Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973, zoals gewijzigd door het Protocol van 1978 daarbij
De Partijen bij het Verdrag,
Zich bewust van de noodzaak tot behoud van het milieu in het algemeen en van het mariene milieu in het bijzonder,
Erkennend dat het opzettelijk, onachtzaam, dan wel bij ongeluk, lozen van olie en andere schadelijke stoffen door schepen een ernstige bron van verontreiniging vormt,
Voorts erkennend het belang van het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, als de eerste multilaterale overeenkomst die werd gesloten met de bescherming van het milieu als voornaamste oogmerk en haar waardering uitsprekende voor de belangrijke bijdrage die genoemd Verdrag heeft geleverd aan het behoeden van de zeeën en de kustgebieden voor verontreiniging,
Geleid door de wens een einde te maken aan de opzettelijke verontreiniging van het mariene milieu door olie en andere schadelijke stoffen, en de lozing bij ongeluk van dergelijke stoffen tot een minimum te beperken,
Overwegende dat dit doel het beste kan worden bereikt door het opstellen van regels met een universele strekking die niet beperkt zijn tot verontreiniging door olie,
Zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1. Algemene verplichtingen krachtens het Verdrag
(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag en van die Bijlagen daarbij door welke zij zijn gebonden, ter voorkoming van de verontreiniging van het mariene milieu door het lozen van schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, in strijd met dit Verdrag.
(2). Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald houdt elke verwijzing naar dit Verdrag tegelijkertijd een verwijzing in naar de Protocollen en Bijlagen daarbij.
Artikel 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Verdrag hebben de onderstaande uitdrukkingen de volgende betekenis, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald:
- (1). „Voorschriften”: de voorschriften vervat in de Bijlagen bij dit Verdrag.
- (2). „Schadelijke stof”: elke stof die, indien zij in de zee terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan de zeeflora en -fauna, de recreatiemogelijkheid die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op ander rechtmatig gebruik van de zee; de term omvat elke stof die op grond van dit Verdrag aan toezicht is onderworpen.
- (3).
- (a). „Lozen”, wanneer het betrekking heeft op schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten: elk vrijkomen van dergelijke stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, met inbegrip van ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, lekken, pompen, storten of ledigen;
- (b). onder „lozen” wordt niet verstaan:
- (i). het storten in de zin van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door het storten van afval en vuil, gedaan te Londen op 13 november 1972; of
- (ii). het vrijkomen van schadelijke stoffen als rechtstreeks gevolg van de exploratie, exploitatie en bijbehorende verwerking op zee van mineralen die zich in de zeebodem bevinden; of
- (iii). het vrijkomen van schadelijke stoffen ten behoeve van rechtmatig wetenschappelijk onderzoek gericht op het bestrijden of beperken van verontreiniging.
- (4). „Schip”: elk vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert, waaronder begrepen: draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen, vaartuigen in drijvende toestand, alsmede vaste en drijvende platforms.
- (5). „Administratie”: de Regering van de Staat aan wiens gezag het schip is onderworpen. Wat betreft schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Staat te voeren, is „Administratie” de Regering van de betrokken Staat. Wat betreft vaste of drijvende platforms bestemd voor de exploratie en exploitatie van de aan de kust grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan, waarover de kuststaat soevereine rechten uitoefent ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen, is de „Administratie” de Regering van de betrokken kuststaat.
- (6). „Voorval”: een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat schadelijke stoffen dan wel vloeistoffen welke dergelijke stoffen bevatten, in zee worden geloosd.
- (7). „Organisatie”: de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie.
Artikel 3. Toepassing
(1). Dit Verdrag is van toepassing op:
- (a). schepen die gerechtigd zijn de vlag van een Partij bij het Verdrag te voeren, en
- (b). schepen die niet gerechtigd zijn de vlag van een Partij te voeren, maar wel aan het gezag van een Partij zijn onderworpen.
(2). Niets in dit artikel mag zo worden uitgelegd dat het afbreuk doet of uitbreiding geeft aan de soevereine rechten die de Partijen krachtens internationaal recht op de aan hun kusten grenzende zeebodem en de ondergrond daarvan hebben ten behoeve van de exploratie en de exploitatie van hun natuurlijke rijkdommen.
(3). Dit Verdrag is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marine-hulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een Staat die, tijdelijk, uitsluitend worden ingezet voor niet-commerciële overheidsdienst. Elke Partij waarborgt evenwel, door het nemen van passende maatregelen die de werkzaamheden of de operationele kwaliteiten van dergelijke schepen in haar eigendom of beheer niet aantasten, dat dergelijke schepen, voor zover redelijk en uitvoerbaar, opereren in overeenstemming met dit Verdrag.
Artikel 4. Overtreding
(1). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van de Administratie van het betrokken schip, ongeacht waar de overtreding zich voordoet. Indien de Administratie van een dergelijke overtreding op de hoogte is gesteld en ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, neemt zij ten spoedigste dergelijke stappen overeenkomstig haar wetgeving.
(2). Elke overtreding van de bepalingen van dit Verdrag binnen de rechtsmacht van een Partij bij het Verdrag wordt verboden en strafbaar gesteld krachtens de wetgeving van die Partij. Wanneer zich een dergelijke overtreding voordoet,
- (a). stelt de betrokken Partij een rechtsvervolging in krachtens de eigen wet, ofwel
- (b). verschaft de betrokken Partij de Administratie van het schip de inlichtingen en het bewijsmateriaal waarover zij beschikt, om aan te tonen dat zich een overtreding heeft voorgedaan.
(3). In gevallen waarin de inlichtingen of het bewijsmateriaal met betrekking tot enige schending van dit Verdrag door een schip, worden verschaft aan de Administratie van dat schip, stelt de Administratie de Partij die de inlichtingen of het bewijsmateriaal heeft verschaft, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.
(4). De ingevolge dit artikel krachtens de wetten van een Partij vastgestelde straffen dienen streng genoeg te zijn om schending van dit Verdrag tegen te gaan; zij dienen even streng te zijn, ongeacht het gebied waar de schending zich voordoet.
Artikel 5. Certificaten en bijzondere regels voor de inspectie van schepen
(1). Behoudens het bepaalde in het tweede lid van dit artikel wordt een certificaat, afgegeven op gezag van een Partij bij het Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de Voorschriften, door de overige Partijen aanvaard en voor alle doeleinden van dit Verdrag beschouwd als gelijkwaardig aan een door hen afgegeven certificaat.
(2). Een schip dat krachtens de bepalingen van de Voorschriften een dergelijk certificaat moet bezitten, is, wanneer het zich in de haven of op een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een Partij bevindt, onderworpen aan inspectie door terzake bevoegde ambtenaren van die Partij. Een dergelijke inspectie dient beperkt te blijven tot het nagaan of zich een geldig certificaat aan boord bevindt, tenzij er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen, dat de staat van het schip of van zijn uitrusting niet wezenlijk overeenstemt met de gegevens van dat certificaat. In dat geval, of indien het schip geen geldig certificaat aan boord heeft, zal de inspecterende Partij de noodzakelijke maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat het schip niet uitvaart totdat het in staat is zee te kiezen zonder een buitensporige bedreiging te vormen voor het mariene milieu. De betrokken Partij kan echter een dergelijk schip toestemming geven de haven of de laad- of losplaats buitengaats te verlaten om naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te varen.
(3). Indien een Partij een buitenlands schip de toegang tot een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht ontzegt, dan wel maatregelen tegen een dergelijk schip neemt omdat het niet voldoet aan de bepalingen van dit Verdrag, geeft die Partij daarvan onverwijld kennis aan de consul of de diplomatieke vertegenwoordiger van de Partij waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren of, zo dit niet mogelijk is, aan de Administratie van het betrokken schip. Alvorens de toegang te ontzeggen of dergelijke stappen te ondernemen, kan de Partij verzoeken om overleg met de Administratie van het betrokken schip.
De Administratie wordt ook ingelicht indien een schip geen geldig certificaat overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften aan boord heeft.
(4). Ten aanzien van de schepen van Staten die geen Partij zijn bij het Verdrag passen de Partijen de bepalingen van dit Verdrag toe, voor zover nodig is om te verzekeren dat dergelijke schepen geen gunstiger behandeling krijgen.
Artikel 6. Opsporing van overtredingen en handhaving van de bepalingen van het Verdrag
(1). De Partijen bij het Verdrag werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van dit Verdrag, daarbij gebruik makend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en het verzamelen van bewijsmateriaal.
(2). Een schip waarop dit Verdrag van toepassing is kan in elke haven of op elke laad- en losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het betrokken schip schadelijke stoffen heeft geloosd in strijd met de bepalingen van de Voorschriften. Indien bij de inspectie schending van het Verdrag blijkt, wordt de Administratie een rapport toegezonden met het oog op het nemen van passende maatregelen.
(3). Alle Partijen verschaffen de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van de Voorschriften schadelijke stoffen of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten heeft geloosd.
Indien mogelijk stelt het bevoegde gezag van de betrokken Partij de gezagvoerder van het schip in kennis van de beweerde overtreding.
(4). Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht om aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de beweerde overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om een rechtsvervolging in te stellen met betrekking tot de beweerde overtreding, stelt zij ten spoedigste een dergelijke rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de beweerde overtreding heeft gerapporteerd, alsmede de Organisatie, onverwijld in kennis van de genomen stappen.
(5). Een Partij kan tevens een schip waarop dit Verdrag van toepassing is inspecteren wanneer dit een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van enige Partij is ontvangen, te zamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip ergens schadelijke stoffen, of vloeistoffen die dergelijke stoffen bevatten, heeft geloosd. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die heeft verzocht dit onderzoek in te stellen en aan de Administratie, opdat krachtens de bepalingen van dit Verdrag de juiste stappen kunnen worden genomen.
Artikel 7. Onnodig oponthoud van schepen
(1). Al het mogelijke wordt gedaan om te vermijden dat een schip door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag onnodig wordt opgehouden of vertraagd.
(2). Indien, door de toepassing van de artikelen 4, 5 of 6 van dit Verdrag, een schip onnodig wordt opgehouden of vertraagd, is het gerechtigd aanspraak te maken op vergoeding van enig geleden verlies of schade.
Artikel 8. Melding van voorvallen met schadelijke stoffen
(1). Een voorval wordt onverwijld en zo uitgebreid mogelijk gemeld overeenkomstig de bepalingen van Protocol I bij dit Verdrag.
(2). Elke Partij bij het Verdrag dient:
- (a). alle noodzakelijke regelingen te treffen zodat een ter zake kundig ambtenaar of orgaan alle meldingen omtrent voorvallen ontvangt en verwerkt; en
- (b). de Organisatie in kennis te stellen van de volledige bijzonderheden van dergelijke regelingen, ter verspreiding onder de andere Partijen en Lid-Staten van de Organisatie.
(3). Wanneer een Partij een melding ontvangt krachtens de bepalingen van dit artikel, zendt zij deze melding onverwijld door aan:
- (a). de Administratie van het betrokken schip; en
- (b). elke andere Staat die erbij betrokken kan zijn.
(4). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe, aan haar inspectievaartuigen en -vliegtuigen, alsmede aan andere hiertoe geëigende diensten instructies uit te vaardigen, om aan haar bevoegde instanties elk voorval te melden als bedoeld in Protocol I bij dit Verdrag. Indien zij daartoe aanleiding ziet, brengt deze Partij dienovereenkomstig verslag uit aan de Organisatie, alsmede aan elke andere betrokken Partij.
Artikel 9. Andere Verdragen en Uitlegging
(1). Na inwerkingtreding vervangt dit Verdrag het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie, 1954, zoals gewijzigd, ten aanzien van de Partijen bij laatstgenoemd Verdrag.
(2). Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie van de Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen ingevolge Resolutie 2750 C(XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, noch aan de huidige en toekomstige aanspraken en juridische opvattingen van enige Staat met betrekking tot het zeerecht en de aard en omvang van de rechtsmacht van kuststaten en vlaggestaten.
(3). De term „rechtsmacht” wordt in dit Verdrag uitgelegd in overeenstemming met het internationaal recht, geldend ten tijde van toepassing of uitlegging van dit Verdrag.
Artikel 10. Beslechting van geschillen
Elk geschil tussen twee of meer Partijen bij het Verdrag over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet door onderhandeling tussen de betrokken Partijen kan worden beslecht, wordt, tenzij de Partijen anders beslissen, op verzoek van een der Partijen voorgelegd aan een scheidsgerecht overeenkomstig het bepaalde in Protocol II bij dit Verdrag.
Artikel 11. Verstrekken van inlichtingen
(1). De Partijen bij het Verdrag verbinden zich tot het mededelen aan de Organisatie van:
- (a). de teksten van wetten, besluiten, beschikkingen en voorschriften, alsmede andere akten, uitgevaardigd met betrekking tot de verschillende aangelegenheden binnen de werkingssfeer van dit Verdrag;
- (b). een lijst van benoemde experts of van erkende organisaties die gemachtigd zijn namens de Partij op te treden bij de uitvoering van aangelegenheden verband houdend met het ontwerp, de bouw, de uitrusting en het gebruik van schepen die schadelijke stoffen vervoeren overeenkomstig de bepalingen van de Voorschriften, welke lijst aan de Partijen wordt verstrekt ter voorlichting van hun ambtenaren. De Administratie licht derhalve de Organisatie in omtrent de bijzondere verantwoordelijkheden en de voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden van benoemde experts of erkende organisaties;
- (c). een voldoende aantal voorbeelden van de certificaten door hen uitgegeven krachtens de bepalingen van de Voorschriften;
- (d). een lijst van ontvangstinstallaties met aanduiding van hun ligging, capaciteiten en beschikbare faciliteiten, alsmede van andere gegevens;
- (e). officiële rapporten, of samenvattingen daarvan, voor zover daarin de resultaten van de toepassing van dit Verdrag zijn weergegeven; en
- (f). een statistisch jaaroverzicht, in een door de Organisatie vastgestelde standaardvorm, van wegens overtreding van Voorschriften van dit Verdrag opgelegde straffen.
(2). De Organisatie stelt de Partijen in kennis van de ontvangst van alle mededelingen gedaan krachtens dit artikel en verspreidt alle haar krachtens het eerste lid, onder (b) t/m (f) van dit artikel medegedeelde gegevens onder alle Partijen.
Artikel 12. Scheepsongevallen
(1). Elke Administratie verbindt zich tot het instellen van een onderzoek naar alle ongevallen waarbij een van haar schepen betrokken is waarop de bepalingen van de Voorschriften van toepassing zijn, indien een dergelijk ongeval een zeer schadelijke invloed heeft veroorzaakt op het mariene milieu.
(2). Elke Partij bij het Verdrag verbindt zich ertoe de Organisatie gegevens te verstrekken omtrent de resultaten van een dergelijk onderzoek, wanneer deze Partij van mening is dat deze gegevens van nut kunnen zijn bij het vaststellen welke wijzigingen in dit Verdrag wenselijk zouden kunnen zijn.
Artikel 13. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
(1). Dit Verdrag staat van 15 januari 1974 tot 31 december 1974 op de zetel van de Organisatie open voor ondertekening en blijft daarna open voor toetreding. Staten kunnen Partij bij dit Verdrag worden door:
- (a). ondertekening zonder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (b). ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- (c). toetreding.
(2). Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
(3). De Secretaris-Generaal van de Organisatie geeft alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van elke ondertekening of van de nederlegging van elke nieuwe akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding en van de datum van deze nederlegging.
Artikel 14. Facultatieve Bijlagen
(1). Op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag kan een Staat verklaren dat hij een of meer van de Bijlagen III, IV en V (hierna te noemen „Facultatieve Bijlagen”) dan wel al deze Bijlagen van dit Verdrag niet aanvaardt. Behoudens het bovenstaande zijn de Partijen bij het Verdrag gebonden door elke bijlage in zijn geheel.
(2). Een Staat die heeft verklaard zich niet gebonden te achten door een Facultatieve Bijlage kan te allen tijde een dergelijke Bijlage aanvaarden door nederlegging van een akte bij de Organisatie zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid.
(3). Een Staat die een verklaring krachtens het eerste lid van dit artikel aflegt met betrekking tot een Facultatieve Bijlage en deze Bijlage niet naderhand heeft aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zal aan geen enkele verplichting onderworpen zijn noch gerechtigd zijn aanspraak te maken op voorrechten voortvloeiend uit dit Verdrag ten aanzien van aangelegenheden waarop een zodanige Bijlage betrekking heeft; ook zullen alle verwijzingen naar Partijen bij dit Verdrag niet op die Staat van toepassing zijn voor zover daarbij sprake is van aangelegenheden deze Bijlagen betreffende.
(4). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden kennis van elke verklaring krachtens dit artikel, alsmede van de ontvangst van elke akte nedergelegd overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
Artikel 15. Inwerkingtreding
(1). Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop niet minder dan vijftien Staten waarvan de koopvaardijvloten te zamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot, Partij bij dit Verdrag zijn geworden overeenkomstig artikel 13.
(2). Een Facultatieve Bijlage treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel met betrekking tot die Bijlage is voldaan.
(3). De Organisatie geeft de Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden, kennis van de datum waarop het Verdrag in werking treedt en van de datum waarop een Facultatieve Bijlage in werking treedt overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
(4). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag of tot een Facultatieve Bijlage hebben nedergelegd, nadat aan de voorwaarden voor inwerkingtreding daarvan is voldaan, doch vóór de datum van inwerkingtreding, wordt de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding van kracht op de datum van inwerkingtreding van het Verdrag of van die Bijlage, dan wel drie maanden na de datum van nederlegging van de akte, indien deze datum later valt.
(5). Voor Staten die een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd na de datum waarop het Verdrag of een Facultatieve Bijlage in werking is getreden, wordt het Verdrag of de Facultatieve Bijlage van kracht drie maanden na de datum waarop de akte is nedergelegd.
(6). Na de datum waarop is voldaan aan alle in artikel 16 genoemde voorwaarden om wijzigingen van dit Verdrag of van een Facultatieve Bijlage in werking te doen treden, heeft elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding betrekking op het Verdrag of de Bijlage, zoals gewijzigd.
Artikel 16. Wijzigingen
(1). Dit Verdrag kan worden gewijzigd door middel van een der in de volgende leden genoemde procedures.
(2). Wijziging na behandeling door de Organisatie:
- (a). elke door een Partij bij het Verdrag voorgestelde wijziging wordt aan de Organisatie voorgelegd en ten minste zes maanden vóór de behandeling ervan door de Secretaris-Generaal verspreid onder alle Partijen;
- (b). elke aldus voorgestelde en verspreide wijziging wordt door de Organisatie voor behandeling voorgelegd aan een ter zake ingestelde commissie;
- (c). de Partijen bij het Verdrag zijn, ongeacht of zij lid zijn van de Organisatie, gerechtigd deel te nemen aan de behandeling door deze commissie;
- (d). wijzigingen worden aangenomen bij een twee derde meerderheid van de stemmen van de Partijen bij het Verdrag die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen;
- (e). indien aangenomen overeenkomstig het bepaalde onder (d), worden de wijzigingen door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ter goedkeuring voorgelegd aan alle Partijen bij het Verdrag;
- (f). een wijziging wordt geacht te zijn aanvaard in de volgende gevallen:
- (i). een wijziging van een artikel van het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop deze is aanvaard door twee derde van de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot;
- (ii). een wijziging van een Bijlage bij het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de procedure omschreven onder letter (f) (iii), tenzij de terzake ingestelde commissie ten tijde van de aanvaarding bepaalt dat de wijziging wordt geacht te zijn aanvaard op de datum waarop deze is aanvaard door twee derde van de Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot. Niettemin kan een Partij, op elk tijdstip vóór de inwerkingtreding van een wijziging van een Bijlage bij het Verdrag, de Secretaris-Generaal van de Organisatie mededelen dat de wijziging de uitdrukkelijke goedkeuring van de Partij behoeft alvorens voor haar in werking te treden. De Secretaris-Generaal brengt deze mededeling en de datum van ontvangst ervan ter kennis van de Partijen;
- (iii). een wijziging van een Aanhangsel van een Bijlage bij het Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard na het verstrijken van een door de terzake ingestelde commissie ten tijde van de aanvaarding van de wijziging te bepalen tijdvak, dat niet korter mag zijn dan tien maanden, tenzij binnen dat tijdvak bij de Organisatie bezwaar is aangetekend door ten minste een derde van de Partijen of door Partijen waarvan de koopvaardijvloten tezamen ten minste vijftig procent vormen van de bruto tonnage van de wereldkoopvaardijvloot; de voorwaarde, die het eerst is vervuld, wordt in aanmerking genomen;
- (iv). voor een wijziging van Protocol I bij het Verdrag gelden dezelfde procedures als voor wijzigingen van de Bijlagen bij het Verdrag, zoals bepaald onder letter (f)(ii) of letter (f) (iii);
- (v). voor een wijziging van Protocol II bij het Verdrag gelden dezelfde procedures als voor wijzigingen van een artikel van het Verdrag, zoals bepaald onder letter (f) (i);
- (g). de wijziging wordt van kracht onder de volgende voorwaarden:
- (i). in het geval van een wijziging van een artikel van het Verdrag, van Protocol II, van Protocol I of van een Bijlage bij het Verdrag die niet is aanvaard volgens de procedure aangegeven onder letter (f) (iii), treedt de overeenkomstig de voorgaande bepalingen aanvaarde wijziging zes maanden na de datum van aanvaarding in werking voor de Partijen die hebben verklaard dat zij haar hebben aanvaard;
- (ii). in het geval van een wijziging van Protocol I, van een aanhangsel van een Bijlage of van een Bijlage bij het Verdrag, aanvaard volgens de procedure aangegeven onder letter (f) (iii), treedt de wijziging, die wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de voorgaande voorwaarden, zes maanden na aanvaarding in werking voor alle Partijen, behalve voor die welke vóór die datum hebben verklaard dat zij haar niet aanvaarden of die overeenkomstig het gestelde onder letter (f) (ii) hebben verklaard dat hun uitdrukkelijke goedkeuring is vereist.
(3). Wijziging door een Conferentie:
- (a). Op verzoek van een Partij, daarin gesteund door ten minste een derde van de Partijen, roept de Organisatie een Conferentie van de Partijen bij het Verdrag bijeen ter behandeling van voorgestelde wijzigingen van dit Verdrag.
- (b). Elke door deze Conferentie met een twee derde meerderheid van de aanwezige Partijen die hun stem uitbrengen aangenomen wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ter goedkeuring voorgelegd aan alle Partijen bij het Verdrag.
- (c). Tenzij de Conferentie anders bepaalt, wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard en van kracht te zijn geworden overeenkomstig de procedures aangegeven in het tweede lid, onder (f) en (g).
- (a). In het geval van een wijziging van een Facultatieve Bijlage wordt een verwijzing in dit artikel naar een „Partij bij het Verdrag” geacht betrekking te hebben op een door die Bijlage gebonden Partij.
- (b). Een Partij die heeft geweigerd een wijziging van een Bijlage te aanvaarden wordt, uitsluitend voor de toepassing van die toepassing van die wijziging, als niet-Partij beschouwd.
(5). Voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een nieuwe Bijlage gelden dezelfde procedures als voor de aanvaarding en inwerkingtreding van een wijziging van een artikel van het Verdrag.
(6). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, geldt elke wijziging van dit Verdrag volgens de bepalingen van dit artikel, die betrekking heeft op de bouw van een schip, alleen voor schepen waarvoor reeds een bouwcontract is gesloten of, indien er geen bouwcontract bestaat, waarvan de kiel reeds is gelegd op of na de datum waarop de wijziging in werking treedt.
(7). Een wijziging van een Protocol of van een Bijlage dient slechts betrekking te hebben op de inhoud van dat Protocol of die Bijlage en niet in strijd te zijn met de bepalingen van de artikelen van dit Verdrag.
(8). De Secretaris-Generaal van de Organisatie stelt alle Partijen in kennis van elke wijziging die ingevolge dit artikel in werking treedt, alsmede van de datum waarop die wijziging van kracht wordt.
(9). Elke verklaring van aanvaarding van of bezwaar tegen een wijziging ingevolge dit artikel wordt schriftelijk medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie. Deze brengt een dergelijke kennisgeving en de datum van ontvangst daarvan ter kennis van de Partijen bij het Verdrag.
Artikel 17. Bevordering van technische samenwerking
De Partijen bij het Verdrag bevorderen, in overleg met de Organisatie en andere internationale lichamen, met bijstand van en in samenwerking met de Uitvoerend Directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties, steun aan Partijen die om technische hulp verzoeken voor:
- (a). het opleiden van wetenschappelijk en technisch personeel;
- (b). het leveren van de nodige uitrusting en voorzieningen voor ontvangstinstallaties en controle-apparatuur;
- (c). het bevorderen van andere maatregelen en voorzieningen ter voorkoming of beperking van verontreiniging van het mariene milieu door schepen, en
- (d). het stimuleren van onderzoek;
bij voorkeur in de betrokken landen zelf, ter bevordering van de doelstellingen van dit Verdrag.
Artikel 18. Opzegging
(1). Dit Verdrag of een Facultatieve Bijlage kan door elke Partij bij het Verdrag te allen tijde worden opgezegd na verloop van vijf jaren te rekenen van de datum waarop het Verdrag of die Bijlage voor die Partij in werking trad.
(2). Opzegging geschiedt door een schriftelijke mededeling aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die alle andere Partijen in kennis stelt van een zodanige opzegging en van de datum van ontvangst daarvan, alsmede van de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
(3). Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal van de Organisatie, dan wel na het verstrijken van een langer tijdvak indien zulks in de kennisgeving wordt aangegeven.
Artikel 19. Nederlegging en registratie
(1). Dit Verdrag wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Organisatie, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten welke dit Verdrag hebben ondertekend of daartoe zijn toegetreden.
(2). Zodra dit Verdrag in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal van de Organisatie toegezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie en publikatie, overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.
Artikel 20. Talen
Dit Verdrag is opgesteld in een enkel exemplaar, in de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek. Er worden officiële vertalingen vervaardigd in de Arabische, de Duitse, de Italiaanse en de Japanse taal welke worden nedergelegd bij het ondertekende oorspronkelijke exemplaar.
Artikel I. Meldingsplicht
(1). De gezagvoerder of een andere persoon, belast met het bevel over een schip dat betrokken is bij een in artikel II van dit Protocol bedoeld voorval, dient de bijzonderheden van dit voorval onverwijld en zo volledig mogelijk te melden in overeenstemming met de bepalingen van dit Protocol.
(2). Indien het schip, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt verlaten, of indien een melding van dit schip onvolledig of niet verkrijgbaar is, neemt de eigenaar, de bevrachter, de beheerder of de exploitant, dan wel diens vertegenwoordiger, zoveel mogelijk de verplichtingen van de gezagvoerder op zich krachtens de bepalingen van dit Protocol.
Artikel II. Wanneer een melding dient plaats te vinden
(1). De melding wordt gedaan omtrent voorvallen waarbij:
- a. een lozing plaatsvindt boven het toegestane niveau of een mogelijke lozing plaatsvindt van olie of schadelijke vloeistoffen ongeacht de reden daarvan, met inbegrip van lozingen voor het veilig stellen van het schip of ter beveiliging van mensenlevens op zee; of
- b. een lozing of mogelijke lozing plaatsvindt van schadelijke stoffen in verpakte vorm, met inbegrip van deze stoffen verpakt in vrachtcontainers, losse tanks, weg- en spoorvoertuigen en duwbakken aan boord; of
- c. sprake is van een beschadiging of storing van of defect aan een schip van 15 meter lengte of meer en waarbij:
- i. de veiligheid van het schip in het geding is; bijvoorbeeld als gevolg van een aanvaring, het aan de grond lopen, brand, een explosie, schade aan de constructie, het binnendringen van water, het schuiven van lading; of
- ii. de veiligheid van de navigatie in gevaar wordt gebracht; bijvoorbeeld door een storing van of defect aan het roer, de voortstuwingsmachines, de generatoren en de essentiële navigatiehulpsystemen aan boord; of
- d. gedurende de exploitatie van het schip een lozing plaatsvindt van olie of schadelijke vloeistoffen die de ingevolge dit Verdrag toegestane hoeveelheid of lozingsdebiet overschrijdt.
(2). Voor de doeleinden van dit Protocol:
- (a). wordt onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „olie” verstaan de in Voorschrift 1(1) van Bijlage I bij dit Verdrag omschreven olie.
- (b). worden onder de in lid l(a) van dit artikel bedoelde „schadelijke vloeistoffen” verstaan de in Voorschrift 1(6) van Bijlage II bij dit Verdrag omschreven schadelijke vloeistoffen.
- (c). worden onder „schadelijke stoffen” in verpakte vorm, zoals bedoeld in lid l(b) van dit artikel, verstaan de in de „International Maritime Dangerous Goods (IMDG) Code” opgenomen stoffen, die zijn aangemerkt als zijnde schadelijk voor het mariene milieu.
Artikel III. Inhoud van de melding
Elke melding dient in elk geval te bevatten:
- (a). de identiteit van de betrokken schepen;
- (b). de tijd, de soort en de plaats van het voorval;
- (c). de hoeveelheid en de soort schadelijke stof die bij het voorval betrokken is;
- (d). de maatregelen voor de hulpverlening en de berging.
Artikel IV. Aanvullende melding
Ieder die krachtens het bepaalde in dit Protocol verplicht is een melding te doen, dient zo mogelijk:
- (a). de oorspronkelijke melding waar nodig aan te vullen en gegevens omtrent verdere ontwikkelingen te verstrekken; en
- (b). zo volledig mogelijk te voldoen aan verzoeken van de betrokken Staten om aanvullende gegevens.
Artikel V. Meldingsprocedures
(1). Meldingen dienen via de snelste, beschikbare telecommunicatiekanalen en met de grootst mogelijke voorrang te geschieden aan de dichtstbijzijnde kuststaat.
(2). Ter uitvoering van de bepalingen van dit Protocol vaardigen de Partijen bij dit Verdrag voorschriften of regels uit, of doen deze uitvaardigen, betreffende de te volgen procedures voor het melden van voorvallen met schadelijke stoffen, gebaseerd op door de Organisatie ontworpen richtlijnen.
In het geval van het verlies van (een) vrachtcontainer(s), dient de door artikel II, eerste lid, onderdeel b, vereiste melding gedaan te worden in overeenstemming met de vereisten voor gevaarberichten zoals voorzien in voorschriften V/31 en V/32 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974.
Artikel I
Tenzij de partijen bij het geschil anders besluiten, wordt de scheidsrechterlijke procedure gevoerd met inachtneming van de bepalingen van dit Protocol.
Artikel II
(1). Een scheidsgerecht wordt ingesteld op verzoek van een Partij bij het Verdrag, gericht aan een andere Partij, overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag. Het verzoek om een scheidsrechterlijke beslissing bevat een voordracht van de zaak en gaat vergezeld van de ter zake dienende stukken.
(2). De eisende Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie in kennis van het feit dat zij de instelling van een scheidsgerecht heeft verzocht, van de namen van de partijen bij het geschil en van de artikelen van het Verdrag of van de Voorschriften waarvan de uitlegging of de toepassing naar haar mening het voorwerp van het geschil vormen. De Secretaris-Generaal doet deze inlichtingen aan alle Partijen toekomen.
Artikel III
Het scheidsgerecht bestaat uit drie leden: een scheidsman benoemd door elke partij bij het geschil en een derde scheidsman die in onderlinge overeenstemming tussen de eerstgenoemden wordt aangewezen en die het voorzitterschap van het scheidsgerecht op zich neemt.
Artikel IV
(1). Indien na het verstrijken van een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de benoeming van de tweede scheidsman de voorzitter van het scheidsgerecht niet is aangewezen, gaat de Secretaris-Generaal van de Organisatie op verzoek van de meest gerede partij binnen een volgende periode van zestig dagen over tot de aanwijzing; hij doet daarbij een keuze uit een tevoren door de Raad van de Organisatie opgestelde lijst van bevoegde personen.
(2). Indien binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het verzoek een van de partijen het lid van het scheidsgerecht, voor wiens benoeming zij verantwoordelijk is, niet heeft benoemd, kan de andere partij de Secretaris-Generaal van de Organisatie hiervan rechtstreeks in kennis stellen. Deze wijst de voorzitter van het scheidsgerecht aan binnen een termijn van zestig dagen; hij kiest deze uit de lijst bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
(3). De voorzitter van het scheidsgerecht verzoekt, na te zijn aangewezen, de partij die geen scheidsman heeft benoemd, zulks te doen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden. Indien de partij de vereiste benoeming niet verricht, verzoekt de voorzitter van het scheidsgerecht de Secretaris-Generaal van de Organisatie de aanwijzing te verrichten op de wijze en onder de voorwaarden bedoeld in het voorgaande lid.
(4). De voorzitter van het scheidsgerecht indien aangewezen met inachtneming van het bepaalde in dit artikel mag niet de nationaliteit bezitten of bezeten hebben van een van de betrokken partijen, tenzij de andere partij daarmee instemt.
(5). In geval van overlijden of in gebreke blijven van een scheidsman voor wiens benoeming een van de partijen verantwoordelijk is, benoemt die partij een vervanger binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van de datum van overlijden of in gebreke blijven. Indien deze partij de benoeming niet verricht, wordt de procedure voortgezet door de overblijvende scheidsmannen. In geval van overlijden of in gebreke blijven van de voorzitter van het scheidsgerecht wordt een vervanger aangewezen overeenkomstig het bepaalde in artikel III hierboven of, bij gebreke van overeenstemming tussen de leden van het scheidsgerecht, binnen een termijn van zestig dagen te rekenen van het overlijden of in gebreke blijven, overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.
Artikel V
Het scheidsgerecht kan kennis nemen van en beslissen over tegenvorderingen die rechtstreeks voortvloeien uit het onderwerp van geschil.
Artikel VI
Elke partij is verantwoordelijk voor de bezoldiging van haar scheidsman en de betaling van aanverwante kosten, alsmede voor de kosten van voorbereiding van haar eigen zaak. De kosten van bezoldiging van de voorzitter van het scheidsgerecht en alle uitgaven van algemene aard die de scheidsrechterlijke procedure met zich meebrengt worden door de Partijen gelijkelijk gedragen. Het scheidsgerecht houdt boek van alle uitgaven en verstrekt een eindafrekening.
Artikel VII
Elke Partij bij het Verdrag die een juridisch belang heeft bij de zaak en die door de uitspraak in dit belang kan worden getroffen, kan zich, na schriftelijke kennisgeving aan de partijen die de procedure oorspronkelijk hebben aangespannen, met toestemming van het scheidsgerecht, in de procedure voegen.
Artikel VIII
Een ingevolge de bepalingen van dit Protocol ingesteld scheidsgerecht stelt zelf zijn procedureregels vast.
Artikel IX
(1). Beslissingen van het scheidsgerecht, zowel wat betreft de procedure en de plaats van vergadering, als wat betreft elk voorgelegd geschil worden genomen met meerderheid van stemmen; indien een van de leden van het scheidsgerecht voor wiens benoeming de partijen verantwoordelijk waren afwezig is of zich van stemming onthoudt, staat dit geen beslissing van het scheidsgerecht in de weg. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.
(2). De partijen vergemakkelijken het werk van het scheidsgerecht en, overeenkomstig hun wetgeving en met gebruikmaking van alle hun ten dienste staande middelen, in het bijzonder:
- (a). verschaffen zij het scheidsgerecht de nodige stukken en inlichtingen;
- (b). stellen zij het scheidsgerecht in staat hun grondgebied te betreden, getuigen of deskundigen te horen en de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen.
(3). Afwezigheid of in gebreke zijn van een partij belemmert de voortgang van de procedure niet.
Artikel X
(1). Het scheidsgerecht doet uitspraak binnen een termijn van vijf maanden te rekenen van zijn instelling, tenzij het besluit, indien noodzakelijk, deze termijn met niet meer dan drie maanden te verlengen. De uitspraak van het scheidsgerecht is met redenen omkleed. Zij is definitief en er staat geen beroep tegen open; de uitspraak wordt aan de Secretaris-Generaal van de Organisatie medegedeeld. De partijen voldoen onverwijld aan de uitspraak.
(2). Alle geschillen die zich tussen de partijen kunnen voordoen ten aanzien van de uitlegging of uitvoering van de uitspraak, kunnen door de meest gerede partij worden voorgelegd aan het scheidsgerecht dat de uitspraak heeft gedaan of, indien dit niet beschikbaar is, aan een ander voor dit doel ingesteld scheidsgerecht, dat is ingesteld op dezelfde wijze als het eerste scheidsgerecht.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- olie, minerale olie in elke vorm, daaronder begrepen ruwe olie, brandstofolie, oliehoudend oliedrab, olieafval en geraffineerde producten (anders dan petrochemische producten die vallen onder de bepalingen van Bijlage II bij dit Verdrag) en, zonder het algemene karakter van het bovenstaande te beperken, de stoffen genoemd in Aanhangsel I bij deze Bijlage.
