← Geldende tekst · Geschiedenis

Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Geldende tekst a fecha 2006-02-11

De Partijen bij het Verdrag,

Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder,

Erkennend dat het opzettelijk, onachtzaam, dan wel bij ongeluk, lozen van olie en andere schadelijke stoffen door schepen een ernstige bron van verontreiniging vormt,

Voorts erkennend het belang van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, als de eerste multilaterale overeenkomst die werd gesloten met de bescherming van het milieu als voornaamste oogmerk en haar waardering uitsprekende voor de belangrijke bijdrage die genoemd Verdrag heeft geleverd aan het behoeden van de zeeën en de kustgebieden voor verontreiniging,

Geleid door de wens een einde te maken aan de opzettelijke verontreiniging van het mariene milieu door olie en andere schadelijke stoffen, en de lozing bij ongeluk van dergelijke stoffen tot een minimum te beperken,

Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door het opstellen van regels met een universele strekking die niet beperkt zijn tot verontreiniging door olie,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag

(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van die Bijlagen daarbij door welke zij zijn gebonden, ter voorkoming van de verontreiniging van het mariene milieu door het lozen van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, in strijd met dit Verdrag.

(2). Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald houdt elke verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing in naar de Protocollen en Bijlagen daarbij.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald:

Artikel 3. Toepassing

(1). Dit Verdrag is van toepassing op:

(2). Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat het afbreuk doet of uitbreiding geeft aan de soevereine rechten die de Partijen krachtens internationaal recht op de aan hun kusten grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan hebben ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen.

(3). Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die, tijdelijk, uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Partij waarborgt evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen in haar eigendom of beheer niet aantasten, dat dergelijke schepen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, opereren in overeenstemming met dit Verdrag.

Artikel 4. Overtreding

(1). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding zich voordoet. Indien de Administratie van een dergelijke overtreding op de hoogte is gesteld en ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, neemt zij ten spoedigste dergelijke stappen overeenkomstig haar wetgeving.

(2). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag binnen de rechtsmacht van een Partij bij het Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van die Partij. Wanneer zich een dergelijke overtreding voordoet,

(3). In gevallen waarin de inlichtingen of het bewijsmateriaal met betrekking tot enige schending van dit Verdrag door een schip, worden verschaft aan de Administratie van dat schip, stelt de Administratie de Partij die de inlichtingen of het bewijsmateriaal heeft verschaft, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

(4). De ingevolge dit artikel krachtens de wetten van een Partij vastgestelde straffen dienen streng genoeg te zijn om schending van dit Verdrag tegen te gaan; zij dienen even streng te zijn, ongeacht het gebied waar de schending zich voordoet.

Artikel 5. Certificaten en bijzondere regels voor de inspectie van schepen

(1). Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een certificaat, afgegeven op gezag van een Partij bij het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de Voorschriften, door de overige Partijen aanvaard en voor alle doeleinden van dit Verdrag beschouwd als gelijkwaardig aan een door hen afgegeven certificaat.

(2). Een schip dat krachtens de bepalingen van de Voorschriften een dergelijk certificaat moet bezitten, is, wanneer het zich in de haven of op een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een Partij bevindt, onderworpen aan inspectie door terzake bevoegde ambtenaren van die Partij. Een dergelijke inspectie dient beperkt te blijven tot het nagaan of zich een geldig certificaat aan boord bevindt, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen, dat de staat van het schip of van zijn uitrusting niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van dat certificaat. In dat geval, of indien het schip geen geldig certificaat aan boord heeft, zal de inspecterende Partij de noodzakelijke maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat het schip niet uitvaart totdat het in staat is zee te kiezen zonder een buitensporige bedreiging te vormen voor het mariene milieu. De betrokken Partij kan echter een dergelijk schip toestemming geven de haven of de laad- of losplaats buitengaats te verlaten om naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te varen.

