Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee

Type Verdrag
Publication 1996-07-28
State In force
Source BWB
artikelen 448
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
  • (i). zijn de trendlijnwaarden gebruikt voor de berekening van het plafond van de nikkelproduktie die waarden voor het jaarlijkse nikkelverbruik, op een trendlijn, die zijn berekend tijdens het jaar waarin een produktievergunning wordt verleend. De trendlijn wordt afgeleid van een lineaire regressie van de logaritmen van het feitelijke nikkelverbruik voor de meest recente periode van 15 jaar waarover deze gegevens beschikbaar zijn, waarbij de tijd als onafhankelijke variabele wordt genomen. Deze trendlijn wordt de oorspronkelijke trendlijn genoemd;
  • (ii). indien de jaarlijkse stijging van de oorspronkelijke trendlijn minder dan 3 procent bedraagt, wordt de ter bepaling van de in letter a bedoelde hoeveelheden gebruikte trendlijn echter een trendlijn die de oorspronkelijke trendlijn kruist bij de waarde voor het eerste jaar van de desbetreffende periode van vijftien jaar, en stijgt deze jaarlijks met 3 procent; zulks evenwel op voorwaarde dat het voor enig jaar van de overgangsperiode bepaalde produktieplafond in geen geval het verschil mag overschrijden tussen de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor dat jaar en de oorspronkelijke trendlijnwaarde voor het jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de overgangsperiode.
5.

De Autoriteit reserveert voor de Onderneming voor haar aanvangsproduktie een hoeveelheid van 38.000 metrieke ton nikkel uit het ingevolge het vierde lid berekende beschikbare produktieplafond.

  • a. Een exploitant mag in enig jaar minder produceren dan het niveau van de jaarlijkse produktie van delfstoffen uit metaalknollen zoals aangegeven in zijn produktievergunning, of dit niveau met ten hoogste 8 procent overschrijden, mits het totaal van de produktie niet de in de vergunning aangegeven omvang overschrijdt. Over een overschot van meer dan 8 procent en tot 20 procent in enig jaar, of een overschot in het eerste jaar en de volgende jaren na twee achtereenvolgende jaren waarin zich overschotten voordoen, moet worden onderhandeld met de Autoriteit, die van de exploitant kan verlangen dat deze een aanvullende produktievergunning aanvraagt ter dekking van de bijkomende produktie.
  • b. Aanvragen voor zulke aanvullende produktievergunningen worden door de Autoriteit alleen in overweging genomen nadat alle hangende aanvragen van exploitanten die nog geen produktievergunning hebben ontvangen, zijn behandeld en terdege rekening is gehouden met eventuele andere aanvragers. De Autoriteit heeft als richtsnoer het beginsel dat de ingevolge het produktieplafond totale toegestane produktie niet in enig jaar van de overgangsperiode mag worden overschreden. Zij geeft geen vergunning voor produktie op grond van enig werkplan voor een grotere hoeveelheid dan 46.500 metrieke ton nikkel per jaar.
7.

De produktieniveaus van andere metalen zoals koper, kobalt en mangaan, gewonnen uit metaalknollen die ingevolge een produktievergunning worden gewonnen, dienen niet hoger te zijn dan die welke zouden zijn geproduceerd indien de exploitant het ingevolge dit artikel berekende maximumniveau nikkel uit deze knollen had geproduceerd. De Autoriteit stelt ingevolge Bijlage III, artikel 17, regels, voorschriften en procedures vast ter toepassing van dit lid.

8.

De op grond van de desbetreffende multilaterale handelsovereenkomsten geldende rechten en plichten betreffende oneerlijke economische praktijken zijn van toepassing op de exploratie en de exploitatie van delfstoffen in het Gebied. Bij de regeling van zich ingevolge deze bepaling voordoende geschillen, maken Staten die Partij zijn, en die Partij zijn bij zulke multilaterale handelsovereenkomsten gebruik van de procedures voor de regeling van geschillen van zulke overeenkomsten.

9.

De Autoriteit heeft de bevoegdheid het produktieniveau van delfstoffen in het Gebied, geen delfstoffen uit metaalknollen zijnde, te beperken op de voorwaarden en met toepassing van de methoden die passend kunnen zijn, door het aannemen van voorschriften overeenkomstig artikel 161, achtste lid.

10.

Op aanbeveling van de Raad, gebaseerd op advies van de Commissie voor economische planning, stelt de Vergadering een compensatiestelsel in of neemt zij andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, met inbegrip van samenwerking met gespecialiseerde organisaties en andere internationale organisaties, om ontwikkelingslanden die ernstige nadelige gevolgen voor hun inkomsten uit export of hun economie ondervinden, als gevolg van een verlaging van de prijs van een delfstof die behoort tot die welke in het Gebied worden gewonnen of een vermindering van de omvang van de export van die delfstof, steun te verlenen, voor zover deze verlaging of vermindering wordt veroorzaakt door werkzaamheden in het Gebied. Op verzoek verricht de Autoriteit onderzoeken naar de problemen van die Staten die het risico lopen het ernstigst te zullen worden getroffen, ten einde hun moeilijkheden tot een minimum te beperken en hen te steunen bij hun economische aanpassing.

Artikel 152. Uitoefening van bevoegdheden en functies door de Autoriteit
1.

Bij de uitoefening van haar bevoegdheden en functies, met inbegrip van het verlenen van gelegenheid tot het uitvoeren van werkzaamheden in het Gebied wordt discriminatie door de Autoriteit vermeden.

2.

Niettemin is het toegestaan bijzondere aandacht te schenken aan de ontwikkelingsstaten, met inbegrip van bijzondere aandacht, geschonken aan Staten zonder zeekust en de Staten met een ongunstige geografische ligging onder deze, waarin in dit Deel speciaal wordt voorzien.

Artikel 153. Stelsel van exploratie en exploitatie
1.

De werkzaamheden in het Gebied worden uit naam van de gehele mensheid georganiseerd en verricht en er wordt toezicht op uitgeoefend door de Autoriteit overeenkomstig dit artikel alsmede andere desbetreffende bepalingen van dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

2.

De werkzaamheden in het Gebied worden verricht zoals voorgeschreven in het derde lid:

  • a. door de onderneming, en
  • b. te zamen met de Autoriteit door Staten die Partij zijn of staatsondernemingen of natuurlijke personen of rechtspersonen die de nationaliteit bezitten van de Staten die Partij zijn of onder het daadwerkelijk toezicht staan van deze Staten of hun onderdanen, wanneer deze Staten voor hen borg staan, of een groep van de hierboven genoemden, die voldoet aan de eisen bepaald in dit Deel en in Bijlage III.
3.

De werkzaamheden in het Gebied worden verricht overeenkomstig een officieel schriftelijk werkplan, opgesteld overeenkomstig Bijlage III en door de Raad goedgekeurd na toetsing door de Juridische en Technische Commissie. In het geval van werkzaamheden in het Gebied die volgens vergunning van de Autoriteit worden verricht door de lichamen aangegeven in het tweede lid, letter b, heeft het werkplan, overeenkomstig Bijlage III, artikel 3, de vorm van een contract. Deze contracten kunnen voorzien in gezamenlijke regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 11.

4.

De Autoriteit oefent het toezicht uit op de werkzaamheden in het Gebied dat nodig is ten einde naleving te verzekeren van de desbetreffende bepalingen van dit Deel en de daarop betrekking hebbende bijlagen, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de overeenkomstig het derde lid goedgekeurde werkplannen. De Staten die Partij zijn helpen de Autoriteit bij het nemen van alle maatregelen die nodig zijn om overeenkomstig artikel 139 deze naleving te verzekeren.

5.

De Autoriteit heeft het recht te allen tijde maatregelen zoals bepaald in dit Deel te nemen ter verzekering van de naleving van de bepalingen ervan en van de uitoefening van de toezichthoudende en reglementaire functies die haar zijn opgedragen krachtens dit Deel of krachtens een contract. De Autoriteit heeft het recht alle installaties in het Gebied die worden gebruikt in verband met werkzaamheden in het Gebied te inspecteren.

6.

Een contract op grond van het derde lid voorziet in de bescherming van de contractuele rechten. Een contract wordt derhalve niet herzien, opgeschort of beëindigd behalve overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Bijlage III.

Artikel 154. Periodieke toetsing

Iedere vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag gaat de Vergadering over tot een algemene en stelselmatige toetsing van de wijze waarop de internationale regeling voor het Gebied die is ingesteld in dit Verdrag in de praktijk heeft gewerkt. In het licht van deze toetsing kan de Vergadering maatregelen nemen, of aanbevelen dat andere organen maatregelen nemen, overeenkomstig de bepalingen en procedures van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen, die zullen leiden tot verbetering van de werking van de regeling.

Artikel 155. De Herzieningsconferentie
1.

Vijftien jaar na 1 januari van het jaar waarin de eerste commerciële produktie op grond van een goedgekeurd werkplan aanvangt, roept de Vergadering een conferentie bijeen voor de herziening van de bepalingen in dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld. De Herzieningsconferentie beziet tot in bijzonderheden, in het licht van de tijdens die periode opgedane ervaring:

  • a. of de bepalingen van dit Deel, waarbij het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied wordt geregeld, in alle opzichten aan hun doel hebben beantwoord, met inbegrip van de vraag of zij de gehele mensheid ten goede zijn gekomen;
  • b. of, tijdens de periode van 15 jaar, gereserveerde gebieden zijn geëxploiteerd op een doeltreffende en evenwichtige wijze, vergeleken met niet-gereserveerde gebieden;
  • c. of de ontginning en het gebruik van het Gebied en zijn rijkdommen zijn ondernomen op een wijze waardoor de gezonde ontwikkeling van de wereldeconomie en de evenwichtige groei van het internationale handelsverkeer zijn bevorderd;
  • d. of monopolisering van werkzaamheden in het Gebied is voorkomen;
  • e. of het in de artikelen 150 en 151 vervatte beleid zijn doelen heeft bereikt;
  • f. of het stelsel heeft geleid tot een billijke verdeling van de uit werkzaamheden in het Gebied opgekomen voordelen, zulks met bijzondere inachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten.
2.

