← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart

Geldende tekst a fecha 2011-05-30

De Staten-Partijen bij dit Verdrag,

Indachtig de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties betreffende de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de bevordering van vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen Staten,

Erkennend in het bijzonder dat een ieder recht heeft op leven, vrijheid en veiligheid van zijn persoon, zoals uiteengezet in de Universele verklaring van de rechten van de mens en het Internationale Verdrag inzake de burgerrechten en de politieke rechten,

Ernstig bezorgd over de toeneming over de gehele wereld van daden van terrorisme in al zijn vormen, waardoor onschuldigen in gevaar worden gebracht of van het leven worden beroofd, fundamentele vrijheden worden bedreigd en de menselijke waardigheid ernstig wordt aangetast,

Overwegend dat wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de veiligheid van personen en goederen in gevaar brengen, de exploitatie van zeediensten ernstig aantasten en het vertrouwen dat de volkeren der wereld stellen in de veiligheid der zeevaart ondermijnen,

Overwegend dat dergelijke gedragingen de gehele internationale gemeenschap ernstig verontrusten,

Overtuigd van de dringende behoefte aan de totstandkoming van internationale samenwerking tussen Staten bij de opstelling en het nemen van doeltreffende en praktische maatregelen ter voorkoming van alle wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede bij de vervolging en bestraffing van de daders,

In herinnering brengend resolutie 40/61 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 9 december 1985 die, onder andere, „alle Staten dringend verzoekt om hetzij eenzijdig, hetzij in samenwerking met andere Staten, alsook de desbetreffende organen van de Verenigde Naties, een bijdrage te leveren aan de geleidelijke uitbanning van de oorzaken van het internationale terrorisme en bijzondere aandacht te besteden aan alle omstandigheden - met inbegrip van kolonialisme, racisme en omstandigheden waarin sprake is van massale en flagrante schendingen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, alsmede omstandigheden waarin sprake is van een vreemde bezetting - die aanleiding kunnen geven tot internationaal terrorisme en die de internationale vrede en veiligheid in gevaar kunnen brengen”,

Voorts in herinnering brengend dat resolutie 40/61 „alle daden, methoden en praktijken van terrorisme, ongeacht waar en door wie gepleegd of toegepast, met inbegrip van die welke de vriendschappelijke betrekkingen tussen Staten en hun veiligheid in gevaar brengen, ondubbelzinnig bestempelt als misdadig”,

Tevens in herinnering brengend dat de Internationale Maritieme Organisatie in resolutie 40/61 was verzocht „het vraagstuk van het terrorisme aan boord van of gericht tegen schepen te bestuderen, teneinde passende maatregelen te kunnen aanbevelen”,

Indachtig resolutie A.584(14) van 20 november 1985 van de Vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, die opriep tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van wederrechtelijke gedragingen die de veiligheid van schepen en die van hun passagiers en bemanningen bedreigen,

Vaststellend dat gedragingen van de bemanning die zijn onderworpen aan de gewone scheepstucht buiten de werkingssfeer van dit Verdrag vallen,

Bevestigend dat het wenselijk is de regels en normen met betrekking tot de voorkoming en bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen schepen en personen aan boord van schepen nauwlettend te volgen, teneinde deze indien nodig te kunnen aanpassen, en in dat kader met voldoening nota nemend van de maatregelen tot voorkoming van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen passagiers en bemanningen aan boord van schepen, aanbevolen door de Maritieme Veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie,

Voorts bevestigend dat aangelegenheden die niet voor dit Verdrag worden geregeld, beheerst blijven door de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht,

Erkennend de noodzaak dat alle Staten bij de bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart de regelen en beginselen van algemeen internationaal recht strikt naleven,

Zijn als volgt overeengekomen:

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Dit Verdrag is niet van toepassing op:

2.

Dit Verdrag laat de immuniteiten van oorlogsschepen en andere staatsschepen die niet voor handelsdoeleinden worden gebruikt onverlet.

Artikel 3
1.

Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:

2.

