Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Staat Israël
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël,
Geleid door de wens de betrekkingen tussen de beide Staten op het gebied van de sociale zekerheid te regelen,
Zijn overeengekomen het volgende Verdrag te sluiten:
DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag:
- 1). wordt onder „Nederland” verstaan het Koninkrijk der Nederlanden en onder „Israël” de Staat Israël;
- 2). wordt onder „grondgebied” verstaan wat Nederland betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa,wat Israël betreft: het grondgebied van Israël;
- 3). wordt onder „wetgeving” verstaan de van kracht zijnde wetten, regelingen en administratieve bepalingen die betrekking hebben op de in artikel 2 bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid;
- 4). wordt onder „bevoegde autoriteit” verstaan wat Nederland betreft: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, wat Israël betreft: de Minister van Arbeid en Sociale Zaken;
- 5). wordt onder „verzekeringsorgaan” verstaan het lichaam dat of de autoriteit die belast is met de uitvoering van de in artikel 2 bedoelde wetgevingen;
- 6). wordt onder „bevoegd verzekeringsorgaan” verstaan het krachtens de toe te passen wetgeving bevoegde verzekeringsorgaan;
- 7). wordt onder „bevoegde Staat” verstaan de Staat op het grondgebied waarvan het bevoegde verzekeringsorgaan is gevestigd;
- 8). wordt onder „verbindingsorgaan” verstaan een orgaan voor verbinding en informatie tussen de verzekeringsorganen van de beide Verdragsluitende Partijen ten einde de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken en voor het informeren van de belanghebbende personen omtrent hun rechten en verplichtingen op grond van het Verdrag;
- 9). wordt onder „gezinslid” verstaan een gezinslid overeenkomstig de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde verzekeringsorgaan, ten laste waarvan de uitkeringen worden verleend, is gevestigd;
- 10). wordt onder „tijdvakken van verzekering” verstaan tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van dienstbetrekking, van beroepswerkzaamheden of van wonen, die als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving krachtens welke zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
- 11). wordt onder „uitkering” of „pensioen” verstaan een uitkering of pensioen krachtens de toe te passen wetgeving, met inbegrip van alle bestanddelen daarvan, alsmede alle verhogingen en aanvullende betalingen ingevolge deze wetgeving.
In dit Verdrag hebben andere termen de betekenis die daaraan wordt gegeven krachtens de wetgeving die wordt toegepast.
Artikel 1a
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, is dit Verdrag van toepassing op personen op wie de wetgeving van een van de Verdragsluitende Partijen van toepassing is of is geweest, en op andere personen ten aanzien van de rechten die zij aan eerstvermelde personen ontlenen.
Artikel 2
Dit Verdrag is van toepassing
- A. in Nederland op alle wetgevingen betreffende de navolgende takken:
- a). ziekteuitkeringsverzekering, met inbegrip van het stelsel inzake de aansprakelijkheid van een werkgever,
- b). invaliditeitsverzekering,
- c). ouderdomsverzekering,
- d). nabestaandenverzekering,
- e). werkloosheidsverzekering,
- f). kinderbijslagen;
- B. in Israël op de Algemene Verzekeringswet (Samengevoegde tekst) 5755-1995 voor zover deze van toepassing is op de volgende takken:
- a). verzekering inzake ouderdom en nagelaten betrekkingen,
- b). invaliditeitsverzekering,
- c). arbeidsongevallenverzekering,
- d). moederschapsverzekering,
- e). kinderverzekering,
- f). werkloosheidsverzekering.
Onverminderd het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, is dit Verdrag eveneens van toepassing op de wetgeving waarbij de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgevingen worden gewijzigd, aangevuld of samengevoegd.
Dit Verdrag is slechts van toepassing op een andere wetgeving dan de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgevingen, betreffende een nieuw stelsel of een nieuwe tak van sociale zekerheid, indien de Verdragsluitende Partijen zulks overeenkomen.