De Herzieningsconferentie verzekert de handhaving van het beginsel van het gemeenschappelijk erfdeel van de mensheid, de internationale regeling waarmede wordt beoogd een billijke exploitatie te verzekeren van de rijkdommen van het Gebied ten bate van alle landen, vooral de ontwikkelingsstaten, en een Autoriteit die de werkzaamheden in het Gebied organiseert, leidt en er toezicht op uitoefent. Zij verzekert tevens de handhaving van de in dit Deel vervatte beginselen ten aanzien van de uitsluiting van aanspraken op of de uitoefening van soevereiniteit over enig deel van het Gebied, de rechten van Staten en hun algemeen optreden met betrekking tot het Gebied en hun deelneming aan werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig dit Verdrag, de voorkoming van monopolisering van werkzaamheden in het Gebied, het gebruik van het Gebied uitsluitend voor vreedzame doeleinden, de economische aspecten van werkzaamheden in het Gebied, wetenschappelijk zeeonderzoek, overdracht van technologie, bescherming van het mariene milieu, bescherming van mensenlevens, rechten van kuststaten, de juridische status van de boven het Gebied gelegen wateren en van het luchtruim boven die wateren en verenigbaarheid van werkzaamheden in het Gebied en met andere activiteiten in het mariene milieu.

3.

De besluitvormingsprocedure die geldt voor de Herzieningsconferentie is dezelfde als die welke gold tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee. De conferentie stelt alles in het werk om door middel van consensus overeenstemming omtrent wijzigingen te bereiken en er wordt over deze aangelegenheden niet gestemd totdat alle middelen om tot een consensus te komen zijn uitgeput.

4.

Indien de Herzieningsconferentie vijf jaar nadat zij is aangevangen, geen overeenstemming heeft bereikt omtrent het stelsel van exploratie en exploitatie van de rijkdommen van het Gebied, kan zij tijdens de daarop volgende 12 maanden bij een meerderheid van drie vierde van de Staten die Partij zijn, besluiten de door haar noodzakelijk en passend geachte wijzigingen, waarbij het stelsel wordt gewijzigd of veranderd aan te nemen en voor bekrachtiging of toetreding voor te leggen aan de Staten die Partij zijn. Deze wijzigingen treden voor alle Staten die Partij zijn in werking 12 maanden na de nederlegging van akten van bekrachtiging of toetreding door drie vierde van de Staten die Partij zijn.

5.

Ingevolge dit artikel door de Herzieningsconferentie aangenomen wijzigingen laten krachtens bestaande contracten verworven rechten onverlet.

AFDELING 4. DE AUTORITEIT

ONDERAFDELING A. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 156. Instelling van de Autoriteit
1.

Hierbij wordt ingesteld de Internationale Zeebodemautoriteit, die functioneert overeenkomstig dit Deel.

2.

Alle Staten die Partij zijn, zijn uit dien hoofde lid van de Autoriteit.

3.

Waarnemers tijdens de Derde Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Recht van de Zee die de Slotakte hebben ondertekend en waarnaar niet wordt verwezen in artikel 305, eerste lid, letters c, d, e of f, hebben het recht deel te nemen aan de Autoriteit als waarnemers, overeenkomstig de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

4.

De zetel van de Autoriteit is in Jamaica.

5.

De Autoriteit kan de regionale centra of kantoren instellen die zij nodig acht voor de uitoefening van haar functies.

Artikel 157. Aard en fundamentele beginselen van de Autoriteit
1.

De Autoriteit is de organisatie door middel waarvan Staten die Partij zijn, overeenkomstig dit Deel, de werkzaamheden in het Gebied organiseren en er toezicht op uitoefenen, vooral ten einde de rijkdommen van het Gebied te beheren.

2.

De bevoegdheden en functies van de Autoriteit zijn die welke uitdrukkelijk aan haar zijn toegekend door dit Verdrag. De Autoriteit bezit de nadere bevoegdheden, verenigbaar met dit Verdrag, die haar stilzwijgend zijn toegekend en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van deze bevoegdheden en functies ten aanzien van werkzaamheden in het Gebied.

3.

De grondslag van de Autoriteit is het beginsel van de soevereine gelijkheid van al haar leden.

4.

Alle leden van de Autoriteit vervullen in goede trouw de door hen overeenkomstig dit Deel op zich genomen verplichtingen ten einde aan allen de uit het lidmaatschap voortvloeiende rechten en voordelen te verzekeren.

Artikel 158. Organen van de Autoriteit
1.

Hierbij worden als de hoofdorganen van de Autoriteit ingesteld een Vergadering, een Raad en een Secretariaat.

2.

Hierbij wordt opgericht de Onderneming, het orgaan door middel waarvan de Autoriteit alle functies uitoefent bedoeld in artikel 170, eerste lid.

3.

Overeenkomstig dit Deel kunnen de ondergeschikte organen worden ingesteld die noodzakelijk blijken te zijn.

4.

Elk hoofdorgaan van de Autoriteit en de Onderneming is verantwoordelijk voor de uitoefening van de bevoegdheden en functies die daaraan zijn toegekend. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden en functies vermijdt elk orgaan iedere handeling die inbreuk kan maken op of de uitoefening belemmeren van speciale bevoegdheden en functies, toegekend aan een ander orgaan.

ONDERAFDELING B. DE VERGADERING

Artikel 159. Samenstelling, procedure en wijze van stemmen
1.

De Vergadering bestaat uit alle leden van de Autoriteit. Elk lid heeft een vertegenwoordiger in de Vergadering, die vergezeld kan worden door plaatsvervangers en adviseurs.

2.

De Vergadering komt bijeen in gewone jaarlijkse zittingen en in de bijzondere zittingen waartoe de Vergadering besluit, of die worden bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal op verzoek van de Raad of van een meerderheid van de leden van de Autoriteit.

3.

De zittingen worden gehouden ter plaatse van de zetel van de Autoriteit, tenzij de Vergadering anders besluit.

4.

De Vergadering stelt haar reglement van orde vast. Bij de aanvang van elke gewone zitting kiest zij haar Voorzitter en die andere functionarissen die nodig zijn. Dezen blijven in functie tot een nieuwe Voorzitter en andere functionarissen, worden gekozen tijdens de volgende gewone zitting.

5.

Een meerderheid van de leden van de Vergadering vormt een quorum.

6.

Elk lid van de Vergadering heeft één stem.

7.

Besluiten omtrent procedurele aangelegenheden, met inbegrip van besluiten bijzondere zittingen van de Vergadering bijeen te roepen, worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.

8.

Besluiten omtrent inhoudelijke aangelegenheden worden genomen met een tweederde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits zulk een meerderheid een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen. Wanneer de vraag rijst of een aangelegenheid inhoudelijk is of niet, wordt deze als een inhoudelijke aangelegenheid behandeld, tenzij de Vergadering anders besluit bij de voor besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden vereiste meerderheid.

9.

Wanneer een inhoudelijke aangelegenheid voor de eerste maal in stemming wordt gebracht, kan de Voorzitter, en moet deze indien ten minste een vijfde van de leden van de Vergadering zulks verzoekt, de kwestie van een stemming over die aangelegenheid uitstellen voor een termijn van niet langer dan vijf kalenderdagen. Deze regel kan slechts eenmaal op een aangelegenheid worden toegepast en mag niet zo worden toegepast dat die aangelegenheid wordt uitgesteld tot na het einde van de zitting.

10.

Naar aanleiding van een aan de Voorzitter gericht schriftelijk verzoek, gesteund door ten minste een vierde van de leden van de Autoriteit, om een advies omtrent de verenigbaarheid met dit Verdrag van een aan de Vergadering voorgelegd voorstel over enigerlei aangelegenheid, verzoekt de Vergadering de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee hieromtrent advies uit te brengen en stelt zij de stemming over dat voorstel uit in afwachting van de ontvangst van het advies van de Kamer. Indien het advies niet is ontvangen voor de laatste week van de zitting waarin erom is gevraagd, besluit de Vergadering wanneer zij bijeenkomt om over het uitgestelde voorstel te stemmen.

Artikel 160. Bevoegdheden en functies
1.

Als enig orgaan van de Autoriteit dat uit alle leden bestaat, wordt de Vergadering als het hoogste orgaan van de Autoriteit beschouwd waaraan de andere hoofdorganen verantwoording verschuldigd zijn, zoals speciaal bepaald in dit Verdrag. De Vergadering bezit de bevoegdheid algemene beleidslijnen te bepalen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.

2.

