Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken
- i. leeft elke onder het eerste lid van dit artikel vallende Partij met ingang van 1 januari 2002 de in artikel 2H, eerste lid, genoemde beheersingsmaatregelen na en hanteert zij als uitgangspunt voor de naleving van deze beheersingsmaatregelen het gemiddelde van haar jaarlijkse berekende gebruik, respectievelijk haar jaarlijkse berekende produktie, over 1995 tot en met 1998;
- ii. verzekert elke in het eerste lid van dit artikel bedoelde Partij dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2005 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik en productie van de in Bijlage E genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stof per jaar niet meer bedraagt dan tachtig procent van het gemiddelde van haar jaarlijks berekende gebruik, respectievelijk haar jaarlijks berekende productie, over 1995 tot en met 1998;
- iii. verzekert elke onder het eerste lid van dit artikel vallende Partij dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2015 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna haar berekende gebruik en productie van de in Bijlage E aan uitworpbeheersing onderworpen stof nihil is. Dit lid vindt geen toepassing wanneer de Partijen besluiten de productie of het gebruik toe te staan tot het niveau dat nodig is om te voorzien in de behoeften voor vormen van gebruik ten aanzien waarvan zij overeenkomen dat deze cruciaal zijn;
- iv. zijn in het berekende gebruik en de berekende produktie ingevolge deze letter d) niet inbegrepen de door de Partij gebruikte hoeveelheden voor quarantaine-doeleinden of voor toepassingen voorafgaand aan het vervoer.
- a. Elke Partij die onder de werking van het eerste lid van dit artikel valt, behoudens aanpassingen die overeenkomstig artikel 2, negende lid, worden aangebracht aan de in artikel 2J vervatte beheersingsmaatregelen, is gerechtigd de naleving van de in artikel 2J, eerste lid, letter a tot en met e, en derde lid, letter a tot en met e, vervatte beheersingsmaatregelen op te schorten en deze maatregelen als volgt te wijzigen:
- i. 2024 tot en met 2028: 100 procent
- ii. 2029 tot en met 2034: 90 procent
- iii. 2035 tot en met 2039: 70 procent
- iv. 2040 tot en met 2044: 50 procent
- v. 2045 en daarna: 20 procent.
- b. Niettegenstaande het bepaalde in letter a kunnen de Partijen besluiten dat een Partij die onder de werking van het eerste lid van dit artikel valt, behoudens aanpassingen die overeenkomstig artikel 2, negende lid, worden aangebracht aan de in artikel 2J vervatte beheersingsmaatregelen, gerechtigd is de naleving van de in artikel 2J, eerste lid, letter a tot en met e, en derde lid, letter a tot en met e, vervatte beheersingsmaatregelen op te schorten en deze maatregelen als volgt te wijzigen:
- i. 2028 tot en met 2031: 100 procent
- ii. 2032 tot 2036: 90 procent
- iii. 2037 tot en met 2041: 80 procent
- iv. 2042 tot en met 2046: 70 procent
- v. 2047 en daarna: 15 procent.
- c. Elke Partij die onder de werking van het eerste lid van dit artikel valt is gerechtigd, voor de berekening van haar referentiegebruik uit hoofde van artikel 2J, het gemiddelde van haar berekend gebruik van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2020, 2021 en 2022 te gebruiken, vermeerderd met 65 procent van haar referentiegebruik van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.
- d. Niettegenstaande het bepaalde in letter c van dit artikel kunnen de Partijen besluiten dat elke Partij die onder de werking van het eerste lid van dit artikel valt gerechtigd is, voor de berekening van haar referentiegebruik uit hoofde van artikel 2J, het gemiddelde van haar berekend gebruik van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2024, 2025 en 2026 te gebruiken, vermeerderd met 65 procent van haar referentiegebruik van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.
- e. Elke Partij die onder de werking van het eerste lid van dit artikel valt is gerechtigd, voor de berekening van haar referentieproductie uit hoofde van artikel 2J, het gemiddelde van haar berekende productie van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2020, 2021 en 2022 te gebruiken, vermeerderd met 65procent van haar referentieproductie van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.
