← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, gedaan te Lugano op 16 september 1988

Geldende tekst a fecha 1992-01-01

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Geleid door de wens op hun grondgebied de rechtsbescherming van degenen die er gevestigd zijn, te vergroten,

Overwegende dat het daartoe noodzakelijk is de bevoegdheid van hun gerechten in internationaal verband vast te stellen, de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken en, ter verzekering van de tenuitvoerlegging hiervan, alsmede van de tenuitvoerlegging van authentieke akten en gerechtelijke schikkingen, een vlotte rechtsgang in te voeren,

De Deense, de Duitse, de Finse, de Ierse, de Italiaanse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse, de IJslandse en de Zweedse tekst zijn niet afgedrukt.

Zich bewust van hun onderlinge banden, die op economisch gebied zijn bekrachtigd door de vrijhandelsovereenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Vrijhandelsassociatie,

Rekening houdend met het verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals dit gewijzigd is bij de toetredingsverdragen ingevolge de opeenvolgende uitbreidingen van de Europese Gemeenschappen,

Ervan overtuigd dat de uitbreiding van de beginselen van dat verdrag tot de Staten die partij zijn bij het onderhavige instrument, de juridische en economische samenwerking in Europa zal versterken,

Verlangende een zo groot mogelijke eenheid in de uitlegging ervan te bewerkstelligen,

Hebben in die geest besloten het onderhavige verdrag te sluiten en

Hebben overeenstemming bereikt omtrent de volgende bepalingen:

TITEL I. TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Dit verdrag wordt toegepast in burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht waarvoor deze zaken zich afspelen. Het heeft inzonderheid geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

Het is niet van toepassing op:

TITEL II. BEVOEGDHEID

Afdeling 1. Algemene bepalingen

Artikel 2

Onverminderd de bepalingen van dit verdrag worden degenen die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die Staat.

Voor degenen die niet de nationaliteit bezitten van de Staat waar zij woonplaats hebben, gelden de regels van rechterlijke bevoegdheid die op de eigen onderdanen van die Staat van toepassing zijn.

Artikel 3

Degenen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat woonplaats hebben, kunnen niet voor de rechter van een andere Verdragsluitende Staat worden opgeroepen dan krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 6 van deze titel gegeven regels. Tegen hen kunnen met name niet worden ingeroepen:

Artikel 4

Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, wordt de bevoegdheid in elke Verdragsluitende Staat geregeld door de wetgeving van die Staat, onverminderd de toepassing van het bepaalde in artikel 16.

Tegen deze verweerder kan ieder, ongeacht zijn nationaliteit, die op het grondgebied van een verdragsluitende Staat woonplaats heeft, aldaar op dezelfde voet als de eigen onderdanen van die Staat de bevoegdheidsregels inroepen die er van kracht zijn, met name de regels, bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Afdeling 2. Bijzondere bevoegdheid

Artikel 5

De verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, kan in een andere Verdragsluitende Staat voor de navolgende gerechten worden opgeroepen:

Artikel 6

Deze verweerder kan ook worden opgeroepen:

Artikel 6 bis

Wanneer een gerecht van een Verdragsluitende Staat uit hoofde van dit verdrag bevoegd is kennis te nemen van vorderingen ter zake van aansprakelijkheid voortvloeiend uit het gebruik of de exploitatie van een schip, neemt dit gerecht, of elk ander gerecht dat volgens het nationale recht van deze Staat in zijn plaats treedt, tevens kennis van de vorderingen tot beperking van deze aansprakelijkheid.

Afdeling 3. Bevoegdheid in verzekeringszaken

Artikel 7

De bevoegdheid in verzekeringszaken is in deze afdeling geregeld, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, nr. 5.

Artikel 8

De verzekeraar met woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen:

Wanneer de verzekeraar geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, maar in een Verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat,

Artikel 9

De verzekeraar kan bovendien worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering welke betrekking heeft op onroerende goederen betreft. Hetzelfde geldt voor het geval dat de verzekering zowel betrekking heeft op onroerende als op roerende goederen welke door een zelfde polis zijn gedekt en door hetzelfde onheil zijn getroffen.

Artikel 10

Ter zake van aansprakelijkheidsverzekering kan de verzekeraar eveneens worden opgeroepen voor het gerecht waar de rechtsvordering van de getroffene tegen de verzekerde aanhangig is, indien de voor dit gerecht geldende wetgeving het toelaat.

De artikelen 7, 8 en 9 zijn van toepassing op de vordering welke door de getroffene rechtstreeks tegen de verzekeraar wordt ingesteld, indien de rechtstreekse vordering mogelijk is.

Indien de wettelijke bepalingen betreffende deze rechtstreekse vordering het in het geding roepen van de verzekeringnemer of de verzekerde regelen, is hetzelfde gerecht ook te hunnen opzichte bevoegd.

Artikel 11

Onverminderd het bepaalde in artikel 10, derde lid, kan de vordering van de verzekeraar slechts worden gebracht voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de verweerder woonplaats heeft, ongeacht of deze laatste verzekeringnemer, verzekerde of begunstigde is.

De bepalingen van deze afdeling laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht voor hetwelk met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet.

