← Geldende tekst · Geschiedenis

Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland inzake een scheepvaartreglement voor de Eemsmonding

Geldende tekst a fecha 2002-12-11

De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden

en

de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,

Geleid door de wens de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer in de Eemsmonding te bevorderen;

Gelet op het op 8 april 1960 te 's-Gravenhage totstandgekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot regeling van de samenwerking in de Eemsmonding, met Bijlagen en Slotprotocol (Eems-Dollardverdrag);

Zijn ter uitvoering van artikel 34, eerste lid, van dit Verdrag het volgende overeengekomen:

Artikel 1

In de Eemsmonding, zoals nader aangeduid in paragraaf 1 van Bijlage B bij het Eems-Dollardverdrag, gelden in afwijking van en als aanvulling op de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee de in Bijlage A vervatte verkeersvoorschriften („Scheepvaartreglement Eemsmonding”).

Artikel 2

(1). Voor het vervoer van vloeibare petroleumgassen (LPG) in de Eemsmonding naar Emden gelden, als aanvulling op de in artikel 1 genoemde verkeersvoorschriften, de in Bijlage B bedoelde regelingen.

(2). Overeenkomstige veiligheidseisen voor het vervoer van LPG worden voortaan volgens het bepaalde in artikel 4 van deze Overeenkomst geregeld, voor zover geen overeenkomstige veiligheidsbepalingen in de binnenlandse veiligheidsvoorschriften zijn opgenomen. Voor zover de Overeenkomstsluitende Partijen het opstellen van plaatselijke regelingen aan de plaatselijke autoriteiten hebben overgelaten, kunnen de plaatselijke autoriteiten overeenkomstig het bepaalde in artikel 5, eerste lid, de in Bijlage B opgenomen verkeersvoorschriften wijzigen en aanvullen.

(3). Op het overige gastankerverkeer is het bepaalde in de eerste zin van het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3

(1). De Overeenkomstsluitende Partijen verwerken de inhoud van deze Overeenkomst in het nationale recht en nemen daarbij een algemene clausule inzake het verkeersgedrag op volgens welke de deelnemers aan dit verkeer zich zodanig dienen te gedragen, dat de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer zijn gewaarborgd, en de voorzorgmaatregelen in acht dienen te nemen die volgens het gewone zeemansgebruik geboden zijn. Het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partijen kan bepalen dat bij onmiddellijk dreigend gevaar kan worden afgeweken van het gemeenschappelijke verkeersrecht, indien dit op grond van bijzondere omstandigheden noodzakelijk wordt.

(2). In het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partijen dient een voorschrift te worden opgenomen volgens hetwelk de krachtens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van het Eems-Dollardverdrag bevoegde Nederlandse autoriteiten in bijzondere gevallen vrijstelling kunnen verlenen van de naleving van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee en van de bepalingen van het gemeenschappelijke verkeersrecht.

(3). In het nationale recht van de Overeenkomstsluitende Partijen dient een voorschrift te worden opgenomen volgens hetwelk de gezagvoerder of iedere andere persoon die voor de veiligheid verantwoordelijk is, het gemeenschappelijke verkeersrecht in acht dient te nemen.

Artikel 4

(1). Indien een Overeenkomstsluitende Partij een wijziging van deze Overeenkomst noodzakelijk acht, deelt zij dit de andere Overeenkomstsluitende Partij mee. De daartoe vereiste onderhandelingen vinden plaats binnen een commissie, waarin drie vertegenwoordigers van elke Overeenkomstsluitende Partij zitting hebben.

(2). De Overeenkomstsluitende Partijen verplichten zich ertoe, de resultaten van deze onderhandelingen - voor zover nodig - met inachtneming van de binnenlandse wetgeving in het nationale recht te verwerken, tenzij een Overeenkomstsluitende Partij binnen een termijn van zes maanden bezwaren indient tegen deze door de commissie overeengekomen resultaten.

(3). De overeenkomstsluitende Partijen werken ook ten aanzien van de in deze Overeenkomst niet uitdrukkelijk geregelde kwesties die zich in de Eemsmonding met betrekking tot de verkeersvoorschriften voordoen, in een geest van goede nabuurschap samen.

Artikel 5

(1). De uitvaardiging van de ingevolge het Scheepvaartreglement Eemsmonding voorziene plaatselijke regelingen kan door de Overeenkomstsluitende Partijen aan de plaatselijke autoriteiten worden overgelaten. Met name betreft het daarbij de vaststelling van

Deze plaatselijke regelingen kunnen slechts met wederzijds goedvinden van de plaatselijke autoriteiten worden getroffen.