(3). Indien een Partij een buitenlands schip de toegang tot een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht ontzegt, dan wel maatregelen tegen een dergelijk schip neemt omdat het niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag, geeft die Partij daarvan onverwijld kennis aan de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren of, zo dit niet mogelijk is, aan de Administratie van het betrokken schip. Alvorens de toegang te ontzeggen of dergelijke stappen te ondernemen, kan de Partij verzoeken om overleg met de Administratie van het betrokken schip.

De Administratie wordt ook ingelicht indien een schip geen geldig certificaat overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften aan boord heeft.

(4). Ten aanzien van de schepen van Staten die geen Partij zijn bij het Verdrag passen de Partijen de bepalingen van dit Verdrag toe, voor zover nodig is om te verzekeren dat dergelijke schepen geen gunstiger behandeling krijgen.

Artikel 6. Opsporing van overtredingen en handhaving van de bepalingen van het Verdrag

(1). De Partijen bij het Verdrag werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag, daarbij gebruik makend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en het verzamelen van bewijsmateriaal.

(2). Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is kan in elke haven of op elke laad- en losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het betrokken schip schadelijke stoffen heeft geloosd in strijd met de bepalingen van de Voorschriften. Indien bij de inspectie schending van het Verdrag blijkt, wordt de Administratie een rapport toegezonden met het oog op het nemen van passende maatregelen.

(3). Alle Partijen verschaffen de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van de Voorschriften schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten heeft geloosd.

Indien mogelijk stelt het bevoegde gezag van de betrokken Partij de gezagvoerder van het schip in kennis van de beweerde overtreding.

(4). Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht om aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de beweerde overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de beweerde overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

(5). Een Partij kan tevens een schip waarop dit Verdrag van toepassing is inspecteren wanneer dit een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van enige Partij is ontvangen, te zamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip ergens schadelijke stoffen, of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, heeft geloosd. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen en aan de Administratie, opdat krachtens de bepalingen van dit Verdrag de juiste stappen kunnen worden genomen.

Artikel 7. Onnodig oponthoud van schepen

(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.

(2). Indien, door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.

Artikel 8. Melding van voorvallen met schadelijke stoffen

(1). Een voorval wordt onverwijld en zo uitgebreid mogelijk gemeld overeenkomstig de bepalingen van Protocol I bij dit Verdrag.

(2). Elke Partij bij het Verdrag dient:

(3). Wanneer een Partij een melding ontvangt krachtens de bepalingen van dit artikel, zendt zij deze melding onverwijld door aan:

(4). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe, aan haar inspectievaartuigen en -vliegtuigen, alsmede aan andere hiertoe geëigende diensten instructies uit te vaardigen, om aan haar bevoegde instanties elk voorval te melden als bedoeld in Protocol I bij dit Verdrag. Indien zij daartoe aanleiding ziet, brengt deze Partij dienovereenkomstig verslag uit aan de Organisatie, alsmede aan elke andere betrokken Partij.

Artikel 9. Andere Verdragen en Uitlegging

(1). Na inwerkingtreding vervangt dit Verdrag het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, zoals gewijzigd, ten aanzien van de Partijen bij laatstgenoemd Verdrag.

(2). Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 C(XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.

(3). De term „rechtsmacht” wordt in dit Verdrag uitgelegd in overeenstemming met het internationaal recht, geldend ten tijde van toepassing of uitlegging van dit Verdrag.

Artikel 10. Beslechting van geschillen

Elk geschil tussen twee of meer Partijen bij het Verdrag over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet door onderhandeling tussen de betrokken Partijen kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anders beslissen, op verzoek van een der Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in Protocol II bij dit Verdrag.

Artikel 11. Verstrekken van inlichtingen

(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich tot het mededelen aan de Organisatie van:

(2). De Organisatie stelt de Partijen in kennis van de ontvangst van alle mededelingen gedaan krachtens dit artikel en verspreidt alle haar krachtens het eerste lid, onder (b) t/m (f) van dit artikel medegedeelde gegevens onder alle Partijen.