Aan een strafbaar feit maakt zich eveneens schuldig hij die dreigt, al dan niet gepaard gaand met een voorwaarde zoals voorzien in de nationale wetgeving, teneinde een natuurlijke persoon of een rechtspersoon te dwingen tot het verrichten of zich onthouden van een handeling, een van de in het eerste lid, sub b, c en e omschreven strafbare feiten te plegen, indien door deze dreiging de veilige vaart van het schip in kwestie in gevaar kan worden gebracht.

Artikel 4
1.

Dit Verdrag is van toepassing indien het schip wateren in-, uit- of doorvaart, dan wel volgens het vaarschema zal in-, uit- of doorvaren, welke zijn gelegen buiten de buitengrenzen van de territoriale zee van één Staat, of de zijgrenzen van zijn territoriale zee met aangrenzende Staten.

2.

Ingeval het Verdrag niet van toepassing is op grond van het eerste lid, is het niettemin van toepassing, indien de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen op het grondgebied van een andere dan de in het eerste lid bedoelde Staat-Partij.

Artikel 5

Elke Staat-Partij stelt op de in de artikelen 3, 3bis, 3teren 3quater omschreven strafbare feiten passende straffen die rekening houden met de ernst van deze feiten.

Artikel 6
1.

Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten, wanneer het strafbare feit wordt gepleegd:

2.

Een Staat-Partij kan eveneens zijn rechtsmacht met betrekking tot genoemde strafbare feiten vastleggen, wanneer:

3.

Elke Staat-Partij die rechtsmacht zoals bedoeld in het tweede lid heeft gevestigd, stelt de Secretaris-Generaal daarvan in kennis. Indien een Staat-Partij daarna zijn rechtsmacht ter zake intrekt, stelt hij de Secretaris-Generaal daarvan in kennis.

4.

Elke Staat-Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om zijn rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op zijn grondgebied bevindt en hij deze persoon niet uitlevert aan een Staat-Partij die zijn rechtsmacht heeft gevestigd in overeenstemming met het eerste en tweede lid van dit artikel.

5.

Dit Verdrag sluit geen enkele in overeenstemming met de nationale wetgeving uitgeoefende rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit.

Artikel 7
1.

Een Staat-Partij op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, neemt deze, indien hij, ervan overtuigd is dat de omstandigheden zulks wettigen, in overeenstemming met zijn wetgeving, in hechtenis of neemt andere maatregelen ter verzekering van diens aanwezigheid gedurende de tijd die nodig is voor het instellen van strafvervolging of een uitleveringsprocedure.

2.

Deze Staat stelt terstond een voorlopig onderzoek in naar de feiten in overeenstemming me zijn eigen wetgeving.

3.

Een ieder tegen wie de in het eerste lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht:

4.

De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Staat op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig kunnen worden verwezenlijkt.

5.

Wanneer een Staat-Partij krachtens dit artikel een persoon in hechtenis heeft genomen, stelt hij de Staten die overeenkomstig artikel 6, eerste lid, hun rechtsmacht hebben vastgelegd, alsmede, wanneer hij dit nodig acht, alle andere belanghebbende Staten, onverwijld in kennis van het feit dat de betrokken persoon in hechtenis is genomen en van de omstandigheden die zijn hechtenis rechtvaardigen. De Staat die het in het tweede lid van dit artikel bedoelde voorlopig onderzoek instelt, deelt zijn bevindingen onverwijld mede aan genoemde Staten en geeft tevens aan of hij voornemens is zijn rechtsmacht uit te oefenen.

Artikel 8
1.

De kapitein van een schip van een Staat-Partij (de „vlaggenstaat”) kan aan de autoriteiten van een andere Staat-Partij (de „ontvangende Staat”) elke persoon overdragen ten aanzien van wie de kapitein redelijke gronden heeft om aan te nemen dat deze een van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten heeft gepleegd.

2.

De vlaggestaat ziet erop toe dat de kapitein van zijn schip wordt verplicht, wanneer zulks uitvoerbaar is, en indien mogelijk voordat het schip de territoriale zee van de ontvangende Staat invaart met aan boord een persoon die de kapitein voornemens is over te dragen in overeenstemming met het eerste lid, de autoriteiten van de ontvangende Staat in kennis te stellen van zijn voornemen de betrokken persoon over te dragen, alsook van de redenen daarvoor.

3.

