Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart
De Staten-Partijen bij dit Verdrag,
Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,
Erkennend in het bijzonder dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals uiteengezet in de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationale Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten,
Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme in al zijn vormen, waardoor onschuldigen in gevaar worden gebracht of van het leven worden beroofd, fundamentele vrijheden worden bedreigd en de menselijke waardigheid ernstig wordt aangetast,
Overwegend dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van zeediensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der zeevaart ondermijnen,
Overwegend dat dergelijke gedragingen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten,
Overtuigd van de dringende behoefte aan de totstandkoming van internationale samenwerking tussen Staten bij de opstelling en het nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van alle wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede bij de vervolging en bestraffing van de daders,
In herinnering brengend resolutie 40/61 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1985 die, onder andere, „alle Staten dringend verzoekt om hetzij eenzijdig, hetzij in samenwerking met andere Staten, alsook de desbetreffende organen van de Verenigde Naties, een bijdrage te leveren aan de geleidelijke uitbanning van de oorzaken van het internationale terrorisme en bijzondere aandacht te besteden aan alle omstandigheden - met inbegrip van kolonialisme, racisme en omstandigheden waarin sprake is van massale en flagrante schendingen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede omstandigheden waarin sprake is van een vreemde bezetting - die aanleiding kunnen geven tot internationaal terrorisme en die de internationale vrede en veiligheid in gevaar kunnen brengen”,
Voorts in herinnering brengend dat resolutie 40/61 „alle daden, methoden en praktijken van terrorisme, ongeacht waar en door wie gepleegd of toegepast, met inbegrip van die welke de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en hun veiligheid in gevaar brengen, ondubbelzinnig bestempelt als misdadig”,
Tevens in herinnering brengend dat de Internationale Maritieme Organisatie in resolutie 40/61 was verzocht „het vraagstuk van het terrorisme aan boord van of gericht tegen schepen te bestuderen, teneinde passende maatregelen te kunnen aanbevelen”,
Indachtig resolutie A.584(14) van 20 november 1985 van de Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, die opriep tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van wederrechtelijke gedragingen die de veiligheid van schepen en die van hun passagiers en bemanningen bedreigen,
Vaststellend dat gedragingen van de bemanning die zijn onderworpen aan de gewone scheepstucht buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen,
Bevestigend dat het wenselijk is de regels en normen met betrekking tot de voorkoming en bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen schepen en personen aan boord van schepen nauwlettend te volgen, teneinde deze indien nodig te kunnen aanpassen, en in dat kader met voldoening nota nemend van de maatregelen tot voorkoming van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen passagiers en bemanningen aan boord van schepen, aanbevolen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie,
Voorts bevestigend dat aangelegenheden die niet voor dit Verdrag worden geregeld, beheerst blijven door de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht,
Erkennend de noodzaak dat alle Staten bij de bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht strikt naleven,
Zijn als volgt overeengekomen:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a). „schip”: een vaartuig, ongeacht het type, dat niet permanent met de zeebodem is verbonden, met inbegrip van dynamisch gedragen vaartuigen, onderwatervaartuigen en andere vaartuigen in drijvende toestand.
- b). „vervoer”: het initiëren, regelen of uitoefenen van daadwerkelijke controle, met inbegrip van de beslissingsbevoegdheid, over de verplaatsing van een persoon of goed.
- c). „ernstig letsel of ernstige schade”:
- (i). ernstig lichamelijk letsel; of
- (ii). grootschalige vernieling van een openbare plaats, staats- of overheidsvoorziening, infrastructurele voorziening of openbaarvervoersysteem, hetgeen leidt tot grote economische verliezen; of
- (iii). aanmerkelijke schade aan het milieu, met inbegrip van lucht, bodem, water, fauna of flora.
- d). „NBC-wapens”:
- (i). „biologische wapens”, zijnde:
- (1). bacteriologische of andere biologische middelen of toxines, ongeacht hun herkomst of de wijze van productie, van soorten en in hoeveelheden die niet gerechtvaardigd worden door profylactische, beschermende of andere vreedzame oogmerken; of
- (2). wapens, uitrusting of overbrengingsinrichtingen die ontworpen zijn voor het gebruik van dergelijke middelen of toxines met vijandig oogmerk of bij gewapende conflicten.
- (ii). „chemische wapens”, zijnde, afzonderlijk of tezamen met:
- (1). toxische chemische stoffen en hun precursoren, tenzij zij zijn bedoeld voor: voor zover de typen en hoeveelheden verenigbaar zijn met deze oogmerken;
- (A). onderzoek of industriële, agrarische, medische, farmaceutische of andere vreedzame oogmerken; of
- (B). bescherming, dat wil zeggen, voor oogmerken die direct verband houden met de bescherming tegen toxische chemische stoffen en met bescherming tegen chemische wapens; of
- (C). militaire doelstellingen die geen verband houden met het gebruik van chemische wapens en niet afhankelijk zijn van het gebruik van de toxische eigenschappen van chemische stoffen als methode van oorlogsvoering; of
- (D). wetshandhaving, mede ten behoeve van de bestrijding van nationale ongeregeldheden,
- (2). munitie en instrumenten die specifiek bedoeld zijn om de dood of ander letsel te veroorzaken door middel van de toxische eigenschappen van de toxische chemische stoffen omschreven in onderdeel ii 1 die zouden vrijkomen ten gevolge van het gebruik van die munitie en instrumenten;
- (3). alle apparatuur die specifiek ontworpen is voor gebruik in direct verband met de munitie en instrumenten omschreven in onderdeel ii 2.