Daarnaast bezit de Vergadering de bevoegdheden en functies tot:

  • a. het kiezen van de leden van de Raad overeenkomstig artikel 161;
  • b. het kiezen van de Secretaris-Generaal uit de kandidaten, voorgedragen door de Raad;
  • c. het kiezen, op aanbeveling van de Raad, van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en de Directeur-Generaal van de Onderneming;
  • d. het instellen van de ondergeschikte organen die zij noodzakelijk acht voor de uitoefening van haar functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van deze ondergeschikte organen wordt naar behoren rekening gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen en de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bevoegd zijn ten aanzien van de desbetreffende technische vraagstukken die door deze organen worden behandeld;
  • e. het vaststellen van de bijdragen van de leden aan de administratieve begroting van de Autoriteit overeenkomstig een overeengekomen schaal gebaseerd op de schaal gebruikt voor de gewone begroting van de Verenigde Naties, tot de Autoriteit voldoende inkomsten uit andere bronnen heeft om haar administratieve uitgaven te dekken;
  • f.
  • (i). het overwegen en goedkeuren, op aanbeveling van de Raad, van de regels, voorschriften en procedures inzake de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen, opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen, verricht ingevolge artikel 82, daarbij in het bijzonder rekening houdend met de belangen en behoeften van ontwikkelingsstaten en volken die nog geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben verworven. Indien de Vergadering de aanbevelingen van de Raad niet goedkeurt, zendt de Vergadering deze terug naar de Raad voor hernieuwde overweging in het licht van de door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
  • (ii). het overwegen en goedkeuren van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en van wijzigingen daarop, voorlopig aangenomen door de Raad ingevolge artikel 162, tweede lid, letter o, onder (ii). Deze regels, voorschriften en procedures betreffen het onderzoek, de exploratie en exploitatie in het Gebied, het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit, en, op aanbeveling van de Raad van Bestuur van de Onderneming, de overdracht van financiële middelen van de Onderneming aan de Autoriteit.
  • g. het besluiten over de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied, overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.
  • h. het overwegen en goedkeuren van de voorgestelde jaarlijkse begroting van de Autoriteit, ingediend door de Raad;
  • i. het bestuderen van periodieke rapporten van de Raad en van de Onderneming en van speciale rapporten waarom de Raad of een ander orgaan van de Autoriteit is verzocht;
  • j. het doen verrichten van studies en het doen van aanbevelingen ten behoeve van de bevordering van de internationale samenwerking betreffende werkzaamheden in het Gebied en het stimuleren van de geleidelijke ontwikkeling van het daarop betrekking hebbende internationale recht en de codificatie daarvan;
  • k. het overwegen van vraagstukken van algemene aard in verband met werkzaamheden in het Gebied die zich vooral voordoen voor ontwikkelingsstaten, alsmede de problemen voor Staten in verband met werkzaamheden in het Gebied vanwege hun geografische ligging, in het bijzonder voor Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging;
  • l. het instellen, op aanbeveling van de Raad, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, van een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steun bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
  • m. het schorsen van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
  • n. het bespreken van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit en het beslissen, welk orgaan van de Autoriteit een zodanige aangelegenheid of zaak zal behandelen die niet speciaal is opgedragen aan een bepaald orgaan, zulks overeenkomstig de verdeling van bevoegdheden en functies tussen de organen van de Autoriteit.

ONDERAFDELING C. DE RAAD

Artikel 161. Samenstelling, procedure en wijze van stemmen
1.

De Raad bestaat uit 36 leden van de Autoriteit, die door de Vergadering worden gekozen in de onderstaande volgorde:

  • a. vier leden uit de Staten die Partij zijn die, gedurende de laatste vijf jaar waarvoor statistieken beschikbaar zijn, hetzij meer dan 2 procent van het totale wereldverbruik hebben verbruikt, hetzij een netto invoer hebben gehad van meer dan 2 procent van de totale wereldinvoer van de grondstoffen, geproduceerd uit de categorieën delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, en in elk geval een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio, alsmede de grootste verbruiker;
  • b. vier leden uit de acht Staten die Partij zijn die de grootste investeringen hebben in de voorbereiding en het verrichten van werkzaamheden in het Gebied, hetzij direct, hetzij via hun onderdanen, waaronder ten minste een Staat uit de Oosteuropese (socialistische) regio;
  • c. vier leden uit de Staten die Partij zijn die op basis van de produktie in onder hun rechtsmacht vallende gebieden grote netto exporteurs zijn van de categorieën metalen die zullen worden gewonnen in het Gebied, waaronder ten minste twee ontwikkelingsstaten wier exporten van zulke delfstoffen van aanzienlijk belang zijn voor hun economie;
  • d. zes leden uit de ontwikkelingsstaten die Partij zijn, die bijzondere belangen vertegenwoordigen. De te vertegenwoordigen bijzondere belangen omvatten die van Staten met een grote bevolking, Staten zonder zeekust of Staten met een ongunstige geografische ligging, Staten die grote importeurs zijn van de categorieën metalen die uit het Gebied zullen worden gewonnen, Staten die potentiële producenten van zulke delfstoffen zijn, en de minst ontwikkelde Staten;
  • e. achttien leden, gekozen volgens het beginsel dat een billijke geografische verdeling van zetels in de Raad als geheel moet worden verzekerd, met dien verstande dat elke geografische regio ten minste één op grond van deze letter gekozen lid heeft. Voor de toepassing van deze bepaling zijn de geografische regio’s Afrika, Azië, Oosteuropa (socialistisch), Latijns-Amerika, alsmede West-Europa en andere Staten.
2.

Bij de verkiezing van leden van de Raad overeenkomstig het eerste lid verzekert de Vergadering dat:

  • a. Staten zonder zeekust en Staten met een ongunstige geografische ligging vertegenwoordigd zijn in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
  • b. kuststaten, vooral ontwikkelingsstaten, die niet in aanmerking komen ingevolge het eerste lid, letter a, b, c of d, zijn vertegenwoordigd in een mate die in redelijke verhouding staat tot hun vertegenwoordiging in de Vergadering;
  • c. elke groep Staten die Partij zijn en die vertegenwoordigd moet zijn in de Raad, wordt vertegenwoordigd door die leden die eventueel door die groep zijn voorgedragen.
3.

De verkiezingen vinden plaats tijdens de gewone zittingen van de Vergadering. Elk lid van de Raad wordt gekozen voor vier jaar. Tijdens de eerste verkiezing is de ambtstermijn van de helft van de leden van elke in het eerste lid bedoelde groep evenwel twee jaar.

4.

De leden van de Raad zijn herkiesbaar, maar voldoende aandacht dient te worden besteed aan de wenselijkheid van een roulering van het lidmaatschap.

5.

De Raad oefent zijn functies ter plaatse van de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als de werkzaamheden van de Autoriteit vereisen, doch niet minder dan driemaal per jaar.

6.

Een meerderheid van de leden van de Raad vormt een quorum.

7.

Elk lid van de Raad heeft één stem.

  • a. Besluiten inzake procedurekwesties worden genomen met een meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen.
  • b. Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich op grond van de hierna genoemde bepalingen voordoen, worden genomen meteen twee derde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad: artikel 162, tweede lid, letters f, g, h, i, n, p, v; artikel 191.
  • c. Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden van de Raad: artikel 162, eerste lid, artikel 162, tweede lid, letters a, b, c, d, e, 1, q, r, s, t; u in geval van niet naleving door een contractant of een Staat die deze steun verleent; w met dien verstande dat ingevolge deze letter uitgevaardigde bevelen niet bindend kunnen zijn voor langer dan 30 dagen, tenzij bevestigd bij een besluit, genomen overeenkomstig letter d; artikel 162, tweede lid, letters x, y, z; artikel 163, tweede lid; artikel 174, derde lid; Bijlage IV, artikel 11.
  • d. Besluiten inzake inhoudelijke aangelegenheden die zich voordoen op grond van de hierna genoemde bepalingen worden genomen bij consensus: artikel 162, tweede lid, letters m en o; aanneming van wijzigingen op Deel XI.
  • e. Voor de toepassing van de letters d, f en g betekent „consensus” het ontbreken van een formeel bezwaar. Binnen 14 dagen na de voorlegging van een voorstel aan de Raad bepaalt de Voorzitter van de Raad of er een formeel bezwaar tegen de aanvaarding van het voorstel zou zijn. Indien de Voorzitter constateert dat er zulk een bezwaar zou zijn, roept de Voorzitter binnen drie dagen na deze constatering een door hem ingestelde bemiddelingscommissie bijeen, bestaande uit niet meer dan negen leden van de Raad, die door hemzelf wordt voorgezeten, ter regeling van de meningsverschillen en ter opstelling van een voorstel dat bij consensus kan worden aanvaard. De commissie dient snel te werken en binnen 14 dagen na haar instelling verslag uit te brengen aan de Raad. Indien de commissie niet in staat is een voorstel aan te bevelen, dat bij consensus kan worden aanvaard, zet zij in haar verslag de redenen uiteen, waarom er bezwaar is tegen het voorstel.
  • f. Besluiten inzake aangelegenheden die niet hierboven zijn opgesomd en die de Raad bevoegd is te nemen op grond van de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit of anderszins, worden genomen ingevolge de letters van dit lid, aangegeven in de regels, voorschriften en procedures of, indien daarin niet aangegeven, dan ingevolge de letter die de Raad indien mogelijk vooraf bij consensus heeft bepaald.
  • g. Indien de vraag zich voordoet of een aangelegenheid binnen de letters a, b, c of d valt, wordt deze behandeld als vallend binnen de letter die de grootste meerderheid of de consensus vereist, naar gelang het geval, tenzij anders beslist door de Raad bij de genoemde meerderheid of bij consensus.
9.

