← Geldende tekst · Geschiedenis

Protocol van 1996 bij het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972

Geldende tekst a fecha 2020-11-04

De verdragsluitende partijen bij dit Protocol,

Benadrukkende de noodzaak het mariene milieu te beschermen en een duurzaam gebruik en het behoud van de mariene bronnen te bevorderen;

Gelet in dit verband op hetgeen is bereikt binnen het kader van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen van 1972, en in het bijzonder op de ontwikkeling naar een benadering die is gebaseerd op voorzorg en voorkoming;

Voorts gelet op de bijdrage in dit verband van aanvullende regionale en nationale instrumenten die gericht zijn op de bescherming van het mariene milieu en die rekening houden met de specifieke omstandigheden en behoeften van de desbetreffende regio’s en Staten;

Opnieuw bevestigend de waarde van een mondiale aanpak van deze zaken en met name het belang van voortdurende samenwerking en medewerking tussen de verdragsluitende partijen bij de implementatie van het Verdrag en het Protocol;

Erkennende dat het wenselijk kan zijn op nationaal of regionaal niveau strengere maatregelen aan te nemen met betrekking tot de voorkoming en beëindiging van verontreiniging van het mariene milieu veroorzaakt door het storten in zee dan die welke zijn voorzien in internationale verdragen of andere overeenkomsten met mondiale reikwijdte;

Rekening houdend met de desbetreffende internationale overeenkomsten en acties, met name het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, de Verklaring van Rio inzake Milieu en Ontwikkeling en Agenda 21;

Eveneens erkennende de belangen en capaciteiten van in ontwikkeling zijnde Staten en met name van kleine eilandstaten die in ontwikkeling zijn;

Ervan overtuigd dat verdere internationale maatregelen ter voorkoming, vermindering en waar praktisch uitvoerbaar ter beëindiging van verontreiniging van de zee veroorzaakt door storten onverwijld kunnen en moeten worden genomen teneinde het mariene milieu te beschermen en te behouden, en de menselijke activiteiten zodanig te beheren dat het mariene ecosysteem het rechtmatig gebruik van de zee kan blijven dragen en kan blijven voorzien in de behoeften van de huidige en toekomstige generaties;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Protocol:

Artikel 2. Doelstellingen

De verdragsluitende partijen beschermen en behouden, zowel afzonderlijk als collectief, het mariene milieu tegen alle bronnen van verontreiniging en nemen doeltreffende maatregelen, naar gelang van hun wetenschappelijke, technische en economische capaciteiten, om de verontreiniging veroorzaakt door het storten in zee of verbranden op zee van afval of andere stoffen te voorkomen, te verminderen en waar praktisch uitvoerbaar te beëindigen. Indien nodig stemmen zij hun beleid ter zake op elkaar af.

Artikel 3. Algemene verplichtingen
1.

Bij het ten uitvoer brengen van dit Protocol passen de verdragsluitende partijen een voorzorgsbenadering toe met betrekking tot de bescherming van het milieu tegen het storten van afval of andere stoffen, waarbij gepaste preventieve maatregelen worden genomen, wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat afval of andere stoffen die in het mariene milieu worden gebracht mogelijk schade kunnen veroorzaken, zelfs wanneer er geen afdoende bewijs is dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het inbrengen van afval of andere stoffen en de gevolgen hiervan.

2.

Rekening houdend met de benadering dat de vervuiler in beginsel de kosten van de verontreiniging dient te dragen, zet elke verdragsluitende partij zich in om praktijken te bevorderen waarbij degene die toestemming heeft gegeven over te gaan tot het storten in of verbranden op zee de kosten draagt die gemoeid zijn met het voldoen aan de vereisten voor de voorkoming en beheersing van verontreiniging die gelden voor de toegestane activiteiten, naar behoren rekening houdend met het openbaar belang.

3.

Bij de uitvoering van de bepalingen van dit Protocol handelen de verdragsluitende partijen zodanig dat zij niet de schade of mogelijke schade, rechtstreeks of niet-rechtstreeks, van een deel van het milieu naar een ander deel verplaatsen of een vorm van verontreiniging vervangen door een andere vorm.

4.

Geen enkele bepaling van dit Protocol mag zodanig worden geïnterpreteerd dat de verdragsluitende partijen worden belet, afzonderlijk of gezamenlijk, strengere maatregelen in overeenstemming met het internationale recht te nemen met betrekking tot de voorkoming, vermindering en waar praktisch uitvoerbaar de beëindiging van verontreiniging.