Dit Verdrag is niet van toepassing op wetgevingen die de toepassing van de in het eerste lid van dit artikel genoemde wetgevingen uitbreiden tot nieuwe groepen van rechthebbenden, indien de bevoegde autoriteit van de betrokken Staat zulks besluiten hiervan binnen zes maanden na de datum van de in artikel 24, eerste lid, bedoelde kennisgeving van deze wetgeving mededeling doet.
Dit Verdrag is niet van toepassing op regelingen inzake sociale of medische bijstand, noch op bijzondere regelingen voor ambtenaren of met hen gelijkgestelden.
Artikel 3
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden voor de toepassing van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de volgende personen, die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen, gelijkgesteld met onderdanen van die Verdragsluitende Partij:
- a). onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij;
- b). vluchtelingen, als bedoeld in artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en in het eerste lid van artikel 1 van het Protocol van 31 januari 1967 bij genoemd verdrag;
- c). staatlozen, als bedoeld in artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen van 28 september 1954;
- d). andere personen met betrekking tot rechten die zij van een onderdaan van een Verdragsluitende Partij of van een in dit artikel bedoelde vluchteling of staatloze afleiden.
Artikel 4
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, kunnen pensioenen en andere uitkeringen, met uitzondering van werkloosheidsuitkeringen, kinderbijslagen en toeslagen ingevolge de Toeslagenwet van 6 november 1986, niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst of ingetrokken op grond van het feit dat de uitkeringsgerechtigde op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont.
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden pensioenen en andere uitkeringen die zijn verschuldigd krachtens de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen, aan de onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij, die in een derde Staat wonen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate verleend als aan de onderdanen van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij die in die derde Staat wonen.
Artikel 5
De bepalingen van een wetgeving van een Verdragsluitende Partij inzake vermindering, schorsing of intrekking van pensioenen en andere uitkeringen van een tak van sociale zekerheid ingeval van samenloop met pensioenen en andere uitkeringen van een andere tak of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepswerkzaamheden, zijn eveneens op een rechthebbende van toepassing met betrekking tot pensioenen en andere uitkeringen die krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij zijn verkregen of met betrekking tot inkomsten die zijn verworven of werkzaamheden die zijn verricht op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
DEEL II. BEPALINGEN INZAKE DE TOE TE PASSEN WETGEVING
Artikel 6
Personen op wie de bepalingen van dit deel van het Verdrag van toepassing zijn, zijn onderworpen aan de wetgeving van slechts één Verdragsluitende Partij. Die wetgeving wordt vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 6a tot en met 6d.
Artikel 6a
Op een persoon die als werknemer werkt op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij is de wetgeving van die Verdragsluitende Partij van toepassing.
Op een zelfstandige die normaliter woont op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij en die voor eigen rekening werkzaamheden verricht op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij is, ten aanzien van die werkzaamheden, de wetgeving van eerstgenoemde Partij van toepassing indien de duur van die werkzaamheden niet meer dan 24 maanden bedraagt.
Op een zelfstandige die normaliter woont op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij en die voor eigen rekening werkzaamheden verricht op de grondgebieden van beide Verdragsluitende Partijen is, ten aanzien van die werkzaamheden, de wetgeving van eerstgenoemde Partij van toepassing.
Artikel 6b
Indien een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij werkzaam is, door zijn werkgever wordt uitgezonden naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij teneinde aldaar voor dezelfde werkgever arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij op hem van toepassing gedurende een periode van 24 maanden na zijn uitzending alsof hij nog op het grondgebied van die Partij werkzaam was.
Artikel 6c
Op ambulant personeel dat, in dienst van een onderneming die voor rekening van anderen of voor eigen rekening vervoer verricht, werkzaamheden verricht op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de onderneming haar zetel heeft, van toepassing alsof het op dat grondgebied werkzaam was.
Op personen die aan boord van een zeeschip of een luchtvaartuig werkzaam zijn in dienst van een onderneming die haar zetel op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij heeft, is de wetgeving van die Partij van toepassing alsof zij op dat grondgebied werkzaam waren.