Artikel 12. Scheepsongevallen

(1). Elke Administratie verbindt zich tot het instellen van een onderzoek naar alle ongevallen waarbij een van haar schepen betrokken is waarop de bepalingen van de Voorschriften van toepassing zijn, indien een dergelijk ongeval een zeer schadelijke invloed heeft veroorzaakt op het mariene milieu.

(2). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe de Organisatie gegevens te verstrekken omtrent de resultaten van een dergelijk onderzoek, wanneer deze Partij van mening is dat deze gegevens van nut kunnen zijn bij het vaststellen welke wijzigingen in dit Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.

Artikel 13. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

(1). Dit Verdrag staat van 15 januari 1974 tot 31 december 1974 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening en blijft daarna open voor toetreding. Staten kunnen Partij bij dit Verdrag worden door:

(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.

(3). De Secretaris-Generaal van de Organisatie geeft alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van elke ondertekening of van de nederlegging van elke nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en van de datum van deze nederlegging.

Artikel 14. Facultatieve Bijlagen

(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en V (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.

(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid.

(3). Een Staat die een verklaring krachtens het eerste lid van dit artikel aflegt met betrekking tot een Facultatieve Bijlage en deze Bijlage niet naderhand heeft aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zal aan geen enkele verplichting onderworpen zijn noch gerechtigd zijn aanspraak te maken op voorrechten voortvloeiend uit dit Verdrag ten aanzien van aangelegenheden waarop een zodanige Bijlage betrekking heeft; ook zullen alle verwijzingen naar Partijen bij dit Verdrag niet op die Staat van toepassing zijn voor zover daarbij sprake is van aangelegenheden deze Bijlagen betreffende.

(4). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden kennis van elke verklaring krachtens dit artikel, alsmede van de ontvangst van elke akte nedergelegd overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

Artikel 15. Inwerkingtreding

(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig artikel 13.

(2). Een Facultatieve Bijlage treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot die Bijlage is voldaan.

(3). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van de datum waarop het Verdrag in werking treedt en van de datum waarop een Facultatieve Bijlage in werking treedt overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of tot een Facultatieve Bijlage hebben nedergelegd, nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding daarvan is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag of van die Bijlage, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.

(5). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag of een Facultatieve Bijlage in werking is getreden, wordt het Verdrag of de Facultatieve Bijlage van kracht drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.

(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 16 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.

Artikel 16. Wijzigingen

(1). Dit Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een der in de volgende leden genoemde procedures.

(2). Wijziging na behandeling door de Organisatie:

(3). Wijziging door een Conferentie:

(5). Voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een nieuwe Bijlage gelden dezelfde procedures als voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een wijziging van een artikel van het Verdrag.

(6). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, geldt elke wijziging van dit Verdrag volgens de bepalingen van dit artikel, die betrekking heeft op de bouw van een schip, alleen voor schepen waarvoor reeds een bouwcontract is gesloten of, indien er geen bouwcontract bestaat, waarvan de kiel reeds is gelegd op of na de datum waarop de wijziging in werking treedt.

(7). Een wijziging van een Protocol of van een Bijlage dient slechts betrekking te hebben op de inhoud van dat Protocol of die Bijlage en niet in strijd te zijn met de bepalingen van de artikelen van dit Verdrag.

(8). De Secretaris-Generaal van de Organisatie stelt alle Partijen in kennis van elke wijziging die ingevolge dit artikel in werking treedt, alsmede van de datum waarop die wijziging van kracht wordt.

(9). Elke verklaring van aanvaarding van of bezwaar tegen een wijziging ingevolge dit artikel wordt schriftelijk medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Deze brengt een dergelijke kennisgeving en de datum van ontvangst daarvan ter kennis van de Partijen bij het Verdrag.

