Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
De Partijen bij het Verdrag,
Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder,
Erkennend dat het opzettelijk, onachtzaam, dan wel bij ongeluk, lozen van olie en andere schadelijke stoffen door schepen een ernstige bron van verontreiniging vormt,
Voorts erkennend het belang van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, als de eerste multilaterale overeenkomst die werd gesloten met de bescherming van het milieu als voornaamste oogmerk en haar waardering uitsprekende voor de belangrijke bijdrage die genoemd Verdrag heeft geleverd aan het behoeden van de zeeën en de kustgebieden voor verontreiniging,
Geleid door de wens een einde te maken aan de opzettelijke verontreiniging van het mariene milieu door olie en andere schadelijke stoffen, en de lozing bij ongeluk van dergelijke stoffen tot een minimum te beperken,
Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door het opstellen van regels met een universele strekking die niet beperkt zijn tot verontreiniging door olie,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag
(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van die Bijlagen daarbij door welke zij zijn gebonden, ter voorkoming van de verontreiniging van het mariene milieu door het lozen van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, in strijd met dit Verdrag.
(2). Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald houdt elke verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing in naar de Protocollen en Bijlagen daarbij.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald:
- (1). „Voorschriften”: de voorschriften vervat in de Bijlagen bij dit Verdrag.
- (2). „Schadelijke stof”: elke stof die, indien zij in de zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheid die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op ander rechtmatig gebruik van de zee; de term omvat elke stof die op grond van dit Verdrag aan toezicht is onderworpen.
- (3).
- (a). „Lozen”, wanneer het betrekking heeft op schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten: elk vrijkomen van dergelijke stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, met inbegrip van ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, lekken, pompen, storten of ledigen;
- (b). onder „lozen” wordt niet verstaan:
- (i). het storten in de zin van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil, gedaan te Londen op 13 november 1972; of
- (ii). het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden; of
- (iii). het vrijkomen van schadelijke stoffen ten behoeve van rechtmatig wetenschappelijk onderzoek gericht op het bestrijden of beperken van verontreiniging.
- (4). „Schip”: elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder begrepen: draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen, vaartuigen in drijvende toestand, alsmede vaste en drijvende platforms.
- (5). „Administratie”: de Regering van de Staat aan wiens gezag het schip is onderworpen. Wat betreft schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Staat te voeren, is „Administratie” de Regering van de betrokken Staat. Wat betreft vaste of drijvende platforms bestemd voor de exploratie en exploitatie van de aan de kust grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan, waarover de kuststaat soevereine rechten uitoefent ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen, is de „Administratie” de Regering van de betrokken kuststaat.
- (6). „Voorval”: een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat schadelijke stoffen dan wel vloeistoffen welke dergelijke stoffen bevatten, in zee worden geloosd.
- (7). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie.
Artikel 3. Toepassing
(1). Dit Verdrag is van toepassing op:
- (a). schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Partij bij het Verdrag te voeren, en
- (b). schepen die niet gerechtigd zijn de vlag van een Partij te voeren, maar wel aan het gezag van een Partij zijn onderworpen.
(2). Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat het afbreuk doet of uitbreiding geeft aan de soevereine rechten die de Partijen krachtens internationaal recht op de aan hun kusten grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan hebben ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen.
(3). Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die, tijdelijk, uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Partij waarborgt evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen in haar eigendom of beheer niet aantasten, dat dergelijke schepen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, opereren in overeenstemming met dit Verdrag.
Artikel 4. Overtreding
(1). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding zich voordoet. Indien de Administratie van een dergelijke overtreding op de hoogte is gesteld en ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, neemt zij ten spoedigste dergelijke stappen overeenkomstig haar wetgeving.
(2). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag binnen de rechtsmacht van een Partij bij het Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van die Partij. Wanneer zich een dergelijke overtreding voordoet,
- (a). stelt de betrokken Partij een rechtsvervolging in krachtens de eigen wet, ofwel
- (b). verschaft de betrokken Partij de Administratie van het schip de inlichtingen en het bewijsmateriaal waarover zij beschikt, om aan te tonen dat zich een overtreding heeft voorgedaan.
(3). In gevallen waarin de inlichtingen of het bewijsmateriaal met betrekking tot enige schending van dit Verdrag door een schip, worden verschaft aan de Administratie van dat schip, stelt de Administratie de Partij die de inlichtingen of het bewijsmateriaal heeft verschaft, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.
(4). De ingevolge dit artikel krachtens de wetten van een Partij vastgestelde straffen dienen streng genoeg te zijn om schending van dit Verdrag tegen te gaan; zij dienen even streng te zijn, ongeacht het gebied waar de schending zich voordoet.
Artikel 5. Certificaten en bijzondere regels voor de inspectie van schepen
(1). Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een certificaat, afgegeven op gezag van een Partij bij het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de Voorschriften, door de overige Partijen aanvaard en voor alle doeleinden van dit Verdrag beschouwd als gelijkwaardig aan een door hen afgegeven certificaat.
(2). Een schip dat krachtens de bepalingen van de Voorschriften een dergelijk certificaat moet bezitten, is, wanneer het zich in de haven of op een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een Partij bevindt, onderworpen aan inspectie door terzake bevoegde ambtenaren van die Partij. Een dergelijke inspectie dient beperkt te blijven tot het nagaan of zich een geldig certificaat aan boord bevindt, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen, dat de staat van het schip of van zijn uitrusting niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van dat certificaat. In dat geval, of indien het schip geen geldig certificaat aan boord heeft, zal de inspecterende Partij de noodzakelijke maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat het schip niet uitvaart totdat het in staat is zee te kiezen zonder een buitensporige bedreiging te vormen voor het mariene milieu. De betrokken Partij kan echter een dergelijk schip toestemming geven de haven of de laad- of losplaats buitengaats te verlaten om naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te varen.
(3). Indien een Partij een buitenlands schip de toegang tot een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht ontzegt, dan wel maatregelen tegen een dergelijk schip neemt omdat het niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag, geeft die Partij daarvan onverwijld kennis aan de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren of, zo dit niet mogelijk is, aan de Administratie van het betrokken schip. Alvorens de toegang te ontzeggen of dergelijke stappen te ondernemen, kan de Partij verzoeken om overleg met de Administratie van het betrokken schip.
De Administratie wordt ook ingelicht indien een schip geen geldig certificaat overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften aan boord heeft.
(4). Ten aanzien van de schepen van Staten die geen Partij zijn bij het Verdrag passen de Partijen de bepalingen van dit Verdrag toe, voor zover nodig is om te verzekeren dat dergelijke schepen geen gunstiger behandeling krijgen.
Artikel 6. Opsporing van overtredingen en handhaving van de bepalingen van het Verdrag
(1). De Partijen bij het Verdrag werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag, daarbij gebruik makend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en het verzamelen van bewijsmateriaal.
(2). Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is kan in elke haven of op elke laad- en losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het betrokken schip schadelijke stoffen heeft geloosd in strijd met de bepalingen van de Voorschriften. Indien bij de inspectie schending van het Verdrag blijkt, wordt de Administratie een rapport toegezonden met het oog op het nemen van passende maatregelen.
(3). Alle Partijen verschaffen de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van de Voorschriften schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten heeft geloosd.
Indien mogelijk stelt het bevoegde gezag van de betrokken Partij de gezagvoerder van het schip in kennis van de beweerde overtreding.
(4). Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht om aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de beweerde overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de beweerde overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.
(5). Een Partij kan tevens een schip waarop dit Verdrag van toepassing is inspecteren wanneer dit een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van enige Partij is ontvangen, te zamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip ergens schadelijke stoffen, of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, heeft geloosd. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen en aan de Administratie, opdat krachtens de bepalingen van dit Verdrag de juiste stappen kunnen worden genomen.
Artikel 7. Onnodig oponthoud van schepen
(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
(2). Indien, door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.
Artikel 8. Melding van voorvallen met schadelijke stoffen
(1). Een voorval wordt onverwijld en zo uitgebreid mogelijk gemeld overeenkomstig de bepalingen van Protocol I bij dit Verdrag.
(2). Elke Partij bij het Verdrag dient:
- (a). alle noodzakelijke regelingen te treffen zodat een ter zake kundig ambtenaar of orgaan alle meldingen omtrent voorvallen ontvangt en verwerkt; en
- (b). de Organisatie in kennis te stellen van de volledige bijzonderheden van dergelijke regelingen, ter verspreiding onder de andere Partijen en Lid-Staten van de Organisatie.
(3). Wanneer een Partij een melding ontvangt krachtens de bepalingen van dit artikel, zendt zij deze melding onverwijld door aan:
- (a). de Administratie van het betrokken schip; en
- (b). elke andere Staat die erbij betrokken kan zijn.
(4). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe, aan haar inspectievaartuigen en -vliegtuigen, alsmede aan andere hiertoe geëigende diensten instructies uit te vaardigen, om aan haar bevoegde instanties elk voorval te melden als bedoeld in Protocol I bij dit Verdrag. Indien zij daartoe aanleiding ziet, brengt deze Partij dienovereenkomstig verslag uit aan de Organisatie, alsmede aan elke andere betrokken Partij.
Artikel 9. Andere Verdragen en Uitlegging
(1). Na inwerkingtreding vervangt dit Verdrag het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, zoals gewijzigd, ten aanzien van de Partijen bij laatstgenoemd Verdrag.
(2). Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 C(XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.
(3). De term „rechtsmacht” wordt in dit Verdrag uitgelegd in overeenstemming met het internationaal recht, geldend ten tijde van toepassing of uitlegging van dit Verdrag.
Artikel 10. Beslechting van geschillen
Elk geschil tussen twee of meer Partijen bij het Verdrag over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet door onderhandeling tussen de betrokken Partijen kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anders beslissen, op verzoek van een der Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in Protocol II bij dit Verdrag.
Artikel 11. Verstrekken van inlichtingen
(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich tot het mededelen aan de Organisatie van:
- (a). de teksten van wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften, alsmede andere akten, uitgevaardigd met betrekking tot de verschillende aangelegenheden binnen de werkingssfeer van dit Verdrag;
- (b). een lijst van benoemde experts of van erkende organisaties die gemachtigd zijn namens de Partij op te treden bij de uitvoering van aangelegenheden verband houdend met het ontwerp, de bouw, de uitrusting en het gebruik van schepen die schadelijke stoffen vervoeren overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften, welke lijst aan de Partijen wordt verstrekt ter voorlichting van hun ambtenaren. De Administratie licht derhalve de Organisatie in omtrent de bijzondere verantwoordelijkheden en de voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden van benoemde experts of erkende organisaties;
- (c). een voldoende aantal voorbeelden van de certificaten door hen uitgegeven krachtens de bepalingen van de Voorschriften;
- (d). een lijst van ontvangstinstallaties met aanduiding van hun ligging, capaciteiten en beschikbare faciliteiten, alsmede van andere gegevens;
- (e). officiële rapporten, of samenvattingen daarvan, voor zover daarin de resultaten van de toepassing van dit Verdrag zijn weergegeven; en
- (f). een statistisch jaaroverzicht, in een door de Organisatie vastgestelde standaardvorm, van wegens overtreding van Voorschriften van dit Verdrag opgelegde straffen.
(2). De Organisatie stelt de Partijen in kennis van de ontvangst van alle mededelingen gedaan krachtens dit artikel en verspreidt alle haar krachtens het eerste lid, onder (b) t/m (f) van dit artikel medegedeelde gegevens onder alle Partijen.
Artikel 12. Scheepsongevallen
(1). Elke Administratie verbindt zich tot het instellen van een onderzoek naar alle ongevallen waarbij een van haar schepen betrokken is waarop de bepalingen van de Voorschriften van toepassing zijn, indien een dergelijk ongeval een zeer schadelijke invloed heeft veroorzaakt op het mariene milieu.
(2). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe de Organisatie gegevens te verstrekken omtrent de resultaten van een dergelijk onderzoek, wanneer deze Partij van mening is dat deze gegevens van nut kunnen zijn bij het vaststellen welke wijzigingen in dit Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.
Artikel 13. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
(1). Dit Verdrag staat van 15 januari 1974 tot 31 december 1974 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening en blijft daarna open voor toetreding. Staten kunnen Partij bij dit Verdrag worden door:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (c). toetreding.
(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
(3). De Secretaris-Generaal van de Organisatie geeft alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van elke ondertekening of van de nederlegging van elke nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en van de datum van deze nederlegging.
Artikel 14. Facultatieve Bijlagen
(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en V (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.
(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid.
(3). Een Staat die een verklaring krachtens het eerste lid van dit artikel aflegt met betrekking tot een Facultatieve Bijlage en deze Bijlage niet naderhand heeft aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zal aan geen enkele verplichting onderworpen zijn noch gerechtigd zijn aanspraak te maken op voorrechten voortvloeiend uit dit Verdrag ten aanzien van aangelegenheden waarop een zodanige Bijlage betrekking heeft; ook zullen alle verwijzingen naar Partijen bij dit Verdrag niet op die Staat van toepassing zijn voor zover daarbij sprake is van aangelegenheden deze Bijlagen betreffende.
(4). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden kennis van elke verklaring krachtens dit artikel, alsmede van de ontvangst van elke akte nedergelegd overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
Artikel 15. Inwerkingtreding
(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig artikel 13.
(2). Een Facultatieve Bijlage treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot die Bijlage is voldaan.
(3). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van de datum waarop het Verdrag in werking treedt en van de datum waarop een Facultatieve Bijlage in werking treedt overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of tot een Facultatieve Bijlage hebben nedergelegd, nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding daarvan is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag of van die Bijlage, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.
(5). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag of een Facultatieve Bijlage in werking is getreden, wordt het Verdrag of de Facultatieve Bijlage van kracht drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.
(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 16 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.
Artikel 16. Wijzigingen
(1). Dit Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een der in de volgende leden genoemde procedures.
(2). Wijziging na behandeling door de Organisatie:
- (a). elke door een Partij bij het Verdrag voorgestelde wijziging wordt aan de Organisatie voorgelegd en ten minste zes maanden vóór de behandeling ervan door de Secretaris-Generaal verspreid onder alle Partijen;
- (b). elke aldus voorgestelde en verspreide wijziging wordt door de Organisatie voor behandeling voorgelegd aan een ter zake ingestelde commissie;
- (c). de Partijen bij het Verdrag zijn, ongeacht of zij lid zijn van de Organisatie, gerechtigd deel te nemen aan de behandeling door deze commissie;
- (d). wijzigingen worden aangenomen bij een twee derde meerderheid van de stemmen van de Partijen bij het Verdrag die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen;
- (e). indien aangenomen overeenkomstig het bepaalde onder (d), worden de wijzigingen door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ter goedkeuring voorgelegd aan alle Partijen bij het Verdrag;
- (f). een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard in de volgende gevallen:
- (i). een wijziging van een artikel van het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop deze is aanvaard door twee derde van de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot;
- (ii). een wijziging van een Bijlage bij het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de procedure omschreven onder letter (f) (iii), tenzij de terzake ingestelde commissie ten tijde van de aanvaarding bepaalt dat de wijziging wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop deze is aanvaard door twee derde van de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot. Niettemin kan een Partij, op elk tijdstip vóór de inwerkingtreding van een wijziging van een Bijlage bij het Verdrag, de Secretaris-Generaal van de Organisatie mededelen dat de wijziging de uitdrukkelijke goedkeuring van de Partij behoeft alvorens voor haar in werking te treden. De Secretaris-Generaal brengt deze mededeling en de datum van ontvangst ervan ter kennis van de Partijen;
- (iii). een wijziging van een Aanhangsel van een Bijlage bij het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard na het verstrijken van een door de terzake ingestelde commissie ten tijde van de aanvaarding van de wijziging te bepalen tijdvak, dat niet korter mag zijn dan tien maanden, tenzij binnen dat tijdvak bij de Organisatie bezwaar is aangetekend door ten minste een derde van de Partijen of door Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot; de voorwaarde, die het eerst is vervuld, wordt in aanmerking genomen;
- (iv). voor een wijziging van Protocol I bij het Verdrag gelden dezelfde procedures als voor wijzigingen van de Bijlagen bij het Verdrag, zoals bepaald onder letter (f)(ii) of letter (f) (iii);
- (v). voor een wijziging van Protocol II bij het Verdrag gelden dezelfde procedures als voor wijzigingen van een artikel van het Verdrag, zoals bepaald onder letter (f) (i);
- (g). de wijziging wordt van kracht onder de volgende voorwaarden:
- (i). in het geval van een wijziging van een artikel van het Verdrag, van Protocol II, van Protocol I of van een Bijlage bij het Verdrag die niet is aanvaard volgens de procedure aangegeven onder letter (f) (iii), treedt de overeenkomstig de voorgaande bepalingen aanvaarde wijziging zes maanden na de datum van aanvaarding in werking voor de Partijen die hebben verklaard dat zij haar hebben aanvaard;
- (ii). in het geval van een wijziging van Protocol I, van een aanhangsel van een Bijlage of van een Bijlage bij het Verdrag, aanvaard volgens de procedure aangegeven onder letter (f) (iii), treedt de wijziging, die wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de voorgaande voorwaarden, zes maanden na aanvaarding in werking voor alle Partijen, behalve voor die welke vóór die datum hebben verklaard dat zij haar niet aanvaarden of die overeenkomstig het gestelde onder letter (f) (ii) hebben verklaard dat hun uitdrukkelijke goedkeuring is vereist.
(3). Wijziging door een Conferentie:
- (a). Op verzoek van een Partij, daarin gesteund door ten minste een derde van de Partijen, roept de Organisatie een Conferentie van de Partijen bij het Verdrag bijeen ter behandeling van voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag.
- (b). Elke door deze Conferentie met een twee derde meerderheid van de aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen aangenomen wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ter goedkeuring voorgelegd aan alle Partijen bij het Verdrag.
- (c). Tenzij de Conferentie anders bepaalt, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en van kracht te zijn geworden overeenkomstig de procedures aangegeven in het tweede lid, onder (f) en (g).
- (a). In het geval van een wijziging van een Facultatieve Bijlage wordt een verwijzing in dit artikel naar een „Partij bij het Verdrag” geacht betrekking te hebben op een door die Bijlage gebonden Partij.
- (b). Een Partij die heeft geweigerd een wijziging van een Bijlage te aanvaarden wordt, uitsluitend voor de toepassing van die toepassing van die wijziging, als niet-Partij beschouwd.
(5). Voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een nieuwe Bijlage gelden dezelfde procedures als voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een wijziging van een artikel van het Verdrag.
(6). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, geldt elke wijziging van dit Verdrag volgens de bepalingen van dit artikel, die betrekking heeft op de bouw van een schip, alleen voor schepen waarvoor reeds een bouwcontract is gesloten of, indien er geen bouwcontract bestaat, waarvan de kiel reeds is gelegd op of na de datum waarop de wijziging in werking treedt.
(7). Een wijziging van een Protocol of van een Bijlage dient slechts betrekking te hebben op de inhoud van dat Protocol of die Bijlage en niet in strijd te zijn met de bepalingen van de artikelen van dit Verdrag.
(8). De Secretaris-Generaal van de Organisatie stelt alle Partijen in kennis van elke wijziging die ingevolge dit artikel in werking treedt, alsmede van de datum waarop die wijziging van kracht wordt.
(9). Elke verklaring van aanvaarding van of bezwaar tegen een wijziging ingevolge dit artikel wordt schriftelijk medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Deze brengt een dergelijke kennisgeving en de datum van ontvangst daarvan ter kennis van de Partijen bij het Verdrag.
Artikel 17. Bevordering van technische samenwerking
De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met de Organisatie en andere internationale lichamen, met bijstand van en in samenwerking met de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, steun aan Partijen die om technische hulp verzoeken voor:
- (a). het opleiden van wetenschappelijk en technisch personeel;
- (b). het leveren van de nodige uitrusting en voorzieningen voor ontvangstinstallaties en controle-apparatuur;
- (c). het bevorderen van andere maatregelen en voorzieningen ter voorkoming of beperking van verontreiniging van het mariene milieu door schepen, en
- (d). het stimuleren van onderzoek;
bij voorkeur in de betrokken landen zelf, ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel 18. Opzegging
(1). Dit Verdrag of een Facultatieve Bijlage kan door elke Partij bij het Verdrag te allen tijde worden opgezegd na verloop van vijf jaren te rekenen van de datum waarop het Verdrag of die Bijlage voor die Partij in werking trad.
(2). Opzegging geschiedt door een schriftelijke mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die alle andere Partijen in kennis stelt van een zodanige opzegging en van de datum van ontvangst daarvan, alsmede van de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal van de Organisatie, dan wel na het verstrijken van een langer tijdvak indien zulks in de kennisgeving wordt aangegeven.
Artikel 19. Nederlegging en registratie
(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten welke dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden.
(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal van de Organisatie toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel 20. Talen
Dit Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar, in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er worden officiële vertalingen vervaardigd in de Arabische, de Duitse, de Italiaanse en de Japanse taal welke worden nedergelegd bij het ondertekende oorspronkelijke exemplaar.
Artikel I. Meldingsplicht
(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in artikel II van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.
(2). Indien het schip, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt verlaten, of indien een melding van dit schip onvolledig of niet verkrijgbaar is, neemt de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, zoveel mogelijk de verplichtingen van de gezagvoerder op zich krachtens de bepalingen van dit Protocol.