- f. Niettegenstaande het bepaalde in letter e van dit artikel kunnen de Partijen besluiten dat elke Partij die onder de werking van het eerste lid van dit artikel valt gerechtigd is, voor de berekening van haar referentieproductie uit hoofde van artikel 2J, het gemiddelde van haar berekende productie van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen te gebruiken voor de jaren 2024, 2025 en 2026, vermeerderd met 65procent van haar referentieproductie van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bepaald in lid 8 ter van dit artikel.
- g. De letters a tot en met f van dit lid zijn van toepassing op de berekende niveau van productie en het berekende gebruik tenzij een vrijstelling op grond van hoge omgevingstemperaturen van toepassing is op basis van door de Partijen vastgestelde criteria.
Beslissingen van de Partijen zoals bedoeld in het vierde, zesde en zevende lid van dit artikel worden genomen volgens dezelfde procedure als beslissingen die worden genomen krachtens artikel 10.
Artikel 6. Beoordeling en bestudering van de beheersingsmaatregelen
In 1990, en vervolgens ten minste eens in de vier jaar, beoordelen de Partijen de in artikel 2 en de in de artikelen 2A tot en met 2J bedoelde maatregelen aan de hand van de beschikbare wetenschappelijke, milieukundige, technische en economische gegevens. Ten minste één jaar voor elke beoordeling stellen de Partijen de nodige groepen van deskundigen in die gekwalificeerd zijn op de genoemde gebieden en zij stellen de samenstelling en het mandaat van deze groepen vast. Binnen een jaar na hun instelling brengen deze groepen verslag uit van hun bevindingen door tussenkomst van het secretariaat aan de Partijen.
Artikel 7. Verstrekking van gegevens
Elke partij verstrekt het secretariaat binnen drie maanden nadat zij Partij is geworden statistische gegevens betreffende haar produktie, invoer en uitvoer van elke van de in Bijlage A genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen over 1986, dan wel de best mogelijke schattingen, wanneer er geen exacte gegevens beschikbaar zijn.
Elke Partij verstrekt het secretariaat statistische gegevens over haar produktie, invoer en uitvoer van
- elke van de in de Bijlage B en in de Groepen I en II van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen over 1989;
- elke van de in Bijlage E genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen over 1991,
- elke van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen over de jaren 2011 tot en met 2013, zij het dat de Partijen die onder de werking van artikel 5, eerste lid, vallen dergelijke gegevens verstrekken over de jaren 2020 tot en met 2022, maar dat de Partijen die onder de werking van artikel 5, eerste lid, vallen waarop artikel 5, lid 8 quater, letters d en f, van toepassing is, dergelijke gegevens verstrekken over de jaren 2024 tot en met 2026;
dan wel de best mogelijke schattingen, wanneer er geen exacte gegevens beschikbaar zijn, zulks uiterlijk drie maanden na de datum waarop de bepalingen van het Protocol betreffende de in de Bijlagen B, C, E en F genoemde stoffen voor die Partij in werking treden.
Elke Partij verstrekt het secretariaat statistische gegevens over haar jaarlijkse produktie (zoals omschreven in artikel 1, vijfde lid) van elk van de in de Bijlagen A, B, C, E en F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen en, afzonderlijk, voor elke stof,
- -. hoeveelheden gebruikt als grondstoffen,
- -. hoeveelheden die zijn vernietigd met behulp van door de Partijen goedgekeurde technologieën,
- -. invoer uit en uitvoer naar Partijen, respectievelijk Staten die geen Partij zijn,
over het jaar waarin de bepalingen betreffende de in de Bijlagen A, B, C, E en F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor die Partij in werking zijn getreden en over elk jaar daarna. Elke Partij verstrekt het Secretariaat statistische gegevens betreffende de jaarlijkse hoeveelheid van de in Bijlage E vermelde en aan uitworpbeheersing onderworpen stof die voor quarantainedoeleinden of voor toepassingen voorafgaand aan het vervoer, gebruikt worden. De gegevens dienen uiterlijk negen maanden na het einde van het jaar waarop zij betrekking hebben te worden verstrekt.
3bis. Elke Partij verstrekt het secretariaat afzonderlijke statistische gegevens over haar jaarlijkse invoer en uitvoer van de in Groep II van Bijlage A en Groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen die na bewerking zijn hergebruikt.
3 ter. Elke Partij verstrekt het secretariaat statistische gegevens over haar jaarlijkse uitstoot van de in groep II van Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen per inrichting in overeenstemming met artikel 3, eerste lid, letter d, van het Protocol.