(2). De Overeenkomstsluitende Partijen delen elkaar mede wie de plaatselijk bevoegde autoriteiten zijn.

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7

Deze Overeenkomst treedt in werking na één maand, volgend op de dag waarop beide Overeenkomstsluitende Partijen elkaar door middel van een diplomatieke nota hebben meegedeeld dat aan de vereiste binnenlandse voorwaarden voor de inwerkingtreding is voldaan.

Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

(1). Op dit Scheepvaartreglement zijn de begripsbepalingen van de voorschriften 3, 21 en 32 van de Internationale Bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, van toepassing; overigens wordt in dit Scheepvaartreglement verstaan onder:

(2). In de zin van dit Scheepvaartreglement wordt verstaan onder:

Artikel 2. Verkeerstekens

(1). Verkeerstekens, zoals bedoeld in dit Scheepvaartreglement, zijn optische en akoestische tekens die geboden, verboden, waarschuwingen of aanwijzingen inhouden. De in het toepassingsgebied van dit Scheepvaartreglement gebruikte verkeerstekens die geboden en verboden inhouden, zijn samengevat in Aanhangsel 1 van dit Scheepvaartreglement.

(2). De door de gebods- en verbodstekens gegeven voorschriften dienen te worden opgevolgd.

(3). Het beschadigen van de verkeerstekens of het afbreuk doen aan de herkenbaarheid daarvan is verboden.

Artikel 3. Optische tekens en geluidsseinen

(1). Voorzover in de volgende voorschriften geen bijzondere bepalingen ter zake zijn opgenomen, dienen de schepen uitsluitend in overeenstemming met het bepaalde in Aanhangsel 1 voor de daar voorziene doeleinden optische tekens en geluidsseinen te voeren, te tonen of te geven. Er mogen geen optische tekens worden gevoerd of getoond, alsmede geen geluidsseinen worden gegeven, die met de voorgeschreven of toegestane optische tekens of geluidsseinen kunnen worden verward.

(2). Met betrekking tot de middelen voor het geven van de krachtens dit Reglement voorgeschreven geluidsseinen zijn de Voorschriften 33 en 38, letter g, van de Internationale Bepalingen van toepassing. De werking en de betrouwbaarheid van deze geluidsinstallaties moeten te allen tijde gewaarborgd zijn. Indien de werking of de betrouwbaarheid op duidelijk herkenbare wijze wordt beïnvloed, dienen de gezagvoerder, de eigenaar en de bezitter onverwijld te zorgen voor een doelmatig herstel.

(3). Zoeklichten en andere dan de voorgeschreven lichten mogen slechts zodanig worden gebruikt, dat zij niet verblinden en daardoor de scheepvaart in gevaar kunnen brengen of hinderen.

Optische tekens van schepen

Artikel 4. Algemeen

(1). Met betrekking tot de krachtens dit Scheepvaartreglement voorgeschreven optische tekens zijn de Voorschriften 20 en 38, letters c tot en met f en h, van de Internationale Bepalingen van toepassing. Optische tekens die krachtens dit Scheepvaartreglement en krachtens de Internationale Bepalingen door vaartuigen moeten worden gevoerd, dienen permanent te worden meegevoerd en gedurende de tijd dat zij dienen te worden gevoerd, vast te worden aangebracht. Zij dienen te worden gevoerd daar waar zij het best zichtbaar zijn. In afwijking van het bepaalde in de eerste volzin is het bepaalde in Aanhangsel I, No. 5, eerste volzin, van de Internationale Bepalingen niet van toepassing met betrekking tot de afscherming van de boordlichten van binnenschepen, indien navigatielantaarns worden gebruikt die met betrekking tot de horizontale en verticale lichtverdeling ook zonder afscherming voldoen aan de voorschriften in Aanhangsel I, No. 9 en 10, van de Internationale Bepalingen of aan de voorschriften, genoemd in artikel 5, derde lid. Bij gebruik van boordlichten met afscherming is het bepaalde in Aanhangsel I, No. 5, eerste en tweede volzin, van de Internationale Bepalingen niet van toepassing op binnenschepen met betrekking tot de dofzwarte kleur.

(2). De minimale zichtbaarheid van alle in dit Scheepvaartreglement voorgeschreven lichten moet 2 zeemijlen bedragen.

(3). De krachtens dit Scheepvaartreglement en de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven ballen, kegels, ruiten en cilinders (dagtekens) mogen vervangen worden door inrichtingen die in alle richtingen uit de verte hetzelfde uiterlijk hebben als de voorgeschreven dagtekens.

