← Geldende tekst · Geschiedenis

Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij

Geldende tekst a fecha 2015-09-01

De Partijen bij het Verdrag,

Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder,

Erkennend dat het opzettelijk, onachtzaam, dan wel bij ongeluk, lozen van olie en andere schadelijke stoffen door schepen een ernstige bron van verontreiniging vormt,

Voorts erkennend het belang van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, als de eerste multilaterale overeenkomst die werd gesloten met de bescherming van het milieu als voornaamste oogmerk en haar waardering uitsprekende voor de belangrijke bijdrage die genoemd Verdrag heeft geleverd aan het behoeden van de zeeën en de kustgebieden voor verontreiniging,

Geleid door de wens een einde te maken aan de opzettelijke verontreiniging van het mariene milieu door olie en andere schadelijke stoffen, en de lozing bij ongeluk van dergelijke stoffen tot een minimum te beperken,

Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door het opstellen van regels met een universele strekking die niet beperkt zijn tot verontreiniging door olie,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag

(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van die Bijlagen daarbij door welke zij zijn gebonden, ter voorkoming van de verontreiniging van het mariene milieu door het lozen van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, in strijd met dit Verdrag.

(2). Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald houdt elke verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing in naar de Protocollen en Bijlagen daarbij.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald:

Artikel 3. Toepassing

(1). Dit Verdrag is van toepassing op:

(2). Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat het afbreuk doet of uitbreiding geeft aan de soevereine rechten die de Partijen krachtens internationaal recht op de aan hun kusten grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan hebben ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen.

(3). Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die, tijdelijk, uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Partij waarborgt evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen in haar eigendom of beheer niet aantasten, dat dergelijke schepen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, opereren in overeenstemming met dit Verdrag.

Artikel 4. Overtreding

(1). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding zich voordoet. Indien de Administratie van een dergelijke overtreding op de hoogte is gesteld en ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, neemt zij ten spoedigste dergelijke stappen overeenkomstig haar wetgeving.

(2). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag binnen de rechtsmacht van een Partij bij het Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van die Partij. Wanneer zich een dergelijke overtreding voordoet,

(3). In gevallen waarin de inlichtingen of het bewijsmateriaal met betrekking tot enige schending van dit Verdrag door een schip, worden verschaft aan de Administratie van dat schip, stelt de Administratie de Partij die de inlichtingen of het bewijsmateriaal heeft verschaft, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

(4). De ingevolge dit artikel krachtens de wetten van een Partij vastgestelde straffen dienen streng genoeg te zijn om schending van dit Verdrag tegen te gaan; zij dienen even streng te zijn, ongeacht het gebied waar de schending zich voordoet.

Artikel 5. Certificaten en bijzondere regels voor de inspectie van schepen

(1). Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een certificaat, afgegeven op gezag van een Partij bij het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de Voorschriften, door de overige Partijen aanvaard en voor alle doeleinden van dit Verdrag beschouwd als gelijkwaardig aan een door hen afgegeven certificaat.

(2). Een schip dat krachtens de bepalingen van de Voorschriften een dergelijk certificaat moet bezitten, is, wanneer het zich in de haven of op een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een Partij bevindt, onderworpen aan inspectie door terzake bevoegde ambtenaren van die Partij. Een dergelijke inspectie dient beperkt te blijven tot het nagaan of zich een geldig certificaat aan boord bevindt, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen, dat de staat van het schip of van zijn uitrusting niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van dat certificaat. In dat geval, of indien het schip geen geldig certificaat aan boord heeft, zal de inspecterende Partij de noodzakelijke maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat het schip niet uitvaart totdat het in staat is zee te kiezen zonder een buitensporige bedreiging te vormen voor het mariene milieu. De betrokken Partij kan echter een dergelijk schip toestemming geven de haven of de laad- of losplaats buitengaats te verlaten om naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te varen.

(3). Indien een Partij een buitenlands schip de toegang tot een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht ontzegt, dan wel maatregelen tegen een dergelijk schip neemt omdat het niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag, geeft die Partij daarvan onverwijld kennis aan de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren of, zo dit niet mogelijk is, aan de Administratie van het betrokken schip. Alvorens de toegang te ontzeggen of dergelijke stappen te ondernemen, kan de Partij verzoeken om overleg met de Administratie van het betrokken schip.

De Administratie wordt ook ingelicht indien een schip geen geldig certificaat overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften aan boord heeft.

(4). Ten aanzien van de schepen van Staten die geen Partij zijn bij het Verdrag passen de Partijen de bepalingen van dit Verdrag toe, voor zover nodig is om te verzekeren dat dergelijke schepen geen gunstiger behandeling krijgen.

Artikel 6. Opsporing van overtredingen en handhaving van de bepalingen van het Verdrag

(1). De Partijen bij het Verdrag werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag, daarbij gebruik makend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en het verzamelen van bewijsmateriaal.

(2). Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is kan in elke haven of op elke laad- en losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het betrokken schip schadelijke stoffen heeft geloosd in strijd met de bepalingen van de Voorschriften. Indien bij de inspectie schending van het Verdrag blijkt, wordt de Administratie een rapport toegezonden met het oog op het nemen van passende maatregelen.

(3). Alle Partijen verschaffen de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van de Voorschriften schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten heeft geloosd.

Indien mogelijk stelt het bevoegde gezag van de betrokken Partij de gezagvoerder van het schip in kennis van de beweerde overtreding.

(4). Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht om aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de beweerde overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de beweerde overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

(5). Een Partij kan tevens een schip waarop dit Verdrag van toepassing is inspecteren wanneer dit een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van enige Partij is ontvangen, te zamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip ergens schadelijke stoffen, of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, heeft geloosd. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen en aan de Administratie, opdat krachtens de bepalingen van dit Verdrag de juiste stappen kunnen worden genomen.

Artikel 7. Onnodig oponthoud van schepen

(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.

(2). Indien, door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.

Artikel 8. Melding van voorvallen met schadelijke stoffen

(1). Een voorval wordt onverwijld en zo uitgebreid mogelijk gemeld overeenkomstig de bepalingen van Protocol I bij dit Verdrag.

(2). Elke Partij bij het Verdrag dient:

(3). Wanneer een Partij een melding ontvangt krachtens de bepalingen van dit artikel, zendt zij deze melding onverwijld door aan:

(4). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe, aan haar inspectievaartuigen en -vliegtuigen, alsmede aan andere hiertoe geëigende diensten instructies uit te vaardigen, om aan haar bevoegde instanties elk voorval te melden als bedoeld in Protocol I bij dit Verdrag. Indien zij daartoe aanleiding ziet, brengt deze Partij dienovereenkomstig verslag uit aan de Organisatie, alsmede aan elke andere betrokken Partij.

Artikel 9. Andere Verdragen en Uitlegging

(1). Na inwerkingtreding vervangt dit Verdrag het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, zoals gewijzigd, ten aanzien van de Partijen bij laatstgenoemd Verdrag.

(2). Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 C(XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.

(3). De term „rechtsmacht” wordt in dit Verdrag uitgelegd in overeenstemming met het internationaal recht, geldend ten tijde van toepassing of uitlegging van dit Verdrag.

Artikel 10. Beslechting van geschillen

Elk geschil tussen twee of meer Partijen bij het Verdrag over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet door onderhandeling tussen de betrokken Partijen kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anders beslissen, op verzoek van een der Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in Protocol II bij dit Verdrag.

Artikel 11. Verstrekken van inlichtingen

(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich tot het mededelen aan de Organisatie van:

(2). De Organisatie stelt de Partijen in kennis van de ontvangst van alle mededelingen gedaan krachtens dit artikel en verspreidt alle haar krachtens het eerste lid, onder (b) t/m (f) van dit artikel medegedeelde gegevens onder alle Partijen.

Artikel 12. Scheepsongevallen

(1). Elke Administratie verbindt zich tot het instellen van een onderzoek naar alle ongevallen waarbij een van haar schepen betrokken is waarop de bepalingen van de Voorschriften van toepassing zijn, indien een dergelijk ongeval een zeer schadelijke invloed heeft veroorzaakt op het mariene milieu.

(2). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe de Organisatie gegevens te verstrekken omtrent de resultaten van een dergelijk onderzoek, wanneer deze Partij van mening is dat deze gegevens van nut kunnen zijn bij het vaststellen welke wijzigingen in dit Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.

Artikel 13. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding

(1). Dit Verdrag staat van 15 januari 1974 tot 31 december 1974 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening en blijft daarna open voor toetreding. Staten kunnen Partij bij dit Verdrag worden door:

(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.

(3). De Secretaris-Generaal van de Organisatie geeft alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van elke ondertekening of van de nederlegging van elke nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en van de datum van deze nederlegging.

Artikel 14. Facultatieve Bijlagen

(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en V (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.

(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid.

(3). Een Staat die een verklaring krachtens het eerste lid van dit artikel aflegt met betrekking tot een Facultatieve Bijlage en deze Bijlage niet naderhand heeft aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zal aan geen enkele verplichting onderworpen zijn noch gerechtigd zijn aanspraak te maken op voorrechten voortvloeiend uit dit Verdrag ten aanzien van aangelegenheden waarop een zodanige Bijlage betrekking heeft; ook zullen alle verwijzingen naar Partijen bij dit Verdrag niet op die Staat van toepassing zijn voor zover daarbij sprake is van aangelegenheden deze Bijlagen betreffende.

(4). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden kennis van elke verklaring krachtens dit artikel, alsmede van de ontvangst van elke akte nedergelegd overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

Artikel 15. Inwerkingtreding

(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig artikel 13.

(2). Een Facultatieve Bijlage treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot die Bijlage is voldaan.

(3). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van de datum waarop het Verdrag in werking treedt en van de datum waarop een Facultatieve Bijlage in werking treedt overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.

(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of tot een Facultatieve Bijlage hebben nedergelegd, nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding daarvan is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag of van die Bijlage, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.

(5). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag of een Facultatieve Bijlage in werking is getreden, wordt het Verdrag of de Facultatieve Bijlage van kracht drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.

(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 16 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.

Artikel 16. Wijzigingen

(1). Dit Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een der in de volgende leden genoemde procedures.

(2). Wijziging na behandeling door de Organisatie:

(3). Wijziging door een Conferentie:

(5). Voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een nieuwe Bijlage gelden dezelfde procedures als voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een wijziging van een artikel van het Verdrag.

(6). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, geldt elke wijziging van dit Verdrag volgens de bepalingen van dit artikel, die betrekking heeft op de bouw van een schip, alleen voor schepen waarvoor reeds een bouwcontract is gesloten of, indien er geen bouwcontract bestaat, waarvan de kiel reeds is gelegd op of na de datum waarop de wijziging in werking treedt.

(7). Een wijziging van een Protocol of van een Bijlage dient slechts betrekking te hebben op de inhoud van dat Protocol of die Bijlage en niet in strijd te zijn met de bepalingen van de artikelen van dit Verdrag.

(8). De Secretaris-Generaal van de Organisatie stelt alle Partijen in kennis van elke wijziging die ingevolge dit artikel in werking treedt, alsmede van de datum waarop die wijziging van kracht wordt.

(9). Elke verklaring van aanvaarding van of bezwaar tegen een wijziging ingevolge dit artikel wordt schriftelijk medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Deze brengt een dergelijke kennisgeving en de datum van ontvangst daarvan ter kennis van de Partijen bij het Verdrag.

Artikel 17. Bevordering van technische samenwerking

De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met de Organisatie en andere internationale lichamen, met bijstand van en in samenwerking met de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, steun aan Partijen die om technische hulp verzoeken voor:

bij voorkeur in de betrokken landen zelf, ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.

Artikel 18. Opzegging

(1). Dit Verdrag of een Facultatieve Bijlage kan door elke Partij bij het Verdrag te allen tijde worden opgezegd na verloop van vijf jaren te rekenen van de datum waarop het Verdrag of die Bijlage voor die Partij in werking trad.

(2). Opzegging geschiedt door een schriftelijke mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die alle andere Partijen in kennis stelt van een zodanige opzegging en van de datum van ontvangst daarvan, alsmede van de datum waarop de opzegging van kracht wordt.

(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal van de Organisatie, dan wel na het verstrijken van een langer tijdvak indien zulks in de kennisgeving wordt aangegeven.

Artikel 19. Nederlegging en registratie

(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten welke dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden.

(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal van de Organisatie toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

Artikel 20. Talen

Dit Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar, in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er worden officiële vertalingen vervaardigd in de Arabische, de Duitse, de Italiaanse en de Japanse taal welke worden nedergelegd bij het ondertekende oorspronkelijke exemplaar.

Artikel I. Meldingsplicht

(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in artikel II van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.

(2). Indien het schip, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt verlaten, of indien een melding van dit schip onvolledig of niet verkrijgbaar is, neemt de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, zoveel mogelijk de verplichtingen van de gezagvoerder op zich krachtens de bepalingen van dit Protocol.