-
- ruwe olie, elk vloeibaar mengsel van koolwaterstoffen dat in natuurlijke staat in de aarde voorkomt en dat al dan niet behandeld is om het geschikt te maken voor vervoer, met inbegrip van:
- .1 ruwe olie waaruit bepaalde lichte fracties kunnen zijn verwijderd; en
- .2 ruwe olie waaraan bepaalde lichte fracties kunnen zijn toegevoegd;
-
- oliehoudend mengsel, een mengsel dat olie bevat in elk gehalte;
-
- brandstofolie, elke olie gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- en hulpmachines van het schip dat dergelijke olie aan boord heeft;
-
- olietankschip, een schip dat in de eerste plaats is gebouwd voor of aangepast aan het vervoer van olie in bulk in zijn laadruimten, daaronder begrepen elk combinatietankschip, elk NLS-tankschip als omschreven in Bijlage II bij dit Verdrag en elk gastankschip als omschreven in voorschift 3.20 van hoofdstuk II-1 van SOLAS 74 (zoals gewijzigd), indien het schip een gehele of gedeeltelijke lading olie in bulk vervoert;
-
- ruwe-olietankschip, een olietankschip gebruikt voor het commerciële vervoer van ruwe olie;
-
- productentankschip, een olietankschip gebruikt voor het commerciële vervoer van olie anders dan ruwe olie;
-
- combinatietankschip, een schip ingericht voor het vervoer van zowel olie als vaste bulklading;
-
- belangrijke wijziging:
- .1 een wijziging van een schip:
- .1 waardoor de afmetingen of het laadvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
- .2 waardoor het type van het schip verandert; of
- .3 waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
- .4 waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip betrof, daardoor zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag waaraan het als bestaand schip niet zou zijn onderworpen;
- .2 Onverminderd de bepalingen van deze omschrijving:
- .1 wordt de wijziging van een olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, teneinde te voldoen aan de eisen van voorschrift 18 van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging; en
- .2 wordt de wijziging van een olietankschip, opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5, teneinde te voldoen aan de vereisten van voorschrift 19 of 20 van deze Bijlage, voor de toepassing van deze Bijlage niet aangemerkt als een belangrijke wijziging;
-
- dichtstbijzijnde land: de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken grondgebied wordt bepaald overeenkomstig het internationaal recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte;
-
- bijzonder gebied, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door olie vereist is; Voor de toepassing van deze Bijlage, worden de bijzondere gebieden als volgt omschreven:
- .1. onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 005°36’ westerlengte;
- .2. onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
- .3. onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte;
- .4. onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 043°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 043°30.2’ oosterlengte);
- .5. onder het Golfgebied wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30’ noorderbreedte, 059°48’ oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04’ noorderbreedte, 061°25’ oosterlengte);
- .6. onder het gebied van de Golf van Aden wordt verstaan het gedeelte van de Golf van Aden tussen de Rode Zee en de Arabische Zee, in het westen begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 043°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 043°30.2’ oosterlengte) en in het oosten door de loxodroom tussen Ras Asir (11°50’ noorderbreedte, 051°16.9’ oosterlengte) en Ras Fartak (15°35’ noorderbreedte, 052°13.8’ oosterlengte);
- .7. onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte; en
- .8. onder de Noordwest-Europese wateren wordt verstaan de Noordzee en de toegangen daartoe, de Ierse Zee en de toegangen daartoe, de Keltische Zee, het Kanaal en de toegangen daartoe en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden:
- 48° 27’ noorderbreedte aan de Franse kust
- 48° 27’ noorderbreedte; 006° 25’ westerlengte
- 49° 52’ noorderbreedte; 007° 44’ westerlengte
- 50° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte
- 56° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte
- 62° noorderbreedte; 003° westerlengte
- 62° noorderbreedte aan de Noorse kust
- 57° 44,8’ noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust;
- .9. onder het gebied van Oman van de Arabische Zeewordt het zeegebied verstaan dat wordt begrensd door de volgende coördinaten:
- 22° 30,00’ noorderbreedte; 059° 48,00’ oosterlengte
- 23° 47,27’ noorderbreedte; 060° 35,73’ oosterlengte
- 22° 40,62’ noorderbreedte; 062° 25,29’ oosterlengte
- 21° 47,40’ noorderbreedte; 063° 22,22’ oosterlengte
- 20° 30,37’ noorderbreedte; 062° 52,41’ oosterlengte
- 19° 45,90’ noorderbreedte; 062° 25,97’ oosterlengte
- 18° 49,92’ noorderbreedte; 062° 02,94’ oosterlengte
- 17° 44,36’ noorderbreedte; 061° 05,53’ oosterlengte
- 16° 43,71’ noorderbreedte; 060° 25,62’ oosterlengte
- 16° 03,90’ noorderbreedte; 059° 32,24’ oosterlengte
- 15° 15,20’ noorderbreedte; 058° 58,52’ oosterlengte
- 14° 36,93’ noorderbreedte; 058° 10,23’ oosterlengte
- 14° 18,93’ noorderbreedte; 057° 27,03’ oosterlengte
- 14° 11,53’ noorderbreedte; 056° 53,75’ oosterlengte
- 13° 53,80’ noorderbreedte; 056° 19,24’ oosterlengte
- 13° 45,86’ noorderbreedte; 055° 54,53’ oosterlengte
- 14° 27,38’ noorderbreedte; 054° 51,42’ oosterlengte
- 14° 40,10’ noorderbreedte; 054° 27,35’ oosterlengte
- 14° 46,21’ noorderbreedte; 054° 08,56’ oosterlengte
- 15° 20,74’ noorderbreedte; 053° 38,33’ oosterlengte
- 15° 48,69’ noorderbreedte; 053° 32,07’ oosterlengte
- 16° 23,02’ noorderbreedte; 053° 14,82’ oosterlengte
- 16° 39,06’ noorderbreedte; 053° 06,52’ oosterlengte;
- .10. onder zuidelijke Zuid-Afrikaanse wateren wordt het zeegebied verstaan dat wordt begrensd door de volgende coördinaten: 31° 14’ zuiderbreedte; 017° 50’ oosterlengte 31° 30’ zuiderbreedte; 017° 12’ oosterlengte 32° 00’ zuiderbreedte; 017° 06’ oosterlengte 32° 32’ zuiderbreedte; 016° 52’ oosterlengte 34° 06’ zuiderbreedte; 017° 24’ oosterlengte 36° 58’ zuiderbreedte; 020° 54’ oosterlengte 36° 00’ zuiderbreedte; 022° 30’ oosterlengte 35° 14’ zuiderbreedte; 022° 54’ oosterlengte 34° 30’ zuiderbreedte; 026° 00’ oosterlengte 33° 48’ zuiderbreedte; 027° 25’ oosterlengte 33° 27’ zuiderbreedte; 027° 12’ oosterlengte
-
- hoeveelheid geloosde olie op een willekeurig moment van het lozen, de totale hoeveelheid van de op een willekeurig moment geloosde olie, uitgedrukt in liters per uur, gedeeld door de snelheid van het schip in knopen op hetzelfde moment;
-
- tank, een omsloten ruimte gevormd door de permanente scheepsconstructie en ontworpen voor het vervoer van vloeistoffen in bulk;
-
- zijtank, een tank grenzend aan de huidbeplating van het schip;
-
- middentank, een tank binnen de wanden van een langsschot;
-
- sloptank, een tank speciaal ontworpen voor het opvangen van aftap- en waswater uit de tanks en andere oliehoudende mengsels;
-
- schone ballast, de ballast in een tank die, sinds er voor de laatste maal olie in werd vervoerd, zodanig is gereinigd dat effluent daaruit afkomstig, indien geloosd uit een schip dat stilligt, in schoon rustig water op een heldere dag, geen zichtbare sporen van olie zou achterlaten op het wateroppervlak of op aangrenzende kusten, of oliehoudend oliedrab of emulsie zou achterlaten onder het wateroppervlak of op de aangrenzende kusten. Ingeval deze balast wordt geloosd via een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor het lozen van olie, is het bewijs gebaseerd op een dergelijk systeem dat het oliegehalte van het effluent niet hoger lag dan 15 eenheden per miljoen, bepalend voor het feit dat de ballast schoon was, ongeacht de aanwezigheid van zichtbare sporen;
-
- gescheiden ballast, het ballastwater dat wordt ingenomen in een tank die volledig is gescheiden van de olielading en van het brandstofoliesysteem en die permanent wordt bestemd voor het vervoer van ballast of voor het vervoer van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke stoffen zoals onderscheidelijk omschreven in de Bijlagen bij dit Verdrag;
-
- lengte (L), 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot aan de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, dient de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn te worden genomen. De lengte (L) wordt gemeten in meters;
-
- voorloodlijn en achterloodlijn, de loodlijnen op het voorste en achterste punt van de lengte (L). De voorloodlijn dient getrokken te worden door het snijpunt van de waterlijn waarop de lengte wordt gemeten;
-
- midscheeps, het midden van de lengte (L);
-
- breedte (B), de grootste breedte van het schip midscheeps gemeten op de buitenzijde van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenzijde van de romp bij een schip met een huid van ander materiaal. De breedte (B) wordt gemeten in meters;
-
- draagvermogen, het verschil in tonnen van 1000 kg tussen de waterverplaatsing van een schip in water met een soortelijke massa van 1,025 op de lastlijn, overeenkomstig het toegewezen zomervrijboord en het leeg gewicht van het schip;
-
- leeg gewicht, de waterverplaatsing van een schip in metrieke tonnen zonder lading, brandstof, smeerolie, ballastwater, drinkwater en ketelvoedingwater in tanks, verbruiksvoorraden en passagiers en bemanning en hun bezittingen;
-
- permeabiliteit van een ruimte, de verhouding tussen het volume binnen die ruimte dat wordt geacht door water te worden ingenomen en het totale volume van die ruimte;
-
- worden inhouden en oppervlakken in een schip in alle gevallen berekend tot aan buitenzijde spanten en verstijvingen;
-
- verjaardatum, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie verstrijkt;
- 28.1. schip opgeleverd op of voor 31 december 1979, een schip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of voor 31 december 1975; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 30 juni 1976; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 31 december 1979; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het contract is afgesloten op of voor 31 december 1975; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 30 juni 1976; of
- .3 die is voltooid op of voor 31 december 1979;
- 28.2. schip opgeleverd na 31 december 1979, een schip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten na 31 december 1975; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt na 30 juni 1976; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt na 31 december 1979; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het contract wordt afgesloten na 31 december 1975; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw wordt begonnen na 30 juni 1976; of
- .3 dat is voltooid na 31 december 1979;
- 28.3. olietankschip opgeleverd op of na 1 juni 1982, een olietankschip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of voor 1 juni 1979; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 januari 1980; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of voor 1 juni 1982; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het contract is afgesloten op of voor 1 juni 1979; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of voor 1 januari 1980; of
- .3 dat is voltooid op of voor 1 juni 1982;
- 28.4. olietankschip opgeleverd na 1 juni 1982, een olietankschip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten na 1 juni 1979; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt na 1 januari 1980; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt na 1 juni 1982; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het contract wordt afgesloten na 1 juni 1979; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw wordt begonnen na 1 januari 1980; of
- .3 dat is voltooid na 1 juni 1982;
- 28.5. olietankschip opgeleverd voor 6 juli 1996, een olietankschip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten voor 6 juli 1993; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt voor 6 januari 1994; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt voor 6 juli 1996; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het contract is afgesloten voor 6 juli 1993; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw wordt begonnen voor 6 januari 1994; of
- .3 dat is voltooid na 6 juli 1996;
- 28.6. olietankschip opgeleverd op of na 6 juli 1996, een olietankschip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 6 juli 1993; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 6 januari 1994; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 6 juli 1996; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 6 juli 1993; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 6 januari 1994; of
- .3 dat is voltooid op of na 6 juli 1996;
- 28.7. olietankschip opgeleverd op of na 1 februari 2002, een olietankschip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of
- .2 waarvoor waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 augustus 1999; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 februari 2002; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 1 augustus 1999; of
- .3 dat is voltooid op of na 1 februari 2002;
- 28.8. olietankschip opgeleverd op of na 1 januari 2010, een olietankschip:
- .1 waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2007; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2007; of
- .3 waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 januari 2010; of
- .4 dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1 waarvoor het contract is afgesloten op of na 1 januari 2007; of
- .2 waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen op of na 1 juli 2007; of
- .3 dat is voltooid op of na 1 januari 2010;
- 28.9. schip opgeleverd op of na 1 augustus 2010, een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 augustus 2007; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 februari 2008; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010; of
- .4. dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan:
- .1. waarvoor het contract is afgesloten na 1 augustus 2007; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen na 1 februari 2008; of
- .3. die is voltooid na 1 augustus 2010.
-
- delen per miljoen (ppm), delen olie per miljoen delen water in volume;
-
- dat wordt gebouwd, een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- olierestanten (oliedrab), overgebleven afgewerkte oliën ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip zoals bijvoorbeeld restanten ontstaan bij het reinigen van brandstof of smeerolie voor hoofd- of hulpwerktuigen, afgescheiden afgewerkte olie uit filterapparatuur, afgewerkte olie opgevangen in lekbakken en afgewerkte hydraulische olie en smeerolie.
-
- tank voor olierestanten (oliedrab), een tank waarin olierestanten (oliedrab) worden opgeslagen en waaruit oliedrab rechtstreeks kan worden verwijderd door middel van de standaardaansluiting voor afgifte of een ander goedgekeurd middel voor het verwijderen.
-
- oliehoudend lenswater, water dat verontreinigd kan zijn met olie afkomstig van bijvoorbeeld lekkages of onderhoudswerkzaamheden in machineruimten. Iedere vloeistof die in de lensinrichting, met inbegrip van de lensputten, lensleidingen, tanktop of lenswaterverzameltanks terecht komt, wordt beschouwd als oliehoudend lenswater.
-
- verzameltank voor oliehoudend lenswater, een tank waarin oliehoudend lenswater wordt verzameld voordat het wordt geloosd, overgepompt of verwijderd.
-
- Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- Auditprogramma, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- Implementatiecode, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- Auditnorm, de Implementatiecode.
-
- elektronisch journaal, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
-
- Onbemande lichter zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichter), een lichter die:
-
- niet met mechanische middelen wordt voortgestuwd;
-
- geen olie vervoert (als omschreven in voorschrift 1.1 van deze Bijlage);
-
- niet is uitgerust met machines die olie kunnen verbruiken of olierestanten (oliedrab) kunnen genereren;
-
- geen brandstofolietank, smeerolietank, verzameltank voor oliehoudend lenswater en tank voor olierestanten (oliedrab) heeft; en
-
- geen personen of levende dieren aan boord heeft.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
-
- Voor andere schepen dan olietankschepen die zijn uitgerust met laadruimten, gebouwd en gebruikt voor het vervoer van olie in bulk, met een totaal laadvermogen van 200 m3 of meer, gelden de eisen van de voorschriften 16, 26.4, 29, 30, 31, 32, 34 en 36 van deze Bijlage voor olietankschepen ook voor de constructie en het gebruik van die laadruimten, met dien verstande dat, ingeval het totale laadvermogen minder is dan 1000 m3, de bepalingen van voorschrift 34.6 van deze Bijlage kunnen worden toegepast in plaats van de voorschriften 29, 31 en 32.
-
- Ingeval een lading die valt onder de bepalingen van Bijlage II van dit Verdrag wordt vervoerd in een laadruimte van een olietankschip, zijn de desbetreffende eisen van Bijlage II van dit Verdrag ook van toepassing.
-
- De vereisten van de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt of andere producten waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, vervoeren, die vanwege hun fysieke eigenschappen een doeltreffende productwater scheiding en monitoring verhinderen, waarbij de regeling van het lozen van olie ingevolge voorschrift 34 van deze Bijlage plaatsvindt door het aan boord houden van restanten en de latere afgifte van al het verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen.
-
- Met inachtneming van de bepalingen van lid 6 van dit voorschrift, zijn de voorschriften 18.6 tot en met 18.8 van deze Bijlage niet van toepassing op een olietankschip, opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, dat alleen wordt ingezet op bepaalde reizen tussen:
- .1 havens of laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag; of
- .2 havens of laad- of losplaatsen van Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, wanneer:
- .1 de reis volledig binnen een bijzonder gebied plaatsvindt; of
- .2 de reis volledig binnen andere door de Organisatie aangewezen grenzen plaatsvindt.
-
- De bepalingen van lid 5 van dit voorschrift zijn alleen van toepassing wanneer de havens of laad- of losplaatsen waar tijdens dergelijke reizen lading wordt geladen, zijn uitgerust met ontvangstinrichtingen die geschikt zijn voor de ontvangst en behandeling van al het ballast- en tankwaswater van olietankschepen die er gebruik van maken en aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- .1 behoudens de in voorschrift 4 van deze Bijlage bedoelde uitzonderingen, wordt al het ballastwater, met inbegrip van schoon ballastwater, en restanten van tankwaswater, aan boord gehouden en naar de ontvangstinrichtingen overgebracht en is de juiste aantekening in het Oliejournaal Deel II als vermeld in voorschrift 36 van deze Bijlage door de bevoegde havenautoriteit goedgekeurd;
- .2 de Administratie en de Regeringen van de in de leden 5.1 of 5.2 van dit voorschrift bedoelde havenstaten hebben overeenstemming bereikt over de inzet van een olietankschip dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in voorschrift 1.28.3, op bepaalde reizen;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstinrichtingen, in overeenstemming met de relevante bepalingen van deze Bijlage, van de bovenbedoelde havens of laad- of losplaatsen, voor de toepassing van dit voorschrift, is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag waarbinnen dergelijke havens of laad- of losplaatsen zich bevinden; en
- .4 op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie is aangetekend dat het olietankschip uitsluitend voor bepaalde reizen wordt ingezet.
Voorschrift 3. Vrijstellingen en ontheffingen
Schepen zoals draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, nabij de oppervlakte drijvende vaartuigen, onderwatervaartuigen, waarop, gezien hun constructie, de toepassing van de bepalingen van de Hoofdstukken 3 en 4 van deze Bijlage of sectie 1.2 van deel II-A van de Polar Code met betrekking tot constructie en uitrusting onredelijk of onuitvoerbaar zou zijn, kunnen door de Administratie van de toepassing van deze bepalingen worden vrijgesteld, mits de constructie en de uitrusting van het schip gelijkwaardige bescherming bieden tegen verontreiniging door olie, zulks gelet op de dienst waarvoor het is bestemd.
De bijzonderheden betreffende een dergelijke door de Administratie verleende vrijstelling, uitgezonderd die ingevolge paragraaf 7 van dit voorschrift, worden vermeld in het certificaat als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage.
De Administratie die een dergelijke vrijstelling verleent, stelt de Organisatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen na de verlening, in kennis van de bijzonderheden daarvan alsmede van de redenen daarvoor; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij dit Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage, voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt van 72 uur of korter en binnen 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip uitsluitend wordt ingezet voor reizen tussen havens en laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag. Aan een dergelijke ontheffing is de voorwaarde verbonden dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord houdt om deze naderhand bij ontvangstinrichtingen af te leveren en dat de Administratie vaststelt dat de inrichtingen waar dergelijke oliehoudende mengsel worden ontvangen, geschikt zijn.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van de voorschriften 31 en 32 van deze Bijlage voor olietankschepen anders dan die bedoeld in lid 4 van dit voorschrift in gevallen waarin:
- .1. het tankschip een olietankschip is dat op of voor 1 juni 1982 is opgeleverd, als omschreven in voorschrift 1.28.3, met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, als bedoeld in voorschrift 2.5 van deze Bijlage, dat uitsluitend wordt ingezet voor bepaalde reizen, en aan de voorwaarden omschreven in voorschrift 2.6 van deze Bijlage is voldaan; of
- .2. het tankschip uitsluitend wordt ingezet voor een of meer van de volgende categorieën reizen:
- .1. reizen binnen bijzondere gebieden; of
- .2. reizen in Arctische wateren; of
- .3. reizen binnen 50 zeemijl van het dichtstbijzijnde land buiten bijzondere gebieden of Arctische wateren wanneer de tanker wordt ingezet voor:
- .1. reizen tussen havens of laad- of losplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Verdrag; of
- .2. beperkte reizen als door de Administratie bepaald en met een duur van 72 uur of minder;
- mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
- .4. alle oliehoudende mengsels worden aan boord gehouden om naderhand te worden afgeleverd bij ontvangstinrichtingen;
- .5. ter zake van in lid 5.2.3 van dit voorschrift omschreven reizen, heeft de Administratie bepaald dat geschikte ontvangstinrichtingen beschikbaar zijn voor de ontvangst van dergelijke oliehoudende mengsels in de havens of laad- of losplaatsen voor het laden van olie die het olietankschip aandoet;
- .6. op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie is aangetekend dat het olietankschip uitsluitend voor een of meer van de in de leden 5.2.1 en 5.2.3.2 vermelde categorieën reizen wordt ingezet; en
- .7. de hoeveelheid, tijd en de loshaven worden in het Oliejournaal vermeld.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 28(6) aan de volgende olietankschepen indien deze worden geladen in overeenstemming met de door de Administratie goedgekeurde voorwaarden, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen:
- .1. olietankschepen die voor specifieke doelen worden ingezet en een beperkt aantal verschillende beladingstoestanden kennen, zodanig dat alle verwachte omstandigheden zijn goedgekeurd in de stabiliteitsgegevens die aan de kapitein worden verstrekt in overeenstemming met voorschrift 28(5);
- .2. olietankschepen waarbij de verificatie van de stabiliteit op afstand plaatsvindt met een door de Administratie goedgekeurd middel;
- .3. olietankschepen die zijn geladen binnen een goedgekeurde bandbreedte van beladingstoestanden; of
- .4. olietankschepen gebouwd vóór 1 januari 2016 die zijn voorzien van goedgekeurde beperkende KG/GM-krommen waarin rekening is gehouden met alle toepasselijke vereisten ten aanzien van stabiliteit in beschadigde en onbeschadigde toestand.
De Administratie kan een UNSP-lichter vrijstelling verlenen van de vereisten van voorschriften 6.1 en 7.1 van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in voorschriften 1.40.1 tot en met 1.40.5 van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.
Voorschrift 4. Uitzonderingen
De voorschriften 15 en 34 van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1 het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 het lozen in zee van oliehoudende stoffen met toestemming van de Administratie, indien dit geschiedt met het doel bepaalde verontreinigingsincidenten te bestrijden teneinde de schade door verontreiniging tot een minimum te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied beoogd wordt de lozing te doen plaatsvinden.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie mag het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur in een schip toestaan dan die welke in deze Bijlage worden vereist, mits dergelijke onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele werkwijzen ter uitvoering van de controle op het lozen van olie, als gelijkwaardig aan die vormen van ontwerp en constructie als voorgeschreven in deze Bijlage.
-
- De Administratie die het aanbrengen in een schip toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij dit Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een Certificaat door de Regering van een ander land
-
- De Regering van een land dat Partij is bij het Verdrag kan een schip op verzoek van de Administratie aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien deze ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgeven, of machtigen tot afgifte hiervan, en in voorkomend geval een aantekening plaatsen, of machtigen tot het plaatsen van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
-
- Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het Certificaat dat is afgegeven krachtens Voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij het Verdrag.
Voorschrift 7. Vorm van het Certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel II van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 4, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw Certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 4 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 4 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 4 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 5 of 6 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 4, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 4, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 4, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 8A. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door olie te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK II. BEPALINGEN VOOR DE BEDRIJFSVOERING AAN BOORD TER VOORKOMING VAN VERONTREINIGING
Voorschrift 9. Regeling van het lozen van olie
- (1). Onverlet de bepalingen van de Voorschriften 10 en 11 van deze Bijlage, en onder (2) van dit Voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- (a). door een olietankschip, behalve zoals bepaald onder (b):
- (i). het tankschip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- (ii). het tankschip bevindt zich meer dan 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
- (iii). het tankschip vervolgt zijn vaarroute;
- iv. de hoeveelheid geloosde olie bedraagt op elk moment van het lozen niet meer dan 30 liter per zeemijl;
- (v). de totale hoeveelheid in zee geloosde olie bedraagt voor bestaande tankschepen niet meer dan 1/15.000ste van de totale eelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte oor nieuwe tankschepen niet meer dan l/30.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte, en
- (vi). het tankschip werkt, behalve zoals bepaald in Voorschrift 15 (5) en (6) van deze Bijlage, met een systeem voor de bewaking en regeling van de olielozing en een sloptank-installatie zoals vereist in Voorschrift 15 van deze Bijlage;
- (b). voor een schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto-inhoud van 400 ton of meer en voor een olietankschip vanuit de vullings van de machineruimten (met uitzondering van de vullings van de ladingpompkamers), tenzij de vloeistof is vermengd met ladingolierestanten:
- i. het schip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- ii. het schip vervolgt zijn vaarroute;
- iii. het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning is lager dan 15 delen per miljoen; en
- iv. het schip heeft in bedrijf apparatuur, zoals vereist in Voorschrift 16 van deze Bijlage.
- (2). Bij een schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van minder dan 400 ton, buiten het bijzondere gebied, draagt de Administratie er zorg voor dat dit is uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar en redelijk, met installaties voor het aan boord opslaan van olieresidu en de afgifte daarvan aan ontvangstinrichtingen of lozing in zee overeenkomstig het gestelde in lid (1), letter b, van dit Voorschrift.
- (3). Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip, of in het kielzog van dat schip, dienen de Regeringen van Partijen bij het Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijze in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten, om na te gaan of de bepalingen van dit Voorschrift of van Voorschrift 10 van deze Bijlage zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden betrokken de toestand van wind en zee, de gevolgde koers en de snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
- (4). De bepalingen onder (1) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van schone ballast of van gescheiden ballast.
- (5). Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen welke worden aangewend om de in dit Voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
- (6). Het olieresidu dat niet in zee kan worden geloosd volgens de bepalingen onder (1), (2) en (4) van dit Voorschrift dient aan boord te worden gehouden of in ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.
- (7). Indien een schip, zoals bedoeld in Voorschrift 16, lid 6, van deze Bijlage, niet is uitgerust met de in Voorschrift 16, lid 1 of 2, vereiste apparatuur, zijn de bepalingen van lid 1, letter b, van dit Voorschrift niet van toepassing tot 6 juli 1998 dan wel tot de datum waarop het schip met dergelijke apparatuur wordt uitgerust, naar gelang welke datum de eerste is. Tot die datum is elke lozing vanuit de vullings van de machineruimten van olie of oliehoudende mengsels uit dat schip in de zee verboden, tenzij aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- a. het oliehoudende mengsel is niet afkomstig uit de vullings van de ladingpompkamer;
- b. het oliehoudende mengsel is niet vermengd met ladingolierestanten;
- c. het schip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- d. het schip bevindt zich meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
- e. het schip vervolgt zijn vaarroute;
- f. het oliegehalte van de geloosde vloeistof is lager dan 100 delen per miljoen; en
- g. het schip heeft in bedrijf de apparatuur voor het scheiden van olie en water van een door de Administratie goedgekeurd ontwerp, met inachtneming van de door de Organisatie aanbevolen specificatie.
Voorschrift 10. Methoden ter voorkoming van verontreiniging door olie door schepen die zich bevinden in bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: het gebied van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden, het Antarctisch gebied en de Noordwest-Europese wateren, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5° 36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golfen de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57° 44.8' noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12° 28.5' noorderbreedte, 43° 19.6' oosterlengte) en Hasn Murad (12° 40.4' noorderbreedte, 43° 30.2' oosterlengte).
- (e). Onder het „Golfgebied” wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22° 30' noorderbreedte, 50° 48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25° 04' noorderbreedte, 61° 25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Golf van Aden wordt verstaan het gedeelte van de Golf van Aden tussen de Rode Zee en de Arabische Zee, in het westen begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12° 28.5' noorderbreedte, 43° 19.6' oosterlengte) en Husn Murad (12° 40.4' noorderbreedte, 43° 30.2' oosterlengte) en in het oosten door de loxodroom tussen Ras Asir (11° 50' noorderbreedte, 51° 16.9' oosterlengte) en Ras Fartak (15° 35' noorderbreedte, 52° 13.8' oosterlengte).
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). De Noordwest-Europese wateren omvatten de Noordzee en zijn toegangen, de Ierse Zee en zijn toegangen, de Keltische Zee, het Engels Kanaal en zijn toegangen en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door de lijnen die de volgende punten verbinden:
- i. 48° 27'noorderbreedte aan de Franse kust;
- ii. 48° 27'noorderbreedte, 6° 25'westerlengte;
- iii. 49° 52'noorderbreedte, 7° 44'westerlengte;
- iv. 50° 30'noorderbreedte, 12°westerlengte;
- v. 56° 30'noorderbreedte, 12°westerlengte;
- vi. 62°noorderbreedte; 3°westerlengte;
- vii. 62°noorderbreedte aan de Noorse kust;
- viii. 57° 44,8'noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust.
- (2). Onverminderd de bepalingen van Voorschrift 11 van deze Bijlage:
- a. is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels door alle olietankschepen en door alle schepen geen olietankschepen zijnde met een bruto tonnage van 400 ton en meer, wanneer deze zich in een bijzonder gebied bevinden. Wat het Antarctisch gebied betreft, is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels door alle schepen.
- b. Is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels vanaf een schip met een bruto inhoud van minder dan 400 ton, geen olietankschip zijnde, wanneer dit zich in een bijzonder gebied bevindt, behalve wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof, zonder verdunning, lager is dan 15 delen per miljoen.
- (3).
- (a). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 11 van deze Bijlage is elke lozing in zee verboden van olie of oliehoudende mengsels door schepen geen olietankschepen zijnde met een bruto tonnage van minder dan 400 ton, wanneer zij zich in een bijzonder gebied bevinden, behalve indien de geloosde onverdunde vloeistof niet meer dan 15 eenheden olie per miljoen eenheden oliehoudend mengsel bevat, ofwel indien wordt voldaan aan alle onderstaande voorwaarden:
- (i). het schip vervolgt zijn vaarroute;
- (ii). het oliegehalte van de geloosde vloeistof bedraagt minder dan 100 eenheden olie per miljoen eenheden oliehoudend mengsel: en
- (iii). de lozing geschiedt zover mogelijk van het land verwijderd, maar in geen geval binnen een afstand van 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (b). Lozingen in zee mogen geen chemicaliën bevatten, en evenmin andere stoffen in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen aangewend met het doel de in dit Voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
- (c). De olieresiduen die niet in zee kunnen kunnen worden geloosd volgens de bepalingen onder (a) van dit lid dienen aan boord te worden gehouden of aan ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.
- (4). De bepalingen van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op de lozing van schone of gescheiden ballast.
- (5). Niets in dit Voorschrift verbiedt een schip, dat slechts tijdens een gedeelte van zijn reis in een bijzonder gebied vaart, buiten dat gebied te lozen overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (6). Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip dienen de Regeringen van Partijen bij het Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijze in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten ter zake om na te gaan of de bepalingen van dit Voorschrift of van Voorschrift 9 van deze Bijlage zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden betrokken: de toestand van wind en zee, de gevolgde koers en de snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
- (7). Ontvangstvoorzieningen binnen de bijzondere gebieden:
- (a). de gebieden van de Middellandse Zee, de Zwarte Zee en de Oostzee:
- (i). De Regering van elke Partij bij het Verdrag wier kustlijn grenst aan een van de bijzondere gebieden draagt daartoe zorg, dat uiterlijk op 1 januari 1977 alle olielaadplaatsen en reparatiehavens in het bijzondere gebied zijn voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen en verwerken van alle vuile ballast en tankwaswater van olietankschepen. Bovendien zullen alle havens binnen het bijzondere gebied worden voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen van andere residuen en oliehoudende mengsels afkomstig van alle schepen. Deze inrichtingen dienen een capaciteit te hebben toereikend om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken.
- (ii). De Regering van elke Partij onder wier rechtsmacht ondiepe toegangen tot scheepvaartroutes vallen, welke een vermindering van diepgang door middel van het lozen van ballast zouden vereisen, draagt zorg voor de voorziening in de inrichtingen bedoeld onder (a) (i) van dit lid, met dien verstande evenwel dat schepen die verontreinigd tankwas- of ballastwater moeten lozen enig oponthoud kunnen ondervinden.
- (iii). Gedurende de periode die verloopt tussen de inwerkingtreding van dit Verdrag (indien eerder dan 1 januari 1977) en 1 januari 1977, zullen schepen die in de bijzondere gebieden varen zich houden aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage. De Regeringen van Partijen wier kustlijn grenst aan een van de bijzondere gebieden bedoeld onder (a) van dit lid kunnen echter een datum vaststellen, eerder dan 1 januari 1977 doch later dan de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van de betrokken bijzondere gebieden van kracht zullen worden:
- (1). indien alle vereiste ontvangstinrichtingen op de aldus vastvastgestelde datum beschikbaar zijn; en
- (2). mits de betrokken Partijen de Organisatie ten minste zes maanden van tevoren in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum, dit ter mededeling aan andere Partijen.
- (iv). Na 1 januari 1977, dan wel na de datum vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) (iii) van dit lid indien deze datum eerder valt, stelt elke Partij de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Verdragsluitende Regeringen.
- (b). De gebieden van de Rode Zee, de Perzische Golf, de Golf van Aden en de Noordwest-Europese wateren:
- (i). De Regering van elke Partij wier kustlijn grenst aan de bijzondere gebieden draagt er zorg voor dat zo spoedig mogelijk alle olielaadplaatsen en reparatiehavens binnen deze bijzondere gebieden zijn voorzien van inrichtingen toereikend voor het ontvangen en verwerken van alle vuile ballast en tankwaswater van olietankschepen. Bovendien zullen alle havens binnen het bijzondere gebied worden voorzien van inrichtingen, toereikend voor het ontvangen van andere residuen en oliehoudende mengsels afkomstig van alle schepen. Deze inrichtingen dienen een capaciteit te hebben toereikend om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken, zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken.
- (ii). De Regering van elke Partij onder wier rechtsmacht ondiepe toegangen tot scheepvaartroutes vallen welke een vermindering van diepgang door middel van het lozen van ballast zouden vereisen, draagt zorg voor de voorziening in inrichtingen bedoeld onder (b) (i) van dit lid, met dien verstande evenwel dat schepen die verontreinigd tankwas- of ballastwater moeten lozen enig oponthoud kunnen ondervinden.
- (iii). Elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge de bepalingen onder (b) (i) en (ii) van dit lid. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van te voren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (iv). Gedurende de periode die verloopt tussen de inwerkingtreding van dit Verdrag en de aldus vastgestelde datum houden schepen die in de bijzondere gebieden varen zich aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (v). Na deze datum houden ook olietankschepen, die lading innemen in havens in deze bijzondere gebieden waar de genoemde inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, zich volledig aan de bepalingen van dit Voorschrift. Olietankschepen die deze bijzondere gebieden binnenvaren om lading in te nemen, doen echter al het mogelijke om het gebied binnen te varen met uitsluitend schone ballast aan boord.
- (vi). Na de datum van inwerkingtreding van de bepalingen voor het betrokken bijzondere gebied stelt elke Partij de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
- (vii). Per 1 januari 1977, of een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag indien deze datum later valt, dient ten minste in de ontvangstinrichtingen als bedoeld in Voorschrift 12 van deze bijlage te zijn voorzien.
- (8). Niettegenstaande het bepaalde in het zevende lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle oliehoudend slik, vuil ballast- en tankwaswater en andere oliehoudende residuen en mengsels van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle oliehoudend slik, vuil ballast- en tankwaswater en andere oliehoudende residuen en mengsels terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om deze oliehoudende residuen af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 11. Uitzonderingen
De Voorschriften 9 en 10 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- (ii). uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling om schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van oliehoudende stoffen met toestemming van de Administratie, indien dit geschiedt met het doel bepaalde verontreinigingsvoorvallen te bestrijden ten einde de schade door verontreiniging tot een minimum te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsht men zich voorneemt de lozing te doen plaatsvinden.
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
- (1). Onverlet het bepaalde in Voorschrift 10 van deze Bijlage verbindt de Regering van elke Partij zich ertoe de aanleg te verzekeren van inrichtingen bij olielaadplaatsen, in reparatiehavens, alsmede in andere havens waar schepen olieresiduen moeten lozen, bestemd voor de ontvangst van die residuen en oliehoudende mengsels welke achterblijven voor afgifte door olietankschepen en andere schepen en toereikend om te voldoen aan de behoefte van de schepen die er gebruik van maken, zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken.
- (2). De ontvangstinrichtingen zoals bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift dienen te worden aangelegd in:
- (a). alle havens en plaatsen waar ruwe olie in olietankschepen wordt geladen, wanneer deze tankschepen onmiddellijk voor hun aankomst een reis in ballast hebben gemaakt van niet langer dan 72 uren of niet meer dan 1200 zeemijlen;
- (b). alle havens en plaatsen waar olie, geen ruwe olie zijnde, in bulk wordt geladen met een gemiddelde hoeveelheid van meer dan 1000 metrieke tonnen per dag;
- (c). alle havens waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het schoonmaken van tanks gevestigd zijn;
- (d). alle havens en laad- en losplaatsen waar schepen worden behandeld die zijn voorzien van de tank (s) voor oliehoudend slik zoals vereist krachtens Voorschrift 17 van deze Bijlage;
- (e). alle havens, ten behoeve van de ontvangst van oliehoudend lenswater en overige residuen, waarvan de lozing overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage niet mogelijk is; en
- (f). alle laadhavens voor stortladingen ten behoeve van de ontvangst van residuen uit combinatietankschepen, waarvan de lozing overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage niet mogelijk is.
- (3). Voor de capaciteit ten aanzien van de ontvangstinrichtingen is het volgende bepalend:
- (a). Laadplaatsen voor ruwe olie dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels waarvan de lozing niet mogelijk is overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, door alle olietankschepen op reizen zoals beschreven in lid (2) (a) van dit Voorschrift.
