Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Kaapverdië
De Regering van het Koninkrijk der Nederlanden
en
de Regering van de Republiek Kaapverdië
Geleid door de wens de betrekkingen op het gebied van de sociale zekerheid tussen de beide Staten te regelen,
Zijn overeengekomen als volgt:
TITEL I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder:
- a). „grondgebied”: wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft: het grondgebied van het Koninkrijk in Europa (hierna te noemen „Nederland”); wat de Republiek Kaapverdië betreft: het grondgebied van de Republiek Kaapverdië;
- b). „onderdaan”: wat Nederland betreft: een persoon van Nederlandse nationaliteit; wat Kaapverdië betreft: een persoon van Kaapverdische nationaliteit;
- c). „werknemer”: een loontrekkende of een volgens de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij met hem gelijkgestelde persoon;
- d). „wetgeving”: de wetten, regelingen en statutaire bepalingen en alle andere uitvoeringsmaatregelen die betrekking hebben op de in artikel 2, eerste lid bedoelde takken en stelsels van sociale zekerheid;
- e). „bevoegde autoriteit”: de minister, of ministers dan wel met hen overeenkomstige autoriteit onder wie de regelingen inzake sociale zekerheid ressorteren;
- f). „bevoegd orgaan”: hetzij het orgaan waarbij de verzekerde is aangesloten op het tijdstip waarop hij om prestaties verzoekt, hetzij het orgaan dat hem prestaties verschuldigd is of zou zijn, indien hij woonde op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop dit orgaan zich bevindt, hetzij het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- g). „bevoegd land”: de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het bevoegde orgaan zich bevindt;
- h). „woonplaats”: de normale verblijfplaats;
- i). „verblijfplaats”: de tijdelijke verblijfplaats;
- j). „orgaan van de woonplaats”: het orgaan dat ter plaatse waar de belanghebbende woont, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende aangewezen orgaan;
- k). „orgaan van de verblijfplaats”: het orgaan dat ter plaatse waar de belanghebbende verblijft, bevoegd is de desbetreffende prestaties te verlenen volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij welke door dit orgaan wordt toegepast, of, indien een zodanig orgaan niet bestaat, het door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij aangewezen orgaan;
- l). „gezinsleden”: de personen die in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan zij wonen, als gezinslid worden aangemerkt of erkend of als huisgenoot worden aangeduid. Indien deze wetgeving echter slechts als gezinslid of huisgenoot beschouwt degene die bij de werkgever inwoont, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer de betrokken personen in hoofdzaak op kosten van bedoelde werknemer worden onderhouden;
- m). „nagelaten betrekkingen”: de personen die als zodanig worden aangemerkt of erkend in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden toegekend. Indien deze wetgeving echter slechts die personen die bij de overleden werknemer in huis woonden, als nagelaten betrekkingen beschouwt, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer de betrokken personen in hoofdzaak op kosten van de overleden werknemer kwamen;
- n). „tijdvakken van verzekering”: de tijdvakken van premiebetaling, dienstbetrekking of van wonen die als tijdvakken van verzekering omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld of worden geacht te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij als zodanig door deze wetgeving zijn erkend;
- o). „prestaties”, „uitkeringen”, „verstrekkingen”, „pensioenen” of „renten”: alle prestaties, uitkeringen, verstrekkingen, pensioenen of renten, met inbegrip van alle bedragen ten laste van de openbare middelen, verhogingen in verband met aanpassing aan het loon- of prijsniveau aanvullende uitkeringen, alsmede uitkeringen ineens in plaats van een pensioen.
Artikel 2
Dit Verdrag is van toepassing:
- A. In Nederland op de wetgeving betreffende:
- a). de ziekteverzekering (uitkeringen en verstrekkingen bij ziekte en moederschap);
- b). de arbeidsongeschiktheidsverzekering;
- c). de ouderdomsverzekering;
- d). de weduwen- en wezenverzekering;
- e). de werkloosheidsverzekering;
- f). de kinderbijslagen.
- B. In Kaapverdië op de wetgeving betreffende:
- a). de arbeidsongevallen en beroepsziekten;
- b). de prestaties bij ziekte;
- c). de prestaties bij invaliditeit, ouderdom en overlijden;
- d). de gezinsbijslagen.
Dit Verdrag is eveneens van toepassing op alle wetten of regelingen waarbij de wetgevingen genoemd in het eerste lid van dit artikel, worden of zullen worden gewijzigd of aangevuld.
Het is van toepassing:
- a). op wetten of regelingen die betrekking hebben op een nieuwe tak van sociale verzekering, mits daartoe een nadere overeenkomst tussen de Verdragsluitende Partijen wordt gesloten;
- b). op wetten of regelingen die de werking van de bestaande regelingen uitbreiden tot nieuwe groepen van rechthebbenden, mits de Regering van de betrokken Verdragsluitende Partij daartegen niet binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van bedoelde teksten bezwaar maakt.