- (iii). kernwapens en andere nucleaire explosieve instrumenten.
- e). „toxische chemische stof”: elke chemische stof die door zijn chemische effect op levensprocessen kan leiden tot de dood, tijdelijke uitschakeling of blijvend letsel van mensen of dieren. Dit omvat al dergelijke chemische stoffen, ongeacht hun herkomst of de wijze van productie en ongeacht of zij worden geproduceerd in voorzieningen, in munitie of elders.
- f). „precursor”: elke chemische reactant die bij enige fase van de productie van een toxische chemische stof betrokken is, ongeacht de wijze waarop. Dit omvat elke sleutelcomponent van een binair chemisch systeem of een chemisch systeem met meerdere componenten.
- g). „Organisatie”: de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
- h). „Secretaris-Generaal”: de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
Voor de toepassing van dit Verdrag:
- a). hebben de termen „openbare plaats”, „staats- of regeringsvoorziening”, „infrastructurele voorziening” en „openbaarvervoersysteem” dezelfde betekenis als die welke daaraan is gegeven in het Internationaal Verdrag inzake de bestrijding van terroristische bomaanslagen, gedaan te New York op 15 december 1997; en
- b). hebben de termen „grondstof” en „speciale splijtstoffen” dezelfde betekenis als die welke daaraan is gegeven in het Statuut van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (IAEA), gedaan te New York op 26 oktober 1956.
Artikel 2
Dit Verdrag is niet van toepassing op:
- (a). oorlogsschepen; of
- (b). schepen in eigendom of in beheer van een Staat die dienst doen als marinehulpschip of worden gebruikt ten behoeve van de douane of de politie; of
- (c). uit de vaart genomen of opgelegde schepen.
Dit Verdrag laat de immuniteiten van oorlogsschepen en andere staatsschepen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt onverlet.
Artikel 3
Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:
- (a). door geweld, bedreiging met geweld of enige andere vorm van vreesaanjaging een schip in zijn macht brengt of houdt; of
- (b). een daad van geweld begaat tegen een persoon aan boord van een schip, indien daardoor de veilige vaart van dat schip in gevaar kan worden gebracht; of
- (c). een schip vernielt of schade toebrengt aan een schip of zijn lading waardoor de veilige vaart van dat schip in gevaar kan worden gebracht; of
- (d). op een schip, op welke wijze dan ook, een voorwerp of substantie plaatst of doet plaatsen waarmee dat schip kan worden vernield of aan dat schip of aan zijn lading schade kan worden toegebracht waardoor de veilige vaart van dat schip in gevaar wordt gebracht of in gevaar kan worden gebracht; of
- (e). navigatiehulpmiddelen voor de zeevaart vernielt of ernstig beschadigt, dan wel hun werking ernstig stoort, indien daardoor de veilige vaart van een schip in gevaar kan worden gebracht; of
- (f). gegevens doorgeeft waarvan hij weet dat deze onjuist zijn, daardoor de veilige vaart van een schip in gevaar brengend.
Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die dreigt, al dan niet gepaard gaand met een voorwaarde zoals voorzien in de nationale wetgeving, teneinde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon te dwingen tot het verrichten of zich onthouden van een handeling, een van de in het eerste lid, sub b, c en e omschreven strafbare feiten te plegen, indien door deze dreiging de veilige vaart van het schip in kwestie in gevaar kan worden gebracht.
Artikel 4
Dit Verdrag is van toepassing indien het schip wateren in-, uit- of doorvaart, dan wel volgens het vaarschema zal in-, uit- of doorvaren, welke zijn gelegen buiten de buitengrenzen van de territoriale zee van één Staat, of de zijgrenzen van zijn territoriale zee met aangrenzende Staten.
Ingeval het Verdrag niet van toepassing is op grond van het eerste lid, is het niettemin van toepassing, indien de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een andere dan de in het eerste lid bedoelde Staat-Partij.
Artikel 5
Elke Staat-Partij stelt op de in de artikelen 3, 3bis, 3teren 3quater omschreven strafbare feiten passende straffen die rekening houden met de ernst van deze feiten.
Artikel 6
Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten, wanneer het strafbare feit wordt gepleegd:
- (a). tegen of aan boord van een schip dat onder de vlag van die Staat vaart op het tijdstip waarop het strafbare feit wordt gepleegd; of
- (b). op het grondgebied van die Staat, met inbegrip van zijn territoriale zee; of
- (c). door een onderdaan van die Staat.
Een Staat-Partij kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vastleggen, wanneer:
- (a). het feit wordt gepleegd door een staatloze die in die Staat zijn gewone verblijfplaats heeft; of
- (b). tijdens het plegen van het feit een onderdaan van die Staat wordt vastgehouden, bedreigd, verwond of gedood; of
- (c). het feit wordt gepleegd in een poging die Staat te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van een handeling.
Elke Staat-Partij die rechtsmacht zoals bedoeld in het tweede lid heeft gevestigd, stelt de Secretaris-Generaal daarvan in kennis. Indien een Staat-Partij daarna zijn rechtsmacht ter zake intrekt, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis.
Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat-Partij die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste en tweede lid van dit artikel.
Dit Verdrag sluit geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit.
Artikel 7
Een Staat-Partij op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, neemt deze, indien hij, ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen, in overeenstemming met zijn wetgeving, in hechtenis of neemt andere maatregelen ter verzekering van diens aanwezigheid gedurende de tijd die nodig is voor het instellen van strafvervolging of een uitleveringsprocedure.
Deze Staat stelt terstond een voorlopig onderzoek in naar de feiten in overeenstemming me zijn eigen wetgeving.