Artikel 4. Het storten van afval of andere stoffen
2.

Geen enkele bepaling van dit Protocol mag worden geïnterpreteerd als beletsel voor een verdragsluitende partij om, wat haar betreft, het storten van afval of andere stoffen die in Bijlage 1 zijn genoemd te verbieden. De desbetreffende verdragsluitende partij stelt de Organisatie in kennis van dergelijke verbodsmaatregelen.

Artikel 5. Verbranding op zee

De verdragsluitende partijen verbieden de verbranding op zee van afval of andere stoffen.

Artikel 6. Uitvoer van afval of andere stoffen
1.

De verdragsluitende partijen staan de uitvoer van afval of andere stoffen naar andere landen voor het storten in of verbranden op zee niet toe.

2.

Niettegenstaande het eerste lid kan de uitvoer van kooldioxidestromen met als doel zich hiervan te ontdoen in overeenstemming met bijlage 1 plaatsvinden, op voorwaarde dat er een overeenkomst of regeling tussen de betrokken landen is. Een dergelijke overeenkomst of regeling omvat:

Een verdragsluitende partij die een dergelijke overeenkomst sluit of regeling aangaat brengt deze ter kennis van de Organisatie.

Artikel 7. Binnenwateren
1.

Onverminderd alle overige bepalingen van dit Protocol heeft dit Protocol alleen betrekking op de binnenwateren voor zover wordt bepaald in de leden 2 en 3.

2.

Elke verdragsluitende partij kiest naar eigen oordeel hetzij voor toepassing van de bepalingen van dit Protocol, hetzij voor aanneming van andere doeltreffende maatregelen met betrekking tot vergunningen en regulering om controle uit te oefenen op de activiteit van het zich opzettelijk ontdoen van afval of andere stoffen in mariene binnenwateren ingeval een dergelijke activiteit in de zin van artikel 1, indien deze op zee zou geschieden, „storten” of „verbranding op zee” zou inhouden.

3.

Elke verdragsluitende partij dient de Organisatie inlichtingen te verschaffen betreffende de wetgeving en de institutionele mechanismen met betrekking tot de uitvoering, de naleving en de handhaving van de bepalingen in mariene binnenwateren. De verdragsluitende partijen dienen zich tevens tot het uiterste in te spannen om op vrijwillige basis overzichten te leveren inzake het type en de aard van de in de mariene binnenwateren gestorte materialen.

Artikel 8. Uitzonderingen
1.

Het bepaalde in artikel 4, eerste lid, en artikel 5, is niet van toepassing wanneer het noodzakelijk is voor de veiligheid van mensenlevens of voor de veiligheid van schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee in geval van overmacht ten gevolge van noodweer of in alle andere gevallen waarin mensenlevens in gevaar zijn of een ernstige bedreiging bestaat voor schepen, luchtvaartuigen, platforms of andere kunstmatige bouwwerken in zee, mits het ernaar uitziet dat het storten in of verbranden op zee de enige oplossing is om de dreiging af te wenden en hierdoor naar alle waarschijnlijkheid de minste schade wordt veroorzaakt. Het storten of verbranden moet dan zodanig geschieden dat de gevaren voor het menselijk leven en voor de in zee voorkomende flora en fauna tot een minimum beperkt blijven. De Organisatie dient onverwijld van het storten of verbranden in kennis te worden gesteld.

2.

Een verdragsluitende partij mag, in afwijking van artikel 4, eerste lid, en artikel 5, een vergunning verlenen in noodgevallen die voor de menselijke gezondheid, veiligheid of voor het mariene milieu onaanvaardbare risico’s met zich brengen en waarvoor geen andere geschikte oplossing mogelijk is. Alvorens hiertoe over te gaan, raadpleegt de verdragsluitende partij ieder ander land of alle andere landen die erbij betrokken zouden kunnen zijn, alsmede de Organisatie die, na de andere verdragsluitende partijen en de daarvoor in aanmerking komende bevoegde internationale organisaties te hebben geraadpleegd, overeenkomstig artikel 18, zesde lid, de verdragsluitende partij zo spoedig mogelijk aanbevelingen doen omtrent de te volgen werkwijzen die het meest geschikt zijn. De verdragsluitende partij volgt deze aanbevelingen zoveel mogelijk op, binnen de tijd waarin de nodige maatregelen moeten worden genomen, en rekening houdend met de algemene verplichting het veroorzaken van schade aan het mariene milieu te vermijden; zij stelt de Organisatie in kennis van de door haar genomen maatregelen. De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe elkaar in dergelijke situaties onderling bijstand te verlenen.