Voor de onder de werking van de bepalingen van artikel 2, achtste lid, letter a, vallende Partijen geldt dat aan de vereisten van het eerste, tweede, derde lid en lid drie bis van dit artikel betreffende statistische gegevens over productie, invoer en uitvoer is voldaan indien de desbetreffende organisatie voor regionale economische integratie gegevens verstrekt over productie, invoer en uitvoer tussen de organisatie en staten die geen lid van die organisatie zijn.
Artikel 8. Niet-naleving
Tijdens hun eerste bijeenkomst keuren de Partijen na bestudering de procedures en institutionele regelen goed, die bedoeld zijn om naleving van de bepalingen van dit Protocol vast te stellen en om op te treden tegen Partijen die deze niet naleven.
Artikel 9. Onderzoek, ontwikkeling, bewustmaking en uitwisseling van informatie
De Partijen werken samen, in overeenstemming met hun nationale wetten, voorschriften en praktijken en in het bijzonder rekening houdend met de behoeften van de ontwikkelingslanden, ter bevordering, rechtstreeks of door tussenkomst van de bevoegde internationale organen, van het onderzoek, de ontwikkeling en de uitwisseling van informatie over:
- (a). de beste technologieën om de beheersbaarheid, de terugwinning, het hergebruik na bewerking, of de vernietiging van aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen te verbeteren of om de uitworp daarvan anderszins te verminderen;
- (b). vervangende mogelijkheden voor stoffen die aan uitworpbeheersing onderworpen zijn, voor produkten die deze stoffen bevatten en voor produkten die met deze stoffen vervaardigd zijn, en
- (c). de kosten en baten van op beheersing gericht beleid.
De Partijen werken samen, individueel, gezamenlijk of door tussenkomst van bevoegde internationale organen, ter bevordering van de bewustmaking van het publiek met betrekking tot de gevolgen voor het milieu van de uitworp van aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen en van andere stoffen die de ozonlaag afbreken.
Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol en vervolgens eens in de twee jaar dient elke Partij bij het secretariaat een overzicht in van de activiteiten die zij uit hoofde van dit artikel heeft verricht.
Artikel 10. Financiële regelingen
De Partijen stellen regelingen vast voor financiële en technische samenwerking, met inbegrip van de overdracht van technologieën, ten behoeve van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 van dit Protocol vallende Partijen, om hen in staat te stellen de in de artikelen 2A tot en met 2E, artikel 2I en artikel 2J van het Protocol vervatte beheersingsmaatregelen, en in de artikelen 2F tot en met 2H vervatte beheersingsmaatregelen waartoe wordt besloten ingevolge artikel 5, lid een bis uit te voeren. Bijdragen in het kader van deze regelingen treden niet in de plaats van andere vormen van financiële steun aan de onder de werking van dat lid vallende Partijen. De regelingen dienen alle overeengekomen meerkosten te dekken die die Partijen maken ten einde hen in staat te stellen de beheersingsmaatregelen van het Protocol uit te voeren. De vergadering van de Partijen stelt een lijst van de categorieën van meerkosten samen die als richtsnoer zal dienen. Wanneer een Partij die onder de werking van artikel 5, eerste lid, valt ervoor kiest gebruik te maken van financiering vanuit enige andere financiële regeling waardoor een deel van de overeengekomen meerkosten zou kunnen worden gedekt, wordt dat deel niet gedekt door de financiële regeling van artikel 10 van dit Protocol
De krachtens het eerste lid vastgestelde regelingen omvatten onder andere de instelling van een Multilateraal Fonds. Zij kunnen tevens andere vormen van multilaterale, regionale en bilaterale samenwerking omvatten.