Artikel II. Wanneer een melding dient plaats te vinden

(1). De melding wordt gedaan omtrent voorvallen waarbij:

(2). Voor de doeleinden van dit Protocol:

Artikel III. Inhoud van de melding

Elke melding dient in elk geval te bevatten:

Artikel IV. Aanvullende melding

Ieder die krachtens het bepaalde in dit Protocol verplicht is een melding te doen, dient zo mogelijk:

Artikel V. Meldingsprocedures

(1). Meldingen dienen via de snelste, beschikbare telecommunicatiekanalen en met de grootst mogelijke voorrang te geschieden aan de dichtstbijzijnde kuststaat.

(2). Ter uitvoering van de bepalingen van dit Protocol vaardigen de Partijen bij dit Verdrag voorschriften of regels uit, of doen deze uitvaardigen, betreffende de te volgen procedures voor het melden van voorvallen met schadelijke stoffen, gebaseerd op door de Organisatie ontworpen richtlijnen.

Artikel I

Tenzij de partijen bij het geschil anders besluiten, wordt de scheidsrechterlijke procedure gevoerd met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol.

Artikel II

(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.

(2). De eisende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie in kennis van het feit dat zij de instelling van een scheidsgerecht heeft verzocht, van de namen van de partijen bij het geschil en van de artikelen van het Verdrag of van de Voorschriften waarvan de uitlegging of de toepassing naar haar mening het voorwerp van het geschil vormen. De Secretaris-Generaal doet deze inlichtingen aan alle Partijen toekomen.

Artikel III

Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden: een scheidsman benoemd door elke partij bij het geschil en een derde scheidsman die in onderlinge overeenstemming tussen de eerstgenoemden wordt aangewezen en die het voorzitterschap van het scheidsgerecht op zich neemt.

Artikel IV

(1). Indien na het verstrijken van een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de benoeming van de tweede scheidsman de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen, gaat de Secretaris-Generaal van de Organisatie op verzoek van de meest gerede partij binnen een volgende periode van zestig dagen over tot de aanwijzing; hij doet daarbij een keuze uit een tevoren door de Raad van de Organisatie opgestelde lijst van bevoegde personen.

(2). Indien binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek een van de partijen het lid van het scheidsgerecht, voor wiens benoeming zij verantwoordelijk is, niet heeft benoemd, kan de andere partij de Secretaris-Generaal van de Organisatie hiervan rechtstreeks in kennis stellen. Deze wijst de voorzitter van het scheidsgerecht aan binnen een termijn van zestig dagen; hij kiest deze uit de lijst bedoeld in het eerste lid van dit artikel.

(3). De voorzitter van het scheidsgerecht verzoekt, na te zijn aangewezen, de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks te doen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de partij de vereiste benoeming niet verricht, verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de Secretaris-Generaal van de Organisatie de aanwijzing te verrichten op de wijze en onder de voorwaarden bedoeld in het voorgaande lid.

(4). De voorzitter van het scheidsgerecht indien aangewezen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel mag niet de nationaliteit bezitten of bezeten hebben van een van de betrokken partijen, tenzij de andere partij daarmee instemt.

(5). In geval van overlijden of in gebreke blijven van een scheidsman voor wiens benoeming een van de partijen verantwoordelijk is, benoemt die partij een vervanger binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van overlijden of in gebreke blijven. Indien deze partij de benoeming niet verricht, wordt de procedure voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. In geval van overlijden of in gebreke blijven van de voorzitter van het scheidsgerecht wordt een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel III hierboven of, bij gebreke van overeenstemming tussen de leden van het scheidsgerecht, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van het overlijden of in gebreke blijven, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

Artikel V

Het scheidsgerecht kan kennis nemen van en beslissen over tegenvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van geschil.

Artikel VI

Elke partij is verantwoordelijk voor de bezoldiging van haar scheidsman en de betaling van aanverwante kosten, alsmede voor de kosten van voorbereiding van haar eigen zaak. De kosten van bezoldiging van de voorzitter van het scheidsgerecht en alle uitgaven van algemene aard die de scheidsrechterlijke procedure met zich meebrengt worden door de Partijen gelijkelijk gedragen. Het scheidsgerecht houdt boek van alle uitgaven en verstrekt een eindafrekening.

Artikel VII

Elke Partij bij het Verdrag die een juridisch belang heeft bij de zaak en die door de uitspraak in dit belang kan worden getroffen, kan zich, na schriftelijke kennisgeving aan de partijen die de procedure oorspronkelijk hebben aangespannen, met toestemming van het scheidsgerecht, in de procedure voegen.

Artikel VIII

Een ingevolge de bepalingen van dit Protocol ingesteld scheidsgerecht stelt zelf zijn procedureregels vast.

Artikel IX

(1). Beslissingen van het scheidsgerecht, zowel wat betreft de procedure en de plaats van vergadering, als wat betreft elk voorgelegd geschil worden genomen met meerderheid van stemmen; indien een van de leden van het scheidsgerecht voor wiens benoeming de partijen verantwoordelijk waren afwezig is of zich van stemming onthoudt, staat dit geen beslissing van het scheidsgerecht in de weg. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

(2). De partijen vergemakkelijken het werk van het scheidsgerecht en, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle hun ten dienste staande middelen, in het bijzonder:

(3). Afwezigheid of in gebreke zijn van een partij belemmert de voortgang van de procedure niet.

Artikel X

(1). Het scheidsgerecht doet uitspraak binnen een termijn van vijf maanden te rekenen van zijn instelling, tenzij het besluit, indien noodzakelijk, deze termijn met niet meer dan drie maanden te verlengen. De uitspraak van het scheidsgerecht is met redenen omkleed. Zij is definitief en er staat geen beroep tegen open; de uitspraak wordt aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De partijen voldoen onverwijld aan de uitspraak.

(2). Alle geschillen die zich tussen de partijen kunnen voordoen ten aanzien van de uitlegging of uitvoering van de uitspraak, kunnen door de meest gerede partij worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien dit niet beschikbaar is, aan een ander voor dit doel ingesteld scheidsgerecht, dat is ingesteld op dezelfde wijze als het eerste scheidsgerecht.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Vrijstellingen en ontheffingen
Voorschrift 4. Uitzonderingen

De voorschriften 15 en 34 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een Certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Vorm van het Certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel II van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
Voorschrift 8A. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK II. BEPALINGEN VOOR DE BEDRIJFSVOERING AAN BOORD TER VOORKOMING VAN VERONTREINIGING

Voorschrift 9. Regeling van het lozen van olie
Voorschrift 10. Methoden ter voorkoming van verontreiniging door olie door schepen die zich bevinden in bijzondere gebieden
Voorschrift 11. Uitzonderingen

De Voorschriften 9 en 10 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 13. Gescheiden Ballast Tanks, Aangewezen Schone Ballast Tanks en Ruwe Olie Wasmethode

Behoudens het bepaalde in de Voorschriften 13C en 13D van deze Bijlage, dienen olietankschepen te voldoen aan de eisen van dit Voorschrift.

Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton en meer

Bestaande ruwe olietankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer

Bestaande produktentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer

Een olietankschip gekwalificeerd als een gescheiden ballasttankschip.

Voorschrift 13A. Voorschriften voor Olietankschepen met Aangewezen Schone Ballast Tanks
Voorschrift 13B. Vereisten voor de Ruwe Olie Wasmethode
Voorschrift 13C. Bestaande tankschepen ingezet op bepaalde reizen
Voorschrift 13D. Bestaande Olietankschepen met speciale Ballast Voorzieningen
Voorschrift 13E. Beschermende plaatsing van gescheiden ballastruimten
PAC = voor elke gescheiden ballasttank of ruimte, geen olietank zijnde: de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
PAS = voor elke zodanige tank of ruimte: de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
Lt = lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m,
B = grootste breedte van het schip in m, zoals omschreven in het eenentwintigste lid van Voorschrift 1 van deze Bijlage,
D = holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in.de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, moet de holte naar de mal gemeten. worden tot het snijpunt, van de doorgestrookte lijn van de bovenkant der balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant der spanten.
J = 0.45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton en meer, behoudens het gestelde in het derde lid van dit Voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen moet de waarde van „J” door lineaire interpolatie worden bepaald.
Oc = als omschreven in Voorschrift 23 (1) (a) van deze Bijlage
Os = als omschreven in Voorschrift 23 (1) (b) van deze Bijlage
OA = de toelaatbare hoeveelheid uitgestroomde olie zoals voorgeschreven in Voorschrift 24 (2) van deze Bijlage.
VOORSCHRIFT 13F. Voorkoming van verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding
1.

Dit Voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton massa of meer:

2.

Ieder olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton massa of meer dient:

3.

De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten, die geen ladingtanks of brandstoftanks zijn:

5.

Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in principe zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

6.

Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton massa of meer dient de in Voorschrift 25, lid 2, letter b, aaπgenomen schade te worden aangevuld met de volgende aangenomen schade aan het scheepsvlak met geringe penetratie:

7.

Olietankschepen met een laadvermogen van minder dan 5.000 massa ton dienen:

8.

Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met Voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat Voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het hart schip, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat Voorschrift zou zijn geplaatst.

9.

Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit Voorschrift houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.

Figuur 1 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 3

Figuur 2 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 4

Figuur 3 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 7

Voorschrift 13G. Voorkoming van verontreiniging door olie door ongevallen – maatregelen voor bestaande olietankschepen
Categorie olietankschepen Datum of jaar
Categorie 1 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder
Categorie 1 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982
Categorie 2 en Categorie 3 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder
2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978
2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979
2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981
2008 voor schepen opgeleverd in 1982
2009 voor schepen opgeleverd in 1983
Categorie 2 en Categorie 3 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
1.

Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.

2.

Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.

4.

De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

5.

De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

6.

Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).

Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte

Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
uitwendige flensdiameter 215 mm
inwendige flensdiameter overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp
diameter van de steekcirkel der bouten 183 mm
boutgaten 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm
flensdikte 20 mm
bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte

De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.

Voorschrift 20. Oliejournaal
Voorschrift 21. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als lading vervoeren

HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP

Voorschrift 22. Bescherming van het bodemvlak van de pompkamer
Voorschrift 23. Door ongevallen veroorzaakte uitstroming van olie
OM ≤ 0.015 voor C ≤ 200.000 m3
OM ≤ 0,012 + (0,003/200.000) (400.000-C) voor 200.000 m3 < C < 400.000 m3
OM ≤ 0,012 voor C = 400.000 m3
OM ≤ 0.021 voor C ≤ 100,000 m3
--- ---
OM ≤ 0.015 + (0.006/100,000) (200,000-C) voor 100,000 m3 < C ≤ 200,000 m3
i = elke desbetreffende ladingtank;
n = het totale aantal ladingtanks;
PS(i) = de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 8.1 van dit voorschrift;
OS(i) = de uitstroom, in m3, bij zijschade aan ladingtank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in ladingtank i bij een tankvulling van 98%, tenzij door toepassing van de in voorschrift 19.5 genoemde Richtlijnen wordt aangetoond dat er een aanzienlijk ladingvolume achterblijft; en
C3 = 0,77 bij schepen met twee langsschotten aan de binnenzijde van de ladingtanks, mits deze langsschotten zich uitstrekken over de lengte van het ladinggedeelte en Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met dit voorschrift. C3 is gelijk aan 1,0 voor alle overige schepen of indien Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met lid 10 van dit voorschrift.
i = elke desbetreffende ladingtank;
n = het totale aantal ladingtanks;
PB(i) = de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van bodemschade, berekend in overeenstemming met lid 9.1 van dit voorschrift;
OB(i) = de uitstroom uit ladingtank i, in m3, berekend in overeenstemming met lid 7.3 van dit voorschrift; en
CDB(i) = factor om rekening te houden met olie-opvang als omschreven in lid 7.4 van dit voorschrift
hc = de hoogte van de ladingolie boven Zl, in meters;
tc = de getijdeverandering, in m. Afnames van het getijde worden uitgedrukt als negatieve waarden;
Zl = de hoogte van het laagste punt in de ladingtank boven de lijn van onderzijde spanten, in m;
ρ s = dichtheid van zeewater, gesteld op 1,025 kg/m3;
p = indien een inert-gasinstallatie is geïnstalleerd, moet uitgegaan worden van een normale overdruk, in kPa, van niet minder dan 5 kPa; indien er geen inert-gasinstallatie is, kan de overdruk op 0 worden gesteld;
g = de versnelling van de zwaartekracht, gesteld op 9,81 m/s2; en
ρ n = nominale dichtheid van ladingolie, berekend in overeenstemming met lid 4.4 van dit voorschrift.
PSL =1 - PSf - PSa = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf;
PSV = 1 - PSu - PS1 = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de verticale zone die wordt begrensd door Zl en Zu; en
PST = 1 - PSy = de kans dat de schade zich overdwars uitbreidt tot na de door y gedefinieerde grens.
PSa = de kans dat de schade volledig achter plaats Xa/L gelegen is;
PSf = de kans dat de schade volledig voor plaats Xf/L gelegen is;
PSl = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is;
PSu = de kans dat de schade volledig boven de tank gelegen is; en
PSy = de kans dat de schade volledig buiten de tank gelegen is.
Xa = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het achterste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
--- --- ---
Xf = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het voorste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Zl = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het laagste punt van de afdeling in kwestie, in meters;
Zu = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het hoogste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Zu mag niet groter zijn dan Ds; en
y = de minimale horizontale afstand gemeten loodrecht op hart schip tussen de desbetreffende afdeling en de scheepshuid in meters;
Xa/L PSa Xf/L PSf Zl/DS PSl Zu/SS PSu
0.00 0.000 0.00 0.967 0.00 0.000 0.00 0.968
0.05 0.023 0.05 0.917 0.05 0.000 0.05 0.952
0.10 0.068 0.10 0.867 0.10 0.001 0.10 0.931
0.15 0.117 0.15 0.817 0.15 0.003 0.15 0.905
0.20 0.167 0.20 0.767 0.20 0.007 0.20 0.873
0.25 0.217 0.25 0.717 0.25 0.013 0.25 0.836
0.30 0.267 0.30 0.667 0.30 0.021 0.30 0.789
0.35 0.317 0.35 0.617 0.35 0.034 0.35 0.733
0.40 0.367 0.40 0.567 0.40 0.055 0.40 0.670
0.45 0.417 0.45 0.517 0.45 0.085 0.45 0.599
0.50 0.467 0.50 0.467 0.50 0.123 0.50 0.525
0.55 0.517 0.55 0.417 0.55 0.172 0.55 0.452
0.60 0.567 0.60 0.367 0.60 0.226 0.60 0.383
0.65 0.617 0.65 0.317 0.65 0.285 0.65 0.317
0.70 0.667 0.70 0.267 0.70 0.347 0.70 0.255
0.75 0.717 0.75 0.217 0.75 0.413 0.75 0.197
0.80 0.767 0.80 0.167 0.80 0.482 0.80 0.143
0.85 0.817 0.85 0.117 0.85 0.553 0.85 0.092
0.90 0.867 0.90 0.068 0.90 0.626 0.90 0.046
0.95 0.917 0.95 0.023 0.95 0.700 0.95 0.013
1.00 0.967 1.00 0.000 1.00 0.775 1.00 0.000
PBL = 1 - PBf - PBa = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf;
PBT = 1 - PBp - PBs = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xp en Xs;
PBV = 1 - PBz = de kans dat de schade zich in verticale richting uitstrekt tot boven de door z gedefinieerde grens.
Yp = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste bakboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip, in meters;
Ys = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste stuurboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip, in meters; en
z = de minimumwaarde van z over de lengte van de afdeling, waarbij z, op willekeurig welke plaats over de lengte, de verticale afstand is vanaf het laagste punt van de vlakbeplating op die lengtepositie tot het laagste punt van de afdeling op die lengtepositie, in meters.
PBa = de kans dat de schade volledig achter de locatie Xa/L gelegen is;
--- --- ---
PBf = de kans dat de schade volledig voor de loactie Xf/L gelegen is;
PBp = de kans dat de schade volledig aan bakboordzijde van de tank gelegen is;
PBs = de kans dat de schade volledig aan stuurboordzijde van de tank gelegen is; en
PBz = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is.
Xa/L PBa Xf/L PBf Yp/BB PBp Ys/B B PBs
0.00 0.000 0.00 0.969 0.00 0.844 0.00 0.000
0.05 0.002 0.05 0.953 0.05 0.794 0.05 0.009
0.10 0.008 0.10 0.936 0.10 0.744 0.10 0.032
0.15 0.017 0.15 0.916 0.15 0.694 0.15 0.063
0.20 0.029 0.20 0.894 0.20 0.644 0.20 0.097
0.25 0.042 0.25 0.870 0.25 0.594 0.25 0.133
0.30 0.058 0.30 0.842 0.30 0.544 0.30 0.171
0.35 0.076 0.35 0.810 0.35 0.494 0.35 0.211
0.40 0.096 0.40 0.775 0.40 0.444 0.40 0.253
0.45 0.119 0.45 0.734 0.45 0.394 0.45 0.297
0.50 0.143 0.50 0.687 0.50 0.344 0.50 0.344
0.55 0.171 0.55 0.630 0.55 0.297 0.55 0.394
0.60 0.203 0.60 0.563 0.60 0.253 0.60 0.444
0.65 0.242 0.65 0.489 0.65 0.211 0.65 0.494
0.70 0.289 0.70 0.413 0.70 0.171 0.70 0.544
0.75 0.344 0.75 0.333 0.75 0.133 0.75 0.594
0.80 0.409 0.80 0.252 0.80 0.097 0.80 0.644
0.85 0.482 0.85 0.170 0.85 0.063 0.85 0.694
0.90 0.565 0.90 0.089 0.90 0.032 0.90 0.744
0.95 0.658 0.95 0.026 0.95 0.009 0.95 0.794
1.00 0.761 1.00 0.000 1.00 0.000 1.00 0.844
Voorschrift 24. Veronderstellingen met betrekking tot schade
1. Langsscheeps (lc): 1/3 L 2/3 of 14,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is.
2. Dwarsscheeps (tc) (binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord): B/5 of 11,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is.
3. Verticaal (vc): Vanaf de lijn van onderzijde spanten naar boven, zonder begrenzing
Over 0,3 L vanaf de voorloodlijn van het schip Elk ander deel van het schip
1. Langsscheeps (ls): L/10 L/10 of 5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is.
2. Dwarsscheeps (ts): B/6 of 10 meter, naar gelang welk getal het kleinst is, echter niet kleiner dan 5 meter 5 meter
3. Verticaal vanaf de lijn van onderzijde spanten (vs): B/15 of 6 meter, naar gelang welk getal het kleinst is.
Voorschrift 25. Hypothetische uitstroming van olie
Wi = de inhoud van een zijtank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in voorschrift 24 van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Wi op 0 worden gesteld.
Ci = de inhoud van een middentank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in voorschrift 24 van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Ci op 0 worden gesteld;
Ki = 1– bi/tc; wanneer bi gelijk is aan of groter is dan tc, dient Ki op 0 te worden gesteld.
Zi = 1– hi/vc; wanneer hi gelijk is aan of groter is dan vs dient Zi op 0 te worden gesteld.
bi = breedte van de betreffende zijtank in meters, binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord.
hi = kleinste hoogte van de betreffende dubbele bodem, in meters. Wanneer er geen dubbele bodem is aangebracht dient hi op 0 te worden gesteld.
Voorschrift 25A. Stabiliteit in onbeschadigde toestand

(1). Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 tonmassa of meer:

(2). Elk olietankschip dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven onder a en b van dit lid, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van vracht en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.

(3). Aan de vereisten van het tweede lid dient te worden voldaan door middel van maatregelen ten aanzien van het ontwerp. Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende werkprocedures worden toegestaan.

(4). Onder eenvoudige aanvullende werkprocedures voor de verplaatsing van vloeistoffen als bedoeld in het derde lid wordt verstaan schriftelijke procedures die ter beschikking worden gesteld van de kapitein en die:

HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING

Voorschrift 26. Indeling en beperking van de grootte van ladingtanks
Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen

Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,

Voorschrift 5A. Pompen, pijpleidingen en voorzieningen voor het lossen

(1). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat bij elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 0,1 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.

(3). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie C, geen restanten van meer dan 0,3 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.

(5). De in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde omstandigheden voor het pompen dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op de door de Organisatie opgestelde normen. Bij de in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde pomprendementsproeven dient water als beproevingsmiddel te worden gebruikt en de proeven dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen. De restanten op de oppervlakken van de ladingtanks, zoals bedoeld in de leden (2)(b) en (4)(b) van dit Voorschrift, worden bepaald aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen.

(7). Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of door het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voorschrift 6. Uitzonderingen

Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht

(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:

(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.

(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:

(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:

(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:

(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:

(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.

(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.

Voorschrift 9. Ladingjournaal
Voorschrift 10. Onderzoeken
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
Voorschrift 12A. Bescherming van brandstofolietanks
1.

Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 en meer waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010, zoals omschreven in voorschrift 1.28.9 van deze Bijlage.

2.

De toepassing van dit voorschrift bij het bepalen van de locatie van tanks die gebruikt worden voor het vervoer van brandstofolie heeft geen voorrang boven de toepassing van voorschrift 19 van deze Bijlage.

3.

Voor de toepassing van dit Voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:

4.

De bepalingen van dit voorschrift zijn van toepassing op alle brandstofolietanks uitgezonderd kleine brandstofolietanks, zoals omschreven in 3.12, mits de totale capaciteit van deze niet meegerekende tanks ten hoogste 600 m3 bedraagt.

5.

De capaciteit van individuele brandstofolietanks mag ten hoogste 2.500 m3 bedragen.

6.

Bij schepen, anders dan hefbooreilanden, met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig geplaatst te zijn dat de tanks zich bevinden boven de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating, nergens minder dan afstand h, zoals hieronder vermeld:

h = B/20 m of,

h = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.

De minimumwaarde van h = 0,76 m.

In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de brandstofolietank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals weergegeven in figuur 1.

7.

Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer maar minder dan 5.000 m3, dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:

w = 0,4 + 2,4 C/20.000 m

De minimumwaarde van w = 1,0 m; voor individuele tanks met een brandstofoliecapaciteit van minder dan 500 m3 bedraagt de minimumwaarde echter 0,76 m.

8.

Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 5.000 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:

w = 0,5 + C/20.000 m of

w = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.

De minimumwaarde van w = 1,0 m.

9.

Brandstofolieleidingen die zich op een geringere hoogte dan h, zoals omschreven in lid 6, van het scheepsvlak bevinden of op een kleinere afstand dan w, zoals omschreven in lid 7 en 8, van de zijde van het schip, dienen te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen in of vlak naast de brandstofolietank. Deze afsluiters moeten vanuit een gemakkelijk toegankelijke gesloten ruimte kunnen worden bediend; deze ruimte moet vanaf de navigatiebrug of vanaf de plaats van waar de bediening van de voortstuwingsmachines plaatsvindt, kunnen worden bereikt zonder blootgestelde vrijboord- of opbouwdekken te betreden. Wanneer het systeem voor afstandsbediening defect raakt (defect in gesloten stand) dienen de afsluiters gesloten te worden en op zee gesloten te blijven op elk moment waarop de tank brandstofolie bevat; zij mogen evenwel worden geopend tijdens het verpompen van brandstofolie.

10.

Zuigputten in brandstofolietanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.

11.

In plaats van aan het bepaalde in lid 6 en lid 7 of 8, kunnen schepen ook voldoen aan de onderstaande norm inzake de onbedoelde uitstroming van olie:

OM < 0,0157-1,14E-6 AC voor 600 m3 ≤ C < 5.000 m3
OM ≤ 0,010 voor C ≥ 5.000 m3
Xa/L PSa Xf/L PSf Zl/DS PSl Zu/DS PSu
0,00 0,000 0,00 0,967 0,00 0,000 0,00 0,968
0,05 0,023 0,05 0,917 0,05 0,000 0,05 0,952
0,10 0,068 0,10 0,867 0,10 0,001 0,10 0,931
0,15 0,117 0,15 0,817 0,15 0,003 0,15 0,905
0,20 0,167 0,20 0,767 0,20 0,007 0,20 0,873
0,25 0,217 0,25 0,717 0,25 0,013 0,25 0,836
0,30 0,267 0,30 0,667 0,30 0,021 0,30 0,789
0,35 0,317 0,35 0,617 0,35 0,034 0,35 0,733
0,40 0,367 0,40 0,567 0,40 0,055 0,40 0,670
0,45 0,417 0,45 0,517 0,45 0,085 0,45 0,599
0,50 0,467 0,50 0,467 0,50 0,123 0,50 0,525
0,55 0,517 0,55 0,417 0,55 0,172 0,55 0,452
0,60 0,567 0,60 0,367 0,60 0,226 0,60 0,383
0,65 0,617 0,65 0,317 0,65 0,285 0,65 0,317
0,70 0,667 0,70 0,267 0,70 0,347 0,70 0,255
0,75 0,717 0,75 0,217 0,75 0,413 0,75 0,197
0,80 0,767 0,80 0,167 0,80 0,482 0,80 0,143
0,85 0,817 0,85 0,117 0,85 0,553 0,85 0,092
0,90 0,867 0,90 0,068 0,90 0,626 0,90 0,046
0,95 0,917 0,95 0,023 0,95 0,700 0,95 0,013
1,00 0,967 1,00 0,000 1,00 0,775 1,00 0,000
PSy = (24,96 – 199,6 y/BS) (y/BS) voor y/BS ≤ 0,05
--- ---
PSy = 0,749 + {5 – 44,4 (y/BS – 0,05)} {(y/BS) – 0,05} voor 0,05 < y/BS < 0,1
PSy = 0,888 + 0,56 ( y/BS -0,1) voor y/BS ≥ 0,1
PSy mag niet groter zijn dan 1. PSy mag niet groter zijn dan 1.
Xa/L PBa Xp/L PBf Yp/BB PBp Ys/BB PBs
0,00 0,000 0,00 0,969 0,00 0,844 0,00 0,000
0,05 0,002 0,05 0,953 0,05 0,794 0,05 0,009
0,10 0,008 0,10 0,936 0,10 0,744 0,10 0,032
0,15 0,017 0,15 0,916 0,15 0,694 0,15 0,063
0,20 0,029 0,20 0,894 0,20 0,644 0,20 0,097
0,25 0,042 0,25 0,870 0,25 0,594 0,25 0,133
0,30 0,058 0,30 0,842 0,30 0,544 0,30 0,171
0,35 0,076 0,35 0,810 0,35 0,494 0,35 0,211
0,40 0,096 0,40 0,775 0,40 0,444 0,40 0,253
0,45 0,119 0,45 0,734 0,45 0,394 0,45 0,297
0,50 0,143 0,50 0,687 0,50 0,344 0,50 0,344
0,55 0,171 0,55 0,630 0,55 0,297 0,55 0,394
0,60 0,203 0,60 0,563 0,60 0,253 0,60 0,444
0,65 0,242 0,65 0,489 0,65 0,211 0,65 0,494
0,70 0,289 0,70 0,413 0,70 0,171 0,70 0,544
0,80 0,409 0,80 0,252 0,80 0,097 0,80 0,644
0,85 0,482 0,85 0,170 0,85 0,063 0,85 0,694
0,90 0,565 0,90 0,089 0,90 0,032 0,90 0,744
0,95 0,658 0,95 0,026 0,95 0,009 0,95 0,794
1,00 0,761 1,00 0,000 1,00 0,000 1,00 0,844
PBz = (14,5 – 67 z/DS) (z/DS) voor z/DS ≤ 0,1
--- ---
PBz = 0,78 + 1,1 {(z/DS -0,1)} voor z/DS > 0,1
PBz mag niet groter zijn dan 1.
12.

Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van schepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.

Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval

(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.

(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.

(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:

(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.

Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen

Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).

Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.

2.

De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.

4.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 5. OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

HOOFDSTUK 5. OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 6. MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN HET TOEZICHT DOOR HAVENSTATEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 13H. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als vracht vervoeren
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
1.

Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.

2.

Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.

4.

De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

5.

De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.

6.

Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).

Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte

Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
uitwendige flensdiameter 215 mm
inwendige flensdiameter overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp
diameter van de steekcirkel der bouten 183 mm
boutgaten 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm
flensdikte 20 mm
bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte

De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.

Voorschrift 20. Oliejournaal

HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP

HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen

Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,

Voorschrift 6. Uitzonderingen

Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht

(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:

(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.

(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:

(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:

(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:

(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:

(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.

(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.

Voorschrift 9. Ladingjournaal
Voorschrift 10. Onderzoeken
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval

(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.

(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.

(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:

(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.

Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen

Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen
Voorschrift 4. Ontheffingen
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 6. Onderzoeken
Voorschrift 7. Afgifte van of aantekening op het certificaat
Voorschrift 8. Afgifte van of aantekening op een certificaat door een andere Regering
Voorschrift 9. Model van het certificaat

Het Internationaal certificaat voor voorkoming van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel II bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 11. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK 3. VEREISTEN TEN AANZIEN VAN MACHINERUIMTEN VAN ALLE SCHEPEN

DEEL A. BOUW

Voorschrift 12. Tanks voor olierestanten (oliedrab)
Voorschrift 13. Standaardaansluiting voor afgifte

Teneinde leidingen van de ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van restanten afkomstig van machinekamerlensruimten en van sludgetanks, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
Uitwendige flensdiameter 215 mm
Inwendige flensdiameter Overeenkomstig de uitwendige diameter van de pijp
Diameter van de steekcirkel van de bouten 183 mm
Boutgaten 6 gaten van 22 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 22 mm breed te zijn.
Flensdikte 20 mm
Bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk met een diameter van 20 mm en van voldoende lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa.

DEEL B. UITRUSTING

Voorschrift 14. Apparatuur voor het filtreren van olie
1.

Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met voorschrift 16.2 ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.

2.

Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 10.000 of meer te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 7 van dit voorschrift.

3.

Schepen zoals hotelschepen, opslagschepen, etc. die stilliggen, behoudens verplaatsingen van deze schepen waarbij geen lading wordt vervoerd, hoeven niet te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie. Dergelijke schepen worden uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater. Al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij de ontvangstinrichtingen.

4.

De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van voorschrift 15.6 van deze Bijlage te lozen.

5.

De Administratie kan ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 van dit voorschrift verlenen:

6.

Het ontwerp van de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient door de Administratie te zijn goedgekeurd en zodanig te zijn dat het oliegehalte van elk oliehoudend mengsel dat na filtering in zee wordt geloosd niet meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.

7.

De in lid 2 van dit voorschrift genoemde apparatuur voor het filtreren van olie dient te voldoen aan lid 6 van dit voorschrift. De apparatuur dient daarnaast te worden voorzien van een alarmvoorziening die een signaal geeft wanneer dit gehalte niet gehandhaafd kan worden. Het systeem zal tevens worden uitgerust met voorzieningen die waarborgen dat de lozing van oliehoudende mengsels onmiddellijk wordt stopgezet wanneer het oliegehalte van het effluent meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.

DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE

Voorschrift 15. Regeling van het lozen van olie
1.

Overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.

A. Lozingen buiten bijzondere gebieden

2.

Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:

B. Lozingen in bijzondere gebieden

3.

Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:

4.

Ten aanzien van het Antarctisch gebied is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door welk schip dan ook verboden.

5.

Geen enkele bepaling in dit voorschrift belet een schip dat slechts gedurende een deel van zijn reis door een bijzonder gebied vaart lozingen te verrichten buiten een bijzonder gebied in overeenstemming met lid 2 van dit voorschrift.

C. Vereisten voor schepen met een brutotonnage van minder dan 400 in alle gebieden uitgezonderd het Antarctisch gebied

6.

Bij een schip met een brutotonnage van minder dan 400, dienen olie en oliehoudende mengsels aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven of in zee te worden geloosd in overeenstemming met de volgende voorwaarden:

D. Algemene vereisten

7.

Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip, dienen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijs in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten, om na te gaan of de bepalingen van dit voorschrift zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden gekeken naar de wind en de omstandigheden op zee, de gevolgde koers en snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.

8.

Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen die worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.

9.

Olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.

Voorschrift 16. Gescheiden houden van olie en waterballast en vervoer van olie in voorpiektanks
1.

Behalve zoals bepaald in het tweede lid van dit voorschrift, dient aan boord van schepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 4000 of meer, geen olietankschepen zijnde, en olietankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, geen ballastwater in een brandstofolietank te worden vervoerd.

2.

Wanneer de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in een brandstofolietank noodzakelijk maakt, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee in overeenstemming met voorschrift 15 van deze Bijlage met gebruikmaking van de uitrusting omschreven in voorschrift 14.2 van deze Bijlage; dit dient te worden aangetekend in het Oliejournaal.

3.

In een schip met een brutotonnage van 400 of meer, waarvoor het bouwcontract is gesloten na 1 januari 1982 of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 1 juli 1982, mag geen olie worden vervoerd in een voorpiektank of een voor het aanvaringsschot gelegen tank.

4.

Alle andere schepen dan die waarop de leden 1 en 3 van dit voorschrift van toepassing zijn, dienen voor zover redelijk en uitvoerbaar te voldoen aan het bepaalde in deze leden.

Voorschrift 17. Oliejournaal Deel I – Werkzaamheden in machineruimten
1.

Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel I (Werkzaamheden in machineruimten). Het Oliejournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.

2.

Het Oliejournaal Deel I dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:

3.

In het geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 4 van deze Bijlage of in het geval van door ongevallen veroorzaakte of anderszins uitzonderlijke lozingen van olie die niet als uitzondering gelden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel I melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.

4.

Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld in het Oliejournaal Deel I en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de officier of officieren, belast met de leiding over de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie hebben, dienen de aantekeningen in het Oliejournaal Deel I ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.

5.

Elke storing van de apparatuur voor het filtreren van olie dient te worden aangetekend in het Oliejournaal Deel I.

6.

Het Oliejournaal Deel I dient op een plaats te worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip snel beschikbaar is voor inzage en wel, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een tijdvak van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.

7.

De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij dit Verdrag heeft het recht het Oliejournaal Deel I te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel I van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van het Oliejournaal Deel I en de vervaardiging van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.

HOOFDSTUK 4. VEREISTEN VOOR HET LADINGGEDEELTE VAN OLIETANKSCHEPEN

DEEL A. BOUW

Voorschrift 18. Gescheiden-ballasttanks

Olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982

Ruwe-olietankers met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982

Productentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982

Een olietankschip aangemerkt als olietankschip met gescheiden-ballasttanks

Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982 met speciale ballastvoorzieningen

Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979

Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten

PAc = voor elke gescheiden-ballasttank of -ruimte, geen olietank zijnde, de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
PAs = voor elke zodanige tank of ruimte, de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
Lt = lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m,
B = grootste breedte van het schip in m, als omschreven in voorschrift 1.22 van deze Bijlage,
D = holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenzijde van de kiel tot de bovenzijde van de balken van het vrijboorddek in de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd dient de holte naar de mal te worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenzijde van de balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant van de spanten.
J = 0,45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer, behoudens het bepaalde in lid 14 van dit voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van J door lineaire interpolatie te worden bepaald.
a = 0,25 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton,
a = 0,40 voor olietankschepen met een draagvermogen van 300.000 ton,
a = 0,50 voor olietankschepen met een draagvermogen van 420.000 ton of meer.
Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald.
Oc = als omschreven in voorschrift 25.1.1 van deze Bijlage,
Os = als omschreven in voorschrift 25.1.2 van deze Bijlage,
OA = de toelaatbare uitstroom zoals voorgeschreven in voorschrift 26.2 van deze Bijlage.
Voorschrift 19. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd op of na 6 juli 1996
1.

Dit voorschrift is als volgt van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.6:

2.

Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dient:

3.

De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten niet zijnde olietanks:

4.

Op dubbele-bodemtanks en –ruimten is het navolgende van toepassing:

hc = de hoogte van de lading die in aanraking komt met de vlakbeplating in meters
ρc = de maximale ladingdichtheid in kg/m3
dn = minimum diepgang van een schip in bedrijf, onder alle te verwachten beladingstoestanden, in meters
ρs = de dichtheid van het zeewater in kg/m3
p = de maximum insteldruk boven de atmosferische druk (overdruk) van de druk/vacuümklep voor de ladingtank in Pa
f = veiligheidsfactor = 1,1
g = standaardversnelling van de zwaartekracht (9,81 m/s2)
5.

Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 van dit voorschrift gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in beginsel zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

6.

Elk olietankschip met een draagvermogen van minder dan 5000 ton dient te voldoen aan het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit voorschrift, of dient:

7.

Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het vlak van kiel en stevens, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat voorschrift zou zijn geplaatst.

8.

Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.

Voorschrift 20. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd voor 6 juli 1996
Categorie olietankschepen Datum of jaar
Categorie 1 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982
Categorie 2 en Categorie 3 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978 2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979 2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981 2008 voor schepen opgeleverd in 1982 2009 voor schepen opgeleverd in 1983 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later
Voorschrift 27. Stabiliteit in onbeschadigde toestand
Voorschrift 28. Waterdichte indeling en stabiliteit in beschadigde toestand
1. Langsscheeps: 1/3(L ⅔) of 14.5 meter, naar gelang welke getal het kleinst is
2. Dwarsscheeps (binnenboord gemeten vanaf de zijde van het schip loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de zomerlastlijn): B/5 of 11,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is
3 Verticaal: Vanaf de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating op hart schip naar boven, zonder begrenzing
Over 0,3 L vanaf de voorloodlijn van het schip Elk ander deel van het schip
1 Langsscheeps: 1/3(L ⅔) of 14,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is 1/3(L ⅔) of 5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is
2 Dwarsscheeps: B/6 of 10 meter, naar gelang welk getal het kleinst is B/6 of 5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is
3 Verticaal: B/15 of 6 meter, naar gelang welk getal het kleinst is, gemeten vanaf de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating op hart schip B/15 of 6 meter, naar gelang welk getal het kleinst is, gemeten vanaf de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating op hart schip
Ruimten Permeabiliteit
bestemd voor voorraden 0,60
ingenomen door verblijven 0,95
ingenomen door machines 0,85
lege ruimten 0,95
bestemd voor verbruiksvloeistoffen 0 tot 0,95
bestemd voor andere vloeistoffen 0 tot 0,95
Voorschrift 29. Sloptanks
Voorschrift 30. Inrichtingen voor pompen, pijpleidingen en lozen

DEEL B. UITRUSTING

Voorschrift 31. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen
1.