Dit Verdrag is niet van toepassing op de sociale bijstand en evenmin op de bijzondere regelingen voor personen in overheidsdienst of met hen gelijkgestelden.
Artikel 3
Dit Verdrag is van toepassing op de Nederlandse en Kaapverdische werknemers op wie de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen van toepassing is of geweest is, alsmede op hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen.
Dit Verdrag is niet van toepassing op diplomatieke en consulaire beroepsambtenaren, met inbegrip van kanselarij-beambten.
Artikel 4
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag hebben de onderdanen van een Verdragsluitende Partij waarop dit Verdrag van toepassing is, de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit de wetgeving van de andere Partij onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van deze Partij.
Artikel 5
Tenzij in dit Verdrag anders wordt bepaald, worden de uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, aan de rechthebbenden uitbetaald, zelfs indien zij hun woonplaats op het grondgebied van de andere Partij vestigen.
De sociale verzekeringsuitkeringen van een der Verdragsluitende Partijen worden aan de onderdanen van de andere Partij, die in een derde land wonen, onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde mate verleend als aan de eigen onderdanen die in dat derde land wonen.
TITEL II. Bepalingen ter vaststelling van de toe te passen wetgeving
Artikel 6
- a. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 7 tot en met 9 is op werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, uitsluitend de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij op het grondgebied van de andere Partij wonen of indien de zetel van de onderneming of het domicilie van de werkgever waarbij zij werkzaam zijn, zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt.
- b. Indien, krachtens het onder deze titel bepaalde, op een werknemer de wetgeving van een Verdragsluitende Partij van toepassing is op het grondgebied waarvan hij niet woont, is deze wetgeving op hem van toepassing alsof hij op het grondgebied van deze Partij woonde.
Artikel 7
Op het beginsel, neergelegd in artikel 6, gelden de volgende uitzonderingen:
- a).
- i). op de werknemers die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij tewerkgesteld zijn door een onderneming waaraan zij normaal verbonden zijn en door deze onderneming gedetacheerd worden op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij ten einde aldaar voor haar rekening arbeid te verrichten, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing, mits de te verwachten duur van deze arbeid niet meer dan twaalf maanden bedraagt;
- ii). indien de te verrichten arbeid door onvoorziene omstandigheden de oorspronkelijk voorziene tijdsduur overschrijdt en meer dan twaalf maanden duurt, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij gedurende een nieuw tijdvak van ten hoogste twaalf maanden van toepassing, mits de bevoegde autoriteit van de andere Partij daaraan goedkeuring heeft gehecht;
- b). op de werknemers die in dienst zijn van een onderneming, welke voor rekening van anderen of voor eigen rekening personen of goederen vervoert per spoor, over de weg, door de lucht of te water, of de zeevisserij uitoefent en welke haar zetel heeft op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen, en die als lid van het ambulante personeel werkzaam zijn, is de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de onderneming haar zetel heeft, van toepassing, ongeacht welke de Verdragsluitende Partij is op het grondgebied waarvan zich hun woonplaats bevindt; op de werknemers die tewerkgesteld zijn door een filiaal of een vaste vertegenwoordiging, welke bedoelde onderneming heeft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan zij haar zetel heeft, is echter de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit filiaal of deze vaste vertegenwoordiging zich bevindt, van toepassing;
- c). op de werknemers behorend tot een officiële administratieve dienst van een der Verdragsluitende Partijen, die op het grondgebied van de andere Partij worden gedetacheerd, blijft de wetgeving van eerstbedoelde Partij van toepassing.
Artikel 8
Onverminderd het bepaalde in artikel 3, tweede lid is artikel 6 van toepassing op werknemers die bij diplomatieke zendingen of consulaire posten der Verdragsluitende Partijen werkzaam zijn en op diegenen die in persoonlijke dienst van ambtenaren van deze zendingen of posten zijn.
De in het eerste lid bedoelde werknemers die onderdaan zijn van de Verdragsluitende Partij welke door de desbetreffende diplomatieke zending of consulaire post wordt vertegenwoordigd, mogen evenwel kiezen voor toepassing van de wetgeving van deze Partij. Dit keuzerecht mag slechts eenmaal worden uitgeoefend en wel binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit Verdrag of na het tijdstip waarop de werknemer door de diplomatieke zending of consulaire post, onderscheidenlijk in persoonlijke dienst van ambtenaren van deze zending of post in dienst wordt genomen.
Artikel 9
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming ten behoeve van de belanghebbende werknemers uitzonderingen op de artikelen 6 tot en met 8 vaststellen.