(4). De krachtens dit Scheepvaartreglement te voeren vlaggen en borden moeten, voor zover niet anders is bepaald, rechthoekig en ten minste 1 meter hoog en 1 meter breed zijn. De kleuren mogen niet verbleekt of vervuild zijn. In plaats van de in dit Scheepvaartreglement voorgeschreven vlaggen mogen ook borden van gelijke grootte, vorm en kleur worden gevoerd. Op schepen met een lengte van minder dan 20 meter mogen vlaggen en borden van kleinere afmeting worden gebruikt die passen bij de afmetingen van het schip.

Artikel 5. Optische tekens van schepen

(1). In afwijking van het bepaalde in No. 2, letter a, cijfer i, van Aanhangsel I van de Internationale Bepalingen behoeft het toplicht ook dan slechts op een minimale hoogte van 6 meter boven de romp te worden gevoerd, indien het schip breder dan 6 meter is.

(2). In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 23, letter a, cijfer ii, van de Internationale Bepalingen behoeven binnenschepen met een lengte van meer dan 50 meter, doch van niet meer dan 110 meter binnen de vaargebieden tussen de binnenwaartse grens van het gebied waarop de Overeenkomst betrekking heeft, bij Eems-km 35,785, en het einde van de Geisedam bij Eems-km 48,4 geen tweede toplicht te voeren.

(3). Op binnenschepen mogen betrekking tot het voeren van lichten krachtens dit Reglement en krachtens de Internationale Bepalingen ook navigatielantaarns worden gebruikt die door de bevoegde autoriteiten als heldere lichten, bij gebruik als toplichten als krachtige lichten, krachtens de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart vastgestelde voorschriften zijn toegelaten.

(4). Binnenschepen behoeven in afwijking van het bepaalde in Aanhangsel I, No. 2, letter a, van de Internationale Bepalingen het voorste toplicht of eventueel het enige toplicht slechts op een hoogte van ten minste 5 meter boven de romp, en het achterste toplicht slechts ten minste 3 meter hoger dan het voorste licht te voeren.

Artikel 6. Optische tekens van kleine schepen

(1). In afwijking van het bepaalde in Voorschrift 25, letter d, van de Internationale Bepalingen dienen zeilboten met een lengte van minder dan 12 meter, alsmede roeiboten, indien zij de krachtens Voorschrift 25, letter a of b, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen voeren, ten minste een wit rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in No. 1 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 te voeren.

(2). Schepen, zoals bedoeld in het eerste lid, waarop de hierna voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, alsmede motorschepen met een lengte van minder dan 7 meter waarop de krachtens Voorschrift 23, letters a en c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven lichten niet kunnen worden gevoerd, mogen in de tijd dat het voeren van de lichten is voorgeschreven, niet varen, tenzij zich een noodsituatie voordoet. In dat geval dient permanent een elektrische lamp of een lantaarn die een wit licht geeft, gereed voor het gebruik te worden meegevoerd en tijdig te worden getoond om een aanvaring te voorkomen.

(3). De bevoegde autoriteit kan wateroppervlakken als anker- en ligplaatsen vaststellen waarop schepen met een lengte van minder dan 12 meter de krachtens Voorschrift 30, letter a, b of c, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens niet behoeven te voeren; het bepaalde in Voorschrift 30, letter e, van de Internationale Bepalingen blijft onverminderd van kracht.

Artikel 7. Motorschepen die met behulp van een sleepboot worden voortbewogen

Een manoeuvreerbaar motorschip dat varende is en voorzien is van een gereed voor het gebruik zijnde motor en dat wordt bijgestaan door één of meer sleepboten (assisteren), dient de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens van een alleenvarend motorschip te voeren.

Artikel 8. Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren

(1). Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, dienen, behalve de krachtens de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens, des nachts een rood rondom schijnend licht overeenkomstig het bepaalde in No. 2 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 en overdrag seinvlag „B” uit het Internationale Seinboek te voeren. Deze optische tekens dienen ook te worden gevoerd, indien de schepen ten anker gaan of gemeerd hebben. Het bepaalde in de eerste en de tweede volzin is niet van toepassing op oorlogsschepen.

(2). Het bepaalde in het eerste lid is ook van toepassing op tankschepen die na het lossen van bepaalde gevaarlijke goederen nog niet zijn gereinigd en ontgast, tenzij deze volledig geïnertiseerd zijn.

Artikel 9. Beperkt manoeuvreerbare schepen die in het vaarwater bezig zijn met baggeren of met werkzaamheden onder water

(1). Een beperkt manoeuvreerbaar schip dat in het vaarwater bezig is met baggeren of met werkzaamheden onder water en de in Voorschrift 27, letter d, van de Internationale Bepalingen voorgeschreven optische tekens dient te voeren moet de optische tekens overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 27, letter d, cijfer ii, aan beide zijden voeren, indien aan geen van beide zijden een belemmering aanwezig is.