De ontvangende Staat aanvaardt de overdracht, tenzij hij gronden heeft om te menen dat het Verdrag niet van toepassing is op de gedragingen die tot de overdracht aanleiding geven, en handelt overeenkomstig de bepalingen van artikel 7. Een weigering een overdracht te aanvaarden gaat vergezeld van een opgave van de redenen voor de weigering.

4.

De vlaggestaat ziet erop toe dat de kapitein van zijn schip wordt verplicht de autoriteiten van de ontvangende Staat het bewijsmateriaal te verstrekken waarover de kapitein beschikt met betrekking tot het beweerde strafbare feit.

5.

Een ontvangende Staat die de overdracht van een persoon overeenkomstig het derde lid heeft aanvaard, kan op zijn beurt de vlaggestaat verzoeken de overdracht van de betrokken persoon te aanvaarden. De vlaggestaat neemt een dergelijk verzoek in overweging en indien hij het verzoek inwilligt, handelt hij overeenkomstig artikel 7. Indien de vlaggestaat een verzoek afwijst, geeft hij de ontvangende Staat een opgave van de redenen daarvoor.

Artikel 9

De regelen van internationaal recht met betrekking tot de bevoegdheid van Staten om rechtsmacht op het gebied van opsporing en tenuitvoerlegging uit te oefenen aan boord van schepen die niet onder hun vlag varen, worden op generlei wijze door dit Verdrag aangetast.

Artikel 10
1.

Een Staat-Partij op het grondgebied waarvan de dader of de vermoedelijke dader wordt aangetroffen is in de gevallen waarop artikel 6 van toepassing is, indien hij hem niet uitlevert, ongeacht of het strafbare feit op zijn grondgebied is gepleegd, zonder enige uitzondering verplicht de zaak terstond over te dragen aan zijn bevoegde autoriteiten voor vervolging door middel van een proces overeenkomstig de wetten van die Staat. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander strafbaar feit van ernstige aard krachtens de wetgeving van die Staat.

2.

Eenieder die in detentie wordt gesteld of tegen wie andere maatregelen worden getroffen of een proces aanhangig wordt gemaakt op grond van dit Verdrag, wordt een eerlijke behandeling verzekerd, met inbegrip van het genot van alle rechten en waarborgen in overeenstemming met de wetgeving van de Staat op wiens grondgebied die persoon zich bevindt en de toepasselijke bepalingen van internationaal recht, met inbegrip van het internationale recht inzake de rechten van de mens.

Artikel 11
1.

De in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten worden geacht als uitleveringsdelicten te zijn opgenomen in alle bestaande uitleveringsverdragen tussen de Staten-Partijen. De Staten-Partijen verplichten zich ertoe deze strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in elk uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.

2.

Indien een Staat-Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Staat-Partij waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Staat-Partij, indien hij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten. Uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat-Partij voorziet.

3.

Staten-Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden waarin het recht van de aangezochte Staat-Partij voorziet.

4.

Indien nodig worden de in de artikelen 3, 3bis,3ter en 3quater omschreven strafbare feiten ten behoeve van uitlevering tussen Staten-Partijen beschouwd als waren zij niet alleen begaan op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op een plaats onder de rechtsmacht van de Staat-Partij die om uitlevering verzoekt.

5.

Een Staat-Partij die meer dan één verzoek om uitlevering ontvangt van Staten die overeenkomstig artikel 6 hun rechtsmacht hebben vastgelegd, en die besluit niet te vervolgen, neemt bij de keuze van de Staat waaraan de dader of de vermoedelijke dader zal worden uitgeleverd, de belangen en verantwoordelijkheden in acht van de Staat-Partij onder de vlag waarvan het schip voert op het tijdstip waarop het strafbare feit werd gepleegd.

6.

Wanneer de aangezochte Staat een verzoek om uitlevering van een vermoedelijke dader uit hoofde van dit Verdrag in overweging neemt, neemt hij daarbij in acht of deze diens rechten, zoals bedoeld in artikel 7, derde lid, kan doen gelden in de verzoekende Staat.

7.

Met betrekking tot de in dit Verdrag omschreven strafbare feiten worden de bepalingen van alle uitleveringsverdragen en regelingen die tussen de Staten-Partijen bestaan in hun onderlinge betrekkingen gewijzigd, voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit verdrag.