Artikel 12

Van de bepalingen van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

Artikel 12 bis

De in artikel 12, nr. 5 bedoelde risico's zijn de volgende:

Afdeling 4. Bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten

Artikel 13

Ter zake van overeenkomsten gesloten door een persoon voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, hierna te noemen de consument, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd het bepaalde in de artikelen 4 en 5, nr. 5,

Wanneer de wederpartij van de consument geen woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, maar in een Verdragsluitende Staat een filiaal, een agentschap of enige andere vestiging heeft, wordt hij voor de geschillen betreffende de exploitatie daarvan geacht woonplaats te hebben op het grondgebied van die Staat.

Deze afdeling is niet van toepassing op de vervoerovereenkomst.

Artikel 14

De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan deze partij woonplaats heeft, hetzij voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.

De rechtsvordering die tegen de consument wordt ingesteld door de andere partij bij de overeenkomst kan slechts worden gebracht voor de gerechten van de Verdragsluitende Staat op het grondgebied waarvan de consument woonplaats heeft.

Deze bepalingen laten het recht om een tegeneis in te stellen bij het gerecht, waarvoor met inachtneming van deze afdeling de oorspronkelijke eis is gebracht, onverlet.

Artikel 15

Van de bepalingen van deze afdeling kan slechts worden afgeweken door overeenkomsten:

Afdeling 5. Exclusieve bevoegdheid

Artikel 16

Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd:

Afdeling 6. Door partijen aangewezen bevoegde rechter

Artikel 17
1.

Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, een gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen, ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die Staat bij uitsluiting bevoegd. Deze overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter dient te worden gesloten:

Wanneer een dergelijke overeenkomst wordt gesloten door partijen die geen van allen woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat hebben, kunnen de gerechten van de andere Verdragsluitende Staten van het geschil geen kennis nemen, zolang het aangewezen gerecht of de aangewezen gerechten zich niet onbevoegd hebben verklaard.

2.

Het gerecht of de gerechten van een Verdragsluitende Staat waaraan in de oprichtingsakte van een trust bevoegdheid is toegekend, zijn bij uitsluiting bevoegd kennis te nemen van een vordering tegen een oprichter, een trustee of een begunstigde van een trust, als het gaat om de betrekkingen tussen deze personen of om hun rechten of verplichtingen in het kader van de trust.

3.

Overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter en soortgelijke bedingen in akten tot oprichting van een trust hebben geen rechtsgevolg indien zij strijdig zijn met de bepalingen van de artikelen 12 en 15, of indien de gerechten op welker bevoegdheid inbreuk wordt gemaakt, krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd zijn.

4.

Indien een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter slechts is gemaakt ten behoeve van een der partijen, behoudt deze het recht zich te wenden tot elk ander gerecht dat op grond van dit verdrag bevoegd is.

5.

Ten aanzien van geschillen inzake individuele arbeidsovereenkomsten hebben overeenkomsten tot aanwijzing van een bevoegde rechter alleen gevolg indien deze laatste overeenkomsten zijn gesloten na het ontstaan van het geschil.

Artikel 18

Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van dit verdrag, is de rechter van een Verdragsluitende Staat voor wie de verweerder verschijnt, bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijnen uitsluitend ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd is.

Afdeling 7. Toetsing van de bevoegdheid en de ontvankelijkheid

Artikel 19

De rechter van een Verdragsluitende Staat bij wie een geschil aanhangig is gemaakt met als inzet een vordering waarvoor krachtens artikel 16 een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat bij uitsluiting bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

Artikel 20

Wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat voor een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, verklaart de rechter zich ambtshalve onbevoegd indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van dit verdrag.

De rechter is verplicht zijn uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op de verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

Het bepaalde in het voorgaande lid wordt vervangen door de bepalingen van artikel 15 van het verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of handelszaken, indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt, overeenkomstig het bepaalde in dat verdrag moest geschieden.

Afdeling 8. Aanhangigheid en samenhang

Artikel 21

Wanneer voor gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, welke hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.

Artikel 22

Wanneer samenhangende vorderingen bij gerechten van verschillende Verdragsluitende Staten zijn aangebracht en in eerste aanleg aanhangig zijn, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

Dit gerecht kan, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits zijn wetgeving de voeging van samenhangende zaken toestaat en het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, bevoegd is van de beide vorderingen kennis te nemen.

Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, ten einde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare uitspraken worden gegeven.

Artikel 23

Wanneer ten aanzien van de vorderingen meer dan een gerecht bij uitsluiting bevoegd is, worden partijen verwezen naar het gerecht waarbij de zaak het eerst aanhangig is gemaakt.

Afdeling 9. Voorlopige maatregelen en maatregelen tot bewaring van recht

Artikel 24

In de wetgeving van een Verdragsluitende Staat voorziene voorlopige of bewarende maatregelen kunnen bij de rechterlijke autoriteiten van die Staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat krachtens dit verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen.

TITEL III. ERKENNING EN TENUITVOERLEGGING

Artikel 25

Onder beslissing in de zin van dit verdrag wordt verstaan, elke door een gerecht van een Verdragsluitende Staat gegeven beslissing, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel, alsmede de vaststelling door de griffier van het bedrag der proceskosten.

Afdeling 1. Erkenning

Artikel 26

De in een Verdragsluitende Staat gegeven beslissingen worden in de overige Verdragsluitende Staten erkend zonder vorm van proces.