De Raad stelt een procedure vast waarbij een lid van de Autoriteit dat niet in de Raad vertegenwoordigd is, een vertegenwoordiger kan zenden om de vergadering van de Raad bij te wonen wanneer zulk een lid hiertoe een verzoek heeft ingediend of een aangelegenheid die dat lid bijzonder raakt, wordt bestudeerd. Zulk een vertegenwoordiger is gerechtigd deel te nemen aan de besprekingen, doch heeft geen stemrecht.

Artikel 162. Bevoegdheden en functies
1.

De Raad is het uitvoerend orgaan van de Autoriteit. De Raad heeft de bevoegdheid, overeenkomstig dit Verdrag en de door de Vergadering vastgestelde algemene beleidslijnen, het specifieke beleid te bepalen dat de Autoriteit zal voeren ten aanzien van enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit.

2.

Daarnaast dient de Raad:

  • a. zorg te dragen voor het toezicht op en de coördinatie van de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van alle vraagstukken en aangelegenheden vallende onder de bevoegdheid van de Autoriteit, en de aandacht van de Vergadering te vestigen op gevallen waarin deze niet worden nageleefd;
  • b. aan de Vergadering een voordracht te doen van kandidaten voor de verkiezing van de Secretaris-Generaal;
  • c. aan de Vergadering kandidaten aan te bevelen voor de verkiezing van de leden van de Raad van Bestuur van de Onderneming en van de Directeur-Generaal van de Onderneming;
  • d. waar passend, en naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiëntie, de onderschikte organen in te stellen die hij noodzakelijk acht voor de uitoefening van zijn functies overeenkomstig dit Deel. Bij de samenstelling van ondergeschikte organen wordt de nadruk gelegd op de behoefte aan leden die gekwalificeerd en bekwaam zijn ten aanzien van de desbetreffende technische aangelegenheden die door deze organen worden behandeld, mits naar behoren rekening wordt gehouden met het beginsel van een billijke geografische verdeling en met bijzondere belangen.
  • e. zijn reglement van orde, met inbegrip van de wijze van verkiezing van zijn voorzitter, vast te stellen;
  • f. overeenkomsten te sluiten met de Verenigde Naties of andere internationale organisaties namens de Autoriteit en binnen zijn bevoegdheid, zulks behoudens goedkeuring door de Vergadering;
  • g. de verslagen van de Onderneming te bestuderen en deze met zijn aanbevelingen door te zenden aan de Vergadering;
  • h. aan de Vergadering een jaarverslag over te leggen, alsmede de bijzondere verslagen waarom de Vergadering kan verzoeken;
  • i. richtlijnen te verstrekken aan de Onderneming overeenkomstig artikel 170;
  • j. werkplannen goed te keuren overeenkomstig Bijlage III, artikel 6. De Raad spreekt zich uit over elk werkplan binnen 60 dagen nadat het is voorgelegd door de Juridische en Technische Commissie tijdens een zitting van de Raad overeenkomstig de onderstaande procedures:
  • (i). indien de Commissie de goedkeuring van een werkplan aanbeveelt, wordt het geacht te zijn goedgekeurd door de Raad indien geen lid van de Raad binnen 14 dagen schriftelijk een specifiek bezwaar bij de Voorzitter indient, waarin het stelt dat niet is voldaan aan de vereisten van Bijlage III, artikel 6. Indien er bezwaar is, wordt de in artikel 161, achtste d, letter e, vervatte bemiddelingsprocedure toegepast. Indien aan het einde van de bemiddelingsprocedure het bezwaar nog steeds wordt gehandhaafd, wordt het werkplan geacht door de Raad te zijn goedgekeurd, tenzij de Raad afkeurt bij consensus van zijn leden, met uitzondering van de Staat of Staten die de aanvraag indient (indienen) of de aanvrager steunt (steunen);
  • (ii). indien de Commissie de afkeuring van een werkplan aanbeveelt of geen aanbeveling doet, kan de Raad het werkplan goedkeuren met een drie vierde meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen, mits deze meerderheid een meerderheid omvat van de leden die aan de zitting deelnemen;
  • k. door de Onderneming overeenkomstig Bijlage IV, artikel 12, voorgelegde werkplannen goed te keuren, waarbij de procedures vervat in letter j mutatis mutandis worden toegepast;
  • l. toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, vierde lid, en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit;
  • m. op aanbeveling van de Commissie voor Economische Planning, overeenkomstig artikel 150, letter h, de nodige en passende maatregelen te nemen om bescherming te bieden tegen de daarin genoemde nadelige economische gevolgen;
  • n. de Vergadering aanbevelingen te doen, op basis van advies van de Commissie voor Economische Planning, voor een stelsel van compensatie of andere maatregelen voor steunverlening bij economische aanpassing, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid;
  • o.
  • (i). aan de Vergadering regels, voorschriften en procedures aan te bevelen inzake de billijke verdeling van financiële en andere economische voordelen opgekomen uit werkzaamheden in het Gebied en de betalingen en bijdragen gedaan ingevolge artikel 82, met bijzondere nachtneming van de belangen en behoeften van de ontwikkelingsstaten en volken die geen volledige onafhankelijkheid of andere status van zelfbestuur hebben bereikt;
  • (ii). in afwachting van goedkeuring door de Vergadering, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en alle wijzigingen daarop, aan te nemen en voorlopig toe te passen met inachtneming van de aanbevelingen van de Juridische en Technische Commissie of andere betrokken ondergeschikte organen. Deze regels, voorschriften en procedures hebben betrekking op prospectie, exploratie en exploitatie in het Gebied en het financieel beheer en de interne administratie van de Autoriteit. Er wordt voorrang gegeven aan de aanneming van regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van metaalknollen. De regels, voorschriften en procedures voor de exploratie en de exploitatie van andere rijkdommen dan metaalknollen worden aangenomen binnen drie jaar na de datum van een verzoek aan de Autoriteit van een van haar leden tot aanneming van deze regels, voorschriften en procedures ten aanzien van zulke rijkdommen. Alle regels, voorschriften en procedures blijven van kracht op voorlopige grondslag totdat zij zijn goedgekeurd door de Vergadering of totdat zij worden gewijzigd door de Raad in het licht van door de Vergadering naar voren gebrachte zienswijzen;
  • p. de betaling te bezien van alle bedragen verschuldigd door of aan de Autoriteit in verband met verrichtingen ingevolge dit Deel;
  • q. krachtens Bijlage III, artikel 7, de selectie te maken uit aanvragers van produktievergunningen, wanneer in die bepaling een selectie wordt vereist;
  • r. de jaarlijkse ontwerp-begroting van de Autoriteit ter goedkeuring aan de Vergadering voor te leggen;
  • s. aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende het beleid inzake enige aangelegenheid of zaak vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit;
  • t. aan de Vergadering aanbevelingen te doen betreffende schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap ingevolge artikel 185;
  • u. uit naam van de Autoriteit procedures aanhangig te maken voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in geval van niet-naleving;
  • v. de Vergadering in kennis te stellen van een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een ingevolge letter u aanhangig gemaakte procedure en alle aanbevelingen te doen die hem passend voorkomen met betrekking tot te nemen maatregelen;
  • w. bevelen in een noodsituatie uit te vaardigen, waaronder bevelen voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu ten gevolge van werkzaamheden in het Gebied;
  • x. gebieden uit te sluiten van exploitatie door contractanten of door de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
  • y. een onderschikt orgaan in te stellen voor de opstelling van ontwerpen van financiële regels, voorschriften en procedures betreffende:
  • (i). het financieel beheer overeenkomstig de artikelen 171 tot en met 175; en
  • (ii). de financiële regelingen overeenkomstig Bijlage III, artikel 13 en artikel 17, eerste lid, letter c;
  • z. passende voorzieningen te treffen voor de leiding aan en het toezicht op een korps van inspecteurs, die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren, ten einde na te gaan of dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd.
Artikel 163. Organen van de Raad
1.

Hierbij worden de volgende organen van de Raad ingesteld:

  • a. een Commissie inzake Economische Planning;
  • b. een Juridische en Technische Commissie.
2.

Elke Commissie bestaat uit 15 leden, gekozen door de Raad uit door de Staten die Partij zijn voorgedragen kandidaten. Indien nodig kan de Raad evenwel beslissen de omvang van een Commissie uit te breiden, daarbij naar behoren rekening houdend met een zuinig beheer en efficiëntie.

3.

De leden van de Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten op het terrein waar die Commissie bevoegd is. De Staten die Partij zijn dragen kandidaten voor die voldoen aan de hoogste normen van bekwaamheid en integriteit met kwalificaties op de desbetreffende terreinen, ten einde de doeltreffende uitoefening van de functies van de Commissies te verzekeren.

4.

Bij de verkiezing van leden van de Commissies wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak van een billijke geografische verdeling en de vertegenwoordiging van bijzondere belangen.

5.

Een Staat die Partij is mag niet meer dan één kandidaat voor dezelfde Commissie voordragen. Niemand mag worden gekozen als lid van meer dan één Commissie.

6.

De leden van de Commissies hebben zitting voor een termijn van vijf jaar. Zij zijn herkiesbaar voor een volgende termijn.

7.

In geval van het overlijden, de onbekwaamheid tot handelen of de ontslagneming van een lid van een Commissie voor het verstrijken van de ambtstermijn, kiest de Raad uit dezelfde geografische regio of dezelfde belangengemeenschap een lid voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn.

8.

De leden van Commissies mogen geen financieel belang hebben in enige activiteit betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheid jegens de Commissies waarin zij zitting hebben, mogen zij niet, zelfs na de beëindiging van hun functies, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorend tot de industriële eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun taken voor de Autoriteit, openbaar maken.