Artikel 6d
Dit Verdrag laat onverlet de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer of van de algemene regelingen van internationaal gewoonterecht betreffende consulaire voorrechten en immuniteiten met betrekking tot de in artikel 2, eerste lid, genoemde wetgevingen.
Artikel 6b is zonder beperking in tijd van toepassing op overheidspersoneel, behalve op de personen op wie de in het eerste lid van dit artikel bedoelde bepalingen en regels van toepassing zijn, wanneer zij naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij worden uitgezonden.
Artikel 7
Een werknemer of zelfstandige op wie ingevolge artikel 6a, tweede lid, artikel 6b en artikel 6d, tweede lid, de wetgeving van een Verdragsluitende Partij van toepassing is, alsmede de hem vergezellende gezinsleden, worden te dien einde beschouwd als personen waarop de wetgeving van die Verdragsluitende Partij van toepassing is.
Indien een in het eerste lid van dit artikel bedoeld gezinslid betaalde arbeid verricht op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarnaar de persoon is uitgezonden, of een pensioen of een uitkering ontvangt ingevolge de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij, is op deze persoon de wetgeving van deze Verdragsluitende Partij van toepassing.
Artikel 8
Voor de toepassing van de Nederlandse wetgeving wordt een persoon op wie in overeenstemming met dit deel van het Verdrag de Nederlandse wetgeving van toepassing is, geacht op het grondgebied van Nederland te wonen.
Artikel 9
De bevoegde autoriteiten van de beide Verdragsluitende Partijen kunnen bij overeenkomst in het belang van de betrokken personen voorzien in uitzonderingen op de artikelen 6a tot en met 6d.
Artikel 7 is in de in dit artikel bedoelde gevallen van overeenkomstige toepassing.
DEEL III. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE DE VERSCHILLENDE SOORTEN UITKERINGEN
Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap
Artikel 10
Een persoon die voldoet aan de door de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen geniet deze uitkeringen, zelfs indien deze persoon zich op het grondgebied van de andere Staat bevindt. De uitkeringen worden door het bevoegde verzekeringsorgaan betaald overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
Artikel 11
Indien een vrouw tijdvakken van verzekering van ten minste acht weken heeft vervuld krachtens de wetgeving van de ene Verdragsluitende Partij worden, indien zulks noodzakelijk is, tijdvakken van verzekering die voorheen zijn vervuld krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij, in aanmerking genomen bij de vaststelling van het recht op moederschapsuitkeringen van die vrouw, alsof deze tijdvakken waren vervuld krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij.
Bij de berekening van de uitkering bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt slechts inkomen dat is verworven op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij die de uitkering betaalt, in aanmerking genomen.
Hoofdstuk 2. Invaliditeit
Artikel 12
Wanneer een persoon achtereenvolgens aan de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, heeft hij uitsluitend recht op uitkeringen voorzien in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die op haar van toepassing was op het tijdstip waarop de gebeurtenis die de arbeidsongeschiktheid met daaropvolgende invaliditeit heeft veroorzaakt, heeft plaatsgevonden, en overeenkomstig deze wetgeving.
De kosten van deze uitkeringen komen voor rekening van het bevoegde verzekeringsorgaan.
Indien de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, ontvangt hij de uitkeringen waarop hij nog recht heeft krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij.
De kosten van deze uitkeringen komen voor rekening van het verzekeringsorgaan van laatstbedoelde Partij.
In geval van toeneming van de invaliditeit waarvoor een persoon uitkeringen geniet
- a). krachtens de wetgeving van Israël, terwijl hij op het grondgebied van Nederland woont, neemt het Israëlische bevoegde verzekeringsorgaan die toeneming niet in aanmerking;
- b). krachtens de wetgeving van Nederland, terwijl hij op het grondgebied van Israël woont, neemt het Nederlandse bevoegde verzekeringsorgaan die toeneming in aanmerking overeenkomstig de Nederlandse wetgeving.