Artikel II. Wanneer een melding dient plaats te vinden
(1). De melding wordt gedaan omtrent voorvallen waarbij:
- a. een lozing plaatsvindt boven het toegestane niveau of een mogelijke lozing plaatsvindt van olie of schadelijke vloeistoffen ongeacht de reden daarvan, met inbegrip van lozingen voor het veilig stellen van het schip of ter beveiliging van mensenlevens op zee; of
- b. een lozing of mogelijke lozing plaatsvindt van schadelijke stoffen in verpakte vorm, met inbegrip van deze stoffen verpakt in vrachtcontainers, losse tanks, weg- en spoorvoertuigen en duwbakken aan boord; of
- c. sprake is van een beschadiging of storing van of defect aan een schip van 15 meter lengte of meer en waarbij:
- i. de veiligheid van het schip in het geding is; bijvoorbeeld als gevolg van een aanvaring, het aan de grond lopen, brand, een explosie, schade aan de constructie, het binnendringen van water, het schuiven van lading; of
- ii. de veiligheid van de navigatie in gevaar wordt gebracht; bijvoorbeeld door een storing van of defect aan het roer, de voortstuwingsmachines, de generatoren en de essentiële navigatiehulpsystemen aan boord; of
- d. gedurende de exploitatie van het schip een lozing plaatsvindt van olie of schadelijke vloeistoffen die de ingevolge dit Verdrag toegestane hoeveelheid of lozingsdebiet overschrijdt.
(2). Voor de doeleinden van dit Protocol:
- (a). wordt onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „olie” verstaan de in Voorschrift 1(1) van Bijlage I bij dit Verdrag omschreven olie.
- (b). worden onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „schadelijke vloeistoffen” verstaan de in Voorschrift 1(6) van Bijlage II bij dit Verdrag omschreven schadelijke vloeistoffen.
- (c). worden onder „schadelijke stoffen” in verpakte vorm, zoals bedoeld in lid l(b) van dit artikel, verstaan de in de „International Maritime Dangerous Goods (IMDG) Code” opgenomen stoffen, die zijn aangemerkt als zijnde schadelijk voor het mariene milieu.
Artikel III. Inhoud van de melding
Elke melding dient in elk geval te bevatten:
- (a). de identiteit van de betrokken schepen;
- (b). de tijd, de soort en de plaats van het voorval;
- (c). de hoeveelheid en de soort schadelijke stof die bij het voorval betrokken is;
- (d). de maatregelen voor de hulpverlening en de berging.
Artikel IV. Aanvullende melding
Ieder die krachtens het bepaalde in dit Protocol verplicht is een melding te doen, dient zo mogelijk:
- (a). de oorspronkelijke melding waar nodig aan te vullen en gegevens omtrent verdere ontwikkelingen te verstrekken; en
- (b). zo volledig mogelijk te voldoen aan verzoeken van de betrokken Staten om aanvullende gegevens.
Artikel V. Meldingsprocedures
(1). Meldingen dienen via de snelste, beschikbare telecommunicatiekanalen en met de grootst mogelijke voorrang te geschieden aan de dichtstbijzijnde kuststaat.
(2). Ter uitvoering van de bepalingen van dit Protocol vaardigen de Partijen bij dit Verdrag voorschriften of regels uit, of doen deze uitvaardigen, betreffende de te volgen procedures voor het melden van voorvallen met schadelijke stoffen, gebaseerd op door de Organisatie ontworpen richtlijnen.
Artikel I
Tenzij de partijen bij het geschil anders besluiten, wordt de scheidsrechterlijke procedure gevoerd met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol.
Artikel II
(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.
(2). De eisende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie in kennis van het feit dat zij de instelling van een scheidsgerecht heeft verzocht, van de namen van de partijen bij het geschil en van de artikelen van het Verdrag of van de Voorschriften waarvan de uitlegging of de toepassing naar haar mening het voorwerp van het geschil vormen. De Secretaris-Generaal doet deze inlichtingen aan alle Partijen toekomen.
Artikel III
Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden: een scheidsman benoemd door elke partij bij het geschil en een derde scheidsman die in onderlinge overeenstemming tussen de eerstgenoemden wordt aangewezen en die het voorzitterschap van het scheidsgerecht op zich neemt.
Artikel IV
(1). Indien na het verstrijken van een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de benoeming van de tweede scheidsman de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen, gaat de Secretaris-Generaal van de Organisatie op verzoek van de meest gerede partij binnen een volgende periode van zestig dagen over tot de aanwijzing; hij doet daarbij een keuze uit een tevoren door de Raad van de Organisatie opgestelde lijst van bevoegde personen.
(2). Indien binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek een van de partijen het lid van het scheidsgerecht, voor wiens benoeming zij verantwoordelijk is, niet heeft benoemd, kan de andere partij de Secretaris-Generaal van de Organisatie hiervan rechtstreeks in kennis stellen. Deze wijst de voorzitter van het scheidsgerecht aan binnen een termijn van zestig dagen; hij kiest deze uit de lijst bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
(3). De voorzitter van het scheidsgerecht verzoekt, na te zijn aangewezen, de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks te doen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de partij de vereiste benoeming niet verricht, verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de Secretaris-Generaal van de Organisatie de aanwijzing te verrichten op de wijze en onder de voorwaarden bedoeld in het voorgaande lid.
(4). De voorzitter van het scheidsgerecht indien aangewezen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel mag niet de nationaliteit bezitten of bezeten hebben van een van de betrokken partijen, tenzij de andere partij daarmee instemt.
(5). In geval van overlijden of in gebreke blijven van een scheidsman voor wiens benoeming een van de partijen verantwoordelijk is, benoemt die partij een vervanger binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van overlijden of in gebreke blijven. Indien deze partij de benoeming niet verricht, wordt de procedure voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. In geval van overlijden of in gebreke blijven van de voorzitter van het scheidsgerecht wordt een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel III hierboven of, bij gebreke van overeenstemming tussen de leden van het scheidsgerecht, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van het overlijden of in gebreke blijven, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.
Artikel V
Het scheidsgerecht kan kennis nemen van en beslissen over tegenvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van geschil.
Artikel VI
Elke partij is verantwoordelijk voor de bezoldiging van haar scheidsman en de betaling van aanverwante kosten, alsmede voor de kosten van voorbereiding van haar eigen zaak. De kosten van bezoldiging van de voorzitter van het scheidsgerecht en alle uitgaven van algemene aard die de scheidsrechterlijke procedure met zich meebrengt worden door de Partijen gelijkelijk gedragen. Het scheidsgerecht houdt boek van alle uitgaven en verstrekt een eindafrekening.
Artikel VII
Elke Partij bij het Verdrag die een juridisch belang heeft bij de zaak en die door de uitspraak in dit belang kan worden getroffen, kan zich, na schriftelijke kennisgeving aan de partijen die de procedure oorspronkelijk hebben aangespannen, met toestemming van het scheidsgerecht, in de procedure voegen.
Artikel VIII
Een ingevolge de bepalingen van dit Protocol ingesteld scheidsgerecht stelt zelf zijn procedureregels vast.
Artikel IX
(1). Beslissingen van het scheidsgerecht, zowel wat betreft de procedure en de plaats van vergadering, als wat betreft elk voorgelegd geschil worden genomen met meerderheid van stemmen; indien een van de leden van het scheidsgerecht voor wiens benoeming de partijen verantwoordelijk waren afwezig is of zich van stemming onthoudt, staat dit geen beslissing van het scheidsgerecht in de weg. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
(2). De partijen vergemakkelijken het werk van het scheidsgerecht en, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle hun ten dienste staande middelen, in het bijzonder:
- (a). verschaffen zij het scheidsgerecht de nodige stukken en inlichtingen;
- (b). stellen zij het scheidsgerecht in staat hun grondgebied te betreden, getuigen of deskundigen te horen en de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen.
(3). Afwezigheid of in gebreke zijn van een partij belemmert de voortgang van de procedure niet.
Artikel X
(1). Het scheidsgerecht doet uitspraak binnen een termijn van vijf maanden te rekenen van zijn instelling, tenzij het besluit, indien noodzakelijk, deze termijn met niet meer dan drie maanden te verlengen. De uitspraak van het scheidsgerecht is met redenen omkleed. Zij is definitief en er staat geen beroep tegen open; de uitspraak wordt aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De partijen voldoen onverwijld aan de uitspraak.
(2). Alle geschillen die zich tussen de partijen kunnen voordoen ten aanzien van de uitlegging of uitvoering van de uitspraak, kunnen door de meest gerede partij worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien dit niet beschikbaar is, aan een ander voor dit doel ingesteld scheidsgerecht, dat is ingesteld op dezelfde wijze als het eerste scheidsgerecht.
HOOFDSTUK I. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „olie” verstaan minerale olie in elke vorm, daaronder begrepen ruwe olie, stookolie, oliehoudend slik, olieafval en geraffineerde produkten (anders dan petrochemische produkten die vallen onder de bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag) en, zonder de algemeenheid van het bovenstaande te beperken, de stoffen genoemd in Aanhangsel I van deze Bijlage;
- (2). wordt onder „oliehoudend mengsel” verstaan een mengsel dat olie bevat in elk gehalte;
- (3). wordt onder „brandstofolie” verstaan elke olie gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- en hulpwerktuigen van het schip dat die olie aan boord heeft;
- (4). wordt onder „olietankschip” verstaan een schip dat in de eerste plaats is gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van olie in bulk in zijn laadruimten, daaronder begrepen elk combinatietankschip, en elk „chemicaliëntankschip” zoals omschreven in Bijlage II van dit Verdrag, indien het schip een gehele of gedeeltelijke lading olie in bulk vervoert;
- (5). wordt onder „combinatietankschip” verstaan een schip ingericht voor afwisselend vervoer van olie en stortladingen;
- (6). wordt onder „nieuw schip” verstaan een schip:
- (a). waarvoor het bouwcontract is geplaatst na 31 december 1975; of
- (b). waarvan bij het ontbreken van een bouwcontract de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 30 juni 1976; of
- (c). dat na 31 december 1979 wordt opgeleverd; of
- (d). dat een belangrijke verbouwing heeft ondergaan:
- (i). waarvoor het contract is geplaatst na 31 december 1975; of
- (ii). waarvoor bij het ontbreken van een contract de verbouwing na 30 juni 1976 is begonnen; of
- (iii). die na 31 december 1979 is voltooid;
- (7). wordt onder „bestaand schip” verstaan een ander dan een nieuw schip;
- (8).
- (a). wordt onder „belangrijke verbouwing” verstaan de verbouwing van een bestaand schip:
- (i). welke de afmetingen of het laadvermogen van het schip in bejke mate wijzigt; of
- (ii). welke het type van het schip wijzigt; of
- (iii). welke naar het oordeel van de Administratie voornamelijk is gericht op het verlengen van de levensduur van het schip; of
- (iv). welke anderszins het schip zodanig verandert, dat het, indien het een nieuw schip betrof, daardoor zou worden onderworpen aan de bepalingen van dit Protocol, waaraan het als bestaand schip niet zou zijn onderworpen.
- (b). wordt, ongeacht het bepaalde onder a van dit lid, een verbouwing van een bestaand olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer, met het doel aan de bepalingen van Voorschrift 13 van deze Bijlage te voldoen, niet beschouwd als een belangrijke verbouwing voor de toepassing van deze Bijlage.
- (c). Ongeacht de bepalingen van letter a van dit lid wordt een verbouwing van een bestaand olietankschip met het doel aan de bepalingen van Voorschrift 13F of 13G van deze Bijlage te voldoen, niet beschouwd als een belangrijke verbouwing voor de toepassing van deze Bijlage.
- (9). wordt onder „dichtstbijzijnde land” het volgende verstaan. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: „van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte, naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141 °55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 144°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 18°00’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 153°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte”;
- (10). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie wordt vereist. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 10 van deze Bijlage;
- (11). wordt onder „hoeveelheid geloosde olie op elk moment van het lozen” verstaan de totale hoeveelheid van de op elk moment geloosde olie, uitgedrukt in liters per uur, gedeeld door de snelheid van het schip in knopen op hetzelfde moment;
- (12). wordt onder „tank” verstaan een omsloten ruimte gevormd door de permanente scheepsconstructie, en ontworpen voor het vervoer van vloeistoffen in bulk;
- (13). wordt onder „zijtank” verstaan een tank grenzend aan de huidbeplating van het schip;
- (14). wordt onder „middentank” verstaan een tank binnen de wanden van een langsschot;
- (15). wordt onder „sloptank” verstaan een tank speciaal ontworpen voor het opvangen van aftap- en waswater uit de tanks en andere oliehoudende mengsels;
- (16). wordt onder „schone ballast” verstaan de ballast in een tank die, sinds er voor de laatste maal olie in werd vervoerd, zodanig is gereinigd dat vloeistof daaruit afkomstig, indien geloosd uit een schip dat stilligt, in schoon rustig water op een heldere dag, geen zichtbare sporen van olie zou achterlaten op het wateroppervlak of op aangrenzende kusten, of oliehoudend slik of emulsie zou achterlaten onder het wateroppervlak of op de aangrenzende kusten. Ingeval deze ballast wordt geloosd via een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie, is de aanwijzing gebaseerd op een dergelijk systeem, dat het oliegehalte van de vloeistof niet hoger lag dan 15 eenheden per miljoen, bepalend voor het feit dat de ballast schoon was, ongeacht de aanwezigheid van zichtbare sporen;
- (17). wordt onder „gescheiden ballast” verstaan het ballastwater dat wordt ingenomen in een tank die volledig is gescheiden van de olielading en van het brandstofoliesysteem en die permanent wordt bestemd voor het vervoer van ballast of voor het vervoer van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke stoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag;
- (18). wordt onder „lengte” (L) verstaan 96% van de lengte van de lastlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kielplaat, dan wel de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op deze lastlijn gemeten, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen moet de lastlijn waarop deze lengte wordt gemeten evenwijdig aan de constructiewaterlijn worden genomen. De lengte (L) wordt gemeten in meters;
- (19). worden onder „de voorloodlijn en de achterloodlijn” verstaan de loodlijnen op het voorste en achterste punt van de lengte (L). De voorloodlijn moet getrokken worden door het snijpunt van de lastlijn met de voorzijde van de voorsteven op de waterlijn waarop de lengte wordt gemeten;
- (20). is „midscheeps” gelegen op het midden van de lengte (L);
- (21). is de „breedte” (B) de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenkant der spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een schip met een huid van ander materiaal. De breedte (B) wordt gemeten in meters;
- (22). is „draagvermogen” (DWT): het verschil in metrieke tonnen tussen het deplacement van een schip in water met een soortelijk gewicht van 1,025 op de lastlijn, overeenkomstig het toegewezen zomervrijboord, en het ledig gewicht van het schip;
- (23). is „leeg scheepsgewicht”: de waterverplaatsing van een schip in tonnen van 1000 kg, zonder lading, brandstof, smeerolie, ballastwater, zoet water en ketelwater in tanks, gebruiksvoorraden, en zonder passagiers, bemanning en hun bezittingen;
- (24). is de „permeabiliteit” van een ruimte: de verhouding tussen het volume binnen die ruimte dat wordt geacht door water te worden ingenomen en het totale volume van die ruimte;
- (25). worden „inhouden” en „oppervlakken” in een schip in alle gevallen berekend tot buitenkant spanten en verstijvingen.
- (26). wordt, ongeacht het bepaalde in het zesde lid van dit Voorschrift, voor de toepassing van de Voorschriften 13, 13 B, 13 E en 18, vijfde lid, van deze Bijlage onder een „nieuw olietankschip” verstaan een olietankschip: met dien verstande dat voor olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton en meer de omschrijving in het zesde lid van dit Voorschrift van toepassing is met betrekking tot het eerste lid van Voorschrift 13 van deze Bijlage;
- (a). waarvoor het bouwcontract is geplaatst na 1 juni 1979; of
- (b). waarvan bij het ontbreken van een bouwcontract de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 1 januari 1980; of
- (c). dat na 1 juni 1982 wordt opgeleverd; of
- (d). dat een belangrijke verbouwing heeft ondergaan:
- (i). waarvoor het contract is geplaatst na 1 juni 1979; of
- (ii). waarvoor bij het ontbreken van een contract de verbouwing na 1 januari 1980 is begonnen; of
- (iii). die na 1 juni 1982 is voltooid,
- (27). wordt, ongeacht het bepaalde in het zevende lid van dit Voorschrift, voor de toepassing van de Voorschriften 13, 13 A, 13 B, 13 C, 13 D en 18, zesde lid, van deze Bijlage onder een „bestaand olietankschip” een olietankschip bedoeld dat niet is een nieuw olietankschip als omschreven in het zesentwintigste lid van dit Voorschrift;
- (28). wordt onder „ruwe olie” verstaan elke olie die in natuurlijke staat in de grond voorkomt en al dan niet behandeld is om deze geschikt te maken voor het transport, en omvat:
- (a). ruwe olie waaruit bepaalde lichte fracties kunnen zijn verwijderd; en
- (b). ruwe olie waaraan bepaalde lichte fracties kunnen zijn toegevoegd;
- (29). wordt onder „ruwe olietankschip” verstaan een olietankschip gebruikt voor het regelmatig vervoer van ruwe olie;
- (30). wordt onder „produktentankschip” verstaan een olietankschip gebruikt voor het vervoer van olie anders dan ruwe olie.
- (31). ,Verjaardatum’ betekent de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de vervaldatum van het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie.
Voorschrift 2. Toepassing
- (1). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
- (2). Voor andere schepen dan olietankschepen die zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk, met een totaal laadvermogen van 200 m3 of meer, gelden de bepalingen van de Voorschriften 9, 10, 14, 15 (1), (2) en (3), 18, 20 en 24 (4) van deze Bijlage voor olietankschepen ook voor de constructie en het gebruik van die laadruimten, behalve dat, ingeval het totale laadvermogen minder is dan 1000 m3, de bepalingen van Voorschrift 15 (4) kunnen worden toegepast in plaats van die van Voorschrift 15 (1), (2) en (3).
- (3). Ingeval een lading die valt onder de bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag wordt vervoerd in een laadruimte van een olietankschip, zijn de betreffende voorschriften van Bijlage II van dit Verdrag ook van toepassing.
- (4).
- (a). Draagvleugelboten en luchtkussenvaartuigen en andere nieuwe typen vaartuigen (nabij de oppervlakte drijvende vaartuigen, onderwatervaartuigen, enz.) waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken II en III van deze Bijlage met betrekking tot constructie en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de Administratie van de toepassing van deze bepalingen worden vrijgesteld, mits de constructie en de uitrusting van het schip gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, zulks gelet op de dienstverlening waarvoor het is bestemd.
- (b). De bijzonderheden betreffende een dergelijke door de Administratie verleende vrijstelling worden vermeld in het Certificaat als bedoeld in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
- (c). De Administratie die een dergelijke vrijstelling verleent, stelt de Organisatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen na de verlening, in kennis van de bijzonderheden daarvan alsmede van de redenen daarvoor; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
Voorschrift 3. Gelijkwaardige voorzieningen
- (1). De Administratie mag het aanbrengen van alle andere installaties, materialen, middelen of toestellen in een schip toestaan, dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, mits dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele werkwijzen ter uitvoering van de controle op het lozen van olie, als gelijkwaardig aan die soort vormen van ontwerp en constructie als voorgeschreven in deze Bijlage.
- (2). De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere installaties, materialen, middelen en toestellen dan die welke in deze Bijlage zijn voorgeschreven, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Alle olietankschepen met een bruto-inhoud van 150 registerton en meer, alsmede alle andere schepen met een bruto-inhoud van 400 registerton en meer, dienen de hieronder aangegeven onderzoeken te ondergaan:
- a. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen voor zover deze vallen onder de bepalingen van deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan 5 jaar, behalve wanneer Voorschrift 8, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen, met inbegrip van de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het schoonmaken van tanks met ruwe olie, de olie-waterafscheider en de oliefiltersystemen, volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 5 of 6 van deze Bijlage.
- d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na elke verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het vierde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 5 of 6 van deze Bijlage.
- e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het vierde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet vallen onder de bepalingen van het eerste lid van dit Voorschrift, ten einde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.
- 3.
- a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de bepalingen van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
- b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
- (i). reparaties aan een schip te verlangen; en
- (ii). onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
- d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
- 4.
- a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
- c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 4 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgegeven aan elk olietankschip met een bruto-inhoud van 150 registerton en meer en aan elk ander schip met een bruto-inhoud van 400 registerton en meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
-
- Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu, blijft een Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een Certificaat door de Regering van een ander land
-
- De Regering van een land dat Partij is bij het Verdrag kan een schip op verzoek van de Administratie aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien deze ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgeven, of machtigen tot afgifte hiervan, en in voorkomend geval een aantekening plaatsen, of machtigen tot het plaatsen van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
-
- Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het Certificaat dat is afgegeven krachtens Voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij het Verdrag.