Indien tegen de erkenning van een beslissing bezwaar wordt gemaakt, kan iedere partij die er belang bij heeft, ten principale te zien vastgesteld dat de beslissing erkend dient te worden, gebruik maken van de procedure, geregeld in de afdelingen 2 en 3 van deze titel.

Wordt ten overstaan van een gerecht van een Verdragsluitende Staat de erkenning bij wege van tussenvordering gevraagd, dan is dit gerecht bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Artikel 27

Beslissingen worden niet erkend:

Artikel 28

De beslissingen worden eveneens niet erkend indien de bepalingen van de afdelingen 3, 4 en 5 van titel II zijn geschonden, alsook indien het in artikel 59 bedoelde geval zich voordoet.

Erkenning van een beslissing kan voorts worden geweigerd indien een van de in artikel 54 ter, derde lid, of in artikel 57, vierde lid, bedoelde gevallen zich voordoet.

Bij de toetsing of de in de vorige leden genoemde bevoegdheidsregels niet geschonden zijn, is de aangezochte instantie gebonden aan de feitelijke overwegingen op grond waarvan het gerecht van de Staat van herkomst zijn bevoegdheid heeft aangenomen.

Onverminderd het bepaalde in de eerste twee leden, mag de bevoegdheid van de gerechten van de Staat van herkomst niet worden getoetst; de bevoegdheidsregels betreffen niet de openbare orde als bedoeld in artikel 27, nr. 1.

Artikel 29

In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.

Artikel 30

De rechterlijke autoriteit van een Verdragsluitende Staat, bij wie de erkenning van een in een andere Verdragsluitende Staat gegeven beslissing wordt ingeroepen, kan haar uitspraak aanhouden indien tegen deze beslissing een gewoon rechtsmiddel is aangewend.

De rechterlijke autoriteit van een Verdragsluitende Staat, bij wie de erkenning wordt ingeroepen van een in Ierland of het Verenigd Koninkrijk gegeven beslissing, waarvan de tenuitvoerlegging door een daartegen aangewend rechtsmiddel in de Staat van herkomst is geschorst, kan haar uitspraak aanhouden.

Afdeling 2. Tenuitvoerlegging

Artikel 31

De beslissingen die in een Verdragsluitende Staat gegeven zijn en daar uitvoerbaar zijn, kunnen in een andere Verdragsluitende Staat ten uitvoer worden gelegd, nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard.

In het Verenigd Koninkrijk worden deze beslissingen in Engeland en Wales, in Schotland of in Noord-Ierland echter eerst ten uitvoer gelegd na ten verzoeke van iedere belanghebbende partij in het betrokken deel van het Verenigd Koninkrijk voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd.

Artikel 32
1.

Het verzoek wordt gericht:

2.

Het relatief bevoegde gerecht is dat van de woonplaats van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd. Indien deze partij geen woonplaats heeft in de aangezochte Staat, wordt de bevoegdheid bepaald door de plaats van tenuitvoerlegging.

Artikel 33

De vereisten waaraan het verzoek moet voldoen, worden vastgesteld door de wet van de aangezochte Staat.

De verzoeker moet, binnen het rechtsgebied van het gerecht dat van het verzoek kennis neemt, woonplaats kiezen. Kent echter de wetgeving van de aangezochte Staat geen woonplaatskeuze, dan kan de verzoeker een procesgemachtigde aanwijzen.

Bij het verzoek worden gevoegd de in de artikelen 46 en 47 genoemde documenten.

Artikel 34

Het gerecht tot hetwelk het verzoek is gericht, doet onverwijld uitspraak; de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, wordt in deze stand van de procedure niet gehoord.

Het verzoek kan slechts om een van de in de artikelen 27 en 28 genoemde redenen worden afgewezen.

In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissingen.

Artikel 35

De op het verzoek gegeven beslissing wordt door bemiddeling van de griffier onverwijld ter kennis van de verzoeker gebracht op de wijze als is bepaald in de wetgeving van de aangezochte Staat.

Artikel 36

Indien de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, kan de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevraagd, binnen één maand na de betekening van de beslissing daartegen verzet doen.

Indien deze partij woonplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat dan die waar de beslissing houdende verlof tot tenuitvoerlegging is gegeven, beloopt de termijn twee maanden en vangt aan op de dag dat de beslissing aan de partij in persoon of aan haar woonplaats is betekend. Deze termijn mag niet op grond van de afstand worden verlengd.

Artikel 37
1.

Het verzet wordt volgens de regels van de procedure op tegenspraak gebracht:

2.

Tegen de op het verzet gegeven beslissing kan

Artikel 38

Het gerecht dat over het verzet oordeelt, kan op verzoek van de partij die het verzet heeft gedaan, zijn uitspraak aanhouden indien tegen de in den vreemde gegeven beslissing in de Staat van herkomst een gewoon rechtsmiddel is aangewend of indien de termijn daarvoor nog niet is verstreken; in dit laatste geval kan het gerecht een termijn stellen waarbinnen het rechtsmiddel moet worden aangewend.

Indien de beslissing in Ierland of het Verenigd Koninkrijk is gegeven, wordt elk rechtsmiddel dat in de Staat van herkomst kan worden ingesteld, voor de toepassing van het eerste lid beschouwd als een gewoon rechtsmiddel.