9.

Elke Commissie oefent haar functies uit overeenkomstig de richtsnoeren en richtlijnen die de Raad aanneemt.

10.

Elke Commissie formuleert en legt aan de Raad ter goedkeuring voor de regels en voorschriften die noodzakelijk kunnen zijn voor het efficiënt verrichten van de functies van de Commissie.

11.

De besluitvormingsprocedures van de Commissies worden vastgelegd in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit. Aanbevelingen aan de Raad gaan, indien nodig, vergezeld van een samenvatting inzake uiteenlopende meningen binnen de Commissie.

12.

Elke Commissie verricht haar werkzaamheden gewoonlijk op de zetel van de Autoriteit en komt zo vaak bijeen als vereist voor de doeltreffende uitoefening van haar functies.

13.

Bij de uitoefening van haar functies kan elke Commissie, waar passend, overgaan tot raadpleging van een andere Commissie, een bevoegd orgaan van de Verenigde Naties of van haar gespecialiseerde organisaties of enige internationale organisatie met bevoegdheden ten aanzien van het onderwerp van deze raadpleging.

Artikel 164. De Commissie inzake Economische Planning
1.

De leden van de Commissie inzake Economische Planning dienen de gewenste kwalificaties te bezitten zoals op het gebied van de diepzeemijnbouw, het beheer van minerale rijkdommen, de internationale handel of de internationale economie. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn. De Commissie omvat ten minste twee leden uit ontwikkelingsstaten wier exporten van de categorieën delfstoffen die in het Gebied zullen worden gewonnen, van aanzienlijk belang zijn voor hun economie.

2.

De Commissie dient:

  • a. op verzoek van de Raad maatregelen voor te stellen voor de tenuitvoerlegging van besluiten betreffende werkzaamheden in het Gebied, genomen overeenkomstig dit Verdrag;
  • b. de tendensen in en de factoren die van invloed zijn op aanbod, vraag en prijs van materialen die in het Gebied kunnen worden gewonnen, te bestuderen, daarbij rekening houdend met de belangen van zowel importerende als exporterende landen, en inzonderheid met de ontwikkelingsstaten daaronder;
  • c. elke situatie te bestuderen die naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot de nadelige gevolgen, bedoeld in artikel 150, letter h, die onder haar aandacht zijn gebracht door de betrokken Staat of Staten, die Partij is (zijn), en aan de Raad passende aanbevelingen te doen;
  • d. ter voorlegging aan de Vergadering, zoals bepaald in artikel 151, tiende lid, aan de Raad een stelsel voor te stellen voor compensatie of andere maatregelen voor steunverlening bij economische aanpassing voor ontwikkelingsstaten die nadelige gevolgen ondervinden van werkzaamheden in het Gebied. De Commissie doet de Raad de aanbevelingen die nodig zijn voor de toepassing in bepaalde gevallen van het stelsel of van andere door de Vergadering aangenomen maatregelen.
Artikel 165. De Juridische en Technische Commissie
1.

De leden van de Juridische en Technische Commissie dienen passende kwalificaties te bezitten, zoals die welke van belang zijn voor de exploratie en de exploitatie en be- en verwerking van minerale rijkdommen, voor de oceanologie, de bescherming van het mariene milieu of voor economische of juridische aangelegenheden betreffende de mijnbouw in de oceaan en daarmede samenhangende terreinen van deskundigheid. De Raad tracht te verzekeren dat alle passende kwalificaties onder de leden van de Commissie vertegenwoordigd zijn.

2.

De Commissie dient:

  • a. op verzoek van de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot de uitoefeningen van de functies van de Autoriteiten;
  • b. de officiële schriftelijke werkplannen voor werkzaamheden in het Gebied overeenkomstig artikel 153, derde lid, te bezien en passende aanbevelingen aan de Raad voor te leggen. De Commissie baseert haar aanbevelingen uitsluitend op de gronden, vermeld in Bijlage III en brengt daarover volledig verslag uit aan de Raad;
  • c. op verzoek van de Raad toezicht uit te oefenen op de werkzaamheden in het Gebied, waar passend in overleg en samenwerking met enig lichaam dat zulke werkzaamheden verricht of met de betrokken Staat of Staten en hierover verslag uit te brengen aan de Raad;
  • d. evaluaties op te stellen van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
  • e. de Raad aanbevelingen te doen inzake de bescherming van het mariene milieu, met inachtneming van de opvattingen van erkende deskundigen op dat terrein;
  • f. te formuleren en aan de Raad voor te leggen de regels, voorschriften en procedures, bedoeld in artikel 162, tweede lid, letter o, met inachtneming van alle van belang zijnde factoren, met inbegrip van evaluaties van de gevolgen voor het milieu van werkzaamheden in het Gebied;
  • g. deze regels, voorschriften en procedures voortdurend te bezien en van tijd tot tijd de Raad de wijzigingen daarop aan te bevelen, die zij noodzakelijk of wenselijk acht;
  • h. de Raad aanbevelingen te doen betreffende de instelling van een surveillanceprogramma om regelmatig met erkende wetenschappelijke methoden de risico’s of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied na te gaan, te meten, te evalueren en te analyseren, te verzekeren dat bestaande voorschriften toereikend zijn en worden nageleefd en de tenuitvoerlegging van het door de Raad goedgekeurde surveillanceprogramma te coördineren;
  • i. de Raad aan te bevelen dat uit naam van de Autoriteit een procedure aanhangig wordt gemaakt voor de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, overeenkomstig dit Deel en de desbetreffende Bijlagen, inzonderheid met inachtneming van artikel 187;
  • j. aan de Raad aanbevelingen te doen met betrekking tot te nemen maatregelen, na een beslissing van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem in een overeenkomstig letter i aanhangig gemaakte procedure;
  • k. de Raad aanbevelingen te doen tot het uitvaardigen van bevelen in noodsituaties, die bevelen kunnen omvatten voor de opschorting of aanpassing van de werkzaamheden, ter voorkoming van ernstige schade aan het mariene milieu voortvloeiend uit werkzaamheden in het Gebied. Deze aanbevelingen dienen met voorrang door de Raad te worden bestudeerd;
  • l. de Raad aanbevelingen te doen tot het uitsluiten van gebieden van exploitatie door contractanten of de Onderneming in gevallen waarin degelijke bewijzen voorhanden zijn dat er risico bestaat van ernstige schade aan het mariene milieu;
  • m. de Raad aanbevelingen te doen betreffende de leiding aan en het toezicht op een korps inspecteurs die de werkzaamheden in het Gebied inspecteren teneinde na te gaan of de bepalingen van dit Deel, de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit en de voorwaarden en bedingen van contracten met de Autoriteit worden nageleefd;
  • n. ingevolge artikel 151, tweede tot en met zevende lid, het produktieplafond te berekenen en produktievergunningen te verlenen uit naam van de Autoriteit na een eventueel noodzakelijke keuze uit de aanvragers van produktievergunningen door de Raad overeenkomstig Bijlage III, artikel 7.
3.

De leden van de Commissie worden, op verzoek van een Staat die Partij is of een andere betrokken partij, vergezeld van een vertegenwoordiger van die Staat of andere betrokken partij wanneer zij hun toezichthoudende en inspecterende functie verrichten.

ONDERAFDELING D. HET SECRETARIAAT

Artikel 166. Het Secretariaat
1.

Het Secretariaat van de Autoriteit bestaat uit een Secretaris-Generaal en het personeel dat de Autoriteit nodig heeft.

2.

De Secretaris-Generaal wordt voor vier jaar door de Vergadering gekozen uit door de Raad voorgedragen kandidaten en kan worden herkozen.

3.

De Secretaris-Generaal is de hoogste administratieve functionaris van de Autoriteit en treedt in die hoedanigheid op tijdens alle bijeenkomsten van de Vergadering, van de Raad en van de ondergeschikte organen en verricht de andere administratieve functies die door deze organen aan de Secretaris-Generaal worden opgedragen.

4.

De Secretaris-Generaal stelt voor de Vergadering een jaarverslag op over het werk van de Autoriteit.

Artikel 167. Het personeel van de Autoriteit
1.

Het personeel van de Autoriteit bestaat uit het gekwalificeerde wetenschappelijke en technische en het andere personeel dat nodig is om de administratieve functies van de Autoriteit te vervullen.

2.

De allerbelangrijkste overweging bij de aanwerving en de indienstneming van het personeel en bij de vaststelling van hun arbeidsvoorwaarden is de noodzaak, de hoogste normen van efficiëntie, bekwaamheid en integriteit te waarborgen. Onder dit voorbehoud wordt naar behoren aandacht besteed aan het belang van aanwerving van het personeel op een zo ruim mogelijke geografische grondslag.

3.

Het personeel wordt aangesteld door de Secretaris-Generaal. De voorwaarden en bedingen waarop dit wordt aangesteld, bezoldigd en ontslagen dienen in overeenstemming te zijn met de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit.

Artikel 168. Internationaal karakter van het Secretariaat
1.

Bij de uitoefening van hun taken vragen noch ontvangen de Secretaris-Generaal en het personeel instructies van enige regering of van enige andere bron buiten de Autoriteit. Zij onthouden zich van handelingen die afbreuk zouden kunnen doen aan hun positie als internationale ambtenaren die alleen jegens de Autoriteit verantwoordelijk zijn. Elke Staat die Partij is, verbindt zich ertoe het uitsluitend internationale karakter van het dienstverband van de Secretaris-Generaal en het personeel te eerbiedigen en niet te pogen hen te beïnvloeden bij de uitoefening van hun taak. Elke schending van zijn verplichtingen door een persoonslid wordt voorgelegd aan een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen administratieve rechtbank.