TITEL III. Bijzondere bepalingen inzake de verschillende soorten prestaties
Hoofdstuk 1. Ziekte en moederschap
Artikel 10
Wanneer een werknemer achtereenvolgens of afwisselend aan de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden, met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties, de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgevingen van elk der Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, samengeteld, voor zover deze tijdvakken niet samenvallen.
Artikel 11
De werknemer die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan het bevoegde land woont en aan de in de wetgeving van het bevoegde land gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 10, in het land waar hij woont, recht op:
- a). verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woonplaats worden verleend, volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, alsof hij bij dit orgaan was aangesloten;
- b). uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
Het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden die op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan het bevoegde land wonen. Wanneer de gezinsleden echter in het land van hun woonplaats beroepsarbeid verrichten of sociale verzekeringsuitkeringen genieten op grond waarvan zij aanspraak op verstrekkingen kunnen maken, zijn de bepalingen van dit artikel niet op hen van toepassing.
Artikel 12
De in het voorgaande artikel bedoelde werknemer en zijn gezinsleden, die in het bevoegde land verblijven of hun woonplaats naar het bevoegde land overbrengen, hebben recht op prestaties ingevolge de wetgeving van dat land, zelfs indien zij voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap reeds vóór hun verblijf, respectievelijk vóór de overbrenging van hun woonplaats prestaties hebben genoten.
Artikel 13
Een werknemer die aan de door de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, heeft recht op prestaties gedurende een verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, wanneer zijn gezondheidstoestand onmiddellijk geneeskundige hulp noodzakelijk maakt.
Een werknemer die, nadat hij recht heeft verkregen op prestaties voor rekening van het orgaan van een der Verdragsluitende Partijen, van dit orgaan toestemming heeft verkregen om zijn woonplaats over te brengen naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, behoudt dat recht. De toestemming kan slechts worden geweigerd indien wordt vastgesteld dat verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van een geneeskundige behandeling.
Wanneer een werknemer, overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden, recht heeft op prestaties, worden de verstrekkingen voor rekening van het bevoegde orgaan verleend door het orgaan van de woon- of verblijfplaats volgens de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving, in het bijzonder wat betreft de omvang en de wijze van verlening van de verstrekkingen; de periode gedurende welke deze verstrekkingen worden verleend, wordt echter bepaald door de wetgeving van het bevoegde land.
In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen worden prothesen, kunstmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen, behalve in onmiskenbare spoedgevallen, slechts verschaft als het bevoegde orgaan daartoe machtiging verleent.
In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde gevallen worden de uitkeringen verleend door het bevoegde orgaan volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Deze uitkeringen kunnen door bemiddeling van het orgaan van de woon- of verblijfplaats voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend volgens de in een administratief akkoord vast te stellen regelen.
Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden, wanneer zij verblijven op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij of wanneer zij hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij nadat zij ziek of zwanger zijn geworden.
Artikel 14
Wanneer de pensioengerechtigde, aan wie pensioenen zijn verschuldigd krachtens de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen, recht heeft op verstrekkingen ingevolge de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont, worden aan deze pensioengerechtigde en zijn gezinsleden door het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan verstrekkingen verleend alsof hij uitsluitend in het genot was van een pensioen, verschuldigd krachtens de wetgeving van deze laatste Partij.
Wanneer de pensioengerechtigde, aan wie een pensioen is verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij woont, worden de verstrekkingen waarop hij krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij recht heeft of zou hebben indien hij op het grondgebied van deze Partij woonde, aan hemzelf en aan zijn gezinsleden verleend door het orgaan van de woonplaats volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
Wanneer de pensioengerechtigde aan wie een pensioen is verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij of aan wie pensioenen zijn verschuldigd krachtens de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen, recht heeft op verstrekkingen ingevolge de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen, of recht daarop zou hebben, indien hij op het grondgebied van deze Partij woonde, komen zijn gezinsleden die wonen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, waar de pensioengerechtigde niet woont, in aanmerking voor verstrekkingen alsof de pensioengerechtigde op hetzelfde grondgebied woonde als zij.
Deze verstrekkingen worden verleend door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden van de pensioengerechtigde, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving.
Indien de in het vorige lid bedoelde gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de Verdragsluitende Staat waar de pensioengerechtigde woont, komen zij in aanmerking voor verstrekkingen volgens de wetgeving van die Partij, zelfs indien zij vóór overbrenging van hun woonplaats reeds voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap verstrekkingen hebben ontvangen.