Dit gerecht kan het verlof tot tenuitvoerlegging ook geven op voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld; de zekerheid wordt door het gerecht omschreven.

Artikel 39

Gedurende de termijn van verzet bedoeld in artikel 36, en tot het tijdstip dat daarover uitspraak is gedaan, kunnen slechts bewarende maatregelen worden genomen ten aanzien van de goederen van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd.

De beslissing waarbij de tenuitvoerlegging wordt toegestaan, houdt tevens het verlof in deze maatregelen te treffen.

Artikel 40
1.

Indien zijn verzoek is afgewezen, kan de verzoeker daartegen beroep instellen;

2.

De partij tegen wie de tenuitvoerlegging is gevraagd, wordt opgeroepen te verschijnen voor het gerecht bij hetwelk het beroep is ingesteld. In geval van verstek zijn de bepalingen van artikel 20, tweede en derde lid, van toepassing, ook wanneer deze partij geen woonplaats heeft op het grondgebied van een der Verdragsluitende Staten.

Artikel 41

Tegen de beslissing waarbij over het beroep bedoeld in artikel 40 uitspraak wordt gedaan, kan

Artikel 42

Wanneer in de in den vreemde gegeven beslissing uitspraak is gedaan over meer dan een punt van de eis, en de tenuitvoerlegging niet voor het geheel kan worden toegestaan, staat de rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging toe voor één of meer onderdelen daarvan.

De verzoeker kan vorderen dat het verlof tot tenuitvoerlegging een gedeelte van de uitspraak betreft.

Artikel 43

In den vreemde gegeven beslissingen die een veroordeling tot een dwangsom inhouden, kunnen in de aangezochte Staat slechts ten uitvoer worden gelegd indien het bedrag ervan door de gerechten van de Staat van herkomst definitief is bepaald.

Artikel 44

De verzoeker die in de Staat van herkomst in aanmerking kwam voor gehele of gedeeltelijke kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven, komt in de procedure volgens de artikelen 32 tot en met 35 in aanmerking voor de meest gunstige bijstand of voor de meest ruime vrijstelling waarin het recht van de aangezochte Staat voorziet.

De verzoeker die tenuitvoerlegging van een in Denemarken of IJsland door een administratieve autoriteit gegeven beslissing inzake onderhoudsverplichtingen vraagt, kan in de aangezochte Staat een beroep doen op het in het eerste lid bedoelde voorrecht, indien hij een door het Deense of door het IJslandse Ministerie van Justitie afgegeven verklaring overlegt ten bewijze van het feit dat hij voldoet aan de economische voorwaarden om hem geheel of gedeeltelijk voor kosteloze rechtsbijstand of vrijstelling van kosten en uitgaven in aanmerking te doen komen.

Artikel 45

Aan de partij die een Verdragsluitende Staat de tenuitvoerlegging vraagt van een in een andere Verdragsluitende Staat gegeven beslissing, kan geen enkele zekerheid of depot, onder welke benaming ook, worden opgelegd wegens de hoedanigheid van vreemdeling dan wel wegens het ontbreken van een woonplaats of verblijfplaats in eerstgenoemde Staat.

Afdeling 3. Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 46

De partij die de erkenning inroept of de tenuitvoerlegging verzoekt van een beslissing, moet overleggen:

Artikel 47

De partij die de tenuitvoerlegging verzoekt, moet bovendien overleggen:

Artikel 48

Bij gebreke van overlegging van de in de artikelen 46, nr. 2 en 47, nr. 2 bedoelde documenten kan de rechterlijke autoriteit voor de overlegging een termijn bepalen of gelijkwaardige documenten aanvaarden, dan wel, indien zij zich voldoende voorgelicht acht, van de overlegging vrijstelling verlenen.

Indien de rechterlijke autoriteit zulks verlangt, wordt van de documenten een vertaling overgelegd; de vertaling wordt gewaarmerkt door degene die in een van de Verdragsluitende Staten daartoe gemachtigd is.

Artikel 49

Geen enkele legalisatie of soortgelijke formaliteit mag worden geëist met betrekking tot de documenten genoemd in de artikelen 46, 47 en 48, tweede lid, alsook, in voorkomend geval, met betrekking tot de procesvolmacht.

TITEL IV. AUTHENTIEKE AKTEN EN GERECHTELIJKE SCHIKKINGEN

Artikel 50

Authentieke akten, verleden en uitvoerbaar in een Verdragsluitende Staat, worden op verzoek, overeenkomstig de in de artikelen 31 en volgende bedoelde procedure, in een andere Verdragsluitende Staat uitvoerbaar verklaard. Het verzoek kan slechts worden afgewezen indien de tenuitvoerlegging van de authentieke akte strijdig is met de openbare orde van de aangezochte Staat.

De overgelegde akte moet voldoen aan de voorwaarden, nodig voor haar echtheid in de Staat van herkomst.

De bepalingen van de afdeling 3 van titel III zijn, voorzover nodig, van toepassing.

Artikel 51

Gerechtelijke schikkingen welke in de loop van een geding tot stand zijn gekomen en die uitvoerbaar zijn in de Staat van herkomst, zijn op dezelfde voet als authentieke akten uitvoerbaar in de aangezochte Staat.

TITEL V. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 52

Om vast te stellen of een partij woonplaats heeft op het grondgebied van de Verdragsluitende Staat, bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past de rechter zijn interne wet toe.