Artikel 17. Bevordering van technische samenwerking

De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met de Organisatie en andere internationale lichamen, met bijstand van en in samenwerking met de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, steun aan Partijen die om technische hulp verzoeken voor:

bij voorkeur in de betrokken landen zelf, ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 18. Opzegging

(1). Dit Verdrag of een Facultatieve Bijlage kan door elke Partij bij het Verdrag te allen tijde worden opgezegd na verloop van vijf jaren te rekenen van de datum waarop het Verdrag of die Bijlage voor die Partij in werking trad.

(2). Opzegging geschiedt door een schriftelijke mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die alle andere Partijen in kennis stelt van een zodanige opzegging en van de datum van ontvangst daarvan, alsmede van de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal van de Organisatie, dan wel na het verstrijken van een langer tijdvak indien zulks in de kennisgeving wordt aangegeven.

Artikel 19. Nederlegging en registratie

(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten welke dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden.

(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal van de Organisatie toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 20. Talen

Dit Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar, in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er worden officiële vertalingen vervaardigd in de Arabische, de Duitse, de Italiaanse en de Japanse taal welke worden nedergelegd bij het ondertekende oorspronkelijke exemplaar.

Artikel I. Meldingsplicht

(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in artikel II van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.

(2). Indien het schip, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt verlaten, of indien een melding van dit schip onvolledig of niet verkrijgbaar is, neemt de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, zoveel mogelijk de verplichtingen van de gezagvoerder op zich krachtens de bepalingen van dit Protocol.

Artikel II. Wanneer een melding dient plaats te vinden

(1). De melding wordt gedaan omtrent voorvallen waarbij:

(2). Voor de doeleinden van dit Protocol:

Artikel III. Inhoud van de melding

Elke melding dient in elk geval te bevatten:

Artikel IV. Aanvullende melding

Ieder die krachtens het bepaalde in dit Protocol verplicht is een melding te doen, dient zo mogelijk:

Artikel V. Meldingsprocedures

(1). Meldingen dienen via de snelste, beschikbare telecommunicatiekanalen en met de grootst mogelijke voorrang te geschieden aan de dichtstbijzijnde kuststaat.

(2). Ter uitvoering van de bepalingen van dit Protocol vaardigen de Partijen bij dit Verdrag voorschriften of regels uit, of doen deze uitvaardigen, betreffende de te volgen procedures voor het melden van voorvallen met schadelijke stoffen, gebaseerd op door de Organisatie ontworpen richtlijnen.

Artikel I

Tenzij de partijen bij het geschil anders besluiten, wordt de scheidsrechterlijke procedure gevoerd met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol.

Artikel II

(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.

(2). De eisende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie in kennis van het feit dat zij de instelling van een scheidsgerecht heeft verzocht, van de namen van de partijen bij het geschil en van de artikelen van het Verdrag of van de Voorschriften waarvan de uitlegging of de toepassing naar haar mening het voorwerp van het geschil vormen. De Secretaris-Generaal doet deze inlichtingen aan alle Partijen toekomen.

Artikel III

Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden: een scheidsman benoemd door elke partij bij het geschil en een derde scheidsman die in onderlinge overeenstemming tussen de eerstgenoemden wordt aangewezen en die het voorzitterschap van het scheidsgerecht op zich neemt.

Artikel IV

(1). Indien na het verstrijken van een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de benoeming van de tweede scheidsman de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen, gaat de Secretaris-Generaal van de Organisatie op verzoek van de meest gerede partij binnen een volgende periode van zestig dagen over tot de aanwijzing; hij doet daarbij een keuze uit een tevoren door de Raad van de Organisatie opgestelde lijst van bevoegde personen.

(2). Indien binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek een van de partijen het lid van het scheidsgerecht, voor wiens benoeming zij verantwoordelijk is, niet heeft benoemd, kan de andere partij de Secretaris-Generaal van de Organisatie hiervan rechtstreeks in kennis stellen. Deze wijst de voorzitter van het scheidsgerecht aan binnen een termijn van zestig dagen; hij kiest deze uit de lijst bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

(3). De voorzitter van het scheidsgerecht verzoekt, na te zijn aangewezen, de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks te doen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de partij de vereiste benoeming niet verricht, verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de Secretaris-Generaal van de Organisatie de aanwijzing te verrichten op de wijze en onder de voorwaarden bedoeld in het voorgaande lid.