De pensioengerechtigde, aan wie een pensioen is verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij en die recht heeft op verstrekkingen krachtens de wetgeving van deze Partij, heeft, evenals zijn gezinsleden, recht op deze verstrekkingen gedurende een verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan dat waarop zij wonen, wanneer hun gezondheidstoestand het nodig maakt dat de verstrekkingen onmiddellijk worden verleend. Deze verstrekkingen worden verleend door het orgaan van de verblijfplaats, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, doch komen naar gelang van het geval voor rekening van het bevoegde orgaan of van het orgaan van de woonplaats van de pensioengerechtigde; de periode gedurende welke deze verstrekkingen worden verleend, is gelijk aan die voorzien in de wetgeving van het bevoegde land. Artikel 13, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat voor rekening van een pensioengerechtigde premies worden ingehouden ter dekking van de kosten van verstrekkingen, is het orgaan dat het pensioen is verschuldigd, gemachtigd tot die inhoudingen over te gaan wanneer de verstrekkingen krachtens dit artikel voor rekening van een orgaan van bedoelde Partij komen.
Het in dit artikel bepaalde is niet van toepassing op de gezinsleden die in het land waar zij wonen een beroep uitoefenen of een sociale uitkering ontvangen waardoor zij recht hebben op verstrekkingen.
Artikel 15
De krachtens de artikelen 11 en 12, artikel 13, eerste, tweede en zesde lid en artikel 14, tweede, derde, vierde en vijfde lid verleende verstrekkingen worden naar gelang van het geval door de bevoegde organen of door de organen van de woonplaats vergoed aan de organen die deze hebben verleend.
De vergoeding wordt vastgesteld en vindt plaats volgens de in een administratief akkoord vast te stellen regelen, hetzij door het aantonen van de werkelijke kosten, hetzij op grond van vaste bedragen.
Hoofdstuk 2. Invaliditeit, ouderdom en nagelaten betrekkingen
Afdeling 1. Gemeenschappelijke bepalingen
Artikel 16
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering, alsof het tijdvakken van verzekering betrof, welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Indien in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij die voor het verkrijgen en het vaststellen van het recht op uitkeringen geen eisen stelt omtrent de duur van de verzekering, de toekenning van uitkeringen afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde dat de werknemer op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan, ingevolge deze wetgeving verzekerd was, wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld, indien de werknemer op dat tijdstip aan de wetgeving van de andere Partij was onderworpen en indien hij recht heeft op een uitkering volgens de wetgeving van die Partij.
Artikel 17
Het orgaan van elke Verdragsluitende Partij stelt overeenkomstig de door dit orgaan toegepaste wetgeving vast of de belanghebbende aan de gestelde voorwaarden voor het recht op uitkeringen voldoet, eventueel met inachtneming van het bepaalde in het voorgaande artikel.
Ingeval de belanghebbende aan deze voorwaarden voldoet, berekent bedoeld orgaan het theoretisch bedrag van de uitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken, indien alle tijdvakken van verzekering waarmee overeenkomstig het voorgaande artikel voor de vaststelling van het recht op uitkeringen rekening is gehouden, uitsluitend krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zouden zijn vervuld.
Indien het evenwel uitkeringen betreft waarvan het bedrag onafhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken, dan wordt dit bedrag als het in het voorgaande lid bedoelde theoretische bedrag beschouwd.
Op basis van het overeenkomstig het tweede lid van dit artikel berekende theoretische bedrag stelt bedoeld orgaan vervolgens het werkelijke bedrag van de uitkering die het aan de belanghebbende verschuldigd is, vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de totale duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen zijn vervuld.
Indien het theoretische bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het derde lid van dit artikel, stelt het betrokken orgaan het werkelijke bedrag van de uitkering die aan de belanghebbende is verschuldigd, vast naar verhouding van de duur van de tijdvakken van verzekering die vóór het intreden van de verzekerde gebeurtenis krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld, tot de duur van het tijdvak dat is verstreken tussen de datum waarop de belanghebbende of de overledene de leeftijd van 15 jaar heeft bereikt en de datum waarop de verzekerde gebeurtenis is ingetreden.
Voor de toepassing van de regels inzake de berekening als bedoeld in de voorgaande leden, wordt in een administratief akkoord vastgesteld op welke wijze rekening wordt gehouden met samenvallende tijdvakken.
Artikel 18
Indien de totale duur van de krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering minder dan een jaar bedraagt en indien, uitsluitend rekening houdend met deze tijdvakken, krachtens die wetgeving geen enkel recht op uitkeringen bestaat, is het orgaan van die Partij, ongeacht het bepaalde in artikel 17, niet verplicht op grond van bedoelde tijdvakken uitkeringen te verlenen.
Voor de toepassing van artikel 17, met uitzondering van het bepaalde in het vierde lid, houdt de andere Verdragsluitende Partij rekening met de in het voorgaande lid bedoelde tijdvakken.