Artikel 12
1.

De Staten-Partijen verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp in verband met strafrechtelijke procedures die zijn ingesteld wegens de in de artikelen 3, 3bis, 3teren 3quater omschreven strafbare feiten, met inbegrip van rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor de procedure.

2.

De Staten-Partijen komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste lid na in overeenstemming met de verdragen inzake wederzijdse rechtshulp die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen ontbreken, verlenen de Staten-Partijen elkander rechtshulp overeenkomstig hun nationale recht.

Artikel 13
1.

De Staten-Partijen werken samen ter voorkoming van de in de artikelen 3, 3bis, 3ter en 3quater omschreven strafbare feiten, met name door:

2.

Wanneer ten gevolge van het plegen van een in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbaar feit de doorvaart van een schip is vertraagd of onderbroken, dient de Staat-Partij op het grondgebied waarvan het schip, de passagiers of de bemanningsleden zich bevinden, al het mogelijke in het werk te stellen om te vermijden dat het schip, zijn passagiers, bemanning of lading onnodig worden opgehouden of vertraagd.

Artikel 14

Een Staat-Partij die reden heeft om aan te nemen dat een strafbaar feit zoals omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater zal worden gepleegd, verstrekt, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving, zo spoedig mogelijk alle ter zake dienende inlichtingen waarover hij beschikt aan de Staten waarvan hij meent dat zij de Staten zijn die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 6.

Artikel 15
1.

Elke Staat-Partij verstrekt, in overeenstemming met zijn nationale recht, aan de Secretaris-Generaal zo spoedig mogelijk alle ter zake dienende inlichtingen waarover hij beschikt betreffende:

2.

De Staat-Partij waarin de Vermoedelijke dader wordt vervolgd, deelt, in overeenstemming met zijn nationale wetgeving, de afloop van de procedures mede aan de Secretaris-Generaal.

3.

De uit hoofde van het eerste en tweede lid verstrekte inlichtingen worden door de Secretaris-Generaal medegedeeld aan alle Staten-Partijen, aan de leden van de Organisatie, aan de andere betrokken Staten en aan de desbetreffende internationale intergouvernementele organisaties.

Artikel 16
1.

Elk geschil tussen twee of meer Staten-Partijen inzake de uitleg of toepassing van dit Verdrag dat niet binnen een redelijke termijn door onderhandelingen kan worden beslecht, wordt op verzoek van één van hen onderworpen aan arbitrage. Indien de partijen binnen zes maanden na de datum van het verzoek om arbitrage er niet in zijn geslaagd overeenstemming te bereiken over de regeling van deze arbitrage, kan ieder der betrokken partijen het geschil voorleggen aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof.

2.

Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Verdrag, dan wel bij toetreding daartoe, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door de bepalingen van het eerste lid, of door één daarvan. De overige Staten-Partijen zijn door die bepalingen niet gebonden tegenover een Staat-Partij die zulk een voorbehoud heeft gemaakt.

3.

Een Staat die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het tweede lid, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal.

Artikel 17
1.

Dit Verdrag staat voor ondertekening open te Rome op 10 maart 1988 door Staten die hebben deelgenomen aan de Internationale Conferentie inzake de bestrijding van wederrechtelijke gedragingen tegen de veiligheid van de zeevaart, alsmede op de zetel van de Organisatie door alle Staten van 14 maart 1988 tot 9 maart 1989. Daarna blijft het openstaan voor toetreding.

2.

Staten kunnen van hun instemming door dit Verdrag te worden gebonden doen blijken door middel van

3.

Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door middel van nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 18
1.

Dit verdrag treedt in werking negentig dagen na de datum waarop vijftien Staten het hebben ondertekend zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, of een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd.

2.

Voor een Staat die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding met betrekking tot dit Verdrag heeft nedergelegd nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding is voldaan, treedt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding in werking negentig dagen na de datum van nederlegging.

Artikel 19
1.

Dit Verdrag kan door elke Staat-Partij te allen tijde worden opgezegd na het verstrijken van een jaar na de datum waarop het Verdrag voor die Staat in werking is getreden.

2.