Het Multilaterale Fonds:
- a. dekt, door schenkingen of zachte leningen, naar gelang de situatie, en overeenkomstig door de Partijen vast te stellen criteria, de overeengekomen meerkosten;
- b. financiert bemiddeling tussen vraag en aanbod (clearing house activities) om:
- i. de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen, door middel van specifieke landenstudies en andere vormen van technische samenwerking, te helpen vast te stellen op welke gebieden zij behoefte hebben aan samenwerking;
- ii. technische samenwerking te vergemakkelijken om aan deze behoeften te voldoen;
- iii. overeenkomstig artikel 9 gegevens en materiaal te verspreiden, en workshops, cursussen en andere soortgelijke activiteiten te organiseren, ten behoeve van Partijen die ontwikkelingslanden zijn; en
- iv. andere vormen van multilaterale, regionale en bilaterale samenwerking die beschikbaar zijn voor Partijen die ontwikkelingslanden zijn, te vergemakkelijken en op die samenwerking toe te zien;
- c. financiert de secretariële diensten van het Multilaterale Fonds en de kosten van daarmee verband houdende ondersteunende activiteiten.
Het Multilaterale Fonds valt onder het gezag van de Partijen, die ter zake het algehele beleid bepalen.
De Partijen stellen een Uitvoerend Comité in voor het ontwikkelen en het toezien op de uitvoering van specifieke beleidsplannen, richtlijnen en bestuurlijke regelingen, met inbegrip van de besteding van middelen, ten einde de doeleinden van het Multilaterale Fonds te verwezenlijken. Het Uitvoerend Comité zal zich van zijn taken en verantwoordelijkheden, zoals vervat in zijn door de Partijen overeengekomen mandaat, kwijten met medewerking en ondersteuning van de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling (Wereldbank), het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties of andere organisaties, afhankelijk van de terreinen waarop zij deskundig zijn. De leden van het Uitvoerend Comité, dat dient te zijn samengesteld op basis van een evenwichtige vertegenwoordiging van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen enerzijds en de Partijen die daar niet onder vallen anderzijds, dienen door de Partijen te worden benoemd.
Het Multilaterale Fonds wordt gefinancierd door bijdragen van niet onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen in inwisselbare valuta, of onder bepaalde omstandigheden, in natura en/of in hun nationale valuta, op basis van de contributieschaal van de Verenigde Naties. Andere Partijen worden aangemoedigd bijdragen te leveren. Bilaterale en, in bepaalde gevallen overeengekomen in een beslissing van de Partijen, regionale samenwerking kunnen, tot een bepaald percentage van de Partijen vast te stellen criteria, worden beschouwd als een bijdrage aan het Multilaterale Fonds, op voorwaarde dat die samenwerking ten minste:
- a. strikt verband houdt met naleving van de bepalingen van het Protocol;
- b. voorziet in extra middelen;
- c. overeengekomen meerkosten dekt.
De Partijen beslissen over het programmabudget van het Multilaterale Fonds voor ieder belastingtijdvak en over het percentage van bijdragen van iedere Partij aan dat budget.
Besteding van middelen die ter beschikking staan van het Multilaterale Fonds, behoeft de instemming van de begunstigde Partij.
Beslissingen van de Partijen krachtens dit artikel worden, wanneer mogelijk, met consensus genomen. Indien alle pogingen om consensus te bereiken vruchteloos zijn gebleken en er geen overeenstemming is bereikt, worden beslissingen genomen met een meerderheid van tweederde van de stemmen van de Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen, die een meerderheid vertegenwoordigen van de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen en van de niet daaronder vallende Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen.
De in dit artikel bedoelde financiële regelingen laten regelingen die in de toekomst ten aanzien van andere milieuvraagstukken worden ontwikkeld, onverlet.
Artikel 10A. Overdracht van technologie
Elke Partij neemt alle mogelijke stappen, in overeenstemming met de krachtens de financiële regelingen gesteunde programma's, om te verzekeren:
- a. dat de best beschikbare, en voor het milieu veilige vervangende stoffen die voorhanden zijn en de daarmee verband houdende technologieën met spoed worden overgedragen aan de onder de werking van het eerste lid van artikel 5 vallende Partijen; en
- b. dat de onder letter a bedoelde overdrachten geschieden onder billijke en zo gunstig mogelijke voorwaarden.
Artikel 11. Vergaderingen van de Partijen
De Partijen komen met regelmatige tussenpozen bijeen. Het secretariaat belegt de eerste vergadering van de Partijen uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, tegelijk met een vergadering van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag, indien laatstgenoemde vergadering binnen dit tijdvak is voorzien.