(2). Drijvende onderdelen waarvan door schepen die bezig zijn met baggeren of met werkzaamheden onder water, bij hun werkzaamheden gebruik wordt gemaakt, dienen des nachts een wit rondom schijnend licht en overdag een vierkant rood bord overeenkomstig het bepaalde in No. 3 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 te voeren.

Artikel 10. Schepen, drijvende inrichtingen, alsmede moeilijk te onderscheiden schepen en voorwerpen die zijn gemeerd

(1). Schepen, drijvende inrichtingen, alsmede schepen en voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, die gemeerd zijn, dienen, tenzij zij door andere lichtbronnen voldoende en permanent te onderscheiden zijn, de volgende lichten te voeren:

(2). Schepen die aan een meerboei overeenkomstig het bepaalde in E.7 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 liggen, dienen het optische teken van ten anker liggende schepen krachtens het bepaalde in Voorschrift 30 van de Internationale Bepalingen te voeren.

Artikel 11. Schepen van de openbare dienst

(1). Schepen van de openbare dienst dienen een ononderbroken, blauw flikkerlicht overeenkomstig het bepaalde in No. 1 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1 te tonen, indien bij de uitvoering van politiële taken de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer in gevaar kan worden gebracht.

(2). Douaneschepen van de Bondsrepubliek Duitsland voeren des nachts drie groene rondom schijnende lichten boven elkaar en overdag een vierkante groene vlag op een willekeurige plaats overeenkomstig het bepaalde in No. 6.1 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1. Douaneschepen van het Koninkrijk der Nederlanden voeren overdag een blauwe vlag met het opschrift „DOUANE” overeenkomstig het bepaalde in No. 6.1 van Hoofdstuk II van Aanhangsel 1.

Geluidsseinen van schepen

Artikel 12. Aandachtsseinen

In alle gevallen waarin de verkeerssituatie dit vereist, in het bijzonder bij het invaren van andere vaarwaters en havens, bij het uitvaren van havens en sluizen en bij het verlaten van lig- en ankerplaatsen, dient een lange stoot te worden gegeven als aandachtssein.

Artikel 13. Gevaars- en waarschuwingsseinen

(1). Indien een schip een ander schip in gevaar brengt of door dit schip zelf in gevaar wordt gebracht, dient het tijdig tweemaal na elkaar een lange stoot en vier korte stoten als gevaars- en waarschuwingssein te geven.

(2). Indien bij ongevallen van schepen bepaalde gevaarlijke goederen of radioactieve stoffen vrijkomen of dreigen vrij te komen, of indien er gevaar voor een ontploffing bestaat, moet als „blijf weg”-sein een korte en een lange stoot worden gegeven. Dit sein moet na inschakeling automatisch blijven functioneren. Het sein moet elke minuut ten minste vijfmaal achter elkaar steeds met tussenpozen van twee seconden worden gegeven. Het „blijf weg”-sein dient zolang te worden herhaald als de verkeerssituatie dit vereist. In de nabijheid van lig- en overslagplaatsen, zoals bedoeld in artikel 25, eerste lid, en artikel 26, eerste lid, dient in het geval van het bepaalde in de eerste volzin het „blijf weg”-sein ook door de voor de uitvoering van de werkzaamheden in de overslaginstallatie verantwoordelijke persoon te worden gegeven.

Vaarvoorschriften

Artikel 14. Beginselen
1.

De vaarvoorschriften van dit hoofdstuk zijn van toepassing onafhankelijk van het zicht. In afwijking van de Voorschriften 11 en 19 van de Internationale Bepalingen zijn Voorschrift 13, letters a en c, en Voorschrift 14, letters a en c, van de Internationale Bepalingen in het vaarwater ook dan van toepassing wanneer de schepen elkaar op de radar kunnen waarnemen.

2.

Bij het ontmoeten van, voorbijlopen van en voorbijvaren aan schepen en installaties dient een veilige passeerafstand overeenkomstig Voorschrift 8, letter d, van de Internationale Bepalingen, te worden aangehouden.

3.

In het vaarwater dienen de boegankers voor onmiddellijk gebruik gereed te zijn. Dit geldt niet voor schepen met een lengte kleiner dan 20 meter.

Artikel 14a. Veiligheidszones

Veiligheidszones mogen niet bevaren worden; dit geldt niet voor schepen die voor de verzorging van installaties of inrichtingen zijn ingezet.