Indien een partij geen woonplaats heeft in de Staat, bij een van welks gerechten een zaak aanhangig is, past de rechter ter vaststelling of zij een woonplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat, de wet van die Staat toe.

Artikel 53

Voor de toepassing van dit verdrag wordt de plaats van vestiging van vennootschappen en rechtspersonen gelijkgesteld met de woonplaats. Om deze plaats van vestiging vast te stellen, past de rechter evenwel de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe.

Om vast te stellen of een trust gevestigd is in de Verdragsluitende Staat bij welks gerechten de zaak aanhangig is gemaakt, past de rechter de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht toe.

TITEL VI. OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 54

De bepalingen van dit verdrag zijn slechts van toepassing op rechtsvorderingen ingesteld en authentieke akten verleden na de inwerkingtreding van het verdrag in de Staat van herkomst en, indien de erkenning of tenuitvoerlegging van een beslissing of authentieke akte wordt verzocht, na de inwerkingtreding in de aangezochte Staat.

Evenwel worden beslissingen, gegeven na de dag van inwerkingtreding van dit verdrag in de betrekkingen tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat naar aanleiding van voor deze dag ingestelde vorderingen, erkend en ten uitvoer gelegd overeenkomstig de bepalingen van titel III, indien de toegepaste bevoegdheidsregels overeenkomen met de regels voorzien in titel II, of neergelegd in een verdrag dat tussen de Staat van herkomst en de aangezochte Staat van kracht was toen de vordering werd ingesteld.

Indien de partijen in een geschil over een overeenkomst vóór de inwerkingtreding van dit verdrag schriftelijk waren overeengekomen op deze overeenkomst het Ierse recht of het recht van een deel van het Verenigd Koninkrijk toe te passen, blijven de gerechten van Ierland of van dit deel van het Verenigd Koninkrijk bevoegd om van dit geschil kennis te nemen.

Artikel 54 bis

Gedurende drie jaar na de inwerkingtreding van dit verdrag voor respectievelijk Denemarken, Griekenland, Ierland, IJsland, Noorwegen, Finland en Zweden, wordt in elk van deze Staten de bevoegdheid in zaken van zeerecht niet alleen bepaald overeenkomstig titel II ervan, maar ook overeenkomstig de bepalingen van nr. 1 tot en met nr. 7 hierna. Deze bepalingen zijn in elk van deze Staten evenwel niet langer van toepassing zodra het op 10 mei 1952 te Brussel ondertekende internationale verdrag tot eenmaking van enkele bepalingen inzake conservatoir beslag op zeeschepen voor die Staat in werking is getreden.

TITEL VII. VERHOUDING TOT HET VERDRAG VAN BRUSSEL EN TOT ANDERE VERDRAGEN

Artikel 54 ter
1.

Dit verdrag laat onverlet de toepassing door de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen van het op 27 september 1968 te Brussel ondertekende verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken en van het op 3 juni 1971 te Luxemburg ondertekende protocol betreffende de uitlegging van genoemd verdrag door het Hof van Justitie, zoals gewijzigd bij de verdragen betreffende de toetreding tot genoemd verdrag en tot genoemd protocol door de tot de Europese Gemeenschappen toetredende Staten, welk geheel van deze verdragen en van dit protocol hierna het „Verdrag van Brussel” worden genoemd.

2.

Dit verdrag is echter in elk geval van toepassing:

3.

Behalve op de gronden genoemd in titel III kan erkenning of tenuitvoerlegging worden geweigerd indien de rechterlijke bevoegdheidsgrond waarop de beslissing gebaseerd is, verschilt van de grond krachtens dit verdrag en erkenning of tenuitvoerlegging wordt geëist tegen een partij met woonplaats in een Verdragsluitende Staat die geen lid is van de Europese Gemeenschappen, tenzij de beslissing volgens het recht van de aangezochte Staat anderszins kan worden erkend of ten uitvoer kan worden gelegd.

Artikel 55

Onverminderd de bepalingen van de artikelen 54, tweede lid, en 56, vervangt dit verdrag tussen de Staten die daarbij partij zijn, de tussen twee of meer van deze Staten gesloten verdragen, te weten:

Artikel 56

De in artikel 55 vermelde verdragen blijven van kracht ten aanzien van onderwerpen waarop dit verdrag niet van toepassing is.

Zij blijven voorts van kracht met betrekking tot vóór de inwerkingtreding van dit verdrag gegeven beslissingen en verleden akten.

Artikel 57
1.

Dit verdrag laat onverlet de verdragen waarbij de Verdragsluitende Staten partij zijn of zullen zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.

2.

Dit verdrag staat er niet aan in de weg dat een gerecht van een Verdragsluitende Staat die partij is bij een in het eerste lid bedoeld verdrag, overeenkomstig dat verdrag kennis neemt van een zaak, ook indien de verweerder woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat die geen partij is bij dat verdrag. Dat gerecht past in ieder geval artikel 20 van het onderhavige verdrag toe.

3.

Beslissingen die een gerecht van een Verdragsluitende Staat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een in het eerste lid bedoeld verdrag, worden in de andere Verdragsluitende Staten overeenkomstig titel III van het onderhavige verdrag erkend en ten uitvoer gelegd.