2.

De Secretaris-Generaal en het personeel mogen geen financieel belang hebben in enige werkzaamheid betreffende de exploratie en exploitatie in het Gebied. Onder voorbehoud van hun verantwoordelijkheden jegens de Autoriteit, mogen zij niet, zelfs na de beëindiging van hun dienstverband, enig bedrijfsgeheim, gegevens behorende tot de industriële eigendom die aan de Autoriteit worden overgedragen overeenkomstig Bijlage III, artikel 14, of enige andere vertrouwelijke informatie die te hunner kennis komt op grond van hun werkzaamheden bij de Autoriteit, openbaar maken.

3.

Schendingen van de verplichtingen door een personeelslid van de Autoriteit, als bedoeld in het tweede lid, leiden, op verzoek van een Staat die Partij is en die door deze schending wordt getroffen, of een natuurlijke persoon of rechtspersoon, gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die door zulk een schending wordt getroffen, tot de instelling van een rechtsvervolging door de Autoriteit tegen het betrokken personeelslid, voor een volgens de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit aangewezen rechtbank. De getroffen Partij heeft het recht zich te voegen in het geding. Indien de rechtbank zulks aanbeveelt, ontslaat de Secretaris-Generaal het betrokken personeelslid.

4.

De regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit bevatten de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 169. Overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties
1.

Inzake aangelegenheden, vallend onder de bevoegdheid van de Autoriteit treft de Secretaris-Generaal passende regelingen, met goedkeuring van de Raad, voor overleg en samenwerking met internationale en niet-gouvernementele organisaties die erkend zijn door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties.

2.

Elke organisatie waarmede de Secretaris-Generaal een regeling ingevolge het eerste lid is aangegaan, kan vertegenwoordigers aanwijzen ter bijwoning van vergaderingen van de organen van de Autoriteit als waarnemer, overeenkomstig het reglement van orde van die organen. Er dienen procedures te worden ingesteld opdat deze organisaties in passende gevallen hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.

3.

De Secretaris-Generaal kan aan de Staten die Partij zijn schriftelijke rapporten toezenden die door de in het eerste lid bedoelde niet-gouvernementele organisaties zijn ingediend over onderwerpen ten aanzien waarvan zij over bijzondere deskundigheid beschikken en die betrekking hebben op het werk van de Autoriteit.

ONDERAFDELING E. DE ONDERNEMING

Artikel 170. De Onderneming
1.

De Onderneming is het orgaan van de Autoriteit dat rechtstreeks werkzaamheden in het Gebied verricht, ingevolge artikel 153, tweede lid, letter a, alsook zorgt voor het vervoer, de be- en verwerking en de afzet van uit het Gebied gewonnen delfstoffen.

2.

Binnen het kader van de internationale rechtspersoonlijkheid van de Autoriteit heeft de Onderneming de rechtsbevoegdheid, bepaald in het Statuut, vervat in Bijlage IV. De Onderneming handelt overeenkomstig dit Verdrag en de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, alsmede het door de Vergadering vastgestelde algemene beleid en houdt zich aan de richtlijnen van de Raad en is onderworpen aan diens toezicht.

3.

De Onderneming heeft haar hoofdkantoor ter plaatse van de zetel van de Autoriteit.

4.

Aan de Onderneming worden, overeenkomstig artikel 173, tweede lid, en Bijlage IV, artikel 11, de door haar benodigde financiële middelen verschaft om haar werkzaamheden te verrichten en zij wordt in het bezit gesteld van de technologie zoals bepaald in artikel 144 en andere desbetreffende bepalingen van dit Verdrag.

ONDERAFDELING F. FINANCIËLE REGELINGEN VAN DE AUTORITEIT

Artikel 171. Financiële middelen van de Autoriteit

De financiële middelen van de Autoriteit omvatten:

  • a. de bijdragen van de leden van de Autoriteit vastgesteld overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter e;
  • b. de financiële middelen door de Autoriteit ontvangen ingevolge Bijlage III, artikel 13, in verband met werkzaamheden in het Gebied;
  • c. overeenkomstig Bijlage IV, artikel 10, door de Onderneming overgedragen gelden;
  • d. gelden geleend ingevolge artikel 174;
  • e. vrijwillige bijdragen geschonken door leden of andere lichamen; en
  • f. betalingen aan een compensatiefonds, overeenkomstig artikel 151, tiende lid, waarbij de bronnen van deze betalingen moeten worden aanbevolen door de Commissie voor Economische Planning.
Artikel 172. Jaarlijkse begroting van de Autoriteit

De Secretaris-Generaal stelt de jaarlijkse ontwerpbegroting van de Autoriteit op en legt deze voor aan de Raad. De Raad bestudeert de jaarlijkse ontwerpbegroting en legt deze voor aan de Vergadering, vergezeld van eventuele aanbevelingen ter zake. De Vergadering bestudeert en hecht haar goedkeuring aan de jaarlijkse ontwerpbegroting overeenkomstig artikel 160, tweede lid, letter h.

Artikel 173. Uitgaven van de Autoriteit
1.

De in artikel 171, letter a, bedoelde bijdragen worden gestort op een speciale rekening ter dekking van de administratieve uitgaven van de Autoriteit totdat de Autoriteit over voldoende middelen uit andere bronnen beschikt om deze uitgaven te dekken,

2.

De financiële middelen van de Autoriteit dienen in de eerste plaats ter dekking van de administratieve uitgaven. Met uitzondering van de bijdragen, bedoeld in artikel 171, letter a, kunnen de middelen die overblijven na betaling van de administratieve uitgaven, onder andere:

  • a. worden verdeeld overeenkomstig artikel 140 en artikel 160, tweede lid, letter g;
  • b. worden gebruikt om de Onderneming middelen te verschaffen overeenkomstig artikel 170, vierde lid;
  • c. worden gebruikt voor de betaling van compensatie aan ontwikkelingsstaten overeenkomstig artikel 151, tiende lid, en artikel 160, tweede lid, letter 1.
Artikel 174. Bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan
1.

De Autoriteit heeft bevoegdheid om leningen aan te gaan.

2.

De Vergadering schrijft de grenzen van de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan voor in de financiële voorschriften aangenomen ingevolge artikel 160, tweede lid, letter f.

3.

De Raad oefent de bevoegdheid van de Autoriteit om leningen aan te gaan, uit.

4.

De Staten die Partij zijn, zijn niet aansprakelijk voor de schulden van de Autoriteit.

Artikel 175. Jaarlijkse accountantscontrole

De verslagen, boeken en rekeningen van de Autoriteit, met inbegrip van haar financiële jaaroverzichten, worden jaarlijks gecontroleerd door een onafhankelijke accountant, benoemd door de Vergadering.

ONDERAFDELING G. JURIDISCHE STATUS, VOORRECHTEN EN IMMUNITEITEN

Artikel 176. Juridische status

De Autoriteit bezit internationale rechtspersoonlijkheid en bezit de juridische bevoegdheid die nodig is voor de uitoefening van haar functies en de verwezenlijking van haar doelen.

Artikel 177. Voorrechten en immuniteiten

Opdat de Autoriteit haar functies kan uitoefenen, geniet zij op het grondgebied van elke Staat die Partij is de voorrechten en immuniteiten vervat in deze onderafdeling. De voorrechten en immuniteiten betreffende de Onderneming zijn die welke zijn vervat in Bijlage IV, artikel 13.

Artikel 178. Immuniteit van rechtsvervolging

De Autoriteit, haar eigendommen en activa genieten immuniteit van rechtsvervolging, behalve voor zover de Autoriteit in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand ervan doet.

Artikel 179. Immuniteit van doorzoeking en elke vorm van beslaglegging

De eigendommen en activa van de Autoriteit, waar ook gelegen en door wie ook gehouden, genieten immuniteit van doorzoeking, vordering, verbeurdverklaring, onteigening of elke andere vorm van beslaglegging voortvloeiend uit een maatregel van de uitvoerende of de wetgevende macht.

Artikel 180. Vrijstelling van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria

De eigendommen en activa van de Autoriteit zijn vrijgesteld van beperkingen, verordeningen, controles en moratoria van welke aard ook.

Artikel 181. Archieven en officiële mededelingen van de Autoriteit
1.

De archieven van de Autoriteit zijn onschendbaar, waar zij zich ook bevinden.

2.

Gegevens die tot de industriële eigendom behoren, bedrijfsgeheimen of soortgelijke informatie en personeelsdossiers worden niet opgeborgen in archieven die door het publiek kunnen worden ingezien.

3.

Met betrekking tot haar officiële mededelingen wordt aan de Autoriteit door elke Staat die Partij is een behandeling toegekend die niet minder gunstig is dan die welke door die Staat aan andere internationale organisaties wordt toegekend.