3.

Iedere verdragsluitende partij kan bij de bekrachtiging van of de toetreding tot dit Protocol, of daarna, van haar in het tweede lid bedoelde rechten afzien.

Artikel 9. Verlening van vergunningen en verslaglegging
1.

Iedere verdragsluitende partij wijst één of meer autoriteiten aan die bevoegd zijn tot:

2.

De bevoegde autoriteit of autoriteiten van een verdragsluitende partij verlenen vergunningen in overeenstemming met dit Protocol voor afval of andere te storten stoffen, of, zoals bepaald in artikel 8, tweede lid, voor verbranding op zee:

3.

Bij het verlenen van vergunningen handelt de bevoegde autoriteit of handelen de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de eisen van artikel 4 en overeenkomstig de aanvullende criteria, maatregelen en voorwaarden die zij ter zake dienende acht, respectievelijk achten.

4.

Iedere verdragsluitende partij brengt, rechtstreeks of door tussenkomst van een bij regionale overeenkomst ingesteld secretariaat, aan de Organisatie en zo nodig aan andere verdragsluitende partijen verslag uit van:

De informatie bedoeld in het eerste lid, onder 2 en 3, moet jaarlijks worden verstrekt. De informatie bedoeld in het vierde lid, onder 2 en 3, moet op een regelmatige basis worden verstrekt.

5.

Verslagleggingen die ingevolge het vierde lid, onder 2 en 3, worden gedaan, worden geëvalueerd door een geschikt ondersteunend orgaan zoals bepaald door de Vergadering van de verdragsluitende partijen. Dit orgaan brengt verslag uit van haar conclusies bij een Vergadering of Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen.

Artikel 10. Toepassing en handhaving
1.

Iedere verdragsluitende partij past de voor de uitvoering van dit Protocol vereiste maatregelen toe op alle:

2.

Iedere verdragsluitende partij neemt in overeenstemming met het internationale recht gepaste maatregelen ter voorkoming en indien nodig ter bestraffing van handelingen die in strijd zijn met de bepalingen van dit Protocol.

3.

De verdragsluitende partijen komen overeen samen te werken bij de opstelling van de procedures voor de doeltreffende toepassing van dit Protocol in gebieden buiten de rechtsmacht van enige Staat, met inbegrip van procedures voor het melden van schepen en luchtvaartuigen die worden waargenomen terwijl zij bezig zijn met het storten in of verbranden op zee in strijd met de bepalingen van dit Protocol.

4.

Dit Protocol is niet van toepassing op schepen en luchtvaartuigen die ingevolge het internationale recht soevereine immuniteit genieten. Door het nemen van gepaste maatregelen ziet iedere verdragsluitende partij er evenwel op toe dat dergelijke schepen en luchtvaartuigen die zij in bezit of in gebruik heeft, handelen overeenkomstig voorwerp en doel van dit Protocol; zij doet de Organisatie dienovereenkomstig mededeling.

5.

Een Staat kan, bij het tot uitdrukking brengen van het feit dat hij ermee instemt door dit Protocol te worden gebonden, of op enig tijdstip daarna, verklaren dat hij de bepalingen van dit Protocol toepast op zijn in het vierde lid bedoelde schepen en luchtvaartuigen, met dien verstande dat alleen die Staat die bepalingen kan handhaven ten aanzien van deze schepen en luchtvaartuigen.

Artikel 11. Procedures voor naleving
1.

Uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol, stelt de Vergadering van de verdragsluitende partijen de procedures en mechanismen vast voor de evaluatie en bevordering van de naleving van dit Protocol. Deze procedures en mechanismen worden zodanig opgezet dat een volledige en openlijke, constructieve uitwisseling van informatie wordt bevorderd.

2.

Na volledige bestudering van de informatie die ingevolge dit Protocol aan haar wordt voorgelegd en van alle aanbevelingen die door middel van de krachtens het eerste lid ingestelde procedures en mechanismen aan haar worden gedaan, kan de Vergadering van verdragsluitende partijen aan de verdragsluitende partijen en aan niet-verdragsluitende partijen advies uitbrengen en bijstand of samenwerking aanbieden.