Opzegging geschiedt door middel van nederlegging van een akte van opzegging bij de Secretaris-Generaal.

3.

Een opzegging wordt van kracht één jaar, of zoveel later als aangegeven in de akte van opzegging, na de ontvangst van de akte van opzegging door de Secretaris-Generaal.

Artikel 20
1.

Door de Organisatie kan een conferentie worden belegd met het oog op herziening of wijziging van dit Verdrag.

2.

Op verzoek van een derde der Staten-Partijen, of van tien Staten-Partijen, naargelang van welk aantal het grootst is, belegt de Secretaris-Generaal een conferentie van de Staten-Partijen bij dit Verdrag ter herziening of wijziging van dit Verdrag.

3.

Een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding die is nedergelegd na de datum van inwerkingtreding van een wijziging van dit Verdrag wordt geacht van toepassing te zijn op het gewijzigde Verdrag.

Artikel 21
1.

Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

2.

De Secretaris-Generaal:

3.

Terstond na inwerkingtreding van dit Verdrag zendt de Depositaris een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 22

Dit Verdrag is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde elke tekst gelijkelijk authentiek.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed this Convention.

DONE at Rome this tenth day of March one thousand nine hundred and eighty-eight.

Artikel 2bis
1.

Niets in dit Verdrag tast op enige wijze andere rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden aan van Staten en personen op grond van het internationaal recht, met name de doelstellingen en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties, en de internationale mensenrechten, het vluchtelingenrecht en het humanitair recht.

2.

Dit Verdrag is niet van toepassing op de handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair rechten evenmin op handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een Staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht.

3.

Dit Verdrag laat onverlet de rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden uit hoofde van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, gedaan te Washington, Londen en Moskou op 1 juli 1968, het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie en de aanleg van voorraden van bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Washington, Londen en Moskou op 10 april 1972 of het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de produktie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens, gedaan te Parijs op 13 januari 1993, van de Staten die partij zijn bij deze verdragen.

Artikel 3bis
1.

Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk:

2.

Geen strafbaar feit in de zin van dit Verdrag is het vervoer van een goed of materiaal waarop het eerste lid, sub b. iii. van toepassing is, of, voorzover dit betrekking heeft op een kernwapen of ander nucleair explosief instrument, het eerste lid, sub b. iv., indien dit goed of materiaal wordt vervoerd naar of vanuit het grondgebied van, of anderszins wordt vervoerd onder toezicht van een Staat die partij is bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens, wanneer:

Artikel 3ter

Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich schuldig hij die wederrechtelijk en opzettelijk een andere persoon aan boord van een schip vervoert, wetende dat deze persoon een strafbaar feit heeft gepleegd zoals omschreven in artikel 3, 3bis of 3quater of een strafbaar feit omschreven in een van de verdragen omschreven in de Bijlage, en met het oogmerk die persoon te helpen strafrechtelijke vervolging te ontlopen.

Artikel 3quater

Aan een strafbaar feit in de zin van dit Verdrag maakt zich tevens schuldig hij die:

Artikel 5bis
1.

Elke Staat-Partij neemt, in overeenstemming met zijn nationale rechtsbeginselen de nodige maatregelen om een op zijn grondgebied gevestigde of overeenkomstig zijn wetgeving georganiseerde rechtspersoon aansprakelijk te stellen wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor de leiding van of het toezicht op die rechtspersoon, in die hoedanigheid een in dit Verdrag omschreven strafbaar feit heeft gepleegd. Deze aansprakelijkheid kan straf-, civiel- of bestuursrechtelijk zijn.

2.

Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.

3.

Elke Staat-Partij ziet er in het bijzonder op toe dat de overeenkomstig het eerste lid aansprakelijke rechtspersonen worden onderworpen aan doeltreffende, proportionele en ontmoedigende straf-, civiel- of bestuursrechtelijke sancties. Dergelijke sancties kunnen geldelijke sancties omvatten.

Artikel 8bis
1.

De Staten-Partijen werken in zo ruim mogelijke mate samen teneinde strafbare feiten waarop dit Verdrag van toepassing is te voorkomen en te bestrijden, in overeenstemming met het internationaal recht, en reageren zo spoedig mogelijk op verzoeken uit hoofde van dit artikel.