4.

Behalve op de gronden genoemd in titel III kan erkenning of tenuitvoerlegging worden geweigerd wanneer de aangezochte Staat geen partij is bij een in het eerste lid bedoeld verdrag en de persoon tegen wie erkenning of tenuitvoerlegging wordt gevraagd woonplaats heeft in die Staat, tenzij de beslissing volgens het recht van de aangezochte Staat anderszins kan worden erkend of ten uitvoer kan worden gelegd.

5.

Indien een in het eerste lid bedoeld verdrag, waarbij zowel de Staat van herkomst als de aangezochte Staat partij zijn, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen, vinden die voorwaarden toepassing. In elk geval kunnen de bepalingen van het onderhavige verdrag betreffende de procedure voor erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen, worden toegepast.

Artikel 58

-

Artikel 59

Dit verdrag belet niet dat een Verdragsluitende Staat zich tegenover een derde Staat, bij een verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, verbindt om een beslissing niet te erkennen, welke, met name in een andere Verdragsluitende Staat, gegeven is tegen een verweerder die zijn woonplaats of zijn gewone verblijf had op het grondgebied van die derde Staat, indien in een door artikel 4 voorzien geval de beslissing slechts gegrond kon worden op een bevoegdheid als bedoeld in artikel 3, tweede lid.

Een Verdragsluitende Staat kan zich echter niet jegens een derde Staat verbinden om een beslissing niet te erkennen, die in een andere verdragsluitende Staat is gegeven door een gerecht dat zijn bevoegdheid grondt op de aanwezigheid in laatstgenoemde Staat van goederen die aan de verweerder toebehoren, of op het beslag dat door de eiser is gelegd op daar aanwezige goederen,

TITEL VIII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 60

Aan dit verdrag kunnen deelnemen:

Artikel 61
1.

Dit verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en van de Europese Vrijhandelsassociatie.

2.

Het verdrag wordt ter bekrachtiging voorgelegd aan de ondertekenende Staten. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Zwitserse Bondsraad.

3.

Het verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de datum waarop twee Staten, waarvan de een lid is van de Europese Gemeenschappen en de ander van de Europese Vrijhandelsassociatie, hun akten van bekrachtiging nederleggen.

4.

Het verdrag wordt met betrekking tot elke andere ondertekenende Staat van kracht op de eerst dag van de derde maand volgende op het nederleggen van de akte van bekrachtiging van die Staat.

Artikel 62
1.

Na de inwerkingtreding kunnen tot dit verdrag toetreden:

2.

Indien een toetredende Staat bijzonderheden voor de toepassing van protocol 1 wenst te verstrekken, worden daartoe onderhandelingen geopend. Voor deze onderhandelingen wordt een Conferentie bijeengeroepen door de Zwitserse Bondsraad.

3.

Met betrekking tot elke toetredende Staat treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op het nederleggen van de akte van toetreding.

4.

Ten aanzien van een in het eerste lid, sub a) of b), bedoelde toetredende Staat treedt het verdrag echter slechts in werking in betrekkingen tussen deze Staat en de Verdragsluitende Staten die geen bezwaar tegen deze toetreding hebben gemaakt voor de eerste dag van de derde maand die volgt op het nederleggen van de akte van toetreding.

Artikel 63

De toetredende Staat doet bij het nederleggen van zijn akte van toetreding de voor de toepassing van de artikelen 3, 32, 37, 40, 41 en 55 van dit verdrag vereiste mededelingen en verstrekt zo nodig de bijzonderheden die tijdens de onderhandelingen voor de toepassing van protocol 1 worden vastgesteld.

Artikel 64
1.

Dit verdrag wordt gesloten voor een eerste periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het overeenkomstig artikel 61, derde lid, in werking treedt, ook met betrekking tot Staten die het nadien bekrachtigen of die nadien toetreden.

2.

Aan het einde van de eerste periode van vijf jaar wordt het verdrag stilzwijgend van jaar tot jaar verlengd.

3.

Na het verstrijken van de eerste periode van vijf jaar kunnen de deelnemende Staten het verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad.

4.

De opzegging wordt van kracht aan het einde van het kalenderjaar volgende op het verstrijken van een periode van zes maanden na de datum van ontvangst door de Zwitserse Bondsraad van de kennisgeving van opzegging.

Artikel 65

Aan dit verdrag zijn toegevoegd:

Deze protocollen maken deel uit van het verdrag.

Artikel 66

Iedere Verdragsluitende Staat kan verzoeken om herziening van dit verdrag. Daartoe roept de Zwitserse Bondsraad binnen zes maanden na het verzoek om herziening een conferentie voor de herziening bijeen.

Artikel 67

De Zwitserse Bondsraad geeft aan de Staten die vertegenwoordigd waren op de diplomatieke Conferentie van Lugano en aan de Staten die nadien zijn toegetreden tot het verdrag, kennis van:

Artikel 68

Dit verdrag, opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Ierse, de IJslandse, de Italiaanse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, welke veertien teksten gelijkelijk authentiek zijn, zal worden nedergelegd in het archief van de Zwitserse Bondsraad, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift ervan toezendt aan de Regering van elke Staat die vertegenwoordigd was op de diplomatieke Conferentie van Lugano en aan de Regering van elke toetredende Staat.