Artikel 182. Voorrechten en immuniteiten van bepaalde met de Autoriteit verbonden personen

De vertegenwoordigers van Staten die Partij zijn en die zittingen bijwonen van de Vergadering, de Raad of van organen van de Vergadering of de Raad, en de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit genieten op het grondgebied van elke Staat die Partij is:

  • a. immuniteit van rechtsvervolging met betrekking tot handelingen door hen verricht bij de uitoefening van hun functies, behalve voor zover de Staat die zij vertegenwoordigen, dan wel de Autoriteit, in een bepaald geval uitdrukkelijk afstand doet van deze immuniteit;
  • b. indien zij geen onderdaan zijn van die Staat die Partij is, dezelfde vrijstellingen van immigratiebeperkingen, vereisten inzake vreemdelingenregistratie en nationale dienstplicht, dezelfde faciliteiten met betrekking tot valutabeperkingen en dezelfde behandeling met betrekking tot reisfaciliteiten als door die Staat worden toegekend aan de vertegenwoordigers, functionarissen en werknemers van vergelijkbare rang van andere Staten die Partij zijn.
Artikel 183. Vrijstelling van belastingen en douanerechten
1.

Binnen de reikwijdte van haar officiële werkzaamheden zijn de Autoriteit, haar activa en eigendommen, haar inkomen en haar verrichtingen en transacties, toegestaan bij dit Verdrag, vrij van alle rechtstreekse belasting en zijn voor haar officieel gebruik ingevoerde of uitgevoerde goederen vrij van alle douanerechten. De Autoriteit mag geen aanspraak maken op vrijstelling van belastingen die niet meer zijn dan heffingen voor verleende diensten.

2.

Indien aankopen van goederen of diensten van aanzienlijke waarde, die nodig zijn voor de officiële werkzaamheden van de Autoriteit, door of ten behoeve van de Autoriteit worden verricht en indien in de prijs van zulke goederen of diensten belastingen of douanerechten zijn begrepen, worden voor zover uitvoerbaar passende maatregelen genomen door de Staten die Partij zijn om vrijstelling van zulke belastingen of rechten te verlenen of te voorzien in de terugbetaling daarvan. Goederen, ingevoerd of aangekocht ingevolge een vrijstelling zoals bepaald in dit artikel, mogen niet worden verkocht of op andere wijze vervreemd in het grondgebied van de Staat die Partij is en die de vrijstelling heeft verleend, behalve op met die Staat overeengekomen voorwaarden.

3.

Er wordt door Staten die Partij zijn geen belasting geheven op of met betrekking tot salarissen en emolumenten betaald door de Autoriteit, of andere vormen van betaling door haar verricht, aan de Secretaris-Generaal en het personeel van de Autoriteit, alsmede aan deskundigen die voor de Autoriteit opdrachten vervullen, mits dezen geen onderdaan van die Staten zijn.

ONDERAFDELING H. SCHORSING VAN DE UITOEFENING VAN DE RECHTEN EN VOORRECHTEN VAN LEDEN

Artikel 184. Schorsing van de uitoefening van het stemrecht

Een Staat die Partij is die achterstallig is met de betaling van zijn financiële bijdragen aan de Autoriteit heeft geen stemrecht indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of groter is dan het bedrag van de door hem verschuldigde bijdragen voor de voorafgaande twee volle jaren. De Vergadering kan niettemin zulk een lid toestaan zijn stem uit te brengen indien te haren genoegen is aangetoond dat het in gebreke blijven te betalen te wijten is aan omstandigheden waarop het lid geen invloed kan uitoefenen.

Artikel 185. Schorsing van de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap
1.

Een Staat die Partij is en die op ernstige en voortdurende wijze de bepalingen van dit Deel heeft geschonden, kan op aanbeveling van de Raad door de Vergadering worden geschorst in de uitoefening van de rechten en voorrechten van het lidmaatschap.

2.

Er mogen geen maatregelen ingevolge het eerste lid worden genomen tot de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem tot de conclusie is gekomen dat een Staat die Partij is de bepalingen van dit Deel op ernstige en voortdurende wijze heeft geschonden.

AFDELING 5. REGELING VAN GESCHILLEN EN ADVIEZEN

Artikel 186. Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee

De instelling van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem en de wijze waarop zij haar rechtsmacht uitoefent, worden geregeld in de bepalingen van deze afdeling, van Deel XV en van Bijlage VI.

Artikel 187. Bevoegdheid van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem

De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem is ingevolge dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen bevoegd in geschillen met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, behorend tot de onderstaande categorieën:

  • a. geschillen tussen Staten die Partij zijn betreffende de uitlegging of toepassing van dit Deel en de daarop betrekking hebbende Bijlagen;
  • b. geschillen tussen een Staat die Partij is en de Autoriteit betreffende:
  • (i). handelen of nalaten door de Autoriteit of door een Staat die Partij is waarvan wordt gesteld dat het een schending vormt van dit Deel of van de daarop betrekking hebbende Bijlagen of van regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit, aangenomen in overeenstemming daarmede; of
  • (ii). handelen door de Autoriteit waarvan wordt gesteld dat het de rechtsbevoegdheid van de Autoriteit overschrijdt of een misbruik van bevoegdheden vormt;
  • c. geschillen tussen partijen bij een contract, die Staten zijn die Partij zijn, de Autoriteit of de Onderneming, staatsondernemingen en natuurlijke personen of de rechtspersonen, bedoeld in artikel 153, tweede lid, letter b, betreffende:
  • (i). de uitlegging of toepassing van een desbetreffend contract of werkplan; of
  • (ii). handelen of nalaten door een partij bij het contract betreffende de werkzaamheden in het Gebied en gericht tegen de andere partij of rechtstreeks zijn wettige belangen aantastend;
  • d. geschillen tussen de Autoriteit en een toekomstige contractant die door een Staat wordt gesteund zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, en die naar behoren heeft voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in Bijlage III, artikel 4, zesde lid, en artikel 13, tweede lid, betreffende de weigering van een contract of betreffende een juridische kwestie die zich voordoet tijdens de onderhandelingen over het contract;
  • e. geschillen tussen de Autoriteit en een Staat die Partij is, een staatsonderneming of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon gesteund door een Staat die Partij is zoals bepaald in artikel 153, tweede lid, letter b, waarbij wordt gesteld dat de Autoriteit aansprakelijk is zoals bepaald in Bijlage III, artikel 22;
  • f. alle andere geschillen ten aanzien waarvan de bevoegdheid van de Kamer uitdrukkelijk is bepaald in dit Verdrag.
Artikel 188. Voorlegging van geschillen aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee of een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem of aan bindende arbitrage in handelszaken
1.

Geschillen tussen Staten die Partij zijn, bedoeld in artikel 187, letter a, kunnen worden voorgelegd:

  • a. op verzoek van de partijen bij het geschil aan een speciale kamer van het Internationale Hof voor het Recht van de Zee, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, de artikelen 15 en 17; of
  • b. op verzoek van een partij bij het geschil aan een kamer ad hoc van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, te vormen overeenkomstig Bijlage VI, artikel 36.
  • a. Geschillen betreffende de uitlegging of toepassing van een contract, bedoeld in artikel 187, letter c, onder (i), worden, op verzoek van een partij bij het geschil, voorgelegd aan bindende arbitrage in handelszaken, tenzij de partijen anders overeenkomen. Een scheidsgerecht in handelszaken waaraan het geschil wordt voorgelegd, heeft geen bevoegdheid te beslissen in aangelegenheden betreffende de uitlegging van dit Verdrag. Wanneer het geschil ook een kwestie inzake de uitlegging van Deel XI en de daarop betrekking hebbende Bijlage omvat, met betrekking tot werkzaamheden in het Gebied, wordt die kwestie voorgelegd aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor het doen van een uitspraak.
  • b. Indien bij de aanvang of in de loop van zulk een scheidsrechterlijke procedure het scheidsgerecht bepaalt, op verzoek van een partij bij het geschil dan wel eigener beweging, dat zijn beslissing afhankelijk is van een uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem, legt het scheidsgerecht deze kwestie voor aan de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem voor een uitspraak. Het scheidsgerecht spreekt daarna zijn vonnis uit overeenkomstig de uitspraak van de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem.
  • c. Indien er in het contract geen bepaling is opgenomen betreffende de bij het geschil toe te passen scheidsrechterlijke procedure, geschiedt de arbitrage overeenkomstig de UNCITRAL-Regels inzake arbitrage of volgens andere arbitrageregels die in de regels, voorschriften en procedures van de Autoriteit kunnen zijn voorgeschreven, tenzij de partijen bij het geschil anders overeenkomen.
Artikel 189. Beperking van de bevoegdheid met betrekking tot besluiten van de Autoriteit

De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem heeft geen bevoegdheid met betrekking tot de uitoefening door de Autoriteit van haar discretionaire bevoegdheden overeenkomstig dit Deel; in geen geval mag zij haar eigen vrijheid van handelen in de plaats stellen van die van de Autoriteit. Onverminderd artikel 191 mag de Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem bij de uitoefening van haar bevoegdheid ingevolge artikel 187, zich niet uitspreken over de vraag of enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in overeenstemming is met dit Verdrag en evenmin zodanige regels, voorschriften of procedures ongeldig verklaren. Haar bevoegdheid in dit opzicht is beperkt tot de vaststelling of de toepassing van enigerlei regel, voorschrift of procedure van de Autoriteit in afzonderlijke gevallen in strijd zou zijn met de contractuele verplichtingen van de partijen bij het geschil of hun verplichtingen krachtens dit Verdrag, tot de erkenning van verhaal wegens onbevoegdheid of misbruik van bevoegdheid alsmede tot vorderingen betreffende de betaling van schadevergoeding of tot andere rechtsmiddelen, aangewend door een der partijen jegens de andere partij voor het niet nakomen door die partij van haar contractuele verplichtingen of haar verplichtingen krachtens dit Verdrag.

Artikel 190. Deelneming aan procedures en verschijning daarin van Staten die Partij zijn en steun verlenen
1.

Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon partij is bij een geschil, bedoeld in artikel 187, wordt de steunverlenende Staat daarvan in kennis gesteld en heeft deze het recht aan de procedure deel te nemen door middel van schriftelijke of mondelinge verklaringen.

2.

Indien tegen een Staat die Partij is een procedure aanhangig wordt gemaakt door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die wordt gesteund door een andere Staat die Partij is, in een geschil zoals bedoeld in artikel 187, letter c, kan de zich verwerende Staat de Staat die deze persoon steun verleent verzoeken, namens die persoon in de procedure te verschijnen. Bij niet verschijnen kan de zich verwerende Staat zich doen vertegenwoordigen door een rechtspersoon die zijn nationaliteit bezit.

Artikel 191. Uitbrengen van adviezen

De Kamer inzake geschillen betreffende de zeebodem brengt adviezen uit op verzoek van de Vergadering of de Raad inzake juridische vraagstukken die zich voordoen binnen het kader van hun activiteiten. Zulke adviezen worden met voorrang uitgebracht.

DEEL XII. BESCHERMING EN BEHOUD VAN HET MARIENE MILIEU

AFDELING 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 192. Algemene verplichting

De Staten zijn verplicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.

Artikel 193. Soeverein recht van Staten hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren

De Staten hebben het soevereine recht hun natuurlijke rijkdommen te exploiteren overeenkomstig hun milieubeleid en in overeenstemming met hun plicht het mariene milieu te beschermen en te behouden.

Artikel 194. Maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu
1.

De Staten dienen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar gelang passend, alle met dit Verdrag verenigbare maatregelen te nemen die nodig zijn ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu uit welke bron dan ook, hiertoe de bruikbaarste middelen te gebruiken waarover zij beschikken, en wel overeenkomstig hun vermogen, en trachten hun beleid in dit verband te harmoniseren.

2.

De Staten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat onder hun rechtsmacht of toezicht staande werkzaamheden zo worden verricht, dat deze geen schade door verontreiniging toebrengen aan andere Staten en het milieu daarvan en dat verontreiniging, voortvloeiend uit voorvallen of werkzaamheden onder hun rechtsmacht of toezicht zich niet verder verspreidt dan de gebieden waarover zij soevereine rechten uitoefenen overeenkomstig dit Verdrag.

3.

De krachtens dit Deel genomen maatregelen dienen alle bronnen van verontreiniging van het mariene milieu te betreffen. Deze maatregelen omvatten onder andere alle maatregelen die erop zijn gericht de volgende vormen van verontreiniging zoveel mogelijk te beperken:

  • a. het vrijkomen van toxische, schadelijke en gevaarlijke stoffen, vooral die welke persistent zijn, uit bronnen op het land, uit of via de atmosfeer of door storting;
  • b. verontreiniging door schepen, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee, ter voorkoming van opzettelijke en onopzettelijke lozingen, en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van schepen;
  • c. verontreiniging door installaties en werktuigen gebruikt bij de exploratie of exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de zeebodem en ondergrond, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen;
  • d. verontreiniging door andere installaties en werktuigen die in het mariene milieu werkzaam zijn, inzonderheid maatregelen ter voorkoming van ongevallen en voor hulpverlening in noodsituaties, ter verzekering van de veiligheid van werkzaamheden op zee en ter regeling van het ontwerp, de constructie, uitrusting, werkzaamheden en bemanning van zulke installaties of werktuigen.
4.

Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering of bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, onthouden de Staten zich van ongerechtvaardigde inmenging in de werkzaamheden, verricht door andere Staten bij de uitoefening van hun rechten en nakoming van hun verplichtingen ingevolge dit Verdrag.

5.

De overeenkomstig dit Deel genomen maatregelen omvatten die welke nodig zijn tot bescherming en behoud van zeldzame of kwetsbare ecosystemen, alsook het woongebied van sterk achteruitgaande, bedreigde of uitstervende soorten en andere mariene levensvormen.

Artikel 195. Verplichting schade of risico’s niet over te brengen of de ene soort verontreiniging om te zetten in een andere

Bij het nemen van maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, handelen de Staten op zulk een wijze dat daardoor niet, direct of indirect, schade of risico’s worden overgebracht van het ene gebied naar het andere of de ene soort verontreiniging wordt omgezet in de andere.

Artikel 196. Gebruik van technologieën of de introductie van uitheemse of nieuwe soorten
1.

De Staten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, voortvloeiend uit het gebruik van onder hun rechtsmacht of toezicht staande technologieën, of de opzettelijke of toevallige introductie van uitheemse of nieuwe soorten in een bepaald deel van het mariene milieu, die daarin aanmerkelijke en schadelijke veranderingen kan teweegbrengen.

2.

Dit artikel laat onverlet de toepassing van dit Verdrag ten aanzien van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.

AFDELING 2. MONDIALE EN REGIONALE SAMENWERKING

Artikel 197. Samenwerking op mondiale of regionale grondslag

De Staten werken samen op mondiale grondslag en, naar gelang passend, op regionale grondslag, rechtstreeks dan wel via bevoegde internationale organisaties, bij de formulering en uitwerking van internationale regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures die verenigbaar zijn met dit Verdrag, voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu, daarbij rekening houdend met regionale bijzonderheden.

Artikel 198. Kennisgeving van onmiddellijk dreigende of feitelijke schade

Wanneer een Staat verneemt van gevallen waarin het mariene milieu in onmiddellijk dreigend gevaar verkeert schade op te lopen of schade heeft opgelopen door verontreiniging, stelt hij onmiddellijk andere Staten in kennis die naar zijn oordeel naar alle waarschijnlijkheid door zulke schade zullen worden getroffen, alsook de bevoegde internationale organisaties.

Artikel 199. Rampenplannen bij verontreiniging

In de gevallen, bedoeld in artikel 198 werken de Staten in het getroffen gebied, overeenkomstig hun vermogen, en de bevoegde internationale organisaties, voor zover mogelijk, samen bij de wegneming van de gevolgen van de verontreiniging en het voorkomen of tot een minimum beperken van de schade. Hiertoe ontwikkelen en stimuleren de Staten gezamenlijk rampenplannen, om te reageren op voorvallen van verontreiniging van het mariene milieu.

Artikel 200. Studies, onderzoekprogramma’s en uitwisseling van informatie en gegevens

De Staten werken, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, samen ten behoeve van het bevorderen van studies, het ter hand nemen van programma’s voor wetenschappelijk onderzoek en het stimuleren van de uitwisseling van over verontreiniging van het mariene milieu verkregen informatie en gegevens. Zij trachten actief deel te nemen aan regionale en mondiale programma’s ter verwerving van kennis voor de vaststelling van de aard en de mate van verontreiniging, van de blootstelling daaraan en van de wegen waarlangs deze zich verspreidt, de risico’s die zij met zich brengt en de middelen die ertegen kunnen worden aangewend.

Artikel 201. Wetenschappelijke criteria voor voorschriften

In het licht van de ingevolge artikel 200 verkregen informatie en gegevens werken de Staten samen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties, bij het vaststellen van passende wetenschappelijke criteria voor de formulering en uitwerking van regels, normen en aanbevolen praktijken en procedures ter voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu.

AFDELING 3. TECHNISCHE HULP

Artikel 202. Wetenschappelijke en technische hulp aan ontwikkelingsstaten

De Staten dienen, rechtstreeks of via bevoegde internationale organisaties:

  • a. programma’s voor hulp aan ontwikkelingsstaten op het gebied van wetenschap, onderwijs, de techniek of op andere terreinen te bevorderen voor de bescherming en het behoud van het mariene milieu en de voorkoming, vermindering en bestrijding van mariene verontreiniging. Deze hulp omvat, onder meer:
  • (i). opleiding van hun wetenschappelijk en technisch personeel;
  • (ii). vergemakkelijking van hun deelneming aan ter zake van belang zijnde internationale programma’s;
  • (iii). het hun verschaffen van de nodige uitrusting en voorzieningen;
  • (iv). het vergroten van hun vermogen zulke uitrusting te vervaardigen;
  • (v). advies inzake en ontwikkeling van voorzieningen voor programma's op het gebied van onderzoek, controlemetingen, onderwijs en op andere terreinen;
  • b. het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, voor het tot een minimum beperken van de gevolgen van voorvallen van grote importantie die ernstige verontreiniging van het mariene milieu kunnen veroorzaken;
  • c. het verschaffen van passende hulp, vooral aan ontwikkelingsstaten, betreffende het verrichten van ecologische evaluaties.
Artikel 203. Voorrangsbehandeling van ontwikkelingsstaten

Aan ontwikkelingsstaten wordt, ten behoeve van de voorkoming, vermindering en bestrijding van verontreiniging van het mariene milieu, of het tot een minimum beperken van de gevolgen daarvan, door internationale organisaties voorrang toegekend bij:

  • a. de toewijzing van passende financiële middelen en technische hulp; en
  • b. het gebruik van hun gespecialiseerde diensten.

AFDELING 4. CONTROLEMETINGEN EN ECOLOGISCHE EVALUATIE

Artikel 204. Controlemetingen van de risico’s of gevolgen van verontreiniging
1.

De Staten trachten, op een wijze verenigbaar met de rechten van andere Staten, voor zover mogelijk, rechtstreeks of via de bevoegde internationale organisaties, met behulp van erkende wetenschappelijke methoden, de risico’s of gevolgen van verontreiniging van het mariene milieu in het oog te houden, te meten, te evalueren en te analyseren.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)