Voorschrift 7. Vorm van het Certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel II van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 4, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw Certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 4 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 4 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 4 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 5 of 6 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 4, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 4, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 4, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 8A. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door olie te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK II. BEPALINGEN VOOR DE BEDRIJFSVOERING AAN BOORD TER VOORKOMING VAN VERONTREINIGING
Voorschrift 9. Regeling van het lozen van olie
- (1). Onverlet de bepalingen van de Voorschriften 10 en 11 van deze Bijlage, en onder (2) van dit Voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- (a). door een olietankschip, behalve zoals bepaald onder (b):
- (i). het tankschip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- (ii). het tankschip bevindt zich meer dan 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
- (iii). het tankschip vervolgt zijn vaarroute;
- iv. de hoeveelheid geloosde olie bedraagt op elk moment van het lozen niet meer dan 30 liter per zeemijl;
- (v). de totale hoeveelheid in zee geloosde olie bedraagt voor bestaande tankschepen niet meer dan 1/15.000ste van de totale eelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte oor nieuwe tankschepen niet meer dan l/30.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte, en
- (vi). het tankschip werkt, behalve zoals bepaald in Voorschrift 15 (5) en (6) van deze Bijlage, met een systeem voor de bewaking en regeling van de olielozing en een sloptank-installatie zoals vereist in Voorschrift 15 van deze Bijlage;
- (b). voor een schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto-inhoud van 400 ton of meer en voor een olietankschip vanuit de vullings van de machineruimten (met uitzondering van de vullings van de ladingpompkamers), tenzij de vloeistof is vermengd met ladingolierestanten:
- i. het schip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- ii. het schip vervolgt zijn vaarroute;
- iii. het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning is lager dan 15 delen per miljoen; en
- iv. het schip heeft in bedrijf apparatuur, zoals vereist in Voorschrift 16 van deze Bijlage.
- (2). Bij een schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van minder dan 400 ton, buiten het bijzondere gebied, draagt de Administratie er zorg voor dat dit is uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar en redelijk, met installaties voor het aan boord opslaan van olieresidu en de afgifte daarvan aan ontvangstinrichtingen of lozing in zee overeenkomstig het gestelde in lid (1), letter b, van dit Voorschrift.
- (3). Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip, of in het kielzog van dat schip, dienen de Regeringen van Partijen bij het Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijze in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten, om na te gaan of de bepalingen van dit Voorschrift of van Voorschrift 10 van deze Bijlage zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden betrokken de toestand van wind en zee, de gevolgde koers en de snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
- (4). De bepalingen onder (1) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van schone ballast of van gescheiden ballast.
- (5). Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen welke worden aangewend om de in dit Voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
- (6). Het olieresidu dat niet in zee kan worden geloosd volgens de bepalingen onder (1), (2) en (4) van dit Voorschrift dient aan boord te worden gehouden of in ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.
- (7). Indien een schip, zoals bedoeld in Voorschrift 16, lid 6, van deze Bijlage, niet is uitgerust met de in Voorschrift 16, lid 1 of 2, vereiste apparatuur, zijn de bepalingen van lid 1, letter b, van dit Voorschrift niet van toepassing tot 6 juli 1998 dan wel tot de datum waarop het schip met dergelijke apparatuur wordt uitgerust, naar gelang welke datum de eerste is. Tot die datum is elke lozing vanuit de vullings van de machineruimten van olie of oliehoudende mengsels uit dat schip in de zee verboden, tenzij aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a. het oliehoudende mengsel is niet afkomstig uit de vullings van de ladingpompkamer;
- b. het oliehoudende mengsel is niet vermengd met ladingolierestanten;
- c. het schip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- d. het schip bevindt zich meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
- e. het schip vervolgt zijn vaarroute;
- f. het oliegehalte van de geloosde vloeistof is lager dan 100 delen per miljoen; en
- g. het schip heeft in bedrijf de apparatuur voor het scheiden van olie en water van een door de Administratie goedgekeurd ontwerp, met inachtneming van de door de Organisatie aanbevolen specificatie.
Voorschrift 10. Methoden ter voorkoming van verontreiniging door olie door schepen die zich bevinden in bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: het gebied van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden, het Antarctisch gebied en de Noordwest-Europese wateren, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5° 36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golfen de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57° 44.8' noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12° 28.5' noorderbreedte, 43° 19.6' oosterlengte) en Hasn Murad (12° 40.4' noorderbreedte, 43° 30.2' oosterlengte).
- (e). Onder het „Golfgebied” wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22° 30' noorderbreedte, 50° 48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25° 04' noorderbreedte, 61° 25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Golf van Aden wordt verstaan het gedeelte van de Golf van Aden tussen de Rode Zee en de Arabische Zee, in het westen begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12° 28.5' noorderbreedte, 43° 19.6' oosterlengte) en Husn Murad (12° 40.4' noorderbreedte, 43° 30.2' oosterlengte) en in het oosten door de loxodroom tussen Ras Asir (11° 50' noorderbreedte, 51° 16.9' oosterlengte) en Ras Fartak (15° 35' noorderbreedte, 52° 13.8' oosterlengte).
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). De Noordwest-Europese wateren omvatten de Noordzee en zijn toegangen, de Ierse Zee en zijn toegangen, de Keltische Zee, het Engels Kanaal en zijn toegangen en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door de lijnen die de volgende punten verbinden:
- i. 48° 27'noorderbreedte aan de Franse kust;
- ii. 48° 27'noorderbreedte, 6° 25'westerlengte;
- iii. 49° 52'noorderbreedte, 7° 44'westerlengte;
- iv. 50° 30'noorderbreedte, 12°westerlengte;
- v. 56° 30'noorderbreedte, 12°westerlengte;
- vi. 62°noorderbreedte; 3°westerlengte;
- vii. 62°noorderbreedte aan de Noorse kust;
- viii. 57° 44,8'noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust.
- (2). Onverminderd de bepalingen van Voorschrift 11 van deze Bijlage:
- a. is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels door alle olietankschepen en door alle schepen geen olietankschepen zijnde met een bruto tonnage van 400 ton en meer, wanneer deze zich in een bijzonder gebied bevinden. Wat het Antarctisch gebied betreft, is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels door alle schepen.
- b. Is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels vanaf een schip met een bruto inhoud van minder dan 400 ton, geen olietankschip zijnde, wanneer dit zich in een bijzonder gebied bevindt, behalve wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof, zonder verdunning, lager is dan 15 delen per miljoen.
- (3).
- (a). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 11 van deze Bijlage is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels door schepen geen olietankschepen zijnde met een bruto tonnage van minder dan 400 ton, wanneer zij zich in een bijzonder gebied bevinden, behalve indien de geloosde onverdunde vloeistof niet meer dan 15 eenheden olie per miljoen eenheden oliehoudend mengsel bevat, ofwel indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
- (i). het schip vervolgt zijn vaarroute;
- (ii). het oliegehalte van de geloosde vloeistof bedraagt minder dan 100 eenheden olie per miljoen eenheden oliehoudend mengsel: en
- (iii). de lozing geschiedt zover mogelijk van het land verwijderd, maar in geen geval binnen een afstand van 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (b). Lozingen in zee mogen geen chemicaliën bevatten, en evenmin andere stoffen in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen aangewend met het doel de in dit Voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
- (c). De olieresiduen die niet in zee kunnen kunnen worden geloosd volgens de bepalingen onder (a) van dit lid dienen aan boord te worden gehouden of aan ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.
- (4). De bepalingen van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van schone of gescheiden ballast.
- (5). Niets in dit Voorschrift verbiedt een schip, dat slechts tijdens een gedeelte van zijn reis in een bijzonder gebied vaart, buiten dat gebied te lozen overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (6). Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip dienen de Regeringen van Partijen bij het Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijze in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten ter zake om na te gaan of de bepalingen van dit Voorschrift of van Voorschrift 9 van deze Bijlage zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden betrokken: de toestand van wind en zee, de gevolgde koers en de snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
- (7). Ontvangstvoorzieningen binnen de bijzondere gebieden:
- (a). de gebieden van de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de Oostzee:
- (i). De Regering van elke Partij bij het Verdrag wier kustlijn grenst aan een van de bijzondere gebieden draagt daartoe zorg, dat uiterlijk op 1 januari 1977 alle olielaadplaatsen en reparatiehavens in het bijzondere gebied zijn voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen en verwerken van alle vuile ballast en tankwaswater van olietankschepen. Bovendien zullen alle havens binnen het bijzondere gebied worden voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen van andere residuen en oliehoudende mengsels afkomstig van alle schepen. Deze inrichtingen dienen een capaciteit te hebben toereikend om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken.
- (ii). De Regering van elke Partij onder wier rechtsmacht ondiepe toegangen tot scheepvaartroutes vallen, welke een vermindering van diepgang door middel van het lozen van ballast zouden vereisen, draagt zorg voor de voorziening in de inrichtingen bedoeld onder (a) (i) van dit lid, met dien verstande evenwel dat schepen die verontreinigd tankwas- of ballastwater moeten lozen enig oponthoud kunnen ondervinden.
- (iii). Gedurende de periode die verloopt tussen de inwerkingtreding van dit Verdrag (indien eerder dan 1 januari 1977) en 1 januari 1977, zullen schepen die in de bijzondere gebieden varen zich houden aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage. De Regeringen van Partijen wier kustlijn grenst aan een van de bijzondere gebieden bedoeld onder (a) van dit lid kunnen echter een datum vaststellen, eerder dan 1 januari 1977 doch later dan de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van de betrokken bijzondere gebieden van kracht zullen worden:
- (1). indien alle vereiste ontvangstinrichtingen op de aldus vastvastgestelde datum beschikbaar zijn; en
- (2). mits de betrokken Partijen de Organisatie ten minste zes maanden van tevoren in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum, dit ter mededeling aan andere Partijen.
- (iv). Na 1 januari 1977, dan wel na de datum vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) (iii) van dit lid indien deze datum eerder valt, stelt elke Partij de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Verdragsluitende Regeringen.
- (b). De gebieden van de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden en de Noordwest-Europese wateren:
- (i). De Regering van elke Partij wier kustlijn grenst aan de bijzondere gebieden draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk alle olielaadplaatsen en reparatiehavens binnen deze bijzondere gebieden zijn voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen en verwerken van alle vuile ballast en tankwaswater van olietankschepen. Bovendien zullen alle havens binnen het bijzondere gebied worden voorzien van inrichtingen, toereikend voor het ontvangen van andere residuen en oliehoudende mengsels afkomstig van alle schepen. Deze inrichtingen dienen een capaciteit te hebben toereikend om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken, zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken.
- (ii). De Regering van elke Partij onder wier rechtsmacht ondiepe toegangen tot scheepvaartroutes vallen welke een vermindering van diepgang door middel van het lozen van ballast zouden vereisen, draagt zorg voor de voorziening in inrichtingen bedoeld onder (b) (i) van dit lid, met dien verstande evenwel dat schepen die verontreinigd tankwas- of ballastwater moeten lozen enig oponthoud kunnen ondervinden.
- (iii). Elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge de bepalingen onder (b) (i) en (ii) van dit lid. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van te voren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (iv). Gedurende de periode die verloopt tussen de inwerkingtreding van dit Verdrag en de aldus vastgestelde datum houden schepen die in de bijzondere gebieden varen zich aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (v). Na deze datum houden ook olietankschepen, die lading innemen in havens in deze bijzondere gebieden waar de genoemde inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, zich volledig aan de bepalingen van dit Voorschrift. Olietankschepen die deze bijzondere gebieden binnenvaren om lading in te nemen, doen echter al het mogelijke om het gebied binnen te varen met uitsluitend schone ballast aan boord.
- (vi). Na de datum van inwerkingtreding van de bepalingen voor het betrokken bijzondere gebied stelt elke Partij de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
- (vii). Per 1 januari 1977, of een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag indien deze datum later valt, dient ten minste in de ontvangstinrichtingen als bedoeld in Voorschrift 12 van deze bijlage te zijn voorzien.
- (8). Niettegenstaande het bepaalde in het zevende lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle oliehoudend slik, vuil ballast- en tankwaswater en andere oliehoudende residuen en mengsels van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle oliehoudend slik, vuil ballast- en tankwaswater en andere oliehoudende residuen en mengsels terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om deze oliehoudende residuen af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 11. Uitzonderingen
De Voorschriften 9 en 10 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- (ii). uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling om schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van oliehoudende stoffen met toestemming van de Administratie, indien dit geschiedt met het doel bepaalde verontreinigingsvoorvallen te bestrijden ten einde de schade door verontreiniging tot een minimum te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsht men zich voorneemt de lozing te doen plaatsvinden.
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
- (1). Onverlet het bepaalde in Voorschrift 10 van deze Bijlage verbindt de Regering van elke Partij zich ertoe de aanleg te verzekeren van inrichtingen bij olielaadplaatsen, in reparatiehavens, alsmede in andere havens waar schepen olieresiduen moeten lozen, bestemd voor de ontvangst van die residuen en oliehoudende mengsels welke achterblijven voor afgifte door olietankschepen en andere schepen en toereikend om te voldoen aan de behoefte van de schepen die er gebruik van maken, zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken.
- (2). De ontvangstinrichtingen zoals bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift dienen te worden aangelegd in:
- (a). alle havens en plaatsen waar ruwe olie in olietankschepen wordt geladen, wanneer deze tankschepen onmiddellijk voor hun aankomst een reis in ballast hebben gemaakt van niet langer dan 72 uren of niet meer dan 1200 zeemijlen;
- (b). alle havens en plaatsen waar olie, geen ruwe olie zijnde, in bulk wordt geladen met een gemiddelde hoeveelheid van meer dan 1000 metrieke tonnen per dag;
- (c). alle havens waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het schoonmaken van tanks gevestigd zijn;
- (d). alle havens en laad- en losplaatsen waar schepen worden behandeld die zijn voorzien van de tank (s) voor oliehoudend slik zoals vereist krachtens Voorschrift 17 van deze Bijlage;
- (e). alle havens, ten behoeve van de ontvangst van oliehoudend lenswater en overige residuen, waarvan de lozing overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage niet mogelijk is; en
- (f). alle laadhavens voor stortladingen ten behoeve van de ontvangst van residuen uit combinatietankschepen, waarvan de lozing overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage niet mogelijk is.
- (3). Voor de capaciteit ten aanzien van de ontvangstinrichtingen is het volgende bepalend:
- (a). Laadplaatsen voor ruwe olie dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels waarvan de lozing niet mogelijk is overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, door alle olietankschepen op reizen zoals beschreven in lid (2) (a) van dit Voorschrift.
- (b). De laadhavens en laadplaatsen bedoeld in lid (2) (b) van dit Voorschrift dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels waarvan de lozing niet mogelijk is overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, door olietankschepen die andere olie dan ruwe olie in bulk laden.
- (c). Alle havens, waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het schoonmaken van tanks gevestigd zijn, dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van alle residuen en oliehoudende mengsels die zich aan boord bevinden voor afgifte door schepen voordat zij bij deze werven of inrichtingen aankomen.
- (d). Alle inrichtingen die ingevolge lid (2) (d) van dit Voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van alle residuen, die overeenkomstig Voorschrift 17 van deze Bijlage aan boord zijn gehouden van alle schepen die redelijkerwijze kunnen worden geacht deze havens en laad- of losplaatsen aan te doen.
- (e). Alle inrichtingen die ingevolge dit Voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van oliehoudend lenswater en andere residuen die niet kunnen worden geloosd overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (f). De inrichtingen die in laadhavens voor stortladingen zijn aangelegd, dienen naar behoren te worden afgestemd op de speciale problemen van combinatietankschepen.
- (4). De ontvangstinrichtingen, voorgeschreven in lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, dienen uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, of op 1 januari 1977, al naar gelang welke datum later valt, beschikbaar gesteld te worden.
- (5). Elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen, waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 13. Gescheiden Ballast Tanks, Aangewezen Schone Ballast Tanks en Ruwe Olie Wasmethode
Behoudens het bepaalde in de Voorschriften 13C en 13D van deze Bijlage, dienen olietankschepen te voldoen aan de eisen van dit Voorschrift.
Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton en meer
-
- Elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer en elk nieuw produktentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton en meer dient te worden voorzien van gescheiden ballasttanks en te voldoen aan het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid, of, indien toepasselijk, aan het bepaalde in het vijfde lid van dit Voorschrift.
-
- De capaciteit van de gescheiden ballasttanks dient zodanig te worden bepaald, dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen, zonder gebruik te behoeven te maken van olietanks voor ballastwater, behoudens het bepaalde in het derde of vierde lid van dit Voorschrift. In alle gevallen dient de capaciteit van de gescheiden ballasttanks echter ten minste zodanig te zijn, dat in elke ballasttoestand gedurende elk deel van de reis met inbegrip van de toestand van ledig gewicht plus uitsluitend gescheiden ballast, de diepgang en trim van het schip aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
- (a). de midscheepse diepgang naar de mal gemeten (md) in meters (zonder rekening te houden met enige vervorming van het schip) dient niet minder te zijn dan
- md = 2.0 + 0.02 L;
- (b). de diepgangen bij de voor- en achterloodlijnen dienen overeen te komen met die verkregen door op de midscheepse diepgang (md) bepaald onder (a) van dit lid, een trim achterover toe te passen van niet meer dan 0,015 L; en
- (c). de diepgang bij de achterloodlijn dient in geen geval minder te zijn dan noodzakelijk is voor de volledige onderdompeling van de schroef (schroeven).
-
- Ballastwater dient in geen geval in ladingtanks te worden vervoerd, behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van Voorschrift 15 van deze Bijlage, en er dient aantekening van te worden gehouden in het Oliejournaal zoals bedoeld in Voorschrift 20 van deze Bijlage.
-
- Wanneer het nieuwe ruwe olietankschepen betreft mag de aanvullende ballast, toegestaan ingevolge het bepaalde in het derde lid van dit Voorschrift, alleen worden vervoerd in ladingtanks indien deze vóór vertrek uit een loshaven of ligplaats zijn schoongemaakt met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 13 B van deze Bijlage.
-
- In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit Voorschrift dienen de gescheiden ballasttoestanden van olietankschepen met een lengte van minder dan 150 meter ten genoegen van de Administratie te zijn.
-
- Op elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer dient een methode voor schoonmaken van de ladingtanks te worden toegepast waarbij gebruik wordt gemaakt van het wassen met ruwe olie. De Administratie dient, binnen één jaar nadat het tankschip voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van ruwe olie, of, indien dit tijdstip later valt, bij het einde van de derde reis waarop ruwe olie, geschikt voor de ruwe olie wasmethode, wordt vervoerd, de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat de methode volledig voldoet aan de vereisten van Voorschrift 13 B van deze Bijlage. Tenzij een dergelijk olietankschip ruwe olie vervoert die niet geschikt is voor de ruwe olie wasmethode, dient het olietankschip de methode toe te passen in overeenstemming met de vereisten van voornoemd Voorschrift.
Bestaande ruwe olietankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer
-
- Behoudens het bepaalde in het achtste en negende lid van dit Voorschrift moet elk bestaande ruwe olietankschip van 40.000 ton draagvermogen en meer zijn voorzien van gescheiden ballasttanks en voldoen aan de vereisten van het tweede en derde lid van dit Voorschrift vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Protocol.
-
- Bestaande ruwe olietankschepen als bedoeld in het zevende lid van dit Voorschrift mogen, in plaats van te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, een ladingtank wasmethode toepassen waarbij gebruik wordt gemaakt van het wassen met ruwe olie in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13 B van deze Bijlage, tenzij de ruwe olietanker bestemd is om gebruikt te worden voor het vervoer van ruwe olie die ongeschikt is voor de ruwe olie wasmethode.
-
- Bestaande olietankschepen als bedoeld in het zevende of achtste lid van dit Voorschrift mogen, in plaats van te zijn uitgerust met gescheiden ballasttanks of de ladingtank wasmethode toe te passen waarbij gewassen wordt met ruwe olie, aangewezen schone ballasttanks gebruiken, in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13 A van deze Bijlage, gedurende het navolgende tijdvak:
- (a). ruwe olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton en meer: tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, en
- (b). ruwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 40.000 en minder dan 70.000 ton: tot vier jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol.
Bestaande produktentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer
-
- Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Protocol dient elk bestaand produktentankschip met een draagvermogen van 40.000 ton en meer te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks en te voldoen aan de vereisten in het tweede en derde lid van dit Voorschrift, of, naar keuze, de aangewezen schone ballasttanks-methode toe te passen in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13 A van deze Bijlage.
Een olietankschip gekwalificeerd als een gescheiden ballasttankschip.
-
- Elk olietankschip dat niet behoeft te worden voorzien van gescheiden ballasttanks in overeenstemming met het eerste, zevende of tiende lid van dit Voorschrift, kan echter worden gekwalificeerd als gescheiden ballasttankschip indien het schip voldoet aan de vereisten van respectievelijk het tweede en derde of vijfde lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 13A. Voorschriften voor Olietankschepen met Aangewezen Schone Ballast Tanks
-
- Een olietankschip dat aangewezen schone ballasttanks gebruikt in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13(9) of (10) van deze Bijlage, dient voldoende tankcapaciteit, uitsluitend aangewezen voor het vervoeren van schone ballast zoals omschreven in Voorschrift 1 (16) van deze Bijlage, te bezitten om te voldoen aan de vereisten in het tweede en derde lid van Voorschrift 13 van deze Bijlage.
-
- De voorzieningen en operationele werkwijze voor aangewezen schone ballasttanks dienen te voldoen aan de vereisten vastgesteld door de Administratie. Deze vereisten moeten tenminste omvatten alle voorzieningen van de specificaties voor Olie Tankschepen met Aangewezen Schone Ballast Tanks zoals aangenomen in Resolutie 14 van de Internationale Conferentie voor Tanker Veiligheid en Voorkoming van Verontreiniging, 1978, en zoals deze herzien kan worden door de Organisatie.
-
- Een olietankschip dat aangewezen schone ballasttanks gebruikt moet zijn uitgerust met een oliegehaltemeter, goedgekeurd door de Administratie op basis van de specificaties aanbevolen door de Organisatie*Zie „Aanbeveling voor Internationale Uitvoering en Test Specificaties voor Olie-Waterafscheiders en Oliegehaltemeters” aangenomen door de Organisatie in Resolutie A 393 (X). , die controle van het oliegehalte van het ballastwater dat geloosd wordt mogelijk maakt. De oliegehaltemeter mag niet later worden aangebracht dan tijdens het eerste vastgestelde bezoek aan een scheepswerf volgend op de inwerkingtreding van dit Protocol. Totdat de oliegehaltemeter is aangebracht moet, onmiddellijk voordat ballast geloosd wordt, door middel van een onderzoek van het ballastwater in aangewezen tanks worden vastgesteld dat vermenging met olie niet heeft plaatsgevonden.