De Hoge Verdragsluitende Partijen hebben overeenstemming bereikt over de volgende bepalingen, die als bijlage aan het Verdrag worden toegevoegd:

Artikel I

Ieder die in Luxemburg woonplaats heeft en met toepassing van artikel 5, nr. 1, voor een gerecht van een andere Verdragsluitende Staat is opgeroepen, kan de bevoegdheid van dit gerecht afwijzen. Dit gerecht verklaart zich ambtshalve onbevoegd indien de verweerder niet verschijnt.

Een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter in de zin van artikel 17 heeft, ten opzichte van een persoon die in Luxemburg woonplaats heeft, slechts rechtsgevolg indien deze de overeenkomst uitdrukkelijk en in het bijzonder heeft aanvaard.

Artikel I bis
1.

De Zwitserse Bondsstaat behoudt zich het recht voor om bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging te verklaren dat een in een andere Verdragsluitende Staat gegeven beslissing in Zwitserland niet wordt erkend of ten uitvoer gelegd wanneer

2.

Dit voorbehoud zal niet van toepassing zijn voor zover op het tijdstip waarop om erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht, een uitzondering op artikel 59 van de Zwitserse Federale Grondwet zal zijn toegestaan. De Zwitserse Regering zal de ondertekenende en de toetredende Staten in kennis stellen van dergelijke uitzonderingen.

3.

Dit voorbehoud heeft geen gevolg meer na 31 december 1999. Het kan te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel I ter

Elke Verdragsluitende Staat kan, door middel van een verklaring die wordt afgelegd bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding, zich het recht voorbehouden om, in weerwil van het bepaalde in artikel 28, in de andere Verdragsluitende Staten gegeven beslissingen niet te erkennen en ten uitvoer te leggen wanneer de bevoegdheid van het gerecht in de Staat van herkomst overeenkomstig artikel 16, nr. 1, sub b), uitsluitend berust op de woonplaats van de verweerder in de Staat van herkomst en het onroerend goed gelegen is in de Staat die het voorbehoud heeft gemaakt.

Artikel II

Degenen die in een Verdragsluitende Staat woonplaats hebben en wegens een onopzettelijk gepleegd strafbaar feit vervolgd worden voor de gerechten van een andere Verdragsluitende Staat, waarvan zij geen onderdaan zijn, zijn, onverminderd aldaar geldende gunstigere bepalingen, bevoegd zich te doen verdedigen door daartoe bevoegde personen, zelfs indien zij niet persoonlijk verschijnen.

Het gerecht dat de zaak berecht, kan echter de persoonlijke verschijning bevelen; indien deze niet heeft plaatsgevonden behoeft de beslissing, op de burgerlijke rechtsvordering gewezen zonder dat de betrokkene de gelegenheid heeft gehad zich te doen verdedigen, in de overige Verdragsluitende Staten niet te worden erkend, noch ten uitvoer te worden gelegd.

Artikel III

Ter zake van de procedure tot verlening van het verlof tot tenuitvoerlegging, wordt in de aangezochte Staat geen belasting, recht of heffing, evenredig aan het geldelijke belang der zaak, geheven.

Artikel IV

De gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken, opgemaakt op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, die medegedeeld of betekend moeten worden aan personen die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Staat bevinden, worden toegezonden op de wijze als is bepaald in tussen de Verdragsluitende Staten gesloten verdragen of overeenkomsten.

Tenzij de Staat van bestemming zich daartegen verzet bij een verklaring gedaan aan de Zwitserse Bondsraad, kunnen deze stukken ook rechtstreeks door de deurwaarders van de Staat waar de stukken zijn opgesteld, worden toegezonden aan de deurwaarders van de Staat op het grondgebied waarvan degene voor wie het stuk bestemd is, zich bevindt. In dat geval zendt de deurwaarder van de Staat van herkomst een afschrift van het stuk aan de deurwaarder, die in de aangezochte Staat bevoegd is het stuk uit te reiken aan degene voor wie het bestemd is. Deze uitreiking geschiedt volgens de door de wet van de aangezochte Staat voorgeschreven formaliteiten. De daarvan opgemaakte verklaring wordt rechtstreeks aan de deurwaarder van de Staat van herkomst toegezonden.

Artikel V

De rechterlijke bevoegdheid, bepaald in de artikelen 6, nr. 2, en 10 ten aanzien van de vordering tot vrijwaring of de vordering tot voeging of tussenkomst, kan in de Bondsrepubliek Duitsland, in Spanje, in Oostenrijk en in Zwitserland niet worden ingeroepen. Ieder die woonplaats heeft in een andere Verdragsluitende Staat, kan worden opgeroepen voor de gerechten van:

De in de overige verdragsluitende Staten krachtens de artikelen 6, nr. 2, en 10 gegeven beslissingen worden in de Bondsrepubliek Duitsland, in Spanje, in Oostenrijk en in Zwitserland overeenkomstig titel III erkend en ten uitvoer gelegd. De gevolgen voor derden van de beslissingen welke in deze Staten met toepassing van het bepaalde in het voorgaande lid zijn gegeven, worden eveneens in de overige Verdragsluitende Staten erkend.

Artikel V bis

Ten aanzien van onderhoudsverplichtingen worden onder de termen „rechter” en „gerecht” mede begrepen de Deense, IJslandse en Noorse administratieve autoriteiten.