- (b). De laadhavens en laadplaatsen bedoeld in lid (2) (b) van dit Voorschrift dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels waarvan de lozing niet mogelijk is overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, door olietankschepen die andere olie dan ruwe olie in bulk laden.
- (c). Alle havens, waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het schoonmaken van tanks gevestigd zijn, dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van alle residuen en oliehoudende mengsels die zich aan boord bevinden voor afgifte door schepen voordat zij bij deze werven of inrichtingen aankomen.
- (d). Alle inrichtingen die ingevolge lid (2) (d) van dit Voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van alle residuen, die overeenkomstig Voorschrift 17 van deze Bijlage aan boord zijn gehouden van alle schepen die redelijkerwijze kunnen worden geacht deze havens en laad- of losplaatsen aan te doen.
- (e). Alle inrichtingen die ingevolge dit Voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van oliehoudend lenswater en andere residuen die niet kunnen worden geloosd overeenkomstig Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (f). De inrichtingen die in laadhavens voor stortladingen zijn aangelegd, dienen naar behoren te worden afgestemd op de speciale problemen van combinatietankschepen.
- (4). De ontvangstinrichtingen, voorgeschreven in lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, dienen uiterlijk een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, of op 1 januari 1977, al naar gelang welke datum later valt, beschikbaar gesteld te worden.
- (5). Elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen, waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 13. Gescheiden Ballast Tanks, Aangewezen Schone Ballast Tanks en Ruwe Olie Wasmethode
Behoudens het bepaalde in de Voorschriften 13C en 13D van deze Bijlage, dienen olietankschepen te voldoen aan de eisen van dit Voorschrift.
Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton en meer
-
- Elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer en elk nieuw produktentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton en meer dient te worden voorzien van gescheiden ballasttanks en te voldoen aan het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid, of, indien toepasselijk, aan het bepaalde in het vijfde lid van dit Voorschrift.
-
- De capaciteit van de gescheiden ballasttanks dient zodanig te worden bepaald, dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen, zonder gebruik te behoeven te maken van olietanks voor ballastwater, behoudens het bepaalde in het derde of vierde lid van dit Voorschrift. In alle gevallen dient de capaciteit van de gescheiden ballasttanks echter ten minste zodanig te zijn, dat in elke ballasttoestand gedurende elk deel van de reis met inbegrip van de toestand van ledig gewicht plus uitsluitend gescheiden ballast, de diepgang en trim van het schip aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:
- (a). de midscheepse diepgang naar de mal gemeten (md) in meters (zonder rekening te houden met enige vervorming van het schip) dient niet minder te zijn dan
- md = 2.0 + 0.02 L;
- (b). de diepgangen bij de voor- en achterloodlijnen dienen overeen te komen met die verkregen door op de midscheepse diepgang (md) bepaald onder (a) van dit lid, een trim achterover toe te passen van niet meer dan 0,015 L; en
- (c). de diepgang bij de achterloodlijn dient in geen geval minder te zijn dan noodzakelijk is voor de volledige onderdompeling van de schroef (schroeven).
-
- Ballastwater dient in geen geval in ladingtanks te worden vervoerd, behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van Voorschrift 15 van deze Bijlage, en er dient aantekening van te worden gehouden in het Oliejournaal zoals bedoeld in Voorschrift 20 van deze Bijlage.
-
- Wanneer het nieuwe ruwe olietankschepen betreft mag de aanvullende ballast, toegestaan ingevolge het bepaalde in het derde lid van dit Voorschrift, alleen worden vervoerd in ladingtanks indien deze vóór vertrek uit een loshaven of ligplaats zijn schoongemaakt met ruwe olie overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 13 B van deze Bijlage.
-
- In afwijking van het bepaalde in het tweede lid van dit Voorschrift dienen de gescheiden ballasttoestanden van olietankschepen met een lengte van minder dan 150 meter ten genoegen van de Administratie te zijn.
-
- Op elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer dient een methode voor schoonmaken van de ladingtanks te worden toegepast waarbij gebruik wordt gemaakt van het wassen met ruwe olie. De Administratie dient, binnen één jaar nadat het tankschip voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van ruwe olie, of, indien dit tijdstip later valt, bij het einde van de derde reis waarop ruwe olie, geschikt voor de ruwe olie wasmethode, wordt vervoerd, de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat de methode volledig voldoet aan de vereisten van Voorschrift 13 B van deze Bijlage. Tenzij een dergelijk olietankschip ruwe olie vervoert die niet geschikt is voor de ruwe olie wasmethode, dient het olietankschip de methode toe te passen in overeenstemming met de vereisten van voornoemd Voorschrift.
Bestaande ruwe olietankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer
-
- Behoudens het bepaalde in het achtste en negende lid van dit Voorschrift moet elk bestaande ruwe olietankschip van 40.000 ton draagvermogen en meer zijn voorzien van gescheiden ballasttanks en voldoen aan de vereisten van het tweede en derde lid van dit Voorschrift vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Protocol.
-
- Bestaande ruwe olietankschepen als bedoeld in het zevende lid van dit Voorschrift mogen, in plaats van te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, een ladingtank wasmethode toepassen waarbij gebruik wordt gemaakt van het wassen met ruwe olie in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13 B van deze Bijlage, tenzij de ruwe olietanker bestemd is om gebruikt te worden voor het vervoer van ruwe olie die ongeschikt is voor de ruwe olie wasmethode.
-
- Bestaande olietankschepen als bedoeld in het zevende of achtste lid van dit Voorschrift mogen, in plaats van te zijn uitgerust met gescheiden ballasttanks of de ladingtank wasmethode toe te passen waarbij gewassen wordt met ruwe olie, aangewezen schone ballasttanks gebruiken, in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13 A van deze Bijlage, gedurende het navolgende tijdvak:
- (a). ruwe olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton en meer: tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol, en
- (b). ruwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 40.000 en minder dan 70.000 ton: tot vier jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol.
Bestaande produktentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton en meer
-
- Vanaf de datum van inwerkingtreding van dit Protocol dient elk bestaand produktentankschip met een draagvermogen van 40.000 ton en meer te zijn voorzien van gescheiden ballasttanks en te voldoen aan de vereisten in het tweede en derde lid van dit Voorschrift, of, naar keuze, de aangewezen schone ballasttanks-methode toe te passen in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13 A van deze Bijlage.
Een olietankschip gekwalificeerd als een gescheiden ballasttankschip.
-
- Elk olietankschip dat niet behoeft te worden voorzien van gescheiden ballasttanks in overeenstemming met het eerste, zevende of tiende lid van dit Voorschrift, kan echter worden gekwalificeerd als gescheiden ballasttankschip indien het schip voldoet aan de vereisten van respectievelijk het tweede en derde of vijfde lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 13A. Voorschriften voor Olietankschepen met Aangewezen Schone Ballast Tanks
-
- Een olietankschip dat aangewezen schone ballasttanks gebruikt in overeenstemming met de vereisten van Voorschrift 13(9) of (10) van deze Bijlage, dient voldoende tankcapaciteit, uitsluitend aangewezen voor het vervoeren van schone ballast zoals omschreven in Voorschrift 1 (16) van deze Bijlage, te bezitten om te voldoen aan de vereisten in het tweede en derde lid van Voorschrift 13 van deze Bijlage.
-
- De voorzieningen en operationele werkwijze voor aangewezen schone ballasttanks dienen te voldoen aan de vereisten vastgesteld door de Administratie. Deze vereisten moeten tenminste omvatten alle voorzieningen van de specificaties voor Olie Tankschepen met Aangewezen Schone Ballast Tanks zoals aangenomen in Resolutie 14 van de Internationale Conferentie voor Tanker Veiligheid en Voorkoming van Verontreiniging, 1978, en zoals deze herzien kan worden door de Organisatie.
-
- Een olietankschip dat aangewezen schone ballasttanks gebruikt moet zijn uitgerust met een oliegehaltemeter, goedgekeurd door de Administratie op basis van de specificaties aanbevolen door de Organisatie*Zie „Aanbeveling voor Internationale Uitvoering en Test Specificaties voor Olie-Waterafscheiders en Oliegehaltemeters” aangenomen door de Organisatie in Resolutie A 393 (X). , die controle van het oliegehalte van het ballastwater dat geloosd wordt mogelijk maakt. De oliegehaltemeter mag niet later worden aangebracht dan tijdens het eerste vastgestelde bezoek aan een scheepswerf volgend op de inwerkingtreding van dit Protocol. Totdat de oliegehaltemeter is aangebracht moet, onmiddellijk voordat ballast geloosd wordt, door middel van een onderzoek van het ballastwater in aangewezen tanks worden vastgesteld dat vermenging met olie niet heeft plaatsgevonden.
-
- Elk olietankschip uitgerust met aangewezen schone ballasttanks moet zijn voorzien van:
- (a). een Aangewezen Schoon Ballast Tank Handboek waarin het systeem beschreven staat en dat de operationele werkwijze aangeeft. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en moet alle informatie bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in het tweede lid van dit Voorschrift. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het aangewezen schone ballasttankssysteem beïnvloedt dient het handboek overeenkomstig te worden herzien; en
- (b). een Aanvulling op het Oliejournaal, genoemd in Voorschrift 20 van deze Bijlage, en zoals dat wordt beschreven in Aanvulling 1 op Aanhangsel III van deze Bijlage. De Aanvulling moet blijvend bevestigd zijn aan het Oliejournaal.
Voorschrift 13B. Vereisten voor de Ruwe Olie Wasmethode
-
- Elk systeem voor het wassen met ruwe olie dat vereist is ingevolge Voorschrift 13 (6) en (8) van deze Bijlage moet voldoen aan het bepaalde in dit Voorschrift.
-
- De installatie om met ruwe olie te wassen met de bijbehorende uitrusting en voorzieningen moet voldoen aan de vereisten gesteld door de Administratie. Deze vereisten dienen ten minste te bevatten alle voorzieningen vermeld in de Specificatie voor het Ontwerp, Werkwijze en Controle van Ruwe Olie Wassystemen aangenomen in Resolutie 15 van de Internationale Vergadering voor Tanker Veiligheid en Voorkoming van Verontreiniging, 1978, en zoals deze herzien kunnen worden door de Organisatie.
-
- Een inert-gasinstallatie moet zijn aangesloten op elke tank en sloptank in overeenstemming met de betreffende Voorschriften van Hoofdstuk II-2 van het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974, zoals gewijzigd en aangevuld bij het Protocol van 1978 betreffende het Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee, 1974.
-
- Met betrekking tot het ballasten van ladingtanks dienen voldoende ladingtanks met ruwe olie te zijn gewassen alvorens de ballastreis aanvangt zodat, rekening houdend met het vaarschema van het tankschip en de te verwachten weersomstandigheden, ballastwater alleen wordt vervoerd in tanks die met ruwe olie zijn gewassen.
-
- Elk olietankschip uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie moet zijn voorzien van:
- (a). een handboek waarin het systeem en de uitrusting beschreven staat en waarin de werkwijze wordt uiteengezet. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en moet alle informatie bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in lid 2 van dit Voorschrift. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die het systeem voor het wassen met ruwe olie beïnvloedt dient het handboek overeenkomstig te worden herzien; en
- (b). een Aanvulling op het Oliejournaal genoemd in Voorschrift 20 van deze Bijlage, welke Aanvulling wordt beschreven in Aanvulling 2 op Aanhangsel III van deze Bijlage. De Aanvulling moet blijvend zijn bevestigd aan het Oliejournaal.
Voorschrift 13C. Bestaande tankschepen ingezet op bepaalde reizen
-
- Behoudens het bepaalde in het tweede en derde lid van dit Voorschrift, zijn Voorschrift 13 (7) tot (10) van deze Bijlage niet van toepassing op een bestaand olietankschip dat alleen wordt ingezet op bepaalde reizen tussen:
- (a). havens of ligplaatsen binnen een Staat die Partij is bij dit Protocol,
- (b). havens of ligplaatsen van Staten die Partij zijn bij dit Protocol, of wanneer:
- (i). de reis geheel plaatsvindt binnen een Bijzonder Gebied als omschreven in Voorschrift (10) (1) van deze Bijlage, of
- (ii). de reis geheel plaatsvindt binnen andere grenzen vastgesteld door de Organisatie.
-
- Het bepaalde van het eerste lid van dit Voorschrift is slechts van toepassing wanneer de havens of ligplaatsen waar lading wordt ingenomen voor dergelijke reizen, zijn voorzien van ontvangstinrichtingen die toereikend zijn voor het ontvangen en verwerken van alle ballast en tankwaswater van olietankschepen die van deze havens of ligplaatsen gebruik maken, en aan de navolgende voorwaarden is voldaan:
- (a). behoudens de uitzonderingen vervat in Voorschrift 11 van deze Bijlage moet alle ballastwater, schoon ballastwater en residuen van het tankwassen daarbij inbegrepen, aan boord worden gehouden en de aantekening in het betreffende Deel van de Aanvulling op het Oliejournaal genoemd in het derde lid van dit Voorschrift wordt gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de Havenstaat;
- (b). tussen de Administratie en de Regeringen van de Havenstaten genoemd in de sub-leden (1) (a) of (b) van dit Voorschrift moet overeenstemming zijn bereikt met betrekking tot het gebruik van een bestaand olietankschip op een bepaalde reis;
- (c). de toereikendheid van de ontvangstinrichting in voornoemde havens en ligplaatsen dient, overeenkomstig de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage en voor de strekking van dit Voorschrift, te zijn goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij zijn bij dit Protocol, en waarin deze havens en ligplaatsen zijn gelegen; en
- (d). op het Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging door Olie dient te worden aangetekend dat het olietankschip uitsluitend wordt gebezigd voor die bepaalde reizen.
-
- Elk olietankschip ingezet op bepaalde reizen moet zijn voorzien van een Aanvulling op het Oliejournaal genoemd in Voorschrift 20 van deze Bijlage, en zoals dat wordt beschreven in Aanvulling 3 op Aanhangsel III van deze Bijlage. De Aanvulling moet blijvend bevestigd zijn aan het Oliejournaal.
Voorschrift 13D. Bestaande Olietankschepen met speciale Ballast Voorzieningen
-
- Wanneer een bestaand olietankschip zodanig is gebouwd of op een zodanige manier wordt gebruikt dat te allen tijde is voldaan aan de vereisten van minimum diepgang en trim zoals gegeven in Voorschrift 13 (2) van deze Bijlage zonder dat ballastwater gebruikt behoeft te worden, wordt de tanker geacht te voldoen aan de eisen betreffende gescheiden ballasttanks genoemd in Voorschrift 13 (7) van deze Bijlage, mits aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- (a). de werkwijze en ballastvoorzieningen dienen te zijn goedgekeurd door de Administratie;
- (b). tussen de Administratie en de Regeringen van Havenstaten die Partij zijn bij dit Protocol moet overeenstemming zijn bereikt betreffende de vereisten aangaande de diepgang en de trim die door de werkwijze worden verkregen;
- (c). op het Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging door Olie moet zijn aangetekend dat het olietankschip met speciale ballastvoorzieningen vaart.
-
- Ballastwater dient in geen geval in olietanks te worden vervoerd, behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van Voorschrift 15 van deze Bijlage, en er dient aantekening van te worden gehouden in het Oliejournaal zoals bedoeld in Voorschrift 20 van deze Bijlage.
-
- Een Administratie die een aantekening op een certificaat maakt overeenkomstig sub-lid (1) (c) van dit Voorschrift dient de bijzonderheden daarvan mee te delen aan de Organisatie ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol.
Voorschrift 13E. Beschermende plaatsing van gescheiden ballastruimten
-
- Op elk nieuw ruwe olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton en meer en op elk nieuw produktentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton en meer dienen de binnen het ladingtankgedeelte aangebrachte gescheiden ballasttanks, van de vereiste inhoud die noodzakelijk is teneinde te kunnen voldoen aan de eisen van Voorschrift 13 van deze Bijlage, te zijn geplaatst in overeenstemming met het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit Voorschrift teneinde een zekere mate van bescherming te bieden tegen het uitstromen van olie ingeval van stranding of aanvaring.
-
- Gescheiden ballasttanks en ruimten binnen het ladingtankgedeelte (Lt), geen olietanks zijnde, dienen zodanig te zijn geplaatst dat aan de volgende eisen wordt voldaan: waarin: Waar in dit Voorschrift de in dit lid vermelde symbolen voorkomen hebben zij de betekenis zoals omschreven in dit lid.
- ΣPAC + ΣPAS ≥ J[Lt (B + 2D)]
| PAC | = | voor elke gescheiden ballasttank of ruimte, geen olietank zijnde: de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
|---|---|---|
| PAS | = | voor elke zodanige tank of ruimte: de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
| Lt | = | lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m, |
| B | = | grootste breedte van het schip in m, zoals omschreven in het eenentwintigste lid van Voorschrift 1 van deze Bijlage, |
| D | = | holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenkant van de kiel tot de bovenkant van de balken van het vrijboorddek in.de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd, moet de holte naar de mal gemeten. worden tot het snijpunt, van de doorgestrookte lijn van de bovenkant der balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant der spanten. |
| J | = | 0.45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton en meer, behoudens het gestelde in het derde lid van dit Voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen moet de waarde van „J” door lineaire interpolatie worden bepaald. |
-
- Voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton en meer mag de waarde van „J” als volgt worden verminderd: waarin: a = 0,25 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton a = 0,40 voor olietankschepen met een draagvermogen van 300.000 ton a = 0,50 voor olietankschepen met een draagvermogen van 420.000 ton en meer. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen moet de waarde van „a” door lineaire interpolatie worden bepaald.
| Oc | = | als omschreven in Voorschrift 23 (1) (a) van deze Bijlage |
|---|---|---|
| Os | = | als omschreven in Voorschrift 23 (1) (b) van deze Bijlage |
| OA | = | de toelaatbare hoeveelheid uitgestroomde olie zoals voorgeschreven in Voorschrift 24 (2) van deze Bijlage. |
-
- Bij de vaststelling van de waarden van PAC en PAS voor gescheiden ballastanks en -ruimten, geen olietanks zijnde, is het volgende van toepassing: De kleinste breedte en hoogte van zijtanks en dubbele bodemtanks dient te worden gemeten buiten het kimoppervlak; de kleinste breedte moet, indien bij de overgang van huidbeplating naar dekbeplating een rondgezette plaat wordt toegepast, worden gemeten buiten het door deze rondgezette plaat gevormde oppervlak.
- (a). De kleinste breedte van elke zijtank of ruimte die zich over de volle hoogte van de scheepszijde, dan wel van het dek tot de bovenzijde van de dubbele bodem uitstrekt, mag niet minder zijn dan 2 m. De breedte dient binnenboord te worden gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens. Indien de aanwezige breedte geringer is mag de betreffende zijtank of ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak „PAC” niet in rekening worden gebracht; en
- (b). De kleinste hoogte van elke dubbele bodemtank of ruimte moet gelijk zijn aan B/15 of 2 m, welke van deze waarden de kleinste is. Indien de aanwezige hoogte geringer is mag de betreffende (dubbele) bodemtank of ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak „PAs” niet in rekening worden gebracht.
VOORSCHRIFT 13F. Voorkoming van verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding
Dit Voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton massa of meer:
- a. waarvoor het bouwcontract is gesloten op of na 6 juli 1993, of
- b. waarvan bij het ontbreken van een bouwcontract de kiel is gelegd of zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevinden op of na 6 januari 1994, of
- c. die op of na 6 juli 1996 worden opgeleverd; of
- d. die een belangrijke verbouwing nebben ondergaan:
- i. waarvoor het contract is gesloten na 6 juli 1993; of
- ii. waarvoor bij het ontbreken van een contract de verbouwing na 6 januari 1994 is begonnen; of
- iii. die na 6 juli 1996 is voltooid.
Ieder olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton massa of meer dient:
- a. in plaats van aan Voorschrift 13 E, waar van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 3, tenzij het onder de bepalingen van lid 4 en 5 valt; en
- b. indien van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 6.
De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten, die geen ladingtanks of brandstoftanks zijn:
- a. Zijtanks of -ruimten Zijtanks of -ruimten dienen zich uit te strekken hetzij over de volle holte van het schip in de zijde of van de bovenzijde van de dubbele bodem tot het bovenste dek daarbij geen rekening houdende met een rondgezette plaat als overgang van huidbeplating naar dekbeplating. Zij dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 1, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven: w = 0,5 + DW/20.000 of 2,0 m, naar gelang welk getal het kleinst is. De minimumwaarde van w = 1,0 m.
- b. Dubbele-bodemtanks of -ruimten De hoogte van elke dubbele-bodemtank of -ruimte dient op iedere willekeurige dwarsdoorsnede zodanig te zijn dat de afstand h tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 1, niet minder is dan hieronder omschreven: h = B/15 m of 2,0 m, naar gelang welk getal het laagst is. De minimumwaarde van h = 1,0 m.
- c. Het gebied van de ronding van de kim, of plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim Wanneer de afstanden h en w verschillen, wordt de afstand w aangehouden op niveaus hoger dan 1,5 h boven de basislijn, zoals weergegeven in figuur 1.
- d. De totale capaciteit van ballasttanks Op ruwe-olietankscheperi met een draagvermogen van 20.000 ton massa of meer en produktentankschepen met een draagvermogen van 30.000 ton massa of meer dient de totale capaciteit van de zijtanks, de dubbele-bodemtanks, de voorpiektanks en de achterpiektanks niet minder te zijn dan de capaciteit van de gescheiden ballasttanks dat nodig is om te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13. Zijtanks of -ruimten en dubbele-bodemtanks die worden gebruikt om te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13 dienen, gelijkmatig, langs de lengte van het ladingtankgedeelte te zijn geplaatst. Aanvullende capaciteit voor gescheiden ballast ten behoeve van het verminderen van de langsscheepse buigspanningen in de romp, de trim enz. mag op elke plaats in het schip zijn gelegen.
- e. Zuigputten in ladingtanks Zuigputten in ladingtanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein als praktisch mogelijk zijn en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
- f. Lading- en ballastleidingen Ballastleidingen en andere leidingen, zoals leidingen voor peilingen en ventilatiepijpen naar ballasttanks, mogen niet door ladingtanks lopen. Ladingleidingen en soortgelijke leidingen naar ladingtanks mogen niet door ballasttanks lopen. Vrijstelling van dit vereiste kan worden verleend voor korte leidinggedeelten, op voorwaarde dat zij geheel zijn gelast of op gelijkwaardige wijze zijn geconstrueerd.
- a. Dubbele-bodemtanks of -ruimten zoals vereist in lid 3, letter b, kunnen achterwege blijven op voorwaarde dat het ontwerp van het tankschip zodanig is dat de druk die door lading en damp wordt uitgeoefend op de vlakbeplating van het schip die de enige scheiding vormt tussen de lading en de zee, niet hoger is dan de hydrostatische waterdruk van buitenaf, zoals weergegeven in de volgende formule: f . hc· pc· g + 100Δp≤ dn· ρs· g waarin: hc = de hoogte van de lading die in aanraking komt met de vlakbeplating in meters ρc = de maximale ladingdichtheid in t/ m3 dn = minimum diepgang voor een schip in bedrijf, onder alle te verwachten beladingstoestanden, in meters ρs = de dichtheid van het zeewater in t/ m3 ∆p = maximuminsteldruk van over/onderdrukkleρpen voor de ladingtank, in bar f = veiligheidsfactor = 1,1 g = standaardversnelling van de zwaartekracht (9,81 m/s2).
- b. Elke horizontale scheiding die nodig is om aan de bovenstaande vereisten te voldoen, dient te worden geplaatst op een hoogte van niet minder dan B/6 of 6 meter, naar gelang welke het kleinst is, maar niet meer dan 0,6 D, boven de basislijn, waarbij D staat voor de holte naar de mal midscheeps gemeten.
- c. Zijtanks of -ruimten dienen te zijn geplaatst zoals omschreven in lid 3, letter a, behalve dat onder een niveau van 1,5 h boven de basislijn, waarbij h voldoet aan de omschrijving gegeven in lid 3, letter b, de grenslijn van de ladingtank verticaal naar beneden kan lopen tot de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 2.
Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in principe zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton massa of meer dient de in Voorschrift 25, lid 2, letter b, aaπgenomen schade te worden aangevuld met de volgende aangenomen schade aan het scheepsvlak met geringe penetratie:
- a. langsscheeps:
- i. schepen met een draagvermogen van 75.000 ton massa of meer: 0,6 L gemeten vanaf de voorloodlijn
- ii. schepen met een draagvermogen van minder dan 75.000 ton massa: 0,4 L gemeten vanaf de voorloodlijn
- b. dwarsscheeps: B/3 overal in het vlak
- c. verticaal: beschadiging van de huidbeplating.
Olietankschepen met een laadvermogen van minder dan 5.000 massa ton dienen:
- a. ten minste te zijn voorzien van dubbele-bodemtanks of -ruimten die een zodanige hoogte hebben dat de afstand h, zoals omschreven in lid 3, letter b, voldoet aan de volgende voorwaarde: h = B/15 m met een minimumwaarde van h = 0,76 m; in het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de ladingtank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak zoals weergegeven in figuur 3; en
- b. te zijn voorzien van ladingtanks die zodanig zijn geplaatst dat het laadvermogen van elke ladingtank niet groter is dan 700 m, tenzij de zijtanks of -ruimten zijn geplaatst in overeenstemming met lid 3, letter a, en voldoen aan de volgende voorwaarde: w = 0,4 + 2.4 DW T/ 20.000 DW T m of met een minimumwaarde van w = 0,76 m.
Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met Voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat Voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het hart schip, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat Voorschrift zou zijn geplaatst.
Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit Voorschrift houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.
Figuur 1 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 3
Figuur 2 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 4
Figuur 3 - Grenslijnen van ladingtanks voor de toepassing van lid 7
Voorschrift 13G. Voorkoming van verontreiniging door olie door ongevallen – maatregelen voor bestaande olietankschepen
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit Voorschrift:
- a. van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer, waarvoor het contract is gesloten, waarvan de kiel is gelegd of die zijn opgeleverd vóór de in Voorschrift 13F, eerste lid, van deze Bijlage genoemde data; en
- b. niet van toepassing op olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F van deze Bijlage, waarvoor het contract is gesloten, waarvan de kiel is gelegd of die zijn opgeleverd vóór de in Voorschrift 13F, eerste lid, van deze Bijlage genoemde data; en
- c. niet van toepassing op onder onderdeel a hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F, derde lid, onderdelen a en b, of aan 13F, vierde lid, of aan 13F, vijfde lid, van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimumafstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan Voorschrift 13E, vierde lid, onderdeel b, van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit Voorschrift wordt verstaan onder:
- a. ,Zware dieselolie’: dieselolie voor de scheepvaart, niet zijnde de distillaten die voor meer dan 50 procent van hun volume distilleren bij een temperatuur die niet hoger is dan 340°C, wanneer zij worden getest door middel van een voor de Organisatie aanvaardbare methode.
- b. ,Stookolie’: zware distillaten of residuen van ruwe olie of mengsels van dergelijke materialen die bestemd zijn voor gebruik als brandstof voor de productie van warmte of vermogen van een kwaliteit die gelijk is aan de voor de Organisatie aanvaardbare specificatie.
-
- Voor de toepassing van dit Voorschrift worden olietankschepen onderverdeeld in de volgende categorieën:
- a. ,olietankschepen van categorie 1’: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, stookolie, zware dieselolie of smeerolie als vracht vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die niet voldoen aan de vereisten voor nieuwe olietankschepen als omschreven in Voorschrift 1, zesentwintigste lid, van deze Bijlage;
- b. ,olietankschepen van categorie 2’: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, stookolie, zware dieselolie of smeerolie als vracht vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die voldoen aan de vereisten voor nieuwe olietankschepen als omschreven in Voorschrift 1, zesentwintigste lid, van deze Bijlage;
- c. ,olietankschepen van categorie 3’: olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer, maar minder dan vermeld in de onderdelen a of b van dit lid.
-
- Olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is dienen uiterlijk op 5 april 2005 of op de verjaardatum van hun oplevering in de in de onderstaande tabel vermelde datum of jaar te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13F van deze Bijlage.
| Categorie olietankschepen | Datum of jaar |
|---|---|
| Categorie 1 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder |
| Categorie 1 | 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982 |
| Categorie 2 en Categorie 3 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder |
| 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978 | |
| 2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979 | |
| 2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981 | |
| 2008 voor schepen opgeleverd in 1982 | |
| 2009 voor schepen opgeleverd in 1983 | |
| Categorie 2 en Categorie 3 | 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later |
-
- Niettegenstaande de bepalingen van het vierde lid van dit Voorschrift, kan de Administratie in het geval van olietankschepen van categorie 2 of 3 die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van het eerste lid, onderdeel c, van dit Voorschrift, toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- a. de schepen op 1 juli 2001 in gebruik waren;
- b. ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- c. de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- d. de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- Olietankschepen van categorie 2 of 3 die 15 jaar of ouder zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering, dienen te voldoen aan de keuringsregeling scheepvaart aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu bij resolutie MEPC.94(46), als gewijzigd, mits deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van het Verdrag inzake wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- De Administratie kan toestaan dat een olietankschip van categorie 2 of 3 in de vaart blijft na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de keuringsregeling scheepvaart, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, mits dat uiterlijk duurt tot de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015 of de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering, naar gelang van welke datum het eerst bereikt wordt.
-
- In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag.
- a. De Administratie van een Partij bij het Verdrag die de toepassing van het vijfde lid van dit Voorschrift toestaat, of de toepassing van het zevende lid van dit Voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat onder zijn vlag mag varen, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie en met het oog op zo nodig passende maatregelen.
- b. Een Partij bij het Verdrag heeft het recht de toegang tot onder haar rechtsmacht vallende havens of offshoreterminals te weigeren van olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van: i. het vijfde lid van dit Voorschrift na de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015; of ii. het zevende lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
- (1). Behalve zoals bepaald in lid (2) van dit Voorschrift, dient aan boord van nieuwe schepen anders dan olietankschepen, met een bruto tonnage van 4000 ton en meer en aan boord van nieuwe olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer, geen ballastwater in enige brandstofolietank te worden vervoerd.
- (2). Wanneer ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie mee te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in enige brandstofolietank noodzakelijk maken, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee volgens Voorschrift 9, met gebruikmaking van de uitrusting aangegeven in Voorschrift 16 (2) van deze Bijlage; hiervan dient aantekening te worden gehouden in het Oliejournaal.
- (3). Alle andere schepen dienen zich, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, te houden aan de vereisten van paragraaf (1) van dit Voorschrift.
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
- (1). Onverlet het bepaalde in lid (5) en lid (6) van dit Voorschrift worden olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer uitgerust met voorzieningen overeenkomstig de vereisten van lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, met dien verstande dat, in het geval van bestaande tankschepen, de vereisten inzake bewakings- en regelsystemen voor lozingen en voorzieningen voor sloptanks drie jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag van toepassing zullen zijn.
- (2).
- (a). Er dient te worden voorzien in toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van het verontreinigde ballastresidu en tankwaswater van de ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank. Aan boord van bestaande olietankschepen mag elke ladingtank worden bestemd als sloptank.
- (b). Hierbij dienen voorzieningen te worden aangebracht voor het overbrengen van oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks, zodanig dat elke vloeistof die in zee wordt geloosd, zal voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (c). De voorzieningen voor de sloptank of de combinatie van sloptanks dienen de nodige capaciteit te hebben om het tankwaswater ontstaan door tankwassen, alsmede de olieresiduen en verontreinigde ballastresiduen te bevatten, met dien verstande dat het totaal voor deze capaciteit niet minder dient te zijn dan 3% van het olielaadvermogen van het schip, behalve dat, waar gescheiden ballasttanks zijn aangebracht overeenkomstig Voorschrift 13 van deze Bijlage, of waar geen voorzieningen zijn aangebracht zoals eductors welke gebruik maken van water naast het tankwaswater, de Administratie 2% kan aanvaarden. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 70.000 ton dienen van ten minste twee sloptanks te zijn voorzien.
- (d). De sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaats van in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voorzover deze zijn aangebracht, dat overmatige turbulentie en het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water wordt vermeden.
- (3).
- (a). Er dient een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen te worden aangebracht. Bij beschouwing van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem moet worden opgenomen, dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen*)Zie „Aanbeveling voor internationale specificatie-eisen voor de werking van olie-waterafscheiders en oliegehaltemeters”, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.233 (VII). . Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze weergave dient aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient ten minste drie jaren te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor de olielozing dient in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in zee plaatsvindt en het dient zo te zijn ingericht dat het verzekert dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie op elk moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge Voorschrift 9, (1) (a), van deze Bijlage. Elke storing in dit bewakings- en regelsysteem dient de lozing te doen ophouden en dient te worden aangetekend in het Oliejournaal. Er dient in een andere op bediening met de hand gebaseerde methode te zijn voorzien welke gebruikt kan worden in geval van een dergelijke storing; het onklare gedeelte dient echter zo snel mogelijk weer bedrijfsklaar te worden gemaakt. De autoriteit van de Staat waarin de haven gelegen is, kan het tankschip toestaan met een onklaar gedeelte één reis in ballast te ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet. Bestaande olietankschepen dienen te voldoen aan alle hierboven omschreven bepalingen met dien verstande echter dat het stoppen van de lozing met de hand mag geschieden en de hoeveelheid geloosde olie geschat mag worden aan de hand van de pompkarakteristiek.
- (b). Er dienen door de Administratie goedgekeurde, doelmatige detectoren van het olie-waterscheidingsvlak aanwezig te zijn ten behoeve van een snelle en nauwkeurige bepaling van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks; zij dienen beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin de scheiding van olie en water tot stand komt en van waaruit men lozing rechtstreeks in zee wil doen plaatsvinden.
- (c). De richtlijnen met betrekking tot de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurde bedrijfshandleiding. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en zij dienen erop gericht te zijn te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden aangegeven in Voorschrift 9 van deze Bijlage*)Zie ook “Clean Seas Guide for Oil Tankers”, uitgegeven door de International Chamber of Shipping en het Oil Companies International Marine Forum. .
- (4). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen met een bruto tonnage van minder dan 150 ton, waarbij de naleving van de Regeling van het lozen van olie krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage plaatsvindt door middel van het aan boord houden van olie en de latere afgifte van alle verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en waswater, teruggepompt in een opslagtank, dient te worden vermeld in het Oliejournaal. Deze totale hoeveelheid dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van een vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, ten einde te verzekeren dat aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage wordt voldaan.
- (5). De Administratie kan de vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift terzijde stellen voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt zowel van een duur van 72 uur of minder als binnen een afstand van 50 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip niet in het bezit behoeft te zijn en niet in het bezit is van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie. Elke zodanige terzijdestelling dient onderworpen te zijn aan de eis dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord dient te houden ter latere afgifte aan ontvangstinrichtingen, en aan de bevinding van de Administratie, dat de beschikbare inrichtingen voor het ontvangen van deze oliehoudende mengsels toereikend zijn.
- (6). In gevallen waarin, naar het oordeel van de Organisatie, de uitrusting voor bewaking van het lozen van geraffineerde lichte produkten (witte oliën), vereist ingevolge de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) (vi) van deze Bijlage en omschreven onder (3) (a) van dit Voorschrift, niet verkrijgbaar is, kan de Administratie de verplichting tot nakoming van zulk een vereiste terzijde stellen, met dien verstande dat lozing alleen zal worden toegestaan in navolging van door de Organisatie vastgestelde procedures, die dienen te voldoen aan de voorwaarden van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, uitgezonderd de verplichting tot het in bedrijf hebben van een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen. De Organisatie zal de beschikbaarheid van uitrusting nagaan met tussenpozen van niet langer dan twaalf maanden.
- (7). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt vervoeren; de naleving van de regeling van het lozen van asfalt krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage dient te geschieden door het aan boord houden van asfaltresiduen en het afgeven van alle verontreinigd waswater aan ontvangstinrichtingen.
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.
Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.
- a. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van lid 1 en 2 van dit Voorschrift voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- i. het schip is uitgerust met een verzameltank met een voldoende inhoud, naar genoegen van de Administratie, om al het oliehoudende lenswater aan boord te houden;
- ii. al het oliehoudende lenswater wordt aan boord gehouden voor latere afgifte aan ontvangstvoorzieningen;
- iii. de Administratie heeft vastgesteld dat voldoende ontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn voor het ontvangen van dat oliehoudende lenswater in een voldoende aantal havens of plaatsen waarnaar het schip reizen maakt;
- iv. het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, indien vereist, bevat een aantekening waarin wordt verklaard dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden; en
- v. de hoeveelheid, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het Oliejournaal.
- b. De Administratie draagt er zorg voor dat schepen met een bruto-inhoud van minder dan 400 ton voor zover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust voor het aan boord houden van olie of oliehoudende mengsels of voor het lozen ervan overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9, lid 1, letter b, van deze Bijlage.
De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).
Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
- (1). Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer dient te worden uitgerust met een of meer tanks met een capaciteit die, gezien het type machines en de lengte van de reis, toereikend is voor het opvangen van olieresiduen (slik) die niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage, bijvoorbeeld residuen ontstaan bij het zuiveren van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de machineruimten.