-
- Elk olietankschip uitgerust met aangewezen schone ballasttanks moet zijn voorzien van:
- (a). een Aangewezen Schoon Ballast Tank Handboek waarin het systeem beschreven staat en dat de operationele werkwijze aangeeft. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en moet alle informatie bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in het tweede lid van dit Voorschrift. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het aangewezen schone ballasttankssysteem beïnvloedt dient het handboek overeenkomstig te worden herzien; en
- (b). een Aanvulling op het Oliejournaal, genoemd in Voorschrift 20 van deze Bijlage, en zoals dat wordt beschreven in Aanvulling 1 op Aanhangsel III van deze Bijlage. De Aanvulling moet blijvend bevestigd zijn aan het Oliejournaal.
Voorschrift 13B. Vereisten voor de Ruwe Olie Wasmethode
-
- Elk systeem voor het wassen met ruwe olie dat vereist is ingevolge Voorschrift 13 (6) en (8) van deze Bijlage moet voldoen aan het bepaalde in dit Voorschrift.
-
- De installatie om met ruwe olie te wassen met de bijbehorende uitrusting en voorzieningen moet voldoen aan de vereisten gesteld door de Administratie. Deze vereisten dienen ten minste te bevatten alle voorzieningen vermeld in de Specificatie voor het Ontwerp, Werkwijze en Controle van Ruwe Olie Wassystemen aangenomen in Resolutie 15 van de Internationale Vergadering voor Tanker Veiligheid en Voorkoming van Verontreiniging, 1978, en zoals deze herzien kunnen worden door de Organisatie.
-
- Een inert-gasinstallatie moet zijn aangesloten op elke tank en sloptank in overeenstemming met de betreffende Voorschriften van Hoofdstuk II-2 van het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974, zoals gewijzigd en aangevuld bij het Protocol van 1978 betreffende het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974.
-
- Met betrekking tot het ballasten van ladingtanks dienen voldoende ladingtanks met ruwe olie te zijn gewassen alvorens de ballastreis aanvangt zodat, rekening houdend met het vaarschema van het tankschip en de te verwachten weersomstandigheden, ballastwater alleen wordt vervoerd in tanks die met ruwe olie zijn gewassen.
-
- Elk olietankschip uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie moet zijn voorzien van:
- (a). een handboek waarin het systeem en de uitrusting beschreven staat en waarin de werkwijze wordt uiteengezet. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en moet alle informatie bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in lid 2 van dit Voorschrift. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het systeem voor het wassen met ruwe olie beïnvloedt dient het handboek overeenkomstig te worden herzien; en
- (b). een Aanvulling op het Oliejournaal genoemd in Voorschrift 20 van deze Bijlage, welke Aanvulling wordt beschreven in Aanvulling 2 op Aanhangsel III van deze Bijlage. De Aanvulling moet blijvend zijn bevestigd aan het Oliejournaal.
Voorschrift 13C. Bestaande tankschepen ingezet op bepaalde reizen
-
- Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid van dit Voorschrift, zijn Voorschrift 13 (7) tot (10) van deze Bijlage niet van toepassing op een bestaand olietankschip dat alleen wordt ingezet op bepaalde reizen tussen:
- (a). havens of ligplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Protocol,
- (b). havens of ligplaatsen van Staten die Partij zijn bij dit Protocol, of wanneer:
- (i). de reis geheel plaatsvindt binnen een Bijzonder Gebied als omschreven in Voorschrift (10) (1) van deze Bijlage, of
- (ii). de reis geheel plaatsvindt binnen andere grenzen vastgesteld door de Organisatie.
-
- Het bepaalde van het eerste lid van dit Voorschrift is slechts van toepassing wanneer de havens of ligplaatsen waar lading wordt ingenomen voor dergelijke reizen, zijn voorzien van ontvangstinrichtingen die toereikend zijn voor het ontvangen en verwerken van alle ballast en tankwaswater van olietankschepen die van deze havens of ligplaatsen gebruik maken, en aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
- (a). behoudens de uitzonderingen vervat in Voorschrift 11 van deze Bijlage moet alle ballastwater, schoon ballastwater en residuen van het tankwassen daarbij inbegrepen, aan boord worden gehouden en de aantekening in het betreffende Deel van de Aanvulling op het Oliejournaal genoemd in het derde lid van dit Voorschrift wordt gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de Havenstaat;
- (b). tussen de Administratie en de Regeringen van de Havenstaten genoemd in de sub-leden (1) (a) of (b) van dit Voorschrift moet overeenstemming zijn bereikt met betrekking tot het gebruik van een bestaand olietankschip op een bepaalde reis;
- (c). de toereikendheid van de ontvangstinrichting in voornoemde havens en ligplaatsen dient, overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage en voor de strekking van dit Voorschrift, te zijn goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Protocol, en waarin deze havens en ligplaatsen zijn gelegen; en
- (d). op het Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging door Olie dient te worden aangetekend dat het olietankschip uitsluitend wordt gebezigd voor die bepaalde reizen.
-
- Elk olietankschip ingezet op bepaalde reizen moet zijn voorzien van een Aanvulling op het Oliejournaal genoemd in Voorschrift 20 van deze Bijlage, en zoals dat wordt beschreven in Aanvulling 3 op Aanhangsel III van deze Bijlage. De Aanvulling moet blijvend bevestigd zijn aan het Oliejournaal.
Voorschrift 13D. Bestaande Olietankschepen met speciale Ballast Voorzieningen
-
- Wanneer een bestaand olietankschip zodanig is gebouwd of op een zodanige manier wordt gebruikt dat te allen tijde is voldaan aan de vereisten van minimum diepgang en trim zoals gegeven in Voorschrift 13 (2) van deze Bijlage zonder dat ballastwater gebruikt behoeft te worden, wordt de tanker geacht te voldoen aan de eisen betreffende gescheiden ballasttanks genoemd in Voorschrift 13 (7) van deze Bijlage, mits aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- (a). de werkwijze en ballastvoorzieningen dienen te zijn goedgekeurd door de Administratie;
- (b). tussen de Administratie en de Regeringen van Havenstaten die Partij zijn bij dit Protocol moet overeenstemming zijn bereikt betreffende de vereisten aangaande de diepgang en de trim die door de werkwijze worden verkregen;
- (c). op het Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging door Olie moet zijn aangetekend dat het olietankschip met speciale ballastvoorzieningen vaart.
-
- Ballastwater dient in geen geval in olietanks te worden vervoerd, behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van Voorschrift 15 van deze Bijlage, en er dient aantekening van te worden gehouden in het Oliejournaal zoals bedoeld in Voorschrift 20 van deze Bijlage.
-
- Een Administratie die een aantekening op een certificaat maakt overeenkomstig sub-lid (1) (c) van dit Voorschrift dient de bijzonderheden daarvan mee te delen aan de Organisatie ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol.
Voorschrift 13E. Beschermende plaatsing van gescheiden ballastruimten
-
- Op elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer en op elk nieuw produktentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton en meer dienen de binnen het ladingtankgedeelte aangebrachte gescheiden ballasttanks, van de vereiste inhoud die noodzakelijk is teneinde te kunnen voldoen aan de eisen van Voorschrift 13 van deze Bijlage, te zijn geplaatst in overeenstemming met het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit Voorschrift teneinde een zekere mate van bescherming te bieden tegen het uitstromen van olie ingeval van stranding of aanvaring.
-
- Gescheiden ballasttanks en ruimten binnen het ladingtankgedeelte (Lt), geen olietanks zijnde, dienen zodanig te zijn geplaatst dat aan de volgende eisen wordt voldaan: waarin: Waar in dit Voorschrift de in dit lid vermelde symbolen voorkomen hebben zij de betekenis zoals omschreven in dit lid.
- ΣPAC + ΣPAS ≥ J[Lt (B + 2D)]
| PAC | = | voor elke gescheiden ballasttank of ruimte, geen olietank zijnde: de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
|---|---|---|
| PAS | = | voor elke zodanige tank of ruimte: de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
| Lt | = | lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m, |
| B | = | grootste breedte van het schip in m, zoals omschreven in het eenentwintigste lid van Voorschrift 1 van deze Bijlage, |
| D | = | holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in.de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, moet de holte naar de mal gemeten. worden tot het snijpunt, van de doorgestrookte lijn van de bovenkant der balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant der spanten. |
| J | = | 0.45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton en meer, behoudens het gestelde in het derde lid van dit Voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen moet de waarde van „J” door lineaire interpolatie worden bepaald. |
-
- Voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton en meer mag de waarde van „J” als volgt worden verminderd: waarin: a = 0,25 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton a = 0,40 voor olietankschepen met een draagvermogen van 300.000 ton a = 0,50 voor olietankschepen met een draagvermogen van 420.000 ton en meer. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen moet de waarde van „a” door lineaire interpolatie worden bepaald.
| Oc | = | als omschreven in Voorschrift 23 (1) (a) van deze Bijlage |
|---|---|---|
| Os | = | als omschreven in Voorschrift 23 (1) (b) van deze Bijlage |
| OA | = | de toelaatbare hoeveelheid uitgestroomde olie zoals voorgeschreven in Voorschrift 24 (2) van deze Bijlage. |
-
- Bij de vaststelling van de waarden van PAC en PAS voor gescheiden ballastanks en -ruimten, geen olietanks zijnde, is het volgende van toepassing: De kleinste breedte en hoogte van zijtanks en dubbele bodemtanks dient te worden gemeten buiten het kimoppervlak; de kleinste breedte moet, indien bij de overgang van huidbeplating naar dekbeplating een rondgezette plaat wordt toegepast, worden gemeten buiten het door deze rondgezette plaat gevormde oppervlak.
- (a). De kleinste breedte van elke zijtank of ruimte die zich over de volle hoogte van de scheepszijde, dan wel van het dek tot de bovenzijde van de dubbele bodem uitstrekt, mag niet minder zijn dan 2 m. De breedte dient binnenboord te worden gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens. Indien de aanwezige breedte geringer is mag de betreffende zijtank of ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak „PAC” niet in rekening worden gebracht; en
- (b). De kleinste hoogte van elke dubbele bodemtank of ruimte moet gelijk zijn aan B/15 of 2 m, welke van deze waarden de kleinste is. Indien de aanwezige hoogte geringer is mag de betreffende (dubbele) bodemtank of ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak „PAs” niet in rekening worden gebracht.
VOORSCHRIFT 13F. Voorkoming van verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding
Dit Voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton massa of meer:
- a. waarvoor het bouwcontract is gesloten op of na 6 juli 1993, of
- b. waarvan bij het ontbreken van een bouwcontract de kiel is gelegd of zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevinden op of na 6 januari 1994, of
- c. die op of na 6 juli 1996 worden opgeleverd; of
- d. die een belangrijke verbouwing nebben ondergaan:
- i. waarvoor het contract is gesloten na 6 juli 1993; of
- ii. waarvoor bij het ontbreken van een contract de verbouwing na 6 januari 1994 is begonnen; of
- iii. die na 6 juli 1996 is voltooid.
Ieder olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton massa of meer dient:
- a. in plaats van aan Voorschrift 13 E, waar van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 3, tenzij het onder de bepalingen van lid 4 en 5 valt; en
- b. indien van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 6.
De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten, die geen ladingtanks of brandstoftanks zijn:
- a. Zijtanks of -ruimten Zijtanks of -ruimten dienen zich uit te strekken hetzij over de volle holte van het schip in de zijde of van de bovenzijde van de dubbele bodem tot het bovenste dek daarbij geen rekening houdende met een rondgezette plaat als overgang van huidbeplating naar dekbeplating. Zij dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 1, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven: w = 0,5 + DW/20.000 of 2,0 m, naar gelang welk getal het kleinst is. De minimumwaarde van w = 1,0 m.
- b. Dubbele-bodemtanks of -ruimten De hoogte van elke dubbele-bodemtank of -ruimte dient op iedere willekeurige dwarsdoorsnede zodanig te zijn dat de afstand h tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 1, niet minder is dan hieronder omschreven: h = B/15 m of 2,0 m, naar gelang welk getal het laagst is. De minimumwaarde van h = 1,0 m.
- c. Het gebied van de ronding van de kim, of plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim Wanneer de afstanden h en w verschillen, wordt de afstand w aangehouden op niveaus hoger dan 1,5 h boven de basislijn, zoals weergegeven in figuur 1.
- d. De totale capaciteit van ballasttanks Op ruwe-olietankscheperi met een draagvermogen van 20.000 ton massa of meer en produktentankschepen met een draagvermogen van 30.000 ton massa of meer dient de totale capaciteit van de zijtanks, de dubbele-bodemtanks, de voorpiektanks en de achterpiektanks niet minder te zijn dan de capaciteit van de gescheiden ballasttanks dat nodig is om te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13. Zijtanks of -ruimten en dubbele-bodemtanks die worden gebruikt om te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13 dienen, gelijkmatig, langs de lengte van het ladingtankgedeelte te zijn geplaatst. Aanvullende capaciteit voor gescheiden ballast ten behoeve van het verminderen van de langsscheepse buigspanningen in de romp, de trim enz. mag op elke plaats in het schip zijn gelegen.
- e. Zuigputten in ladingtanks Zuigputten in ladingtanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein als praktisch mogelijk zijn en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
- f. Lading- en ballastleidingen Ballastleidingen en andere leidingen, zoals leidingen voor peilingen en ventilatiepijpen naar ballasttanks, mogen niet door ladingtanks lopen. Ladingleidingen en soortgelijke leidingen naar ladingtanks mogen niet door ballasttanks lopen. Vrijstelling van dit vereiste kan worden verleend voor korte leidinggedeelten, op voorwaarde dat zij geheel zijn gelast of op gelijkwaardige wijze zijn geconstrueerd.
- a. Dubbele-bodemtanks of -ruimten zoals vereist in lid 3, letter b, kunnen achterwege blijven op voorwaarde dat het ontwerp van het tankschip zodanig is dat de druk die door lading en damp wordt uitgeoefend op de vlakbeplating van het schip die de enige scheiding vormt tussen de lading en de zee, niet hoger is dan de hydrostatische waterdruk van buitenaf, zoals weergegeven in de volgende formule: f . hc· pc· g + 100Δp≤ dn· ρs· g waarin: hc = de hoogte van de lading die in aanraking komt met de vlakbeplating in meters ρc = de maximale ladingdichtheid in t/ m3 dn = minimum diepgang voor een schip in bedrijf, onder alle te verwachten beladingstoestanden, in meters ρs = de dichtheid van het zeewater in t/ m3 ∆p = maximuminsteldruk van over/onderdrukkleρpen voor de ladingtank, in bar f = veiligheidsfactor = 1,1 g = standaardversnelling van de zwaartekracht (9,81 m/s2).
- b. Elke horizontale scheiding die nodig is om aan de bovenstaande vereisten te voldoen, dient te worden geplaatst op een hoogte van niet minder dan B/6 of 6 meter, naar gelang welke het kleinst is, maar niet meer dan 0,6 D, boven de basislijn, waarbij D staat voor de holte naar de mal midscheeps gemeten.
- c. Zijtanks of -ruimten dienen te zijn geplaatst zoals omschreven in lid 3, letter a, behalve dat onder een niveau van 1,5 h boven de basislijn, waarbij h voldoet aan de omschrijving gegeven in lid 3, letter b, de grenslijn van de ladingtank verticaal naar beneden kan lopen tot de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 2.
Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in principe zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton massa of meer dient de in Voorschrift 25, lid 2, letter b, aaπgenomen schade te worden aangevuld met de volgende aangenomen schade aan het scheepsvlak met geringe penetratie:
- a. langsscheeps:
- i. schepen met een draagvermogen van 75.000 ton massa of meer: 0,6 L gemeten vanaf de voorloodlijn
- ii. schepen met een draagvermogen van minder dan 75.000 ton massa: 0,4 L gemeten vanaf de voorloodlijn
- b. dwarsscheeps: B/3 overal in het vlak
- c. verticaal: beschadiging van de huidbeplating.
Olietankschepen met een laadvermogen van minder dan 5.000 massa ton dienen:
- a. ten minste te zijn voorzien van dubbele-bodemtanks of -ruimten die een zodanige hoogte hebben dat de afstand h, zoals omschreven in lid 3, letter b, voldoet aan de volgende voorwaarde: h = B/15 m met een minimumwaarde van h = 0,76 m; in het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de ladingtank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak zoals weergegeven in figuur 3; en
- b. te zijn voorzien van ladingtanks die zodanig zijn geplaatst dat het laadvermogen van elke ladingtank niet groter is dan 700 m, tenzij de zijtanks of -ruimten zijn geplaatst in overeenstemming met lid 3, letter a, en voldoen aan de volgende voorwaarde: w = 0,4 + 2.4 DW T/ 20.000 DW T m of met een minimumwaarde van w = 0,76 m.
Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met Voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat Voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het hart schip, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat Voorschrift zou zijn geplaatst.
Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit Voorschrift houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.
Figuur 1 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 3
Figuur 2 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 4
Figuur 3 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 7
Voorschrift 13G. Voorkoming van verontreiniging door olie door ongevallen – maatregelen voor bestaande olietankschepen
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit Voorschrift:
- a. van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer, waarvoor het contract is gesloten, waarvan de kiel is gelegd of die zijn opgeleverd vóór de in Voorschrift 13F, eerste lid, van deze Bijlage genoemde data; en
- b. niet van toepassing op olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F van deze Bijlage, waarvoor het contract is gesloten, waarvan de kiel is gelegd of die zijn opgeleverd vóór de in Voorschrift 13F, eerste lid, van deze Bijlage genoemde data; en
- c. niet van toepassing op onder onderdeel a hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F, derde lid, onderdelen a en b, of aan 13F, vierde lid, of aan 13F, vijfde lid, van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimumafstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan Voorschrift 13E, vierde lid, onderdeel b, van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit Voorschrift wordt verstaan onder:
- a. ,Zware dieselolie’: dieselolie voor de scheepvaart, niet zijnde de distillaten die voor meer dan 50 procent van hun volume distilleren bij een temperatuur die niet hoger is dan 340°C, wanneer zij worden getest door middel van een voor de Organisatie aanvaardbare methode.
- b. ,Stookolie’: zware distillaten of residuen van ruwe olie of mengsels van dergelijke materialen die bestemd zijn voor gebruik als brandstof voor de productie van warmte of vermogen van een kwaliteit die gelijk is aan de voor de Organisatie aanvaardbare specificatie.
-
- Voor de toepassing van dit Voorschrift worden olietankschepen onderverdeeld in de volgende categorieën:
- a. ,olietankschepen van categorie 1’: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, stookolie, zware dieselolie of smeerolie als vracht vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die niet voldoen aan de vereisten voor nieuwe olietankschepen als omschreven in Voorschrift 1, zesentwintigste lid, van deze Bijlage;
- b. ,olietankschepen van categorie 2’: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, stookolie, zware dieselolie of smeerolie als vracht vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die voldoen aan de vereisten voor nieuwe olietankschepen als omschreven in Voorschrift 1, zesentwintigste lid, van deze Bijlage;
- c. ,olietankschepen van categorie 3’: olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer, maar minder dan vermeld in de onderdelen a of b van dit lid.
-
- Olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is dienen uiterlijk op 5 april 2005 of op de verjaardatum van hun oplevering in de in de onderstaande tabel vermelde datum of jaar te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13F van deze Bijlage.
| Categorie olietankschepen | Datum of jaar |
|---|---|
| Categorie 1 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder |
| Categorie 1 | 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982 |
| Categorie 2 en Categorie 3 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder |
| 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978 | |
| 2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979 | |
| 2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981 | |
| 2008 voor schepen opgeleverd in 1982 | |
| 2009 voor schepen opgeleverd in 1983 | |
| Categorie 2 en Categorie 3 | 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later |
-
- Niettegenstaande de bepalingen van het vierde lid van dit Voorschrift, kan de Administratie in het geval van olietankschepen van categorie 2 of 3 die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van het eerste lid, onderdeel c, van dit Voorschrift, toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- a. de schepen op 1 juli 2001 in gebruik waren;
- b. ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- c. de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- d. de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- Olietankschepen van categorie 2 of 3 die 15 jaar of ouder zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering, dienen te voldoen aan de keuringsregeling scheepvaart aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu bij resolutie MEPC.94(46), als gewijzigd, mits deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag inzake wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- De Administratie kan toestaan dat een olietankschip van categorie 2 of 3 in de vaart blijft na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de keuringsregeling scheepvaart, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, mits dat uiterlijk duurt tot de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015 of de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering, naar gelang van welke datum het eerst bereikt wordt.
-
- In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag.
- a. De Administratie van een Partij bij het Verdrag die de toepassing van het vijfde lid van dit Voorschrift toestaat, of de toepassing van het zevende lid van dit Voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat onder zijn vlag mag varen, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie en met het oog op zo nodig passende maatregelen.
- b. Een Partij bij het Verdrag heeft het recht de toegang tot onder haar rechtsmacht vallende havens of offshoreterminals te weigeren van olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van: i. het vijfde lid van dit Voorschrift na de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015; of ii. het zevende lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
- (1). Behalve zoals bepaald in lid (2) van dit Voorschrift, dient aan boord van nieuwe schepen anders dan olietankschepen, met een bruto tonnage van 4000 ton en meer en aan boord van nieuwe olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer, geen ballastwater in enige brandstofolietank te worden vervoerd.