Artikel 19
Indien de belanghebbende, met inachtneming van artikel 16 van dit Verdrag, op een bepaald tijdstip niet voldoet aan de voorwaarden die door de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen worden gesteld, doch alleen voldoet aan de voorwaarden van een van deze wetgevingen, wordt zijn recht op uitkeringen vastgesteld ten aanzien van de wetgeving aan de voorwaarden waarvan is voldaan. De uitkering wordt opnieuw berekend overeenkomstig artikel 17 van dit Verdrag, wanneer ook aan de voorwaarden die door de wetgeving van de andere Partij worden gesteld, met inachtneming van artikel 16, wordt voldaan.
Artikel 20
Indien het bedrag van de uitkeringen waarop de belanghebbende zonder toepassing van de artikelen 16 en 17, krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij aanspraak zou kunnen maken, hoger is dan het totale bedrag van de overeenkomstig deze artikelen verschuldigde uitkeringen, is het bevoegde orgaan van deze Partij verplicht hem een aanvulling te verlenen die gelijk is aan het verschil tussen deze beide bedragen. Deze aanvulling komt geheel voor rekening van dit orgaan.
Artikel 21
Indien, door stijging van de kosten van levensonderhoud of een schommeling van het loonpeil, de uitkeringen met een bepaald percentage of bedrag worden gewijzigd, moet dit percentage of bedrag rechtstreeks in de overeenkomstig de artikelen 17 en 20 vastgestelde uitkeringen worden verwerkt, zonder dat er een herberekening volgens de genoemde artikelen behoeft plaats te vinden.
Daarentegen vindt bij herziening van de uitkering, hetzij van de ene, hetzij van de andere Verdragsluitende Partij, ten einde rekening te houden met een wijziging van de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende, een herberekening plaats overeenkomstig de artikelen 17 en 20.
Afdeling 2. Bijzondere bepalingen betreffende de toepassing van de Nederlandse wetgeving
Artikel 22
Voor de vaststelling van het in artikel 17, derde lid bedoelde theoretische bedrag, berekent het Nederlandse orgaan het bedrag van de uitkering dat zou zijn verkregen met toepassing van de wetgeving inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers (WAO) en het bedrag dat zou zijn verkregen met toepassing van de wetgeving inzake de algemene arbeidsongeschiktheidsverzekering (AAW). Slechts het hoogste bedrag wordt aangehouden.
Voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid, worden de tijdvakken van verzekering in aanmerking genomen, die krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers (WAO) zijn vervuld.
De voor 1 juli 1967 in Nederland vervulde tijdvakken van arbeid in loondienst en de daarmede gelijkgestelde tijdvakken worden aangemerkt als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor werknemers. Arbeid aan boord van een zeeschip in dienst van een onderneming die haar zetel in Nederland heeft, wordt gelijkgesteld met arbeid in Nederland.
Artikel 23
Ongeacht het bepaalde in artikel 17 berekenen de Nederlandse organen de ouderdomspensioenen rechtstreeks en uitsluitend op basis van de krachtens de Nederlandse wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering.
Artikel 24
De in artikel 13, eerste lid, van de AOW (Algemene Ouderdomswet) bedoelde korting is niet van toepassing op de vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag gelegen tijdvakken gedurende welke de echtgenote of weduwe na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd was ingevolge de voornoemde wetgeving terwijl zij, gedurende haar huwelijk, op het grondgebied van de Republiek Kaapverdië woonde, voor zover deze tijdvakken overeenkomen met de door haar echtgenoot krachtens deze wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering.
De in artikel 13, tweede lid, van de AOW (Algemene Ouderdomswet) bedoelde korting is niet van toepassing op de vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag gelegen tijdvakken gedurende welke de echtgenote van de rechthebbende na het bereiken van de 15-jarige leeftijd en vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet verzekerd was ingevolge de voornoemde wetgeving terwijl zij, gedurende haar huwelijk, op het grondgebied van de Republiek Kaapverdië woonde, voor zover deze tijdvakken overeenkomen met de door haar echtgenoot krachtens deze wetgeving vervulde tijdvakken van verzekering.