Een ieder tegen wie de in het eerste lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht:
- (a). zich onverwijld in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is of die welke anderszins gerechtigd is om dit contact tot stand te brengen, of, indien het een staatloze betreft, de Staat waarin hij zijn gewone verblijfplaats heeft;
- (b). te worden bezocht door een vertegenwoordiger van die Staat.
De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.
Wanneer een Staat-Partij krachtens dit artikel een persoon in hechtenis heeft genomen, stelt hij de Staten die overeenkomstig artikel 6, eerste lid, hun rechtsmacht hebben vastgelegd, alsmede, wanneer hij dit nodig acht, alle andere belanghebbende Staten, onverwijld in kennis van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zijn hechtenis rechtvaardigen. De Staat die het in het tweede lid van dit artikel bedoelde voorlopig onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mede aan genoemde Staten en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.
Artikel 8
De kapitein van een schip van een Staat-Partij (de „vlaggenstaat”) kan aan de autoriteiten van een andere Staat-Partij (de „ontvangende Staat”) elke persoon overdragen ten aanzien van wie de kapitein redelijke gronden heeft om aan te nemen dat deze een van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten heeft gepleegd.
De vlaggestaat ziet erop toe dat de kapitein van zijn schip wordt verplicht, wanneer zulks uitvoerbaar is, en indien mogelijk voordat het schip de territoriale zee van de ontvangende Staat invaart met aan boord een persoon die de kapitein voornemens is over te dragen in overeenstemming met het eerste lid, de autoriteiten van de ontvangende Staat in kennis te stellen van zijn voornemen de betrokken persoon over te dragen, alsook van de redenen daarvoor.
De ontvangende Staat aanvaardt de overdracht, tenzij hij gronden heeft om te menen dat het Verdrag niet van toepassing is op de gedragingen die tot de overdracht aanleiding geven, en handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel 7. Een weigering een overdracht te aanvaarden gaat vergezeld van een opgave van de redenen voor de weigering.
De vlaggestaat ziet erop toe dat de kapitein van zijn schip wordt verplicht de autoriteiten van de ontvangende Staat het bewijsmateriaal te verstrekken waarover de kapitein beschikt met betrekking tot het beweerde strafbare feit.
Een ontvangende Staat die de overdracht van een persoon overeenkomstig het derde lid heeft aanvaard, kan op zijn beurt de vlaggestaat verzoeken de overdracht van de betrokken persoon te aanvaarden. De vlaggestaat neemt een dergelijk verzoek in overweging en indien hij het verzoek inwilligt, handelt hij overeenkomstig artikel 7. Indien de vlaggestaat een verzoek afwijst, geeft hij de ontvangende Staat een opgave van de redenen daarvoor.
Artikel 9
De regelen van internationaal recht met betrekking tot de bevoegdheid van Staten om rechtsmacht op het gebied van opsporing en tenuitvoerlegging uit te oefenen aan boord van schepen die niet onder hun vlag varen, worden op generlei wijze door dit Verdrag aangetast.
Artikel 10
Een Staat-Partij op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen is in de gevallen waarop artikel 6 van toepassing is, indien hij hem niet uitlevert, ongeacht of het strafbare feit op zijn grondgebied is gepleegd, zonder enige uitzondering verplicht de zaak terstond over te dragen aan zijn bevoegde autoriteiten voor vervolging door middel van een proces overeenkomstig de wetten van die Staat. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat.
Eenieder die in detentie wordt gesteld of tegen wie andere maatregelen worden getroffen of een proces aanhangig wordt gemaakt op grond van dit Verdrag, wordt een eerlijke behandeling verzekerd, met inbegrip van het genot van alle rechten en waarborgen in overeenstemming met de wetgeving van de Staat op wiens grondgebied die persoon zich bevindt en de toepasselijke bepalingen van internationaal recht, met inbegrip van het internationale recht inzake de rechten van de mens.
Artikel 11
De in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten worden geacht als uitleveringsdelicten te zijn opgenomen in alle bestaande uitleveringsverdragen tussen de Staten-Partijen. De Staten-Partijen verplichten zich ertoe deze strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in elk uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.
Indien een Staat-Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat-Partij waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat-Partij, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten. Uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat-Partij voorziet.
Staten-Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat-Partij voorziet.
Indien nodig worden de in de artikelen 3, 3bis,3ter en 3quater omschreven strafbare feiten ten behoeve van uitlevering tussen Staten-Partijen beschouwd als waren zij niet alleen begaan op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op een plaats onder de rechtsmacht van de Staat-Partij die om uitlevering verzoekt.
Een Staat-Partij die meer dan één verzoek om uitlevering ontvangt van Staten die overeenkomstig artikel 6 hun rechtsmacht hebben vastgelegd, en die besluit niet te vervolgen, neemt bij de keuze van de Staat waaraan de dader of de vermoedelijke dader zal worden uitgeleverd, de belangen en verantwoordelijkheden in acht van de Staat-Partij onder de vlag waarvan het schip voert op het tijdstip waarop het strafbare feit werd gepleegd.
Wanneer de aangezochte Staat een verzoek om uitlevering van een vermoedelijke dader uit hoofde van dit Verdrag in overweging neemt, neemt hij daarbij in acht of deze diens rechten, zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, kan doen gelden in de verzoekende Staat.
Met betrekking tot de in dit Verdrag omschreven strafbare feiten worden de bepalingen van alle uitleveringsverdragen en regelingen die tussen de Staten-Partijen bestaan in hun onderlinge betrekkingen gewijzigd, voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit verdrag.