Artikel 12. Regionale samenwerking

Teneinde de doelstellingen van dit Protocol te bevorderen, stellen de verdragsluitende partijen die een gemeenschappelijk belang hebben bij de bescherming van het mariene milieu in een bepaald geografisch gebied, alles in het werk om, rekening houdend met regionale bijzonderheden, de regionale samenwerking te intensiveren, met inbegrip van het sluiten van regionale overeenkomsten die verenigbaar zijn met dit Protocol, ter voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, beëindiging van verontreiniging veroorzaakt door het storten in zee of verbranden op zee van afval of andere stoffen. De verdragsluitende partijen streven naar samenwerking met de partijen bij regionale overeenkomsten ter harmonisering van de door de verdragsluitende partijen bij de verschillende verdragen te volgen procedures.

Artikel 13. Technische samenwerking en bijstand
1.

Door middel van samenwerking binnen de Organisatie en in coördinatie met andere bevoegde internationale organisaties bevorderen de verdragsluitende partijen bilaterale en multilaterale bijstand ter voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, ter beëindiging van verontreiniging veroorzaakt door het storten, zoals bepaald in dit Protocol, aan die verdragsluitende partijen die daarom verzoeken voor:

2.

De Organisatie verricht de volgende taken:

Artikel 14. Wetenschappelijk en technisch onderzoek
1.

De verdragsluitende partijen nemen de nodige maatregelen ter bevordering en vergemakkelijking van wetenschappelijk en technisch onderzoek naar de voorkoming, vermindering en, waar praktisch uitvoerbaar, de beëindiging van verontreiniging door storting en andere bronnen van mariene verontreiniging die onder dit Protocol vallen. Dit onderzoek dient met name te geschieden in de vorm van waarneming, meting, evaluatie en analyse van de verontreiniging door middel van wetenschappelijke methoden.

2.

Teneinde de doelstellingen van dit Protocol te verwezenlijken bevorderen de verdragsluitende partijen de verstrekking van relevante informatie aan andere verdragsluitende partijen die hierom verzoeken, betreffende:

Artikel 15. Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid

In overeenstemming met de beginselen van het internationale recht met betrekking tot de aansprakelijkheid van Staten ter zake van schade toegebracht aan het milieu van andere Staten of aan iedere andere sector van het milieu, verbinden de verdragsluitende partijen zich tot het ontwikkelen van procedures voor het vaststellen van de aansprakelijkheid ten gevolge van het storten in of het verbranden op zee van afval of andere stoffen.

Artikel 16. Beslechting van geschillen
1.

Geschillen met betrekking tot de interpretatie of de toepassing van dit Protocol worden in eerste instantie beslecht door middel van onderhandelingen, bemiddeling of conciliatie, of andere vreedzame middelen die door de partijen bij het geschil worden gekozen.

2.

Indien een oplossing niet mogelijk is binnen twaalf maanden nadat een van de verdragsluitende partijen een andere verdragsluitende partij in kennis heeft gesteld van het feit dat er een geschil tussen hen bestaat, wordt het geschil, op verzoek van een partij bij het geschil, beslecht door middel van de in Bijlage 3 bedoelde arbitrageprocedure, tenzij de partijen bij het geschil overeenkomen een van de procedures te gebruiken die worden genoemd in artikel 287, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982. De partijen bij het geschil kunnen hiertoe besluiten ongeacht het feit of zij al dan niet eveneens Staten zijn die partij zijn bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, 1982.

3.

Indien overeenstemming wordt bereikt over het gebruik van een van de procedures genoemd in artikel 287, eerste lid, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, zijn de bepalingen genoemd in Deel XV van dat Verdrag die betrekking hebben op de gekozen procedure mutatis mutandis eveneens van toepassing.

4.

Het in het tweede lid bedoelde tijdsbestek van twaalf maanden kan met twaalf maanden worden verlengd indien de betrokken partijen daartoe gezamenlijk overeenkomen.

5.

Niettegenstaande het bepaalde in het tweede lid kan elke Staat, op het moment dat hij tot uitdrukking brengt ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat, indien hij een partij is bij een geschil betreffende de interpretatie of toepassing van artikel 3, eerste of tweede lid, zijn instemming vereist is voordat het geschil beslecht kan worden door middel van de in Bijlage 3 bedoelde arbitrageprocedure.

Artikel 17. Internationale samenwerking

De verdragsluitende partijen bevorderen de doelstellingen van dit Protocol binnen de bevoegde internationale organisaties.