Artikel 15. Verplichting om aan de rechterzijde te varen; uitzonderingen

(1). In het vaarwater dient zoveel mogelijk aan de rechterzijde te worden gevaren.

(2). Binnen de vaarwatergedeelten die door de bevoegde autoriteiten zijn vastgesteld, mag door alle of door bepaalde categorieën schepen aan de linkerzijde worden gevaren. De bevoegde autoriteit kan bijzondere categorieën schepen vaststellen die de eens gekozen linkerzijde van het vaarwater dienen aan te houden.

(3). Buiten het vaarwater dient op zodanige wijze te worden gevaren, dat duidelijk zichtbaar is dat geen gebruik van het vaarwater wordt gemaakt.

Artikel 16. Oplopen

(1). Vervallen.

(2). In beginsel moet links worden opgelopen. Voor zover de bijzondere situatie het vereist, mag rechts worden opgelopen.

(3). Het oplopende schip moet letten op het achteropkomende verkeer en de vaart zodanig verminderen of een zodanige zijwaartse afstand aanhouden, dat er geen gevaarlijke zuiging kan ontstaan, en zich zo snel mogelijk weer naar rechts invoegen, zonder daarbij het opgelopen schip in gevaar te brengen of te hinderen. Het schip dat opgelopen wordt, moet het oplopen zoveel mogelijk vergemakkelijken.

(4). Kan in een vaarwater alleen met de medewerking van het op te lopen schip veilig worden opgelopen, dan is het oplopen alleen toegestaan als het op te lopen schip met een daartoe strekkend verzoek of daartoe strekkende aankondiging van het oplopende schip ondubbelzinnig heeft ingestemd. Het oplopende schip kan, in afwijking van Voorschrift 9, letter e, cijfer i, van de Internationale Bepalingen zijn voornemen over de marifoon aan het op te lopen schip mededelen, indien

Indien het op te lopen schip instemt, kan het zijn toestemming in afwijking van Voorschrift 34, letter c, cijfer ii, van de Internationale Bepalingen over de marifoon geven en maatregelen nemen om veilig te passeren. Zijn de voorwaarden voor de afspraak over de marifoon niet aanwezig, dan geldt uitsluitend Voorschrift 9, letter e, van de Internationale Bepalingen.

(5). Het is eveneens verboden op te lopen op plaatsen, binnen vaargebieden en tussen bepaalde schepen, die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.

Artikel 17. Ontmoeten van schepen

(1). Vervallen.

(2). Vervallen.

(3). Het ontmoeten is verboden op plaatsen, binnen vaargebieden en tussen bepaalde schepen, die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.

(4). In afwijking van Voorschrift 14 van de Internationale Bepalingen mogen schepen binnen vaarwatergedeelten zoals bedoeld in artikel 15, tweede lid, eerste volzin, voor een tegemoetkomend schip bij uitzondering naar bakboord uitwijken. Het voornemen dient aan het tegemoetkomende schip kenbaar te worden gemaakt. Aan het tegemoetkomende schip kan het schip zijn voornemen door middel van de marifoon mededelen, indien

Zijn de voorwaarden voor de afspraak over de marifoon niet aanwezig, dan dient het voornemen aan het tegemoetkomende schip kenbaar te worden gemaakt door middel van een lange stoot, gevolgd door twee reeksen van twee korte stoten. Het tegemoetkomende schip dient met hetzelfde signaal te antwoorden en het schip aan stuurboordzijde te passeren. De zinnen twee tot en met vijf gelden niet voor schepen met een lengte van minder dan 12 meter.

Artikel 18. Voorrang voor de scheepvaart in het vaarwater

(1). Schepen die in een vaarwater varen, hebben voorrang ten opzichte van schepen die

(2). Schepen die zich in een vaarwater bevinden, hebben voorrang boven schepen die dit vaarwater vanuit een aftakking of een uitmonding invaren.

(3). Indien schepen van beide zijden een engte naderen die niet met zekerheid voldoende ruimte voor een gelijktijdige doorvaart biedt, of een door het verkeersteken A.2 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 gekenmerkte plaats van het vaarwater, heeft in aan getijden onderhevige wateren het stroomafwaarts varende schip voorrang en bij doodtij het schip dat daarvóór tegen de stroom in gevaren heeft. Het tot wachten verplichte schip moet zolang buiten de engte wachten, tot het andere schip gepasseerd is.

(4). Het schip dat voorrang dient te verlenen, moet tijdig door zijn vaargedrag kenbaar maken dat het zal wachten. Het schip mag slechts doorvaren, als kan worden overzien dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.

(5). De bevoegde autoriteiten kan voor bepaalde plaatsen, binnen vaargebieden en tussen bepaalde schepen afwijkende voorrangsregels vaststellen.