Onverminderd het bepaalde in de leden 4 en 5 van voorschrift 3 van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen.

2.

Bij de bestudering van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem dient te worden opgenomen, dient de Administratie rekening te houden met de door de Organisatie aanbevolen specificatie. Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor doorlopende registratie van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient de aanduiding van tijd en datum te omvatten en ten minste drie jaar te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient in werking te treden zodra er een lozing van effluent in zee plaatsvindt en zodanig te zijn ingericht dat gewaarborgd is dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt zodra de hoeveelheid geloosde olie op enig moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge voorschrift 34 van deze Bijlage. Bij storingen in het bewakings- en regelsysteem moet de lozing stoppen. In het geval van storing in het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen kan handmatige bediening plaatsvinden, maar de defecte eenheid dient zo snel mogelijk weer in operationele staat te worden gebracht. Indien de autoriteit van de havenstaat zulks toestaat, kan een tankschip met een defect bewakings- en regelsysteem voor olielozingen één reis met ballast ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet.

3.

Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient te zijn ontworpen en geïnstalleerd met inachtneming van de richtlijnen en specificaties voor bewakings- en regelsystemen voor olielozingen voor olietankschepen, die door de Organisatie zijn uitgewerkt. De Administraties kunnen de specifieke voorzieningen vermeld in de richtlijnen en specificaties, aanvaarden.

4.

De instructies inzake de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurd operationeel handboek. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in voorschrift 34 van deze Bijlage.

Voorschrift 32. Detector voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak

Onverminderd de bepalingen van de leden 4 en 5 van voorschrift 3 van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met doelmatige detectoren voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak, die door de Administratie zijn goedgekeurd voor het snel en accuraat vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks en ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin olie en water gescheiden worden en van waaruit directe lozing van effluent in zee beoogd wordt.

Voorschrift 33. Vereisten voor het wassen met ruwe olie
1.

Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, dient te zijn uitgerust met een ladingtankreinigingssysteem waarbij met ruwe olie wordt gewassen. De Administratie ziet erop toe dat de methode, binnen één jaar nadat het tankschip voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van ruwe olie, of, indien dit tijdstip later valt, aan het einde van de derde reis waarop ruwe olie, geschikt voor de ruwe-oliewasmethode, wordt vervoerd, volledig voldoet aan de vereisten van dit voorschrift.

2.

De installatie voor wassen met ruwe olie met de bijbehorende uitrusting en voorzieningen dient te voldoen aan de vereisten vastgesteld door de Administratie. Deze vereisten dienen ten minste alle voorwaarden te bevatten die zijn vermeld in de door de Organisatie aangenomen Specificaties voor het ontwerp, de werkwijze en de regeling van ruwe-oliewassystemen. Wanneer een schip is uitgerust met apparatuur voor wassen met ruwe olie, maar dit ingevolge lid 1 van dit voorschrift niet verplicht is, dient deze apparatuur te voldoen aan de veiligheidsaspecten van de bovengenoemde Specificaties.

3.

Elk systeem voor wassen met ruwe olie dat vereist is ingevolge voorschrift 18.7 van deze Bijlage dient te voldoen aan de vereisten van dit voorschrift.

DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE

Voorschrift 34. Regeling van het lozen van olie

A. Lozingen buiten bijzondere gebieden

1.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage, en lid 2 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels uit het ladinggedeelte van een olietankschip, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:

2.

De bepalingen van lid 1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op het lozen van schone ballast of van gescheiden ballast.

B. Lozingen in bijzondere gebieden

3.

Onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit voorschrift is lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels uit het ladinggedeelte van een olietankschip verboden wanneer het schip zich in een bijzonder gebied bevindt.

4.

De bepalingen van lid 3 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op het lozen van schone ballast of van gescheiden ballast.

5.

Niets in dit voorschrift verbiedt een schip, dat slechts tijdens een gedeelte van zijn reis in een bijzonder gebied vaart, buiten dat gebied te lozen overeenkomstig lid 1 van dit voorschrift.

C. Vereisten voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 ton

6.

De vereisten uit de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150, waarbij het lozen van olie krachtens dit voorschrift geregeld wordt door het aan boord houden van olie en latere afgifte van al het verontreinigde tankwaswater bij ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en water die voor het wassen is gebruikt en in een opslagtank is teruggepompt, dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van de vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, teneinde te verzekeren dat aan de bepalingen van dit voorschrift wordt voldaan.

D. Algemene vereisten

7.

Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip dienen de Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, voor zover zij daar redelijkerwijs toe in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten ter zake teneinde na te gaan of de bepalingen van dit voorschrift zijn overtreden. Bij het onderzoek dienen in het bijzonder in aanmerking te worden genomen de wind en de omstandigheden op zee, de gevolgde koers en de snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.

8.

Lozingen in zee mogen geen chemicaliën bevatten of andere stoffen in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen aangewend met het doel de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.

9.

De olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van de leden 1 en 3 van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden voor latere afgifte bij ontvangstinrichtingen.

Voorschrift 35. Wassen met ruwe olie
1.

Elk olietankschip dat met ruwe-oliewassystemen werkt, dient een handboek aan boord te hebben waarin het systeem en de uitrusting beschreven staan en waarin de operationele procedures uiteen worden gezet. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en alle informatie te bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in lid 2 van voorschrift 33 van deze Bijlage. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die van invloed is op het systeem voor het wassen met ruwe olie dient het handboek dienovereenkomstig te worden aangepast.

2.

Voor het ballasten van ladingtanks dienen voldoende ladingtanks met ruwe olie te zijn gewassen alvorens de ballastreis aanvangt zodat, rekening houdend met het vaarschema van het tankschip en de te verwachten weersomstandigheden, ballastwater alleen in ladingtanks wordt gepompt die met ruwe olie zijn gewassen.

3.

Tenzij een olietankschip ruwe olie vervoert die niet geschikt is voor de ruwe-oliewasmethode, dient het olietankschip de methode toe te passen in overeenstemming met het handboek.

Voorschrift 36. Oliejournaal Deel II – Lading- en ballasthandelingen
1.

Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel II (Lading- en ballasthandelingen). Het Oliejournaal Deel II, hetzij als onderdeel van het scheepslogboek, hetzij anderszins, dient te zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in aanhangsel III bij deze Bijlage.

2.

Het Oliejournaal Deel II dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende lading- en/of ballasthandelingen aan boord plaatsvindt:

3.

Voor de in voorschrift 34.6 van deze Bijlage bedoelde olietankschepen dient de totale hoeveelheid olie en waswater, na gebruik teruggepompt in een opslagtank, te worden vermeld in het Oliejournaal Deel II.

4.

In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 4 van deze Bijlage of in geval van door ongevallen veroorzaakte lozingen of andere uitzonderlijke lozingen van olie die niet uitgezonderd worden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel II melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.

5.

Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig in het Oliejournaal Deel II te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de voor de desbetreffende handelingen verantwoordelijke officier of officieren, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het Oliejournaal Deel II dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.

6.

Elke storing in het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient te worden aangetekend in het Oliejournaal Deel II.

7.

Het Oliejournaal dient op een plaats te worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip onmiddellijk beschikbaar is voor inzage en wel, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.

8.

De bevoegde autoriteit van de Regering van een Partij bij het Verdrag kan het Oliejournaal Deel II controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel II van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal Deel II en het maken van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.

9.

Voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 die worden gebruikt overeenkomstig voorschrift 34.6 van deze Bijlage dient door de Administratie een passend Oliejournaal te worden uitgewerkt.

HOOFDSTUK 5. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING VOORTVLOEIEND UIT VOORVALLEN VAN VERONTREINIGING DOOR OLIE

Voorschrift 37. Scheepsnoodplan voor olieverontreiniging

HOOFDSTUK 6. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 38. Ontvangstinrichtingen

A. Ontvangstinrichtingen buiten de bijzondere gebieden

B. Ontvangstinrichtingen binnen de bijzondere gebieden

C. Algemene vereisten

HOOFDSTUK 7. BIJZONDERE VEREISTEN VOOR VASTE OF DRIJVENDE PLATFORMS

Voorschrift 39. Bijzondere vereisten voor vaste of drijvende platforms

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen
Voorschrift 4. Ontheffingen
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen

HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen

HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen

Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.

Voorschrift 8. Onderzoeken
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks

HOOFDSTUK 5. OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.

1 Lozingsbepalingen

2 Lozingsnormen

3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie

Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.

4 Uitzondering voor een voorwas

Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:

5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen

6 Lozing van residuen van categorie X

7 Lozing van residuen van categorie Y en Z

8 Lozingen in het Antarctisch gebied

Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
Voorschrift 15. Ladingjournaal

HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING

Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht

HOOFDSTUK 7. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN EEN INCIDENT MET SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).

Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.

2.

De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.

4.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN

Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Golf, de Noordzee, het Antarctisch gebied en het wijdere Caribisch gebied, die als volgt worden omschreven:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Algemeen verbod op het lozen van vuilnis in zee
1.

Het lozen van alle vuilnis in zee is verboden, tenzij in de voorschriften 4, 5, 6 en 7 van deze Bijlage anders is bepaald.

2.

Het lozen in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.

3.

Het lozen in zee van bak- en braadolie is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.

Voorschrift 4. Lozen van vuilnis buiten bijzondere gebieden
1.

Behoudens de bepalingen van de voorschriften 5, 6 en 7 van deze Bijlage, is het lozen in zee van het onderstaande vuilnis buiten bijzondere gebieden uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:

2.

Schoonmaakmiddelen of additieven in waswater van de laadruimen, dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar deze stoffen mogen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.

3.

Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.

HOOFDSTUK II. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN BEHEERSING

Voorschrift 5. Onderzoeken
1.

Alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms dienen de hieronder aangegeven onderzoeken te ondergaan:

2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op het certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van Voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

2.

Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van het Protocol van 1997 dient uiterlijk bij de eerstvolgende, geplande droogzetting in een dok na inwerkingtreding van het Protocol van 1997 maar in geen geval later dan drie jaar na de inwerkingtreding van het Protocol van 1997, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit Voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.

Voorschrift 7. Afgifte van of aantekening op een certificaat door een andere Regering
1.

De Regering van een Partij bij het Protocol van 1997 kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of machtigen tot afgifte hiervan en in voorkomend geval een aantekening plaatsen, of machtigen tot het plaatsen van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens Voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij het Protocol van 1997.

Voorschrift 8. Model van het certificaat

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak, dat niet langer is dan vijf jaar.

3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in de Voorschriften 5.1.c en 5.1.d van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat is niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de op het certificaat vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in het tweede lid, onderdeel b, of het vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

9.

Een ingevolge Voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij bij het Protocol van 1997 wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit Voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit Voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten worden beperkt van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
1.

De Partijen bij deze Bijlage werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruik makend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en bewaking van het milieu en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en het verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het betrokken schip in strijd met de bepaling van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij de inspectie overtreding van deze Bijlage blijkt, wordt de Administratie een rapport toegezonden met het oog op het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt het bevoegde gezag van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan tevens een schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van enige Partij is ontvangen, tezamen met met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op enige plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen en aan de Administratie, opdat krachtens dit Verdrag de juiste stappen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK III. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN

Voorschrift 12. De ozonlaag aantastende stoffen
1.

Onverminderd de bepalingen van Voorschrift 3 is elke opzettelijke emissie van ozonlaag aantastende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhouden, de revisie, de reparatie of de verwijdering van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden dat gepaard gaat met de terugwinning of recycling van een ozonlaag aantastende stof. Emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonlaag aantastende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk zijn, kunnen door de Partijen bij het Protocol van 1997 regels worden gesteld.

2.

Nieuwe installaties die ozonlaag aantastende stoffen bevatten zijn verboden op alle schepen; nieuwe installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK's) bevatten zijn echter toegestaan tot 1 januari 2020.

3.

De stoffen bedoeld in dit Voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.

2.

3.

i. 17,0g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm
ii. 45,0 *n (–0,2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
iii. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm
Voorschrift 14. Zwaveloxiden (SOx)
1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan 4,5 % per m/m.

2.

Het mondiale gemiddelde van het zwavelgehalte van stookolie geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

Vereisten binnen de beheersgebieden voor SOx-emissie

3.

Voor de toepassing van dit Voorschrift, omvatten de beheersgebieden voor SOx-emissie:x-emissie:

4.