Bijzondere voorzieningen voor gehandicapten, onderhoudsuitkeringen voor gehandicapte kinderen van een verzekerde, beroepsrevalidatie voor een gehandicapte, beroepsscholing en een onderhoudsuitkering voor zijn/haar echtgeno(o)t(e), voorzien in de Israëlische wetgeving, worden aan een persoon als bovengenoemd verleend, mits hij/zij in Israël woont en zolang hij/zij daadwerkelijk in Israël verblijft.
Hoofdstuk 3. Arbeidsongevallen
Artikel 13
Het recht op uitkeringen verschuldigd voor een arbeidsongeval, wordt vastgesteld overeenkomstig de wetgeving die op de rechthebbende op het tijdstip dat het ongeval plaatsvond van toepassing was, als voorzien in Deel II.
Vergoeding voor een later arbeidsongeval wordt door het bevoegde verzekeringsorgaan vastgesteld op basis van de verhoogde mate van arbeidsongeschiktheid die door het latere ongeval is veroorzaakt, en overeenkomstig de wetgeving die genoemd orgaan dient toe te passen.
Indien volgens de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening wordt gehouden met vroeger voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, houdt het bevoegde orgaan eveneens rekening met vroeger als gevolg van werk op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, op de zelfde wijze alsof de wetgeving van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij van toepassing was.
Artikel 14
Uitkeringen in verband met een beroepsziekte worden vastgesteld volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waarvan de wetgeving van toepassing was toen de rechthebbende in het beroep werkzaam was dat het risico van de beroepsziekte met zich bracht, zelfs indien de beroepsziekte voor het eerst werd vastgesteld op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
Heeft de rechthebbende in een dergelijk beroep gewerkt op het grondgebied van beide Verdragsluitende Partijen, dan wordt de wetgeving van de Partij op het grondgebied waarvan de rechthebbende laatstelijk werkzaam was, toegepast.
Indien een beroepsziekte heeft geleid tot de toekenning van een uitkering krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, wordt vergoeding voor een verergering van de ziekte, die plaatsvindt op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, eveneens betaald volgens de wetgeving van eerstbedoelde Partij. Dit is echter niet van toepassing indien de verergering is toe te schrijven aan de uitoefening van werkzaamheden die een risico van de ziekte met zich brengen, op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.
Hoofdstuk 4. Ouderdom en nagelaten betrekkingen
Toepassing van de Israëlische wetgeving
Artikel 15
Indien een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen of een in artikel 3, letter b) of c), bedoelde persoon gedurende ten minste twaalf achtereenvolgende maanden in Israël verzekerd is geweest, maar over onvoldoende Israëlische tijdvakken van verzekering beschikt voor het recht op ouderdomspensioen of pensioen aan nagelaten betrekkingen, worden de tijdvakken van verzekering die krachtens de Nederlandse wetgeving zijn vervuld in aanmerking genomen voor zover deze niet samenvallen met Israëlische tijdvakken van verzekering.
Tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving vóór 1 april 1954 worden niet in aanmerking genomen.
Indien er voor de rechthebbende of zijn nagelaten betrekkingen met samentelling van tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, recht op uitkering bestaat, stelt het Israëlische bevoegde verzekeringsorgaan de uitkering als volgt vast:
- a). de Israëlische uitkering die verschuldigd is aan een persoon die de wachttijd van verzekering volgens de Israëlische wetgeving heeft vervuld, wordt als theoretisch bedrag in aanmerking genomen;
- b). op basis van het vorenbedoelde theoretische bedrag, berekent het verzekeringsorgaan de verschuldigde gedeeltelijke uitkering naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die de persoon krachtens de wetgeving van Israël heeft vervuld tot het totaal van alle tijdvakken van verzekering, die hij krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen heeft vervuld.
Voor het recht op ouderdomspensioen dient de rechthebbende onmiddellijk voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in Israël of in Nederland te hebben gewoond.