2.

Elk verzoek uit hoofde van dit artikel dient zo mogelijk de naam van het verdachte schip, het IMO scheepsidentificatienummer, de thuishaven, de havens van herkomst en bestemming en alle andere relevante informatie te bevatten. Indien een verzoek mondeling wordt overgebracht, bevestigt de verzoekende Partij het verzoek zo spoedig mogelijk schriftelijk. De aangezochte Partij bevestigt onverwijld de ontvangst van elk schriftelijk of mondeling verzoek.

3.

De Staten-Partijen houden rekening met de gevaren en moeilijkheden waarmee het aan boord gaan van een schip op zee en het doorzoeken van zijn lading gepaard gaan, en overwegen of andere passende maatregelen die tussen de betrokken Staten zijn overeengekomen beter in de volgende aanloophaven of elders kunnen worden uitgevoerd.

4.

Een Staat-Partij die redelijke gronden heeft om te vermoeden dat een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater is, wordt of zal worden gepleegd waarbij een schip dat onder zijn vlag vaart betrokken is, kan andere Staten-Partijen verzoeken om bijstand bij het voorkomen of bestrijden van dat feit. De aldus aangezochte Staten-Partijen stellen alles in het werk om deze bijstand binnen de hen ter beschikking staande middelen te verlenen.

5.

Indien rechtshandhaving- of andere bevoegde functionarissen van een Staat-Partij („de verzoekende Partij”) een schip aantreffen dat vaart onder de vlag of de registratiekenmerken vertoont van een andere Staat-Partij („de eerste Partij”) en zich zeewaarts bevindt van de territoriale zee van een Staat, en de verzoekende Partij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat het schip of een persoon aan boord van het schip betrokken is, is geweest of zal worden bij het plegen van een strafbaar feit omschreven in artikel 3, 3bis,3ter of 3quater, en de verzoekende Partij aan boord wenst te gaan,

De uit hoofde van dit lid gedane kennisgevingen kunnen te allen tijde worden herroepen.

6.

Indien bewijzen worden gevonden van gedragingen omschreven in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater als resultaat van het aan boord gaan uit hoofde van dit artikel, kan de vlaggenstaat de verzoekende Partij machtigen het schip, de lading en opvarenden aan te houden in afwachting van nadere instructies van de vlaggenstaat.

De verzoekende Partij stelt de vlaggenstaat onverwijld in kennis van de resultaten van het aan boord gaan, de doorzoeking, het onderzoek aan lichaam en kleding en de aanhouding uit hoofde van dit artikel. De verzoekende Partij stelt de vlaggenstaat tevens onverwijld op de hoogte van de ontdekking van bewijs van wederrechtelijke gedragingen waarop dit Verdrag niet van toepassing is.

7.

Overeenkomstig de overige bepalingen van dit Verdrag kan de vlaggenstaat zijn machtiging uit hoofde van het vijfde of zesde lid afhankelijk stellen van voorwaarden, waaronder de ontvangst van aanvullende gegevens van de verzoekende Partij en voorwaarden ten aanzien van de verantwoordelijkheid voor en omvang van de te treffen maatregelen. Zonder de uitdrukkelijke machtiging van de vlaggenstaat mogen geen aanvullende maatregelen worden getroffen, tenzij zulks noodzakelijk is om dreigend gevaar voor het leven van personen af te wenden of indien dergelijke maatregelen voortvloeien uit relevante bilaterale of multilaterale overeenkomsten.

8.

Voor alle gevallen waarin aan boord van een schip wordt gegaan, is de vlaggenstaat bevoegd rechtsmacht uit te oefenen over een aangehouden schip, zijn lading of overige goederen en de opvarenden, met inbegrip van inbeslagneming, verbeurdverklaring, aanhouding en vervolging. De vlaggenstaat kan, met inachtneming van zijn grondwet en wetgeving, instemmen met de uitoefening van rechtsmacht door een andere Staat met rechtsmacht uit hoofde van artikel 6.

9.