(6). Zeilschepen dienen in het vaarwater voor elkaar uitsluitend overeenkomstig de Internationale Bepalingen uit te wijken, wanneer ze daardoor schepen die voorrang hebben niet in gevaar brengen of hinderen.

Artikel 19. Snelheid

(1). Ieder schip, iedere waterscooter en iedere zeilplank dient met inachtneming van Voorschrift 6 van de Internationale Bepalingen met een veilige snelheid te varen. Indien het verkeer door verkeerstekens wordt geregeld, dient de snelheid zodanig te worden aangepast, dat bij een onverwachte wijziging van het optische of het akoestische verkeersteken het schip onmiddellijk tot stilstand kan worden gebracht.

(2). Vóór plaatsen met een duidelijk als zodanig herkenbare badinrichting mag buiten het vaarwater op een afstand van minder dan 500 meter van de bestaande waterlijn van de oever een maximumsnelheid door het water van 8 km (4,3 zeemijlen) per uur niet worden overschreden.

(3). Schepen dienen hun snelheid tijdig zodanig te verminderen als noodzakelijk is om gevaren als gevolg van zuiging of golfslag te vermijden, in het bijzonder bij het voorbijvaren van onmanoeuvreerbare en vastgevaren schepen, alsmede van beperkt manoeuvreerbare schepen, zoals bedoeld in Voorschrift 3, letter g, schepen en voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, en drijvende inrichtingen alsmede van plaatsen die door het verkeersteken A.4 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 of door seinvlag „A” van het Internationale Seinboek zijn gekenmerkt.

Artikel 20. Slepen en duwen

Slepen en duwstellen mogen niet meer gesleepte schepen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen of duwbakken omvatten dan de sleepboten of duwboten, rekening houdend met de verkeerssituatie en de gesteldheid van de vaarweg, veilig kunnen geleiden.

Artikel 21. Vaarbeperkingen en vaarverboden

(1). De Eemsmonding mag door de hieronder vermelde schepen alleen onder de in het tweede lid genoemde voorwaarden bevaren worden:

(2). De voorwaarden voor het bevaren van de Eemsmonding zijn:

Het bepaalde in No. 1 is niet van toepassing op tankschepen met een laadvermogen tot 2000 ton bij een zicht van meer dan 500 meter, indien zij uitsluitend of na de laatste reiniging en ontgassing aardolieprodukten met een vlampunt van 35°C of hoger vervoeren en met een gyrokompas of een goedgekeurd en gecompenseerd magneetkompas zijn uitgerust.

(3). De bevoegde autoriteit kan met betrekking tot schepen, zoals bedoeld in het eerste lid, en met betrekking tot lege tankschepen, met inbegrip van duwstellen en slepen, na het lossen van de in No. 1 van Aanhangsel 2 genoemde stoffen, verdere voorwaarden voor het bevaren van de Eemsmonding, in het bijzonder met betrekking tot het aannemen van sleepboothulp, vaststellen.

(4). De door de bevoegde autoriteit vastgestelde wateroppervlakken mogen door bepaalde schepen of categorieën schepen slechts na voorafgaande melding bij de bevoegde autoriteit met inachtneming van de regelingen voor de verkeersgeleiding worden bevaren.

(5). Het bevaren van wateroppervlakken in bepaalde perioden, bij bepaalde waterstanden of bij weersomstandigheden die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld, is verboden. Deze bepaling is niet van toepassing op categorieën schepen die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.

(6). Door de verkeerscentrale kan met goedvinden van de beide bevoegde autoriteiten in individuele gevallen ontheffing worden verleend van de in het tweede lid genoemde voorwaarden voor het bevaren van de Eemsmonding.

Artikel 21a. Snelle schepen

De bevoegde autoriteit kan voorwaarden stellen voor het bevaren van de Eemsmonding met snelle schepen.

Artikel 22. Waterskiën, varen met waterscooters en plankzeilen

(1). In het vaarwater is waterskiën en het varen met waterscooters verboden, uitgezonderd op de met het verkeersteken C.2 of C.5 van Hoofdstuk I van Aanhangsel 1 aangeduide of door de bevoegde autoriteit vastgestelde wateroppervlakken. Buiten het vaarwater is waterskiën en het varen met waterscooters toegestaan, uitgezonderd op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wateroppervlakken.

(2). Waterskiërs en de hen voorttrekkende boten, alsmede bestuurders van waterscooters dienen voor alle andere schepen uit te wijken. Wanneer er sprake is van tegemoetkomende schepen dienen waterskiërs binnen het kielzog van de hen voorttrekkende boten te blijven.