(4). De voorzitter van het scheidsgerecht indien aangewezen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel mag niet de nationaliteit bezitten of bezeten hebben van een van de betrokken partijen, tenzij de andere partij daarmee instemt.

(5). In geval van overlijden of in gebreke blijven van een scheidsman voor wiens benoeming een van de partijen verantwoordelijk is, benoemt die partij een vervanger binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van overlijden of in gebreke blijven. Indien deze partij de benoeming niet verricht, wordt de procedure voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. In geval van overlijden of in gebreke blijven van de voorzitter van het scheidsgerecht wordt een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel III hierboven of, bij gebreke van overeenstemming tussen de leden van het scheidsgerecht, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van het overlijden of in gebreke blijven, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

Artikel V

Het scheidsgerecht kan kennis nemen van en beslissen over tegenvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van geschil.

Artikel VI

Elke partij is verantwoordelijk voor de bezoldiging van haar scheidsman en de betaling van aanverwante kosten, alsmede voor de kosten van voorbereiding van haar eigen zaak. De kosten van bezoldiging van de voorzitter van het scheidsgerecht en alle uitgaven van algemene aard die de scheidsrechterlijke procedure met zich meebrengt worden door de Partijen gelijkelijk gedragen. Het scheidsgerecht houdt boek van alle uitgaven en verstrekt een eindafrekening.

Artikel VII

Elke Partij bij het Verdrag die een juridisch belang heeft bij de zaak en die door de uitspraak in dit belang kan worden getroffen, kan zich, na schriftelijke kennisgeving aan de partijen die de procedure oorspronkelijk hebben aangespannen, met toestemming van het scheidsgerecht, in de procedure voegen.

Artikel VIII

Een ingevolge de bepalingen van dit Protocol ingesteld scheidsgerecht stelt zelf zijn procedureregels vast.

Artikel IX

(1). Beslissingen van het scheidsgerecht, zowel wat betreft de procedure en de plaats van vergadering, als wat betreft elk voorgelegd geschil worden genomen met meerderheid van stemmen; indien een van de leden van het scheidsgerecht voor wiens benoeming de partijen verantwoordelijk waren afwezig is of zich van stemming onthoudt, staat dit geen beslissing van het scheidsgerecht in de weg. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

(2). De partijen vergemakkelijken het werk van het scheidsgerecht en, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle hun ten dienste staande middelen, in het bijzonder:

(3). Afwezigheid of in gebreke zijn van een partij belemmert de voortgang van de procedure niet.

Artikel X

(1). Het scheidsgerecht doet uitspraak binnen een termijn van vijf maanden te rekenen van zijn instelling, tenzij het besluit, indien noodzakelijk, deze termijn met niet meer dan drie maanden te verlengen. De uitspraak van het scheidsgerecht is met redenen omkleed. Zij is definitief en er staat geen beroep tegen open; de uitspraak wordt aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De partijen voldoen onverwijld aan de uitspraak.

(2). Alle geschillen die zich tussen de partijen kunnen voordoen ten aanzien van de uitlegging of uitvoering van de uitspraak, kunnen door de meest gerede partij worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien dit niet beschikbaar is, aan een ander voor dit doel ingesteld scheidsgerecht, dat is ingesteld op dezelfde wijze als het eerste scheidsgerecht.