In afwijking van het bepaalde in artikel 45, eerste lid, van de AOW (Algemene Ouderdomswet) en in artikel 47, eerste lid, van de AWW (Algemene Weduwen- en Wezenwet), is de op het grondgebied van de Republiek Kaapverdië wonende echtgenoot van een werknemer die onderworpen is aan het stelsel van verplichte verzekering, uitsluitend bevoegd zich krachtens deze wetgevingen vrijwillig te verzekeren over tijdvakken gelegen na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, gedurende welke de werknemer krachtens deze wetgevingen verplicht verzekerd is. Deze bevoegdheid eindigt op de dag waarop het tijdvak van verplichte verzekering van de werknemer eindigt. Deze bevoegdheid eindigt echter niet, wanneer de verplichte verzekering van de werknemer onderbroken is ten gevolge van het overlijden van de werknemer en wanneer de bovengenoemde echtgenoot slechts een pensioen ontvangt krachtens de AWW (Algemene Weduwen- en Wezenwet). In ieder geval eindigt de bevoegdheid zich vrijwillig te verzekeren op de dag waarop de vrijwillig verzekerde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
De premie voor de bovengenoemde vrijwillige verzekering, verschuldigd door de echtgenoot van een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag volgens de AOW en de AWW verplicht verzekerd was, wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde met betrekking tot de vaststelling van de premie voor de vrijwillige verzekering, met dien verstande dat de inkomsten van de echtgenoot in dit geval geacht worden in Nederland te zijn ontvangen.
De premie voor de echtgenoot van een werknemer die op of na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag verplicht verzekerde is geworden, wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde met betrekking tot de vaststelling van de premie voor de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de AWW.
De in het derde lid bedoelde bevoegdheid wordt slechts verleend:
- -. indien de echtgenoot van een werknemer die onmiddellijk voorafgaand aan de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag verplicht verzekerd was, de Sociale Verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf de datum van vankrachtwording van de genoemde wijziging, op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen vrijwillig premie te betalen; in alle andere gevallen:
- -. indien de echtgenoot van de werknemer de Sociale Verzekeringsbank binnen een termijn van ten hoogste een jaar, te rekenen vanaf het begin van het tijdvak waarin laatstgenoemde verplicht verzekerd is geweest, op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen vrijwillig premie te betalen.
De in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bepalingen zijn niet van toepassing op de tijdvakken die samenvallen met tijdvakken die in aanmerking worden genomen voor de berekening van een pensioen dat is verschuldigd ingevolge de wetgeving inzake ouderdomsverzekering van een andere Staat dan Nederland en evenmin op tijdvakken gedurende welke de betrokkene een ouderdomspensioen heeft genoten ingevolge een dergelijke wetgeving.
Het eerste en het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op de echtgenoot die zich vrijwillig heeft verzekerd overeenkomstig het derde lid, en het eerste lid is uitsluitend van toepassing op de weduwe van een persoon die verzekeringstijdvakken heeft vervuld volgens de Nederlandse wetgeving.
Artikel 25
Voor het recht op uitkeringen krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de weduwen- en wezenverzekering, wordt aan de in artikel 16, tweede lid bedoelde voorwaarde eveneens geacht te zijn voldaan indien de werknemer op de dag van zijn overlijden een uitkering genoot wegens ziekte, invaliditeit of ouderdom krachtens de Kaapverdische wetgeving.
Voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid worden als tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de Nederlandse wetgeving inzake de weduwen- en wezenverzekering aangemerkt de tijdvakken, gelegen vóór 1 oktober 1959 gedurende welke de overledene na het bereiken van de 15-jarige leeftijd in Nederland heeft gewoond of gedurende welke hij in Nederland arbeid heeft verricht in dienst van een in Nederland gevestigde werkgever.
Arbeid aan boord van een zeeschip in dienst van een onderneming die haar zetel in Nederland heeft wordt met arbeid in Nederland gelijkgesteld.
In geval van overlijden van een persoon, die ouder is dan 65 jaar en die onderworpen is geweest aan de wetgevingen van beide Verdragsluitende Partijen, worden voor het verkrijgen en het vaststellen van het recht op uitkeringen aan nagelaten betrekkingen overeenkomstig het bepaalde in Afdeling 1 van dit hoofdstuk de volgende bepalingen toegepast:
- a). voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, artikel 17, vierde en vijfde lid, en artikel 18 behoeft geen rekening te worden gehouden met tijdvakken van verzekering, gelegen na de datum waarop de verzekerde de leeftijd van 65 jaar had bereikt;
- b). voor de toepassing van artikel 17, vijfde lid wordt als datum waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan, aangemerkt: de datum waarop de overledene de leeftijd van 65 jaar had bereikt.
Hoofdstuk 3. Werkloosheid
Artikel 26
Met het oog op het verkrijgen van het recht op de uitkeringen ingevolge de in artikel 2, eerste lid, sub A, letter (e) bedoelde wetgeving, worden de tijdvakken van arbeid die krachtens de wetgeving van elk der Verdragsluitende Partijen zijn vervuld, samengeteld.