Artikel 12
De Staten-Partijen verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp in verband met strafrechtelijke procedures die zijn ingesteld wegens de in de artikelen 3, 3bis, 3teren 3quater omschreven strafbare feiten, met inbegrip van rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor de procedure.
De Staten-Partijen komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste lid na in overeenstemming met de verdragen inzake wederzijdse rechtshulp die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen ontbreken, verlenen de Staten-Partijen elkander rechtshulp overeenkomstig hun nationale recht.
Artikel 13
De Staten-Partijen werken samen ter voorkoming van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten, met name door:
- (a). alle uitvoerbare maatregelen te treffen ter voorkoming van voorbereidingen op hun onderscheiden grondgebied ten behoeve van het plegen, al dan niet op hun grondgebied, van bedoelde strafbare feiten;
- (b). in overeenstemming met hun nationale wetgeving gegevens uit te wisselen, en bestuurlijke en andere maatregelen die passend worden geacht ter voorkoming van de in de artikelen 3, 3bis,3ter en 3quater omschreven strafbare feiten te coördineren.
Wanneer ten gevolge van het plegen van een in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbaar feit de doorvaart van een schip is vertraagd of onderbroken, dient de Staat-Partij op het grondgebied waarvan het schip, de passagiers of de bemanningsleden zich bevinden, al het mogelijke in het werk te stellen om te vermijden dat het schip, zijn passagiers, bemanning of lading onnodig worden opgehouden of vertraagd.
Artikel 14
Een Staat-Partij die reden heeft om aan te nemen dat een strafbaar feit zoals omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater zal worden gepleegd, verstrekt, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving, zo spoedig mogelijk alle ter zake dienende inlichtingen waarover hij beschikt aan de Staten waarvan hij meent dat zij de Staten zijn die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 6.
Artikel 15
Elke Staat-Partij verstrekt, in overeenstemming met zijn nationale recht, aan de Secretaris-Generaal zo spoedig mogelijk alle ter zake dienende inlichtingen waarover hij beschikt betreffende:
- (a). de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd;
- (b). de maatregelen die ingevolge artikel 13, tweede lid, zijn genomen,
- (c). de maatregelen genomen ten aanzien van de dader of de vermoedelijke dader, en in het bijzonder de resultaten van uitleveringsprocedures of andere gerechtelijke procedures.
De Staat-Partij waarin de Vermoedelijke dader wordt vervolgd, deelt, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving, de afloop van de procedures mede aan de Secretaris-Generaal.
De uit hoofde van het eerste en tweede lid verstrekte inlichtingen worden door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Staten-Partijen, aan de leden van de Organisatie, aan de andere betrokken Staten en aan de desbetreffende internationale intergouvernementele organisaties.
Artikel 16
Elk geschil tussen twee of meer Staten-Partijen inzake de uitleg of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van één van hen onderworpen aan arbitrage. Indien de partijen binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage er niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van deze arbitrage, kan ieder der betrokken partijen het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.
Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag, dan wel bij toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door de bepalingen van het eerste lid, of door één daarvan. De overige Staten-Partijen zijn door die bepalingen niet gebonden tegenover een Staat-Partij die zulk een voorbehoud heeft gemaakt.
Een Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het tweede lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal.
Artikel 17
Dit Verdrag staat voor ondertekening open te Rome op 10 maart 1988 door Staten die hebben deelgenomen aan de Internationale Conferentie inzake de bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede op de zetel van de Organisatie door alle Staten van 14 maart 1988 tot 9 maart 1989. Daarna blijft het openstaan voor toetreding.
Staten kunnen van hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden doen blijken door middel van
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (c). toetreding.
Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door middel van nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.
Artikel 18
Dit verdrag treedt in werking negentig dagen na de datum waarop vijftien Staten het hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, of een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd.
Voor een Staat die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding met betrekking tot dit Verdrag heeft nedergelegd nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding is voldaan, treedt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in werking negentig dagen na de datum van nederlegging.
Artikel 19
Dit Verdrag kan door elke Staat-Partij te allen tijde worden opgezegd na het verstrijken van een jaar na de datum waarop het Verdrag voor die Staat in werking is getreden.
Opzegging geschiedt door middel van nederlegging van een akte van opzegging bij de Secretaris-Generaal.
Een opzegging wordt van kracht één jaar, of zoveel later als aangegeven in de akte van opzegging, na de ontvangst van de akte van opzegging door de Secretaris-Generaal.
Artikel 20
Door de Organisatie kan een conferentie worden belegd met het oog op herziening of wijziging van dit Verdrag.
Op verzoek van een derde der Staten-Partijen, of van tien Staten-Partijen, naargelang van welk aantal het grootst is, belegt de Secretaris-Generaal een conferentie van de Staten-Partijen bij dit Verdrag ter herziening of wijziging van dit Verdrag.
Een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding die is nedergelegd na de datum van inwerkingtreding van een wijziging van dit Verdrag wordt geacht van toepassing te zijn op het gewijzigde Verdrag.
Artikel 21
Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
De Secretaris-Generaal:
- (a). doet alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden en alle leden van de Organisatie mededeling van:
- (i). elke nieuwe ondertekening of nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, alsook de datum daarvan;
- (ii). de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag;
- (iii). de nederlegging van een akte van opzegging van dit Verdrag, alsook de datum waarop deze werd ontvangen en de datum waarop de opzegging van kracht wordt;
- (iv). de ontvangst van elke verklaring of kennisgeving uit hoofde van dit Verdrag;
- (b). doet alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Verdrag toekomen.