Voor het recht op pensioen aan nagelaten betrekkingen dienen de rechthebbende en de overledene op het tijdstip van het overlijden in Israël of in Nederland te hebben gewoond.
Bepalingen van de wetgeving van Israël betreffende de vrijstelling bij woonplaats in Israël van de wachttijd op grond waarvan recht ontstaat op een ouderdomspensioen en een pensioen aan nagelaten betrekkingen, zijn niet van toepassing op het bepaalde in het derde en vierde lid van dit artikel.
Beroepsscholing en onderhoudsuitkering voor weduwen en wezen worden slechts aan de in het eerste lid van dit artikel bedoelde personen betaald indien zij in Israël wonen en zo lang zij daadwerkelijk in Israël verblijven.
Een bijdrage in de begrafeniskosten wordt niet uitbetaald wanneer een persoon buiten Israël overlijdt en hij op de dag van zijn overlijden geen ingezetene van Israël was.
Toepassing van de Nederlandse wetgeving
Artikel 16
Ingeval van ouderdom stelt het Nederlandse verzekeringsorgaan het pensioen rechtstreeks en uitsluitend vast op basis van de krachtens de Nederlandse wetgeving inzake ouderdomsverzekering vervulde tijdvakken van verzekering.
Tijdvakken, gelegen vóór 1 januari 1957, gedurende welke de betrokkene na het bereiken van de 15-jarige leeftijd in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij, in een ander land woonachtig, in Nederland betaalde arbeid heeft verricht, worden mede als verzekeringstijdvakken aangemerkt indien hij niet direct voldoet aan de voorwaarden van de Nederlandse wetgeving, op grond waarvan zodanige tijdvakken worden gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering.
De in het tweede lid van dit artikel bedoelde tijdvakken worden bij de berekening van het ouderdomspensioen slechts in aanmerking genomen indien een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen of een in artikel 3, letter b) of c), bedoelde persoon na het bereiken van de 59-jarige leeftijd gedurende zes jaren op het grondgebied van één of van beide Verdragsluitende Partijen heeft gewoond en zolang die persoon op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen woont. Zij worden niet in aanmerking genomen wanneer zij samenvallen met tijdvakken die voor de berekening van een ouderdomspensioen krachtens de wetgeving van een andere Staat dan Nederland in aanmerking worden genomen.
Artikel 17
Onderdanen van elke Verdragsluitende Partij die uitkeringen hebben verkregen met toepassing van de overgangsbepalingen van de Algemene Ouderdomswet met betrekking tot personen die op 1 januari 1957 de 15-jarige leeftijd reeds bereikt hadden, maar nog niet de leeftijd van 65 jaar, behouden deze uitkeringen wanneer zij hun woonplaats naar het grondgebied van Israël overbrengen.
Artikel 18
Wanneer op een onderdaan van een der Verdragsluitende Partijen of op een in artikel 3, letter b) of c), bedoelde persoon op het tijdstip van zijn overlijden de Israëlische wetgeving inzake pensioenen van toepassing is en hij voordien gedurende ten minste in totaal 12 maanden krachtens de Nederlandse wetgeving inzake weduwen- en wezenverzekering verzekerd is geweest, heeft zijn weduwe recht op uitkering krachtens laatstbedoelde wetgeving, die overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid wordt berekend.
Het uitkeringsbedrag wordt berekend naar verhouding van de totale duur van de tijdvakken van verzekering, door de overledene krachtens de Nederlandse wetgeving vervuld vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd, tot het tijdvak liggende tussen de datum waarop hij de 15-jarige leeftijd had bereikt en de datum van zijn overlijden, doch uiterlijk de datum waarop hij de 65-jarige leeftijd had bereikt.
Artikel 19
Onderdanen van elke Verdragsluitende Partij die uitkeringen hebben verkregen met toepassing van de overgangsbepalingen van de Algemene Weduwen- en Wezenwet, behouden de uitkeringen indien zij hun woonplaats naar het grondgebied van Israël overbrengen.