Artikel 18. Vergaderingen van de verdragsluitende partijen
1.

Tijdens Vergaderingen of Bijzondere Vergaderingen wordt de uitvoering van dit Protocol door de verdragsluitende partijen voortdurend getoetst en de doeltreffendheid ervan geëvalueerd teneinde de middelen vast te stellen om maatregelen aan te scherpen, indien nodig, ter voorkoming, vermindering en, voor zover praktisch uitvoerbaar, beëindiging van verontreiniging veroorzaakt door het storten in of verbranding op zee van afval of andere stoffen. Hiertoe kunnen de verdragsluitende partijen tijdens hun Vergaderingen of Bijzondere Vergaderingen met name:

2.

De verdragsluitende partijen stellen tijdens hun eerste Vergadering de door hen nodig geachte reglement van orde op.

Artikel 19. Taken van de Organisatie
1.

De Organisatie is verantwoordelijk voor de secretariaatswerkzaamheden met betrekking tot dit Protocol. Elke verdragsluitende partij die geen lid is van de Organisatie levert een gepaste bijdrage in de kosten die de Organisatie bij de uitvoering van deze taken maakt.

2.

Secretariaatswerkzaamheden nodig voor de administratieve uitvoering van dit Protocol zijn onder meer:

3.

In aanvulling op de in artikel 13, tweede lid, onder 3, genoemde taken heeft de Organisatie als taak, mits hiervoor voldoende middelen beschikbaar zijn:

Artikel 20. Bijlagen

De Bijlagen bij dit Protocol vormen een integrerend onderdeel van dit Protocol.

Artikel 21. Wijziging van het Protocol
1.

Elke verdragsluitende partij kan voorstellen doen voor wijziging van de artikelen van dit Protocol. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ten minste zes maanden voorafgaand aan de behandeling ervan tijdens een Vergadering of een Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen door de Organisatie bekendgemaakt aan de verdragsluitende partijen.

2.

Wijzigingen van de artikelen van dit Protocol worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de verdragsluitende partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de voor dit doel aangewezen Vergadering of Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen.

3.

Een wijziging wordt van kracht voor de verdragsluitende partijen die haar hebben aanvaard op de zestigste dag nadat twee derde van de verdragsluitende partijen een akte van aanvaarding van de wijziging bij de Organisatie hebben nedergelegd. Daarna wordt de wijziging voor elke andere verdragsluitende partij van kracht op de zestigste dag na de datum waarop de desbetreffende verdragsluitende partij haar akte van aanvaarding van de wijziging heeft nedergelegd.

4.

De Secretaris-Generaal stelt de verdragsluitende partijen op de hoogte van alle wijzigingen aangenomen tijdens Vergaderingen van de verdragsluitende partijen en van de datum waarop deze wijzigingen algemeen en ten aanzien van elke verdragsluitende partij van kracht wordt.

5.

Nadat een wijziging van dit Protocol van kracht is geworden, wordt elke Staat die verdragsluitende partij bij dit Protocol wordt, een verdragsluitende partij zoals gewijzigd, tenzij twee derde van de verdragsluitende partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de Vergadering of Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen die de wijziging aannemen anderszins overeenkomen.

Artikel 22. Wijziging van de Bijlagen
1.

Elke verdragsluitende partij kan voorstellen doen voor wijziging van de Bijlagen bij dit Protocol. De tekst van een voorgestelde wijziging wordt ten minste zes maanden voorafgaand aan de behandeling ervan tijdens een Vergadering of een Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen door de Organisatie bekendgemaakt aan de verdragsluitende partijen.

2.

Wijzigingen van de Bijlagen, behoudens van Bijlage 3, dienen gebaseerd te zijn op wetenschappelijke of technische overwegingen en in de wijzigingen kan, naar gelang van hetgeen van toepassing is, rekening worden gehouden met juridische, sociale en economische factoren. Deze wijzigingen worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de verdragsluitende partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen tijdens de voor dit doel aangewezen Vergadering of Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen.

3.

De Organisatie stelt de verdragsluitende partijen onverwijld in kennis van de wijzigingen van de Bijlagen die zijn aangenomen tijdens een Vergadering of Bijzondere Vergadering van de verdragsluitende partijen.

4.