Terstond na inwerkingtreding van dit Verdrag zendt de Depositaris een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.
Artikel 22
Dit Verdrag is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed this Convention.
DONE at Rome this tenth day of March one thousand nine hundred and eighty-eight.
Artikel 2bis
Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van Staten en personen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitair recht.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair rechten evenmin op handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een Staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht.
Dit Verdrag laat onverlet de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden uit hoofde van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, gedaan te Washington, Londen en Moskou op 1 juli 1968, het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Washington, Londen en Moskou op 10 april 1972 of het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993, van de Staten die partij zijn bij deze verdragen.
Artikel 3bis
Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:
- a. wanneer het doel van de gedraging, door haar aard of context, is een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie tot het verrichten of het zich onthouden van enige handeling:
- i. tegen, op of vanaf een schip een explosief, radioactief materiaal of een biologisch, chemisch of nucleair wapen doet vrijkomen op een wijze die leidt of kan leiden tot de dood of ernstig letsel of ernstige schade; of
- ii. van een schip olie, vloeibaar gemaakt aardgas of een andere schadelijke of gevaarlijke stof doet vrijkomen waarop sub a. i. niet van toepassing is en wel in een zodanige hoeveelheid of concentratie dat dit leidt of kan leiden tot de dood of ernstig letsel of ernstige schade; of
- iii. een schip op zodanig wijze gebruikt dat de dood, ernstig letsel of ernstige schade wordt veroorzaakt; of
- iv. al dan niet gepaard gaand met een voorwaarde zoals voorzien in de nationale wetgeving, dreigt met het plegen van een strafbaar feit omschreven in sub a. i., ii. of iii.; of
- b. aan boord van een schip:
- i. explosief of radioactief materiaal vervoert, wetende dat het beoogd is om te worden ingezet teneinde, al dan niet gepaard gaand met een voorwaarde zoals voorzien in de nationale wetgeving, de dood, ernstig letsel of zware schade te veroorzaken of daarmee te dreigen teneinde een bevolking te intimideren of een regering of internationale organisatie te dwingen tot het verrichten of het zich onthouden van enige handeling; of
- ii. een NBC-wapen vervoert, wetende dat het een NBC-wapen is zoals omschreven in artikel 1; of
- iii. elk grondmateriaal, speciale splijtstoffen, uitrusting of materiaal vervoert dat of die speciaal is of zijn ontworpen of bereid voor de bewerking, het gebruik of de productie van speciale splijtstoffen, wetende dat het beoogd is om te worden gebruikt bij een activiteit die gepaard gaat met een kernexplosie of een andere nucleaire activiteit waarop de waarborgen uit hoofde van een allesomvattende IAEA-veiligheidscontroleovereenkomst van toepassing zijn; of
- iv. enige uitrusting, materialen software of aanverwante technologie vervoert die wezenlijk bijdraagt of bijdragen aan het ontwerp, de vervaardiging of overbrenging van een NBC-wapen, met het oogmerk deze daarvoor te gebruiken.
Geen strafbaar feit in de zin van dit Verdrag is het vervoer van een goed of materiaal waarop het eerste lid, sub b. iii. van toepassing is, of, voorzover dit betrekking heeft op een kernwapen of ander nucleair explosief instrument, het eerste lid, sub b. iv., indien dit goed of materiaal wordt vervoerd naar of vanuit het grondgebied van, of anderszins wordt vervoerd onder toezicht van een Staat die partij is bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, wanneer:
- a. de daaruit voortvloeiende overdracht of ontvangst, met inbegrip van die binnen een Staat, van het goed of materiaal niet in strijd is met de verplichtingen van die Staat-Partij uit hoofde van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens en,
- b. indien het goed of materiaal beoogd is voor de overbrengingsinrichting van een kernwapen of ander instrument voor kernexplosieven van een Staat die partij is bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, het bezit van een dergelijk wapen of instrument niet in strijd is met de verplichtingen van die Staat-Partij uit hoofde van dat verdrag.
Artikel 3ter
Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk een andere persoon aan boord van een schip vervoert, wetende dat deze persoon een strafbaar feit heeft gepleegd zoals omschreven in artikel 3, 3bis of 3quater of een strafbaar feit omschreven in een van de verdragen omschreven in de Bijlage, en met het oogmerk die persoon te helpen strafrechtelijke vervolging te ontlopen.
Artikel 3quater
Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich tevens schuldig hij die:
- a. wederrechtelijk en opzettelijk een ander verwondt of doodt in verband met het plegen van een van de strafbare feiten omschreven in artikel 3, eerste lid, 3bis, of 3ter; of
- b. poogt een strafbaar feit te plegen omschreven in artikel 3, eerste lid, 3bis, eerste lid, sub a i, ii of iii, of in sub a van dit artikel; of
- c. als medeplichtige deelneemt aan een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis of 3ter, of in sub a of b van dit artikel; of
- d. het plegen van een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis of 3ter, of in sub a of b van dit artikel organiseert of anderen opdracht geeft een van deze strafbare feiten te plegen; of
- e. bijdraagt tot het plegen van een of meer van de strafbare feiten omschreven in artikel 3, 3bis, 3ter, of in sub a of b van dit artikel, door een groep personen die opzettelijk, met een gemeenschappelijk doel handelt en:
- i. hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of het doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt zoals omschreven in artikel 3, 3bis of 3ter; of
- ii. hetzij met de wetenschap van het doel van de groep een strafbaar feit te plegen zoals omschreven in artikel 3, 3bis of 3ter.