Artikel 20
Het in artikel 4 neergelegde beginsel van gelijkheid van behandeling is niet van toepassing ten aanzien van de vrijwillig voortgezette verzekering inzake ouderdom en nagelaten betrekkingen voor zover het de betaling van verlaagde premies betreft.
Hoofdstuk 5. Werkloosheid
Artikel 21
Wanneer de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen op een persoon van toepassing is geweest, worden voor het verkrijgen van het recht op werkloosheidsuitkeringen, de tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking welke overeenkomstig de wetgeving van beide Partijen in aanmerking moeten worden genomen, samengeteld, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen.
Toepassing van het eerste lid van dit artikel vooronderstelt dat op de betrokkene laatstelijk van toepassing was de wetgeving van de Verdragsluitende Partij ingevolge welke hij aanspraak op uitkering maakt en dat hij in de laatste 12 maanden vóór het indienen van de aanvraag gedurende in totaal ten minste honderd dagen op het grondgebied van die Partij in dienstbetrekking arbeid heeft verricht. Wanneer zijn dienstbetrekking voor het verstrijken van honderd dagen is beëindigd, is het eerste lid evenwel toch van toepassing indien de dienstbetrekking buiten de schuld van de werknemer werd beëindigd en het de bedoeling was deze voor een langere periode te laten voortduren.
In gevallen waarin dit artikel van toepassing is, wordt bij de berekening van de uitkering slechts inkomen dat is verworven op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij die de uitkering betaalt, in aanmerking genomen.
Artikel 22
De duur van de uitkeringen waarop ingevolge artikel 21 krachtens de Israëlische wetgeving aanspraak bestaat, wordt beperkt ten einde rekening te houden met de periode waarover in de laatste twaalf maanden onmiddellijk aan de indiening van de aanvraag voorafgaande, aan de werkloze uitkeringen werden gedaan door een Nederlands verzekeringsorgaan.
Hoofdstuk 6. Kinderbijslag
Artikel 23
Indien krachtens de wetgeving van beide Verdragsluitende Partijen met betrekking tot hetzelfde kind en dezelfde periode recht op kinderbijslag bestaat, wordt deze slechts uitgekeerd overeenkomstig de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het kind woont.
DEEL IV. DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 24
De bevoegde autoriteiten stellen elkaar zo spoedig mogelijk in kennis van iedere wijziging in hun nationale wetgeving die op de toepassing van het Verdrag van invloed is.
De bevoegde autoriteiten kunnen regels vaststellen ter uitvoering van dit Verdrag. Voorts dragen zij er zorg voor dat op hun onderscheiden grondgebieden verbindingsorganen worden aangewezen om de uitvoering van dit Verdrag te vergemakkelijken.
Artikel 25
Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en de verzekeringsorganen van de Verdragsluitende Partijen elkaar behulpzaam als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. Dergelijke wederzijdse administratieve hulp wordt kosteloos verleend.
Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de autoriteiten en de verzekeringsorganen van de Verdragsluitende Partijen zich in het Engels rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen.
De autoriteiten, verzekeringsorganen en rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten welke hun zijn toegezonden niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een vreemde taal zijn gesteld, wanneer deze taal de officiële taal van de andere Partij of de Engelse taal is.
De diplomatieke en consulaire vertegenwoordigers van een Verdragsluitende Partij kunnen bij de autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij rechtstreeks inlichtingen inwinnen ten einde de belangen van hun onderdanen te waarborgen.
Artikel 26
De bevoegde autoriteiten houden elkaar op de hoogte van de maatregelen die voor de toepassing van dit Verdrag binnen hun grondgebied zijn getroffen.
Artikel 27
Elke vrijstelling van zegelrechten, griffie-of registratierechten, die op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen is verleend voor bescheiden en documenten die aan de autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van deze Partij dienen te worden overgelegd, geldt eveneens voor bescheiden en documenten, die ter uitvoering van dit Verdrag aan de autoriteiten en verzekeringsorganen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dienen te worden overgelegd. Documenten en bescheiden die ter uitvoering van dit Verdrag dienen te worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisatie door diplomatieke of consulaire autoriteiten.