Met uitzondering van het bepaalde in het zevende lid, worden wijzigingen van de Bijlagen voor iedere verdragsluitende partij onmiddellijk van kracht op het tijdstip dat zij de Organisatie van haar aanvaarding in kennis stelt of honderd dagen na de datum van hun aanneming tijdens een Vergadering van de verdragsluitende partijen, ingeval deze laatste datum later is, behalve voor die verdragsluitende partijen die voorafgaande aan het verstrijken van de termijn van honderd dagen hebben verklaard op dat ogenblik de wijziging niet te kunnen aanvaarden. Iedere verdragsluitende partij kan een eerder gedane verklaring van bezwaar te allen tijde vervangen door een verklaring van aanvaarding en de wijziging waartegen voordien bezwaar bestond, wordt dan van kracht voor die verdragsluitende partij.

5.

De Secretaris-Generaal doet alle verdragsluitende partijen onverwijld kennisgeving van de nederlegging bij de Organisatie van de akten van aanvaarding of bezwaar.

6.

Een nieuwe Bijlage of een wijziging van een Bijlage die betrekking heeft op een wijziging van de artikelen van dit Protocol wordt niet van kracht voordat de wijziging van de artikelen van dit Protocol van kracht wordt.

7.

Ten aanzien van wijzigingen van Bijlage 3 betreffende de Arbitrageprocedure en ten aanzien van de aanneming en het van kracht worden van nieuwe Bijlagen zijn de procedures voor de wijziging van de artikelen van dit Protocol van toepassing.

Artikel 23. Verhouding tussen het Protocol en het Verdrag

Dit Protocol vervangt het Verdrag tussen de verdragsluitende partijen bij dit Protocol die eveneens partij zijn bij het Verdrag.

Artikel 24. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
1.

Dit Protocol staat van 1 april 1997 tot en met 31 maart 1998 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening door iedere Staat en blijft daarna openstaan voor toetreding door iedere Staat.

2.

Staten kunnen verdragsluitende partij worden bij dit Protocol door middel van:

3.

De bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door middel van nederlegging van de desbetreffende akte bij de Secretaris-Generaal.

Artikel 25. Inwerkingtreding
1.

Dit Protocol treedt in werking op de dertigste dag volgende op de datum waarop:

2.

Ten aanzien van elke Staat die tot uitdrukking heeft gebracht ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden overeenkomstig artikel 24, na de in het eerste lid bedoelde datum, treedt dit Protocol in werking op de dertigste dag na de datum waarop de desbetreffende Staat zijn instemming tot uitdrukking heeft gebracht door dit Protocol te worden gebonden.

Artikel 26. Overgangsperiode
1.

Iedere Staat die vóór 31 december 1996 geen verdragsluitende partij bij het Verdrag was en vóór de inwerkingtreding ervan of binnen vijf jaar na de inwerkingtreding ervan tot uitdrukking brengt, ermee in te stemmen door dit Protocol te worden gebonden, kan, op het tijdstip dat hij zijn instemming tot uitdrukking brengt, de Secretaris-Generaal ervan in kennis stellen dat hij vanwege de in de kennisgeving vermelde redenen, niet in staat is specifieke bepalingen van dit Protocol anders dan die welke in het tweede lid worden bedoeld, na te leven gedurende een overgangsperiode die het in het vierde lid genoemde tijdvak niet zal overschrijden.

2.

Geen enkele ingevolge het eerste lid gedane kennisgeving doet afbreuk aan de verplichtingen van een verdragsluitende partij bij dit Protocol ten aanzien van de verbranding op zee of het storten in zee van radioactief afval of andere radioactieve stoffen.

3.

Iedere verdragsluitende partij die de Secretaris-Generaal ingevolge het eerste lid kennisgeving heeft gedaan dat zij voor de aangegeven overgangsperiode geheel of ten dele niet in staat is de bepalingen van artikel 4, eerste lid of artikel 9 na te leven, verbiedt gedurende deze periode niettemin het storten van afval of andere stoffen waarvoor zij geen vergunning heeft afgegeven, doet haar best om administratieve of wettelijke maatregelen aan te nemen om ervoor zorg te dragen dat de verlening van vergunningen en de daarbij geldende voorwaarden in overeenstemming zijn met de bepalingen van Bijlage 2, en doet de Secretaris-Generaal kennisgeving van alle verleende vergunningen.

4.

Iedere overgangsperiode aangegeven in een kennisgeving ingevolge het eerste lid, mag niet langer zijn dan een termijn van vijf jaar na indiening van deze kennisgeving.