Artikel 5bis
Elke Staat-Partij neemt, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen de nodige maatregelen om een op zijn grondgebied gevestigde of overeenkomstig zijn wetgeving georganiseerde rechtspersoon aansprakelijk te stellen wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor de leiding van of het toezicht op die rechtspersoon, in die hoedanigheid een in dit Verdrag omschreven strafbaar feit heeft gepleegd. Deze aansprakelijkheid kan straf-, civiel- of bestuursrechtelijk zijn.
Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.
Elke Staat-Partij ziet er in het bijzonder op toe dat de overeenkomstig het eerste lid aansprakelijke rechtspersonen worden onderworpen aan doeltreffende, proportionele en ontmoedigende straf-, civiel- of bestuursrechtelijke sancties. Dergelijke sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.
Artikel 8bis
De Staten-Partijen werken in zo ruim mogelijke mate samen teneinde strafbare feiten waarop dit Verdrag van toepassing is te voorkomen en te bestrijden, in overeenstemming met het internationaal recht, en reageren zo spoedig mogelijk op verzoeken uit hoofde van dit artikel.
Elk verzoek uit hoofde van dit artikel dient zo mogelijk de naam van het verdachte schip, het IMO scheepsidentificatienummer, de thuishaven, de havens van herkomst en bestemming en alle andere relevante informatie te bevatten. Indien een verzoek mondeling wordt overgebracht, bevestigt de verzoekende Partij het verzoek zo spoedig mogelijk schriftelijk. De aangezochte Partij bevestigt onverwijld de ontvangst van elk schriftelijk of mondeling verzoek.
De Staten-Partijen houden rekening met de gevaren en moeilijkheden waarmee het aan boord gaan van een schip op zee en het doorzoeken van zijn lading gepaard gaan, en overwegen of andere passende maatregelen die tussen de betrokken Staten zijn overeengekomen beter in de volgende aanloophaven of elders kunnen worden uitgevoerd.
Een Staat-Partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater is, wordt of zal worden gepleegd waarbij een schip dat onder zijn vlag vaart betrokken is, kan andere Staten-Partijen verzoeken om bijstand bij het voorkomen of bestrijden van dat feit. De aldus aangezochte Staten-Partijen stellen alles in het werk om deze bijstand binnen de hen ter beschikking staande middelen te verlenen.
Indien rechtshandhaving- of andere bevoegde functionarissen van een Staat-Partij („de verzoekende Partij”) een schip aantreffen dat vaart onder de vlag of de registratiekenmerken vertoont van een andere Staat-Partij („de eerste Partij”) en zich zeewaarts bevindt van de territoriale zee van een Staat, en de verzoekende Partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het schip of een persoon aan boord van het schip betrokken is, is geweest of zal worden bij het plegen van een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater, en de verzoekende Partij aan boord wenst te gaan,
- a. verzoekt hij, in overeenstemming met het eerste en tweede lid, de eerste Partij de opgegeven nationaliteit te bevestigen, en
- b. indien de nationaliteit wordt bevestigd, verzoekt de verzoekende Partij de eerste Partij (hierna te noemen de „vlaggenstaat”) om toestemming om aan boord te gaan en passende maatregelen te nemen ten aanzien van dat schip, die mede kunnen bestaan uit het aanhouden, aan boord gaan en doorzoeken van het schip en zijn lading en het onderzoeken aan lichaam en kleding van de opvarenden teneinde vast te stellen of een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater is, wordt of zal worden gepleegd, en
- c. zal de vlaggenstaat: De verzoekende Partij gaat niet aan boord van een schip en neemt geen maatregelen omschreven in sub b zonder de uitdrukkelijke machtiging van de vlaggenstaat.
- i. de verzoekende Partij machtigen aan boord te gaan en de passende maatregelen omschreven in sub b te nemen, met inachtneming van eventuele voorwaarden die zij kan opleggen in overeenstemming met het zevende lid; of
- ii. zijn eigen rechtshandhavings- of andere functionarissen aan boord laten gaan om de doorzoeking of het onderzoek te verrichten; of
- iii. tezamen met de verzoekende Partij aan boord gaan en de doorzoeking of het onderzoek verrichten met inachtneming van eventuele voorwaarden die zij kan opleggen in overeenstemming met het zevende lid; of
- iv. weigeren toestemming te geven voor het aan boord gaan, doorzoeken en onderzoeken.
- d. Bij of na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Staat-Partij de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, ten aanzien van schepen die onder zijn vlag varen of zijn registratiekenmerken vertonen, de verzoekende Partij gemachtigd wordt aan boord te gaan van het schip het schip en zijn lading te doorzoeken en de opvarenden te onderzoeken aan lichaam en kleding en te ondervragen, teneinde documentatie omtrent de nationaliteit van het schip te achterhalen en te bestuderen en vast te stellen of een in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbaar feit is, wordt of zal worden gepleegd, indien er binnen vier uur na de bevestiging van ontvangst van een verzoek om bevestiging van de nationaliteit geen antwoord is ontvangen van de eerste Partij.
- e. Bij of na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Staat-Partij de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat ten aanzien van schepen die onder zijn vlag varen of zijn registratiekenmerken vertonen, de verzoekende Partij gemachtigd wordt aan boord te gaan van het schip het schip en zijn lading te doorzoeken en de opvarenden te onderzoeken aan lichaam en kleding en te ondervragen, teneinde vast te stellen of een in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbaar feit is, wordt of zal worden gepleegd.
De uit hoofde van dit lid gedane kennisgevingen kunnen te allen tijde worden herroepen.