Artikel 28
Aanvragen, beroepschriften en andere documenten die volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een bevoegde autoriteit of verzekeringsorgaan, zijn ontvankelijk indien zij binnen die termijn bij een overeenkomstige autoriteit of overeenkomstig verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij worden ingediend.
Een ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij ingediende aanvraag om uitkering, wordt tevens beschouwd als aanvraag om een overeenkomstige in de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij voorziene uitkering. Met betrekking tot ouderdomspensioen is dit echter niet van toepassing indien de aanvrager vermeldt dat de aanvraag uitsluitend betrekking heeft op uitkeringen krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Verdragsluitende Partij.
Artikel 29
Betalingen krachtens dit Verdrag kunnen rechtens geschieden in de munteenheid van de Verdragsluitende Partij die de betaling doet.
Indien valutabeperkingen door één der Verdragsluitende Partijen worden ingevoerd, treffen de twee Regeringen onmiddellijk en gezamenlijk maatregelen ten einde de overmaking tussen hun grondgebieden van benodigde geldbedragen, ter uitvoering van dit Verdrag, veilig te stellen.
Artikel 30
Wanneer bij de vaststelling of de herziening van ouderdomspensioenen of pensioenen aan nagelaten betrekkingen krachtens Hoofdstuk 4 van Deel III, het verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan aan het verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen. Laatstgenoemd orgaan maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft. Indien de terugvordering niet met de achterstallige termijnen kan worden verrekend, is het tweede lid van dit artikel van toepassing.
Wanneer in andere gevallen het verzekeringsorgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan op de wijze en binnen de grenzen, als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het verzekeringsorgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan de rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen die het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoelde orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekening bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving is voorzien, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.
Artikel 31
Geschillen welke met betrekking tot de toepassing van dit Verdrag ontstaan, worden opgelost door middel van onderhandelingen tussen de bevoegde autoriteiten.
Indien het geschil niet is beslecht binnen zes maanden na de datum waarop voor het eerst om dergelijke onderhandelingen is verzocht, wordt het voorgelegd aan een scheidsgerecht, waarvan de samenstelling en de procedure door de Verdragsluitende Partijen worden vastgesteld. Het scheidsgerecht beslecht het geschil volgens de grondbeginselen en in de geest van dit Verdrag. De scheidsrechterlijke beslissing is niet vatbaar voor beroep en is voor de Verdragsluitende Partijen bindend.
DEEL V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 32
Dit Verdrag geldt eveneens ten aanzien van gebeurtenissen die voor de inwerkingtreding ervan hebben plaatsgevonden. Krachtens dit Verdrag zijn echter geen uitkeringen verschuldigd over enig tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat, hoewel tijdvakken van verzekering of van wonen welke voor bedoelde inwerkingtreding zijn vervuld voor de vaststelling van de uitkeringen in aanmerking worden genomen.
Elke uitkering die in verband met de nationaliteit van de betrokkene niet is toegekend of die in verband met diens woonplaats op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij is geschorst, wordt op verzoek toegekend of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
Een uitkering die voor de inwerkingtreding van dit Verdrag is toegekend, wordt op aanvraag herzien met inachtneming van dit Verdrag. Herziening van een dergelijke uitkering kan eveneens ambtshalve plaatsvinden. Deze herziening mag niet tot gevolg hebben dat de uitkering wordt verminderd.
Bepalingen in de wetten van de Verdragsluitende Partijen betreffende verjaring en beëindiging van het recht op uitkering gelden niet ten aanzien van aan het eerste, tweede en derde lid van dit artikel te ontlenen rechten, mits de gerechtigde zijn aanvraag om een uitkering binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag indient.