5.

De verdragsluitende partijen die een kennisgeving ingevolge het eerste lid hebben gedaan, leggen aan de eerste Vergadering van de verdragsluitende partijen die plaatsvindt na de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding een programma en tijdschema voor ter volledige naleving van dit Protocol, tezamen met eventuele verzoeken om relevante technische samenwerking en bijstand overeenkomstig artikel 13 van dit Protocol.

6.

De verdragsluitende partijen die een kennisgeving ingevolge artikel 1 hebben gedaan, stellen voor de overgangsperiode procedures op en mechanismen in voor de uitvoering van en controle op de voorgelegde programma’s gericht op de volledige naleving van dit Protocol. De desbetreffende verdragsluitende partijen leggen een verslag betreffende de voortgang in de naleving van deze programma’s voor aan elke Vergadering van verdragsluitende partijen die wordt gehouden gedurende de desbetreffende overgangsperiode, teneinde de nodige maatregelen te treffen.

Artikel 27. Opzegging
1.

Iedere verdragsluitende partij kan dit Protocol opzeggen op elk tijdstip na het verstrijken van twee jaren vanaf de datum waarop dit Protocol voor die verdragsluitende partij in werking treedt.

2.

Opzegging geschiedt door de nederlegging van een akte van opzegging bij de Secretaris-Generaal.

3.

De opzegging wordt van kracht een jaar na de ontvangst door de Secretaris-Generaal van de akte van opzegging of na het verstrijken van een in deze akte aangegeven langere periode.

Artikel 28. Depositaris
1.

Dit Protocol wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.

2.

Naast de in artikel 10, vijfde lid, artikel 16, vijfde lid, artikel 21, vierde lid, artikel 22, vijfde lid en artikel 26, vijfde lid, aangegeven taken, is het de taak van de Secretaris-Generaal:

3.

Zodra dit Protocol in werking treedt wordt een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift hiervan door de Secretaris-Generaal toegezonden aan het Secretariaat van de Verenigde Naties voor registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 29. Authentieke teksten

Dit Protocol is opgesteld in een enkel origineel in de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 1
1.

Een Scheidsgerecht (hierna te noemen „het Scheidsgerecht”) wordt ingesteld wanneer een verdragsluitende partij hiertoe een verzoek indient bij een andere verdragsluitende partij overeenkomstig artikel 16 van dit Protocol. Het verzoek om arbitrage bestaat uit een uiteenzetting van het desbetreffende geval met eventuele documenten ter adstructie.

2.

De verzoekende verdragsluitende partij doet de Secretaris-Generaal mededeling van:

3.

De Secretaris-Generaal zendt deze mededeling naar alle verdragsluitende partijen.

Artikel 2
1.

Het Scheidsgerecht bestaat uit een enkele scheidsman indien hierover tussen de partijen bij het geschil overeenstemming is bereikt binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek om arbitrage.

2.

Bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of verzuim van de scheidsman kunnen de partijen bij het geschil binnen 30 dagen daarna besluiten tot vervanging.

Artikel 3
1.

Indien de partijen bij een geschil geen overeenstemming bereiken ten aanzien van een Scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van deze Bijlage, zal het Scheidsgerecht bestaan uit drie leden:

2.

Indien de voorzitter van een Scheidsgerecht niet is benoemd binnen 30 dagen na de benoeming van de tweede scheidsman, leggen de partijen bij het geschil, op verzoek van een partij, aan de Secretaris-Generaal, binnen de daaropvolgende 30 dagen, een overeengekomen lijst van deskundigen voor. Uit deze lijst kiest de Secretaris-Generaal zo spoedig mogelijk de voorzitter. Hij kiest niet een voorzitter die onderdaan is of is geweest van een partij bij het geschil, tenzij met toestemming van de andere partij bij het geschil.

3.

Indien een partij bij een geschil niet binnen 60 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om arbitrage een scheidsman benoemt zoals bedoeld in het eerste lid, onder 1, van dit artikel, kan de andere partij verzoeken dat binnen 30 dagen een overeengekomen lijst van deskundigen wordt voorgelegd aan de Secretaris-Generaal. Uit deze lijst kiest de Secretaris-Generaal zo spoedig mogelijk de voorzitter van het Scheidsgerecht. De voorzitter verzoekt vervolgens de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks alsnog te doen. Indien deze partij binnen 15 dagen na dit verzoek geen scheidsman heeft aangewezen, zal de Secretaris-Generaal, op verzoek van de voorzitter, de scheidsman aanwijzen uit de deskundigen van de overeengekomen lijst.