Tenzij de Partijen anders besluiten, worden latere gewone vergaderingen van de Partijen tegelijk met vergaderingen van de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag gehouden. Buitengewone vergaderingen van de Partijen worden telkens gehouden wanneer de vergadering van de Partijen zulks noodzakelijk acht, of op schriftelijk verzoek van een Partij, mits een zodanig verzoek binnen zes maanden nadat het door het secretariaat aan de Partijen is medegedeeld, wordt gesteund door ten minste een derde van de Partijen.
Tijdens de eerste vergadering:
- (a). nemen de Partijen door middel van consensus het huishoudelijk reglement voor hun vergaderingen aan;
- (b). nemen de Partijen door middel van consensus de in artikel 13, tweede lid, bedoelde financiële regelen aan;
- (c). stellen de Partijen de in artikel 6 bedoelde groepen in en stellen zij hun mandaat vast;
- (d). bestuderen de Partijen en hechten zij hun goedkeuring aan de in artikel 8 genoemde procedures en institutionele regelen; en
- (e). maken de Partijen een aanvang met de opstelling van de werkplannen overeenkomstig artikel 10, derde lid.
De vergaderingen van de Partijen dienen om:
- (a). de tenuitvoerlegging van dit Protocol te bezien;
- (b). te beslissen over de in artikel 2, negende lid, bedoelde aanpassingen of beperkingen;
- (c). te beslissen of er stoffen moeten worden toegevoegd aan, ingevoegd in of verwijderd uit de Bijlagen, alsmede over daarmee verband houdende beperkende maatregelen in overeenstemming met artikel 2, tiende lid;
- (d). zo nodig, richtlijnen of procedures vast te stellen betreffende de rapportage van informatie zoals bedoeld in artikel 7 en artikel 9, derde lid;
- (e). overeenkomstig artikel 10, tweede lid, ingediende verzoeken om technische bijstand te beoordelen;
- (f). uit hoofde van artikel 12, letter (c), door het secretariaat opgestelde rapporten te beoordelen;
- (g). overeenkomstig artikel 6 de beheersingsmaatregelen te evalueren;
- (h). eventuele voorstellen tot wijziging van dit Protocol of Bijlagen daarbij, dan wel voorstellen voor nieuwe Bijlagen te bestuderen en aan te nemen;
- (i). de begroting voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol te bestuderen en aan te nemen; en
- (j). verdere stappen te overwegen en te ondernemen die noodzakek zijn ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit Protocol.
De Verenigde Naties, haar gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA), alsmede elke Staat die geen Partij is bij dit Protocol, kunnen door waarnemers worden vertegenwoordigd op de vergaderingen van de Partijen. Alle organen of instellingen, hetzij nationaal of internationaal, gouvernementeel of niet-gouvernementeel welke bevoegd zijn op gebieden die betrekking hebben op de bescherming van de ozonlaag, die het secretariaat hebben medegedeeld dat zij op vergaderingen van de Partijen wensen te worden vertegenwoordigd, kunnen worden toegelaten, tenzij ten minste een derde deel van de aanwezige Partijen daartegen bezwaar maakt. De toelating en deelneming van waarnemers zijn onderworpen aan het huishoudelijk reglement dat door de Partijen is aanvaard.
Artikel 12. Het secretariaat
Voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol dient het secretariaat:
- (a). de in artikel 11 bedoelde bijeenkomsten van de Partijen te beleggen en daaraan diensten te verlenen;
- (b). de uit hoofde van artikel 7 verstrekte gegevens in ontvangst te nemen en op verzoek van een Partij ter beschikking te stellen;
- (c). aan de hand van de uit hoofde van de artikelen 7 en 9 versterkte gegevens rapporten op te stellen en regelmatig onder de Partijen te verspreiden;
- (d). de Partijen in kennis te stellen van uit hoofde van artikel 10 ingediende verzoeken om technische bijstand, teneinde de verstrekking van zodanige bijstand te vergemakkelijken;
- (e). landen die geen Partij zijn aan te moedigen de bijeenkomsten van de Partijen bij te wonen als waarnemer en te handelen in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol;
- (f). waar dienstig, de in letters (c) en (d) bedoelde gegevens en verzoeken mede te delen aan waarnemers van landen die geen Partij zijn; en
- (g). ter verwezenlijking van de doelstellingen van dit Protocol alle andere taken te verrichten waarmee het door de Partijen wordt belast.