- (2). Wanneer ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie mee te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in enige brandstofolietank noodzakelijk maken, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee volgens Voorschrift 9, met gebruikmaking van de uitrusting aangegeven in Voorschrift 16 (2) van deze Bijlage; hiervan dient aantekening te worden gehouden in het Oliejournaal.
- (3). Alle andere schepen dienen zich, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, te houden aan de vereisten van paragraaf (1) van dit Voorschrift.
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
- (1). Onverlet het bepaalde in lid (5) en lid (6) van dit Voorschrift worden olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer uitgerust met voorzieningen overeenkomstig de vereisten van lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, met dien verstande dat, in het geval van bestaande tankschepen, de vereisten inzake bewakings- en regelsystemen voor lozingen en voorzieningen voor sloptanks drie jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag van toepassing zullen zijn.
- (2).
- (a). Er dient te worden voorzien in toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van het verontreinigde ballastresidu en tankwaswater van de ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank. Aan boord van bestaande olietankschepen mag elke ladingtank worden bestemd als sloptank.
- (b). Hierbij dienen voorzieningen te worden aangebracht voor het overbrengen van oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks, zodanig dat elke vloeistof die in zee wordt geloosd, zal voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (c). De voorzieningen voor de sloptank of de combinatie van sloptanks dienen de nodige capaciteit te hebben om het tankwaswater ontstaan door tankwassen, alsmede de olieresiduen en verontreinigde ballastresiduen te bevatten, met dien verstande dat het totaal voor deze capaciteit niet minder dient te zijn dan 3% van het olielaadvermogen van het schip, behalve dat, waar gescheiden ballasttanks zijn aangebracht overeenkomstig Voorschrift 13 van deze Bijlage, of waar geen voorzieningen zijn aangebracht zoals eductors welke gebruik maken van water naast het tankwaswater, de Administratie 2% kan aanvaarden. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 70.000 ton dienen van ten minste twee sloptanks te zijn voorzien.
- (d). De sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaats van in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voorzover deze zijn aangebracht, dat overmatige turbulentie en het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water wordt vermeden.
- (3).
- (a). Er dient een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen te worden aangebracht. Bij beschouwing van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem moet worden opgenomen, dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen*)Zie „Aanbeveling voor internationale specificatie-eisen voor de werking van olie-waterafscheiders en oliegehaltemeters”, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.233 (VII). . Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze weergave dient aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient ten minste drie jaren te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor de olielozing dient in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in zee plaatsvindt en het dient zo te zijn ingericht dat het verzekert dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie op elk moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge Voorschrift 9, (1) (a), van deze Bijlage. Elke storing in dit bewakings- en regelsysteem dient de lozing te doen ophouden en dient te worden aangetekend in het Oliejournaal. Er dient in een andere op bediening met de hand gebaseerde methode te zijn voorzien welke gebruikt kan worden in geval van een dergelijke storing; het onklare gedeelte dient echter zo snel mogelijk weer bedrijfsklaar te worden gemaakt. De autoriteit van de Staat waarin de haven gelegen is, kan het tankschip toestaan met een onklaar gedeelte één reis in ballast te ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet. Bestaande olietankschepen dienen te voldoen aan alle hierboven omschreven bepalingen met dien verstande echter dat het stoppen van de lozing met de hand mag geschieden en de hoeveelheid geloosde olie geschat mag worden aan de hand van de pompkarakteristiek.
- (b). Er dienen door de Administratie goedgekeurde, doelmatige detectoren van het olie-waterscheidingsvlak aanwezig te zijn ten behoeve van een snelle en nauwkeurige bepaling van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks; zij dienen beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin de scheiding van olie en water tot stand komt en van waaruit men lozing rechtstreeks in zee wil doen plaatsvinden.
- (c). De richtlijnen met betrekking tot de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurde bedrijfshandleiding. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en zij dienen erop gericht te zijn te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden aangegeven in Voorschrift 9 van deze Bijlage*)Zie ook “Clean Seas Guide for Oil Tankers”, uitgegeven door de International Chamber of Shipping en het Oil Companies International Marine Forum. .
- (4). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen met een bruto tonnage van minder dan 150 ton, waarbij de naleving van de Regeling van het lozen van olie krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage plaatsvindt door middel van het aan boord houden van olie en de latere afgifte van alle verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en waswater, teruggepompt in een opslagtank, dient te worden vermeld in het Oliejournaal. Deze totale hoeveelheid dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van een vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, ten einde te verzekeren dat aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage wordt voldaan.
- (5). De Administratie kan de vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift terzijde stellen voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt zowel van een duur van 72 uur of minder als binnen een afstand van 50 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip niet in het bezit behoeft te zijn en niet in het bezit is van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie. Elke zodanige terzijdestelling dient onderworpen te zijn aan de eis dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord dient te houden ter latere afgifte aan ontvangstinrichtingen, en aan de bevinding van de Administratie, dat de beschikbare inrichtingen voor het ontvangen van deze oliehoudende mengsels toereikend zijn.
- (6). In gevallen waarin, naar het oordeel van de Organisatie, de uitrusting voor bewaking van het lozen van geraffineerde lichte produkten (witte oliën), vereist ingevolge de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) (vi) van deze Bijlage en omschreven onder (3) (a) van dit Voorschrift, niet verkrijgbaar is, kan de Administratie de verplichting tot nakoming van zulk een vereiste terzijde stellen, met dien verstande dat lozing alleen zal worden toegestaan in navolging van door de Organisatie vastgestelde procedures, die dienen te voldoen aan de voorwaarden van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, uitgezonderd de verplichting tot het in bedrijf hebben van een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen. De Organisatie zal de beschikbaarheid van uitrusting nagaan met tussenpozen van niet langer dan twaalf maanden.
- (7). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt vervoeren; de naleving van de regeling van het lozen van asfalt krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage dient te geschieden door het aan boord houden van asfaltresiduen en het afgeven van alle verontreinigd waswater aan ontvangstinrichtingen.
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.
Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.
- a. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van lid 1 en 2 van dit Voorschrift voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- i. het schip is uitgerust met een verzameltank met een voldoende inhoud, naar genoegen van de Administratie, om al het oliehoudende lenswater aan boord te houden;
- ii. al het oliehoudende lenswater wordt aan boord gehouden voor latere afgifte aan ontvangstvoorzieningen;
- iii. de Administratie heeft vastgesteld dat voldoende ontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn voor het ontvangen van dat oliehoudende lenswater in een voldoende aantal havens of plaatsen waarnaar het schip reizen maakt;
- iv. het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, indien vereist, bevat een aantekening waarin wordt verklaard dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden; en
- v. de hoeveelheid, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het Oliejournaal.
- b. De Administratie draagt er zorg voor dat schepen met een bruto-inhoud van minder dan 400 ton voor zover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust voor het aan boord houden van olie of oliehoudende mengsels of voor het lozen ervan overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9, lid 1, letter b, van deze Bijlage.
De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).
Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
- (1). Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer dient te worden uitgerust met een of meer tanks met een capaciteit die, gezien het type machines en de lengte van de reis, toereikend is voor het opvangen van olieresiduen (slik) die niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage, bijvoorbeeld residuen ontstaan bij het zuiveren van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de machineruimten.
- (2). In nieuwe schepen dienen deze tanks zo ontworpen en gebouwd te worden dat zij hun reiniging en de afgifte van residuen aan ontvangstinrichtingen vergemakkelijken. Bestaande schepen dienen voorzover redelijk en praktisch uitvoerbaar aan dit vereiste te voldoen.
- (3). Pijpleidingen naar en vanaf tanks voor slik dienen geen rechtstreekse aansluiting overboord te hebben behalve de in Voorschrift 19 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte.
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
- (1). Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een walaansluiting voor afgifte te zijn opgesteld, ter koppeling aan ontvangstinrichtingen voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water.
- (2). Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen in zee van vloeistoffen, zoals kan worden toegestaan krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de zwaarste ballasttoestand. Pijpleidingssystemen welke de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan onder lid (4) (a) en (b) van dit Voorschrift kunnen in verschillende uitvoeringen aanvaard worden.
- (3). Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing van vloeistoffen in zee vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte walaansluiting, als bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift, en de vloeistof uit de pijpleidingen, als bedoeld in lid (2) van dit Voorschrift, met het oog waarneembaar is. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien een goed werkende verbinding, zoals een telefoon- of radiosysteem, beschikbaar is tussen de waarnemingsplaats en de regelpositie voor de lozing.
- (4). Alle lozingen dienen boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
- (a). gescheiden ballast en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd in havens of bij laad- of losplaatsen buitengaats;
- (b). bestaande schepen, die niet in staat zijn zonder verbouwing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn lozen, mits een onderzoek van de tank onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat er geen verontreiniging van de ballast met olie heeft plaatsgevonden.
- (5). Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de navolgende vereisten:
- (a). het schip moet zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
- (b). voorzieningen dienen te zijn getroffen teneinde alle ladingpompen en alle ladingleidingen waar nodig na afloop van de lossing leeg te trekken door een stripping aansluiting. Het moet mogelijk zijn de stripping opbrengst zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank over te brengen. Voor lossing naar de wal moet een aparte leiding met een kleine diameter zijn aangebracht die is verbonden aan de walzijde van de afsluiters in het scheepsmanifold.
- (6). Elk bestaand olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, of aangewezen schone ballasttanks toepast moet voldoen aan de bepalingen onder b van het vijfde lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte
Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting | |
|---|---|---|
| uitwendige flensdiameter | 215 mm | |
| inwendige flensdiameter | overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp | |
| diameter van de steekcirkel der bouten | 183 mm | |
| boutgaten | 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm | |
| flensdikte | 20 mm | |
| bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte |
De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.
Voorschrift 20. Oliejournaal
- (1). Elk olietankschip met een bruto-tonnage van 150 ton en meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, moet zijn voorzien van een Oliejournaal dat, hetzij als onderdeel van het scheepsdagboek, hetzij anderszins, moet zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (2). Het Oliejournaal dient, voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
- (a). Voor olietankschepen:
- (i). het laden van olie;
- (ii). het overbrengen van olie van de ene tank naar de andere gedurende de reis;
- (iii). het openen of sluiten, voor of na het laden of lossen, van afsluiters of soortgelijke inrichtingen die ladingtanks onderling verbinden;
- (iv). het openen of sluiten van verbindingen tussen lading- en ballastleidingen;
- (v). het openen of sluiten van overboordafsluiters, tijdens en na laden en lossen;
- (vi). het lossen van lading;
- (vii). het ballasten van ladingtanks;
- (viii). het schoonmaken van ladingtanks;
- (ix). het lozen van ballast, behalve vanuit gescheiden ballasttanks;
- (x). het lozen van water uit sloptanks;
- (xi). het verwijderen van residuen;
- (xii). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in ruimten voor machines.
- (b). Voor schepen, geen olietankschepen zijnde:
- (i). het ballasten of schoonmaken van brandstofolietanks of olielaadruimten;
- (ii). het lozen van ballastwater of waswater uit tanks bedoeld onder (i) van dit lid;
- (iii). het verwijderen van residuen;
- (iv). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in de ruimten voor machines.
- (3). In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in Voorschrift 11 van deze Bijlage of in geval van toevallige of andere buitengewone lozing van olie die niet als uitzondering geldt volgens voornoemd Voorschrift, dient melding in het Oliejournaal te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
- (4). Elke handeling beschreven in paragraaf (2) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elk deel van het journaal moet door de officier of officieren, belast met de betreffende handelingen, worden ondertekend en door de gezagvoerder worden gewaarmerkt. De aantekeningen in het Oliejournaal dienen in een officiële taal van de Staat welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, te worden gesteld, en voor schepen in het bezit van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, in de Engelse of Franse taal. In geval van een geschil of een tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van het land welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, bepalend.
- (5). Het Oliejournaal moet op een plaats worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip spoedig beschikbaar is voor raadpleging en het dient, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord te worden bewaard. Het journaal moet gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening worden bewaard.
- (6). De bevoegde instantie van de regering van een Verdragsstaat heeft het recht het Oliejournaal te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 21. Bijzondere bepalingen voor boorinstallaties en andere platforms
Vast opgestelde en drijvende boorinstallaties, buitengaats gebezigd voor exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, en andere platforms, dienen te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage die van toepassing zijn op schepen, geen tankschepen zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, met dien verstande dat:
- (a). zij, voor zover praktisch uitvoerbaar, moeten zijn uitgerust met de voorzieningen vereist in Voorschrift 16 en 17 van deze Bijlage;
- (b). zij een staat, volgens een door de Administratie goedgekeurd model, dienen bij te houden van alle werkzaamheden waarbij lozingen van olie of oliehoudende mengsels plaatsvinden; en
- (c). onverlet het bepaalde in Voorschrift 11 van deze Bijlage, het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels verboden is, tenzij het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning niet hoger is dan 15 eenheden per miljoen eenheden.
HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP
Voorschrift 22. Veronderstellingen met betrekking tot schade
- (1). Voor de berekening van hypothetische uitstroming van olie uit olietankschepen worden drie grootheden van de mate van beschadiging van een parallellepipedum in de zijde en aan het vlak van het schip als volgt aangenomen. In geval van schade aan het vlak worden twee voorwaarden gesteld, die afzonderlijk op de aangegeven gedeelten van het olietankschip moeten worden toegepast.
- (2). Waar de in dit Voorschrift gegeven symbolen in dit Hoofdstuk voorkomen, hebben zij de in dit Voorschrift omschreven betekenis.
Voorschrift 23. Hypothetische uitstroming van olie
- (1). De hypothetische uitstroming van olie in geval van schade in de zijde van het schip (Oc) en aan het vlak van het schip (Os) dient ten aanzien van beschadigde afdelingen op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip, in de mate als omschreven in Voorschrift 22 van deze Bijlage, te worden berekend met de volgende formules: Waar de in deze paragraaf gegeven symbolen in dit Hoofdstuk voorkomen, hebben zij de in dit Voorschrift omschreven betekenis.
- (a). bij schade in de zijde van het schip:
- OC = Σ Wi + Σ KiCi(I)
- (b). bij schade aan het vlak van het schip: waarin:
- Os = ⅓ (Σ ZiWi + Σ ZiCi) (II)
- Wi = de inhoud van een zijtank, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in Voorschrift 22 van deze Bijlage, in m3. Voor gescheiden ballasttanks kan Wi gelijk aan 0 worden gesteld;
- Ci = de inhoud van een middentank die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in Voorschrift 22 van deze Bijlage, in m3. Voor gescheiden ballasttanks kan Ci gelijk aan 0 worden gesteld;
- dient Zi gelijk aan 0 te worden gesteld;
- bi = breedte van de betreffende zijtank, binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord, in meters;
- hi = kleinste hoogte van de betreffende dubbele bodem, in meters. Wanneer er geen dubbele bodem is aangebracht dient hi gelijk aan 0 te worden gesteld.
- (2). Indien een lege ruimte of een gescheiden ballasttank met een lengte die kleiner is dan λc zoals omschreven in Voorschrift 22 van deze Bijlage, tussen zijtanks voor olie is gelegen, kan Oc in formule (I) worden berekend onder de aanname dat Wi de werkelijke inhoud van één dezer tanks is (wanneer zij eenzelfde inhoud hebben) of dat de inhoud Wi de kleinste is van de twee tanks (wanneer zij een verschillende inhoud hebben) die aan een zodanige ruimte grenzen, vermenigvuldigd met Si zoals hieronder omschreven, terwijl voor alle andere bij een zodanige aanvaring betrokken zijtanks de waarde van de werkelijke volle inhoud moet worden aangehouden. waarin λi = lengte van de betreffende lege ruimte 01 gescheiden ballasttank in meters.
- (3).
- (a). Dubbele bodemtanks mogen alleen in rekening worden gebracht indien zij leeg zijn of schoon water bevatten, en wanneer in de daarboven gelegen tanks lading wordt vervoerd.
- (b). Indien de dubbele bodem zich niet uitstrekt over de gehele lengte en breedte van de betreffende tank, wordt de dubbele bodem geacht niet aanwezig te zijn en dient de inhoud van de tanks boven het gebied van de bodemschade in formule (II) inbegrepen te worden, zelfs indien de tank wegens het aanbrengen van een dergelijke gedeeltelijke dubbele bodem als onbeschadigd kan worden beschouwd.
- (c). Bij de bepaling van de waarde hi mogen lensputten buiten beschouwing worden gelaten, mits deze niet buitensporig groot zijn en over een zo klein mogelijke afstand, en in geen geval verder dan de halve hoogte van de dubbele bodem, onder de tank uitsteken. Indien de diepte van dergelijke lensputten groter is dan de halve hoogte van de dubbele bodem, dient voor hi de hoogte van de dubbele bodem, verminderd met de hoogte van de lensput, te worden aangenomen. Pijpleidingen naar dergelijke lensputten dienen, indien zij in de dubbele bodem zijn aangebracht, te zijn voorzien van afsluiters of andere sluitmiddelen die moeten zijn aangebracht waar de leidingen de aangesloten tank binnentreden, teneinde het uitstromen van olie in geval van beschadiging van de leidingen te voorkomen. Deze leidingen dienen zo hoog mogelijk boven het scheepsvlak te zijn aangebracht. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tank olie bevat, met dien verstande dat zij mogen worden geopend voor het overpompen van lading doch uitsluitend wanneer dat nodig is voor het vertrimmen van het schip.
- (4). Indien een bodemschade tegelijkertijd vier middentanks betreft, kan de waarde Os worden berekend aan de hand van de volgende formule:
- Os = ¼ (Σ ZiWi + Σ ZiCi(III)
- (5). Indien elke ladingtank is voorzien van een inrichting voor het verpompen van lading welke is uitgevoerd met een hoog aangebrachte noodzuigaansluiting en waarmede lading vanuit één of meer beschadigde tanks kan worden overgepompt naar gescheiden ballasttanks of naar andere ladingtanks waarvan het zeker is dat de ullage in deze tanks voldoende is, kan een Administratie bij bodemschade rekening houden met een geringere hoeveelheid uitgestroomde olie. Het al of niet rekening houden met een zodanig leidingstelsel is afhankelijk van het vermogen in twee uur tijd een hoeveelheid olie over te pompen, die gelijk is aan de helft van de inhoud van de grootste van de betreffende beschadigde tanks en van de beschikbaarheid van een daarmede overeenkomende opnamecapaciteit in ballastof ladingtanks. Het rekening houden met deze omstandigheden dient te worden beperkt tot het toestaan van de berekening van Os volgens formule (III). De leidingen voor dergelijke lensinrichtingen moeten zijn aangebracht op een hoogte die ten minste gelijk is aan de verticale omvang van de schade aan het vlak van het schip vs. De Administratie dient de Organisatie inlichtingen te verschaffen betreffende de door haar aanvaarde voorzieningen ter doorzending aan de andere Partijen bij het Verdrag.
Voorschrift 24. Indeling en beperking van de grootte van ladingtanks
- (1). Elk nieuw olietankschip dient te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift. Elk bestaand olietankschip dient, binnen twee jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift, indien een dergelijk tankschip behoort tot een der volgende categorieën:
- (a). een tankschip dat na 1 januari 1977 wordt opgeleverd; of
- (b). een tankschip dat aan beide van de volgende voorwaarden voldoet:
- (i). de oplevering geschiedt niet later dan 1 januari 1977; en
- (ii). het bouwcontract wordt afgesloten na 1 januari 1974 of, indien vooraf geen bouwcontract is afgesloten, de kiel wordt gelegd, dan wel de bouw van het tankschip zich na 30 juni 1974 in een soortgelijk stadium bevindt.
- (2). De grootte en de indeling van de ladingtanks van olietankschepen dienen zodanig te zijn, dat de hypothetische uitstroming Oc of Os, berekend in overeenstemming met het bepaalde in Voorschrift 23 van deze Bijlage, op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip niet groter is dan 30.000 m3 of 400 √3 DWT, welke van de twee de grootste is, maar niet meer dan 40.000 m3.
- (3). De inhoud van elke zijtank voor olie van een olietankschip mag niet groter zijn dan vijfenzeventig procent van de toegelaten hypothetische uitstroming van olie zoals bedoeld in lid 2 van dit Voorschrift. De inhoud van een middentank mag niet groter zijn dan 50.000 m3. Bij olietankschepen met gescheiden ballast zoals bedoeld in Voorschrift 13 van deze Bijlage, mag de toegestane inhoud van een zijtank voor die, gelegen tussen twee gescheiden ballasttanks die elk langer zijn dan λc, worden vergroot tot de maximaal toegestane hypothetische uitstroming van olie, mits de breedte van de zijtanks groter is dan tc.
- (4). De lengte van elke ladingtank mag niet groter zijn dan 10 meter of een van de volgende waarden, naargelang welke van deze waarden de grootste is:
- a. wanneer geen langsschot is aangebracht binnen de ladingtanks: (0.5 bi/B + 0.1) L maar niet groter dan 0,2 L
- b. wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht binnen de ladingtanks: (0.25 bi/B + 0.15) L
- c. wanneer twee of meer langsschotten zijn aangebracht binnen de ladingtanks:
- i. voor zijtanks voor lading: 0,2 L
- ii. ii. voor middentanks voor lading:
-
- indien bi/B gelijk is aan of groter is dan één vijfde: 0,2 L
-
- indien C bi/B kleiner is dan één vijfde
- -. wanneer geen langsschot op hart schip is aangebracht: (0.5 bi/B + 0.1) L
- -. wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht: (0.25 bi/B + 0.15) L
- d. „bi” is de minimumafstand van de scheepshuid tot het buitenste langsschot van de desbetreffende tank, binnenboord gemeten loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord.