Indien bewijzen worden gevonden van gedragingen omschreven in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater als resultaat van het aan boord gaan uit hoofde van dit artikel, kan de vlaggenstaat de verzoekende Partij machtigen het schip, de lading en opvarenden aan te houden in afwachting van nadere instructies van de vlaggenstaat.
De verzoekende Partij stelt de vlaggenstaat onverwijld in kennis van de resultaten van het aan boord gaan, de doorzoeking, het onderzoek aan lichaam en kleding en de aanhouding uit hoofde van dit artikel. De verzoekende Partij stelt de vlaggenstaat tevens onverwijld op de hoogte van de ontdekking van bewijs van wederrechtelijke gedragingen waarop dit Verdrag niet van toepassing is.
Overeenkomstig de overige bepalingen van dit Verdrag kan de vlaggenstaat zijn machtiging uit hoofde van het vijfde of zesde lid afhankelijk stellen van voorwaarden, waaronder de ontvangst van aanvullende gegevens van de verzoekende Partij en voorwaarden ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor en omvang van de te treffen maatregelen. Zonder de uitdrukkelijke machtiging van de vlaggenstaat mogen geen aanvullende maatregelen worden getroffen, tenzij zulks noodzakelijk is om dreigend gevaar voor het leven van personen af te wenden of indien dergelijke maatregelen voortvloeien uit relevante bilaterale of multilaterale overeenkomsten.
Voor alle gevallen waarin aan boord van een schip wordt gegaan, is de vlaggenstaat bevoegd rechtsmacht uit te oefenen over een aangehouden schip, zijn lading of overige goederen en de opvarenden, met inbegrip van inbeslagneming, verbeurdverklaring, aanhouding en vervolging. De vlaggenstaat kan, met inachtneming van zijn grondwet en wetgeving, instemmen met de uitoefening van rechtsmacht door een andere Staat met rechtsmacht uit hoofde van artikel 6.
Bij de uitvoering van de maatregelen uit hoofde van dit artikel waarvoor machtiging is verleend, dient het gebruik van geweld te worden vermeden, tenzij zulks noodzakelijk is om de veiligheid van functionarissen en opvarenden te waarborgen of indien de functionarissen worden gehinderd bij de uitvoering van de maatregelen waarvoor machtiging is verleend. De mate van geweld gebruikt uit hoofde van dit artikel mag niet groter zijn dan redelijkerwijs nodig is in de gegeven situatie.
Waarborgen:
- a. Een Staat-Partij die maatregelen neemt tegen een schip in overeenstemming met dit artikel:
- i. houdt terdege rekening met de noodzaak de veiligheid van mensenlevens op zee niet in gevaar te brengen;
- ii. waarborgt dat alle opvarenden behandeld worden op een wijze waarbij hun menselijke waardigheid in acht wordt genomen en in overeenstemming met de van toepassing zijnde bepalingen van het internationaal recht, met inbegrip van het internationaal recht inzake de rechten van de mens;
- iii. waarborgt dat het aan boord gaan, doorzoeken en onderzoek aan lichaam en kleding uit hoofde van dit artikel geschieden in overeenstemming met het van toepassing zijnde internationaal recht;
- iv. houdt terdege rekening met de veiligheid van het schip en zijn lading;
- v. geeft zich terdege rekenschap van de noodzaak de handels- of juridische belangen van de vlaggenstaat niet te schaden;
- vi. waarborgt, binnen de beschikbare middelen, dat elke maatregel die ten aanzien van het schip of zijn lading wordt genomen in de gegeven situatie niet schadelijk is voor het milieu;
- vii. waarborgt dat opvarenden tegen wie mogelijk vervolging wordt ingesteld in verband met een feit omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater, ongeacht de locatie de bescherming krijgen voorzien in artikel 10, tweede lid;
- viii. waarborgt dat de kapitein van een schip in kennis wordt gesteld van het voornemen aan boord te komen en in de gelegenheid is of wordt gesteld zo spoedig mogelijk contact op te nemen met de eigenaar van het schip en de vlaggenstaat; en
- ix. doet redelijke inspanningen om te vermijden dat een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
- b. Met dien verstande dat de machtiging door een vlaggenstaat om aan boord te gaan deze niet per definitie aansprakelijk maakt, zijn Staten-Partijen aansprakelijk voor alle schade, letsel of verliezen die aan hen zijn toe te schrijven en voortvloeien uit ingevolge dit artikel getroffen maatregelen indien: Staten-Partijen bieden doeltreffende middelen voor verhaal bij schade, letsel of verlies.
- i. de redenen voor deze maatregelen ongegrond blijken, mits met het schip geen feiten zijn gepleegd die de getroffen maatregelen rechtvaardigen; of
- ii. deze maatregelen onrechtmatig blijken of uitgaan boven de in het licht van de beschikbare informatie redelijkerwijs noodzakelijke maatregelen voor de uitvoering van de bepalingen van dit artikel.
- c. Indien een Staat-Partij in overeenstemming met dit Verdrag maatregelen treft tegen een schip, geeft hij zich terdege rekenschap van de noodzaak belemmering of aantasting te voorkomen van:
- i. rechten en verplichtingen en de uitoefening van de rechtsmacht van kuststaten in overeenstemming met het internationale recht van de zee; of
- ii. de bevoegdheid van de vlaggenstaat om rechtsmacht en toezicht uit te oefenen bij bestuurlijke, technische en sociale aangelegenheden betreffende het schip.