- (2). In nieuwe schepen dienen deze tanks zo ontworpen en gebouwd te worden dat zij hun reiniging en de afgifte van residuen aan ontvangstinrichtingen vergemakkelijken. Bestaande schepen dienen voorzover redelijk en praktisch uitvoerbaar aan dit vereiste te voldoen.
- (3). Pijpleidingen naar en vanaf tanks voor slik dienen geen rechtstreekse aansluiting overboord te hebben behalve de in Voorschrift 19 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte.
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
- (1). Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een walaansluiting voor afgifte te zijn opgesteld, ter koppeling aan ontvangstinrichtingen voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water.
- (2). Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen in zee van vloeistoffen, zoals kan worden toegestaan krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de zwaarste ballasttoestand. Pijpleidingssystemen welke de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan onder lid (4) (a) en (b) van dit Voorschrift kunnen in verschillende uitvoeringen aanvaard worden.
- (3). Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing van vloeistoffen in zee vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte walaansluiting, als bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift, en de vloeistof uit de pijpleidingen, als bedoeld in lid (2) van dit Voorschrift, met het oog waarneembaar is. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien een goed werkende verbinding, zoals een telefoon- of radiosysteem, beschikbaar is tussen de waarnemingsplaats en de regelpositie voor de lozing.
- (4). Alle lozingen dienen boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
- (a). gescheiden ballast en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd in havens of bij laad- of losplaatsen buitengaats;
- (b). bestaande schepen, die niet in staat zijn zonder verbouwing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn lozen, mits een onderzoek van de tank onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat er geen verontreiniging van de ballast met olie heeft plaatsgevonden.
- (5). Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de navolgende vereisten:
- (a). het schip moet zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
- (b). voorzieningen dienen te zijn getroffen teneinde alle ladingpompen en alle ladingleidingen waar nodig na afloop van de lossing leeg te trekken door een stripping aansluiting. Het moet mogelijk zijn de stripping opbrengst zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank over te brengen. Voor lossing naar de wal moet een aparte leiding met een kleine diameter zijn aangebracht die is verbonden aan de walzijde van de afsluiters in het scheepsmanifold.
- (6). Elk bestaand olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, of aangewezen schone ballasttanks toepast moet voldoen aan de bepalingen onder b van het vijfde lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte
Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting | |
|---|---|---|
| uitwendige flensdiameter | 215 mm | |
| inwendige flensdiameter | overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp | |
| diameter van de steekcirkel der bouten | 183 mm | |
| boutgaten | 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm | |
| flensdikte | 20 mm | |
| bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte |
De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.
Voorschrift 20. Oliejournaal
- (1). Elk olietankschip met een bruto-tonnage van 150 ton en meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, moet zijn voorzien van een Oliejournaal dat, hetzij als onderdeel van het scheepsdagboek, hetzij anderszins, moet zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (2). Het Oliejournaal dient, voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
- (a). Voor olietankschepen:
- (i). het laden van olie;
- (ii). het overbrengen van olie van de ene tank naar de andere gedurende de reis;
- (iii). het openen of sluiten, voor of na het laden of lossen, van afsluiters of soortgelijke inrichtingen die ladingtanks onderling verbinden;
- (iv). het openen of sluiten van verbindingen tussen lading- en ballastleidingen;
- (v). het openen of sluiten van overboordafsluiters, tijdens en na laden en lossen;
- (vi). het lossen van lading;
- (vii). het ballasten van ladingtanks;
- (viii). het schoonmaken van ladingtanks;
- (ix). het lozen van ballast, behalve vanuit gescheiden ballasttanks;
- (x). het lozen van water uit sloptanks;
- (xi). het verwijderen van residuen;
- (xii). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in ruimten voor machines.
- (b). Voor schepen, geen olietankschepen zijnde:
- (i). het ballasten of schoonmaken van brandstofolietanks of olielaadruimten;
- (ii). het lozen van ballastwater of waswater uit tanks bedoeld onder (i) van dit lid;
- (iii). het verwijderen van residuen;
- (iv). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in de ruimten voor machines.
- (3). In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in Voorschrift 11 van deze Bijlage of in geval van toevallige of andere buitengewone lozing van olie die niet als uitzondering geldt volgens voornoemd Voorschrift, dient melding in het Oliejournaal te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
- (4). Elke handeling beschreven in paragraaf (2) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elk deel van het journaal moet door de officier of officieren, belast met de betreffende handelingen, worden ondertekend en door de gezagvoerder worden gewaarmerkt. De aantekeningen in het Oliejournaal dienen in een officiële taal van de Staat welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, te worden gesteld, en voor schepen in het bezit van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, in de Engelse of Franse taal. In geval van een geschil of een tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van het land welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, bepalend.
- (5). Het Oliejournaal moet op een plaats worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip spoedig beschikbaar is voor raadpleging en het dient, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord te worden bewaard. Het journaal moet gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening worden bewaard.
- (6). De bevoegde instantie van de regering van een Verdragsstaat heeft het recht het Oliejournaal te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 21. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als lading vervoeren
-
- Dit voorschrift is:
- .1 van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer die zware oliesoorten als lading vervoeren, ongeacht hun datum van oplevering; en
- .2 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5 van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de locatie van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan voorschrift 18.15.2 van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder „zware oliesoorten” elk van de volgende soorten verstaan:
- .1 ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3;
- .2 olie, anders dan ruwe olie, met hetzij een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 hetzij een kinematische viscositeit bij 50° C van meer dan 180 mm2/s; of
- .3 bitumen, teer en emulsies daarvan.
-
- Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen, behalve aan de van toepassing zijnde bepalingen van voorschrift 20, te voldoen aan de bepalingen van de leden 4 tot en met 8 van dit voorschrift.
-
- Met inachtneming van de bepalingen van de leden 5, 6 en 7 van dit voorschrift, dienen olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is:
- .1 met een draagvermogen van 5000 ton of meer uiterlijk 5 april 2005 te voldoen aan de vereisten van voorschrift 19 van deze Bijlage; of
- .2 met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5000 ton, uiterlijk op de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2008 te worden voorzien van zowel dubbele-bodemtanks en -ruimten die voldoen aan de bepalingen van voorschrift 19.6.1 van deze Bijlage, als zijtanks of -ruimten die zijn ingericht in overeenstemming met 19.3.1, en die voldoen aan het vereiste voor afstand w als bedoeld in voorschrift 19.6.2.
-
- In het geval van olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer die zware oliesoorten als lading vervoeren, die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van lid 1.2 van dit voorschrift, kan de Administratie toestaan dat dergelijke schepen na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- .1 de schepen op 4 december 2003 in gebruik waren;
- .2 ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- .3 de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- .4 de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- 6.
- .1 De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dat ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 maar minder dan 945 kg/m3 als lading vervoert, in de vaart blijft na de in lid 4.1 van dit voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de CAS-inspectie als bedoeld in voorschrift 20.6, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- .2 De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5000 ton, dat zware oliesoorten als lading vervoert in de vaart blijft na de in lid 4.2 van dit voorschrift vermelde datum, indien dat, naar het oordeel van de Administratie, mogelijk is, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- De Administratie van een Partij bij dit Verdrag kan een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer dat zware oliesoorten als lading vervoert vrijstelling verlenen van de bepalingen van dit voorschrift indien het olietankschip:
- .1 ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder haar rechtsmacht valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder haar rechtsmacht valt; of
- .2 ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, mits de Partij in het rechtsgebied waarvan het olietankschip dienst zal doen ermee instemt dat het olietankschip in een gebied onder haar rechtsmacht dienst doet.
- 8.
- .1 De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die de toepassing van lid 5, 6 of 7 van dit voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de Partijen bij dit Verdrag ter informatie en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
- .2 Met inachtneming van de bepalingen van het internationale recht, heeft een Partij bij dit Verdrag het recht olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van lid 5 of 6 van dit voorschrift de toegang tot de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht te weigeren, of de overdracht van schip tot schip van zware oliesoorten in de gebieden die onder haar rechtsmacht vallen te weigeren, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden. In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan voor toezending aan de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming.
HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP
Voorschrift 22. Bescherming van het bodemvlak van de pompkamer
-
- Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer, gebouwd op of na 1 januari 2007.
-
- De pompkamer dient te worden voorzien van een dubbele bodem zodanig dat in elke dwarsdoorsnede de hoogte van elke dubbele-bodemtank of -ruimte zodanig is dat de afstand h tussen het bodemvlak van de pompkamer en de basislijn van het schip, loodrecht op de lijn van onderkant spanten gemeten, niet minder is dan hieronder aangegeven: De minimum waarde van h = 1 m.
- h = B/15(m) of
- h = 2 m, naar gelang welk getal het kleinst is.
-
- In geval van pompkamers waarvan de bodemplaat zich boven de lijn van onderzijde spanten bevindt en de afstand tussen bodemplaat en de lijn van onderzijde spanten ten minste zo groot is als vereist ingevolge het bovenstaande lid 2 (bijv. sterk oplopend achterschip), hoeft er ter plaatse van de pompkamer geen dubbele-bodemconstructie aanwezig te zijn.
-
- Er dienen ballastpompen te worden aangebracht met deugdelijke voorzieningen teneinde de dubbele-bodemtanks doeltreffend te kunnen leegzuigen.
-
- Wanneer door het vollopen van de pompkamer het ballast- of ladingpompsysteem niet buiten werking zou raken behoeft, niettegenstaande het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit voorschrift, geen dubbele bodem te worden aangebracht.
Voorschrift 23. Door ongevallen veroorzaakte uitstroming van olie
-
- Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in voorschrift 1.28.8.
-
- Voor de toepassing van dit voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:
- .1 „diepgang op de lastlijn (dS)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig het aan het schip toegekende zomervrijboord. Op dit voorschrift betrekking hebbende berekeningen dienen uit te gaan van diepgang dS, niettegenstaande toegekende diepgangen die dS kunnen overschrijden, zoals de tropenlastlijn.
- .2 „waterlijn (dB)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig 30% van hoogte DS.
- .3 „breedte (BS)”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de diepste lastlijn dS.
- .4 „breedte (BB)”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de waterlijn dB.
- .5 „holte (DS)”: de holte naar de mal, in meters, gemeten op de halve lengte van het bovendek in de zijde.
- .6 „lengte (L)” en „draagvermogen (DW)” als omschreven in respectievelijk voorschrift 1.19 en 1.23.
-
- Teneinde afdoende bescherming te bieden tegen olievervuiling in het geval van aanvaring of stranding, dient aan het volgende te worden voldaan:
- .1 voor olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton (DWT) of meer, dient de gemiddelde olie-uitstroomparameter als volgt te zijn: voor combinatietankschepen tussen een draagvermogen tussen 5000 ton (DWT) en een capaciteit van 200.000 m3 kan de gemiddelde olie-uitstroomparameter worden toegepast, mits ten genoegen van de Administratie berekeningen worden overgelegd waarmee wordt aangetoond dat, rekening houdend met de grotere sterkte van de constructie, het combinatietankschip een olie-uitstroomparameter heeft die ten minste gelijk is aan die van een standaard dubbelwandig tankschip van dezelfde omvang met een OM < = 0,015. waarbij: OM = gemiddelde olie-uitstroomparameter. C = totaal volume aan ladingolie, in m3, bij een voor 98% gevulde tank
| OM ≤ 0.015 | voor C ≤ 200.000 m3 |
|---|---|
| OM ≤ 0,012 + (0,003/200.000) (400.000-C) | voor 200.000 m3 < C < 400.000 m3 |
| OM ≤ 0,012 | voor C = 400.000 m3 |
| OM ≤ 0.021 | voor C ≤ 100,000 m3 |
| --- | --- |
| OM ≤ 0.015 + (0.006/100,000) (200,000-C) | voor 100,000 m3 < C ≤ 200,000 m3 |
- .2 voor olietankschepen met een draagvermogen van minder dan 5000 ton (DWT): De lengte van elke ladingtank mag niet groter zijn dan 10 m of een van de volgende waarden, naar gelang welk getal het grootst is:
- .1 wanneer geen langsschot is aangebracht binnen de ladingtanks:
- .2 wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht binnen de ladingtanks:
- .3 wanneer er twee of meer langsschotten zijn aangebracht binnen de ladingtanks:
- .1 voor zijtanks voor lading: 0,2 L
- .2 voor middentanks voor lading:
- .1 indien
- .2 indien
-
- wanneer er geen langsschot op hart schip is aangebracht:
-
- wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht:
- .4 bi is de minimum afstand van de scheepshuid tot het buitenste langsschot van de desbetreffende tank, binnenboord gemeten loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord.
-
- De volgende algemene aannames zijn van toepassing bij de berekening van de gemiddelde olie-uitstroomparameter:
- .1 De lengte van het ladinggedeelte wordt gevormd door de lengte tussen de voorste en achterste begrenzingsschotten van alle tanks die zijn ingericht voor het vervoer van ladingolie, met inbegrip van sloptanks.
- .2 Wanneer in dit voorschrift naar ladingtanks wordt verwezen, worden hieronder tevens verstaan alle ladingtanks, sloptanks en brandstoftanks die zich binnen de lengte van het ladinggedeelte bevinden.
- .3 Het schip wordt geacht te zijn geladen tot op de diepgang op de lastlijn dS zonder trim of slagzij.
- .4 Alle ladingolietanks worden geacht geladen te zijn tot 98% van hun volume. De nominale dichtheid van de ladingolie (ρn) wordt als volgt berekend:
- ρn = 1000 (DWT)/C (kg/m3)
- .5 Ten behoeve van deze uitstroomberekeningen wordt de permeabiliteit van elke ruimte binnen het ladinggedeelte, met inbegrip van ladingtanks, ballasttanks en andere ruimtes die geen olieruimtes zijn, op 0,99 gesteld, tenzij anders is vastgesteld.
- .6 Zuigputten kunnen buiten beschouwing gelaten worden bij het vaststellen van de tanklocatie mits dergelijke putten zo klein als praktisch mogelijk zijn en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating van het schip niet minder is dan 0,5 h, waarbij h de hoogte is als omschreven in voorschrift 19.3.2.
-
- Het combineren van de olie-uitstroomparameters geschiedt op basis van de volgende aannames:
- .1 De gemiddelde olie-uitstroom wordt afzonderlijk berekend voor zijschade en bodemschade en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd in de niet-dimensionale olie-uitstroomparameter OM:
- OM = (0.4 OMS + 0.6 OMB ) / C
- waarbij:
- OMS = gemiddelde uitstroom bij zijschade, in m3; en
- OMB = gemiddelde uitstroom bij bodemschade, in m3.
- .2 Bij bodemschade wordt de gemiddelde uitstroomwaarde afzonderlijk berekend voor een getij van 0,0 m en minus 2,5 m en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd:
- OMB = 0.7 OMB(0) + 0.3 OMB(2.5)
- waarbij:
- OMB(0) = gemiddelde uitstroom bij een getij van 0,0 m; en
- OMB(2.5) = gemiddelde uitstroom bij een getij van -2,5 m3.
-
- De gemiddelde uitstroom bij zijschade OMS wordt als volgt berekend:MS wordt als volgt berekend: waarbij:
| i | = | elke desbetreffende ladingtank; |
|---|---|---|
| n | = | het totale aantal ladingtanks; |
| PS(i) | = | de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 8.1 van dit voorschrift; |
| OS(i) | = | de uitstroom, in m3, bij zijschade aan ladingtank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in ladingtank i bij een tankvulling van 98%, tenzij door toepassing van de in voorschrift 19.5 genoemde Richtlijnen wordt aangetoond dat er een aanzienlijk ladingvolume achterblijft; en |
| C3 | = | 0,77 bij schepen met twee langsschotten aan de binnenzijde van de ladingtanks, mits deze langsschotten zich uitstrekken over de lengte van het ladinggedeelte en Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met dit voorschrift. C3 is gelijk aan 1,0 voor alle overige schepen of indien Ps(i) is uitgewerkt in overeenstemming met lid 10 van dit voorschrift. |
-
- De gemiddelde uitstroom bij bodemschade wordt voor elk getij op de volgende wijze berekend:
- .1 waarbij:
| i | = | elke desbetreffende ladingtank; |
|---|---|---|
| n | = | het totale aantal ladingtanks; |
| PB(i) | = | de kans op doorboring van ladingtank i als gevolg van bodemschade, berekend in overeenstemming met lid 9.1 van dit voorschrift; |
| OB(i) | = | de uitstroom uit ladingtank i, in m3, berekend in overeenstemming met lid 7.3 van dit voorschrift; en |
| CDB(i) | = | factor om rekening te houden met olie-opvang als omschreven in lid 7.4 van dit voorschrift |
- .2 waarbij:
- i,n, PB(i) en CDB(i) = als omschreven in bovenstaand onderdeel .1;
- OB(i) = de uitstroom uit ladingtank i, in m3, na getijdeverandering
- .3 De olie-uitstroom OB(i) voor elke ladingolietank wordt berekend op basis van drukbalansprincipes, in overeenstemming met de volgende aannames:
- .1 Het schip wordt verondersteld te zijn gestrand met een trim en helling van nihil, waarbij de diepgang bij stranding voorafgaande aan de getijdeverandering gelijk is aan de diepgang op de lastlijn ds.
- .2 Het ladingniveau na schade wordt als volgt berekend: hc = {(ds + tc- Zl) (ρs) - (1000 p) / g }/ρn waarbij:
| hc | = | de hoogte van de ladingolie boven Zl, in meters; |
|---|---|---|
| tc | = | de getijdeverandering, in m. Afnames van het getijde worden uitgedrukt als negatieve waarden; |
| Zl | = | de hoogte van het laagste punt in de ladingtank boven de lijn van onderzijde spanten, in m; |
| ρ s | = | dichtheid van zeewater, gesteld op 1,025 kg/m3; |
| p | = | indien een inert-gasinstallatie is geïnstalleerd, moet uitgegaan worden van een normale overdruk, in kPa, van niet minder dan 5 kPa; indien er geen inert-gasinstallatie is, kan de overdruk op 0 worden gesteld; |
| g | = | de versnelling van de zwaartekracht, gesteld op 9,81 m/s2; en |
| ρ n | = | nominale dichtheid van ladingolie, berekend in overeenstemming met lid 4.4 van dit voorschrift. |
- .3 Bij ladingtanks die door de vlakbeplating worden begrensd wordt de olie-uitstroom OB(i), tenzij anderszins vastgesteld, 48gesteld op niet minder dan 1% van het totale volume aan ladingolie in ladingtank i, teneinde rekening te houden met initiële uitwisselingsverliezen en dynamische effecten als gevolg van stroming en golfslag.
- .4 In het geval van bodemschade, kan een deel van de uitstroom uit een ladingtank worden opgevangen in afdelingen anders dan olie-afdelingen. Dit effect wordt benaderd door toepassing van de factor CDB(i) op elke tank, waarbij uitgegaan wordt van het volgende: CDB(i) = 0,6 voor ladingtanks die aan de onderzijde begrensd worden door afdelingen anders dan olie-afdelingen; CDB(i) = 1,0 voor ladingtanks die begrensd worden door de vlakbeplating.
-
- De kans PS dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:S dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:
- .1. PS = PSL PSVPST waarbij:
| PSL =1 - PSf - PSa | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf; |
|---|---|---|
| PSV = 1 - PSu - PS1 | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de verticale zone die wordt begrensd door Zl en Zu; en |
| PST = 1 - PSy | = | de kans dat de schade zich overdwars uitbreidt tot na de door y gedefinieerde grens. |
- .2. PSa, PSf, PSl, PSu en PSyworden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 8.3 van dit voorschrift, waarin: Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Zl, Zu en y worden als volgt uitgewerkt:
| PSa | = | de kans dat de schade volledig achter plaats Xa/L gelegen is; |
|---|---|---|
| PSf | = | de kans dat de schade volledig voor plaats Xf/L gelegen is; |
| PSl | = | de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is; |
| PSu | = | de kans dat de schade volledig boven de tank gelegen is; en |
| PSy | = | de kans dat de schade volledig buiten de tank gelegen is. |
| Xa | = | de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het achterste punt van de afdeling in kwestie, in meters; |
| --- | --- | --- |
| Xf | = | de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het voorste punt van de afdeling in kwestie, in meters; |
| Zl | = | de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het laagste punt van de afdeling in kwestie, in meters; |
| Zu | = | de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het hoogste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Zu mag niet groter zijn dan Ds; en |
| y | = | de minimale horizontale afstand gemeten loodrecht op hart schip tussen de desbetreffende afdeling en de scheepshuid in meters; |
- .3. Kansentabel voor zijschade PSy mag niet groter zijn dan 1.
- PSy wordt als volgt berekend:
- PSy = (24.96 -199.6 y/BS) (y/BS) voor y/BS ≤ 0.05
- PSy = 0.749 + {5 -44.4 (y/BS - 0.05)} (y/BS - 0.05) voor 0.05 < y/BS < 0.1
- PSy = 0.888 + 0.56 (y/BS - 0.1) voor y/BS ≤ 0.1
| Xa/L | PSa | Xf/L | PSf | Zl/DS | PSl | Zu/SS | PSu | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0.00 | 0.000 | 0.00 | 0.967 | 0.00 | 0.000 | 0.00 | 0.968 | |||
| 0.05 | 0.023 | 0.05 | 0.917 | 0.05 | 0.000 | 0.05 | 0.952 | |||
| 0.10 | 0.068 | 0.10 | 0.867 | 0.10 | 0.001 | 0.10 | 0.931 | |||
| 0.15 | 0.117 | 0.15 | 0.817 | 0.15 | 0.003 | 0.15 | 0.905 | |||
| 0.20 | 0.167 | 0.20 | 0.767 | 0.20 | 0.007 | 0.20 | 0.873 | |||
| 0.25 | 0.217 | 0.25 | 0.717 | 0.25 | 0.013 | 0.25 | 0.836 | |||
| 0.30 | 0.267 | 0.30 | 0.667 | 0.30 | 0.021 | 0.30 | 0.789 | |||
| 0.35 | 0.317 | 0.35 | 0.617 | 0.35 | 0.034 | 0.35 | 0.733 | |||
| 0.40 | 0.367 | 0.40 | 0.567 | 0.40 | 0.055 | 0.40 | 0.670 | |||
| 0.45 | 0.417 | 0.45 | 0.517 | 0.45 | 0.085 | 0.45 | 0.599 | |||
| 0.50 | 0.467 | 0.50 | 0.467 | 0.50 | 0.123 | 0.50 | 0.525 | |||
| 0.55 | 0.517 | 0.55 | 0.417 | 0.55 | 0.172 | 0.55 | 0.452 | |||
| 0.60 | 0.567 | 0.60 | 0.367 | 0.60 | 0.226 | 0.60 | 0.383 | |||
| 0.65 | 0.617 | 0.65 | 0.317 | 0.65 | 0.285 | 0.65 | 0.317 | |||
| 0.70 | 0.667 | 0.70 | 0.267 | 0.70 | 0.347 | 0.70 | 0.255 | |||
| 0.75 | 0.717 | 0.75 | 0.217 | 0.75 | 0.413 | 0.75 | 0.197 | |||
| 0.80 | 0.767 | 0.80 | 0.167 | 0.80 | 0.482 | 0.80 | 0.143 | |||
| 0.85 | 0.817 | 0.85 | 0.117 | 0.85 | 0.553 | 0.85 | 0.092 | |||
| 0.90 | 0.867 | 0.90 | 0.068 | 0.90 | 0.626 | 0.90 | 0.046 | |||
| 0.95 | 0.917 | 0.95 | 0.023 | 0.95 | 0.700 | 0.95 | 0.013 | |||
| 1.00 | 0.967 | 1.00 | 0.000 | 1.00 | 0.775 | 1.00 | 0.000 |
-
- De kans PB dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van bodemschade wordt als volgt berekend:
- .1. PB = PBL PBTPBV waarbij:
| PBL = 1 - PBf - PBa | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf; |
|---|---|---|
| PBT = 1 - PBp - PBs | = | de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xp en Xs; |
| PBV = 1 - PBz | = | de kans dat de schade zich in verticale richting uitstrekt tot boven de door z gedefinieerde grens. |
- .2. PBa, PBf, PBp, PBs, en PBz worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 9.3 van dit voorschrift, waarbij Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Yp, Ys en z worden als volgt uitgewerkt:
- Xa en Xf zijn als omschreven in lid 8.2 van dit voorschrift;
| Yp | = | de afstand overdwars van het punt aan de uiterste bakboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip, in meters; |
|---|---|---|
| Ys | = | de afstand overdwars van het punt aan de uiterste stuurboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip, in meters; en |
| z | = | de minimumwaarde van z over de lengte van de afdeling, waarbij z, op willekeurig welke plaats over de lengte, de verticale afstand is vanaf het laagste punt van de vlakbeplating op die lengtepositie tot het laagste punt van de afdeling op die lengtepositie, in meters. |
| PBa | = | de kans dat de schade volledig achter de locatie Xa/L gelegen is; |
| --- | --- | --- |
| PBf | = | de kans dat de schade volledig voor de loactie Xf/L gelegen is; |
| PBp | = | de kans dat de schade volledig aan bakboordzijde van de tank gelegen is; |
| PBs | = | de kans dat de schade volledig aan stuurboordzijde van de tank gelegen is; en |
| PBz | = | de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is. |
- .3. Kansentabel voor bodemschade PBz wordt als volgt berekend: PBz mag niet groter zijn dan 1.
- PBz = (14.5 - 67 z/DS) (z/DS) voor z/DS ≤ 0.1,
- PBz = 0.78 + 1.1 (z/DS - 0.1) voor z/DS > 0.1.
| Xa/L | PBa | Xf/L | PBf | Yp/BB | PBp | Ys/B B | PBs | |||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0.00 | 0.000 | 0.00 | 0.969 | 0.00 | 0.844 | 0.00 | 0.000 | |||
| 0.05 | 0.002 | 0.05 | 0.953 | 0.05 | 0.794 | 0.05 | 0.009 | |||
| 0.10 | 0.008 | 0.10 | 0.936 | 0.10 | 0.744 | 0.10 | 0.032 | |||
| 0.15 | 0.017 | 0.15 | 0.916 | 0.15 | 0.694 | 0.15 | 0.063 | |||
| 0.20 | 0.029 | 0.20 | 0.894 | 0.20 | 0.644 | 0.20 | 0.097 | |||
| 0.25 | 0.042 | 0.25 | 0.870 | 0.25 | 0.594 | 0.25 | 0.133 | |||
| 0.30 | 0.058 | 0.30 | 0.842 | 0.30 | 0.544 | 0.30 | 0.171 | |||
| 0.35 | 0.076 | 0.35 | 0.810 | 0.35 | 0.494 | 0.35 | 0.211 | |||
| 0.40 | 0.096 | 0.40 | 0.775 | 0.40 | 0.444 | 0.40 | 0.253 | |||
| 0.45 | 0.119 | 0.45 | 0.734 | 0.45 | 0.394 | 0.45 | 0.297 | |||
| 0.50 | 0.143 | 0.50 | 0.687 | 0.50 | 0.344 | 0.50 | 0.344 | |||
| 0.55 | 0.171 | 0.55 | 0.630 | 0.55 | 0.297 | 0.55 | 0.394 | |||
| 0.60 | 0.203 | 0.60 | 0.563 | 0.60 | 0.253 | 0.60 | 0.444 | |||
| 0.65 | 0.242 | 0.65 | 0.489 | 0.65 | 0.211 | 0.65 | 0.494 | |||
| 0.70 | 0.289 | 0.70 | 0.413 | 0.70 | 0.171 | 0.70 | 0.544 | |||
| 0.75 | 0.344 | 0.75 | 0.333 | 0.75 | 0.133 | 0.75 | 0.594 | |||
| 0.80 | 0.409 | 0.80 | 0.252 | 0.80 | 0.097 | 0.80 | 0.644 | |||
| 0.85 | 0.482 | 0.85 | 0.170 | 0.85 | 0.063 | 0.85 | 0.694 | |||
| 0.90 | 0.565 | 0.90 | 0.089 | 0.90 | 0.032 | 0.90 | 0.744 | |||
| 0.95 | 0.658 | 0.95 | 0.026 | 0.95 | 0.009 | 0.95 | 0.794 | |||
| 1.00 | 0.761 | 1.00 | 0.000 | 1.00 | 0.000 | 1.00 | 0.844 |
-
- Bij dit voorschrift wordt gebruik gemaakt van een vereenvoudigde kansmethode waarin een somberekening wordt uitgevoerd op alle bijdragen aan de gemiddelde uitstroom van elke ladingtank. Voor bepaalde ontwerpen, zoals die welke worden gekenmerkt door trapsgewijs verspringende schotten/nissen in dekken en hellende schotten en/of geprononceerde rondingen van de romp, kunnen wellicht grondiger berekeningen nodig zijn. In dergelijke gevallen kan een van de volgende berekeningsmethoden worden toegepast:
- .1 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen nauwkeuriger worden berekend door toepassing van hypothetische sub-afdelingen.
- .2 De in de bovenstaande leden 8 en 9 bedoelde kansen kunnen berekend worden door rechtstreekse toepassing van de kansdichtheidsfuncties vervat in de in voorschrift 19.5 bedoelde Richtlijnen.
- .3 De olie-uitstroom kan worden beoordeeld overeenkomstig de methode omschreven in de in voorschrift 19.5 bedoelde Richtlijnen.
-
- De volgende bepalingen ten aanzien van pijpleidingvoorzieningen zijn van toepassing:
- .1 Pijpleidingen die door ladingtanks lopen, en die zich op een kleinere afstand dan 0,30Bs van de scheepshuid of op een geringere hoogte dan 0.30Ds van het scheepsvlak bevinden, dienen op de plaats waar de leiding in de tank uitmondt te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tanks olie bevatten, met dien verstande dat zij uitsluitend mogen worden geopend voor het overpompen van lading, wanneer dat nodig is voor essentiële ladinghandelingen.
- .2 Vermindering van de olie-uitstroom door gebruik van een noodsysteem voor het snel overpompen van lading of een ander systeem om de olie-uitstroom bij ongevallen te verminderen mag alleen in de berekening worden meegenomen indien de doeltreffendheid en de veiligheidsaspecten van het systeem door de Organisatie zijn goedgekeurd. Voorlegging ter goedkeuring dient te geschieden in overeenstemming met de bepalingen van de in voorschrift 19.5 bedoelde Richtlijnen.
Voorschrift 24. Veronderstellingen met betrekking tot schade
-
- Voor de berekening van hypothetische olie-uitstroom uit olietankschepen in overeenstemming met de voorschriften 25 en 26 worden drie grootheden van de mate van beschadiging van een parallellepipedum in de zijde en aan het vlak van het schip als volgt aangenomen. In geval van schade aan het vlak worden twee voorwaarden gesteld, die afzonderlijk op de aangegeven gedeelten van het olietankschip moeten worden toegepast.
- .1 Schade in de zijde van het schip:
| 1. | Langsscheeps (lc): | 1/3 L 2/3 of 14,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is. |
|---|---|---|
| 2. | Dwarsscheeps (tc) (binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord): | B/5 of 11,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is. |
| 3. | Verticaal (vc): | Vanaf de lijn van onderzijde spanten naar boven, zonder begrenzing |
- .2 Schade aan het vlak van het schip:
| Over 0,3 L vanaf de voorloodlijn van het schip | Elk ander deel van het schip | ||
|---|---|---|---|
| 1. | Langsscheeps (ls): | L/10 | L/10 of 5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is. |
| 2. | Dwarsscheeps (ts): | B/6 of 10 meter, naar gelang welk getal het kleinst is, echter niet kleiner dan 5 meter | 5 meter |
| 3. | Verticaal vanaf de lijn van onderzijde spanten (vs): | B/15 of 6 meter, naar gelang welk getal het kleinst is. |
-
- Waar de in dit voorschrift vermelde symbolen in dit Hoofdstuk voorkomen, hebben zij de betekenis als omschreven in dit voorschrift.
Voorschrift 25. Hypothetische uitstroming van olie
-
- De hypothetische uitstroming van olie in geval van schade in de zijde van het schip (Oc) en aan het vlak van het schip (Os) dient ten aanzien van beschadigde afdelingen op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip, in de mate als omschreven in voorschrift 24 van deze Bijlage, te worden berekend met de volgende formules:
- .1 bij schade in de zijde van het schip: Oc = Σ Wi + Σ KiCi (I)
- .2 bij schade aan het vlak van het schip: Os = 1/3 (Σ ZiWi + Σ ZiCi) (II) waarbij: Waar in dit lid de in dit Hoofdstuk vermelde symbolen voorkomen, hebben zij de betekenis als omschreven in dit voorschrift.
| Wi | = | de inhoud van een zijtank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in voorschrift 24 van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Wi op 0 worden gesteld. |
|---|---|---|
| Ci | = | de inhoud van een middentank in kubieke meters, die wordt geacht te zijn lek gestoten als gevolg van de schade zoals aangegeven in voorschrift 24 van deze Bijlage. Voor gescheiden-ballasttanks kan Ci op 0 worden gesteld; |
| Ki | = | 1– bi/tc; wanneer bi gelijk is aan of groter is dan tc, dient Ki op 0 te worden gesteld. |
| Zi | = | 1– hi/vc; wanneer hi gelijk is aan of groter is dan vs dient Zi op 0 te worden gesteld. |
| bi | = | breedte van de betreffende zijtank in meters, binnenboord gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord. |
| hi | = | kleinste hoogte van de betreffende dubbele bodem, in meters. Wanneer er geen dubbele bodem is aangebracht dient hi op 0 te worden gesteld. |
-
- Indien een lege ruimte of een gescheiden-ballasttank met een lengte die kleiner is dan lc als omschreven in voorschrift 24 van deze Bijlage, tussen zijtanks voor olie is gelegen, kan Oc in formule (I) worden berekend onder de veronderstelling dat Wi de werkelijke inhoud van een van deze tanks is (wanneer deze eenzelfde inhoud hebben) of dat de inhoud Wi de kleinste is van de twee tanks (wanneer zij een verschillende inhoud hebben) die aan een dergelijke ruimte grenzen, vermenigvuldigd met Si zoals hieronder omschreven, terwijl voor alle andere bij een dergelijke aanvaring betrokken zijtanks de waarde van de feitelijke volle inhoud moet worden aangehouden. waarbij li = lengte van de betreffende lege ruimte of gescheiden-ballasttank in meters.
- Si = 1 - li/lc
- 3.
- .1 Dubbele-bodemtanks mogen alleen in de berekening worden meegenomen indien zij leeg zijn of schoon water bevatten, en wanneer in de daarboven gelegen tanks lading wordt vervoerd.
- .2 Indien de dubbele bodem zich niet uitstrekt over de gehele lengte en breedte van de betreffende tank, wordt de dubbele bodem geacht niet aanwezig te zijn en dient de inhoud van de tanks boven het gebied van de bodemschade in formule (II) inbegrepen te worden, zelfs indien de tank wegens het aanbrengen van een dergelijke gedeeltelijke dubbele bodem als onbeschadigd kan worden beschouwd.
- .3 Bij de bepaling van de waarde hi mogen zuigputten buiten beschouwing worden gelaten, mits deze niet buitensporig groot zijn en over een zo klein mogelijke afstand, en in geen geval verder dan de halve hoogte van de dubbele bodem, onder de tank uitsteken. Indien de diepte van dergelijke lensputten groter is dan de halve hoogte van de dubbele bodem, dient voor hi de hoogte van de dubbele bodem, verminderd met de hoogte van de lensput, te worden aangenomen. Pijpleidingen naar dergelijke zuigputten dienen, indien zij in de dubbele bodem zijn aangebracht, te zijn voorzien van afsluiters of andere sluitmiddelen die moeten zijn aangebracht waar de leidingen de aangesloten tank binnentreden, teneinde het uitstromen van olie in geval van beschadiging van de leidingen te voorkomen. Deze leidingen dienen zo hoog mogelijk boven het scheepsvlak te zijn aangebracht. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tank olie bevat, met dien verstande dat zij uitsluitend mogen worden geopend voor het overpompen van lading wanneer dat nodig is voor het vertrimmen van het schip.
-
- Indien een bodemschade vier middentanks tegelijkertijd betreft, kan de waarde Os worden berekend aan de hand van de volgende formule:
- Os = 1/4 (Σ ZiWi + Σ ZiCi) (III)
-
- Indien elke ladingtank is voorzien van een inrichting voor het verpompen van lading welke is uitgevoerd met een hoogaangebrachte noodzuigaansluiting en waarmee lading vanuit één of meer beschadigde tanks kan worden overgepompt naar gescheiden-ballasttanks of naar andere ladingtanks waarvan het zeker is dat de ullage in deze tanks voldoende is, kan een Administratie bij bodemschade rekening houden met een geringere hoeveelheid uitgestroomde olie. Het al dan niet rekening houden met een dergelijk leidingstelsel is afhankelijk van het vermogen in twee uur tijd een hoeveelheid olie over te pompen die gelijk is aan de helft van de inhoud van de grootste van de betreffende beschadigde tanks en van de beschikbaarheid van een daarmee overeenkomende opnamecapaciteit in ballast- of ladingtanks. Het rekening houden met deze omstandigheden dient te worden beperkt tot het toestaan van de berekening van Os volgens formule (III). De leidingen voor dergelijke zuiginrichtingen moeten zijn aangebracht op een hoogte die ten minste gelijk is aan de verticale omvang van de schade aan het vlak van het schip vs. De Administratie dient de Organisatie inlichtingen te verschaffen betreffende de door haar aanvaarde configuraties voor toezending aan de andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit voorschrift is niet van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in voorschrift 1.28.8.