Artikel 13. Financiën
De voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol benodigde gelden, met inbegrip van de middelen voor het functioneren van het secretariaat, die met dit Protocol verband houden, worden uitsluitend verkregen uit de bijdragen van de Partijen.
De Partijen nemen tijdens hun eerste vergadering door middel van consensus de financiële regelen voor de tenuitvoerlegging van dit Protocol aan.
Artikel 14. Verhouding van dit Protocol tot het Verdrag
Tenzij anders bepaald in dit Protocol, zijn alle bepalingen van het Verdrag die betrekking hebben op protocollen daarbij, op dit Protocol van toepassing.
Artikel 15. Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening door Staten en organisaties voor regionale economische integratie te Montreal op 16 september 1987, te Ottawa van 17 september 1987 tot 16 januari 1988 en op het Hoofdkantoor van de Verenigde Naties te New York van 17 januari tot 15 september 1988.
Artikel 16. Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking op 1 januari 1989, mits ten minste elf akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van het Protocol of van toetreding daartoe zijn nedergelegd door Staten of organisaties voor regionale economische integratie die ten minste tweederde van het geschatte mondiale gebruik over 1986 van aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen vertegenwoordigen, en is voldaan aan de bepalingen van artikel 17, eerste lid, van het Verdrag. Ingeval op genoemde datum niet aan deze voorwaarden is voldaan, treedt het Protocol in werking op de negentigste dag na de datum waarop aan de voorwaarden is voldaan.
Voor de toepassing van het eerste lid, wordt een akte die door een organisatie voor regionale economische integratie wordt nedergelegd, niet geteld bij die welke door de lidstaten van die organisatie zijn nedergelegd.
Na de inwerkingtreding van dit Protocol wordt een Staat of een organisatie voor regionale economische integratie Partij op de negentigste dag na de datum van nederlegging van zijn onderscheidenlijk haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.
Artikel 17. Partijen die toetreden na de inwerkingtreding
Elke Partij of organisatie voor regionale economische integratie die Partij wordt bij dit Protocol na de datum van inwerkingtreding daarvan dient, onverminderd de bepalingen van artikel 5, onmiddellijk te voldoen aan alle in artikel 2 alsmede de artikelen 2A tot en met 2J en in artikel 4 genoemde verplichtingen die op die datum van toepassing zijn op de Staten en de organisaties voor regionale economische integratie die Partij werden op de datum waarop dit Protocol in werking is getreden.
Artikel 18. Voorbehoud
Er mogen geen voorbehouden worden gemaakt ten aanzien van dit Protocol.
Artikel 19. Opzegging
Een Partij kan dit Protocol opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Depositaris op elk tijdstip na het verstrijken van vier jaar na het aangaan van de in het eerste lid van artikel 2A genoemde verplichtingen. Een zodanige opzegging wordt van kracht na het verstrijken van een jaar na de datum waarop zij door de Depositaris wordt ontvangen, of op een later tijdstip zoals aangegeven in de kennisgeving van opzegging.
Artikel 20. Authentieke teksten
Het origineel van dit Protocol, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
1
Luchtbehandelingsapparatuur voor auto's en vrachtauto's (al dan niet in de voertuigen ingebouwd)
2
Uitrusting voor huishoudelijke en commerciële koeling en luchtbehandeling/warmtepompen***Wanneer zij aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bedoeld in Bijlage A bevatten als koelmiddel en/of in het isolerende materiaal van het produkt.
bijv. koelkasten
diepvriezers
ontvochtigingsapparaten
waterkoelers
ijsmachines
luchtbehandelingsapparatuur en warmtepompen
3
Spuitbussen, behalve voor medische doeleinden
4
Draagbare brandblusapparaten
5
Isolatieplaten, panelen en leidingbekledingen
6
Pre-polymeren
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized to that effect, have signed this Protocol.
DONE at Montreal this sixteenth day of September, one thousand nine hundred and eighty seven.
Artikel 2J. : Fluorkoolwaterstoffen
Elke Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2019 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekend gebruik van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het desbetreffende onder a tot en met e vermelde tijdvak vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekend gebruik van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 15 procent van haar berekend gebruik van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, eerste lid, uitgedrukt in CO2-equivalenten:
- a. 2019 tot en met 2023: 90 procent
- b. 2024 tot en met 2028: 60 procent
- c. 2029 tot en met 2033: 30 procent
- d. 2034 tot en met 2035: 20 procent
- e. 2036 en daarna: 15 procent.