4.

Bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of verzuim van een scheidsman wijst de partij bij het geschil die deze scheidsman had benoemd, binnen 30 dagen een vervanger aan. Indien de partij geen vervanger aanwijst, wordt de arbitrage voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. Bij overlijden, arbeidsongeschiktheid of verzuim van de voorzitter wordt binnen 90 dagen een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, onder 2, en het tweede lid.

5.

Er wordt een lijst met scheidsmannen bijgehouden door de Secretaris-Generaal, bestaande uit door de verdragsluitende partijen aangewezen deskundigen. Iedere verdragsluitende partij kan voor opname op de lijst vier deskundigen aanwijzen die geen onderdaan van die verdragsluitende partij behoeven te zijn. Indien de partijen bij het geschil niet binnen de vastgestelde termijn aan de Secretaris-Generaal een in het tweede, derde en vierde lid bedoelde overeengekomen lijst van deskundigen hebben voorgelegd, kiest de Secretaris-Generaal uit de door hem bijgehouden lijst de nog niet aangewezen scheidsman of scheidsmannen.

Artikel 4

Het Scheidsgerecht kan tegeneisen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van het geschil, in behandeling nemen en hierover uitspraak doen.

Artikel 5

Iedere partij bij het geschil draagt de kosten die zijn verbonden aan de voorbereiding van haar eigen zaak. De bezoldiging van de leden van het Scheidsgerecht en de betaling van algemene kosten verbonden aan de arbitrage worden gelijkelijk door de partijen bij het geschil gedragen. Het Scheidsgerecht houdt een overzicht bij van al zijn uitgaven en verstrekt daarvan een eindafrekening aan de partijen.

Artikel 6

Iedere verdragsluitende partij die een belang van juridische aard heeft, welk belang zou kunnen worden getroffen door het ter zake te nemen besluit, kan nadat zij schriftelijk mededeling heeft gedaan aan de partijen bij het geschil die de zaak oorspronkelijk aanhangig hebben gemaakt, met goedvinden van het Scheidsgerecht en op haar eigen kosten tot de arbitrageprocedure worden toegelaten. De aldus tussengekomen verdragsluitende partij heeft het recht om, overeenkomstig de ingevolge artikel 7 van deze Bijlage vastgestelde procedures, bewijsmateriaal te leveren en schriftelijke en mondelinge uiteenzettingen te geven over zaken welke tot haar tussenkomst hebben geleid, doch heeft geen rechten met betrekking tot de samenstelling van het Scheidsgerecht.

Artikel 7

Een Scheidsgerecht dat is ingesteld krachtens het bepaalde in deze Bijlage stelt zijn eigen procedureregels vast.

Artikel 8
1.

Tenzij een Scheidsgerecht bestaat uit een enkele scheidsman, worden de besluiten van het Scheidsgerecht betreffende de te volgen procedure, plaats van samenkomst en iedere aangelegenheid betreffende het hem voorgelegde geschil, genomen met een meerderheid van stemmen van zijn leden. Afwezigheid van of onthouding door een lid van het Scheidsgerecht dat door een partij bij het geschil is aangewezen, betekent echter voor het Scheidsgerecht geen belemmering om te komen tot een besluit. Bij het staken der stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

2.

De partijen bij het geschil bevorderen de werkzaamheden van het Scheidsgerecht en zullen in het bijzonder, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle tot hun beschikking staande middelen:

3.

Indien een partij bij het geschil niet voldoet aan het bepaalde in het tweede lid, betekent dit voor het Scheidsgerecht geen belemmering om tot een beslissing te komen en uitspraak te doen.

Artikel 9

Het Scheidsgerecht doet zijn uitspraak binnen vijf maanden na de datum waarop het is ingesteld, tenzij het Scheidsgerecht het noodzakelijk acht deze periode met ten hoogste vijf maanden te verlengen. De uitspraak van het Scheidsgerecht gaat vergezeld van een met redenen omklede uiteenzetting. De uitspraak is definitief en onherroepelijk en wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal die de verdragsluitende partijen hiervan in kennis stelt. De partijen bij het geschil geven onmiddellijk uitvoering aan de uitspraak.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed this Protocol.

DONE AT LONDON, this seventh day of November, one thousand nine hundred and ninety-six.