Artikel 27
Een Kaapverdische werknemer, die zich naar het grondgebied van Nederland heeft begeven, heeft gedurende zijn verblijf op dit grondgebied recht op werkloosheidsuitkeringen ingevolge de Nederlandse wetgeving, onder de volgende voorwaarden:
- a). hij dient te voldoen aan de voorwaarden die door deze wetgeving zijn gesteld, rekening houdend met de in het voorgaande artikel bedoelde samentelling van tijdvakken;
- b). hij dient tewerkgesteld te zijn op dit grondgebied overeenkomstig de wetgeving inzake de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
Hoofdstuk 4. Gezinsbijslagen
Artikel 28
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen van het recht op gezinsbijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, rekening met de tijdvakken van verzekering die krachtens de wetgeving van de andere Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Artikel 29
Een ingevolge de Kaapverdische wetgeving verzekerde werknemer die kinderen heeft die op Nederlands grondgebied wonen of aldaar worden opgevoed, heeft, eventueel rekening houdend met de in het voorgaande artikel bedoelde samentelling van tijdvakken, voor deze kinderen recht op gezinsbijslagen volgens de bepalingen van de Kaapverdische wetgeving.
Een ingevolge de Nederlandse wetgeving verzekerde werknemer, die kinderen heeft die op Kaapverdisch grondgebied wonen of aldaar worden opgevoed, heeft voor deze kinderen recht op kinderbijslag volgens de bepalingen van de Nederlandse wetgeving.
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij gezinsbijslagen worden toegekend aan hen die een pensioen of een uitkering genieten, hebben zij die een pensioen of een uitkering genieten terwijl zij op het grondgebied van de andere Partij wonen, eveneens recht op gezinsbijslagen.
Indien de gezinsbijslagen door de persoon die recht op deze bijslagen heeft, niet voor het onderhoud van de kinderen worden besteed, verleent het bevoegde orgaan op verzoek en door tussenkomst van het orgaan van de woonplaats van deze kinderen, bedoelde bijslagen aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon te wiens laste de kinderen in feite komen, met volledige kwijting.
Artikel 30
Het recht op gezinsbijslagen, verschuldigd krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het kind niet woont, wordt geschorst, wanneer gedurende eenzelfde tijdvak en voor hetzelfde kind eveneens bijslagen zijn verschuldigd krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het kind woont.
TITEL IV. Diverse bepalingen
Artikel 31
De bevoegde autoriteiten:
- a). treffen alle administratieve regelingen die voor de uitvoering van dit Verdrag nodig zijn;
- b). verstrekken elkaar alle inlichtingen omtrent de ter uitvoering van dit Verdrag genomen maatregelen;
- c). verstrekken elkaar alle inlichtingen omtrent de wijzigingen in hun wetgeving, die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van dit Verdrag.
De bevoegde autoriteiten regelen, in voorkomende gevallen, in onderling overleg de situatie van bijzondere categorieën werknemers.
Artikel 32
Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en de met de uitvoering van dit Verdrag belaste organen elkaar behulpzaam en handelen zij als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. De wederzijdse administratieve hulp van deze autoriteiten en organen is in beginsel kosteloos. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen bepaalde kosten te vergoeden.
Artikel 33
De vrijstelling of verlaging van rechten, zegelrechten, griffie- of registratierechten ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor bescheiden of documenten die ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij moeten worden overgelegd, geldt eveneens voor overeenkomstige bescheiden en documenten die ter uitvoering van de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij of van dit Verdrag moeten worden overgelegd.
Alle akten, documenten en overige bescheiden van officiële aard die voor de toepassing van dit Verdrag moeten worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisatie en van alle andere soortgelijke formaliteiten.
Artikel 34
Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de organen van de Verdragsluitende Partijen zich in de Franse taal rechtstreeks met elkaar in verbinding stellen.
De autoriteiten, organen of rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten die hun worden toegezonden, niet afwijzen op grond van het feit dat zij in de officiële taal van de andere Verdragsluitende Partij zijn gesteld.
Artikel 35
Aanvragen, verklaringen of beroepschriften die volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van die Partij, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van de andere Verdragsluitende Partij worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarop aldus een beroep wordt gedaan deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de bevoegde rechterlijke instantie van eerstbedoelde Partij.
Artikel 36
Het uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaken van bedragen geschiedt volgens de overeenkomsten die op het tijdstip van overmaking ter zake tussen de beide Verdragsluitende Partijen van kracht zijn.
Artikel 37
Indien, bij de vaststelling of de herziening van invaliditeits- of ouderdomsuitkeringen, of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen (pensioenen), krachtens Titel III, hoofdstuk 2, het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen, een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft. Indien de terugvordering niet met de achterstallige termijn kan worden verrekend, is het volgende lid van toepassing.
Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan op de wijze en binnen de grenzen als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen die het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een zodanige verrekening is voorgeschreven in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vorderingen heeft.
Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij voorschotten op uitkeringen heeft verleend voor een tijdvak waarover de rechthebbende recht had op overeenkomstige uitkeringen krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij, kan dit orgaan aan het orgaan van de andere Partij verzoeken het bedrag van deze voorschotten in te houden op de bedragen die het voor hetzelfde tijdvak aan bedoelde rechthebbende verschuldigd is. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voorgeschreven in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.
Wanneer een persoon op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij sociale bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarin deze persoon krachtens de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij recht op uitkeringen had, kan de instelling die de sociale bijstand heeft verleend, indien deze een wettelijk verhaalsrecht heeft op uitkeringen die verschuldigd zijn aan personen die sociale bijstand genieten, aan het orgaan van de andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan de betrokken persoon verschuldigd is, verzoeken het bedrag van de over genoemd tijdvak verleende sociale bijstand in te houden op de bedragen die het aan bedoelde persoon betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voorgeschreven in de door dit orgaan toegepaste wetgeving en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan de instelling die de vordering heeft.
Artikel 38
Over ieder geschil dat tussen de Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Verdrag mocht ontstaan, wordt rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen onderhandeld.
Indien het geschil niet is beslecht binnen zes maanden nadat het eerste verzoek is gedaan om de in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven onderhandelingen te beginnen, wordt het voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie, waarvan de samenstelling en de procedure in een overeenkomst tussen de Verdragsluitende Partijen worden vastgelegd. De scheidsrechterlijke commissie moet het geschil volgens de grondbeginselen en in de geest van dit Verdrag beslechten. Haar beslissingen zijn bindend en definitief.
TITEL V. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 39
Aan dit Verdrag kan geen enkel recht op betaling van uitkeringen worden ontleend voor een tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat.
Voor de vaststelling van de aan dit Verdrag te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, dat vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is vervuld.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel ontstaat krachtens dit Verdrag een recht, zelfs wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis die vóór zijn inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.
Elke uitkering die in verband met de nationaliteit van de belanghebbende dan wel met diens woonplaats in het buitenland, niet is vastgesteld dan wel geschorst, wordt, op verzoek van de belanghebbende, vastgesteld of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
De rechten van de belanghebbenden wier pensioen vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werd vastgesteld, worden op hun verzoek, met inachtneming van dit Verdrag, herzien. Herziening van deze rechten kan eveneens ambtshalve plaatsvinden. In geen geval mogen door een dergelijke herziening de vroegere rechten van de belanghebbenden worden verminderd.
Indien het in het vierde of vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, worden de aan dit Verdrag te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij met betrekking tot verval of verjaring van rechten op de belanghebbenden worden toegepast.
Indien het in het vierde en vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek na afloop van een termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, wordt voor het verkrijgen van de niet vervallen of verjaarde rechten alleen rekening gehouden met de datum waarop het verzoek is ingediend, tenzij gunstiger bepalingen van de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij van toepassing zijn.
Artikel 40
De Regeringen van de Verdragsluitende Partijen stellen elkaar ervan in kennis dat de constitutionele procedures, vereist voor de inwerkingtreding van dit Verdrag, in hun onderscheiden landen zijn vervuld.
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van de laatste van deze kennisgevingen.
Artikel 41
Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag is het bepaalde in de briefwisseling van 2 oktober 1975 en 11 december 1975 (het handhaven van de toepassing van het Portugees-Nederlandse Verdrag inzake sociale zekerheid in de betrekkingen tussen de beide Verdragsluitende Partijen) niet langer van toepassing.
Artikel 42
Dit Verdrag wordt voor onbepaalde tijd gesloten. Het kan door elk der Verdragsluitende Partijen worden opgezegd. Opzegging dient te geschieden uiterlijk 6 maanden voor het einde van het lopende kalenderjaar. In dat geval houdt het Verdrag op van kracht te zijn aan het einde van dat jaar.
Artikel 43
Bij opzegging van dit Verdrag wordt elk recht dat met toepassing van dit Verdrag is verkregen, gehandhaafd.
Aanspraken op grond van tijdvakken, vervuld vóór de datum waarop de opzegging van kracht wordt, worden niet door de opzegging teniet gedaan; het behoud ervan wordt in onderlinge overeenstemming vastgesteld of bij gebreke daarvan door de wetgeving die het betrokken orgaan toepast.
EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.
FAIT à La Haye, le 18 novembre 1981 en deux textes originaux en langue française
Pour le Gouvernement du Royaume des Pays-Bas,
(s.) M. VAN DER STOEL
Pour le Gouvernement de la République du Cap-Vert,
(s.) SILVINO MANUEL DA LUZ