Voorschrift 25A. Stabiliteit in onbeschadigde toestand
(1). Dit voorschrift is van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 tonmassa of meer:
- a. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 februari 1999; of
- b. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 augustus 1999; of
- c. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 februari 2002; of
- d. die een ingrijpende verbouwing hebben ondergaan:
- i. waarvoor het contract is afgesloten na 1 februari 1999; of
- ii. waarvan, bij ontbreken van een contract, de bouw is begonnen na 1 augustus 1999; of
- iii. die is voltooid na 1 februari 2002.
(2). Elk olietankschip dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven onder a en b van dit lid, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van vracht en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.
- a. In de haven mag de aanvankelijke metacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, niet minder dan 0,15 m bedragen;
- b. Op zee zijn de volgende criteria van toepassing:
- i. het gebied onder de stabiliteitskromme (GZ-curve) dient niet kleiner te zijn dan 0,055 meterradiaal tot een hellingshoek van θ = 30° en niet minder dan 0,09 meterradiaal tot θ = 40° of een andere overstromingshoek θf*θf is de hellingshoek waarbij openingen in de scheepsromp, bovenbouwen of dekhuizen die niet waterdicht kunnen worden afgesloten, onder de waterspiegel komen. Bij toepassing van dit criterium behoeven kleine openingen waardoor niet voortdurend meer water kan binnenstromen niet als open te worden beschouwd., indien deze hoek kleiner is dan 40°. Voorts dient het gebied onder de stabiliteitskromme(GZ-curve) tussen de hellingshoeken van 30° en 40° of tussen 30° en θf, indien deze hoek kleiner is dan 40°, niet minder te zijn dan 0,03 meterradiaal;
- ii. de stabiliteitsarm GZ dient ten minste 0,20 m te zijn bij een hellingshoek gelijk aan of groter dan 30°;
- iii. de maximum stabiliteitsarm dient op te treden bij een hellingshoek van bij voorkeur meer dan 30° maar niet minder dan 25°; en
- (iv). de aanvangsmetacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, dient niet minder dan 0,15 m te zijn.
(3). Aan de vereisten van het tweede lid dient te worden voldaan door middel van maatregelen ten aanzien van het ontwerp. Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende werkprocedures worden toegestaan.
(4). Onder eenvoudige aanvullende werkprocedures voor de verplaatsing van vloeistoffen als bedoeld in het derde lid wordt verstaan schriftelijke procedures die ter beschikking worden gesteld van de kapitein en die:
- a. worden goedgekeurd door de Administratie;
- b. de lading- en ballasttanks aangeven die, onder specifieke omstandigheden bij de verplaatsing van vloeistoffen en mogelijke variaties in ladingsdichtheden, gedeeltelijk gevuld mogen zijn, en het toch mogelijk maken te voldoen aan de stabiliteitscriteria. De gedeeltelijk gevulde tanks kunnen in samenstelling variëren tijdens de verplaatsing van vloeistoffen en in elke combinatie voorkomen mits zij voldoen aan de criteria;
- c. gemakkelijk te begrijpen zijn voor de officier die verantwoordelijk is voor de verplaatsing van vloeistoffen;
- d. geschikt zijn voor de geplande opeenvolging van vracht- en ballastverplaatsingen;
- e. vergelijkingen mogelijk maken tussen de bereikte en de vereiste stabiliteit met behulp van stabiliteitsprestatiecriteria in grafische of tabelvorm;
- f. geen uitgebreide wiskundige berekeningen door de dienstdoende officier vereisen;
- g. voorzien in corrigerende handelingen door de dienstdoende officier te verrichten in geval van afwijking van de aanbevolen waarden en in noodsituaties; en
- h. duidelijk weergegeven worden in het goedgekeurde trim- en stabiliteitsboekje en in het controlestation voor vracht- en ballastverplaatsingen en in alle computersoftware waarmee stabiliteitsberekeningen worden uitgevoerd.
HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING
Voorschrift 26. Indeling en beperking van de grootte van ladingtanks
-
- Behoudens het bepaalde in het onderstaande lid 7 dient:
-
- elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, en
-
- elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.1, dat tot een van de volgende categorieën behoort: aan de bepalingen van dit voorschrift te voldoen.
- .1 een tankschip dat na 1 januari 1977 wordt opgeleverd; of
- .2 een tankschip dat aan beide van de volgende voorwaarden voldoet:
- .1 de oplevering geschiedt niet later dan 1 januari 1977; en
- .2 het bouwcontract wordt afgesloten na 1 januari 1974 of, indien vooraf geen bouwcontract is afgesloten, de kiel wordt gelegd dan wel de bouw van het tankschip bevindt zich na 30 juni 1974 in een soortgelijk stadium,
-
- De grootte en de indeling van de ladingtanks van olietankschepen dienen zodanig te zijn dat de hypothetische uitstroming Oc of Os berekend in overeenstemming met het bepaalde in voorschrift 25 van deze Bijlage, op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip niet groter is dan 30.000 m3 of 400 , welke van de twee de grootste is, maar niet meer dan 40.000 m3.
-
- De inhoud van elke zijtank voor olie van een olietankschip mag niet groter zijn dan 75 percent van de toegelaten hypothetische uitstroming van olie zoals bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. De inhoud van een middentank mag niet groter zijn dan 50.000 m3. Bij olietankschepen met gescheiden ballast zoals omschreven in voorschrift 18 van deze Bijlage, mag de toegestane inhoud van een zijtank voor olie, gelegen tussen twee gescheiden-ballasttanks die elk langer zijn dan lc, worden vergroot tot de maximaal toegestane hypothetische uitstroming van olie, mits de breedte van de zijtanks groter is dan tc.
-
- De lengte van elke ladingtank mag niet groter zijn dan 10 meter of groter dan een van de volgende waarden, naar gelang welk getal het grootst is:
- .1 wanneer geen langsschot is aangebracht binnen de ladingtanks:
- .2 wanneer er op hart schip een langsschot is aangebracht binnen de ladingtanks:
- .3 wanneer aan de binnenzijde van de ladingtanks twee of meer langsschotten zijn aangebracht:
- .1 voor zijtanks voor lading: 0,2 L
- .2 voor middentanks voor lading:
- .1 indien gelijk is aan of groter is dan een vijfde: 0,2 L
- .2 indien kleiner is dan een vijfde:
- – wanneer er geen langsschot op hart schip is aangebracht:
- – wanneer er een langsschot op hart schip is aangebracht:
- .4 bi is de minimum afstand van de scheepshuid tot het buitenste langsschot van de desbetreffende tank, binnenboord gemeten loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de lastlijn behorende bij het toegekende zomervrijboord.
-
- Teneinde de toegestane inhoud, bepaald volgens de leden 2, 3 en 4 van dit voorschrift, niet te overschrijden en ongeacht het type van het geïnstalleerde goedgekeurde systeem voor het overpompen van lading, dienen, wanneer dit systeem twee of meer ladingtanks met elkaar verbindt, afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen te worden aangebracht om de tanks onderling te scheiden. De afsluiters of afsluitmiddelen dienen gesloten te zijn wanneer het tankschip zich op zee bevindt.
-
- Pijpleidingen die door ladingtanks lopen, en die zich op een kleinere afstand dan tc van de zijde van het schip of op een geringere hoogte dan vc van het scheepsvlak bevinden, dienen voor elke ladingtank op de plaats waar de leiding in de tank uitmondt te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen. Deze afsluiters dienen op zee te allen tijde gesloten te blijven wanneer de tanks olie bevatten, met dien verstande dat zij uitsluitend mogen worden geopend voor het overpompen van lading, wanneer dat nodig is voor het vertrimmen van het schip.
-
- Dit voorschrift is niet van toepassing op olietankschepen opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in voorschrift 1.28.8.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „chemicaliën-tankschip” verstaan een schip dat in de eerste plaats is gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen met inbegrip van een „olietankschip”, zoals omschreven in Bijlage I van dit Verdrag, ingeval hiermede een gehele of gedeeltelijke lading schadelijke vloeistoffen in bulk wordt vervoerd;
- (2). wordt onder „schone ballast” verstaan ballast in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd, die een stof bevatte van de categorie A, B, C of D, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven restanten zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage;
- (3). wordt onder „gescheiden ballast” verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstof oliesysteem;
- (4). wordt onder „dichtstbijzijnde land” verstaan hetgeen is omschreven in Voorschrift 1 (9) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (5). wordt onder „vloeistoffen” verstaan vloeistoffen met een dampdruk van niet meer dan 2,8 kg/cm2 bij een temperatuur van 37,8 graden Celsius;
- (6). wordt onder „schadelijke vloeistof” verstaan alle vloeistoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage, of die ingevolge de bepalingen van Voorschrift 3(4) voorlopig zijn ingedeeld in categorie A, B, C of D.
- (7). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer in dat gebied, het volgen van bijzondere voorgeschreven methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen wordt vereist; Bijzondere gebieden zijn:
- a. het Oostzeegebied,
- b. het Zwarte-Zeegebied en
- c. het Antarctisch gebied.
- (8). wordt onder „het Baltische-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (b) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (9). wordt onder „het Zwarte-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (c) van Bijlage I van dit Verdrag.
- (9A). wordt onder „het Antarctisch gebied” verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (10). Onder „Internationale Code voor het vervoer van chemicaliën in bulk” wordt verstaan: de „Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 19(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (11). Onder „Bulk chemicaliën Code” wordt verstaan: de „Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën in bulk vervoeren”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 20(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (12). Onder „schip gebouwd” wordt verstaan: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntanker, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntanker die gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- (a). het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- (b). met betrekking tot het schip is krachtens de „Bulk Chemicaliën Code” een certificaat afgegeven voor het uitsluitende vervoer van die produkten welke door de Code zijn aangemerkt als stoffen die alleen kans op verontreiniging opleveren.
- (13). Onder „soortgelijk stadium van aanbouw” wordt verstaan: het stadium waarin:
- (a). de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- (b). met de samenbouw van dit schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, welke van deze twee de laagste is.
- (14). ,Verjaardatum’ betekent de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de vervaldatum van het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk.
Voorschrift 2. Toepassing
- (1). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren.
- (2). Wanneer een lading, waarvoor de bepalingen gelden van Bijlage I van dit Verdrag, in de laadruimte van een chemicaliën-tankschip wordt vervoerd, gelden tevens de desbetreffende voorschriften van Bijlage I van dit Verdrag.
- (3). Voorschrift 13 van deze Bijlage is alleen van toepassing op schepen waarin stoffen worden vervoerd die ingedeeld zijn in de categorieën A, B of C, met het doel het lozen daarvan te beheersen.
- (4). Voor schepen die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd, zijn de bepalingen van Voorschrift 5 van deze Bijlage met betrekking tot de eis inzake lozing onder de waterlijn en maximumconcentratie in de volgstroom van het schip met ingang van 1 januari 1988 van toepassing.
- (5). De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door Voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
- (6). De Administratie die krachtens het bepaalde in lid (5) van dit Voorschrift het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage zijn voorgeschreven, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan, waarna de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
- (7).
- a. Indien een wijziging van deze Bijlage en van de IBC-Code en de Bulk Chemical Code veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd voor de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald, met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.1)Verwezen wordt naar de Richtlijnen voor de toepassing van wijzigingen van de lijst van stoffen in Bijlage II bij MARPOL 73/78 en de IBC-Code en de BCH-Code met betrekking tot verontreinigingsrisico's, goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu en bekendgemaakt in MEPC/Circ. 266.
- b. De Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de vervoerde ladingen, de handelstak waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen.
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
- (1). Voor de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- (a). Categorie A - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een groot gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van strikte maatregelen Ier voorkoming van verontreiniging.
- (b). Categorie B - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van bijzondere maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.
- (c). Categorie C - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een gering gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die geringe schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een bijzondere behandeling vereisen.
- (d). Categorie D - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een waarneembaar gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of minimale schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve enige aandacht bij de behandeling ervan vergen.
- (2). Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in Aanhangsel I van deze Bijlage.
- (3). Naar de in bulk vervoerde en tot nu toe in categorieën ingedeelde schadelijke vloeistoffen waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- (4). Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge paragraaf (1) van dit Voorschrift of die niet is beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige beoordeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in paragraaf (2) van dit Voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, wordt de stof vervoerd onder de strengste van de voorgestelde voorwaarden. Zo spoedig mogelijk, doch niet later dan negentig dagen na het eerste vervoer, stelt de Administratie de Organisatie daarvan in kennis en verschaft zij nadere bijzonderheden over de stof en voorlopige beoordeling ter onverwijlde toezending aan alle Partijen te hunner inlichting en overweging. De Regering van elke Partij heeft negentig dagen daaraanvolgend de tijd om haar opmerkingen aan de Organisatie toe te zenden, met betrekking tot de beoordeling van de stof.
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
- (1). De stoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage zijn beoordeeld, en hierbij is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie A, B, C of D, zoals omschreven in Voorschrift 3(1) van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast.
- (2). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere restanten of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (3). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen
Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (1). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,1 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,01 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd, indien ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (2). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (3). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 10 delen per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (4). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie D zoals bedoeld in Voorschrift 3 (1) (d) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). deze mengsels hebben een concentratie die niet groter is dan een deel stof op tien delen water; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (5). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (1), (2), (3) of (4) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (6). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn ingedeeld, of niet zijn ingedeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Stoffen van de categorieën A, B en C, binnen bijzondere gebieden Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (7). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, waarvoor de Staten wier grondgebied aan het bijzondere gebied grenst, zorg moeten dragen ingevolge het bepaalde in Voorschrift 7 van deze Bijlage, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,05 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,005 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, mag in zee worden geloosd, wanneer ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan.
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (8). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). de tank heeft een voorwas ondergaan overeenkomstig de methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het aldus ontstane tankwaswater is afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (b). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (c). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen en schoonmaken zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende hoeveelheid vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (9). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (10). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (7), (8) of (9) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (11). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn beoordeeld, of niet zijn beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die deze stoffen bevatten.
- (12). Niets in dit Voorschrift zal verhinderen dat een schip de restanten van een lading van klasse B of C aan boord houdt en deze restanten in zee loost buiten een bijzonder gebied ingevolge het bepaalde in onderscheidenlijk paragraaf (2) of (3) van dit Voorschrift.
- (13).
- (a). De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied moeten tezamen een datum overeenkomen vóór welke aan het bepaalde in Voorschrift 7 (1) van deze Bijlage dient te zijn voldaan en waarop het bepaalde in de paragrafen (7), (8), (9) en (10) van dit Voorschrift met betrekking tot dat gebied van kracht wordt en zij moeten de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie moet alle Partijen onverwijld in kennis stellen van die datum.
- (b). Ingeval de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag eerder valt dan de datum, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) van deze paragraaf, zal gedurende de tussenliggende termijn het bepaalde in de paragrafen (1), (2) en (3) van dit Voorschrift van toepassing zijn.
-
- Wat het Antarctisch gebied betreft, zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten verboden.
Voorschrift 5A. Pompen, pijpleidingen en voorzieningen voor het lossen
(1). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat bij elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 0,1 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.
- (a). Behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid dient elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd, voorzien te zijn van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat bij elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 0,3 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de zuigopening van deze tank.
- (b). Tot 2 oktober 1994 dienen de in letter (a) van dit lid bedoelde schepen, indien deze niet voldoen aan de in deze letter gestelde eisen, ten minste te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen en door rekening te houden met het restant op de tankoppervlakken, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie B, geen restanten van meer dan 1 kubieke meter of 1/3000 van de tankinhoud in kubieke meters, welke van deze hoeveelheden het grootst is, is achtergebleven in deze tank en in de daarmee verbonden pijpleidingen.
(3). Elk schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd, dient te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie C, geen restanten van meer dan 0,3 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de aanzuigopening van deze tank.
- (a). Behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, dient elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd, te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van Categorie C, geen restanten van meer dan 0,9 kubieke meter is achtergebleven in de met de tank verbonden pijpleidingen en in de onmiddellijke nabijheid van de zuigopening van deze tank.
- (b). Tot 2 oktober 1994 dienen de in letter (a) van dit lid bedoelde schepen, indien deze niet voldoen aan de in deze letter gestelde eisen, ten minste te zijn voorzien van pompen en pijpleidingen, ten einde te verzekeren, door beproeving onder gunstige omstandigheden voor het pompen en door rekening te houden met het restant op de tank oppervlakken, dat in elke tank die bestemd is voor het vervoer van een stof van categorie C geen restanten van meer dan 3 kubieke meter of 1/1000 van de tankinhoud in kubieke meters, welke van deze hoeveelheden het grootst is, is achtergebleven in deze tank en in de daarmee verbonden pijpleidingen.
(5). De in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde omstandigheden voor het pompen dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op de door de Organisatie opgestelde normen. Bij de in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift bedoelde pomprendementsproeven dient water als beproevingsmiddel te worden gebruikt en de proeven dienen te worden goedgekeurd door de Administratie en te zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen. De restanten op de oppervlakken van de ladingtanks, zoals bedoeld in de leden (2)(b) en (4)(b) van dit Voorschrift, worden bepaald aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen.
- (a). Behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid zijn de bepalingen van de leden (2) en (4) van dit Voorschrift niet van toepassing op een schip dat voor 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- (i). havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- (ii). havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
- (b). Het bepaalde in letter (a) van dit lid is slechts van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd, mits:
- (i). elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van Categorie B of C bevat, moet worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (ii). het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- (iii). de toereikendheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- (iv). in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie meedeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- (v). op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste Certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
(7). Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of door het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in de leden (1), (2), (3) en (4) van dit Voorschrift verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het ontwerp, de bouw en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- (b). vloeistof, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de toereikendheid door de Administratie is verzekerd;
- (c). in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste Certificaat wordt het volgende aangetekend:
- (i). dat in elke ladingtank slechts één met name genoemde stof mag worden vervoerd; en
- (ii). de bijzonderheden omtrent de vrijstelling;
- (d). aan boord van het schip is een geschikt en door de Administratie goedgekeurd handboek voor de bedrijfsvoering aanwezig; en
- (e). in het geval van schepen die reizen maken naar havens of losen laadplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie meedeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na optreden van de beschadiging of na het ontdekken van het lozen alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of zo gering mogelijk te doen zijn; en
- (ii). behalve in geval de eigenaar of de kapitein handelde met het voornemen schade te veroorzaken, dan wel op roekeloze wijze en in de wetenschap, dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, welke zijn goedgekeurd door de Administratie, indien dit gebeurt ter bestrijding van bepaalde gevallen van verontreiniging ten einde de schade door de verontreiniging te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied wordt overwogen de lozing te laten plaatsvinden.
Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- (a). laad- en loshavens en overslagplaatsen moeten zijn uitgerust met inrichtingen, toereikend om – zonder onnodig oponthoud voor schepen – die schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels in ontvangst te nemen, welke voor afgifte door schepen die deze vervoeren zouden overblijven ten gevolge van de toepassing van deze Bijlage; en
- (b). scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan chemicaliëntankschepen worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor het in ontvangst nemen van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels.
- (2). De Regering van elke Partij moet de soorten van inrichtingen bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder (1) van dit Voorschrift, in elke laad- en loshaven, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de Organisatie daarvan in kennis stellen.
- (3). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
- (4). Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid (3) van dit Voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
- (a). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit Voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
- (b). De gezagvoerder van een schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert, zorgt ervoor dat het bepaalde in Voorschrift 5 en in dit Voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dit Voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- (c). Een in lid (2)(b), (5)(b), (6)(c) of (7)(c) van dit Voorschrift bedoelde vrijstelling kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke vrijstelling is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden bevestigd door de in letter (a) van dit lid bedoelde inspecteur.
(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:
- (a). Een tank die is gelost dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden schoongemaakt overeenkomstig de in lid (3) of (4) van dit Voorschrift gestelde eisen, alvorens het schip de loshaven verlaat.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid bedoelde eisen, indien zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat aan de bepalingen van lid (3) of (4) van dit Voorschrift wordt voldaan in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.
(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:
- (a). de tank een voorwas heeft ondergaan overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen; en
- (b). de in lid (1)(a) bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- (i). de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- (ii). de voorwas is uitgevoerd overeenkomstig de door de Administratie goedgekeurde voorwasprocedure voor deze tank en deze stof; en
- (iii). het tankwaswater, afkomstig van deze yoorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is.
(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden voorgewassen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) of (3) van deze Bijlage in zee mag worden geloosd in het geval van stoffen van respectievelijk categorie B en C; of
- (ii). het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden voor het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een werkwijze die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en dat het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c), aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat. De gebruikte voorwasmethode dient te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, terwijl het verkregen tankwaswater dient te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening in de loshaven.
- (b). De in lettter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). bij de geloste stof van categorie B geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd buiten de bijzondere gebieden krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage, en de restanten aan boord van het schip worden gehouden ten einde op een later tijdstip in zee te worden geloosd buiten het bijzondere gebied overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en gebaseerd is op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiémethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:
- (a). een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c) van deze paragraaf, aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, ten gevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(9) van deze Bijlage; of
- (ii). het lossen niet geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). De in letter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens normen opgesteld door de Organisatie ten gevolge waarvan de resthoeveelheid niet groter is dan de maximale hoeveelheid die buiten de bijzondere gebieden in zee mag.worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage en de restanten worden aan boord van het schip gehouden, ten einde op een later tijdstip buiten het bijzondere gebied in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in paragraaf (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde nonnen.
(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.
(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.
Voorschrift 9. Ladingjournaal
- (1). Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in Aanhangsel IV bij deze Bijlage.
- (2). Het Ladingjournaal dient te worden ingevuld, voor elke tank afzonderlijk, telkens wanneer een van de volgende handelingen, die een schadelijke vloeistof betreft, aan boord van het schip plaatsvindt:
- (i). het innemen van lading
- (ii). het aan boord overbrengen van lading
- (iii). het lossen van lading
- (iv). het schoonmaken van ladingtanks
- (v). het ballasten van ladingtanks
- (vi). het lozen van ballastwater uit ladingtanks
- (vii). het afgeven van restanten aan ontvangstvoorzieningen
- (viii). het lozen in zee of het verwijderen door ventilatie, overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
- (3). Van elk lozen zoals bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag en in Voorschrift 6 van deze Bijlage, hetzij opzettelijk, hetzij toevallig, van een schadelijke vloeistof of van een mengsel dat een dergelijke stof bevat, dient aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- (4). Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij dit Verdrag tot toezicht op alle handelingen waarop deze Bijlage van toepassing is, een schip heeft geinspecteerd, dient deze inspecteur daarvan aantekening te doen in het Ladingjournaal.
- (5). Elke handeling zoals bedoeld in de leden (2) en (3) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden aangetekend in het Ladingjournaal, en wel zodanig dat alle in het dagboek vereiste aantekeningen, die betrekking hebben op die handeling, volledig worden ingeschreven. Elke aantekening dient te worden ondertekend door de officier of officieren belast met de betrokken handeling en dient elke bladzijde door de kapitein van het schip te worden getekend. De aantekeningen in het Ladingjournaal worden gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren en, voor schepen die in het bezit zijn van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in Bulk of een in Voorschrift 12A van deze Bijlage bedoeld Certificaat, in de Engelse of de Franse taal. In geval van geschil of tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, bepalend.
- (6). Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, derhalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het dient gedurende een termijn van drie jaren na dagtekening van de laatste aantekening te worden bewaard.
- (7). De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, zal bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 10. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- a. Een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen, voor zover het schip valt onder deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer Voorschrift 12, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het derde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het derde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
- 2.
- a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
- b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
- i. reparaties aan een schip te verlangen; en
- ii. onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie beslist dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
- d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
- 3.
- a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
- c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 10 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
- 3.
- a. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- b. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- c. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het zal dezelfde waarde hebben en het moet op dezelfde wijze worden erkend als een Certificaat dat is afgegeven krachtens het eerste lid van dit Voorschrift.
- d. Er wordt geen Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel V van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
-
- Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene milieu blijft een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 10, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 10 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 10, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 10, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 10, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 12A. Bescherming van brandstofolietanks
Dit voorschrift is van toepassing op alle schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 en meer waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 augustus 2010, zoals omschreven in voorschrift 1.28.9 van deze Bijlage.
De toepassing van dit voorschrift bij het bepalen van de locatie van tanks die gebruikt worden voor het vervoer van brandstofolie heeft geen voorrang boven de toepassing van voorschrift 19 van deze Bijlage.
Voor de toepassing van dit Voorschift zijn de volgende begripsomschrijvingen van toepassing:
- .1. „brandstofolie”, elke olie gebruikt als brandstof voor de voortstuwings- en hulpmachines van het schip dat dergelijke olie aan boord heeft.
- .2. „diepgang op de lastlijn (dS)”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig het aan het schip toegekende zomervrijboord.
- .3. „diepgang bij leeg schip” is de midscheepse diepgang naar de mal gemeten overeenkomstig het leeg gewicht.
- .4. „Diepgang op de partiële lastlijn (dP)” is de diepgang bij leeg schip plus 60% van het verschil tussen de diepgang bij leeg schip en de diepgang op de lastlijn (ds). De diepgang op de partiële lastlijn (dP) wordt gemeten in meters.
- .5. „Waterlijn dB”: de verticale afstand, in meters, van de basislijn van de mal midscheeps gemeten naar de waterlijn overeenkomstig 30% van holte DS.
- .6. „Breedte BS”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de diepste lastlijn ds.
- .7. „Breedte BB”: de grootste breedte naar de mal van het schip, in meters, op of onder de waterlijn dB.
- .8. „Holte DS”: de holte naar de mal, in meters, midscheeps gemeten op het bovendek in de zijde. Voor de toepassing van dit onderdeel wordt onder „bovendek” verstaan het bovenste dek tot hetwelk de waterdichte dwarsschotten, uitgezonderd de achterpiekschotten, zijn opgetrokken.
- .9. „Lengte L”: 96% van de totale lengte op een waterlijn op 85% van de kleinste holte naar de mal gemeten vanaf de bovenzijde van de kiel, of de lengte van de voorzijde van de voorsteven tot de hartlijn van de roerkoning op die waterlijn, indien deze laatste lengte groter is. Bij schepen die met stuurlast zijn ontworpen, dient de waterlijn waarop deze lengte gemeten wordt evenwijdig aan de constructiewaterlijn te worden genomen. De lengte L wordt gemeten in meters.
- .10. „Breedte B”: de grootste breedte van het schip in meters, midscheeps gemeten op de buitenkant van de spanten bij een schip met een metalen huid en op de buitenkant van de romp bij een schip met een huid van ander materiaal.
- .11. „Brandstofolietank”: een tank waarin olie wordt vervoerd, uitgezonderd tanks die bij normale bedrijfsvoering geen brandstofolie zouden bevatten, zoals overlooptanks.
- .12. „Kleine brandstofolietank”: een brandstofolietank met een maximale individuele capaciteit van ten hoogste 30 m3.
- .13. „C”: het totale volume aan brandstofolie van het schip, met inbegrip van het volume van kleine brandstofolietanks, in m3 bij een tankvulling van 98%.
- .14. „Brandstofoliecapaciteit”: het volume van een tank in m3, bij een tankvulling van 98%.
De bepalingen van dit voorschrift zijn van toepassing op alle brandstofolietanks uitgezonderd kleine brandstofolietanks, zoals omschreven in 3.12, mits de totale capaciteit van deze niet meegerekende tanks ten hoogste 600 m3 bedraagt.
De capaciteit van individuele brandstofolietanks mag ten hoogste 2.500 m3 bedragen.
Bij schepen, anders dan hefbooreilanden, met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig geplaatst te zijn dat de tanks zich bevinden boven de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating, nergens minder dan afstand h, zoals hieronder vermeld:
h = B/20 m of,
h = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.
De minimumwaarde van h = 0,76 m.
In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de brandstofolietank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals weergegeven in figuur 1.
Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 600 m3 of meer maar minder dan 5.000 m3, dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:
w = 0,4 + 2,4 C/20.000 m
De minimumwaarde van w = 1,0 m; voor individuele tanks met een brandstofoliecapaciteit van minder dan 500 m3 bedraagt de minimumwaarde echter 0,76 m.
Bij schepen met een totale brandstofoliecapaciteit van 5.000 m3 of meer dienen de brandstofolietanks zodanig te zijn geplaatst dat zij zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op een kleinere afstand dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 2, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven:
w = 0,5 + C/20.000 m of
w = 2,0 m, naargelang welk getal het kleinst is.
De minimumwaarde van w = 1,0 m.
Brandstofolieleidingen die zich op een geringere hoogte dan h, zoals omschreven in lid 6, van het scheepsvlak bevinden of op een kleinere afstand dan w, zoals omschreven in lid 7 en 8, van de zijde van het schip, dienen te zijn voorzien van afsluiters of soortgelijke afsluitmiddelen in of vlak naast de brandstofolietank. Deze afsluiters moeten vanuit een gemakkelijk toegankelijke gesloten ruimte kunnen worden bediend; deze ruimte moet vanaf de navigatiebrug of vanaf de plaats van waar de bediening van de voortstuwingsmachines plaatsvindt, kunnen worden bereikt zonder blootgestelde vrijboord- of opbouwdekken te betreden. Wanneer het systeem voor afstandsbediening defect raakt (defect in gesloten stand) dienen de afsluiters gesloten te worden en op zee gesloten te blijven op elk moment waarop de tank brandstofolie bevat; zij mogen evenwel worden geopend tijdens het verpompen van brandstofolie.
Zuigputten in brandstofolietanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
In plaats van aan het bepaalde in lid 6 en lid 7 of 8, kunnen schepen ook voldoen aan de onderstaande norm inzake de onbedoelde uitstroming van olie:
- .1. Het niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding wordt als volgt beoordeeld op basis van de gemiddelde olie-uitstroomparameter: waarbij: OM = gemiddelde-olieuitstroomparameter C = totale brandstofolievolume
| OM < 0,0157-1,14E-6 AC | voor 600 m3 ≤ C < 5.000 m3 |
|---|---|
| OM ≤ 0,010 | voor C ≥ 5.000 m3 |
- .2. De volgende algemene aanname is van toepassing bij de berekening van de gemiddelde olie-uitstroomparameter:
- .1. Het schip wordt geacht te zijn geladen tot op de diepgang op de partiële lastlijn (dP) zonder trim of slagzij;
- .2. alle brandstofolietanks worden geacht geladen te zijn tot 98% van hun volume;
- .3. de nominale dichtheid van de brandstofolie (ρn) wordt over het algemeen gesteld op 1,000 kg/m3. Indien de dichtheid van de brandstofolie specifiek tot een lagere waarde beperkt wordt, mag deze lagere waarde worden toegepast; en
- .4. ten behoeve van deze uitstromingsberekeningen, wordt de permeabiliteit van elke brandstofolietank op 0,99 gesteld, tenzij anderszins vastgesteld.
- .3. Het combineren van de olie-uitstroomparameters geschiedt op basis van de volgende aannames:
- .1. De gemiddelde olie-uitstroom wordt afzonderlijk berekend voor zijschade en voor bodemschade en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd in een niet-dimensionale olie-uitstroomparameter OM: OM = (0,4 OMS + 0,6 OMB)/C waarbij: OMS = gemiddelde uitstroom bij zijschade, in m3; OMB = gemiddelde uitstroom bij bodemschade, in m3; C = totaal brandstofolievolume.
- .2. Bij bodemschade wordt de gemiddelde uitstroomwaarde afzonderlijk berekend voor een getij van 0,0 m en -2,5 m en vervolgens op de volgende wijze gecombineerd: waarbij: OMB = 0,7 OMB(0) + 0,3 OMB(2,5) OMB(0) = gemiddelde uitstroom bij een getij van 0,0 m; en OMB(2.5) = gemiddelde uitstroom bij een getij van -2,5 m in m3.
- .4. De gemiddelde uitstroom bij zijschade OMS wordt als volgt berekend: waarbij: i = elke desbetreffende brandstofolietank; n = het totale aantal brandstofolietanks; Ps(i) = de kans op doorboring van brandstofolietank i als gevolg van zijschade, berekend in overeenstemming met lid 11.6 van dit voorschrift; Os(i) = de uitstroom, in m3, bij zijschade aan brandstofolietank i, die wordt verondersteld gelijk te zijn aan het totale volume in brandstofolietank i bij een tankvulling van 98%.
- .5. De gemiddelde uitstroom bij bodemschade wordt voor elk getij op de volgende wijze berekend:
- .1. waarbij: i = elke desbetreffende brandstofolietank; n = het totale aantal brandstofolietanks; PB(i) = de kans op doorboring van brandstofolietank i als gevolg van bodemschade, berekend in overeenstemming met lid 11.7 van dit voorschrift; OB(i) = de uitstroom uit brandstofolietank i, in m3, berekend in overeenstemming met lid 11.5.3 van dit voorschrift; en CDB(i) = factor om rekening te houden met olie-opvang als omschreven in lid 11.5.4.
- .2. waarbij: i, n PB(i) and CDB(i) = zoals hierboven onder .1 omschreven OB(i) = de uitstroom uit brandstofolietank i, in m3, na getijdeverandering.
- .3. De olie-uitstroom OB(i) voor elke brandstofolietank wordt berekend op basis van drukbalansprincipes, in overeenstemming met de volgende aannames:
- .1. Het schip wordt verondersteld te zijn gestrand met een trim en helling van nihil, waarbij de diepgang bij stranding voorafgaande aan de getijdeverandering gelijk is aan de diepgang op de partiële lastlijn dP.
- .2. Het brandstofolieniveau na schade wordt als volgt berekend: waarbij: hF = de hoogte van de brandstofolie boven Zl, in meters; tC = de getijdeverandering, in meters. Afnames van het getijde worden uitgedrukt als negatieve waarden; Zl = de hoogte van het laagste punt in de brandstofolietank boven de lijn van onderzijde spanten, in meters; ρ s = dichtheid van zeewater, gesteld op 1.025 kg/m3; en ρ n = nominale dichtheid van de brandstofolie, zoals omschreven in 11.2.3.
- .3. Bij tanks die door de vlakbeplating worden begrensd wordt de olie-uitstroom OB(i) gesteld op niet minder dan de volgende formule, evenwel niet meer dan de tankcapaciteit: OB(i) = HW . A waarbij: HW = 1,0 m, wanneer YB = 0 HW = BB/50 maar niet groter dan 0,4 m, wanneer YB groter is dan BB/5 of 11,5 m, naargelang welk getal het kleinst is HW wordt in opwaartse richting gemeten vanaf de lijn van het midscheepse vlak. In het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim, dient HW te worden gemeten vanaf een lijn die parallel loopt aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals voor afstand „h” is weergegeven in figuur 1. Voor YB-waarden buitenboord BB/5 of 11,5 m, naargelang welk getal het kleinst is, dient HW lineair te worden geïnterpoleerd. YB = de minimumwaarde van YB over de lengte van de brandstofolietank, wanneer op elke plaats YB de afstand overdwars tussen de zijbeplating bij waterlijn dB en de tank op of onder waterlijn dB is. A = de maximale horizontale projectie van de oppervlakte van de brandstofolietank tot niveau HW vanaf de bodem van de tank.
- .4. In het geval van bodemschade kan een deel van de uitstroom uit een brandstofolietank worden opgevangen in afdelingen anders dan olie-afdelingen. Dit effect wordt benaderd door toepassing van de factor CDB(i) op elke tank, waarbij uitgegaan wordt van het volgende:
- CDB(i) = 0,6 voor brandstofolietanks die aan de onderzijde begrensd worden door afdelingen anders dan olie-afdelingen;
- CDB(i) = 1 in andere gevallen.
- .6. De kans PS dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van zijschade wordt als volgt berekend:
- .1. PS= PSL . PSV . PST waarbij: PSL = (1 – PSf– PSa) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf; PSV = (1 – PSu – PSl) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de verticale zone die wordt begrensd door Zl en Zu; PST = (1 – PSy) = de kans dat de schade zich overdwars uitbreidt tot na de door y gedefinieerde grens.
- .2. PSa, PSf, PSu en PSl worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor zijschade zoals vermeld in lid 11.6.3, en PSy wordt berekend met behulp van de formules zoals vermeld in lid 11.6.3, waarbij: PSa = de kans dat de schade volledig achter de locatie Xa/L gelegen is; PSf = de kans dat de schade volledig voor de locatie Xf/L gelegen is; PSl = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is. PSu = de kans dat de schade volledig boven de tank gelegen is; en PSy = de kans dat de schade volledig buiten de tank gelegen is. Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Zl, Zu en y worden als volgt uitgewerkt: Xa = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het achterste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Xf = de afstand over de lengte tussen het achterste einde van L tot aan het voorste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Zl = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het laagste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Wanneer Zl groter is dan DS, wordt Zl gesteld op DS; Zu = de verticale afstand van de basislijn van de mal naar het hoogste punt van de afdeling in kwestie, in meters; Wanneer Zu groter is dan DS, wordt Zu gesteld op DS; en y = de minimale horizontale afstand gemeten loodrecht op hart schip tussen de desbetreffende afdeling en de zijbeplating in meters1)Bij symmetrische tankopstellingen wordt de schade voor slechts een zijde van het schip berekend, in welk geval alle „y”-dimensies vanaf die zijde dienen te worden gemeten. Voor asymmetrische tankopstellingen wordt verwezen naar de Toelichting inzake aangelegenheden die verband houden met de onbedoelde uitstroom van olie, aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.122(52). . Ter plekke van de ronding van de kim hoeft geen rekening te worden gehouden met y onder een afstand h boven de basislijn, wanneer h minder is dan B/10, 3 meter of de bovenzijde van de tank.