- (5). Teneinde de toegestane inhoud, bepaald volgens de leden (2), (3) en (4) van dit Voorschrift, niet te overschrijden en ongeacht het type van het geïnstalleerde goedgekeurde systeem voor het overpompen van lading, dienen, wanneer dit systeem twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt, afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen te worden aangebracht ter onderlinge scheiding van de tanks. Deze afsluiters of afsluitmiddelen dienen gesloten te zijn wanneer het tankschip zich op zee bevindt.
- (6). Pijpleidingen die door ladingtanks lopen, en die zich op een kleinere afstand dan tc van de scheepshuid of op een geringere hoogte dan vc van de bodem bevinden, dienen voor elke ladingtank waarin zich een open zuigeinde bevindt en ter plaatse waar de leiding de tank binnentreedt te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen. De afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tanks olie bevatten, met dien verstande dat zij mogen worden geopend voor het overpompen van lading, doch uitsluitend wanneer dat nodig is voor het vertrimmen van het schip.
Voorschrift 25. Waterdichte indeling en stabiliteit
- (1). Elk nieuw olietankschip dient na de aangenomen schade in de zijde of aan het vlak van het schip, zoals aangegeven in lid (2) van dit Voorschrift, te voldoen aan de criteria betreffende de waterdichte indeling en de stabiliteit van het schip in beschadigde toestand zoals aangegeven in lid (3) van dit Voorschrift. Het bovenstaande is van toepassing op elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang die voortvloeit uit een gedeeltelijke of volledige belading van het schip in overeenstemming met de toelaatbare trim en sterkte van het schip alsmede uit de soortelijke gewichten van de lading. De beschadiging dient op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip als volgt te worden aangenomen:
- (a). bij tankschepen met een lengte van meer dan 225 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip;
- (b). bij tankschepen met een lengte van meer dan 150 meter, maar niet meer dan 225 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip, behalve ter plaatse van de schotten die de in het achterschip gelegen machinekamer begrenzen. De machinekamer dient te worden beschouwd als een afzonderlijke afdeling die lek kan worden;
- (c). bij tankschepen met een lengte van niet meer dan 150 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip tussen aangrenzende dwarsschotten, met uitzondering van de machinekamer. In het geval van tankschepen met een lengte van 100 meter of minder, waarbij het niet mogelijk is om aan alle bepalingen van lid (3) van dit Voorschrift te voldoen, zonder daarbij in feite afbreuk te doen aan de bedrijfshoedanigheden van het schip, kan de Administratie een verzachting van deze bepalingen toestaan. Ballasttoestanden, waarbij het tankschip geen olie behalve olieresiduen, in ladingtanks vervoert, blijven buiten beschouwing.
- (2). De volgende bepalingen met betrekking tot de omvang en de aard van de veronderstelde schade zijn van toepassing:
- (a). de omvang van de schade in de zijde of aan het vlak van het schip moet worden aangenomen zoals omschreven in Voorschrift 22 van deze Bijlage, met dien verstande dat de lengte waarover de schade aan het vlak van het schip zich uitstrekt binnen 0,3 L uit de voorloodlijn gelijk zal zijn aan die bij schade in de zijde van het schip, zoals bedoeld in Voorschrift 22, (1) (a) (i). Indien een beschadiging van kleinere omvang een ernstige situatie ten gevolge heeft, moet een dergelijke beschadiging worden aangenomen.
- (b). In gevallen waarin beschadiging aan dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in lid (1) (a) en (b) van dit Voorschrift, dienen waterdichte dwarsschotten teneinde als doelmatig te kunnen worden beschouwd te worden geplaatst op een onderlinge afstand, die ten minste gelijk is aan de lengte waarover de veronderstelde beschadiging, zoals bedoeld onder (a) van dit lid, zich uitstrekt. In gevallen waarin de dwarsschotten op een kleinere onderlinge afstand zijn geplaatst, worden binnen het beschadigde gedeelte een of meer van deze schotten geacht niet aanwezig te zijn bij het vaststellen van afdelingen die vol kunnen lopen.
- (c). In gevallen waarin beschadiging tussen aangrenzende waterdichte dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in paragraaf (1), letter (c) van dit Voorschrift, wordt aangenomen dat een hoofddwarsschot of een dwarsschot dat de afscheiding vormt tussen zijtanks of dubbele bodemtanks niet beschadigd is, tenzij:
- (i). de aangrenzende schotten dichter bij elkaar zijn geplaatst dan de lengte waarover de veronderstelde beschadiging zich uitstrekt, zoals bedoeld in letter (a) van deze paragraaf, of
- (ii). in een schot een nis is aangebracht of een schot trapsgewijs verspringt waarbij de lengte van de nis dan wel de afstand van de dwarsvlakken van trapsgewijs verspringende schotten meer bedraagt dan 3,05 m binnen het gebied van de veronderstelde beschadiging. De trapsgewijze verspringing van het achterpiekschot en de top van de achterpiektank wordt voor de toepassing van de bepalingen van dit Voorschrift niet als zodanig beschouwd.
- (d). Indien zich binnen het gebied van de veronderstelde beschadiging pijpleidingen, kokers of tunnels bevinden, dienen voorzieningen te worden getroffen om te voorkomen dat binnenstromend water niet via deze kanalen verder kan doordringen naar andere afdelingen dan ie, welke in alle gevallen van schade worden geacht vol te lopen.
- (3). Olietankschepen worden geacht te voldoen aan de criteria betreffende de stabiliteit van het schip in beschadigde toestand, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- (a). De waterlijn in de eindtoestand, rekening houdend met inzinken, slagzij en trim, dient niet hoger te zijn dan de onderrand van alle openingen waardoor binnenstromend water verder in het schip n doordringen. Onder deze openingen worden begrepen luchtpijpen en andere openingen die worden afgesloten met waterdichte deuren en luiken; niet hieronder begrepen zijn mangaten en verzonken stortranden die zijn afgesloten door waterdichte deksels, kleine luikhoofden die zijn afgesloten door waterdichte, van pakking voorziene deksels ter handhaving van de hoge mate van waterdichtheid van het dek, op afstand bediende waterdichte schuifdeuren, alsmede vaste lichtranden.
- (b). In de eindtoestand na het vollopen mag de slagzij, ten gevolge van onsymmetrisch vollopen, niet groter zijn dan 25 graden. Indien geen deel van het dek is ondergedompeld kan een slagzij van niet meer dan 30° worden aanvaard.
- (c). De stabiliteit in de eindtoestand na vollopen kan als voldoende worden beschouwd indien de kromme van statische armen een minimum bereik heeft van 20 graden voorbij de evenwichtspositie, tezamen met een overgebleven statische arm van ten minste 0,1 meter. De Administratie dient rekening te houden met het mogelijke gevaar, opgeleverd door beveiligde of onbeveiligde openingen die binnen het bovengenoemde bereik van de kromme van statische armen tijdelijk kunnen worden ondergedompeld.
- (d). Er dient ten genoegen van de Administratie te worden aangetoond dat de stabiliteit tijdens het vollopen steeds voldoende is.
- (4). Er dient met berekeningen te worden aangetoond dat aan het bepaalde in paragraaf (1) van dit Voorschrift wordt voldaan. Hierbij moet rekening worden gehouden met de ontwerpeigenschappen van het schip, de indeling, ligging en inhoud van de beschadigde afdelingen, alsmede met de verdeling, het soortelijk gewicht en de invloed van de vrije vloeistofoppervlakken. Bij de berekeningen moet worden uitgegaan van de volgende aannamen:
- (a). er moet rekening worden gehouden met alle lege of gedeeltelijk gevulde tanks, het soortelijk gewicht van de vervoerde lading, alsmede met elke uitstroming van vloeistoffen uit beschadigde afdelingen.
- (b). De volgende permeabiliteiten moeten worden toegepast: ) welke van de twee de ongunstigste invloed heeft; *) de permeabiliteit van gedeeltelijk gevulde afdelingen dient in overeenstemming te zijn met de hoeveelheid vloeistof die wordt vervoerd.
| ruimten | permeabiliteit |
|---|---|
| bestemd voor voorraden | 0,60 |
| ingenomen door verblijven | 0,95 |
| ingenomen door machines | 0,85 |
| lege ruimten | 0,95 |
| bestemd voor verbruiksvloeistoffen | 0 of 0,95 *) |
| bestemd voor andere vloeistoffen | 0-0,95 **) |
- (c). Het drijfvermogen van een bovenbouw die zich onmiddellijk boven de beschadigde plaats in de zijde van het schip bevindt, dient buiten beschouwing te worden gelaten. De niet volgelopen gedeelten van de bovenbouwen die buiten het beschadigde gedeelte vallen, kunnen echter wel in de beschouwing worden betrokken, mits zij van het beschadigde gedeelte worden gescheiden door waterdichte schotten en aan de bepalingen van paragraaf (3), letter (a), van dit Voorschrift met betrekking tot deze onbeschadigde ruimten is voldaan. In waterdichte schotten binnen de bovenbouw zijn waterdichte scharnierende deuren toelaatbaar.
- (d). De invloed van vrije vloeistofoppervlakken dient voor elke afdeling afzonderlijk te worden berekend bij een slagzij van 5 graden. De Administratie kan eisen dan wel toestaan dat de invloed van vrije vloeistofoppervlakken in gedeeltelijk gevulde tanks wordt berekend bij een slagzij van meer dan 5 graden.
- (e). Bij het berekenen van de invloed van vrije vloeistofoppervlakn van verbruikersvloeistoffen dient te worden aangenomen dat, voor elk soort vloeistof, ten minste twee dwarsscheeps naast elkaar gelegen tanks of een middentank een vrij vloeistofoppervlak hebben; rekening dient te worden gehouden met de tank of combinatie van tanks waar de invloed van het vrije vloeistofoppervlak het grootst is.
- (5). Aan de kapitein van elk olietankschip en aan de verantwoordelijke persoon van een olietankschip zonder eigen voortstuwing waarop deze Bijlage van toepassing is, dienen voldoende goedgekeurde gegevens ter beschikking te worden gesteld die de volgende informatie verschaffen:
- (a). gegevens betreffende het innemen en verdelen van de lading die benodigd zijn om ervoor te zorgen dat aan het bepaalde in dit Voorschrift wordt voldaan en
- (b). gegevens omtrent het vermogen van het schip om te voldoen aan de criteria betreffende de stabiliteit van het schip in beschadigde toestand zoals vastgesteld in dit Voorschrift, alsmede gegevens betreffende de gevolgen van verlichtingen die eventueel zijn toegestaan ingevolge het bepaalde in paragraaf (1), letter (c) van dit Voorschrift.
Voorschrift 25A. Stabiliteit in onbeschadigde toestand
(1). Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 tonmassa of meer:
- a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of
- b. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 augustus 1999; of
- c. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 februari 2002; of
- d. die een ingrijpende verbouwing hebben ondergaan:
- i. waarvoor het contract is afgesloten na 1 februari 1999; of
- ii. waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen na 1 augustus 1999; of
- iii. die is voltooid na 1 februari 2002.
(2). Elk olietankschip dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven onder a en b van dit lid, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van vracht en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.
- a. In de haven mag de aanvankelijke metacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, niet minder dan 0,15 m bedragen;
- b. Op zee zijn de volgende criteria van toepassing:
- i. het gebied onder de stabiliteitskromme (GZ-curve) dient niet kleiner te zijn dan 0,055 meterradiaal tot een hellingshoek van θ = 30° en niet minder dan 0,09 meterradiaal tot θ = 40° of een andere overstromingshoek θf*θf is de hellingshoek waarbij openingen in de scheepsromp, bovenbouwen of dekhuizen die niet waterdicht kunnen worden afgesloten, onder de waterspiegel komen. Bij toepassing van dit criterium behoeven kleine openingen waardoor niet voortdurend meer water kan binnenstromen niet als open te worden beschouwd., indien deze hoek kleiner is dan 40°. Voorts dient het gebied onder de stabiliteitskromme(GZ-curve) tussen de hellingshoeken van 30° en 40° of tussen 30° en θf, indien deze hoek kleiner is dan 40°, niet minder te zijn dan 0,03 meterradiaal;
- ii. de stabiliteitsarm GZ dient ten minste 0,20 m te zijn bij een hellingshoek gelijk aan of groter dan 30°;
- iii. de maximum stabiliteitsarm dient op te treden bij een hellingshoek van bij voorkeur meer dan 30° maar niet minder dan 25°; en
- (iv). de aanvangsmetacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, dient niet minder dan 0,15 m te zijn.
(3). Aan de vereisten van het tweede lid dient te worden voldaan door middel van maatregelen ten aanzien van het ontwerp. Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende werkprocedures worden toegestaan.
(4). Onder eenvoudige aanvullende werkprocedures voor de verplaatsing van vloeistoffen als bedoeld in het derde lid wordt verstaan schriftelijke procedures die ter beschikking worden gesteld van de kapitein en die:
- a. worden goedgekeurd door de Administratie;
- b. de lading- en ballasttanks aangeven die, onder specifieke omstandigheden bij de verplaatsing van vloeistoffen en mogelijke variaties in ladingsdichtheden, gedeeltelijk gevuld mogen zijn, en het toch mogelijk maken te voldoen aan de stabiliteitscriteria. De gedeeltelijk gevulde tanks kunnen in samenstelling variëren tijdens de verplaatsing van vloeistoffen en in elke combinatie voorkomen mits zij voldoen aan de criteria;
- c. gemakkelijk te begrijpen zijn voor de officier die verantwoordelijk is voor de verplaatsing van vloeistoffen;
- d. geschikt zijn voor de geplande opeenvolging van vracht- en ballastverplaatsingen;
- e. vergelijkingen mogelijk maken tussen de bereikte en de vereiste stabiliteit met behulp van stabiliteitsprestatiecriteria in grafische of tabelvorm;
- f. geen uitgebreide wiskundige berekeningen door de dienstdoende officier vereisen;
- g. voorzien in corrigerende handelingen door de dienstdoende officier te verrichten in geval van afwijking van de aanbevolen waarden en in noodsituaties; en
- h. duidelijk weergegeven worden in het goedgekeurde trim- en stabiliteitsboekje en in het controlestation voor vracht- en ballastverplaatsingen en in alle computersoftware waarmee stabiliteitsberekeningen worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING
Voorschrift 26. Rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen
Ieder olietankschip met een bruto tonnage van 150 ton of meer en ieder ander schip, dat geen olietankschip is, met een bruto tonnage van 400 ton of meer, dient een door de Administratie goedgekeurd rampenplan voor olieverontreiniging aan boord te hebben. In het geval van schepen die voor 4 april 1993 zijn gebouwd, wordt dit vereiste 24 maanden na die datum van toepassing.
Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met Richtlijnen1)Bedoeld worden de door de Organisatie op te stellen „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor olieverontreiniging aan boord van schepen”.die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in de werktaal van de kapitein en de officieren. Het plan omvat ten minste:
- a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van olieverontreiniging, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen1)Bedoeld worden de door de Organisatie bij resolutie A.648(16) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
- b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van olieverontreiniging;
- c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van olie als gevolg van het voorval te beperken ofte beteugelen; en
- d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
In het geval van schepen waarop Voorschrift 16 van Bijlage II bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen, vereist ingevolge Voorschrift 16 van Bijlage II bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „chemicaliën-tankschip” verstaan een schip dat in de eerste plaats is gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen met inbegrip van een „olietankschip”, zoals omschreven in Bijlage I van dit Verdrag, ingeval hiermede een gehele of gedeeltelijke lading schadelijke vloeistoffen in bulk wordt vervoerd;
- (2). wordt onder „schone ballast” verstaan ballast in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd, die een stof bevatte van de categorie A, B, C of D, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven restanten zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage;
- (3). wordt onder „gescheiden ballast” verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstof oliesysteem;
- (4). wordt onder „dichtstbijzijnde land” verstaan hetgeen is omschreven in Voorschrift 1 (9) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (5). wordt onder „vloeistoffen” verstaan vloeistoffen met een dampdruk van niet meer dan 2,8 kg/cm2 bij een temperatuur van 37,8 graden Celsius;
- (6). wordt onder „schadelijke vloeistof” verstaan alle vloeistoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage, of die ingevolge de bepalingen van Voorschrift 3(4) voorlopig zijn ingedeeld in categorie A, B, C of D.
- (7). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer in dat gebied, het volgen van bijzondere voorgeschreven methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen wordt vereist; Bijzondere gebieden zijn:
- a. het Oostzeegebied,
- b. het Zwarte-Zeegebied en
- c. het Antarctisch gebied.
- (8). wordt onder „het Baltische-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (b) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (9). wordt onder „het Zwarte-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (c) van Bijlage I van dit Verdrag.
- (9A). wordt onder „het Antarctisch gebied” verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (10). Onder „Internationale Code voor het vervoer van chemicaliën in bulk” wordt verstaan: de „Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 19(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (11). Onder „Bulk chemicaliën Code” wordt verstaan: de „Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën in bulk vervoeren”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 20(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (12). Onder „schip gebouwd” wordt verstaan: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntanker, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntanker die gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- (a). het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- (b). met betrekking tot het schip is krachtens de „Bulk Chemicaliën Code” een certificaat afgegeven voor het uitsluitende vervoer van die produkten welke door de Code zijn aangemerkt als stoffen die alleen kans op verontreiniging opleveren.
- (13). Onder „soortgelijk stadium van aanbouw” wordt verstaan: het stadium waarin:
- (a). de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- (b). met de samenbouw van dit schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, welke van deze twee de laagste is.
- (14). ,Verjaardatum’ betekent de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de vervaldatum van het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk.
Voorschrift 2. Toepassing
- (1). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren.
- (2). Wanneer een lading, waarvoor de bepalingen gelden van Bijlage I van dit Verdrag, in de laadruimte van een chemicaliën-tankschip wordt vervoerd, gelden tevens de desbetreffende voorschriften van Bijlage I van dit Verdrag.
- (3). Voorschrift 13 van deze Bijlage is alleen van toepassing op schepen waarin stoffen worden vervoerd die ingedeeld zijn in de categorieën A, B of C, met het doel het lozen daarvan te beheersen.
- (4). Voor schepen die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd, zijn de bepalingen van Voorschrift 5 van deze Bijlage met betrekking tot de eis inzake lozing onder de waterlijn en maximumconcentratie in de volgstroom van het schip met ingang van 1 januari 1988 van toepassing.
- (5). De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door Voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
- (6). De Administratie die krachtens het bepaalde in lid (5) van dit Voorschrift het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage zijn voorgeschreven, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan, waarna de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
- (7).
- a. Indien een wijziging van deze Bijlage en van de IBC-Code en de Bulk Chemical Code veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd voor de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald, met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.1)Verwezen wordt naar de Richtlijnen voor de toepassing van wijzigingen van de lijst van stoffen in Bijlage II bij MARPOL 73/78 en de IBC-Code en de BCH-Code met betrekking tot verontreinigingsrisico's, goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu en bekendgemaakt in MEPC/Circ. 266.
- b. De Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de vervoerde ladingen, de handelstak waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen.
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
- (1). Voor de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- (a). Categorie A - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een groot gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van strikte maatregelen Ier voorkoming van verontreiniging.
- (b). Categorie B - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van bijzondere maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.
- (c). Categorie C - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een gering gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die geringe schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een bijzondere behandeling vereisen.
- (d). Categorie D - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een waarneembaar gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of minimale schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve enige aandacht bij de behandeling ervan vergen.
- (2). Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in Aanhangsel I van deze Bijlage.
- (3). Naar de in bulk vervoerde en tot nu toe in categorieën ingedeelde schadelijke vloeistoffen waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- (4). Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge paragraaf (1) van dit Voorschrift of die niet is beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige beoordeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in paragraaf (2) van dit Voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, wordt de stof vervoerd onder de strengste van de voorgestelde voorwaarden. Zo spoedig mogelijk, doch niet later dan negentig dagen na het eerste vervoer, stelt de Administratie de Organisatie daarvan in kennis en verschaft zij nadere bijzonderheden over de stof en voorlopige beoordeling ter onverwijlde toezending aan alle Partijen te hunner inlichting en overweging. De Regering van elke Partij heeft negentig dagen daaraanvolgend de tijd om haar opmerkingen aan de Organisatie toe te zenden, met betrekking tot de beoordeling van de stof.
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
- (1). De stoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage zijn beoordeeld, en hierbij is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie A, B, C of D, zoals omschreven in Voorschrift 3(1) van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast.
- (2). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere restanten of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (3). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen
Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (1). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,1 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,01 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd, indien ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (2). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (3). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 10 delen per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (4). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie D zoals bedoeld in Voorschrift 3 (1) (d) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). deze mengsels hebben een concentratie die niet groter is dan een deel stof op tien delen water; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (5). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (1), (2), (3) of (4) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (6). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn ingedeeld, of niet zijn ingedeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Stoffen van de categorieën A, B en C, binnen bijzondere gebieden Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (7). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, waarvoor de Staten wier grondgebied aan het bijzondere gebied grenst, zorg moeten dragen ingevolge het bepaalde in Voorschrift 7 van deze Bijlage, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,05 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,005 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, mag in zee worden geloosd, wanneer ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan.