Bij de uitvoering van de maatregelen uit hoofde van dit artikel waarvoor machtiging is verleend, dient het gebruik van geweld te worden vermeden, tenzij zulks noodzakelijk is om de veiligheid van functionarissen en opvarenden te waarborgen of indien de functionarissen worden gehinderd bij de uitvoering van de maatregelen waarvoor machtiging is verleend. De mate van geweld gebruikt uit hoofde van dit artikel mag niet groter zijn dan redelijkerwijs nodig is in de gegeven situatie.

10.

Waarborgen:

11.

Dit artikel is niet van toepassing op, noch vormt het een beperking voor, het aan boord gaan van schepen door een Staat-Partij in overeenstemming met het internationaal recht, die zich zeewaarts van de territoriale zee van een Staat bevinden, ongeacht of dit geschiedt op grond van het recht van onderzoek, het verlenen van hulp aan personen, schepen of goederen die in nood of gevaar verkeren, of op grond van een machtiging door de vlaggenstaat teneinde een rechtshandhavende of andere maatregel uit te voeren.

12.

De Staten-Partijen worden uitgenodigd standaardprocedures te ontwikkelen voor gezamenlijk optreden uit hoofde van dit artikel en, waar van toepassing, met andere Staten-Partijen te overleggen teneinde dergelijke standaardprocedures op elkaar af te stemmen voor de uitvoering van operaties.

13.

De Staten-Partijen kunnen onderling verdragen of overeenkomsten sluiten ter vergemakkelijking van de rechtshandhavingsoperaties die in overeenstemming met dit artikel worden uitgevoerd.

14.

Elke Staat-Partij treft passende maatregelen teneinde te waarborgen dat zijn rechtshandhavende of andere bevoegde functionarissen en rechtshandhavende of andere bevoegde functionarissen van andere Staten-Partijen die namens hem optreden, over de bevoegdheden beschikken om uit hoofde van dit artikel op te treden.

15.

Bij of na de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, wijst elke Staat-Partij de autoriteit, of indien nodig de autoriteiten, aan voor het ontvangen en beantwoorden van verzoeken om bijstand, bevestiging van de nationaliteit en voor machtiging om passende maatregelen te treffen. Van deze aanwijzing, met inbegrip van de contactgegevens, wordt binnen een maand nadat de Staat-Partij partij is geworden, kennisgeving gedaan aan de Secretaris-Generaal, die alle andere Staten-Partijen binnen een maand na de aanwijzing in kennis stelt. Elke Staat-Partij is verantwoordelijk voor de onverwijlde kennisgeving via de Secretaris-Generaal van alle wijzigingen in de aanwijzing of contactgegevens.

Artikel 11bis

Geen van de in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, aangemerkt als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of om wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk delict niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.

Artikel 11ter

Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Verdragsluitende Staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering vanwege in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater omschreven strafbare feiten of tot wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst, politieke overtuiging of geslacht of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.

Artikel 12bis
1.

Een persoon die in detentie zit of een straf ondergaat op het grondgebied van een Staat-Partij, om wiens aanwezigheid op het grondgebied van een andere Staat-Partij wordt verzocht ten behoeve van identificatie, een getuigenverklaring of voor het op andere wijze verlenen van medewerking ter verkrijging van bewijs voor onderzoek of vervolging inzake strafbare feiten omschreven in artikel 3, 3bis, 3ter of 3quater, mag worden overgebracht, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

2.

Voor de toepassing van dit artikel:

3.

Tenzij de Staat-Partij vanwaar een persoon overeenkomstig dit artikel moet worden overgebracht daarmee instemt, wordt die persoon, ongeacht zijn nationaliteit, niet vervolgd of in detentie genomen, noch aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid onderworpen op het grondgebied van de Staat waarnaar deze persoon wordt overgebracht, wegens feiten of veroordelingen voorafgaand aan zijn vertrek uit het grondgebied van de Staat vanwaar deze persoon werd overgebracht.

Artikel 16bis. Slotbepalingen van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart van 2005

De slotbepalingen van het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart van 2005 zijn de artikelen 17 tot en met 24 van het Protocol van 2005 bij het Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart. Verwijzingen in dit Verdrag naar Staten-Partijen verwijzen naar Staten-Partijen bij dat Protocol.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed this Convention.

DONE at Rome this tenth day of March one thousand nine hundred and eighty-eight.