- .3. Kansentabel voor zijschade PSy wordt als volgt berekend:
| Xa/L | PSa | Xf/L | PSf | Zl/DS | PSl | Zu/DS | PSu |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0,00 | 0,000 | 0,00 | 0,967 | 0,00 | 0,000 | 0,00 | 0,968 |
| 0,05 | 0,023 | 0,05 | 0,917 | 0,05 | 0,000 | 0,05 | 0,952 |
| 0,10 | 0,068 | 0,10 | 0,867 | 0,10 | 0,001 | 0,10 | 0,931 |
| 0,15 | 0,117 | 0,15 | 0,817 | 0,15 | 0,003 | 0,15 | 0,905 |
| 0,20 | 0,167 | 0,20 | 0,767 | 0,20 | 0,007 | 0,20 | 0,873 |
| 0,25 | 0,217 | 0,25 | 0,717 | 0,25 | 0,013 | 0,25 | 0,836 |
| 0,30 | 0,267 | 0,30 | 0,667 | 0,30 | 0,021 | 0,30 | 0,789 |
| 0,35 | 0,317 | 0,35 | 0,617 | 0,35 | 0,034 | 0,35 | 0,733 |
| 0,40 | 0,367 | 0,40 | 0,567 | 0,40 | 0,055 | 0,40 | 0,670 |
| 0,45 | 0,417 | 0,45 | 0,517 | 0,45 | 0,085 | 0,45 | 0,599 |
| 0,50 | 0,467 | 0,50 | 0,467 | 0,50 | 0,123 | 0,50 | 0,525 |
| 0,55 | 0,517 | 0,55 | 0,417 | 0,55 | 0,172 | 0,55 | 0,452 |
| 0,60 | 0,567 | 0,60 | 0,367 | 0,60 | 0,226 | 0,60 | 0,383 |
| 0,65 | 0,617 | 0,65 | 0,317 | 0,65 | 0,285 | 0,65 | 0,317 |
| 0,70 | 0,667 | 0,70 | 0,267 | 0,70 | 0,347 | 0,70 | 0,255 |
| 0,75 | 0,717 | 0,75 | 0,217 | 0,75 | 0,413 | 0,75 | 0,197 |
| 0,80 | 0,767 | 0,80 | 0,167 | 0,80 | 0,482 | 0,80 | 0,143 |
| 0,85 | 0,817 | 0,85 | 0,117 | 0,85 | 0,553 | 0,85 | 0,092 |
| 0,90 | 0,867 | 0,90 | 0,068 | 0,90 | 0,626 | 0,90 | 0,046 |
| 0,95 | 0,917 | 0,95 | 0,023 | 0,95 | 0,700 | 0,95 | 0,013 |
| 1,00 | 0,967 | 1,00 | 0,000 | 1,00 | 0,775 | 1,00 | 0,000 |
| PSy = (24,96 – 199,6 y/BS) (y/BS) | voor y/BS ≤ 0,05 | ||||||
| --- | --- | ||||||
| PSy = 0,749 + {5 – 44,4 (y/BS – 0,05)} {(y/BS) – 0,05} | voor 0,05 < y/BS < 0,1 | ||||||
| PSy = 0,888 + 0,56 ( y/BS -0,1) | voor y/BS ≥ 0,1 | ||||||
| PSy mag niet groter zijn dan 1. | PSy mag niet groter zijn dan 1. |
- .7. De kans PB dat een afdeling wordt doorboord als gevolg van bodemschade wordt als volgt berekend:
- .1. PB = PBL . PBT. PBV waarbij: PBL = PBL = (1 – PBf – PBa) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de lengtezone die wordt begrensd door Xa en Xf; PBT = (1 – PBp – PBs) = de kans dat de schade zich uitstrekt tot in de dwarszone die wordt begrensd door Yp en Ys; en PBV = (1 – PBz) = de kans dat de schade zich in verticale richting uitstrekt tot boven de door z gedefinieerde grens.
- .2. PBa, PBf, PBp en PBs worden bepaald door lineaire interpolatie op basis van de kansentabel voor bodemschade zoals vermeld in lid 11.7.3, en PBz wordt berekend met behulp van de formules zoals vermeld in lid 11.7.3, waarbij: PBa = de kans dat de schade volledig achter plaats Xa/L gelegen is; PBf = de kans dat de schade volledig voor plaats Xf/L gelegen is; PBp = de kans dat de schade volledig aan bakboordzijde van de tank gelegen is; PBs = de kans dat de schade volledig aan stuurboordzijde van de tank gelegen is; en PBz = de kans dat de schade volledig onder de tank gelegen is. Afdelingsbegrenzingen Xa, Xf, Yp, Ys en z worden als volgt uitgewerkt: Xa en Xf zoals omschreven in 11.6.2; Yp = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste bakboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip; Ys = de afstand overdwars van het punt aan de uiterste stuurboordzijde van de afdeling gelegen op of onder de waterlijn dB, tot een verticaal vlak gelegen op BB /2 aan stuurboordzijde van hart schip; en z = de minimumwaarde van z over de lengte van de afdeling, waarbij z, op willekeurig welke plaats over de lengte, de verticale afstand is vanaf het laagste punt van de vlakbeplating op die lengtepositie tot het laagste punt van de afdeling op die lengtepositie.
- .3. Kansentabel voor bodemschade PBz wordt als volgt berekend:
| Xa/L | PBa | Xp/L | PBf | Yp/BB | PBp | Ys/BB | PBs |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 0,00 | 0,000 | 0,00 | 0,969 | 0,00 | 0,844 | 0,00 | 0,000 |
| 0,05 | 0,002 | 0,05 | 0,953 | 0,05 | 0,794 | 0,05 | 0,009 |
| 0,10 | 0,008 | 0,10 | 0,936 | 0,10 | 0,744 | 0,10 | 0,032 |
| 0,15 | 0,017 | 0,15 | 0,916 | 0,15 | 0,694 | 0,15 | 0,063 |
| 0,20 | 0,029 | 0,20 | 0,894 | 0,20 | 0,644 | 0,20 | 0,097 |
| 0,25 | 0,042 | 0,25 | 0,870 | 0,25 | 0,594 | 0,25 | 0,133 |
| 0,30 | 0,058 | 0,30 | 0,842 | 0,30 | 0,544 | 0,30 | 0,171 |
| 0,35 | 0,076 | 0,35 | 0,810 | 0,35 | 0,494 | 0,35 | 0,211 |
| 0,40 | 0,096 | 0,40 | 0,775 | 0,40 | 0,444 | 0,40 | 0,253 |
| 0,45 | 0,119 | 0,45 | 0,734 | 0,45 | 0,394 | 0,45 | 0,297 |
| 0,50 | 0,143 | 0,50 | 0,687 | 0,50 | 0,344 | 0,50 | 0,344 |
| 0,55 | 0,171 | 0,55 | 0,630 | 0,55 | 0,297 | 0,55 | 0,394 |
| 0,60 | 0,203 | 0,60 | 0,563 | 0,60 | 0,253 | 0,60 | 0,444 |
| 0,65 | 0,242 | 0,65 | 0,489 | 0,65 | 0,211 | 0,65 | 0,494 |
| 0,70 | 0,289 | 0,70 | 0,413 | 0,70 | 0,171 | 0,70 | 0,544 |
| 0,80 | 0,409 | 0,80 | 0,252 | 0,80 | 0,097 | 0,80 | 0,644 |
| 0,85 | 0,482 | 0,85 | 0,170 | 0,85 | 0,063 | 0,85 | 0,694 |
| 0,90 | 0,565 | 0,90 | 0,089 | 0,90 | 0,032 | 0,90 | 0,744 |
| 0,95 | 0,658 | 0,95 | 0,026 | 0,95 | 0,009 | 0,95 | 0,794 |
| 1,00 | 0,761 | 1,00 | 0,000 | 1,00 | 0,000 | 1,00 | 0,844 |
| PBz = (14,5 – 67 z/DS) (z/DS) | voor z/DS ≤ 0,1 | ||||||
| --- | --- | ||||||
| PBz = 0,78 + 1,1 {(z/DS -0,1)} | voor z/DS > 0,1 | ||||||
| PBz mag niet groter zijn dan 1. |
- .8. Ten behoeve van onderhoud en inspectie dienen brandstofolietanks die niet grenzen aan de buitenhuid, te worden geplaatst op een afstand tot de vlakbeplating die niet minder mag bedragen dan de minimumwaarde h in lid 6 en een afstand tot de zijbeplating die niet minder mag bedragen dan de van toepassing zijnde minimumwaarde w in lid 7 of 8.
Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van schepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval
(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.
(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.
(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:
- (a). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.2 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren:
- (b). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.3 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, met dien verstande dat voor schepen van minder dan 1600 brutoregisterton de bepalingen van de Code met betrekking tot de bouw en de uitrusting uiterlijk 1 juli 1994 van kracht worden.
(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.
Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen
Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip voldoet aan de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag, voor zover deze van toepassing zijn op de in deze Bijlage omschreven produkttankschepen;
- (b). ten behoeve van het schip is een „Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging” met bijbehorend Supplement B afgegeven en dit Certificaat is voorzien van de aantekening dat het schip olieachtige stoffen mag vervoeren in overeenstemming met het bepaalde in dit Voorschrift, terwijl deze aantekening tevens een opsomming bevat van de olieachtige stoffen die het schip mag vervoeren;
- (c). in het geval van stoffen van categorie C voldoet het schip aan de eisen betreffende de lekstabiliteit van scheepstype 3 van
- (i). de „Internationale Chemicaliën Code” in het geval van een schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd; of
- (ii). de „Bulk chemicaliën Code”, voor zover van toepassing krachtens het bepaalde in Voorschrift 13 van deze Bijlage, in het geval van een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd; en
- (d). de oliegehaltemeter in het bewakings- en regelsysteem van het schip voor olielozingen wordt door de Administratie goedgekeurd voor gebruik bij de controle van de te vervoeren olieachtige stoffen.
Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een brutotonnage van 150 ton of meer bestemd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben. Dit vereiste is uiterlijk 1 januari 2003 van toepassing op al deze schepen.
-
- Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de Richtlijnen*Verwezen wordt naar de „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor verontreiniging door olie en/of schadelijke vloeistoffen aan boord van schepen”. die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen**Verwezen wordt naar de door de Organisatie bij resolutie A.851(20) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
- b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor olieverontreiniging dat vereist is ingevolge Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee."
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- 1.1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als de zee verontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
- 1.2. Richtlijnen voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm worden gegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage.
- 1.3. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.
De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.
Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).
Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.
De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.
Voorschrift 5. Stuwage
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 1. – ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
-
- wordt onder elektronisch journaal verstaan, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
-
- wordt onder persistente drijver verstaan: een stof die een oppervlaktefilm vormt en de volgende eigenschappen heeft:
- –. Dichtheid: ≤ zeewater (1025 kg/m3 bij 20°C);
- –. Dampdruk: ≤ 0,3 kPa;
- –. Oplosbaarheid: ≤ 0,1% (voor vloeistoffen) ≤ 10% (voor vaste stoffen); en
- –. Kinematische viscositeit: > 10 cSt bij 20°C.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
HOOFDSTUK 5. OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
-
- Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1 de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2 het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
- .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
- .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
-
- Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
-
- Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 13H. Voorkoming van verontreiniging door olie door olietankschepen die zware oliesoorten als vracht vervoeren
-
- Dit Voorschrift is:
- a. van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer die zware oliesoorten als vracht vervoeren, ongeacht hun datum van oplevering; en
- b. niet van toepassing op onder onderdeel a hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan Voorschrift 13F, derde lid, onderdelen a en b of aan 13F, vierde lid, of aan 13F, vijfde lid, van deze Bijlage, behalve dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimumafstanden tussen begrenzingen van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan Voorschrift 13E, vierde lid, onderdeel b, van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit Voorschrift wordt onder ‘zware oliesoorten’ elk van de volgende soorten verstaan:
- a. ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3;
- b. stookolie met hetzij een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 hetzij een kinematische viscositeit bij 50° C van meer dan 180 mm2/s;
- c. bitumen, teer en emulsies daarvan.
-
- Olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is dienen, naast aan de van toepassing zijnde bepalingen van Voorschrift 13G, te voldoen aan de bepalingen van het vierde tot en met het achtste lid van dit Voorschrift.
-
- Met inachtneming van de bepalingen van het vijfde, zesde en zevende lid van dit Voorschrift, dienen olietankschepen waarop dit Voorschrift van toepassing is:
- a. met een draagvermogen van 5.000 ton of meer uiterlijk 5 april 2005 te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 13F van deze Bijlage; of
- b. met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5.000 ton, uiterlijk op de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2008 te worden voorzien van zowel tanks met dubbele bodems of ruimten die voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel a, van deze Bijlage, als zijtanks of ruimten die zijn ingericht in overeenstemming met Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel a, en die voldoen aan de vereiste voor afstand wals bedoeld in Voorschrift 13F, zevende lid, onderdeel b.
-
- In het geval van olietankschepen met een draagvermogen van 5.000 ton of meer die zware oliesoorten als vracht vervoeren, die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van het eerste lid, onderdeel b, van dit Voorschrift, kan de Administratie toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in het vierde lid van dit Voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- a. de schepen op 4 december 2003 in gebruik waren;
- b. ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- c. de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- d. de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering;
- 6.
- a. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 5.000 ton of meer dat ruwe olie met een dichtheid bij 15° C van meer dan 900 kg/m3 maar minder dan 945 kg/m3 als vracht vervoert, in de vaart blijft na de in het vierde lid, onderdeel a, van dit Voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de CAS-inspectie als omschreven in Voorschrift 13G, zesde lid, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
- b. De Administratie kan toestaan dat een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer, maar minder dan 5.000 ton, dat zware oliesoorten als vracht vervoert in de vaart blijft na de in het vierde lid, onderdeel b, van dit Voorschrift vermelde datum, indien dat, naar het oordeel van de Administratie, mogelijk is, rekening houdend met de omvang, de leeftijd, het werkgebied en de toestand van de constructie van het schip en mits dat uiterlijk duurt tot de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- De Administratie van een Partij bij het Verdrag kan een olietankschip met een draagvermogen van 600 ton of meer dat zware oliesoorten als vracht vervoert vrijstelling verlenen van de bepalingen van dit Voorschrift indien het olietankschip:
- a. ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder haar rechtsmacht valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder haar rechtsmacht valt; of
- b. ofwel uitsluitend reizen maakt binnen een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, of dienst doet als drijvende opslageenheid voor zware oliesoorten in een gebied dat onder de rechtsmacht van een andere Partij valt, mits de Partij in het rechtsgebied waarvan het olietankschip dienst zal doen ermee instemt dat het olietankschip in een gebied onder haar rechtsmacht dienst doet.
- 8.
- a. De Administratie van een Partij bij het Verdrag die de toepassing van het vijfde, zesde of zevende lid van dit Voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat onder haar vlag mag varen, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie en met het oog op zo nodig passende maatregelen.
- b. Met inachtneming van de bepalingen van het internationale recht, heeft een Partij bij het Verdrag het recht olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van het vijfde of zesde lid van dit Voorschrift de toegang tot de havens en offshoreterminals onder haar rechtsmacht te weigeren, of de overdracht van schip tot schip van zware oliesoorten in de gebieden die onder haar rechtsmacht vallen te weigeren, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden. In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan ter verspreiding aan de Partijen bij het Verdrag ter informatie.
Voorschrift 14. Gescheiden houden van brandstofolie en waterballast
- (1). Behalve zoals bepaald in lid (2) van dit Voorschrift, dient aan boord van nieuwe schepen anders dan olietankschepen, met een bruto tonnage van 4000 ton en meer en aan boord van nieuwe olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer, geen ballastwater in enige brandstofolietank te worden vervoerd.
- (2). Wanneer ongewone omstandigheden of de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie mee te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in enige brandstofolietank noodzakelijk maken, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee volgens Voorschrift 9, met gebruikmaking van de uitrusting aangegeven in Voorschrift 16 (2) van deze Bijlage; hiervan dient aantekening te worden gehouden in het Oliejournaal.
- (3). Alle andere schepen dienen zich, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, te houden aan de vereisten van paragraaf (1) van dit Voorschrift.
Voorschrift 15. Het aan boord houden van olie
- (1). Onverlet het bepaalde in lid (5) en lid (6) van dit Voorschrift worden olietankschepen met een bruto tonnage van 150 ton en meer uitgerust met voorzieningen overeenkomstig de vereisten van lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift, met dien verstande dat, in het geval van bestaande tankschepen, de vereisten inzake bewakings- en regelsystemen voor lozingen en voorzieningen voor sloptanks drie jaren na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag van toepassing zullen zijn.
- (2).
- (a). Er dient te worden voorzien in toereikende middelen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van het verontreinigde ballastresidu en tankwaswater van de ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank. Aan boord van bestaande olietankschepen mag elke ladingtank worden bestemd als sloptank.
- (b). Hierbij dienen voorzieningen te worden aangebracht voor het overbrengen van oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks, zodanig dat elke vloeistof die in zee wordt geloosd, zal voldoen aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage.
- (c). De voorzieningen voor de sloptank of de combinatie van sloptanks dienen de nodige capaciteit te hebben om het tankwaswater ontstaan door tankwassen, alsmede de olieresiduen en verontreinigde ballastresiduen te bevatten, met dien verstande dat het totaal voor deze capaciteit niet minder dient te zijn dan 3% van het olielaadvermogen van het schip, behalve dat, waar gescheiden ballasttanks zijn aangebracht overeenkomstig Voorschrift 13 van deze Bijlage, of waar geen voorzieningen zijn aangebracht zoals eductors welke gebruik maken van water naast het tankwaswater, de Administratie 2% kan aanvaarden. Nieuwe olietankschepen met een draagvermogen van meer dan 70.000 ton dienen van ten minste twee sloptanks te zijn voorzien.
- (d). De sloptanks dienen zo te zijn ontworpen, in het bijzonder met betrekking tot de plaats van in- en uitlaten, keerplaten en -schotten voorzover deze zijn aangebracht, dat overmatige turbulentie en het meevoeren van olie in het water of het vormen van emulsie met het water wordt vermeden.
- (3).
- (a). Er dient een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen te worden aangebracht. Bij beschouwing van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem moet worden opgenomen, dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen*)Zie „Aanbeveling voor internationale specificatie-eisen voor de werking van olie-waterafscheiders en oliegehaltemeters”, door de Organisatie aangenomen bij Resolutie A.233 (VII). . Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor een doorlopende weergave van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze weergave dient aanduiding van tijd en datum te bevatten en dient ten minste drie jaren te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor de olielozing dient in werking te treden wanneer er enige lozing van vloeistof in zee plaatsvindt en het dient zo te zijn ingericht dat het verzekert dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt wanneer de hoeveelheid geloosde olie op elk moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge Voorschrift 9, (1) (a), van deze Bijlage. Elke storing in dit bewakings- en regelsysteem dient de lozing te doen ophouden en dient te worden aangetekend in het Oliejournaal. Er dient in een andere op bediening met de hand gebaseerde methode te zijn voorzien welke gebruikt kan worden in geval van een dergelijke storing; het onklare gedeelte dient echter zo snel mogelijk weer bedrijfsklaar te worden gemaakt. De autoriteit van de Staat waarin de haven gelegen is, kan het tankschip toestaan met een onklaar gedeelte één reis in ballast te ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet. Bestaande olietankschepen dienen te voldoen aan alle hierboven omschreven bepalingen met dien verstande echter dat het stoppen van de lozing met de hand mag geschieden en de hoeveelheid geloosde olie geschat mag worden aan de hand van de pompkarakteristiek.
- (b). Er dienen door de Administratie goedgekeurde, doelmatige detectoren van het olie-waterscheidingsvlak aanwezig te zijn ten behoeve van een snelle en nauwkeurige bepaling van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks; zij dienen beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin de scheiding van olie en water tot stand komt en van waaruit men lozing rechtstreeks in zee wil doen plaatsvinden.
- (c). De richtlijnen met betrekking tot de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurde bedrijfshandleiding. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en zij dienen erop gericht te zijn te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden aangegeven in Voorschrift 9 van deze Bijlage*)Zie ook “Clean Seas Guide for Oil Tankers”, uitgegeven door de International Chamber of Shipping en het Oil Companies International Marine Forum. .
- (4). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen met een bruto tonnage van minder dan 150 ton, waarbij de naleving van de Regeling van het lozen van olie krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage plaatsvindt door middel van het aan boord houden van olie en de latere afgifte van alle verontreinigd tankwaswater aan ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en waswater, teruggepompt in een opslagtank, dient te worden vermeld in het Oliejournaal. Deze totale hoeveelheid dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van een vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, ten einde te verzekeren dat aan de bepalingen van Voorschrift 9 van deze Bijlage wordt voldaan.
- (5). De Administratie kan de vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift terzijde stellen voor elk olietankschip dat uitsluitend reizen maakt zowel van een duur van 72 uur of minder als binnen een afstand van 50 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land, mits het olietankschip niet in het bezit behoeft te zijn en niet in het bezit is van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie. Elke zodanige terzijdestelling dient onderworpen te zijn aan de eis dat het olietankschip alle oliehoudende mengsels aan boord dient te houden ter latere afgifte aan ontvangstinrichtingen, en aan de bevinding van de Administratie, dat de beschikbare inrichtingen voor het ontvangen van deze oliehoudende mengsels toereikend zijn.
- (6). In gevallen waarin, naar het oordeel van de Organisatie, de uitrusting voor bewaking van het lozen van geraffineerde lichte produkten (witte oliën), vereist ingevolge de bepalingen van Voorschrift 9 (1) (a) (vi) van deze Bijlage en omschreven onder (3) (a) van dit Voorschrift, niet verkrijgbaar is, kan de Administratie de verplichting tot nakoming van zulk een vereiste terzijde stellen, met dien verstande dat lozing alleen zal worden toegestaan in navolging van door de Organisatie vastgestelde procedures, die dienen te voldoen aan de voorwaarden van Voorschrift 9 (1) (a) van deze Bijlage, uitgezonderd de verplichting tot het in bedrijf hebben van een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen. De Organisatie zal de beschikbaarheid van uitrusting nagaan met tussenpozen van niet langer dan twaalf maanden.
- (7). De vereisten onder lid (1), lid (2) en lid (3) van dit Voorschrift zijn niet van toepassing op olietankschepen die asfalt vervoeren; de naleving van de regeling van het lozen van asfalt krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage dient te geschieden door het aan boord houden van asfaltresiduen en het afgeven van alle verontreinigd waswater aan ontvangstinrichtingen.
Voorschrift 16. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen en apparatuur voor het filtreren van olie
Elk schip met een bruto-inhoud van 400 ton of meer maar minder dan 10.000 ton dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 4 van dit Voorschrift. Elk zodanig schip dat grote hoeveelheden brandstof vervoert, dient te voldoen aan lid 2 van dit Voorschrift of aan lid 1 van Voorschrift 14.
Elk schip met een bruto-inhoud van 10.000 ton of meer dient te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie, en met een inrichting voor een alarm en voor het automatisch stoppen van elke lozing van oliehoudende mengsels wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen.
- a. De Administratie kan ontheffing verlenen van de vereisten van lid 1 en 2 van dit Voorschrift voor een schip dat uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- i. het schip is uitgerust met een verzameltank met een voldoende inhoud, naar genoegen van de Administratie, om al het oliehoudende lenswater aan boord te houden;
- ii. al het oliehoudende lenswater wordt aan boord gehouden voor latere afgifte aan ontvangstvoorzieningen;
- iii. de Administratie heeft vastgesteld dat voldoende ontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn voor het ontvangen van dat oliehoudende lenswater in een voldoende aantal havens of plaatsen waarnaar het schip reizen maakt;
- iv. het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, indien vereist, bevat een aantekening waarin wordt verklaard dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden; en
- v. de hoeveelheid, het tijdstip en de haven van afgifte worden aangetekend in het Oliejournaal.
- b. De Administratie draagt er zorg voor dat schepen met een bruto-inhoud van minder dan 400 ton voor zover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust voor het aan boord houden van olie of oliehoudende mengsels of voor het lozen ervan overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 9, lid 1, letter b, van deze Bijlage.
De in lid 1 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door de apparatuur is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
De in lid 2 van dit Voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient van een door de Administratie goedgekeurd type te zijn en dient zodanig te zijn dat wordt verzekerd dat elk in zee geloosd oliehoudend mengsel, nadat dit door het systeem of de systemen is gevoerd, het oliegehalte lager is dan 15 delen per miljoen. De apparatuur dient te zijn voorzien van een alarminrichting die aangeeft wanneer dit gehalte wordt overschreden. Het systeem dient ook te zijn voorzien van een inrichting die verzekert dat elke lozing van oliehoudende mengsels automatisch wordt gestopt wanneer het oliegehalte van de geloosde vloeistof hoger is dan 15 delen per miljoen. Bij het beschouwen van het ontwerp van dergelijke apparatuur en inrichtingen dient de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht te nemen.
Voor schepen die voor 6 juli 1993 worden opgeleverd, worden de vereisten van dit Voorschrift van toepassing op 6 juli 1998, mits deze schepen kunnen werken met olie-waterafscheiders (100 p.p.m apparatuur).
Voorschrift 17. Tanks voor olieresiduen (slik)
- (1). Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer dient te worden uitgerust met een of meer tanks met een capaciteit die, gezien het type machines en de lengte van de reis, toereikend is voor het opvangen van olieresiduen (slik) die niet kunnen worden behandeld op enige andere wijze overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage, bijvoorbeeld residuen ontstaan bij het zuiveren van brandstof en smeeroliën en door olielekkages in de machineruimten.
- (2). In nieuwe schepen dienen deze tanks zo ontworpen en gebouwd te worden dat zij hun reiniging en de afgifte van residuen aan ontvangstinrichtingen vergemakkelijken. Bestaande schepen dienen voorzover redelijk en praktisch uitvoerbaar aan dit vereiste te voldoen.
- (3). Pijpleidingen naar en vanaf tanks voor slik dienen geen rechtstreekse aansluiting overboord te hebben behalve de in Voorschrift 19 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte.
Voorschrift 18. Inrichtingen aan boord van olietankschepen voor pompen, pijpleidingen en lozen
- (1). Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een walaansluiting voor afgifte te zijn opgesteld, ter koppeling aan ontvangstinrichtingen voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water.
- (2). Aan boord van elk olietankschip dienen de pijpleidingen voor het lozen in zee van vloeistoffen, zoals kan worden toegestaan krachtens Voorschrift 9 van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de zwaarste ballasttoestand. Pijpleidingssystemen welke de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan onder lid (4) (a) en (b) van dit Voorschrift kunnen in verschillende uitvoeringen aanvaard worden.
- (3). Aan boord van nieuwe olietankschepen dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing van vloeistoffen in zee vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte walaansluiting, als bedoeld in lid (1) van dit Voorschrift, en de vloeistof uit de pijpleidingen, als bedoeld in lid (2) van dit Voorschrift, met het oog waarneembaar is. Er behoeven geen voorzieningen voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats te zijn aangebracht, indien een goed werkende verbinding, zoals een telefoon- of radiosysteem, beschikbaar is tussen de waarnemingsplaats en de regelpositie voor de lozing.
- (4). Alle lozingen dienen boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
- (a). gescheiden ballast en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd in havens of bij laad- of losplaatsen buitengaats;
- (b). bestaande schepen, die niet in staat zijn zonder verbouwing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn lozen, mits een onderzoek van de tank onmiddellijk voorafgaand aan de lozing heeft uitgewezen dat er geen verontreiniging van de ballast met olie heeft plaatsgevonden.
- (5). Elk nieuw olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de navolgende vereisten:
- (a). het schip moet zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
- (b). voorzieningen dienen te zijn getroffen teneinde alle ladingpompen en alle ladingleidingen waar nodig na afloop van de lossing leeg te trekken door een stripping aansluiting. Het moet mogelijk zijn de stripping opbrengst zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank over te brengen. Voor lossing naar de wal moet een aparte leiding met een kleine diameter zijn aangebracht die is verbonden aan de walzijde van de afsluiters in het scheepsmanifold.
- (6). Elk bestaand olietankschip dat moet zijn voorzien van gescheiden ballasttanks, of moet zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, of aangewezen schone ballasttanks toepast moet voldoen aan de bepalingen onder b van het vijfde lid van dit Voorschrift.
Voorschrift 19. Standaardaansluiting voor afgifte
Ten einde leidingen van ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van residuen afkomstig van machinekamerlensruimten, dienen beide leidingen te zijn uitgerust met een standaardaansluiting voor afgifte, overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting | |
|---|---|---|
| uitwendige flensdiameter | 215 mm | |
| inwendige flensdiameter | overeenkomstig de uitwendige flensdiameter van de pijp | |
| diameter van de steekcirkel der bouten | 183 mm | |
| boutgaten | 6 gaten van 22 mm middellijn, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven die zijn doorgetrokken tot de omtrek; sleufbreedte: 22 mm | |
| flensdikte | 20 mm | |
| bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk van 20 mm middellijn en van voldoende lengte |
De flens is zo ontworpen dat er pijpleidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm; de flens dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens dient, tezamen met een pakking van oliebestendig materiaal, geschikt te zijn voor een werkdruk van 6 kg/cm2.
Voorschrift 20. Oliejournaal
- (1). Elk olietankschip met een bruto-tonnage van 150 ton en meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een bruto tonnage van 400 ton en meer, moet zijn voorzien van een Oliejournaal dat, hetzij als onderdeel van het scheepsdagboek, hetzij anderszins, moet zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (2). Het Oliejournaal dient, voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
- (a). Voor olietankschepen:
- (i). het laden van olie;
- (ii). het overbrengen van olie van de ene tank naar de andere gedurende de reis;
- (iii). het openen of sluiten, voor of na het laden of lossen, van afsluiters of soortgelijke inrichtingen die ladingtanks onderling verbinden;
- (iv). het openen of sluiten van verbindingen tussen lading- en ballastleidingen;
- (v). het openen of sluiten van overboordafsluiters, tijdens en na laden en lossen;
- (vi). het lossen van lading;
- (vii). het ballasten van ladingtanks;
- (viii). het schoonmaken van ladingtanks;
- (ix). het lozen van ballast, behalve vanuit gescheiden ballasttanks;
- (x). het lozen van water uit sloptanks;
- (xi). het verwijderen van residuen;
- (xii). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in ruimten voor machines.
- (b). Voor schepen, geen olietankschepen zijnde:
- (i). het ballasten of schoonmaken van brandstofolietanks of olielaadruimten;
- (ii). het lozen van ballastwater of waswater uit tanks bedoeld onder (i) van dit lid;
- (iii). het verwijderen van residuen;
- (iv). het overboord lozen van lenswater dat zich in de ruimten voor machines heeft verzameld gedurende het verblijf in de haven, en de routine lozing op zee van lenswater dat zich heeft verzameld in de ruimten voor machines.
- (3). In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in Voorschrift 11 van deze Bijlage of in geval van toevallige of andere buitengewone lozing van olie die niet als uitzondering geldt volgens voornoemd Voorschrift, dient melding in het Oliejournaal te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
- (4). Elke handeling beschreven in paragraaf (2) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elk deel van het journaal moet door de officier of officieren, belast met de betreffende handelingen, worden ondertekend en door de gezagvoerder worden gewaarmerkt. De aantekeningen in het Oliejournaal dienen in een officiële taal van de Staat welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, te worden gesteld, en voor schepen in het bezit van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Olie, in de Engelse of Franse taal. In geval van een geschil of een tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van het land welks vlag het schip gerechtigd is te voeren, bepalend.
- (5). Het Oliejournaal moet op een plaats worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip spoedig beschikbaar is voor raadpleging en het dient, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord te worden bewaard. Het journaal moet gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening worden bewaard.
- (6). De bevoegde instantie van de regering van een Verdragsstaat heeft het recht het Oliejournaal te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
HOOFDSTUK III. BEPALINGEN TER BEPERKING VAN OLIEVERONTREINIGING DOOR OLIETANKSCHEPEN ALS GEVOLG VAN BESCHADIGINGEN VAN DE ZIJDEN EN HET VLAK VAN HET SCHIP
HOOFDSTUK IV. DE VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN VOORVALLEN VAN OLIEVERONTREINIGING
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „chemicaliën-tankschip” verstaan een schip dat in de eerste plaats is gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen met inbegrip van een „olietankschip”, zoals omschreven in Bijlage I van dit Verdrag, ingeval hiermede een gehele of gedeeltelijke lading schadelijke vloeistoffen in bulk wordt vervoerd;
- (2). wordt onder „schone ballast” verstaan ballast in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd, die een stof bevatte van de categorie A, B, C of D, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven restanten zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage;
- (3). wordt onder „gescheiden ballast” verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstof oliesysteem;
- (4). wordt onder „dichtstbijzijnde land” verstaan hetgeen is omschreven in Voorschrift 1 (9) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (5). wordt onder „vloeistoffen” verstaan vloeistoffen met een dampdruk van niet meer dan 2,8 kg/cm2 bij een temperatuur van 37,8 graden Celsius;
- (6). wordt onder „schadelijke vloeistof” verstaan alle vloeistoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage, of die ingevolge de bepalingen van Voorschrift 3(4) voorlopig zijn ingedeeld in categorie A, B, C of D.
- (7). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer in dat gebied, het volgen van bijzondere voorgeschreven methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen wordt vereist; Bijzondere gebieden zijn:
- a. het Oostzeegebied,
- b. het Zwarte-Zeegebied en
- c. het Antarctisch gebied.
- (8). wordt onder „het Baltische-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (b) van Bijlage I van dit Verdrag;
- (9). wordt onder „het Zwarte-Zeegebied” verstaan het gebied omschreven in Voorschrift 10 (1) (c) van Bijlage I van dit Verdrag.
- (9A). wordt onder „het Antarctisch gebied” verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (10). Onder „Internationale Code voor het vervoer van chemicaliën in bulk” wordt verstaan: de „Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen voor het vervoer van gevaarlijke chemicaliën in bulk”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 19(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (11). Onder „Bulk chemicaliën Code” wordt verstaan: de „Code voor de bouw en uitrusting van schepen die chemicaliën in bulk vervoeren”, zoals aanvaard door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie met Resolutie MEPC 20(22) en eventueel gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en in werking worden gesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een Aanhangsel van een Bijlage.
- (12). Onder „schip gebouwd” wordt verstaan: een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntanker, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntanker die gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- (a). het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- (b). met betrekking tot het schip is krachtens de „Bulk Chemicaliën Code” een certificaat afgegeven voor het uitsluitende vervoer van die produkten welke door de Code zijn aangemerkt als stoffen die alleen kans op verontreiniging opleveren.
- (13). Onder „soortgelijk stadium van aanbouw” wordt verstaan: het stadium waarin:
- (a). de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- (b). met de samenbouw van dit schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, welke van deze twee de laagste is.
- (14). ,Verjaardatum’ betekent de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de vervaldatum van het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk.
Voorschrift 2. Toepassing
- (1). Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren.
- (2). Wanneer een lading, waarvoor de bepalingen gelden van Bijlage I van dit Verdrag, in de laadruimte van een chemicaliën-tankschip wordt vervoerd, gelden tevens de desbetreffende voorschriften van Bijlage I van dit Verdrag.
- (3). Voorschrift 13 van deze Bijlage is alleen van toepassing op schepen waarin stoffen worden vervoerd die ingedeeld zijn in de categorieën A, B of C, met het doel het lozen daarvan te beheersen.
- (4). Voor schepen die vóór 1 juli 1986 zijn gebouwd, zijn de bepalingen van Voorschrift 5 van deze Bijlage met betrekking tot de eis inzake lozing onder de waterlijn en maximumconcentratie in de volgstroom van het schip met ingang van 1 januari 1988 van toepassing.
- (5). De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door Voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
- (6). De Administratie die krachtens het bepaalde in lid (5) van dit Voorschrift het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage zijn voorgeschreven, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan, waarna de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
- (7).
- a. Indien een wijziging van deze Bijlage en van de IBC-Code en de Bulk Chemical Code veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd voor de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald, met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.1)Verwezen wordt naar de Richtlijnen voor de toepassing van wijzigingen van de lijst van stoffen in Bijlage II bij MARPOL 73/78 en de IBC-Code en de BCH-Code met betrekking tot verontreinigingsrisico's, goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu en bekendgemaakt in MEPC/Circ. 266.
- b. De Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de vervoerde ladingen, de handelstak waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen.
Voorschrift 3. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen
- (1). Voor de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- (a). Categorie A - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een groot gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van strikte maatregelen Ier voorkoming van verontreiniging.
- (b). Categorie B - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve de toepassing rechtvaardigen van bijzondere maatregelen ter voorkoming van verontreiniging.
- (c). Categorie C - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een gering gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of die geringe schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een bijzondere behandeling vereisen.
- (d). Categorie D - Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, een waarneembaar gevaar zouden opleveren voor hetzij mariene hulpbronnen, hetzij de gezondheid van de mens, of minimale schade zouden toebrengen aan het genoegen dat de zee verschaft of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve enige aandacht bij de behandeling ervan vergen.
- (2). Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in Aanhangsel I van deze Bijlage.