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (8). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). de tank heeft een voorwas ondergaan overeenkomstig de methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het aldus ontstane tankwaswater is afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (b). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (c). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen en schoonmaken zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende hoeveelheid vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (9). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (10). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (7), (8) of (9) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (11). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn beoordeeld, of niet zijn beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die deze stoffen bevatten.
- (12). Niets in dit Voorschrift zal verhinderen dat een schip de restanten van een lading van klasse B of C aan boord houdt en deze restanten in zee loost buiten een bijzonder gebied ingevolge het bepaalde in onderscheidenlijk paragraaf (2) of (3) van dit Voorschrift.
- (13).
- (a). De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied moeten tezamen een datum overeenkomen vóór welke aan het bepaalde in Voorschrift 7 (1) van deze Bijlage dient te zijn voldaan en waarop het bepaalde in de paragrafen (7), (8), (9) en (10) van dit Voorschrift met betrekking tot dat gebied van kracht wordt en zij moeten de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie moet alle Partijen onverwijld in kennis stellen van die datum.
- (b). Ingeval de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag eerder valt dan de datum, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) van deze paragraaf, zal gedurende de tussenliggende termijn het bepaalde in de paragrafen (1), (2) en (3) van dit Voorschrift van toepassing zijn.
-
- Wat het Antarctisch gebied betreft, zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten verboden.
Voorschrift 5A. Pompen, pijpleidingen en voorzieningen voor het lossen
(1). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat bij elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 0,1 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.
- (a). Behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid dient elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd, voorzien te zijn van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat bij elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 0,3 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de zuigopening van deze tank.
- (b). Tot 2 oktober 1994 dienen de in letter (a) van dit lid bedoelde schepen, indien deze niet voldoen aan de in deze letter gestelde eisen, ten minste te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen en door rekening te houden met het restant op de tankoppervlakken, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 1 kubieke meter of 1/3000 van de tankinhoud in kubieke meters, welke van deze hoeveelheden het grootst is, is achtergebleven in deze tank en in de daarmee verbonden pijpleidingen.
(3). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie C, geen restanten van meer dan 0,3 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.
- (a). Behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, dient elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd, te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie C, geen restanten van meer dan 0,9 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de zuigopening van deze tank.
- (b). Tot 2 oktober 1994 dienen de in letter (a) van dit lid bedoelde schepen, indien deze niet voldoen aan de in deze letter gestelde eisen, ten minste te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen en door rekening te houden met het restant op de tank oppervlakken, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van categorie C geen restanten van meer dan 3 kubieke meter of 1/1000 van de tankinhoud in kubieke meters, welke van deze hoeveelheden het grootst is, is achtergebleven in deze tank en in de daarmee verbonden pijpleidingen.
(5). De in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde omstandigheden voor het pompen dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op de door de Organisatie opgestelde normen. Bij de in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde pomprendementsproeven dient water als beproevingsmiddel te worden gebruikt en de proeven dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen. De restanten op de oppervlakken van de ladingtanks, zoals bedoeld in de leden (2)(b) en (4)(b) van dit Voorschrift, worden bepaald aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen.
- (a). Behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid zijn de bepalingen van de leden (2) en (4) van dit Voorschrift niet van toepassing op een schip dat voor 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- (i). havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- (ii). havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
- (b). Het bepaalde in letter (a) van dit lid is slechts van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd, mits:
- (i). elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van Categorie B of C bevat, moet worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (ii). het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- (iii). de toereikendheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- (iv). in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie meedeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- (v). op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste Certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
(7). Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of door het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het ontwerp, de bouw en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- (b). vloeistof, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de toereikendheid door de Administratie is verzekerd;
- (c). in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste Certificaat wordt het volgende aangetekend:
- (i). dat in elke ladingtank slechts één met name genoemde stof mag worden vervoerd; en
- (ii). de bijzonderheden omtrent de vrijstelling;
- (d). aan boord van het schip is een geschikt en door de Administratie goedgekeurd handboek voor de bedrijfsvoering aanwezig; en
- (e). in het geval van schepen die reizen maken naar havens of losen laadplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie meedeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na optreden van de beschadiging of na het ontdekken van het lozen alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of zo gering mogelijk te doen zijn; en
- (ii). behalve in geval de eigenaar of de kapitein handelde met het voornemen schade te veroorzaken, dan wel op roekeloze wijze en in de wetenschap, dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, welke zijn goedgekeurd door de Administratie, indien dit gebeurt ter bestrijding van bepaalde gevallen van verontreiniging ten einde de schade door de verontreiniging te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied wordt overwogen de lozing te laten plaatsvinden.
Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- (a). laad- en loshavens en overslagplaatsen moeten zijn uitgerust met inrichtingen, toereikend om – zonder onnodig oponthoud voor schepen – die schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels in ontvangst te nemen, welke voor afgifte door schepen die deze vervoeren zouden overblijven ten gevolge van de toepassing van deze Bijlage; en
- (b). scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan chemicaliëntankschepen worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor het in ontvangst nemen van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels.
- (2). De Regering van elke Partij moet de soorten van inrichtingen bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder (1) van dit Voorschrift, in elke laad- en loshaven, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de Organisatie daarvan in kennis stellen.
- (3). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
- (4). Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid (3) van dit Voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
- (a). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit Voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
- (b). De gezagvoerder van een schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert, zorgt ervoor dat het bepaalde in Voorschrift 5 en in dit Voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dit Voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- (c). Een in lid (2)(b), (5)(b), (6)(c) of (7)(c) van dit Voorschrift bedoelde vrijstelling kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke vrijstelling is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden bevestigd door de in letter (a) van dit lid bedoelde inspecteur.
(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:
- (a). Een tank die is gelost dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden schoongemaakt overeenkomstig de in lid (3) of (4) van dit Voorschrift gestelde eisen, alvorens het schip de loshaven verlaat.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid bedoelde eisen, indien zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat aan de bepalingen van lid (3) of (4) van dit Voorschrift wordt voldaan in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.
(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:
- (a). de tank een voorwas heeft ondergaan overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen; en
- (b). de in lid (1)(a) bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- (i). de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- (ii). de voorwas is uitgevoerd overeenkomstig de door de Administratie goedgekeurde voorwasprocedure voor deze tank en deze stof; en
- (iii). het tankwaswater, afkomstig van deze yoorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is.
(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden voorgewassen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) of (3) van deze Bijlage in zee mag worden geloosd in het geval van stoffen van respectievelijk categorie B en C; of
- (ii). het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden voor het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een werkwijze die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en dat het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c), aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat. De gebruikte voorwasmethode dient te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, terwijl het verkregen tankwaswater dient te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening in de loshaven.
- (b). De in lettter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). bij de geloste stof van categorie B geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd buiten de bijzondere gebieden krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage, en de restanten aan boord van het schip worden gehouden ten einde op een later tijdstip in zee te worden geloosd buiten het bijzondere gebied overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en gebaseerd is op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiémethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:
- (a). een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c) van deze paragraaf, aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, ten gevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(9) van deze Bijlage; of
- (ii). het lossen niet geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). De in letter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens normen opgesteld door de Organisatie ten gevolge waarvan de resthoeveelheid niet groter is dan de maximale hoeveelheid die buiten de bijzondere gebieden in zee mag.worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage en de restanten worden aan boord van het schip gehouden, ten einde op een later tijdstip buiten het bijzondere gebied in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in paragraaf (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde nonnen.
(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.
(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.
Voorschrift 9. Ladingjournaal
- (1). Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in Aanhangsel IV bij deze Bijlage.
- (2). Het Ladingjournaal dient te worden ingevuld, voor elke tank afzonderlijk, telkens wanneer een van de volgende handelingen, die een schadelijke vloeistof betreft, aan boord van het schip plaatsvindt:
- (i). het innemen van lading
- (ii). het aan boord overbrengen van lading
- (iii). het lossen van lading
- (iv). het schoonmaken van ladingtanks
- (v). het ballasten van ladingtanks
- (vi). het lozen van ballastwater uit ladingtanks
- (vii). het afgeven van restanten aan ontvangstvoorzieningen
- (viii). het lozen in zee of het verwijderen door ventilatie, overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
- (3). Van elk lozen zoals bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag en in Voorschrift 6 van deze Bijlage, hetzij opzettelijk, hetzij toevallig, van een schadelijke vloeistof of van een mengsel dat een dergelijke stof bevat, dient aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- (4). Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij dit Verdrag tot toezicht op alle handelingen waarop deze Bijlage van toepassing is, een schip heeft geinspecteerd, dient deze inspecteur daarvan aantekening te doen in het Ladingjournaal.
- (5). Elke handeling zoals bedoeld in de leden (2) en (3) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden aangetekend in het Ladingjournaal, en wel zodanig dat alle in het dagboek vereiste aantekeningen, die betrekking hebben op die handeling, volledig worden ingeschreven. Elke aantekening dient te worden ondertekend door de officier of officieren belast met de betrokken handeling en dient elke bladzijde door de kapitein van het schip te worden getekend. De aantekeningen in het Ladingjournaal worden gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren en, voor schepen die in het bezit zijn van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in Bulk of een in Voorschrift 12A van deze Bijlage bedoeld Certificaat, in de Engelse of de Franse taal. In geval van geschil of tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, bepalend.
- (6). Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, derhalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het dient gedurende een termijn van drie jaren na dagtekening van de laatste aantekening te worden bewaard.
- (7). De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, zal bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 10. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- a. Een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen, voor zover het schip valt onder deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer Voorschrift 12, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het derde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het derde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
- 2.
- a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
- b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
- i. reparaties aan een schip te verlangen; en
- ii. onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie beslist dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
- d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
- 3.
- a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
- c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 10 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
- 3.
- a. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- b. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- c. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het zal dezelfde waarde hebben en het moet op dezelfde wijze worden erkend als een Certificaat dat is afgegeven krachtens het eerste lid van dit Voorschrift.
- d. Er wordt geen Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel V van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
-
- Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene milieu blijft een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 10, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 10 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 10, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 10, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 10, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 12A. Onderzoek van en afgifte van een Certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een Certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de „Internationale chemicaliën Code” of de „Bulk chemicaliën code”, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de Voorschriften 10, 11 en 12 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde Voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven Certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat.
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval
(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.
(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.
(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:
- (a). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.2 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren:
- (b). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.3 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, met dien verstande dat voor schepen van minder dan 1600 brutoregisterton de bepalingen van de Code met betrekking tot de bouw en de uitrusting uiterlijk 1 juli 1994 van kracht worden.
(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.
Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen
Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip voldoet aan de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag, voor zover deze van toepassing zijn op de in deze Bijlage omschreven produkttankschepen;
- (b). ten behoeve van het schip is een „Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging” met bijbehorend Supplement B afgegeven en dit Certificaat is voorzien van de aantekening dat het schip olieachtige stoffen mag vervoeren in overeenstemming met het bepaalde in dit Voorschrift, terwijl deze aantekening tevens een opsomming bevat van de olieachtige stoffen die het schip mag vervoeren;
- (c). in het geval van stoffen van categorie C voldoet het schip aan de eisen betreffende de lekstabiliteit van scheepstype 3 van
- (i). de „Internationale Chemicaliën Code” in het geval van een schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd; of
- (ii). de „Bulk chemicaliën Code”, voor zover van toepassing krachtens het bepaalde in Voorschrift 13 van deze Bijlage, in het geval van een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd; en
- (d). de oliegehaltemeter in het bewakings- en regelsysteem van het schip voor olielozingen wordt door de Administratie goedgekeurd voor gebruik bij de controle van de te vervoeren olieachtige stoffen.
Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een brutotonnage van 150 ton of meer bestemd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben. Dit vereiste is uiterlijk 1 januari 2003 van toepassing op al deze schepen.
-
- Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de Richtlijnen*Verwezen wordt naar de „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor verontreiniging door olie en/of schadelijke vloeistoffen aan boord van schepen”. die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen**Verwezen wordt naar de door de Organisatie bij resolutie A.851(20) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
- b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor olieverontreiniging dat vereist is ingevolge Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee."
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- 1.1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als de zee verontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
- 1.2. Richtlijnen voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm worden gegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage.
- 1.3. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.
De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.
Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).
Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.
De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.
Voorschrift 5. Stuwage
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
-
- Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1 de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2 het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
- .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
- .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
-
- Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
-
- Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 13H. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als vracht vervoeren
-
- Dit Voorschrift is:
- a. van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer die zware oliesoorten als vracht vervoeren, ongeacht hun datum van oplevering; en
- b. niet van toepassing op onder onderdeel a hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F, derde lid, onderdelen a en b of aan 13F, vierde lid, of aan 13F, vijfde lid, van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimumafstanden tussen begrenzingen van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan Voorschrift 13E, vierde lid, onderdeel b, van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit Voorschrift wordt onder ‘zware oliesoorten’ elk van de volgende soorten verstaan:
- a. ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3;
- b. stookolie met hetzij een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 hetzij een kinematische viscositeit bij 50° C van meer dan 180 mm2/s;
- c. bitumen, teer en emulsies daarvan.
-
- Olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is dienen, naast aan de van toepassing zijnde bepalingen van Voorschrift 13G, te voldoen aan de bepalingen van het vierde tot en met het achtste lid van dit Voorschrift.
-
- Met inachtneming van de bepalingen van het vijfde, zesde en zevende lid van dit Voorschrift, dienen olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is:
- a. met een draagvermogen van 5.000 ton of meer uiterlijk 5 april 2005 te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13F van deze Bijlage; of
- b. met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5.000 ton, uiterlijk op de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2008 te worden voorzien van zowel tanks met dubbele bodems of ruimten die voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel a, van deze Bijlage, als zijtanks of ruimten die zijn ingericht in overeenstemming met Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel a, en die voldoen aan de vereiste voor afstand wals bedoeld in Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel b.
-
- In het geval van olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer die zware oliesoorten als vracht vervoeren, die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van het eerste lid, onderdeel b, van dit Voorschrift, kan de Administratie toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- a. de schepen op 4 december 2003 in gebruik waren;
- b. ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- c. de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- d. de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering;
- 6.
- a. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton of meer dat ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 maar minder dan 945 kg/m3 als vracht vervoert, in de vaart blijft na de in het vierde lid, onderdeel a, van dit Voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de CAS-inspectie als omschreven in Voorschrift 13G, zesde lid, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- b. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5.000 ton, dat zware oliesoorten als vracht vervoert in de vaart blijft na de in het vierde lid, onderdeel b, van dit Voorschrift vermelde datum, indien dat, naar het oordeel van de Administratie, mogelijk is, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- De Administratie van een Partij bij het Verdrag kan een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer dat zware oliesoorten als vracht vervoert vrijstelling verlenen van de bepalingen van dit Voorschrift indien het olietankschip:
- a. ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder haar rechtsmacht valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder haar rechtsmacht valt; of
- b. ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, mits de Partij in het rechtsgebied waarvan het olietankschip dienst zal doen ermee instemt dat het olietankschip in een gebied onder haar rechtsmacht dienst doet.
- 8.
- a. De Administratie van een Partij bij het Verdrag die de toepassing van het vijfde, zesde of zevende lid van dit Voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat onder haar vlag mag varen, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie en met het oog op zo nodig passende maatregelen.
- b. Met inachtneming van de bepalingen van het internationale recht, heeft een Partij bij het Verdrag het recht olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van het vijfde of zesde lid van dit Voorschrift de toegang tot de havens en offshoreterminals onder haar rechtsmacht te weigeren, of de overdracht van schip tot schip van zware oliesoorten in de gebieden die onder haar rechtsmacht vallen te weigeren, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden. In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie.
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
- (1). Behalve zoals bepaald in lid (2) van dit Voorschrift, dient aan boord van nieuwe schepen anders dan olietankschepen, met een bruto tonnage van 4000 ton en meer en aan boord van nieuwe olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer, geen ballastwater in enige brandstofolietank te worden vervoerd.
- (2). Wanneer ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie mee te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in enige brandstofolietank noodzakelijk maken, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee volgens Voorschrift 9, met gebruikmaking van de uitrusting aangegeven in Voorschrift 16 (2) van deze Bijlage; hiervan dient aantekening te worden gehouden in het Oliejournaal.
- (3). Alle andere schepen dienen zich, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, te houden aan de vereisten van paragraaf (1) van dit Voorschrift.
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
- (1). Onverlet het bepaalde in lid (5) en lid (6) van dit Voorschrift worden olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer uitgerust met voorzieningen overeenkomstig de vereisten van lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, met dien verstande dat, in het geval van bestaande tankschepen, de vereisten inzake bewakings- en regelsystemen voor lozingen en voorzieningen voor sloptanks drie jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag van toepassing zullen zijn.
- (2).
- (a). Er dient te worden voorzien in toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van het verontreinigde ballastresidu en tankwaswater van de ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank. Aan boord van bestaande olietankschepen mag elke ladingtank worden bestemd als sloptank.
- (b). Hierbij dienen voorzieningen te worden aangebracht voor het overbrengen van oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks, zodanig dat elke vloeistof die in zee wordt geloosd, zal voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (c). De voorzieningen voor de sloptank of de combinatie van sloptanks dienen de nodige capaciteit te hebben om het tankwaswater ontstaan door tankwassen, alsmede de olieresiduen en verontreinigde ballastresiduen te bevatten, met dien verstande dat het totaal voor deze capaciteit niet minder dient te zijn dan 3% van het olielaadvermogen van het schip, behalve dat, waar gescheiden ballasttanks zijn aangebracht overeenkomstig Voorschrift 13 van deze Bijlage, of waar geen voorzieningen zijn aangebracht zoals eductors welke gebruik maken van water naast het tankwaswater, de Administratie 2% kan aanvaarden. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 70.000 ton dienen van ten minste twee sloptanks te zijn voorzien.
- (d). De sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaats van in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voorzover deze zijn aangebracht, dat overmatige turbulentie en het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water wordt vermeden.
- (3).
- (a). Er dient een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen te worden aangebracht. Bij beschouwing van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem moet worden opgenomen, dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen*)Zie „Aanbeveling voor internationale specificatie-eisen voor de werking van olie-waterafscheiders en oliegehaltemeters”, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.233 (VII). . Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze weergave dient aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient ten minste drie jaren te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor de olielozing dient in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in zee plaatsvindt en het dient zo te zijn ingericht dat het verzekert dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie op elk moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge Voorschrift 9, (1) (a), van deze Bijlage. Elke storing in dit bewakings- en regelsysteem dient de lozing te doen ophouden en dient te worden aangetekend in het Oliejournaal. Er dient in een andere op bediening met de hand gebaseerde methode te zijn voorzien welke gebruikt kan worden in geval van een dergelijke storing; het onklare gedeelte dient echter zo snel mogelijk weer bedrijfsklaar te worden gemaakt. De autoriteit van de Staat waarin de haven gelegen is, kan het tankschip toestaan met een onklaar gedeelte één reis in ballast te ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet. Bestaande olietankschepen dienen te voldoen aan alle hierboven omschreven bepalingen met dien verstande echter dat het stoppen van de lozing met de hand mag geschieden en de hoeveelheid geloosde olie geschat mag worden aan de hand van de pompkarakteristiek.
- (b). Er dienen door de Administratie goedgekeurde, doelmatige detectoren van het olie-waterscheidingsvlak aanwezig te zijn ten behoeve van een snelle en nauwkeurige bepaling van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks; zij dienen beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin de scheiding van olie en water tot stand komt en van waaruit men lozing rechtstreeks in zee wil doen plaatsvinden.
- (c). De richtlijnen met betrekking tot de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurde bedrijfshandleiding. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en zij dienen erop gericht te zijn te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden aangegeven in Voorschrift 9 van deze Bijlage*)Zie ook “Clean Seas Guide for Oil Tankers”, uitgegeven door de International Chamber of Shipping en het Oil Companies International Marine Forum. .
- (4). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen met een bruto tonnage van minder dan 150 ton, waarbij de naleving van de Regeling van het lozen van olie krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage plaatsvindt door middel van het aan boord houden van olie en de latere afgifte van alle verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en waswater, teruggepompt in een opslagtank, dient te worden vermeld in het Oliejournaal. Deze totale hoeveelheid dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van een vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, ten einde te verzekeren dat aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage wordt voldaan.
- (5). De Administratie kan de vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift terzijde stellen voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt zowel van een duur van 72 uur of minder als binnen een afstand van 50 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip niet in het bezit behoeft te zijn en niet in het bezit is van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie. Elke zodanige terzijdestelling dient onderworpen te zijn aan de eis dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord dient te houden ter latere afgifte aan ontvangstinrichtingen, en aan de bevinding van de Administratie, dat de beschikbare inrichtingen voor het ontvangen van deze oliehoudende mengsels toereikend zijn.
- (6). In gevallen waarin, naar het oordeel van de Organisatie, de uitrusting voor bewaking van het lozen van geraffineerde lichte produkten (witte oliën), vereist ingevolge de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) (vi) van deze Bijlage en omschreven onder (3) (a) van dit Voorschrift, niet verkrijgbaar is, kan de Administratie de verplichting tot nakoming van zulk een vereiste terzijde stellen, met dien verstande dat lozing alleen zal worden toegestaan in navolging van door de Organisatie vastgestelde procedures, die dienen te voldoen aan de voorwaarden van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, uitgezonderd de verplichting tot het in bedrijf hebben van een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen. De Organisatie zal de beschikbaarheid van uitrusting nagaan met tussenpozen van niet langer dan twaalf maanden.
- (7). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt vervoeren; de naleving van de regeling van het lozen van asfalt krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage dient te geschieden door het aan boord houden van asfaltresiduen en het afgeven van alle verontreinigd waswater aan ontvangstinrichtingen.