Niettegenstaande het eerste lid van dit artikel kunnen de Partijen besluiten dat een Partij verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekend gebruik van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het desbetreffende onder a tot en met e vermelde tijdvak vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekend gebruik van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 25 procent van haar berekend gebruik van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, eerste lid, uitgedrukt in CO2-equivalenten:
- a. 2020 tot en met 2024: 95 procent
- b. 2025 tot en met 2028: 65 procent
- c. 2029 tot en met 2033: 30 procent
- d. 2034 tot en met 2035: 20 procent
- e. 2036 en daarna: 15 procent.
Elke Partij die de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen produceert, verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2019 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het desbetreffende onder a tot en met e vermelde tijdvak vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekende productie van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 15-procent van haar berekende productie van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, tweede lid, uitgedrukt in CO2-equivalenten:
- a. 2019 tot en met 2023: 90 procent
- b. 2024 tot en met 2028: 60 procent
- c. 2029 tot en met 2033: 30 procent
- d. 2034 tot en met 2035: 20 procent
- e. 2036 en daarna: 15 procent.
Niettegenstaande het derde lid van dit artikel kunnen de Partijen besluiten dat een Partij die de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen produceert verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar berekende productie van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, uitgedrukt in CO2-equivalenten, niet meer bedraagt dan het voor het desbetreffende onder a tot en met e vermelde tijdvak vastgestelde percentage van het jaarlijks gemiddelde van haar berekende productie van de in Bijlage F genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen voor de jaren 2011, 2012 en 2013, vermeerderd met 25 procent van haar berekende productie van de in groep I van Bijlage C genoemde aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen, als vastgesteld in artikel 2F, tweede lid, uitgedrukt in CO2-equivalenten:
- a. 2020 tot en met 2024: 95 procent
- b. 2025 tot en met 2028: 65 procent
- c. 2029 tot en met 2033: 30 procent
- d. 2034 tot en met 2035: 20 procent
- e. 2036 en daarna: 15 procent.
Het eerste tot en met vierde lid van dit artikel zijn van toepassing tenzij de Partijen besluiten het productie- of -gebruiksniveau toe te staan dat nodig is om te voorzien in behoeften voor vormen van gebruik waarvan Partijen zijn overeengekomen dat die vormen van gebruik uitgezonderd zijn.
Elke Partij die de in groep I van Bijlage C of in Bijlage F genoemde stoffen vervaardigt, verzekert dat gedurende het tijdvak van twaalf maanden dat begint op 1 januari 2020 en in elk tijdvak van twaalf maanden daarna, haar uitstoot van de in groep II van Bijlage F genoemde stoffen, die wordt gegenereerd in elke inrichting voor de vervaardiging van de in groep I van Bijlage C of in Bijlage F genoemde stoffen, gedurende hetzelfde tijdvak van twaalf maanden voor zover uitvoerbaar wordt vernietigd met behulp van door de Partijen goedgekeurde technologieën.
Elke Partij verzekert dat de vernietiging van in groep II van Bijlage F genoemde stoffen, die worden gegenereerd in inrichtingen voor de productie van groep I van Bijlage C of in Bijlage F genoemde stoffen, uitsluitend met behulp van door de Partijen goedgekeurde technologieën geschiedt.
1
Luchtbehandelingsapparatuur voor auto's en vrachtauto's (al dan niet in de voertuigen ingebouwd)
2
Uitrusting voor huishoudelijke en commerciële koeling en luchtbehandeling/warmtepompen***Wanneer zij aan uitworpbeheersing onderworpen stoffen als bedoeld in Bijlage A bevatten als koelmiddel en/of in het isolerende materiaal van het produkt.
bijv. koelkasten
diepvriezers
ontvochtigingsapparaten
waterkoelers
ijsmachines
luchtbehandelingsapparatuur en warmtepompen
3
Spuitbussen, behalve voor medische doeleinden
4
Draagbare brandblusapparaten
5
Isolatieplaten, panelen en leidingbekledingen
6
Pre-polymeren
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized to that effect, have signed this Protocol.
DONE at Montreal this sixteenth day of September, one thousand nine hundred and eighty seven.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)