Wanneer schepen zich in een beheersgebied voor SOx-emissie bevinden, dient aan ten minste één van de volgende voorwaarden te worden voldaan:x-emissie bevinden, dient aan ten minste één van de volgende voorwaarden te worden voldaan:

5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste lid en in het vierde lid, letter a) van dit Voorschrift wordt aangetoond door de leverancier zoals vereist in Voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

De schepen die verschillende soorten brandstofolie gebruiken teneinde te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, letter a) van dit Voorschrift, dienen voldoende tijd te nemen om alle brandstof met een zwavelgehalte van meer dan 1,5% m/m uit het bedrijfsbrandstofsysteem te spoelen alvorens een beheersgebied voor SOx-emissie binnen te varen. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte (minder dan of gelijk aan 1,5%) in iedere tank alsmede de datum, het tijdstip en de positie van het schip ten tijde van de overschakeling van de ene op de andere brandstof dienen te worden opgetekend in een door de Administratie voorgeschreven logboek.x-emissie binnen te varen. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte (minder dan of gelijk aan 1,5%) in iedere tank alsmede de datum, het tijdstip en de positie van het schip ten tijde van de overschakeling van de ene op de andere brandstof dienen te worden opgetekend in een door de Administratie voorgeschreven logboek.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk volgend op de inwerkingtreding van dit Protocol, of van een wijziging van dit Protocol waarin een specifiek beheersgebied voor SOx-emissie wordt aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift, zijn schepen die een beheersgebied voor SOx-emissie binnenvaren als bedoeld in het derde lid, letter a), van dit Voorschrift of aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit Voorschrift en van de vereisten van het vijfde lid van dit Voorschrift voorzover deze betrekking hebben op het vierde lid, letter a), van dit Voorschrift.x-emissie wordt aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift, zijn schepen die een beheersgebied voor SOx-emissie binnenvaren als bedoeld in het derde lid, letter a), van dit Voorschrift of aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit Voorschrift en van de vereisten van het vijfde lid van dit Voorschrift voorzover deze betrekking hebben op het vierde lid, letter a), van dit Voorschrift.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen
1.

Indien de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) door tankschepen gereglementeerd moeten worden in havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij bij het Protocol van 1997, worden zij gereglementeerd in overeenstemming met de bepalingen van dit Voorschrift.

2.

Een Partij bij het Protocol van 1997 die havens of laad- of losplaatsen onder haar rechtsmacht aanwijst waarin VOS-emissies moeten worden gereglementeerd, dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reglementeren tankers, inzake ladingen waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop de reglementering in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

De Regering van elke Partij bij het Protocol van 1997 die havens of laad- of losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies door tankschepen moeten worden gereglementeerd, verzekert dat dampemissiebeheersingssystemen, door die Regering goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- of losplaatsen, en veilig worden gebruikt op een wijze waardoor onnodig oponthoud van het schip wordt voorkomen.

4.

De Organisatie verspreidt ter kennisgeving een lijst van de door de Partijen bij het Protocol van 1997 aangewezen havens en laad- of losplaatsen onder de andere Partijen bij het Protocol van 1997 en de Lidstaten van de Organisatie.

5.

Alle tankschepen die onderworpen zijn aan dampemissiebeheersing in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van dit Voorschrift dienen te worden voorzien van een door de Administratie goedgekeurd dampopvangsysteem, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde veiligheidsnormen, en dit systeem te gebruiken tijdens het laden van dergelijke ladingen. Laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit Voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Dit Voorschrift is alleen van toepassing op gastankers wanneer het type laad- en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van vluchtige organische stoffen anders dan methaan mogelijk maken.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord
1.

Behalve zoals bepaald in het vijfde lid is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

3.

Geen enkele bepaling in dit Voorschrift doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en ander stoffen, 1972, zoals gewijzigd en het Protocol van 1996 daarbij.

4.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

5.

Verbranding aan boord van sanitair afval en oliehoudend afval ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.

6.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC's) is verboden, uitgezonderd in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

7.

Alle schepen met verbrandingsinstallaties die onder dit Voorschrift vallen dienen een bedieningshandleiding van de fabrikant te bezitten, waarin aangegeven wordt hoe de verbrandingsinstallatie moet worden bediend binnen de grenzen beschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage.

8.

Het personeel dat verantwoordelijk is voor de bediening van een verbrandingsinstallatie dient te zijn opgeleid en in staat te zijn de aanwijzingen in de bedieningshandleiding van de fabrikant uit te voeren.

9.

De uitlaatgastemperatuur van de verbrandingsgassen dient te allen tijde te worden bewaakt en er mag geen afval in een verbrandingsinstallatie aan boord met doorlopende toevoer worden gevoerd, wanneer de temperatuur lager is dan de minimaal toegestane temperatuur van 850°C. Van verbrandingsinstallaties aan boord met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de temperatuur in de verbrandingskamer binnen vijf minuten na het in bedrijf stellen, stijgt tot 600°C.

10.

Geen enkele bepaling uit dit Voorschrift vormt een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit Voorschrift of aan strengere vereisten.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
1.

De Regering van elke Partij bij het Protocol van 1997 verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

2.

Elke Partij bij het Protocol van 1997 stelt de Organisatie ter mededeling aan de Leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Brandstofoliekwaliteit
1.

Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

2.

Dit Voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen.

3.

Voor ieder schip dat is onderworpen aan de Voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

4.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

6.

De bunkerafleveringsbon dient vergezeld te gaan van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

7.

De partijen bij het Protocol van 1997 verbinden zich ertoe ervoor zorg te dragen dat door hen aangewezen autoriteiten:

8.

In verband met de havenstaatinspecties die door de Partijen bij het Protocol van 1997 worden uitgevoerd, verbinden de Partijen er zich voorts toe:

Voorschrift 19. Eisen voor platforms en olieboorinstallaties
1.

Met inachtneming van de bepalingen van het tweede en derde lid van dit Voorschrift dienen vaste en drijvende platforms en boorinstallaties te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.

2.

Emissies die direct voortvloeien uit de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem, zijn overeenkomstig artikel 2, derde lid, letter b, onder ii., van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten de volgende:

3.

De vereisten van Voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 13. Standaardaansluiting voor afgifte

Teneinde leidingen van de ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van restanten afkomstig van machinekamerlensruimten en van tanks voor olierestanten (oliedrab), dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel:

Omschrijving Afmeting
Uitwendige flensdiameter 215 mm
Inwendige flensdiameter Overeenkomstig de uitwendige diameter van de pijp
Diameter van de steekcirkel van de bouten 183 mm
Boutgaten 6 gaten van 22 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 22 mm breed te zijn.
Flensdikte 20 mm
Bouten en moeren: aantal, diameter 6, elk met een diameter van 20 mm en van voldoende lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa.

DEEL B. UITRUSTING

Voorschrift 14. Apparatuur voor het filtreren van olie
1.

Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met voorschrift 16.2 ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.

2.

Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 10.000 of meer te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 7 van dit voorschrift.

3.

Schepen zoals hotelschepen, opslagschepen, etc. die stilliggen, behoudens verplaatsingen van deze schepen waarbij geen lading wordt vervoerd, hoeven niet te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie. Dergelijke schepen worden uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater. Al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij de ontvangstinrichtingen.

4.

De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van voorschrift 15.6 van deze Bijlage te lozen.

5.

De Administratie kan ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 van dit voorschrift verlenen:

6.

Het ontwerp van de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient door de Administratie te zijn goedgekeurd en zodanig te zijn dat het oliegehalte van elk oliehoudend mengsel dat na filtering in zee wordt geloosd niet meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.

7.

De in lid 2 van dit voorschrift genoemde apparatuur voor het filtreren van olie dient te voldoen aan lid 6 van dit voorschrift. De apparatuur dient daarnaast te worden voorzien van een alarmvoorziening die een signaal geeft wanneer dit gehalte niet gehandhaafd kan worden. Het systeem zal tevens worden uitgerust met voorzieningen die waarborgen dat de lozing van oliehoudende mengsels onmiddellijk wordt stopgezet wanneer het oliegehalte van het effluent meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.

DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE

Voorschrift 15. Regeling van het lozen van olie
1.

Overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.

A. Lozingen buiten bijzondere gebieden

2.

Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:

B. Lozingen in bijzondere gebieden

3.

Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:

4.

Ten aanzien van het Antarctisch gebied is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door welk schip dan ook verboden.

5.

Geen enkele bepaling in dit voorschrift belet een schip dat slechts gedurende een deel van zijn reis door een bijzonder gebied vaart lozingen te verrichten buiten een bijzonder gebied in overeenstemming met lid 2 van dit voorschrift.

C. Vereisten voor schepen met een brutotonnage van minder dan 400 in alle gebieden uitgezonderd het Antarctisch gebied

6.

Bij een schip met een brutotonnage van minder dan 400, dienen olie en oliehoudende mengsels aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven of in zee te worden geloosd in overeenstemming met de volgende voorwaarden:

D. Algemene vereisten

7.

Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip, dienen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijs in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten, om na te gaan of de bepalingen van dit voorschrift zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden gekeken naar de wind en de omstandigheden op zee, de gevolgde koers en snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.

8.

Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen die worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.

9.

Olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.

Voorschrift 16. Gescheiden houden van olie en waterballast en vervoer van olie in voorpiektanks
1.

Behalve zoals bepaald in het tweede lid van dit voorschrift, dient aan boord van schepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 4000 of meer, geen olietankschepen zijnde, en olietankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, geen ballastwater in een brandstofolietank te worden vervoerd.

2.

Wanneer de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in een brandstofolietank noodzakelijk maakt, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee in overeenstemming met voorschrift 15 van deze Bijlage met gebruikmaking van de uitrusting omschreven in voorschrift 14.2 van deze Bijlage; dit dient te worden aangetekend in het Oliejournaal.

3.

In een schip met een brutotonnage van 400 of meer, waarvoor het bouwcontract is gesloten na 1 januari 1982 of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 1 juli 1982, mag geen olie worden vervoerd in een voorpiektank of een voor het aanvaringsschot gelegen tank.

4.

Alle andere schepen dan die waarop de leden 1 en 3 van dit voorschrift van toepassing zijn, dienen voor zover redelijk en uitvoerbaar te voldoen aan het bepaalde in deze leden.

Voorschrift 17. Oliejournaal Deel I – Werkzaamheden in machineruimten
1.

Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel I (Werkzaamheden in machineruimten). Het Oliejournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.

2.

Het Oliejournaal Deel I dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:

3.

In het geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 4 van deze Bijlage of in het geval van door ongevallen veroorzaakte of anderszins uitzonderlijke lozingen van olie die niet als uitzondering gelden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel I melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.

4.

Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld in het Oliejournaal Deel I en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de officier of officieren, belast met de leiding over de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie hebben, dienen de aantekeningen in het Oliejournaal Deel I ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.

5.

Elke storing van de apparatuur voor het filtreren van olie dient te worden aangetekend in het Oliejournaal Deel I.

6.

Het Oliejournaal Deel I dient op een plaats te worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip snel beschikbaar is voor inzage en wel, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een tijdvak van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.

7.

De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij dit Verdrag heeft het recht het Oliejournaal Deel I te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel I van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van het Oliejournaal Deel I en de vervaardiging van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.

HOOFDSTUK 4. VEREISTEN VOOR HET LADINGGEDEELTE VAN OLIETANKSCHEPEN

DEEL A. BOUW

Voorschrift 18. Gescheiden-ballasttanks

Olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982

Ruwe-olietankers met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982

Productentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982

Een olietankschip aangemerkt als olietankschip met gescheiden-ballasttanks

Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982 met speciale ballastvoorzieningen

Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979

Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten

PAc = voor elke gescheiden-ballasttank of -ruimte, geen olietank zijnde, de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
PAs = voor elke zodanige tank of ruimte, de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2,
Lt = lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m,
B = grootste breedte van het schip in m, als omschreven in voorschrift 1.22 van deze Bijlage,
D = holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenzijde van de kiel tot de bovenzijde van de balken van het vrijboorddek in de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd dient de holte naar de mal te worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenzijde van de balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant van de spanten.
J = 0,45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer, behoudens het bepaalde in lid 14 van dit voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van J door lineaire interpolatie te worden bepaald.
a = 0,25 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton,
a = 0,40 voor olietankschepen met een draagvermogen van 300.000 ton,
a = 0,50 voor olietankschepen met een draagvermogen van 420.000 ton of meer.
Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald.
Oc = als omschreven in voorschrift 25.1.1 van deze Bijlage,
Os = als omschreven in voorschrift 25.1.2 van deze Bijlage,
OA = de toelaatbare uitstroom zoals voorgeschreven in voorschrift 26.2 van deze Bijlage.
Voorschrift 19. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd op of na 6 juli 1996
1.

Dit voorschrift is als volgt van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.6:

2.

Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dient:

3.

De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten niet zijnde olietanks:

4.

Op dubbele-bodemtanks en –ruimten is het navolgende van toepassing:

hc = de hoogte van de lading die in aanraking komt met de vlakbeplating in meters
ρc = de maximale ladingdichtheid in kg/m3
dn = minimum diepgang van een schip in bedrijf, onder alle te verwachten beladingstoestanden, in meters
ρs = de dichtheid van het zeewater in kg/m3
p = de maximum insteldruk boven de atmosferische druk (overdruk) van de druk/vacuümklep voor de ladingtank in Pa
f = veiligheidsfactor = 1,1
g = standaardversnelling van de zwaartekracht (9,81 m/s2)
5.

Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 van dit voorschrift gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in beginsel zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

6.

Elk olietankschip met een draagvermogen van minder dan 5000 ton dient te voldoen aan het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit voorschrift, of dient:

7.

Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het vlak van kiel en stevens, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat voorschrift zou zijn geplaatst.

8.

Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.

Voorschrift 20. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd voor 6 juli 1996
Categorie olietankschepen Datum of jaar
Categorie 1 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982
Categorie 2 en Categorie 3 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978 2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979 2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981 2008 voor schepen opgeleverd in 1982 2009 voor schepen opgeleverd in 1983 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later

DEEL B. UITRUSTING

DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE

HOOFDSTUK 5. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING VOORTVLOEIEND UIT VOORVALLEN VAN VERONTREINIGING DOOR OLIE

HOOFDSTUK 6. ONTVANGSTINRICHTINGEN

HOOFDSTUK 7. BIJZONDERE VEREISTEN VOOR VASTE OF DRIJVENDE PLATFORMS

HOOFDSTUK 8. VOORKOMEN VAN VERONTREINIGING TIJDENS HET OVERPOMPEN VAN LADINGOLIE TUSSEN OLIETANKSCHEPEN OP ZEE

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen
Voorschrift 4. Ontheffingen
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen

HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen

Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.

Voorschrift 8. Onderzoeken
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.

1 Lozingsbepalingen

2 Lozingsnormen

3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie

Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.

4 Uitzondering voor een voorwas

Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:

5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen

6 Lozing van residuen van categorie X

7 Lozing van residuen van categorie Y en Z

8 Lozingen in het Antarctisch gebied

Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
Voorschrift 15. Ladingjournaal

HOOFDSTUK 5. OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen

HOOFDSTUK 6. MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN HET TOEZICHT DOOR HAVENSTATEN

Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een mariene-milieuverontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenzijde van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.

Voorschrift 4. Begeleidende papieren
1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „marine pollutant”.

2.

De door de verlader verstrekte vervoersdocumenten dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de voor vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of bijzonder manifest te beschikken dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke lijst of dergelijk manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Voor vertrek moet een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar worden gesteld.

4.

Bij elke tussenstop, wanneer er geladen of gelost wordt, ook indien het een gedeelte van de lading betreft, dienen de bijgewerkte documenten van de schadelijke stoffen die aan boord zijn genomen, met opgave van de plaats aan boord of een gedetailleerd stuwplan, voor vertrek aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar te worden gesteld.

5.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of een bijzonder manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijke stoffen. Ingeval documenten worden gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid ervan die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen

HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN

Voorschrift 13. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord1)Verwezen wordt naar de procedures voor door de havenstaat uit te oefenen controle, aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.787(19) als gewijzigd bij resolutie A.882(21); zie IMO sales publication IMO-650E.
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Voorschrift 1. Toepassing

De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16 en 18 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

HOOFDSTUK II. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN

Voorschrift 5. Onderzoeken
1.

Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:

2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.

3.

Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.

4.

De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.

5.

Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

2.

Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.

Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij
1.

Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.

Voorschrift 8. Model van het certificaat

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:

3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

9.

Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
1.

De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN

Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
1.

Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.

3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

4.

De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

5.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.

6.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.

7.

Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:

1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:

1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:

2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.

Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.

2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:

3.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

4.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:

5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:

6.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden.

7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:

7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.

7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.

7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:

8.

De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.

9.

De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.

10.

Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.

Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:

2.

Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

3.

Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:

4.

Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:

5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.

8.

In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:

9.

De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.

10.

Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
1.

Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.

2.

Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.

4.

De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.

5.

Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:

7.

Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord
1.

Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

3.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4.

Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.

5.

Niets in dit voorschrift:

6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of

6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7.

Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8.

De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.

9.

Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
1.

Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

2.

Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.

3.

Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
1.

Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.

2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:

2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.

2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.

2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.

2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.

3.

Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

4.

Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.

5.

Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

6.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.

7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.

8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.

9.

Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:

10.

Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:

11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

Voorschrift 19. Eisen voor platforms en olieboorinstallaties
1.

Met inachtneming van de bepalingen van het tweede en derde lid van dit Voorschrift dienen vaste en drijvende platforms en boorinstallaties te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.

2.

Emissies die direct voortvloeien uit de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem, zijn overeenkomstig artikel 2, derde lid, letter b, onder ii., van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten de volgende:

3.

De vereisten van Voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:

3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.

4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie

4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.

4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.

4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 40. Werkingssfeer
1.

De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer die betrokken zijn bij het overpompen van ladingolie tussen olietankschepen op zee (ship-to-ship (STS)-operaties) en hun STS-operaties uitgevoerd op of na 1 april 2012. STS-operaties die echter voor deze datum, maar na goedkeuring door de Administratie van het plan voor STS-operaties, vereist krachtens voorschrift 41.1, worden uitgevoerd, dienen voor zover mogelijk overeen te stemmen met het plan voor STS-operaties.

2.

De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het overpompen van olie in het geval van vaste of drijvende platforms, met inbegrip van boorinstallaties, drijvende productie-, opslag- en overslageenheden (FPSO's) die buitengaats worden gebruikt voor de productie en opslag van olie, en drijvende opslageenheden (FSU's) die worden gebruikt voor de opslag buitengaats van geproduceerde olie.

3.

De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bunkeroperaties.

4.

De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op STS-operaties die nodig zijn om de veiligheid van een schip te waarborgen of levens te redden op zee, of om bepaalde verontreinigingsvoorvallen te bestrijden teneinde de schade door verontreiniging tot een minimum te beperken.

5.

De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op STS-operaties indien een van de betrokken schepen een oorlogsschip, hulpschip of ander schip is dat eigendom is van of wordt geëxploiteerd door een staat, en, op dat ogenblik alleen voor niet-commerciële overheidsdiensten wordt gebruikt. Iedere staat dient door het aannemen van passende maatregelen die niet ten koste gaan van de exploitatie of operationele mogelijkheden van dergelijke schepen, evenwel te waarborgen dat de STS-operaties worden uitgevoerd op een wijze die, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, verenigbaar is met dit hoofdstuk.

Voorschrift 41. Algemene regels inzake veiligheid en milieubescherming
1.

Ieder olietankschip dat STS-operaties uitvoert dient uiterlijk op de datum van het eerste jaarlijks of tussentijds onderzoek of het hernieuwd onderzoek van het schip op of na 1 januari 2011 een plan aan boord te hebben waarin vermeld staat hoe de STS-operaties dienen te worden uitgevoerd (plan voor STS-operaties). Het plan voor STS-operaties van ieder olietankschip dient door de Administratie te worden goedgekeurd. Het plan voor STS-operaties dient te zijn geschreven in de werktaal aan boord van het schip.

2.

Het plan voor STS-operaties wordt opgesteld rekening houdend met de gegevens uit de richtlijnen voor beste praktijken voor STS-operaties die door de Organisatie zijn vastgesteld. Het plan voor STS-operaties kan worden opgenomen in een bestaand Veiligheidsmanagementsysteem, vereist krachtens hoofdstuk IX van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, indien dit vereiste van toepassing is op het desbetreffende olietankschip.

3.

Ieder olietankschip waarop dit hoofdstuk van toepassing is dat STS-operaties uitvoert, dient aan het plan voor STS-operaties te voldoen.

4.

De persoon belast met advisering en algeheel toezicht bij STS-operaties is bevoegd tot het uitvoeren van alle relevante taken, overeenkomstig de bevoegdheden vervat in de richtlijnen voor beste praktijken voor STS-operaties die door de Organisatie zijn vastgesteld.

5.

Verslagen van STS-operaties dienen gedurende drie jaar aan boord te worden bewaard en onmiddellijk beschikbaar te zijn voor inspectie door een partij bij dit Verdrag.

Voorschrift 42. Kennisgeving
1.

Ieder olietankschip waarop dit hoofdstuk van toepassing is waarmee beoogd wordt STS-operaties uit te voeren in de territoriale zee of de exclusieve economische zone van een partij bij dit Verdrag, dient die partij niet minder dan 48 uur van tevoren in kennis te stellen van de geplande STS-operaties. Wanneer, in uitzonderlijke gevallen, alle in het tweede lid genoemde informatie niet ten minste 48 uur van tevoren beschikbaar is, dient het olietankschip dat de ladingolie lost de partij bij dit Verdrag niet minder dan 48 uur van te voren ervan in kennis stellen dat er een STS-operatie zal plaatsvinden en dat de in het tweede lid genoemde informatie zo spoedig mogelijk aan de partij zal worden verstrekt.

2.

De in het eerste lid van dit voorschrift genoemde kennisgevingbevat ten minste de volgende gegevens:

3.

Indien de verwachte tijd van aankomst van een olietankschip op de locatie of in het gebied waar de STS-operaties zullen plaatsvinden meer dan zes uur verschuift, dient de kapitein, reder of scheepsagent van het olietankschip de aangepaste verwachte tijd van aankomst door te geven aan de partij bij dit Verdrag die in het eerste lid van dit voorschrift wordt genoemd.

HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE VEREISTEN VOOR HET GEBRUIK OF VERVOER VAN OLIE IN HET ANTARCTISCH GEBIED

HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen

Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.

Voorschrift 8. Onderzoeken
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.

1 Lozingsbepalingen

2 Lozingsnormen

3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie

Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.

4 Uitzondering voor een voorwas

Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:

5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen

6 Lozing van residuen van categorie X

7 Lozing van residuen van categorie Y en Z

8 Lozingen in het Antarctisch gebied

Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
Voorschrift 15. Ladingjournaal
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen

HOOFDSTUK 7. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN EEN INCIDENT MET SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN

Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een mariene-milieuverontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.

2.

De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenzijde van de verpakking.

3.

Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.

Voorschrift 4. Begeleidende papieren
1.

In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „marine pollutant”.

2.

De door de verlader verstrekte vervoersdocumenten dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de voor vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

3.

Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of bijzonder manifest te beschikken dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke lijst of dergelijk manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Voor vertrek moet een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar worden gesteld.

4.

Bij elke tussenstop, wanneer er geladen of gelost wordt, ook indien het een gedeelte van de lading betreft, dienen de bijgewerkte documenten van de schadelijke stoffen die aan boord zijn genomen, met opgave van de plaats aan boord of een gedetailleerd stuwplan, voor vertrek aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar te worden gesteld.

5.

Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of een bijzonder manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijke stoffen. Ingeval documenten worden gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.

Voorschrift 5. Stuwage

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid ervan die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen

HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen

HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 13. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord1)Verwezen wordt naar de procedures voor door de havenstaat uit te oefenen controle, aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.787(19) als gewijzigd bij resolutie A.882(21); zie IMO sales publication IMO-650E.
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Voorschrift 1. Toepassing

De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16 en 18 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

HOOFDSTUK II. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN

Voorschrift 5. Onderzoeken
1.

Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:

2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.

3.

Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.

4.

De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.

5.

Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

2.

Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.

Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij
1.

Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.

Voorschrift 8. Model van het certificaat

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:

3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

9.

Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
1.

De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK III. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN

Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
1.

Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.

3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

4.

De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

5.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.

6.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.

7.

Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:

1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:

1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:

2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.

Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.

2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:

3.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

4.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:

5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:

6.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden.

7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:

7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.

7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.

7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:

8.

De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.

9.

De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.

10.

Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.

Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:

2.

Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

3.

Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:

4.

Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:

5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.

8.

In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:

9.

De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.

10.

Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
1.

Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.

2.

Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.

4.

De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.

5.

Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:

7.

Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord
1.

Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

3.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4.

Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.

5.

Niets in dit voorschrift:

6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of

6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7.

Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8.

De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.

9.

Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
1.

Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

2.

Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.

3.

Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
1.

Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.

2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:

2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.

2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.

2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.

2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.

3.

Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

4.

Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.

5.

Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

6.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.

7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.

8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.

9.

Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:

10.

Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:

11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:

3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.

4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie

4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.

4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.

4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 43. Bijzondere vereisten voor het gebruik of vervoer van olie in het Antarctisch gebied
1.

Met uitzondering van schepen die ingezet worden bij het waarborgen van de veiligheid van schepen of bij een opsporings- en reddingsoperatie, is het vervoer in bulk als lading of het vervoer en gebruik van brandstof van het volgende:

verboden in het Antarctisch gebied, zoals omschreven in Bijlage I, voorschrift 1.11.7.