(3). Het varen met een zeilplank is verboden

(4). Op de vrijgegeven wateroppervlakken mag des nachts, bij beperkt zicht en gedurende de door de bevoegde autoriteit vastgestelde tijden niet worden gewaterskied of met een waterscooter of een zeilplank worden gevaren.

Voorschriften voor stilliggen

Artikel 23. Ankeren

(1). Het is verboden te ankeren in het vaarwater, uitgezonderd op de reden en in de door de bevoegde autoriteit vastgestelde wateroppervlakken. Dit geldt niet voor beperkt manoeuvreerbare schepen zoals bedoeld in Voorschrift 3, letter g, cijfer i en cijfer ii, van de Internationale Bepalingen.

Buiten het vaarwater is het verboden te ankeren in de volgende wateroppervlakken:

(2). Het slepen van het anker is verboden. In het gebied van de in het eerste lid, No. 2, genoemde wateroppervlakken is ook het gebruik van het anker voor manoeuvreerdoeleinden verboden.

(3). Vervallen.

(4). Op reden mogen slechts de schepen ankeren waaraan het liggen met het oog op het doel waarvoor de rede bestemd is, aldaar is toegestaan. De voorwaarden worden door de bevoegde autoriteit vastgesteld.

(5). Op een in de nabijheid van het vaarwater of op een rede ten anker liggend schip of een schip en een voorwerp, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, alsmede op schepen waarop krachtens het bepaalde in het vierde lid het verbod tot ankeren niet van toepassing is, dient permanent ankerwacht te worden gelopen. Dit voorschrift geldt niet voor schepen met een lengte van minder dan 12 meter op de krachtens het bepaalde in artikel 6, derde lid, vastgestelde wateroppervlakken.

Artikel 24. Aanleggen en meren

(1). De scheepvaart mag door het aanleggen en meren niet worden belemmerd. Indien een schip met de aanlegmanoeuvre is begonnen, dient de overige scheepvaart rekening te houden met deze omstandigheden en met de geboden voorzichtigheid te navigeren.

(2). Het is verboden aan te leggen en te meren:

Artikel 25. Overslag

(1). Buiten de havens en overslagplaatsen is het overslaan van goederen met inbegrip van het bunkeren enkel toegestaan op de door de bevoegde autoriteit daarvoor vastgestelde reden en ligplaatsen en slechts met inachtneming van de vastgestelde voorwaarden. Van de overslag van bepaalde gevaarlijke goederen dient tijdig van tevoren kennis te worden gegeven aan de bevoegde autoriteit.

(2). Tijdens de overslag mag aan elke zijde van een schip dat bepaalde gevaarlijke goederen vervoert, steeds slechts één bij de overslag betrokken schip langszij liggen.

(3). Niet bij de overslag betrokken schepen dienen op voldoende veilige afstand te blijven van de bij de overslag betrokken schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, of de anker- of de ligplaats te ontruimen.

(4). Na het beëindigen van de overslag dient het schip de rede of de ligplaats onverwijld te verlaten.

(5). Alle overige voorschriften die betrekking hebben op het omgaan met gevaarlijke goederen, blijven onverminderd van kracht.

Artikel 26. Ankeren, aanleggen, meren van en voorbijvaren aan schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren

(1). Schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, mogen uitsluitend op de door de bevoegde autoriteit vastgestelde reden en ligplaatsen en slechts met inachtneming van de vastgestelde voorwaarden ankeren of meren.

(2). Indien meer schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, gelijktijdig binnen het gebied van de rede of de ligplaats liggen, dienen zij, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, een voldoende veilige afstand ten opzichte van elkaar aan te houden.

(3). Ten opzichte van schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, dienen de overige schepen, in het bijzonder rekening houdend met wegvliegende vonken, een voldoende veilige afstand aan te houden, met uitzondering van sleepboten, ravitaillerings- en tankreinigingsschepen, alsmede schepen die betrokken zijn bij de overslag. Deze schepen mogen het gebied van de rede of de ligplaats slechts invaren, als de schoorsteen en de uitlaatleidingen zijn voorzien van inrichtingen die het wegvliegen van vonken verhinderen.

(4). Bij gemeerde tankschepen die na het lossen van bepaalde gevaarlijke goederen niet zijn gereinigd en ontgast, mogen tijdens het vullen van de tanks met ballastwater geen schepen langszij liggen, terwijl tijdens het reinigen en ontgassen slechts de daarvoor noodzakelijke tankreinigingsschepen langszij mogen liggen.