- (3). Naar de in bulk vervoerde en tot nu toe in categorieën ingedeelde schadelijke vloeistoffen waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt verwezen in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- (4). Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge paragraaf (1) van dit Voorschrift of die niet is beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige beoordeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in paragraaf (2) van dit Voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, wordt de stof vervoerd onder de strengste van de voorgestelde voorwaarden. Zo spoedig mogelijk, doch niet later dan negentig dagen na het eerste vervoer, stelt de Administratie de Organisatie daarvan in kennis en verschaft zij nadere bijzonderheden over de stof en voorlopige beoordeling ter onverwijlde toezending aan alle Partijen te hunner inlichting en overweging. De Regering van elke Partij heeft negentig dagen daaraanvolgend de tijd om haar opmerkingen aan de Organisatie toe te zenden, met betrekking tot de beoordeling van de stof.
Voorschrift 4. Overige vloeistoffen
- (1). De stoffen waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage zijn beoordeeld, en hierbij is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie A, B, C of D, zoals omschreven in Voorschrift 3(1) van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het schoonmaken van tanks of het verwijderen van ballast.
- (2). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere restanten of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
- (3). De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
Voorschrift 5. Het lozen van schadelijke vloeistoffen
Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (1). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,1 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,01 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd, indien ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (2). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijze en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (3). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijze en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op de door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat concentratie, snelheid en hoeveelheid van de uitstromende vloeistof zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 10 delen per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 3 m3 of 1/1000ste van de tankinhoud in m3;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (4). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie D zoals bedoeld in Voorschrift 3 (1) (d) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen, in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen, in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). deze mengsels hebben een concentratie die niet groter is dan een deel stof op tien delen water; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land.
- (5). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (1), (2), (3) of (4) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (6). zal het lozen in zee verboden zijn van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn ingedeeld, of niet zijn ingedeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater, of van andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Stoffen van de categorieën A, B en C, binnen bijzondere gebieden Behoudens het bepaalde in lid 14 van dit Voorschrift en van Voorschrift 6 van deze Bijlage,
- (7). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie A zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (a) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten. Ingeval tanks die dergelijke stoffen of mengsels bevatten, moeten worden gewassen, dienen de aldus ontstane restanten in een ontvangstinstallatie te worden geloosd, waarvoor de Staten wier grondgebied aan het bijzondere gebied grenst, zorg moeten dragen ingevolge het bepaalde in Voorschrift 7 van deze Bijlage, totdat de concentratie van de stof in de in deze installatie uitstromende vloeistof is gedaald tot of onder 0,05 gewichtsprocent en totdat de tank leeg is, met uitzondering van fosfor, geel of wit, waarvoor de concentratie in de resterende vloeistof 0,005 gewichtsprocent dient te zijn. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, mag in zee worden geloosd, wanneer ook aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan.
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, of van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (c). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (8). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie B zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (b) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). de tank heeft een voorwas ondergaan overeenkomstig de methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het aldus ontstane tankwaswater is afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- (b). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (c). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen en schoonmaken zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende hoeveelheid vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (9). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen van categorie C zoals omschreven in Voorschrift 3 (1) (c) van deze Bijlage, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, behalve wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip vervolgt zijn vaarroute met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- (b). de werkwijzen en voorzieningen voor het lozen zijn goedgekeurd door de Administratie. Deze werkwijzen en voorzieningen moeten zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen en dienen te verzekeren dat de per tijdseenheid uitstromende vloeistof en de concentratie van de stof daarin zodanig zijn, dat de concentratie van de stof in de volgstroom van het schip 1 deel per miljoen niet overschrijdt;
- (c). de maximum hoeveelheid van de uit elke tank en de daarmee verbonden pijpleidingen geloosde lading bedraagt niet meer dan de maximum hoeveelheid, toegelaten in overeenstemming met de werkwijzen bedoeld onder (b) van deze paragraaf, welke hoeveelheid in geen geval groter mag zijn dan 1 m3 of 1/3000ste van de tankinhoud in m3, al naar gelang welke de grootste is;
- (d). het lozen geschiedt onder de waterlijn, rekening houdende met de plaats van de zeewaterinlaten; en
- (e). het lozen geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land en in water van ten minste 25 meter diepte.
- (10). mogen voor het verwijderen van ladingrestanten uit een tank ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Deze methoden dienen te zijn gebaseerd op door de Organisatie ontwikkelde normen. Al het water dat daarna in de tank wordt toegelaten, wordt als schoon aangemerkt en daarop is het bepaalde in lid (7), (8) of (9) van dit Voorschrift niet van toepassing.
- (11). zal het lozen in zee zijn verboden van stoffen die niet in een categorie zijn ingedeeld, niet voorlopig zijn beoordeeld, of niet zijn beoordeeld zoals bedoeld in Voorschrift 4 (1) van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere restanten of mengsels die deze stoffen bevatten.
- (12). Niets in dit Voorschrift zal verhinderen dat een schip de restanten van een lading van klasse B of C aan boord houdt en deze restanten in zee loost buiten een bijzonder gebied ingevolge het bepaalde in onderscheidenlijk paragraaf (2) of (3) van dit Voorschrift.
- (13).
- (a). De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied moeten tezamen een datum overeenkomen vóór welke aan het bepaalde in Voorschrift 7 (1) van deze Bijlage dient te zijn voldaan en waarop het bepaalde in de paragrafen (7), (8), (9) en (10) van dit Voorschrift met betrekking tot dat gebied van kracht wordt en zij moeten de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie moet alle Partijen onverwijld in kennis stellen van die datum.
- (b). Ingeval de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag eerder valt dan de datum, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde onder (a) van deze paragraaf, zal gedurende de tussenliggende termijn het bepaalde in de paragrafen (1), (2) en (3) van dit Voorschrift van toepassing zijn.
-
- Wat het Antarctisch gebied betreft, zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten verboden.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
Voorschrift 5 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- (a). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, ten gevolge van schade aan het schip of aan de uitrusting daarvan:
- (i). mits na optreden van de beschadiging of na het ontdekken van het lozen alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of zo gering mogelijk te doen zijn; en
- (ii). behalve in geval de eigenaar of de kapitein handelde met het voornemen schade te veroorzaken, dan wel op roekeloze wijze en in de wetenschap, dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- (c). het lozen in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die dergelijke stoffen bevatten, welke zijn goedgekeurd door de Administratie, indien dit gebeurt ter bestrijding van bepaalde gevallen van verontreiniging ten einde de schade door de verontreiniging te beperken. Elke lozing van dien aard behoeft de goedkeuring van elke Regering binnen wier rechtsgebied wordt overwogen de lozing te laten plaatsvinden.
Voorschrift 7. Ontvangstvoorzieningen en voorzieningen voor laad- en losplaatsen en overslagplaatsen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- (a). laad- en loshavens en overslagplaatsen moeten zijn uitgerust met inrichtingen, toereikend om – zonder onnodig oponthoud voor schepen – die schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels in ontvangst te nemen, welke voor afgifte door schepen die deze vervoeren zouden overblijven ten gevolge van de toepassing van deze Bijlage; en
- (b). scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan chemicaliëntankschepen worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor het in ontvangst nemen van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels.
- (2). De Regering van elke Partij moet de soorten van inrichtingen bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder (1) van dit Voorschrift, in elke laad- en loshaven, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de Organisatie daarvan in kennis stellen.
- (3). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
- (4). Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid (3) van dit Voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 8. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
- (a). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit Voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
- (b). De gezagvoerder van een schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert, zorgt ervoor dat het bepaalde in Voorschrift 5 en in dit Voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 9 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dit Voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
- (c). Een in lid (2)(b), (5)(b), (6)(c) of (7)(c) van dit Voorschrift bedoelde vrijstelling kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke vrijstelling is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden bevestigd door de in letter (a) van dit lid bedoelde inspecteur.
(2). Met betrekking tot de stoffen van categorie A zijn de volgende bepalingen van toepassing in alle gebieden:
- (a). Een tank die is gelost dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden schoongemaakt overeenkomstig de in lid (3) of (4) van dit Voorschrift gestelde eisen, alvorens het schip de loshaven verlaat.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid bedoelde eisen, indien zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat aan de bepalingen van lid (3) of (4) van dit Voorschrift wordt voldaan in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(3). Indien de tank moet worden schoongemaakt in overeenstemming met lid 2, letter a, van dit Voorschrift dient de uitstromende vloeistof afkomstig van het tankwassen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, ten minste tot het tijdstip waarop de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters, is gedaald tot de in Voorschrift 5(1) of (7) van deze Bijlage voorgeschreven concentratie. Wanneer de vereiste concentratie is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal en deze dient te worden bevestigd door de in lid (l)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur.
(4). In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent van die in lid (3) van dit Voorschrift, mits:
- (a). de tank een voorwas heeft ondergaan overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen; en
- (b). de in lid (1)(a) bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- (i). de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- (ii). de voorwas is uitgevoerd overeenkomstig de door de Administratie goedgekeurde voorwasprocedure voor deze tank en deze stof; en
- (iii). het tankwaswater, afkomstig van deze yoorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is.
(5). Met betrekking tot de stoffen van categorie B en C zijn de volgende bepalingen van toepassing buiten bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in letter (b) van dit lid, te worden voorgewassen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) of (3) van deze Bijlage in zee mag worden geloosd in het geval van stoffen van respectievelijk categorie B en C; of
- (ii). het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden voor het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een werkwijze die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en dat het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(6). Met betrekking tot de stoffen van categorie B zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen bijzondere gebieden:
- (a). Een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c), aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat. De gebruikte voorwasmethode dient te worden goedgekeurd door de Administratie en te worden gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, terwijl het verkregen tankwaswater dient te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening in de loshaven.
- (b). De in lettter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, indien aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). bij de geloste stof van categorie B geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, tengevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd buiten de bijzondere gebieden krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage, en de restanten aan boord van het schip worden gehouden ten einde op een later tijdstip in zee te worden geloosd buiten het bijzondere gebied overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(2) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip vrijstelling verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en dat de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en gebaseerd is op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiémethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen.
(7). Met betrekking tot stoffen van categorie C zijn de volgende bepalingen van toepassing binnen de bijzondere gebieden:
- (a). een tank die is gelost, dient, behoudens het bepaalde in de letters (b) en (c) van deze paragraaf, aan een voorwas te worden onderworpen, alvorens het schip de loshaven verlaat, indien: De gebruikte voorwasprocedure dient door de Administratie aan de hand van door de Organisatie opgestelde normen te worden goedgekeurd en het verkregen tankwaswater dient aan een ontvangstvoorziening in de loshaven te worden afgegeven.
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens de normen opgesteld door de Organisatie, ten gevolge waarvan de resthoeveelheid groter is dan de maximale hoeveelheid die in zee mag worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(9) van deze Bijlage; of
- (ii). het lossen niet geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in lid (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (b). De in letter (a) van dit lid gestelde eisen zijn niet van toepassing, wanneer aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (i). de geloste stof van categorie C is geïdentificeerd volgens normen opgesteld door de Organisatie ten gevolge waarvan de resthoeveelheid niet groter is dan de maximale hoeveelheid die buiten de bijzondere gebieden in zee mag.worden geloosd krachtens het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage en de restanten worden aan boord van het schip gehouden, ten einde op een later tijdstip buiten het bijzondere gebied in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(3) van deze Bijlage; en
- (ii). het lossen geschiedt in overeenstemming met de omstandigheden voor het pompen voor de tank die zijn goedgekeurd door de Administratie en zijn gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, zoals bedoeld in Voorschrift 5A(5) van deze Bijlage, of, indien niet aan de goedgekeurde omstandigheden voor het pompen kan worden voldaan, andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in paragraaf (1)(a) van dit Voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in Voorschrift 5A van deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naar gelang van toepassing.
- (c). Op verzoek van de gezagvoerder van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de in letter (a) van dit lid gestelde eisen, mits zij de zekerheid heeft verkregen dat:
- (i). de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- (ii). de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast en de tank aan een voorwas wordt onderworpen overeenkomstig een methode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde normen, en het verkregen tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening in een andere haven, mits er schriftelijk is bevestigd dat een daartoe geschikte ontvangstvoorziening in deze haven beschikbaar is; of
- (iii). de ladingresten worden verwijderd met behulp van een ventilatiemethode die door de Administratie is goedgekeurd en is gebaseerd op door de Organisatie opgestelde nonnen.
(8). Met betrekking tot de stoffen van categorie D dient een tank die is gelost, òf te worden schoongemaakt en het verkregen tankwaswater te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening, òf de overblijvende restanten in de tank dienen te worden verdund en in zee te worden geloosd overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(4) van deze Bijlage.
(9). Alle restanten die aan boord worden gehouden in een sloptank, met inbegrip van lenswater uit ladingpompkamers, en die een stof van categorie A bevatten of, binnen een bijzonder gebied, een stof van categorie A of categorie B bevatten, dienen te worden afgegeven aan een ontvangstvoorziening overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5(1), (7) of (8) van deze Bijlage, al naar gelang van toepassing.
Voorschrift 9. Ladingjournaal
- (1). Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in Aanhangsel IV bij deze Bijlage.
- (2). Het Ladingjournaal dient te worden ingevuld, voor elke tank afzonderlijk, telkens wanneer een van de volgende handelingen, die een schadelijke vloeistof betreft, aan boord van het schip plaatsvindt:
- (i). het innemen van lading
- (ii). het aan boord overbrengen van lading
- (iii). het lossen van lading
- (iv). het schoonmaken van ladingtanks
- (v). het ballasten van ladingtanks
- (vi). het lozen van ballastwater uit ladingtanks
- (vii). het afgeven van restanten aan ontvangstvoorzieningen
- (viii). het lozen in zee of het verwijderen door ventilatie, overeenkomstig het bepaalde in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
- (3). Van elk lozen zoals bedoeld in artikel 8 van dit Verdrag en in Voorschrift 6 van deze Bijlage, hetzij opzettelijk, hetzij toevallig, van een schadelijke vloeistof of van een mengsel dat een dergelijke stof bevat, dient aantekening te worden gehouden in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
- (4). Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij dit Verdrag tot toezicht op alle handelingen waarop deze Bijlage van toepassing is, een schip heeft geinspecteerd, dient deze inspecteur daarvan aantekening te doen in het Ladingjournaal.
- (5). Elke handeling zoals bedoeld in de leden (2) en (3) van dit Voorschrift dient onverwijld volledig te worden aangetekend in het Ladingjournaal, en wel zodanig dat alle in het dagboek vereiste aantekeningen, die betrekking hebben op die handeling, volledig worden ingeschreven. Elke aantekening dient te worden ondertekend door de officier of officieren belast met de betrokken handeling en dient elke bladzijde door de kapitein van het schip te worden getekend. De aantekeningen in het Ladingjournaal worden gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren en, voor schepen die in het bezit zijn van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in Bulk of een in Voorschrift 12A van deze Bijlage bedoeld Certificaat, in de Engelse of de Franse taal. In geval van geschil of tegenstrijdigheid zijn de aantekeningen in een officiële nationale taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, bepalend.
- (6). Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, derhalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het dient gedurende een termijn van drie jaren na dagtekening van de laatste aantekening te worden bewaard.
- (7). De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, zal bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 10. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- a. Een eerste onderzoek voordat een schip in dienst wordt gesteld of voordat het Certificaat, als vereist ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de bouw, uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen, voor zover het schip valt onder deze Bijlage. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- b. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer Voorschrift 12, tweede lid, vijfde lid, zesde lid of zevende lid, van deze Bijlage van toepassing is. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de bouw, de uitrusting, systemen, onderdelen, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze Bijlage.
- c. Een tussentijds onderzoek binnen 3 maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen 3 maanden voor of na de derde verjaardatum van het Certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in het eerste lid, letter d, van dit Voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- d. Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het Certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in het eerste lid, letter a, van dit Voorschrift, ten einde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het derde lid van dit Voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het Certificaat afgegeven krachtens Voorschrift 11 van deze Bijlage.
- e. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek moet, al naar gelang de omstandigheden, worden uitgevoerd na reparaties voortvloeiend uit de onderzoeken voorgeschreven in het derde lid van dit Voorschrift of telkens wanneer belangrijke reparaties of vernieuwingen zijn verricht. Het onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de noodzakelijke reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de uitvoering van zulke reparaties of vernieuwingen in alle opzichten bevredigend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
- 2.
- a. Onderzoeken van schepen moeten voor zover het de toepassing van de Voorschriften van deze Bijlage betreft, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan echter deze onderzoeken toevertrouwen hetzij aan deskundigen die voor dat doel zijn aangewezen, hetzij aan door haar erkende organisaties.
- b. Een Administratie die deskundigen aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken zoals aangegeven onder a van dit lid, dient iedere aangewezen deskundige of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie licht de Organisatie in betreffende de bijzondere verantwoordelijkheden en voorwaarden verbonden aan de bevoegdheden die zijn opgedragen aan de aangewezen deskundigen of erkende organisaties, ter verspreiding onder de Partijen bij dit Protocol ter informatie van hun ambtenaren.
- i. reparaties aan een schip te verlangen; en
- ii. onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- c. Wanneer een aangewezen deskundige of erkende organisatie beslist dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het Certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze deskundige of organisatie onmiddellijk te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht moet het Certificaat worden ingetrokken en de Administratie onmiddellijk worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, moeten ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onmiddellijk worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen deskundige of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun uit dit Voorschrift voortvloeiende plicht te doen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar een geschikte reparatiewerf te gaan.
- d. In elk geval garandeert de betrokken Administratie geheel de volledigheid en doeltreffendheid van de onderzoeken en dient zij de nodige maatregelen te nemen om ervan verzekerd te zijn dat aan deze verplichting wordt voldaan.
- 3.
- a. De toestand van schip en uitrusting dient te worden gehandhaafd in overeenstemming met het bepaalde in dit Verdrag om zeker te stellen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- b. Nadat een onderzoek van het schip krachtens het eerste lid van dit Voorschrift is voltooid, mag zonder toestemming van de Administratie geen verandering worden aangebracht in de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen die door het onderzoek worden gedekt, behalve indien het gaat om onmiddellijke vervanging van dergelijke uitrusting en installaties.
- c. Wanneer een schip een ongeval overkomt, of gebreken worden geconstateerd die de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting, vallende onder de bepalingen van deze Bijlage, in belangrijke mate beïnvloeden, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen deskundige die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken Certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten. In een dergelijk geval dient door laatstgenoemden te worden onderzocht of een onderzoek als bedoeld in het eerste lid van dit Voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich in een haven van een andere Partij bevindt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onmiddellijk de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de aangewezen deskundige of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 11. Afgifte van of aantekening op het Certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 10 van deze Bijlage wordt een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat schadelijke vloeistoffen in bulk vervoert en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit Certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het Certificaat op zich.
- 3.
- a. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat Certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- b. Een afschrift van het Certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- c. Een aldus afgegeven Certificaat moet een verklaring bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het zal dezelfde waarde hebben en het moet op dezelfde wijze worden erkend als een Certificaat dat is afgegeven krachtens het eerste lid van dit Voorschrift.
- d. Er wordt geen Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt opgesteld naar het model opgenomen in Aanhangsel V van deze Bijlage. Ingeval de gebruikte taal een andere is dan de Engelse of de Franse taal, gaat de tekst vergezeld van een vertaling in een van deze talen.
-
- Niettegenstaande andere bepalingen van de wijzigingen op deze Bijlage die bij resolutie MEPC.39(29) zijn aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene milieu blijft een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk dat geldig is wanneer deze wijzigingen van kracht worden, geldig totdat de geldigheid afloopt op grond van deze Bijlage zoals deze luidt voordat de wijzigingen van kracht zijn geworden.
Voorschrift 12. Looptijd en geldigheid van het Certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat betreffende Voorkoming van Verontreiniging voor het Vervoer van Schadelijke Vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- a. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat, niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit Voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- b. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat.
- c. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan 3 maanden voor de vervaldatum van het bestaande Certificaat, is het nieuwe Certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het Certificaat tot na de vervaldatum verlengen tot het in het eerste lid van dit Voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in Voorschrift 10, eerste lid, letters c en d, van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een Certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw Certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de vervaldatum van het bestaande Certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het Certificaat plaatsen en wordt dit Certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een Certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het Certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Een Certificaat mag niet worden verlengd voor een tijdvak langer dan 3 maanden en een schip ten behoeve waarvan een verlenging is verleend, is bij zijn aankomst in de haven waar het moet worden onderzocht, niet gerechtigd uit hoofde van een zodanige verlenging die haven te verlaten zonder een nieuw Certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Een Certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd ingevolge de voorgaande bepalingen van dit Voorschrift kan door de Administratie worden verlengd met een gedoogperiode van ten hoogste één maand na de op het Certificaat vermelde vervaldatum. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande Certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- In bijzondere omstandigheden, zoals bepaald door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd te rekenen van de vervaldatum van het bestaande Certificaat zoals voorgeschreven in het tweede lid, letter b, vijfde of zesde lid van dit Voorschrift. In deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe Certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in Voorschrift 10 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- a. wordt de verjaardatum op het Certificaat door een aantekening gewijzigd in een datum ten hoogste 3 maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- b. wordt het in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat Voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- c. kan de vervaldatum onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in Voorschrift 10 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge Voorschrift 11 van deze Bijlage afgegeven Certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- a. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de in Voorschrift 10, eerste lid, van deze Bijlage aangegeven tijdvakken;
- b. indien er op het Certificaat geen aantekening is geplaatst overeenkomstig Voorschrift 10, eerste lid, letter c of d, van deze Bijlage;
- c. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw Certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe Certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van Voorschrift 10, vierde lid, letters a en b, van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen 3 maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het Certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 13. Eisen ter beperking van verontreiniging door een ongeval
(1). Van schepen die schadelijke vloeistoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dienen het ontwerp, de bouw, de uitrusting en de bedrijfsvoering zodanig te zijn, dat het ongecontroleerd lozen van deze stoffen in zee tot een minimum wordt beperkt.
(2). Chemicaliëntankschepen die op of na 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de eisen van de „Internationale chemicaliën Code”.
(3). Chemicaliëntankschepen die voor 1 juli 1986 zijn gebouwd, dienen te voldoen aan de volgende eisen:
- (a). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.2 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren:
- (b). De volgende chemicaliëntankschepen dienen te voldoen aan de eisen van de „Bulk chemicaliën Code” die van toepassing zijn op de in 1.7.3 van deze Code bedoelde schepen:
- (i). schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is geplaatst en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- (ii). schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, met dien verstande dat voor schepen van minder dan 1600 brutoregisterton de bepalingen van de Code met betrekking tot de bouw en de uitrusting uiterlijk 1 juli 1994 van kracht worden.
(4). Met betrekking tot andere schepen dan chemicaliëntankschepen die schadelijke stoffen van categorie A, B of C in bulk vervoeren, dient de Administratie passende maatregelen gebaseerd op door de Organisatie vastgestelde Richtlijnen te nemen, ten einde te verzekeren dat aan het bepaalde in lid (1) van dit Voorschrift wordt voldaan.
Voorschrift 14. Vervoer en lozing van olieachtige stoffen
Schadelijke vloeistoffen die blijkens Aanhangsel II van deze Bijlage onder categorie C of D vallen en door de Organisatie worden aangemerkt als olieachtige stoffen aan de hand van de door de Organisatie opgestelde criteria, mogen niettegenstaande het bepaalde in andere Voorschriften van deze Bijlage worden vervoerd in een in Bijlage I van het Verdrag omschreven olietankschip en worden geloosd in overeenstemming met het bepaalde in Bijlage I bij dit Verdrag, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- (a). het schip voldoet aan de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag, voor zover deze van toepassing zijn op de in deze Bijlage omschreven produkttankschepen;
- (b). ten behoeve van het schip is een „Internationaal Certificaat ter Voorkoming van Verontreiniging” met bijbehorend Supplement B afgegeven en dit Certificaat is voorzien van de aantekening dat het schip olieachtige stoffen mag vervoeren in overeenstemming met het bepaalde in dit Voorschrift, terwijl deze aantekening tevens een opsomming bevat van de olieachtige stoffen die het schip mag vervoeren;
- (c). in het geval van stoffen van categorie C voldoet het schip aan de eisen betreffende de lekstabiliteit van scheepstype 3 van
- (i). de „Internationale Chemicaliën Code” in het geval van een schip dat op of na 1 juli 1986 is gebouwd; of
- (ii). de „Bulk chemicaliën Code”, voor zover van toepassing krachtens het bepaalde in Voorschrift 13 van deze Bijlage, in het geval van een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd; en
- (d). de oliegehaltemeter in het bewakings- en regelsysteem van het schip voor olielozingen wordt door de Administratie goedgekeurd voor gebruik bij de controle van de te vervoeren olieachtige stoffen.
Voorschrift 15. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 16. Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een brutotonnage van 150 ton of meer bestemd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben. Dit vereiste is uiterlijk 1 januari 2003 van toepassing op al deze schepen.
-
- Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de Richtlijnen*Verwezen wordt naar de „Richtlijnen voor de ontwikkeling van rampenplannen voor verontreiniging door olie en/of schadelijke vloeistoffen aan boord van schepen”. die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- a. de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen**Verwezen wordt naar de door de Organisatie bij resolutie A.851(20) aangenomen „Algemene beginselen voor het systeem voor meldingen van schepen en de desbetreffende vereisten, met inbegrip van Richtlijnen voor het melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen, schadelijke stoffen en/of de zee verontreinigende stoffen een rol spelen”.;
- b. de lijst van autoriteiten of personen met wie contact moet worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- c. een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- d. de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie tussen maatregelen aan boord en maatregelen van de nationale en lokale autoriteiten ter bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor olieverontreiniging dat vereist is ingevolge Voorschrift 26 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee."
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 1. – ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
-
- wordt onder elektronisch journaal verstaan, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
-
- wordt onder persistente drijver verstaan: een stof die een oppervlaktefilm vormt en de volgende eigenschappen heeft:
- –. Dichtheid: ≤ zeewater (1025 kg/m3 bij 20°C);
- –. Dampdruk: ≤ 0,3 kPa;
- –. Oplosbaarheid: ≤ 0,1% (voor vloeistoffen) ≤ 10% (voor vaste stoffen); en
- –. Kinematische viscositeit: > 10 cSt bij 20°C.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 6. Onderzoeken
-
- Alle olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer, alsmede alle andere schepen met een brutotonnage van 400 of meer, dienen de hieronder aangegeven onderzoeken te ondergaan:
- .1 een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist ingevolge voorschrift 7 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven; dit omvat een volledig onderzoek van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voor zover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat het zeker is dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .2 een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen, die niet langer mogen zijn dan vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage;
- .3 een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Dit onderzoek moet zodanig zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen, met inbegrip van de systemen voor het bewaken en regelen van het lozen van olie en voor het wassen van tanks met ruwe olie, de olie-waterafscheider en de oliefiltersystemen, volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 van deze Bijlage;
- .4 een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de constructie, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen als bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift teneinde vast te stellen of de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met de leden 4.1 en 4.2 van dit voorschrift en of zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 7 of 8 van deze Bijlage; en
- .5 een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in lid 4.3 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken, of telkens wanneer belangrijke reparaties of vervangingen zijn verricht. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet vallen onder de bepalingen van lid 1 van dit voorschrift teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.
- 3.1. Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 3.2. Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het uitvoeren van onderzoeken als omschreven in lid 3.1 van dit voorschrift, dient iedere benoemde inspecteur of erkende organisatie ten minste te machtigen om: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 3.3. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van een schip of zijn uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient deze inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van de betrokken havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk, dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet naar zee vertrekt indien het een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu vormt noch de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 3.4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 4.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 4.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid, mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 4.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of de eigenaar eveneens onverwijld de bevoegde autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of de erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 7. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 6 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie afgegeven aan elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer alsmede aan elk ander schip met een brutotonnage van 400 of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij dit Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar naar behoren gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 8. Afgifte van of aantekening op een certificaat door een andere Regering
-
- De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen ontwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie afgeven, of machtigen tot afgifte hiervan en in voorkomend geval een aantekening plaatsen, of machtigen tot het plaatsen van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde kracht en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 7 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie of Certificaat van vrijstelling voor UNSP-lichters afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 9. Model van het certificaat
Het Internationaal certificaat voor voorkoming van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel II bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing betreffende het voorkomen van verontreiniging door olie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel IV bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak, dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid meer dan drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 6, leden 1.3 en 1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven ligt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging geschiedt uitsluitend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat mag worden verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd, is na aankomst in de haven waar het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van deze verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging geschiedde.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging geschiedde.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in de leden 2.2, 2.5 of 2.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 6 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 6.1 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 6.1 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge de voorschriften 7 of 8 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 6.1 van deze Bijlage;
- .2 indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 6.1.3 of 6.1.4 van deze Bijlage; of
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 6.4.1 en 6.4.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
-
- De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 3. VEREISTEN TEN AANZIEN VAN MACHINERUIMTEN VAN ALLE SCHEPEN
DEEL A. BOUW
Voorschrift 12. Tanks voor olierestanten (oliedrab)
-
- Tenzij anders bepaald is dit voorschrift van toepassing op elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, met dien verstande dat paragraaf 3.5 van dit voorschrift uitsluitend hoeft te worden toegepast op schepen die op of vóór 31 december 1979 zijn opgeleverd, zoals omschreven in voorschrift 1.28.1, voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is.
-
- Olierestanten (oliedrab) kunnen door middel van de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte rechtstreeks uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) worden verwijderd en naar ontvangstfaciliteiten worden overgebracht of naar een ander goedgekeurd middel voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab), zoals een verbrandingsoven voor olieresiduen (oliedrab), hulpketel geschikt voor het verbranden van olierestanten (oliedrab) of overige aanvaardbare middelen, die worden vermeld onder punt 3.2 van de Aanvulling op het IOPP-certificaat formulier A of B.
-
- Er wordt voorzien in (een) tank(s) voor olierestanten (oliedrab) en deze:
- .1. heeft/hebben een capaciteit die, gezien het type machines en de duur van de reis, toereikend is voor het opvangen van olierestanten (oliedrab) die niet op andere wijze kunnen worden behandeld overeenkomstig de voorschriften van deze Bijlage;
- .2. wordt/worden voorzien van een speciale afgiftepomp die rechtstreeks moet kunnen aanzuigen uit de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) voor het verwijderen van olierestanten (oliedrab) op een in voorschrift 12.2 omschreven wijze;
- .3. heeft/hebben geen aansluitingen voor afgifte op het lenssysteem, de verzameltank(s) voor oliehoudend lenswater, de tanktop of de olie-waterafscheiders met dien verstande dat:
- .1. de tank(s) voorzien kan/kunnen zijn van aftappunten, met handmatig bediende zelfsluitende kleppen en inrichtingen voor een daaropvolgende visuele controle van het bezonken water, die op een verzameltank voor oliehoudend lenswater of lensput uitkomen, of een alternatieve inrichting, mits een dergelijke inrichting niet rechtstreeks op het lensleidingsysteem aansluit; en
- .2. de lozingspijpleidingen van de sliktank en de lenswaterpijpleidingen kunnen worden aangesloten op een gemeenschappelijke pijpleiding naar de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; door de aansluiting van beide systemen op een eventuele gemeenschappelijke pijpleiding naar de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte mag het niet mogelijk zijn slik naar het lenssysteem over te brengen;
- .4. wordt/worden niet aangesloten op pijpleidingen die een rechtstreekse aansluiting overboord hebben anders dan de in voorschrift 13 bedoelde standaardaansluiting voor afgifte; en
- .5. wordt/worden zodanig ontworpen en gebouwd dat de reiniging ervan en de afgifte van restanten bij ontvangstinrichtingen worden vergemakkelijkt.
-
- De voorzieningen van schepen gebouwd vóór 1 januari 2017 dienen uiterlijk bij het eerste hernieuwde onderzoek dat op of na 1 januari 2017 wordt uitgevoerd aan paragraaf 3.3 van dit voorschrift te voldoen.
Voorschrift 13. Standaardaansluiting voor afgifte
Teneinde leidingen van de ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van restanten afkomstig van machinekamerlensruimten en van sludgetanks, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting |
|---|---|
| Uitwendige flensdiameter | 215 mm |
| Inwendige flensdiameter | Overeenkomstig de uitwendige diameter van de pijp |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 183 mm |
| Boutgaten | 6 gaten van 22 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 22 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 20 mm |
| Bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk met een diameter van 20 mm en van voldoende lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. |
DEEL B. UITRUSTING
Voorschrift 14. Apparatuur voor het filtreren van olie
Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met voorschrift 16.2 ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.
Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 10.000 of meer te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 7 van dit voorschrift.
Schepen zoals hotelschepen, opslagschepen, etc. die stilliggen, behoudens verplaatsingen van deze schepen waarbij geen lading wordt vervoerd, hoeven niet te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie. Dergelijke schepen worden uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater. Al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij de ontvangstinrichtingen.
De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van voorschrift 15.6 van deze Bijlage te lozen.
De Administratie kan ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 van dit voorschrift verlenen:
- .1 voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen bijzondere gebieden, of
- .2 voor schepen die gecertificeerd zijn krachtens de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen (of die anderszins wat betreft omvang en ontwerp onder de reikwijdte van deze code vallen) die lijndiensten verrichten waarbij de heen- en terugreis in totaal niet meer dan 24 uur in beslag nemen, daaronder begrepen verplaatsingen van deze schepen waarbij geen passagiers of lading worden vervoerd,
- .3 waarbij met betrekking tot de bepalingen van de bovenstaande twee onderdelen, aan de volgende vereisten dient te worden voldaan:
- .1 de schepen zijn uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater;
- .2 al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij ontvangstinrichtingen;
- .2 de Administratie heeft vastgesteld dat in een toereikend aantal havens of laad- of losplaatsen die de schepen aandoen, geschikte ontvangstinrichtingen beschikbaar zijn om dergelijk oliehoudend lenswater in ontvangst te nemen;
- .4 op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie, indien vereist, is aangetekend dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden of dat het ten behoeve van dit voorschrift is aanvaard als hogesnelheidsvaartuig en de dienst is vastgesteld; en
- .5 de hoeveelheid, tijd en de haven van lossen zijn genoteerd in het Oliejournaal Deel I.
Het ontwerp van de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient door de Administratie te zijn goedgekeurd en zodanig te zijn dat het oliegehalte van elk oliehoudend mengsel dat na filtering in zee wordt geloosd niet meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.
De in lid 2 van dit voorschrift genoemde apparatuur voor het filtreren van olie dient te voldoen aan lid 6 van dit voorschrift. De apparatuur dient daarnaast te worden voorzien van een alarmvoorziening die een signaal geeft wanneer dit gehalte niet gehandhaafd kan worden. Het systeem zal tevens worden uitgerust met voorzieningen die waarborgen dat de lozing van oliehoudende mengsels onmiddellijk wordt stopgezet wanneer het oliegehalte van het effluent meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.
DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE
Voorschrift 15. Regeling van het lozen van olie
Overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.
A. Lozingen buiten bijzondere gebieden
Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het schip is onderweg;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van voorschrift 14 van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
- .4 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .5 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
B. Lozingen in bijzondere gebieden
Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het schip vervolgt zijn vaarroute;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van voorschrift 14.7 van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
- .4 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .5 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
Ten aanzien van het Antarctisch gebied is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door welk schip dan ook verboden.
Geen enkele bepaling in dit voorschrift belet een schip dat slechts gedurende een deel van zijn reis door een bijzonder gebied vaart lozingen te verrichten buiten een bijzonder gebied in overeenstemming met lid 2 van dit voorschrift.
C. Vereisten voor schepen met een brutotonnage van minder dan 400 in alle gebieden uitgezonderd het Antarctisch gebied
Bij een schip met een brutotonnage van minder dan 400, dienen olie en oliehoudende mengsels aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven of in zee te worden geloosd in overeenstemming met de volgende voorwaarden:
- .1 het schip is onderweg;
- .2 op het schip wordt met apparatuur gewerkt, waarvan het ontwerp door de Administratie is goedgekeurd, die waarborgt dat het oliegehalte van het onverdunde effluent niet meer bedraagt dan 15 delen per miljoen;
- .3 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .4 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
D. Algemene vereisten
Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip, dienen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijs in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten, om na te gaan of de bepalingen van dit voorschrift zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden gekeken naar de wind en de omstandigheden op zee, de gevolgde koers en snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen die worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
Olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.
Voorschrift 16. Gescheiden houden van olie en waterballast en vervoer van olie in voorpiektanks
Behalve zoals bepaald in het tweede lid van dit voorschrift, dient aan boord van schepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 4000 of meer, geen olietankschepen zijnde, en olietankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, geen ballastwater in een brandstofolietank te worden vervoerd.
Wanneer de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in een brandstofolietank noodzakelijk maakt, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee in overeenstemming met voorschrift 15 van deze Bijlage met gebruikmaking van de uitrusting omschreven in voorschrift 14.2 van deze Bijlage; dit dient te worden aangetekend in het Oliejournaal.
In een schip met een brutotonnage van 400 of meer, waarvoor het bouwcontract is gesloten na 1 januari 1982 of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 1 juli 1982, mag geen olie worden vervoerd in een voorpiektank of een voor het aanvaringsschot gelegen tank.