- d. Elke maatregel getroffen uit hoofde van dit artikel wordt uitgevoerd door rechtshandhavings- of andere bevoegde functionarissen van oorlogsschepen of militaire luchtvaartuigen, of van andere schepen of luchtvaartuigen voor overheidsdoeleinden die duidelijk als zodanig gemarkeerd, herkenbaar en daartoe bevoegd zijn en, onverminderd de artikelen 2 en 2bis, zijn de bepalingen van dit artikel van toepassing.
- e. Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder „rechtshandhavings- of andere bevoegde functionarissen” geüniformeerde of anderszins duidelijk herkenbare leden van de rechtshandhavende of overige regeringsautoriteiten die naar behoren gemachtigd zijn door hun regering. Voor het specifieke doel van rechtshandhaving uit hoofde van dit Verdrag, tonen rechtshandhavende of andere bevoegde functionarissen bij het aan boord komen passende van overheidswege verstrekte identiteitsdocumenten aan de kapitein van het schip.
Dit artikel is niet van toepassing op, noch vormt het een beperking voor, het aan boord gaan van schepen door een Staat-Partij in overeenstemming met het internationaal recht, die zich zeewaarts van de territoriale zee van een Staat bevinden, ongeacht of dit geschiedt op grond van het recht van onderzoek, het verlenen van hulp aan personen, schepen of goederen die in nood of gevaar verkeren, of op grond van een machtiging door de vlaggenstaat teneinde een rechtshandhavende of andere maatregel uit te voeren.
De Staten-Partijen worden uitgenodigd standaardprocedures te ontwikkelen voor gezamenlijk optreden uit hoofde van dit artikel en, waar van toepassing, met andere Staten-Partijen te overleggen teneinde dergelijke standaardprocedures op elkaar af te stemmen voor de uitvoering van operaties.
De Staten-Partijen kunnen onderling verdragen of overeenkomsten sluiten ter vergemakkelijking van de rechtshandhavingsoperaties die in overeenstemming met dit artikel worden uitgevoerd.
Elke Staat-Partij treft passende maatregelen teneinde te waarborgen dat zijn rechtshandhavende of andere bevoegde functionarissen en rechtshandhavende of andere bevoegde functionarissen van andere Staten-Partijen die namens hem optreden, over de bevoegdheden beschikken om uit hoofde van dit artikel op te treden.
Bij of na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, wijst elke Staat-Partij de autoriteit, of indien nodig de autoriteiten, aan voor het ontvangen en beantwoorden van verzoeken om bijstand, bevestiging van de nationaliteit en voor machtiging om passende maatregelen te treffen. Van deze aanwijzing, met inbegrip van de contactgegevens, wordt binnen een maand nadat de Staat-Partij partij is geworden, kennisgeving gedaan aan de Secretaris-Generaal, die alle andere Staten-Partijen binnen een maand na de aanwijzing in kennis stelt. Elke Staat-Partij is verantwoordelijk voor de onverwijlde kennisgeving via de Secretaris-Generaal van alle wijzigingen in de aanwijzing of contactgegevens.
Artikel 11bis
Geen van de in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, aangemerkt als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of om wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk delict niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.
Artikel 11ter
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Verdragsluitende Staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering vanwege in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten of tot wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of geslacht of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
Artikel 12bis
Een persoon die in detentie zit of een straf ondergaat op het grondgebied van een Staat-Partij, om wiens aanwezigheid op het grondgebied van een andere Staat-Partij wordt verzocht ten behoeve van identificatie, een getuigenverklaring of voor het op andere wijze verlenen van medewerking ter verkrijging van bewijs voor onderzoek of vervolging inzake strafbare feiten omschreven in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater, mag worden overgebracht, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
- a. de persoon geeft vrijwillig zijn op volledige informatie gebaseerde toestemming; en
- b. de bevoegde autoriteiten van beide Staten stemmen ermee in overeenkomstig de voorwaarden die deze Staten gepast achten.
Voor de toepassing van dit artikel:
- a. is de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht bevoegd en verplicht de overgebrachte persoon in detentie te houden, tenzij anderszins verzocht of gemachtigd door de Staat vanwaar de persoon is overgebracht;
- b. komt de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht onverwijld zijn verplichting na tot terugzending van de persoon voor detentie door de Staat vanwaar deze persoon is overgebracht zoals vooraf overeengekomen, of zoals anderszins overeengekomen door de bevoegde autoriteiten van beide Staten;
- c. verlangt de Staat waarnaar de persoon wordt overgebracht niet van de Staat vanwaar de persoon is overgebracht dat deze een uitleveringsprocedure instelt ten behoeve van de terugkeer van de persoon;
- d. krijgt de overgebrachte persoon vermindering van de straf die hij in de Staat vanwaar hij is overgebracht moet uitzitten met de tijd die hij in detentie heeft doorgebracht in de Staat waarnaar hij is overgebracht.
Tenzij de Staat-Partij vanwaar een persoon overeenkomstig dit artikel moet worden overgebracht daarmee instemt, wordt die persoon, ongeacht zijn nationaliteit, niet vervolgd of in detentie genomen, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waarnaar deze persoon wordt overgebracht, wegens feiten of veroordelingen voorafgaand aan zijn vertrek uit het grondgebied van de Staat vanwaar deze persoon werd overgebracht.
Artikel 16bis. Slotbepalingen van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart van 2005
De slotbepalingen van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart van 2005 zijn de artikelen 17 tot en met 24 van het Protocol van 2005 bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart. Verwijzingen in dit Verdrag naar Staten-Partijen verwijzen naar Staten-Partijen bij dat Protocol.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed this Convention.
DONE at Rome this tenth day of March one thousand nine hundred and eighty-eight.