Indien de aanvraag na afloop van de hierboven bedoelde termijn van twee jaar wordt ingediend, worden de uitkeringen vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend, gunstiger tenzij bepalingen van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die de uitkering verschuldigd is, van toepassing zijn.
Artikel 33
Dit Verdrag vervangt de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van de Staat Israël betreffende de uitbetaling van ouderdoms-, weduwen- en wezenpensioenen, ondertekend te 's-Gravenhage op 25 april 1963.
Artikel 34
Dit Verdrag kan door elk van beide Verdragsluitende Partijen worden opgezegd. Kennisgeving van opzegging dient te geschieden ten minste drie maanden voor het einde van het lopende kalenderjaar: het Verdrag houdt alsdan op van kracht te zijn aan het einde van het kalenderjaar waarin het wordt opgezegd.
Wanneer het Verdrag wordt opgezegd, blijven de bepalingen ervan van toepassing ten aanzien van reeds verkregen rechten op uitkering, ongeacht enige bepaling die in de wetgevingen van de beide Verdragsluitende Partijen mocht zijn opgenomen aangaande beperking van het recht op uitkering in verband met het wonen in, of het onderdaan zijn van andere landen. Aanspraken op toekomstige uitkeringen die op grond van het Verdrag kunnen zijn verkregen, worden bij bijzondere overeenkomst geregeld.
Artikel 35
Beide Verdragsluitende Partijen stellen elkaar schriftelijk in kennis van de voltooiing van hun onderscheiden constitutionele procedures vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag.
Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na de datum van de laatste van deze kennisgevingen.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed this Convention.
DONE in duplicate at Jerusalem on 25 April 1984, which corresponds to the 23rd day of Nissan 5744, in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands
(sd.) L. DE GRAAF
(sd.) M. P. S. VAN BERCKEL
For the Government of the State of Israel,
(sd.) A. UZAN
DEEL II. BEPALINGEN INZAKE DE TOE TE PASSEN WETGEVING
DEEL III. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE DE VERSCHILLENDE SOORTEN UITKERINGEN
Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap
Hoofdstuk 2. Invaliditeit
Toepassing van de Israëlische wetgeving
Toepassing van de Nederlandse wetgeving
Hoofdstuk 5. Werkloosheid
Hoofdstuk 6. Kinderbijslag
DEEL IV. DIVERSE BEPALINGEN
DEEL V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed this Convention.
DONE in duplicate at Jerusalem on 25 April 1984, which corresponds to the 23rd day of Nissan 5744, in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands
(sd.) L. DE GRAAF
(sd.) M. P. S. VAN BERCKEL
For the Government of the State of Israel,
(sd.) A. UZAN
Artikel 4a
Voor zover door de Nederlandse wetgeving wordt vereist en niettegenstaande artikel 4, wordt het woonlandbeginsel toegepast. Dit houdt in dat het bedrag van een uitkering wordt aangepast aan de kosten van levensonderhoud in het woonland van de uitkeringsgerechtigde.
DEEL II. BEPALINGEN INZAKE DE TOE TE PASSEN WETGEVING
DEEL III. BIJZONDERE BEPALINGEN INZAKE DE VERSCHILLENDE SOORTEN UITKERINGEN
Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap
Hoofdstuk 2. Invaliditeit
Hoofdstuk 3. Arbeidsongevallen
Hoofdstuk 4. Ouderdom en nagelaten betrekkingen
Toepassing van de Israëlische wetgeving
Toepassing van de Nederlandse wetgeving
Hoofdstuk 5. Werkloosheid
Hoofdstuk 6. Kinderbijslag
DEEL IV. DIVERSE BEPALINGEN
DEEL V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed this Convention.
DONE in duplicate at Jerusalem on 25 April 1984, which corresponds to the 23rd day of Nissan 5744, in the English language.
For the Government of the Kingdom of the Netherlands
(sd.) L. DE GRAAF
(sd.) M. P. S. VAN BERCKEL
For the Government of the State of Israel,
(sd.) A. UZAN