(5). Gemeerde schepen die bepaalde gevaarlijke goederen vervoeren, alsmede schepen die in de nabijheid daarvan liggen, moeten te allen tijde onmiddellijk kunnen worden verhaald.

Overige bepalingen

Artikel 27. Gedrag bij scheepsongevallen en bij verlies van voorwerpen

(1). Indien er gevaar voor zinken bestaat, dient het schip indien mogelijk zo ver buiten het vaarwater te worden gebracht, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd. Na een aanvaring is de gezagvoerder van een daarbij betrokken, drijvend gebleven schip daartoe ook verplicht.

(2). Indien de voor de scheepvaart vereiste toestand van de waterweg of de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer door in de waterweg stuurloos ronddrijvende, vastgevaren, gestrande of gezonken schepen, drijvende inrichtingen, alsmede schepen of voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, of door andere drijvende of aan de grond geraakte voorwerpen in gevaar worden gebracht, dient de verkeerscentrale aan de Knock onverwijld te worden ingelicht.

(3). De plaats van een gezonken schip dient door de gezagvoerder daarvan onverwijld voorlopig te worden gemarkeerd. Na een aanvaring is de gezagvoerder van een daarbij betrokken, drijvend gebleven schip daartoe ook verplicht. Hij mag de reis pas voortzetten na toestemming van de krachtens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van het Eems-Dollardverdrag bevoegde autoriteiten.

(4). Bij branden en andere de veiligheid en het vlotte verloop van het verkeer in gevaar brengende voorvallen op schepen en drijvende inrichtingen, alsmede op schepen en voorwerpen, zoals bedoeld in Voorschrift 24, letter g, van de Internationale Bepalingen, dient de radarcentrale aan de Knock daarvan onverwijld in kennis te worden gesteld.

(5). Op schepen die het in artikel 13, tweede lid, bedoelde „blijf weg”-sein waarnemen, dienen onverwijld alle vereiste maatregelen tot afwending van het dreigende gevaar te worden getroffen, in het bijzonder:

Artikel 28. Vergunningen

(1). Een vergunning van de krachtens het bepaalde in artikel 34, tweede lid, van het Eems-Dollardverdrag bevoegde autoriteiten is vereist voor:

(2). De vergunning dient tijdig te worden aangevraagd.

(3). De vergunning kan onder bepaalde voorwaarden en verplichtingen worden verleend.

Artikel 29. Meldingen

(1). Schepen, duwstellen en slepen die de door de bevoegde autoriteit vastgestelde afmetingen overschrijden, dienen

te worden gemeld. De krachtens het bepaalde in de eerste volzin voorgeschreven melding dient ook bij onderbreking en bij voortzetting van de reis te geschieden.

(2). Schepen, zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid, moeten 24 uur vóór het bevaren van de Eemsmonding, doch uiterlijk bij het uitvaren van de laatste vertrekhaven, worden gemeld. Overigens dienen deze schepen zich overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, eerste volzin, No. 2, en tweede volzin, te melden.

(3). De melding krachtens het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, moet de volgende gegevens bevatten:

(4). De krachtens het bepaalde in het eerste en het tweede lid voorgeschreven meldingen dienen door de gezagvoerder van het schip, door de reder of hun gemachtigde bij de bevoegde autoriteit te geschieden. De meldingen krachtens het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, dienen schriftelijk plaats te vinden.

(5). De gezagvoerder van een met een marifoon uitgerust schip is verplicht bij het inachtnemen van de voorschriften inzake het verkeersgedrag de door de verkeerscentrale in het Duits, op verzoek in het Nederlands of Engels verstrekte verkeersinformatie, alsmede aanwijzingen en waarschuwingen te beluisteren en deze onverwijld overeenkomstig de omstandigheden in de gegeven verkeerssituatie in aanmerking te nemen. Op verzoek van de verkeerscentrale dient de gezagvoerder van het schip zich bij haar te melden en deel te nemen aan de communicatie met de verkeerscentrale.

Artikel 30. Vrijstelling voor schepen van de openbare dienst

De schepen van de openbare dienst zijn vrijgesteld van de naleving van de voorschriften van dit Scheepvaartreglement, voor zover zulks voor de uitvoering van opdrachten van overheidswege, daarbij naar behoren rekening houdend met de openbare orde en veiligheid, dringend geboden is.

GEDAAN te 's-Gravenhage op 22 december 1986 in tweevoud, in de Nederlandse en Duitse taal, waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn.

Voor de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden,

(w.g.) H. VAN DEN BROEK

Voor de Regering van de Bondsrepubliek Duitsland,

(w.g.) WERNER DOLLINGER

(w.g.) OTTO VON DER GABLENTZ