2.

Indien eerdere operationele handelingen het vervoer of het gebruik van de in paragraaf 1.1 tot en met 1.3 van dit voorschrift genoemde olieproducten hebben ingehouden, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen
Voorschrift 4. Ontheffingen
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen

HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN

Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen

Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.

Voorschrift 8. Onderzoeken
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.

1 Lozingsbepalingen

2 Lozingsnormen

3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie

Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.

4 Uitzondering voor een voorwas

Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:

5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen

6 Lozing van residuen van categorie X

7 Lozing van residuen van categorie Y en Z

8 Lozingen in het Antarctisch gebied

Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
Voorschrift 15. Ladingjournaal
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen

HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN

Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
Voorschrift 1. Toepassing
1.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.

2.

Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.

3.

De regering van elke partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.

4.

Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.

5.

De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.

Voorschrift 2. Verpakking

Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.

Voorschrift 3. Merken en etiketteren
1.

Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dienen duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd teneinde in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code aan te geven dat de stof een schadelijke stof is.

2.

De wijze van merken of het aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code.

Voorschrift 4. Begeleidende papieren
1.

Transportinformatie over het vervoer van schadelijke stoffen dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code en dient ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.

2.

Op elk schip dat schadelijke stoffen vervoert dient een bijzondere lijst, een manifest of een gedetailleerd stuwplan aanwezig te zijn waarin in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code de schadelijke stoffen aan boord en de locatie ervan zijn vermeld. Voor vertrek dient een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie ter beschikking te worden gesteld.

Voorschrift 5. Stuwen

Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.

Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid

Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.

2.

Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de fysische, chemische en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.

Voorschrift 8. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij bevindt wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door die partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan wordt aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord.

2.

Wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen, neemt de partij maatregelen, waaronder het verrichten van een gedetailleerde inspectie en ziet er indien nodig op toe dat het schip niet uitvaart, voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:

Voorschrift 2. Toepassing
Voorschrift 3. Uitzonderingen
Voorschrift 4. Onderzoeken
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
Voorschrift 7. Model van het certificaat

Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
Omschrijving Afmetingen
Uitwendige diameter 210 mm
Inwendige diameter overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding
Diameter van de steekcirkel van de bouten 170 mm
Sleuven in flens 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn.
Flensdikte 16 mm
Bouten en moeren: aantal en diameter 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte
De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
1.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:

2.

Het bepaalde in paragraaf 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.

3.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:

4.

Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere Bijlagen van MARPOL van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.

Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen

HOOFDSTUK 5. DOOR DE HAVENSTAAT UIT TE OEFENEN CONTROLE

Voorschrift 13. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord1)Verwezen wordt naar de procedures voor door de havenstaat uit te oefenen controle, aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.787(19) als gewijzigd bij resolutie A.882(21); zie IMO sales publication IMO-650E.
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 1. Omschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 2. Toepassing

Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.

Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Voorschrift 6. Uitzonderingen

De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALINGEN

Voorschrift 1. Toepassing

De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16 en 18 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

HOOFDSTUK II. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN

Voorschrift 5. Onderzoeken
1.

Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:

2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.

3.

Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.

4.

De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.

5.

Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

2.

Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.

Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij
1.

Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.

Voorschrift 8. Model van het certificaat

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:

3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

9.

Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
1.

De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK III. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN

Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
1.

Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.

3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

4.

De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

5.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.

6.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.

7.

Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:

1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:

1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:

2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.

Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.

2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:

3.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

4.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:

5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:

6.

Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder gebieden voor emissiebeheersing:

7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:

7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.

7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.

7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:

8.

De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.

9.

De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.

10.

Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.

Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:

2.

Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

3.

Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:

4.

Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:

5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.

8.

In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:

9.

De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.

10.

Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
1.

Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.

2.

Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.

4.

De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.

5.

Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:

7.

Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord
1.

Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

3.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4.

Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.

5.

Niets in dit voorschrift:

6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of

6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7.

Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8.

De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.

9.

Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
1.

Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

2.

Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.

3.

Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
1.

Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.

2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:

2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.

2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.

2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.

2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.

3.

Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

4.

Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.

5.

Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

6.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.

7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.

8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.

9.

Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:

10.

Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:

11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:

3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.

4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie

4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.

4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.

4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.

Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden
1.

Elke partij waarvan de kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat:

2.

De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 11.3 ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.

HOOFDSTUK 5. DOOR DE HAVENSTAAT UIT TE OEFENEN CONTROLE

Voorschrift 14. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 5. Bijzondere vereisten voor het lozen van vuilnis vanaf vaste of drijvende platforms
1.

Behoudens de bepalingen van paragraaf 2 van dit voorschrift, is het verboden vuilnis in zee te lozen vanaf vaste of drijvende platforms alsmede vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.

2.

Er mogen wel voedselresten in zee worden geloosd vanaf vaste of drijvende platforms die zich op meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevinden en vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden, op voorwaarde dat de voedselresten door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.

Voorschrift 6. Lozen van vuilnis binnen bijzondere gebieden
1.

Het lozen van het onderstaande vuilnis in zee binnen bijzondere gebieden is uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en op de volgende wijze:

2.

Schoonmaakmiddelen of additieven die zijn opgenomen in het waswater van dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar uitsluitend indien deze stoffen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.

3.

De volgende regels (in aanvulling op de regels van paragraaf 1 van dit voorschrift) zijn van toepassing op het Antarctisch gebied:

4.

Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.

Voorschrift 7. Uitzonderingen
1.

De voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

2.

Uitzondering voor schepen onderweg

Voorschrift 8. Ontvangstinstallaties
1.

Elke partij verbindt zich ertoe te waarborgen dat havens en laad- en losplaatsen zijn voorzien van toereikende installaties voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van schepen te veroorzaken, volgens de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.

2.

Ontvangstinstallaties binnen bijzondere gebieden

2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:

3.

Elke partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de installaties die ingevolge de bepalingen van dit voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, waarna de Organisatie de betrokken Verdragsluitende Partijen op de hoogte stelt.

Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij wordt onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door bedoelde partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde operationele vereisten, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.

Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal
2.

Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.

3.

Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal dient, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, te zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage:

4.

De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:

5.

De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.

6.

Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.

HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN

Voorschrift 1. Toepassing

De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16, 18, 19, 20, 21 en 22 van deze Bijlage.

Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Bijlage:

Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:

Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
1.

De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:

2.

De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:

3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:

3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.

Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
1.

De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.

2.

De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.

3.

De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.

4.

De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.

Voorschrift 5. Onderzoeken
1.

Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie en ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van Hoofdstuk 3 wordt voldaan:

2.

In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van Hoofdstuk 3 wordt voldaan.

3.

Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.

4.

Schepen waarop Hoofdstuk 4 van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren:

5.

De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.

6.

Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.

Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:

2.

Aan een schip gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van het betreffende schip dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met paragraaf 1 van dit voorschrift te worden afgegeven.

3.

Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.

4.

Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5.4 afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 of meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.

5.

Het certificaat wordt afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.

Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij
1.

Een partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien te haren genoegen vaststaat dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op dergelijke certificaten van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.

2.

Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.

3.

Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.

4.

Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.

Voorschrift 8. Model van de certificaten
1.

Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

2.

Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel VIII bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.

Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van de certificaten
1.

Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.

2.

Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:

3.

Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.

4.

Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.

5.

Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

6.

Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.

7.

Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.

8.

Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:

9.

Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

10.

Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.

11.

Een ingevolge deze Bijlage afgegeven Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:

Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
1.

Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.

2.

In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.

3.

De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.

4.

Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.

5.

Met betrekking tot Hoofdstuk 4 is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan boord is in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag.

Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
1.

De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.

2.

Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.

3.

Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.

4.

Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.

5.

Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.

6.

De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.

HOOFDSTUK 3. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN

Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
1.

Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.

2.

Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.

3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:

4.

De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.

5.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.

6.

Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.

7.

Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:

Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)

1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:

1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:

1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:

2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:

3.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

4.

Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:

5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:

6.

Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:

7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:

7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.

7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift.

7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):

7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:

8.

De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.

9.

De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.

Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
1.

Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:

2.

Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.

3.

Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:

4.

Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:

5.

Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.

6.

Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.

7.

Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.

8.

In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:

9.

De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.

10.

Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.

Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
1.

Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.

2.

Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.

3.

Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.

4.

De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.

5.

Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.

6.

Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:

7.

Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.

Voorschrift 16. Verbranding aan boord
1.

Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.

2.

Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:

3.

Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.

4.

Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.

5.

Niets in dit voorschrift:

6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of

6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.

7.

Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.

8.

De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.

9.

Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.

Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
1.

Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:

1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan Partijen bij dit Verdrag, over:

2.

Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.

3.

Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.

Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
1.

Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.

2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:

2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.

2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.

2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.

2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.

3.

Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:

4.

Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.

5.

Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.

6.

De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.

7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.

7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.

8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.

8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.

9.

Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:

10.

Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:

11.

Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.

HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE ENERGIE-EFFICIËNTIE VOOR SCHEPEN

Voorschrift 19. Toepassing
1.

Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer.

2.

De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:

3.

De voorschriften 20 en 21 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 20 en 21 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en lng-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2. De voorschriften 20 en 21 zijn niet van toepassing op vrachtschepen die in staat zijn ijs te breken.

4.

Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 20 en voorschrift 21 voor een schip met een brutotonnage van 400 of meer.

5.

De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer:

6.

De Administratie van een partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de partijen bij dit Protocol ter kennisneming.

Voorschrift 20. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
1.

De bereikte EEDI wordt berekend voor:

2.

De bereikte EEDI wordt berekend met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.

Voorschrift 21. Vereiste EEDI
1.

Voor elk:

2.

Voor elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van paragraaf 21.1, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.

Scheepstype Omvang Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 Fase 3 1 jan 2025 en daarna
Bulkcarrier 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Bulkcarrier 10.000 – 20.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–201) 0–301)
Gastanker 10.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Gastanker 2.000 – 10.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–201) 0–301)
Tankschip 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Tankschip 4.000 – 20.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–201) 0–301)
Containerschip 15.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Containerschip 10.000 – 15.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–201) 0–301)
Algemeen vrachtschip 15.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 15 30
Algemeen vrachtschip 3.000 – 15.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–151) 0–301)
Koelschip 5.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 15 30
Koelschip 3.000 – 5.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–151) 0–301)
Combinatietanker 20.000 ton draagvermogen en hoger 0 10 20 30
Combinatietanker 4.000 – 20.000 ton draagvermogen n.v.t. 0–101) 0–201) 0–301)
Lng-tanker*** 10.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t 10** 20 30
Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen)*** 10.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5** 15 30
Rorovrachtschip*** 2.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5** 20 30
Rorovrachtschip*** 1.000 – 2.000 ton draagvermogen n.v.t. 0-5*** 0-20* 0-30*
Roropassagiersschip*** 1.000 ton draagvermogen en hoger n.v.t. 5** 20 30
Roropassagiersschip*** 250 – 1.000 ton draagvermogen n.v.t. 0-5*** 0-20* 0-30*
Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing Brutotonnage 85.000 en hoger n.v.t. 5** 20 30
Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing Brutotonnage 25.000 – 85.000 n.v.t. 0-5*** 0-20* 0-30*

1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.

n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.

** Fase 1 begint voor deze schepen op 1 september 2015.

*** De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2.

Noot: n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.

3.

De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:

Waarde referentielijn = a ×b -c

waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.

Scheepstype omschreven in voorschrift 2 a b c
2.25 Bulkcarrier 961,79 draagvermogen van het schip 0,477
2.26 Gastanker 1120,00 draagvermogen van het schip 0,456
2.27 Tankschip 1218,80 draagvermogen van het schip 0,488
2.28 Containerschip 174,22 draagvermogen van het schip 0,201
2.29 Algemeen vrachtschip 107,48 draagvermogen van het schip 0,216
2.30 Koelschip 227,01 draagvermogen van het schip 0,244
2.31 Combinatietanker 1219,00 draagvermogen van het schip 0,488
2.33 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) (draagvermogen/brutotonnage)-0,7 780,36 waarbij draagvermogen/ brutotonnage <0.3 1812,63 waarbij draagvermogen/brutotonnage ≥0.3 draagvermogen van het schip 0,471
2.34 Rorovrachtschip 1405,15 draagvermogen van het schip 0,498
2.35 Roropassagiersschip 752,16 draagvermogen van het schip 0,381
2.38 Lng-tanker 2253,7 draagvermoge van het schip 0,474
2.39 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing 170,84 brutotonnage van het schip 0,214
4.

Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (laagste) vereiste EEDI.

5.

Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren, te handhaven.

6.

Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.

Voorschrift 22. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)
1.

Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnd energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip.

2.

Het SEEMP moet worden ontwikkeld met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren.

Voorschrift 23. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
1.

In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.

2.

De Administratie van een partij werkt actief samen met andere partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.

1. Doelstellingen

1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.

1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.

1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.

2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.

2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.

3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing

3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:

3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.

4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie

4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.

4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.

4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.

5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing

5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.

DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.