HOOFDSTUK I. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Gelijkwaardige voorzieningen
Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een Certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Vorm van het Certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel II van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
Voorschrift 8A. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK II. BEPALINGEN VOOR DE BEDRIJFSVOERING AAN BOORD TER VOORKOMING VAN VERONTREINIGING

Voorschrift 9. Regeling van het lozen van olie
Voorschrift 10. Methoden ter voorkoming van verontreiniging door olie door schepen die zich bevinden in bijzondere gebieden
Voorschrift 11. Uitzonderingen

De Voorschriften 9 en 10 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 13. Gescheiden Ballast Tanks, Aangewezen Schone Ballast Tanks en Ruwe Olie Wasmethode

Behoudens het bepaalde in de Voorschriften 13C en 13D van deze Bijlage, dienen olietankschepen te voldoen aan de eisen van dit Voorschrift.

Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton en meer

Bestaande ruwe olietankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer

Bestaande produktentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer

Een olietankschip gekwalificeerd als een gescheiden ballasttankschip.

Voorschrift 13A. Voorschriften voor Olietankschepen met Aangewezen Schone Ballast Tanks
Voorschrift 13B. Vereisten voor de Ruwe Olie Wasmethode
Voorschrift 13C. Bestaande tankschepen ingezet op bepaalde reizen
Voorschrift 13D. Bestaande Olietankschepen met speciale Ballast Voorzieningen
Voorschrift 13E. Beschermende plaatsing van gescheiden ballastruimten
PAC = voor elke gescheiden ballasttank of ruimte, geen olietank zijnde: de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
PAS = voor elke zodanige tank of ruimte: de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
Lt = lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m,
B = grootste breedte van het schip in m, zoals omschreven in het eenentwintigste lid van Voorschrift 1 van deze Bijlage,
D = holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in.de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, moet de holte naar de mal gemeten. worden tot het snijpunt, van de doorgestrookte lijn van de bovenkant der balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant der spanten.
J = 0.45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton en meer, behoudens het gestelde in het derde lid van dit Voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen moet de waarde van „J” door lineaire interpolatie worden bepaald.
Oc = als omschreven in Voorschrift 23 (1) (a) van deze Bijlage
Os = als omschreven in Voorschrift 23 (1) (b) van deze Bijlage
OA = de toelaatbare hoeveelheid uitgestroomde olie zoals voorgeschreven in Voorschrift 24 (2) van deze Bijlage.
VOORSCHRIFT 13F. Voorkoming van verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding
1.

Dit Voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton massa of meer:

2.

Ieder olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton massa of meer dient:

3.

De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten, die geen ladingtanks of brandstoftanks zijn:

5.

Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in principe zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

6.

Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton massa of meer dient de in Voorschrift 25, lid 2, letter b, aaπgenomen schade te worden aangevuld met de volgende aangenomen schade aan het scheepsvlak met geringe penetratie:

7.

Olietankschepen met een laadvermogen van minder dan 5.000 massa ton dienen:

8.

Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met Voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat Voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het hart schip, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat Voorschrift zou zijn geplaatst.

9.

Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit Voorschrift houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.

Figuur 1 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 3

Figuur 2 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 4

Figuur 3 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 7

Voorschrift 13G. Voorkoming van verontreiniging door olie door ongevallen – maatregelen voor bestaande olietankschepen
Categorie olietankschepen Datum of jaar
Categorie 1 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder
Categorie 1 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982
Categorie 2 en Categorie 3 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder
2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978
2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979
2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981
2008 voor schepen opgeleverd in 1982
2009 voor schepen opgeleverd in 1983
Categorie 2 en Categorie 3 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
1.

Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.

2.

Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.

4.

De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

5.

De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

6.

Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).

Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte

Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
uitwendige flensdiameter 215 mm
inwendige flensdiameter overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp
diameter van de steekcirkel der bouten 183 mm
boutgaten 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm
flensdikte 20 mm
bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte

De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.