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.
Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.
- a. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van lid 1 en 2 van dit Voorschrift voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- i. het schip is uitgerust met een verzameltank met een voldoende inhoud, naar genoegen van de Administratie, om al het oliehoudende lenswater aan boord te houden;
- ii. al het oliehoudende lenswater wordt aan boord gehouden voor latere afgifte aan ontvangstvoorzieningen;
- iii. de Administratie heeft vastgesteld dat voldoende ontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn voor het ontvangen van dat oliehoudende lenswater in een voldoende aantal havens of plaatsen waarnaar het schip reizen maakt;
- iv. het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, indien vereist, bevat een aantekening waarin wordt verklaard dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden; en
- v. de hoeveelheid, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het Oliejournaal.
- b. De Administratie draagt er zorg voor dat schepen met een bruto-inhoud van minder dan 400 ton voor zover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust voor het aan boord houden van olie of oliehoudende mengsels of voor het lozen ervan overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9, lid 1, letter b, van deze Bijlage.
De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).
Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
- (1). Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer dient te worden uitgerust met een of meer tanks met een capaciteit die, gezien het type machines en de lengte van de reis, toereikend is voor het opvangen van olieresiduen (slik) die niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage, bijvoorbeeld residuen ontstaan bij het zuiveren van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de machineruimten.
- (2). In nieuwe schepen dienen deze tanks zo ontworpen en gebouwd te worden dat zij hun reiniging en de afgifte van residuen aan ontvangstinrichtingen vergemakkelijken. Bestaande schepen dienen voorzover redelijk en praktisch uitvoerbaar aan dit vereiste te voldoen.
- (3). Pijpleidingen naar en vanaf tanks voor slik dienen geen rechtstreekse aansluiting overboord te hebben behalve de in Voorschrift 19 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte.
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
- (1). Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een walaansluiting voor afgifte te zijn opgesteld, ter koppeling aan ontvangstinrichtingen voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water.
- (2). Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen in zee van vloeistoffen, zoals kan worden toegestaan krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de zwaarste ballasttoestand. Pijpleidingssystemen welke de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan onder lid (4) (a) en (b) van dit Voorschrift kunnen in verschillende uitvoeringen aanvaard worden.
- (3). Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing van vloeistoffen in zee vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte walaansluiting, als bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift, en de vloeistof uit de pijpleidingen, als bedoeld in lid (2) van dit Voorschrift, met het oog waarneembaar is. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien een goed werkende verbinding, zoals een telefoon- of radiosysteem, beschikbaar is tussen de waarnemingsplaats en de regelpositie voor de lozing.
- (4). Alle lozingen dienen boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
- (a). gescheiden ballast en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd in havens of bij laad- of losplaatsen buitengaats;
- (b). bestaande schepen, die niet in staat zijn zonder verbouwing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn lozen, mits een onderzoek van de tank onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat er geen verontreiniging van de ballast met olie heeft plaatsgevonden.
- (5). Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de navolgende vereisten:
- (a). het schip moet zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
- (b). voorzieningen dienen te zijn getroffen teneinde alle ladingpompen en alle ladingleidingen waar nodig na afloop van de lossing leeg te trekken door een stripping aansluiting. Het moet mogelijk zijn de stripping opbrengst zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank over te brengen. Voor lossing naar de wal moet een aparte leiding met een kleine diameter zijn aangebracht die is verbonden aan de walzijde van de afsluiters in het scheepsmanifold.
- (6). Elk bestaand olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, of aangewezen schone ballasttanks toepast moet voldoen aan de bepalingen onder b van het vijfde lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte
Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting | |
|---|---|---|
| uitwendige flensdiameter | 215 mm | |
| inwendige flensdiameter | overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp | |
| diameter van de steekcirkel der bouten | 183 mm | |
| boutgaten | 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm | |
| flensdikte | 20 mm | |
| bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte |
De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.
Voorschrift 20. Oliejournaal
- (1). Elk olietankschip met een bruto-tonnage van 150 ton en meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, moet zijn voorzien van een Oliejournaal dat, hetzij als onderdeel van het scheepsdagboek, hetzij anderszins, moet zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (2). Het Oliejournaal dient, voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
- (a). Voor olietankschepen:
- (i). het laden van olie;
- (ii). het overbrengen van olie van de ene tank naar de andere gedurende de reis;
- (iii). het openen of sluiten, voor of na het laden of lossen, van afsluiters of soortgelijke inrichtingen die ladingtanks onderling verbinden;
- (iv). het openen of sluiten van verbindingen tussen lading- en ballastleidingen;
- (v). het openen of sluiten van overboordafsluiters, tijdens en na laden en lossen;
- (vi). het lossen van lading;
- (vii). het ballasten van ladingtanks;
- (viii). het schoonmaken van ladingtanks;
- (ix). het lozen van ballast, behalve vanuit gescheiden ballasttanks;
- (x). het lozen van water uit sloptanks;
- (xi). het verwijderen van residuen;
- (xii). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in ruimten voor machines.
- (b). Voor schepen, geen olietankschepen zijnde:
- (i). het ballasten of schoonmaken van brandstofolietanks of olielaadruimten;
- (ii). het lozen van ballastwater of waswater uit tanks bedoeld onder (i) van dit lid;
- (iii). het verwijderen van residuen;
- (iv). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in de ruimten voor machines.
- (3). In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in Voorschrift 11 van deze Bijlage of in geval van toevallige of andere buitengewone lozing van olie die niet als uitzondering geldt volgens voornoemd Voorschrift, dient melding in het Oliejournaal te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
- (4). Elke handeling beschreven in paragraaf (2) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elk deel van het journaal moet door de officier of officieren, belast met de betreffende handelingen, worden ondertekend en door de gezagvoerder worden gewaarmerkt. De aantekeningen in het Oliejournaal dienen in een officiële taal van de Staat welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, te worden gesteld, en voor schepen in het bezit van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, in de Engelse of Franse taal. In geval van een geschil of een tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van het land welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, bepalend.
- (5). Het Oliejournaal moet op een plaats worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip spoedig beschikbaar is voor raadpleging en het dient, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord te worden bewaard. Het journaal moet gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening worden bewaard.
- (6). De bevoegde instantie van de regering van een Verdragsstaat heeft het recht het Oliejournaal te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP
HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „chemicaliën-tankschip” verstaan een schip dat in de eerste plaats is gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen met inbegrip van een „olietankschip”, zoals omschreven in Bijlage I van dit Verdrag, ingeval hiermede een gehele of gedeeltelijke lading schadelijke vloeistoffen in bulk wordt vervoerd;
- (2). wordt onder „schone ballast” verstaan ballast in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd, die een stof bevatte van de categorie A, B, C of D, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven restanten zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage;
- (3). wordt onder „gescheiden ballast” verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstof oliesysteem;
- (4). wordt onder „dichtstbijzijnde land” verstaan hetgeen is omschreven in Voorschrift 1 (9) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (5). wordt onder „vloeistoffen” verstaan vloeistoffen met een dampdruk van niet meer dan 2,8 kg/cm2 bij een temperatuur van 37,8 graden Celsius;
- (6). wordt onder „schadelijke vloeistof” verstaan alle vloeistoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage, of die ingevolge de bepalingen van Voorschrift 3(4) voorlopig zijn ingedeeld in categorie A, B, C of D.
- (7). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer in dat gebied, het volgen van bijzondere voorgeschreven methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen wordt vereist; Bijzondere gebieden zijn:
- a. het Oostzeegebied,
- b. het Zwarte-Zeegebied en
- c. het Antarctisch gebied.
- (8). wordt onder „het Baltische-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (b) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (9). wordt onder „het Zwarte-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (c) van Bijlage I van dit Verdrag.
- (9A). wordt onder „het Antarctisch gebied” verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (10). Onder „Internationale Code voor het vervoer van chemicaliën in bulk” wordt verstaan: de „Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 19(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (11). Onder „Bulk chemicaliën Code” wordt verstaan: de „Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën in bulk vervoeren”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 20(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (12). Onder „schip gebouwd” wordt verstaan: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntanker, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntanker die gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- (a). het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- (b). met betrekking tot het schip is krachtens de „Bulk Chemicaliën Code” een certificaat afgegeven voor het uitsluitende vervoer van die produkten welke door de Code zijn aangemerkt als stoffen die alleen kans op verontreiniging opleveren.
- (13). Onder „soortgelijk stadium van aanbouw” wordt verstaan: het stadium waarin:
- (a). de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- (b). met de samenbouw van dit schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, welke van deze twee de laagste is.
- (14). ,Verjaardatum’ betekent de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de vervaldatum van het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk.
Voorschrift 2. Toepassing
- (1). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren.
- (2). Wanneer een lading, waarvoor de bepalingen gelden van Bijlage I van dit Verdrag, in de laadruimte van een chemicaliën-tankschip wordt vervoerd, gelden tevens de desbetreffende voorschriften van Bijlage I van dit Verdrag.
- (3). Voorschrift 13 van deze Bijlage is alleen van toepassing op schepen waarin stoffen worden vervoerd die ingedeeld zijn in de categorieën A, B of C, met het doel het lozen daarvan te beheersen.
- (4). Voor schepen die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd, zijn de bepalingen van Voorschrift 5 van deze Bijlage met betrekking tot de eis inzake lozing onder de waterlijn en maximumconcentratie in de volgstroom van het schip met ingang van 1 januari 1988 van toepassing.
- (5). De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door Voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
- (6). De Administratie die krachtens het bepaalde in lid (5) van dit Voorschrift het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage zijn voorgeschreven, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan, waarna de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
- (7).
- a. Indien een wijziging van deze Bijlage en van de IBC-Code en de Bulk Chemical Code veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd voor de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald, met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.1)Verwezen wordt naar de Richtlijnen voor de toepassing van wijzigingen van de lijst van stoffen in Bijlage II bij MARPOL 73/78 en de IBC-Code en de BCH-Code met betrekking tot verontreinigingsrisico's, goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu en bekendgemaakt in MEPC/Circ. 266.
- b. De Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de vervoerde ladingen, de handelstak waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen.
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
- (1). Voor de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- (a). Categorie A - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een groot gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van strikte maatregelen Ier voorkoming van verontreiniging.
- (b). Categorie B - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van bijzondere maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.
- (c). Categorie C - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een gering gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die geringe schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een bijzondere behandeling vereisen.
- (d). Categorie D - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een waarneembaar gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of minimale schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve enige aandacht bij de behandeling ervan vergen.
- (2). Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in Aanhangsel I van deze Bijlage.
- (3). Naar de in bulk vervoerde en tot nu toe in categorieën ingedeelde schadelijke vloeistoffen waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- (4). Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge paragraaf (1) van dit Voorschrift of die niet is beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige beoordeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in paragraaf (2) van dit Voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, wordt de stof vervoerd onder de strengste van de voorgestelde voorwaarden. Zo spoedig mogelijk, doch niet later dan negentig dagen na het eerste vervoer, stelt de Administratie de Organisatie daarvan in kennis en verschaft zij nadere bijzonderheden over de stof en voorlopige beoordeling ter onverwijlde toezending aan alle Partijen te hunner inlichting en overweging. De Regering van elke Partij heeft negentig dagen daaraanvolgend de tijd om haar opmerkingen aan de Organisatie toe te zenden, met betrekking tot de beoordeling van de stof.
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
- (1). De stoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage zijn beoordeeld, en hierbij is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie A, B, C of D, zoals omschreven in Voorschrift 3(1) van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast.
- (2). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere restanten of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (3). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen
Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (1). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,1 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,01 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd, indien ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (2). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (3). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 10 delen per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (4). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie D zoals bedoeld in Voorschrift 3 (1) (d) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). deze mengsels hebben een concentratie die niet groter is dan een deel stof op tien delen water; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (5). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (1), (2), (3) of (4) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (6). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn ingedeeld, of niet zijn ingedeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Stoffen van de categorieën A, B en C, binnen bijzondere gebieden Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (7). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, waarvoor de Staten wier grondgebied aan het bijzondere gebied grenst, zorg moeten dragen ingevolge het bepaalde in Voorschrift 7 van deze Bijlage, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,05 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,005 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, mag in zee worden geloosd, wanneer ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan.
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (8). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). de tank heeft een voorwas ondergaan overeenkomstig de methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het aldus ontstane tankwaswater is afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (b). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (c). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen en schoonmaken zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende hoeveelheid vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (9). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (10). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (7), (8) of (9) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (11). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn beoordeeld, of niet zijn beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die deze stoffen bevatten.
- (12). Niets in dit Voorschrift zal verhinderen dat een schip de restanten van een lading van klasse B of C aan boord houdt en deze restanten in zee loost buiten een bijzonder gebied ingevolge het bepaalde in onderscheidenlijk paragraaf (2) of (3) van dit Voorschrift.
- (13).
- (a). De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied moeten tezamen een datum overeenkomen vóór welke aan het bepaalde in Voorschrift 7 (1) van deze Bijlage dient te zijn voldaan en waarop het bepaalde in de paragrafen (7), (8), (9) en (10) van dit Voorschrift met betrekking tot dat gebied van kracht wordt en zij moeten de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie moet alle Partijen onverwijld in kennis stellen van die datum.
- (b). Ingeval de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag eerder valt dan de datum, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) van deze paragraaf, zal gedurende de tussenliggende termijn het bepaalde in de paragrafen (1), (2) en (3) van dit Voorschrift van toepassing zijn.
-
- Wat het Antarctisch gebied betreft, zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten verboden.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na optreden van de beschadiging of na het ontdekken van het lozen alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of zo gering mogelijk te doen zijn; en
- (ii). behalve in geval de eigenaar of de kapitein handelde met het voornemen schade te veroorzaken, dan wel op roekeloze wijze en in de wetenschap, dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, welke zijn goedgekeurd door de Administratie, indien dit gebeurt ter bestrijding van bepaalde gevallen van verontreiniging ten einde de schade door de verontreiniging te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied wordt overwogen de lozing te laten plaatsvinden.
Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- (a). laad- en loshavens en overslagplaatsen moeten zijn uitgerust met inrichtingen, toereikend om – zonder onnodig oponthoud voor schepen – die schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels in ontvangst te nemen, welke voor afgifte door schepen die deze vervoeren zouden overblijven ten gevolge van de toepassing van deze Bijlage; en
- (b). scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan chemicaliëntankschepen worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor het in ontvangst nemen van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels.
- (2). De Regering van elke Partij moet de soorten van inrichtingen bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder (1) van dit Voorschrift, in elke laad- en loshaven, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de Organisatie daarvan in kennis stellen.
- (3). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
- (4). Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid (3) van dit Voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
- (a). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit Voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
- (b). De gezagvoerder van een schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert, zorgt ervoor dat het bepaalde in Voorschrift 5 en in dit Voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dit Voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- (c). Een in lid (2)(b), (5)(b), (6)(c) of (7)(c) van dit Voorschrift bedoelde vrijstelling kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke vrijstelling is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden bevestigd door de in letter (a) van dit lid bedoelde inspecteur.
(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:
- (a). Een tank die is gelost dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden schoongemaakt overeenkomstig de in lid (3) of (4) van dit Voorschrift gestelde eisen, alvorens het schip de loshaven verlaat.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid bedoelde eisen, indien zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat aan de bepalingen van lid (3) of (4) van dit Voorschrift wordt voldaan in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.
(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:
- (a). de tank een voorwas heeft ondergaan overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen; en
- (b). de in lid (1)(a) bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- (i). de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- (ii). de voorwas is uitgevoerd overeenkomstig de door de Administratie goedgekeurde voorwasprocedure voor deze tank en deze stof; en
- (iii). het tankwaswater, afkomstig van deze yoorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is.
(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden voorgewassen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) of (3) van deze Bijlage in zee mag worden geloosd in het geval van stoffen van respectievelijk categorie B en C; of
- (ii). het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden voor het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een werkwijze die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en dat het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c), aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat. De gebruikte voorwasmethode dient te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, terwijl het verkregen tankwaswater dient te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening in de loshaven.
- (b). De in lettter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). bij de geloste stof van categorie B geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd buiten de bijzondere gebieden krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage, en de restanten aan boord van het schip worden gehouden ten einde op een later tijdstip in zee te worden geloosd buiten het bijzondere gebied overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en gebaseerd is op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiémethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:
- (a). een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c) van deze paragraaf, aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, ten gevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(9) van deze Bijlage; of
- (ii). het lossen niet geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). De in letter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens normen opgesteld door de Organisatie ten gevolge waarvan de resthoeveelheid niet groter is dan de maximale hoeveelheid die buiten de bijzondere gebieden in zee mag.worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage en de restanten worden aan boord van het schip gehouden, ten einde op een later tijdstip buiten het bijzondere gebied in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in paragraaf (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde nonnen.
(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.
(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.
Voorschrift 9. Ladingjournaal
- (1). Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in Aanhangsel IV bij deze Bijlage.
- (2). Het Ladingjournaal dient te worden ingevuld, voor elke tank afzonderlijk, telkens wanneer een van de volgende handelingen, die een schadelijke vloeistof betreft, aan boord van het schip plaatsvindt:
- (i). het innemen van lading
- (ii). het aan boord overbrengen van lading
- (iii). het lossen van lading
- (iv). het schoonmaken van ladingtanks
- (v). het ballasten van ladingtanks
- (vi). het lozen van ballastwater uit ladingtanks
- (vii). het afgeven van restanten aan ontvangstvoorzieningen
- (viii). het lozen in zee of het verwijderen door ventilatie, overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
- (3). Van elk lozen zoals bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag en in Voorschrift 6 van deze Bijlage, hetzij opzettelijk, hetzij toevallig, van een schadelijke vloeistof of van een mengsel dat een dergelijke stof bevat, dient aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- (4). Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij dit Verdrag tot toezicht op alle handelingen waarop deze Bijlage van toepassing is, een schip heeft geinspecteerd, dient deze inspecteur daarvan aantekening te doen in het Ladingjournaal.
- (5). Elke handeling zoals bedoeld in de leden (2) en (3) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden aangetekend in het Ladingjournaal, en wel zodanig dat alle in het dagboek vereiste aantekeningen, die betrekking hebben op die handeling, volledig worden ingeschreven. Elke aantekening dient te worden ondertekend door de officier of officieren belast met de betrokken handeling en dient elke bladzijde door de kapitein van het schip te worden getekend. De aantekeningen in het Ladingjournaal worden gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren en, voor schepen die in het bezit zijn van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in Bulk of een in Voorschrift 12A van deze Bijlage bedoeld Certificaat, in de Engelse of de Franse taal. In geval van geschil of tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, bepalend.
- (6). Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, derhalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het dient gedurende een termijn van drie jaren na dagtekening van de laatste aantekening te worden bewaard.
- (7). De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, zal bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 10. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- a. Een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen, voor zover het schip valt onder deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer Voorschrift 12, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het derde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het derde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
- 2.
- a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
- b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
- i. reparaties aan een schip te verlangen; en
- ii. onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie beslist dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
- d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
- 3.
- a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
- c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 10 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
- 3.
- a. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- b. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- c. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het zal dezelfde waarde hebben en het moet op dezelfde wijze worden erkend als een Certificaat dat is afgegeven krachtens het eerste lid van dit Voorschrift.
- d. Er wordt geen Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel V van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
-
- Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene milieu blijft een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 10, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 10 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 10, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 10, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 10, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval
(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.
(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.
(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:
- (a). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.2 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren:
- (b). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.3 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, met dien verstande dat voor schepen van minder dan 1600 brutoregisterton de bepalingen van de Code met betrekking tot de bouw en de uitrusting uiterlijk 1 juli 1994 van kracht worden.
(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.
Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen
Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip voldoet aan de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag, voor zover deze van toepassing zijn op de in deze Bijlage omschreven produkttankschepen;
- (b). ten behoeve van het schip is een „Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging” met bijbehorend Supplement B afgegeven en dit Certificaat is voorzien van de aantekening dat het schip olieachtige stoffen mag vervoeren in overeenstemming met het bepaalde in dit Voorschrift, terwijl deze aantekening tevens een opsomming bevat van de olieachtige stoffen die het schip mag vervoeren;
- (c). in het geval van stoffen van categorie C voldoet het schip aan de eisen betreffende de lekstabiliteit van scheepstype 3 van
- (i). de „Internationale Chemicaliën Code” in het geval van een schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd; of
- (ii). de „Bulk chemicaliën Code”, voor zover van toepassing krachtens het bepaalde in Voorschrift 13 van deze Bijlage, in het geval van een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd; en
- (d). de oliegehaltemeter in het bewakings- en regelsysteem van het schip voor olielozingen wordt door de Administratie goedgekeurd voor gebruik bij de controle van de te vervoeren olieachtige stoffen.
Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een brutotonnage van 150 ton of meer bestemd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben. Dit vereiste is uiterlijk 1 januari 2003 van toepassing op al deze schepen.
-
- Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de Richtlijnen*Verwezen wordt naar de „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor verontreiniging door olie en/of schadelijke vloeistoffen aan boord van schepen”. die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen**Verwezen wordt naar de door de Organisatie bij resolutie A.851(20) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
- b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor olieverontreiniging dat vereist is ingevolge Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee."
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- 1.1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als de zee verontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
- 1.2. Richtlijnen voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm worden gegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage.
- 1.3. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.
De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.
Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).
Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.
De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.
Voorschrift 5. Stuwage
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
-
- Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1 de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2 het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
- .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
- .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
-
- Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
-
- Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.