2.

Het Centrum is verplicht elk ander geschil in verband met verlies of schade die het Centrum aan personen of aan goederen heeft toegebracht, op verzoek van het slachtoffer bij compromis aan arbitrage te onderwerpen.

3.

In de arbitrageclausule of in het compromis moet worden bepaald, op welke wijze de scheidsmannen en de derde scheidsman worden aangewezen, welke wet van toepassing is en in welk land de scheidsmannen zitting houden. De arbitrageprocedure van dat land wordt toegepast.

4.

De uitvoering van deze scheidsrechterlijke uitspraak geschiedt volgens de voorschriften die gelden in de Staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt.

Artikel 24
1.

Elke Lid-Staat kan aan het in artikel 17 van de Overeenkomst bedoelde scheidsgerecht ieder geschil voorleggen waarbij:

2.

Indien een Lid-Staat voornemens is een geschil aan arbitrage te onderwerpen, deelt hij dat mee aan de directeur, die onmiddellijk elke Lid-Staat hiervan in kennis stelt.

3.

De procedure van lid 1 is niet van toepassing op geschillen tussen het Centrum en zijn personeelsleden betreffende de arbeidsvoorwaarden van laatstgenoemden.

4.

De uitspraak van het scheidsgerecht is definitief en niet vatbaar voor beroep; de partijen moeten zich eraan houden. In geval van onenigheid over betekenis of draagwijdte van de uitspraak dient het scheidsgerecht haar op verzoek van een der partijen uit te leggen.

Artikel 25

In de zin van dit protocol:

Artikel 26

Dit protocol moet worden uitgelegd in het licht van zijn wezenlijke doelstelling, te weten het Centrum in staat te stellen zijn taak volledig en doelmatig te vervullen en de bij de Overeenkomst aan het Centrum opgedragen functies uit te oefenen.