Voorschrift 20. Oliejournaal
Voorschrift 21. Bijzondere bepalingen voor boorinstallaties en andere platforms

Vast opgestelde en drijvende boorinstallaties, buitengaats gebezigd voor exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, en andere platforms, dienen te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage die van toepassing zijn op schepen, geen tankschepen zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, met dien verstande dat:

HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP

Voorschrift 22. Veronderstellingen met betrekking tot schade
Voorschrift 23. Hypothetische uitstroming van olie
Voorschrift 24. Indeling en beperking van de grootte van ladingtanks
Voorschrift 25. Waterdichte indeling en stabiliteit
ruimten permeabiliteit
bestemd voor voorraden 0,60
ingenomen door verblijven 0,95
ingenomen door machines 0,85
lege ruimten 0,95
bestemd voor verbruiksvloeistoffen 0 of 0,95 *)
bestemd voor andere vloeistoffen 0-0,95 **)
Voorschrift 25A. Stabiliteit in onbeschadigde toestand

(1). Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 tonmassa of meer:

(2). Elk olietankschip dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven onder a en b van dit lid, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van vracht en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.

(3). Aan de vereisten van het tweede lid dient te worden voldaan door middel van maatregelen ten aanzien van het ontwerp. Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende werkprocedures worden toegestaan.

(4). Onder eenvoudige aanvullende werkprocedures voor de verplaatsing van vloeistoffen als bedoeld in het derde lid wordt verstaan schriftelijke procedures die ter beschikking worden gesteld van de kapitein en die:

HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING

Voorschrift 26. Rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen
1.

Ieder olietankschip met een bruto tonnage van 150 ton of meer en ieder ander schip, dat geen olietankschip is, met een bruto tonnage van 400 ton of meer, dient een door de Administratie goedgekeurd rampenplan voor olieverontreiniging aan boord te hebben. In het geval van schepen die voor 4 april 1993 zijn gebouwd, wordt dit vereiste 24 maanden na die datum van toepassing.

2.

Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met Richtlijnen1)Bedoeld worden de door de Organisatie op te stellen „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor olieverontreiniging aan boord van schepen”.die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in de werktaal van de kapitein en de officieren. Het plan omvat ten minste:

3.

In het geval van schepen waarop Voorschrift 16 van Bijlage II bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen, vereist ingevolge Voorschrift 16 van Bijlage II bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen

Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,

Voorschrift 5A. Pompen, pijpleidingen en voorzieningen voor het lossen

(1). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat bij elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 0,1 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.

(3). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie C, geen restanten van meer dan 0,3 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.

(5). De in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde omstandigheden voor het pompen dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op de door de Organisatie opgestelde normen. Bij de in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde pomprendementsproeven dient water als beproevingsmiddel te worden gebruikt en de proeven dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen. De restanten op de oppervlakken van de ladingtanks, zoals bedoeld in de leden (2)(b) en (4)(b) van dit Voorschrift, worden bepaald aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen.

(7). Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of door het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voorschrift 6. Uitzonderingen

Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht

(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:

(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.

(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:

(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:

(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:

(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:

(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.

(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.

Voorschrift 9. Ladingjournaal
Voorschrift 10. Onderzoeken
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
Voorschrift 12A. Onderzoek van en afgifte van een Certificaat aan chemicaliëntankschepen

Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een Certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de „Internationale chemicaliën Code” of de „Bulk chemicaliën code”, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de Voorschriften 10, 11 en 12 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde Voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven Certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat.

Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval

(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.

(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.

(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:

(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.

Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen

Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).

Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.

2.

De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.

4.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN

Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 13H. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als vracht vervoeren
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
1.

Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.

2.

Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.

4.

De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

5.

De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

6.

Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).

Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte

Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
uitwendige flensdiameter 215 mm
inwendige flensdiameter overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp
diameter van de steekcirkel der bouten 183 mm
boutgaten 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm
flensdikte 20 mm
bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte

De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.

Voorschrift 20. Oliejournaal

HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP

HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen

Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,

Voorschrift 6. Uitzonderingen

Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht

(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:

(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.

(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:

(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:

(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:

(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:

(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.

(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.

Voorschrift 9. Ladingjournaal
Voorschrift 10. Onderzoeken
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval

(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.

(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.

(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:

(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.

Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen

Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).

Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.

2.

De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.

4.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN

Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.