Ten aanzien van burgerlijke en handelszaken worden de termen „rechter” en „gerecht” mede begrepen de Finse „ulosotonhaltija/ överexekutor".

Artikel V ter

Bij geschillen tussen de kapitein en een bemanningslid van een in Denemarken, Griekenland, Ierland, IJsland, Noorwegen, Portugal of Zweden geregistreerd zeeschip over de beloning of andere arbeidsvoorwaarden moet het gerecht van een Verdragsluitende Staat nagaan of de ten aanzien van het schip bevoegde diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van het geschil in kennis is gesteld. Zolang deze vertegenwoordiger niet van het geschil in kennis gesteld, moet het gerecht zijn uitspraak aanhouden. Het gerecht moet zich, zelfs ambtshalve, onbevoegd verklaren, indien deze vertegenwoordiger, na haar behoren van het geschil in kennis te zijn gesteld, gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden die hij krachtens een consulaire overeenkomst bezit, dan wel bij gebreke van een dergelijke overeenkomst, binnen de gestelde termijn bezwaren heeft gemaakt tegen de bevoegdheid.

Artikel V quater

-

Artikel V quinquies

Onverminderd de bevoegdheid van het Europees Octrooibureau volgens het op 5 oktober 1973 te München ondertekende Europees Octrooiverdrag, zijn de gerechten van elke Verdragsluitende Staat, zonder acht te slaan op de woonplaats, bij uitsluiting bevoegd ter zake van inschrijving of geldigheid van een Europees octrooi dat voor die Staat is verleend en dat geen Gemeenschapsoctrooi is krachtens artikel 86 van het op 15 december 1975 te Luxemburg ondertekende Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de gemeenschappelijke markt.

Artikel VI

De Verdragsluitende Staten zullen aan de Zwitserse Bondsraad mededeling doen van de tekst van hun wettelijke bepalingen, die verandering brengen hetzij in de in het verdrag vermelde artikelen uit hun wetgeving, hetzij in de aanwijzing van de gerechten in titel III, tweede afdeling, van het verdrag.

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Gelet op artikel 65 van het onderhavige verdrag,

Overwegende dat er een hechte band bestaat tussen dit verdrag en het verdrag van Brussel,

Overwegende dat bij het protocol van 3 juni 1971 de bevoegdheid van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is erkend om uitspraak te doen over de uitlegging van het verdrag van Brussel,

Met volledige kennis van de beslissingen die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag van Brussel tot het tijdstip van de ondertekening van het onderhavige verdrag, heeft gegeven,

Overwegende dat de onderhandelingen die tot de sluiting van dit verdrag hebben geleid, in het licht van die beslissingen gebaseerd zijn op het verdrag van Brussel,

Verlangende om, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de gerechten, verschillen in uitlegging te voorkomen en een zo groot mogelijke eenheid te bereiken in de uitlegging van dit verdrag, alsmede van het onderhavige verdrag en de bepalingen van het verdrag van Brussel die in hoofdzaak in dit verdrag zijn overgenomen,

Hebben overeenstemming bereikt over het volgende:

Artikel 1

De gerechten van elke Verdragsluitende Staat houden bij de toepassing en de uitlegging van dit verdrag naar behoren rekening met de beginselen vervat in alle relevante beslissingen van de gerechten van de andere Verdragsluitende Staten met betrekking tot het onderhavige verdrag.

Artikel 2
1.

De Verdragsluitende Partijen komen overeen een systeem in te stellen voor de uitwisseling van informatie betreffende de uit hoofde van dit verdrag gegeven beslissingen en de relevante, uit hoofde van het verdrag van Brussel gegeven beslissingen. Dit systeem omvat:

2.

De centrale instantie is de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 3
1.

Voor het onderhavige protocol wordt een permanent Comité opgericht.

2.

Het Comité bestaat uit vertegenwoordigers die worden aangewezen door elke ondertekenende en toetredende Staat.

3.

De Europese Gemeenschappen (de Commissie, het Hof van Justitie en het Secretariaat-Generaal van de Raad) en de Europese Vrijhandelsassociatie kunnen als waarnemer aan de vergaderingen deelnemen.

Artikel 4
1.

Op verzoek van een Verdragsluitende Staat roept de instantie van nederlegging van het verdrag het Comité bijeen om van gedachten te wisselen over de werking van het verdrag, met name over

2.

In het licht van de gedachtenwisselingen kan het Comité ook nagaan of het wenselijk is het verdrag op bepaalde punten te herzien, en aanbevelingen doen.

1

Voor de toepassing van dit verdrag worden de bepalingen betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen in bijzondere zaken, welke bepalingen in besluiten van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn of zullen worden vervat, op gelijke voet gesteld met de in artikel 57, eerste lid, van dit verdrag bedoelde verdragen.

2

Wanneer volgens een Verdragsluitende Staat een bepaling in een besluit van de Instellingen van de Europese Gemeenschappen niet verenigbaar is met het verdrag, beraden de Verdragsluitende Staten zich onverwijld over een wijziging van dit verdrag overeenkomstig artikel 66, onverminderd de toepassing van de bij protocol 2 ingestelde procedure.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder dit verdrag hebben gesteld.

GEDAAN te Lugano, de zestiende september negentienhonderd achtentachtig.