Alle andere schepen dan die waarop de leden 1 en 3 van dit voorschrift van toepassing zijn, dienen voor zover redelijk en uitvoerbaar te voldoen aan het bepaalde in deze leden.
Voorschrift 17. Oliejournaal Deel I – Werkzaamheden in machineruimten
Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel I (Werkzaamheden in machineruimten). Het Oliejournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Het Oliejournaal Deel I dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
- .1 het ballasten of reinigen van brandstofolietanks;
- .2 het lozen van verontreinigd ballastwater of reinigingswater uit brandstofolietanks;
- .3 het verzamelen en verwijderen van olierestanten (oliedrab en andere olierestanten);
- .4 het overboord lozen of anderszins verwijderen van lenswater dat zich in de machineruimten heeft verzameld; en
- .5 het laden van brandstofolie of smeerolie in bulk.
In het geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 4 van deze Bijlage of in het geval van door ongevallen veroorzaakte of anderszins uitzonderlijke lozingen van olie die niet als uitzondering gelden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel I melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld in het Oliejournaal Deel I en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de officier of officieren, belast met de leiding over de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie hebben, dienen de aantekeningen in het Oliejournaal Deel I ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Elke storing van de apparatuur voor het filtreren van olie dient te worden aangetekend in het Oliejournaal Deel I.
Het Oliejournaal Deel I dient op een plaats te worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip snel beschikbaar is voor inzage en wel, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een tijdvak van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij dit Verdrag heeft het recht het Oliejournaal Deel I te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel I van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van het Oliejournaal Deel I en de vervaardiging van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.
HOOFDSTUK 4. VEREISTEN VOOR HET LADINGGEDEELTE VAN OLIETANKSCHEPEN
DEEL A. BOUW
Voorschrift 18. Gescheiden-ballasttanks
Olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982
-
- Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en dient te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of, indien van toepassing, aan lid 5 van dit voorschrift.
-
- De capaciteit van de gescheiden-ballasttanks dient zodanig te worden bepaald dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen zonder gebruik te hoeven maken van ladingtanks voor ballastwater, behoudens het bepaalde in de leden 3 of 4 van dit voorschrift. In alle gevallen dient de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks echter ten minste zodanig te zijn dat in elke ballasttoestand op elk deel van de reis, met inbegrip van de toestand van ledig gewicht plus uitsluitend gescheiden ballast, de diepgang en trim van het schip aan de volgende voorwaarden voldoen:
- .1 de midscheepse diepgang naar de mal gemeten (md) in meters (zonder rekening te houden met enige vervorming van het schip) dient niet minder te zijn dan:
- dm = 2.0 + 0.02L
- .2 de diepgangen bij de voor- en achterloodlijnen dienen overeen te komen met de loodlijn verkregen door op de midscheepse diepgang (dm) zoals bepaald in lid 2.1 van dit voorschrift, een trim achterover toe te passen van niet meer dan 0,015 L; en
- .3 de diepgang bij de achterloodlijn dient in geen geval minder te zijn dan noodzakelijk is voor de volledige onderdompeling van de schroef (schroeven).
-
- Ballastwater dient in geen geval in ladingtanks te worden vervoerd, behalve: Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in voorschrift 34 van deze Bijlage en er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal Deel II zoals bedoeld in voorschrift 36 van deze Bijlage.
- .1 tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd; en
- .2 in uitzonderingsgevallen wanneer de bijzondere aard van de bedrijfsvoering van een olietankschip het noodzakelijk maakt meer ballastwater te vervoeren dan de ingevolge het tweede lid van dit voorschrift vereiste hoeveelheid, mits deze bedrijfsvoering van het olietankschip behoort tot de categorie van de uitzonderingsgevallen bepaald door de Organisatie.
-
- Wanneer het ruwe-olietankschepen betreft, mag de ingevolge lid 3 van dit voorschrift toegestane extra ballast alleen worden vervoerd in ladingtanks wanneer deze overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 35 van deze Bijlage vóór vertrek uit een loshaven of ligplaats zijn gewassen volgens de ruwe-oliewasmethode.
-
- Niettegenstaande de bepalingen van lid 2 van dit voorschrift dienen de gescheiden-ballasttoestanden van olietankschepen met een lengte van minder dan 150 meter ten genoegen van de Administratie te zijn.
Ruwe-olietankers met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982
-
- Behoudens het bepaalde in lid 7 van dit voorschrift, dient elk olietankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift.
-
- De in lid 6 van dit voorschrift bedoelde ruwe-olietankschepen mogen, in plaats van te zijn voorzien van gescheiden tanks, voor het reinigen van ladingtanks gebruik maken van de ruwe-oliewasmethode overeenkomstig de voorschriften 33 en 35 van deze Bijlage, tenzij het ruwe-olietankschip bestemd is voor het vervoer van ruwe olie die niet geschikt is voor deze methode van wassen.
Productentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982
-
- Elk productentankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift, of, naar keuze, gebruik te maken van de aangewezen schone-ballasttankmethode overeenkomstig de volgende bepalingen:
- .1 Het productentankschip dient voldoende tankcapaciteit te bezitten, uitsluitend bestemd voor het vervoeren van schone ballast als omschreven in voorschrift 1.17 van deze Bijlage, om aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift te voldoen.
- .2 De voorzieningen en werkwijze voor aangewezen schone-ballasttanks dienen te voldoen aan de door de Administratie vastgestelde vereisten. Deze vereisten omvatten ten minste alle bepalingen van de herziene Specificaties voor olietankschepen met aangewezen schone-ballasttanks, door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.495(XII).
- .3 Het productentankschip dient te worden uitgerust met een oliegehaltemeter, goedgekeurd door de Administratie op basis van de door de Organisatie aanbevolen specificaties, die controle van het oliegehalte van hetgeen geloosd wordt mogelijk te maken.
- .4 Op elk productentankschip dat gebruik maakt van aangewezen schone-ballasttanks dient een Handboek aangewezen schone-ballasttanks aanwezig te zijn, waarin het systeem en de werkwijze staan beschreven. Dit Handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en dient alle informatie te bevatten die in de in lid 8.2 van dit voorschrift bedoelde Specificaties is opgenomen. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die van invloed is op het systeem van aangewezen schone-ballasttanks, dient het Handboek dienovereenkomstig te worden aangepast.
Een olietankschip aangemerkt als olietankschip met gescheiden-ballasttanks
-
- Elk olietankschip dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, 6 of 8 van dit voorschrift niet hoeft te worden voorzien van gescheiden-ballasttanks, kan evenwel worden aangemerkt als olietankschip met gescheiden-ballasttanks mits het voldoet aan de vereisten van de leden 2 en 3, of indien van toepassing, aan lid 5 van dit voorschrift.
Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982 met speciale ballastvoorzieningen
-
- Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, met speciale ballastvoorzieningen.
- .1 Wanneer een olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, zodanig is gebouwd of op een zodanige manier wordt gebruikt dat te allen tijde wordt voldaan aan de vereisten van minimum diepgang en trim zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift zonder dat ballastwater gebruikt behoeft te worden, wordt de tanker geacht te voldoen aan de vereisten betreffende gescheiden-ballasttanks genoemd in lid 6 van dit voorschrift, mits aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- .1 de werkwijzen en ballastvoorzieningen zijn goedgekeurd door de Administratie;
- .2 tussen de Administratie en de Regeringen van de havenstaten die Partij zijn bij dit Verdrag is overeenstemming bereikt betreffende de vereisten aangaande de diepgang en de trim die door de werkwijze worden verkregen; en
- .3 op het Internationale certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie dient te zijn aangetekend dat het olietankschip met speciale ballastvoorzieningen vaart.
- .2 Ballastwater dient in geen geval in olietanks te worden vervoerd behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in voorschrift 34 van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage; er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal zoals bedoeld in voorschrift 36 van deze Bijlage.
- .3 Een Administratie die een aantekening op een certificaat maakt overeenkomstig lid 10.1.3 van dit voorschrift dient de bijzonderheden daarvan mede te delen aan de Organisatie ter verspreiding onder de Partijen bij dit Verdrag.
Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979
-
- Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, dienen te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of indien van toepassing lid 5 van dit voorschrift.
Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten
-
- Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten. Op elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en op elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, uitgezonderd de tankschepen die aan voorschrift 19 voldoen, dienen de binnen het ladingtankgedeelte aangebrachte gescheiden-ballasttanks, van de vereiste inhoud die noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de vereisten van lid 2 van dit voorschrift, te zijn geplaatst in overeenstemming met het bepaalde in de leden 13, 14 en 15 van dit voorschrift teneinde een zekere mate van bescherming te bieden tegen het uitstromen van olie ingeval van stranding of aanvaring.
-
- Gescheiden-ballasttanks en ruimten binnen het ladingtankgedeelte (Lt), geen olietanks zijnde, dienen zodanig te zijn geplaatst dat aan de volgende eisen wordt voldaan: waarbij: Waar in dit voorschrift de in dit lid vermelde symbolen voorkomen, hebben zij de betekenis als omschreven in dit lid.
| PAc | = | voor elke gescheiden-ballasttank of -ruimte, geen olietank zijnde, de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
|---|---|---|
| PAs | = | voor elke zodanige tank of ruimte, de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
| Lt | = | lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m, |
| B | = | grootste breedte van het schip in m, als omschreven in voorschrift 1.22 van deze Bijlage, |
| D | = | holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenzijde van de kiel tot de bovenzijde van de balken van het vrijboorddek in de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd dient de holte naar de mal te worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenzijde van de balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant van de spanten. |
| J | = | 0,45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer, behoudens het bepaalde in lid 14 van dit voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van J door lineaire interpolatie te worden bepaald. |
-
- Voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer mag de waarde van J als volgt worden verminderd: waarbij:
| a | = | 0,25 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton, |
|---|---|---|
| a | = | 0,40 voor olietankschepen met een draagvermogen van 300.000 ton, |
| a | = | 0,50 voor olietankschepen met een draagvermogen van 420.000 ton of meer. |
| Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. | Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. | Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. |
| Oc | = | als omschreven in voorschrift 25.1.1 van deze Bijlage, |
| Os | = | als omschreven in voorschrift 25.1.2 van deze Bijlage, |
| OA | = | de toelaatbare uitstroom zoals voorgeschreven in voorschrift 26.2 van deze Bijlage. |
-
- Bij de vaststelling van de waarden van PAc en PAs voor gescheiden-ballasttanks en –ruimten, geen olietanks zijnde, is het volgende van toepassing: De kleinste breedte en hoogte van zijtanks en dubbele-bodemtanks dienen te worden gemeten buiten de kimronding; de kleinste breedte dient, indien bij de overgang van huidbeplating naar dekbeplating een rondgezette plaat wordt toegepast, te worden gemeten buiten het gebied van deze rondgezette plaat.
- .1 de kleinste breedte van elke zijtank of -ruimte die zich over de volle hoogte van de scheepszijde, dan wel van het dek tot de bovenzijde van de dubbele bodem uitstrekt, mag niet minder zijn dan 2 m. De breedte dient binnenboord te worden gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens. Indien de aanwezige breedte geringer is, mag de betreffende zijtank of -ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak PAc niet worden meegerekend; en
- .2 de kleinste hoogte van elke dubbele-bodemtank of -ruimte dient gelijk te zijn aan B/15 of 2 m, naar gelang van welke waarde de kleinste is. Indien de aanwezige hoogte geringer is, mag de betreffende bodemtank of -ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak PAs niet worden meegerekend.
Voorschrift 19. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd op of na 6 juli 1996
Dit voorschrift is als volgt van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.6:
Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dient:
- .1 in plaats van aan de leden 12 tot en met 15 van voorschrift 18, al naar gelang van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 3 van dit voorschrift, tenzij het onder de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit voorschrift valt; en
- .2 indien van toepassing, te voldoen aan de vereisten van voorschrift 28.6.
De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten niet zijnde olietanks:
- .1 Zijtanks of -ruimten Zijtanks of –ruimten dienen zich uit te strekken hetzij over de volle holte van het schip in de zijde of van de bovenzijde van de dubbele bodem tot het bovenste dek, daarbij geen rekening houdend met een rondgezette plaat als overgang van huidbeplating naar dekbeplating. Zij dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens minder dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 1, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven: w = 2,0 m, naar gelang welk getal het kleinst is. De minimum waarde van w = 1,0 m.
- .2 Dubbele-bodemtanks of -ruimten De hoogte van elke dubbele-bodemtank of –ruimte dient op iedere willekeurige dwarsdoorsnede zodanig te zijn dat de afstand h tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 1, niet minder is dan hieronder omschreven: h = B/15 (m) of h = 2,0 m, naar gelang welk getal het kleinst is. De minimum waarde van h = 1,0 m.
- .3 Het gebied van de ronding van de kim of plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim Wanneer de afstanden h en w verschillen, wordt de afstand w aangehouden op niveaus hoger dan 1,5 h boven de basislijn, zoals weergegeven in figuur 1.
- .4 De totale capaciteit van ballasttanks Op ruwe-olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en productentankschepen met een draagvermogen van 30.000 ton of meer, dient de totale capaciteit van de zijtanks, de dubbele-bodemtanks, de voorpiektanks en de achterpiektanks niet minder te zijn dan de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks die nodig is om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage. Zijtanks of –ruimten en dubbele-bodemtanks die worden gebruikt om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 18 dienen zo gelijkmatig als praktisch mogelijk is langs de lengte van het ladingtankgedeelte te zijn geplaatst. Aanvullende capaciteit voor gescheiden ballast ten behoeve van het verminderen van de langsscheepse buigspanningen in de romp, de trim, enz. mag op elke plaats in het schip gesitueerd zijn.
- .5 Zuigputten in ladingtanks Zuigputten in ladingtanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
- .6 Lading- en ballastleidingen Ballastleidingen en andere leidingen, zoals leidingen voor peilingen en ontluchting naar ballasttanks mogen niet door ladingtanks lopen. Ladingleidingen en soortgelijke leidingen naar ladingtanks mogen niet door ballasttanks lopen. Vrijstelling van dit vereiste kan worden verleend voor korte leidinggedeelten, op voorwaarde dat zij geheel zijn gelast of op gelijkwaardige wijze zijn geconstrueerd.
Op dubbele-bodemtanks en –ruimten is het navolgende van toepassing:
- .1 Dubbele-bodemtanks of –ruimten zoals vereist in lid 3.2 van dit voorschrift kunnen achterwege blijven op voorwaarde dat het ontwerp van het tankschip zodanig is dat de druk die door lading en damp wordt uitgeoefend op de vlakbeplating van het schip die de enige scheiding vormt tussen de lading en de zee, niet hoger is dan de hydrostatische waterdruk van buitenaf, zoals weergegeven in de volgende formule: f x hc x ρc x g + p ≤ dn x ρs x g waarbij:
| hc | = | de hoogte van de lading die in aanraking komt met de vlakbeplating in meters | |
|---|---|---|---|
| ρc | = | de maximale ladingdichtheid in kg/m3 | |
| dn | = | minimum diepgang van een schip in bedrijf, onder alle te verwachten beladingstoestanden, in meters | |
| ρs | = | de dichtheid van het zeewater in kg/m3 | |
| p | = | de maximum insteldruk boven de atmosferische druk (overdruk) van de druk/vacuümklep voor de ladingtank in Pa | |
| f | = | veiligheidsfactor = 1,1 | |
| g | = | standaardversnelling van de zwaartekracht (9,81 m/s2) |
- .2 Elke horizontale scheiding die nodig is om aan de bovenstaande vereisten te voldoen, dient te worden geplaatst op een hoogte van niet minder dan B/6 of 6 meter, naar gelang welke het kleinste is, maar niet meer dan 0,6 D boven de basislijn, waarbij D staat voor de holte naar de mal midscheeps gemeten.
- .3 Zijtanks of –ruimten dienen te zijn geplaatst als omschreven lid 3.1, van dit voorschrift, zij het dat onder een niveau van 1,5 h boven de basislijn, waarbij h voldoet aan de omschrijving gegeven in lid 3.2 van dit voorschrift, de grenslijn van de ladingtank verticaal naar beneden kan lopen tot de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 2.
Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 van dit voorschrift gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in beginsel zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elk olietankschip met een draagvermogen van minder dan 5000 ton dient te voldoen aan het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit voorschrift, of dient:
- .1 ten minste te zijn voorzien van dubbele-bodemtanks of –ruimten die een zodanige hoogte hebben dat de afstand h, als omschreven in lid 3.2 van dit voorschrift, voldoet aan de volgende voorwaarde: h = B/15 (m) met een minimum waarde van h = 0,76 m; in het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de ladingtank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals weergegeven in figuur 3; en
- .2 te zijn voorzien van ladingtanks die zodanig zijn geplaatst dat de capaciteit van elke ladingtank niet groter is dan 700 m3, tenzij de zijtanks of -ruimten zijn geplaatst in overeenstemming met lid 3.1 van dit voorschrift, en voldoen aan de volgende voorwaarde:
Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het vlak van kiel en stevens, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat voorschrift zou zijn geplaatst.
Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.
Voorschrift 20. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd voor 6 juli 1996
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit voorschrift:
- .1 van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5 van deze Bijlage; en
- .2 niet van toepassing op olietankschepen die met betrekking tot lid 28.6 voldoen aan voorschrift 19 en voorschrift 28, die zijn opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5 van deze Bijlage; en
- .3 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5 van deze Bijlage, zij het dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan voorschrift 18.15.2 van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder:
- .1 „zware dieselolie”: dieselolie voor de scheepvaart, niet zijnde distillaten die voor meer dan 50 procent van hun volume distilleren bij een temperatuur die niet hoger is dan 340°C, wanneer zij worden getest door middel van een voor de Organisatie aanvaardbare methode;
- .2 „brandstofolie”: zware distillaten of restanten van ruwe olie of mengsels van dergelijke materialen die bestemd zijn voor gebruik als brandstof voor de productie van warmte of vermogen van een kwaliteit die gelijk is aan de voor de Organisatie aanvaardbare specificatie.
-
- Voor de toepassing van dit voorschrift worden olietankschepen onderverdeeld in de volgende categorieën:
- .1 „olietankschepen van categorie 1”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die niet voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4 van deze Bijlage;
- .2 „olietankschepen van categorie 2”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4 van deze Bijlage; en
- .3 „olietankschepen van categorie 3”: olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer, maar minder dan vermeld in de onderdelen 1 of 2 van dit lid.
-
- Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen uiterlijk op 5 april 2005 of op de verjaardatum van hun oplevering op de datum of in het jaar zoals vermeld in de onderstaande tabel, te voldoen aan de vereisten van voorschrift 19, de leden 2 tot en met 5, 7 en 8 en voorschrift 28 met betrekking tot lid 28.6 van deze Bijlage:
| Categorie olietankschepen | Datum of jaar |
|---|---|
| Categorie 1 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982 |
| Categorie 2 en Categorie 3 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978 2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979 2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981 2008 voor schepen opgeleverd in 1982 2009 voor schepen opgeleverd in 1983 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later |
-
- Niettegenstaande de bepalingen van lid 4 van dit voorschrift, kan de Administratie in het geval van olietankschepen van categorie 2 of 3 die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van lid 1.3 van dit voorschrift, toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- .1 de schepen op 1 juli 2001 in gebruik waren;
- .2 ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- .3 de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- .4 de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- Olietankschepen van categorie 2 of 3 die 15 jaar of ouder zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering, dienen te voldoen aan de keuringsregeling scheepvaart aangenomen door de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu bij resolutie MEPC.94(46), als gewijzigd, mits deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- De Administratie kan toestaan dat een olietankschip van categorie 2 of 3 in de vaart blijft na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de keuringsregeling scheepvaart, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, mits dat uiterlijk duurt tot de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015 of de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering, naar gelang van welke datum het eerst bereikt wordt.
- 8.
- .1 De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die de toepassing van lid 5 van dit voorschrift toestaat, of de toepassing van lid 7 van dit voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
- .2 Een Partij bij dit Verdrag heeft het recht de toegang tot onder haar rechtsmacht vallende havens of laad- of losplaatsen buitengaats te weigeren van olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van: In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan voor toezending aan de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming.
- .1 lid 5 van dit voorschrift na de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015; of
- .2 lid 7 van dit voorschrift.
Voorschrift 27. Stabiliteit in onbeschadigde toestand
-
- Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd op of na 1 februari 2002, als omschreven in voorschrift 1.28.7, dient te voldoen aan de criteria voor stabiliteit in onbeschadigde toestand aangegeven in lid 1.1 en 1.2 van dit voorschrift, al naar gelang van toepassing, bij elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang onder de slechtst denkbare omstandigheden bij het laden van lading en ballast, in overeenstemming met de gangbare bedrijfsmatige praktijk, met inbegrip van de tussenfasen van de verplaatsing van vloeistoffen. Onder alle omstandigheden worden de ballasttanks geacht gedeeltelijk gevuld te zijn.
- .1 In de haven mag de aanvangsmetacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, niet minder dan 0,15 m bedragen;
- .2 Op zee zijn de volgende criteria van toepassing:
- .1 het gebied onder de stabiliteitskromme (GZ-curve) dient niet kleiner te zijn dan 0,055 meterradiaal tot een hellingshoek van θ = 30° en niet minder dan 0,09 meterradiaal tot θ = 40° of een andere overstromingshoek θf indien deze hoek kleiner is dan 40°. Voorts dient het gebied onder de stabiliteitskromme (GZ-curve) tussen de hellingshoeke van 30° en 40° of tussen 30° en θf, indien deze hoek kleiner is dan 40°, niet minder te zijn dan 0,03 meterradiaal;
- .2 de stabiliteitsarm GZ dient ten minste 0,20 m te zijn bij een hellingshoek gelijk aan of groter dan 30°;
- .3 de maximum stabiliteitsarm dient op te treden bij een hellingshoek van bij voorkeur meer dan 30° maar niet minder dan 25°; en
- .4 de aanvangsmetacenterhoogte GMo, gecorrigeerd voor vrij vloeistofoppervlak gemeten bij een helling van 0 graden, dient niet minder dan 0,15 m te zijn.
-
- Aan de vereisten van lid 1 dient te worden voldaan door middel van maatregelen ten aanzien van het ontwerp. Voor combinatietankschepen kunnen eenvoudige aanvullende operationele procedures worden toegestaan.
-
- Onder eenvoudige aanvullende operationele procedures voor de verplaatsing van vloeistoffen als bedoeld in lid 2 van dit voorschrift worden verstaan schriftelijke procedures die ter beschikking worden gesteld van de kapitein en die:
- .1 worden goedgekeurd door de Administratie;
- .2 de lading- en ballasttanks aangeven die, onder specifieke omstandigheden bij de verplaatsing van vloeistoffen en mogelijke variaties in ladingsdichtheden, gedeeltelijk gevuld mogen zijn, en het toch mogelijk maken te voldoen aan de stabiliteitscriteria. De gedeeltelijk gevulde tanks kunnen variëren tijdens de verplaatsing van vloeistoffen en in elke combinatie voorkomen mits zij voldoen aan de criteria;
- .3 gemakkelijk te begrijpen zijn voor de officier die verantwoordelijk is voor de verplaatsing van vloeistoffen;
- .4 geschikt zijn voor de geplande opeenvolging van lading- en ballastverplaatsingen;
- .5 vergelijkingen mogelijk maken tussen de bereikte en de vereiste stabiliteit met behulp van stabiliteitsprestatiecriteria in grafische of tabelvorm;
- .6 geen uitgebreide wiskundige berekeningen door de dienstdoende officier vereisen;
- .7 voorzien in corrigerende maatregelen door de dienstdoende officier te verrichten in geval van afwijking van de aanbevolen waarden en in noodsituaties; en
- .8 duidelijk weergegeven worden in het goedgekeurde trim- en stabiliteitsboekje en in het controlestation voor lading- en ballastverplaatsingen en in alle computerprogrammatuur waarmee stabiliteitsberekeningen worden uitgevoerd.
Voorschrift 28. Waterdichte indeling en stabiliteit in beschadigde toestand
Elk olietankschip opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift, 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, dient na de aangenomen schade in de zijde of aan het vlak van het schip, zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift, te voldoen aan de criteria betreffende de waterdichte indeling en stabiliteit van het schip in beschadigde toestand, zoals aangegeven in lid 3 van dit voorschrift. Het voorgaande is van toepassing op elke bedrijfsmatig voorkomende diepgang die voortvloeit uit een gedeeltelijke of volledige belading van het schip in overeenstemming met de toelaatbare trim en sterkte van het schip alsmede uit de soortelijke massa van de lading. De beschadiging dient op alle mogelijke plaatsen over de gehele lengte van het schip als volgt te worden aangenomen:
- .1. bij tankschepen met een lengte van meer dan 225 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip;
- .2. bij tankschepen met een lengte van meer dan 150 meter, maar niet meer dan 225 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip, behalve ter plaatse van de schotten die de in het achterschip gelegen machineruimte begrenzen. De machineruimte dient te worden beschouwd als een afzonderlijke afdeling die kan vollopen; en
- .3. bij tankschepen met een lengte van niet meer dan 150 meter: op elke willekeurige plaats over de gehele lengte van het schip tussen aangrenzende dwarsschotten, met uitzondering van de machineruimte. In het geval van tankschepen met een lengte van 100 meter of minder, waarbij het niet mogelijk is aan alle bepalingen van lid 3 van dit voorschrift te voldoen, zonder daarbij in feite afbreuk te doen aan de bedrijfskenmerken van het schip, kan de Administratie versoepeling van deze bepalingen toestaan.
Ballasttoestanden waarbij het tankschip geen olie, behalve olierestanten, in ladingtanks vervoert, blijven buiten beschouwing.
De volgende bepalingen met betrekking tot de omvang en de aard van de veronderstelde schade zijn van toepassing:
- .1. Schade in de zijde van het schip:
| 1. | Langsscheeps: | 1/3(L ⅔) of 14.5 meter, naar gelang welke getal het kleinst is |
|---|---|---|
| 2. | Dwarsscheeps (binnenboord gemeten vanaf de zijde van het schip loodrecht op het vlak van kiel en stevens, ter hoogte van de zomerlastlijn): | B/5 of 11,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is |
| 3 | Verticaal: | Vanaf de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating op hart schip naar boven, zonder begrenzing |
- .2. Schade aan het vlak van het schip:
| Over 0,3 L vanaf de voorloodlijn van het schip | Elk ander deel van het schip | |||
|---|---|---|---|---|
| 1 | Langsscheeps: | 1/3(L ⅔) of 14,5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is | 1/3(L ⅔) of 5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is | |
| 2 | Dwarsscheeps: | B/6 of 10 meter, naar gelang welk getal het kleinst is | B/6 of 5 meter, naar gelang welk getal het kleinst is | |
| 3 | Verticaal: | B/15 of 6 meter, naar gelang welk getal het kleinst is, gemeten vanaf de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating op hart schip | B/15 of 6 meter, naar gelang welk getal het kleinst is, gemeten vanaf de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating op hart schip |
- .3. Indien een beschadiging van kleinere omvang dan de maximale omvang als bedoeld in lid 2.1 en 2.2 van dit voorschrift een ernstiger situatie ten gevolge heeft, dient een dergelijke beschadiging in aanmerking te worden genomen.
- .4. In gevallen waarin beschadiging aan dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in lid 1.1 en 1.2 van dit voorschrift, dienen waterdichte dwarsschotten, teneinde als doelmatig te kunnen worden beschouwd, te worden geplaatst op een onderlinge afstand die ten minste gelijk is aan de lengte waarover de veronderstelde beschadiging zoals bedoeld in lid 2.1 zich uitstrekt. In gevallen waarin de dwarsschotten op een kleinere onderlinge afstand zijn geplaatst, worden binnen het beschadigde gedeelte een of meer van deze schotten geacht niet aanwezig te zijn bij het vaststellen van afdelingen die kunnen vollopen.
- .5. In gevallen waarin beschadiging tussen aangrenzende waterdichte dwarsschotten wordt verwacht, zoals bedoeld in lid 1.3 van dit voorschrift, wordt aangenomen dat een hoofddwarsschot of een dwarsschot dat de afscheiding vormt tussen zijtanks of dubbele-bodemtanks niet beschadigd is, tenzij:
- .1. de aangrenzende schotten dichter bij elkaar zijn geplaatst dan de lengte waarover de veronderstelde schade zich uitstrekt, zoals bedoeld in lid 2.1; of
- .2. een schot of nis is aangebracht of een schot trapsgewijs verspringt waarbij de lengte van de nis dan wel de afstand van de dwarsvlakken van trapsgewijs verspringende schotten meer bedraagt dan 3,05 m binnen het gebied van de veronderstelde beschadiging. De trapsgewijze verspringing van het achterpiekschot en de top van de achterpiektank worden voor de toepassing van de bepalingen van dit voorschrift niet als zodanig beschouwd.
- .6. Indien zich binnen het gebied van de veronderstelde beschadiging pijpleidingen, kokers of tunnels bevinden, dienen voorzieningen te worden getroffen om te voorkomen dat binnenstromend water via deze kanalen kan doordringen naar andere afdelingen dan die welke in alle gevallen van schade worden verondersteld vol te lopen.
Olietankschepen worden geacht te voldoen aan de criteria betreffende de stabiliteit van het schip in beschadigde toestand, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- .1. De waterlijn in de eindtoestand, rekening houdend met inzinken, hellingshoek en trim, dient niet hoger te zijn dan de onderrand van alle openingen waardoor voortdurend meer water kan binnenstromen. Onder deze openingen worden begrepen luchtpijpen en andere openingen die worden afgesloten door middel van weer- en winddichte deuren en luiken; niet hieronder begrepen zijn mangaten en verzonken stortranden die zijn afgesloten door waterdichte deksels, kleine waterdichte ladingtankdeksels ter handhaving van de hoge mate van waterdichtheid van het dek, op afstand bediende waterdichte schuifdeuren, waterdichte scharnierende toegangsdeuren met open/dichtaanduidingen lokaal en op de brug, van het snelsluitend type of enkel werkend type die normaal op zee gesloten blijven, scharnierende waterdichte deuren die permanent op zee gesloten blijven, alsmede patrijspoorten die niet geopend kunnen worden.
- .2. In de eindtoestand na het vollopen mag de hellingshoek, ten gevolge van onsymmetrisch vollopen, niet groter zijn dan 25°. Indien geen deel van het dek is ondergedompeld kan een hellingshoek van niet meer dan 30° worden aanvaard.
- .3. De stabiliteit in de eindtoestand na het vollopen dient te worden nagegaan en kan als voldoende worden beschouwd indien de kromme van armen van statische stabiliteit een bereik heeft van ten minste 20° voorbij de evenwichtstoestand, tezamen met een overgebleven maximale oprichtende arm van ten minste 0,1 meter binnen het bereik van 20°; het gebied onder de kromme binnen dit bereik mag niet minder zijn dan 0,0175 meterradiaal. Onbeschermde openingen mogen niet binnen dit bereik worden ondergedompeld, tenzij de betrokken ruimte wordt verondersteld vol te lopen. Binnen dit bereik kan het onderdompelen van een van de in lid 3.1 opgesomde openingen en van andere waterdicht afsluitbare openingen worden toegestaan.
- .4. Ten genoegen van de Administratie dient te worden aangetoond dat de stabiliteit tijdens het vollopen steeds voldoende is.
- .5. Met overvloei-inrichtingen waarvoor mechanische hulpmiddelen vereist zijn, zoals afsluiters of vereffeningsleidingen, wordt geen rekening gehouden voor het verminderen van een hellingshoek of het bereiken van het minimum bereik van de reststabiliteit om te voldoen aan de eisen van de leden 3.1, 3.2 en 3.3 en er dient voldoende reststabiliteit te worden gehandhaafd gedurende alle tussenstadia tijdens het overvloeien. Ruimten die zijn verbonden door kokers met een grote doorsnede, kunnen als één ruimte worden beschouwd.
Met berekeningen dient te worden aangetoond dat aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift wordt voldaan. Hierbij moet rekening worden gehouden met de ontwerpeigenschappen van het schip, de indeling, configuratie en inhoud van de beschadigde afdelingen, alsmede met de verdeling, de soortelijke massa’s en de invloed van vrije vloeistofoppervlakken. Bij de berekeningen dient te worden uitgegaan van de volgende aannames:
- .1. Rekening dient te worden gehouden met alle lege of gedeeltelijk gevulde tanks, de soortelijke massa van de vervoerde lading, alsmede met elke uitstroming van vloeistoffen uit beschadigde afdelingen.
- .2. De volgende permeabiliteiten dienen te worden toegepast voor ten gevolge van schade volgelopen ruimtes:
| Ruimten | Permeabiliteit |
|---|---|
| bestemd voor voorraden | 0,60 |
| ingenomen door verblijven | 0,95 |
| ingenomen door machines | 0,85 |
| lege ruimten | 0,95 |
| bestemd voor verbruiksvloeistoffen | 0 tot 0,95 |
| bestemd voor andere vloeistoffen | 0 tot 0,95 |
- .3. Het drijfvermogen van een bovenbouw die zich onmiddellijk boven de beschadigde plaats in de zijde van het schip bevindt, dient buiten beschouwing te worden gelaten. De niet volgelopen gedeelten van de bovenbouwen die buiten het beschadigde gedeelte vallen, kunnen echter wel in de beschouwing worden betrokken, mits zij van het beschadigde gedeelte worden gescheiden door waterdichte schotten en aan de bepalingen van onderdeel .1 van dit voorschrift met betrekking tot deze onbeschadigde ruimten wordt voldaan. In waterdichte schotten binnen de bovenbouw zijn waterdichte scharnierende deuren toelaatbaar.
- .4. De invloed van vrije vloeistofoppervlakken dient voor elke afdeling afzonderlijk te worden berekend bij een hellingshoek van 5°. De Administratie kan eisen dan wel toestaan dat de invloed van vrije vloeistofoppervlakken in gedeeltelijk gevulde tanks wordt berekend bij een hellingshoek van meer dan 5°.
- .5. Bij het berekenen van de invloed van vrije vloeistofoppervlakken van verbruiksvloeistoffen dient te worden aangenomen dat, voor elke soort vloeistof ten minste twee dwarsscheeps naast elkaar gelegen tanks of een middentank een vrij vloeistofoppervlak hebben; rekening dient te worden gehouden met de tank of combinatie van tanks waar de invloed van het vrije vloeistofoppervlak het grootst is.
Aan de kapitein van elk olietankschip en aan de verantwoordelijke persoon van een olietankschip zonder eigen voorstuwing waarop dit voorschrift van toepassing is, dienen goedgekeurde gegevens ter beschikking te worden gesteld die de volgende informatie verschaffen:
- .1. gegevens betreffende het innemen en verdelen van de lading die benodigd zijn om ervoor te zorgen dat aan het bepaalde in dit voorschrift wordt voldaan; en
- .2. gegevens omtrent het vermogen van het schip te voldoen aan de criteria betreffende de stabiliteit van het schip in beschadigde toestand zoals vastgesteld in dit voorschrift, met inbegrip van gegevens betreffende de gevolgen van versoepelingen die eventueel zijn toegestaan ingevolge het bepaalde van lid 1.3 van dit voorschrift.
Alle olietankschepen worden uitgerust met een stabililteitsinstrument waarmee geverifieerd kan worden of voldaan wordt aan de door de Administratie goedgekeurde vereisten voor stabiliteit in beschadigde en onbeschadigde toestand, rekening houdend met de door de Organisatie aanbevolen prestatienormen:
- .1. olietankschepen gebouwd vóór 1 januari 2016 moeten bij het eerste geplande hernieuwde onderzoek van het schip op of na 1 januari 2016 maar uiterlijk op 1 januari 2021 voldoen aan de vereisten van dit voorschrift;
- .2. niettegenstaande de vereisten van subparagraaf .1 hoeft een stabiliteitsinstrument waarmee een olietankschip gebouwd vóór 1 januari 2016 is uitgerust niet te worden vervangen mits ten genoegen van de Administratie met het instrument geverifieerd kan worden of voldaan wordt aan de vereisten voor stabiliteit in beschadigde en onbeschadigde toestand; en
- .3. ten behoeve van de controle ingevolge voorschrift 11 geeft de Administratie een document af ter goedkeuring van het stabiliteitsinstrument.
Voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.6, worden de veronderstellingen met betrekking tot schade voorgeschreven in lid 2.2 van dit voorschrift aangevuld met de volgende aangenomen schade ten gevolge van het aan de grond lopen van het schip:
- .1. langsscheeps:
- .1. schepen met een draagvermogen van 75.000 ton of meer: 0,6 L gemeten vanaf de voorloodlijn van het schip;
- .2. schepen met een draagvermogen van minder dan 75.000 ton: 0,4 L gemeten vanaf de voorloodlijn van het schip;
- .2. dwarsscheeps: B/3 op elke willekeurige plaats op het vlak;
- .3. verticaal: gat in de buitenzijde van de romp.
Voorschrift 29. Sloptanks
-
- Met inachtneming van de bepalingen van voorschrift 3, lid 4, van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer uitgerust te zijn met sloptankvoorzieningen in overeenstemming met de vereisten van de leden 2.1 tot en met 2.3 van dit voorschrift. In olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.1, mag elke ladingtank worden aangewezen als sloptank.
- 2.1. Adequate voorzieningen dienen te zijn getroffen voor het reinigen van de ladingtanks en het overbrengen van verontreinigd ballastwater en tankwaswater van ladingtanks naar een door de Administratie goedgekeurde sloptank.
- 2.2. In dit systeem worden voorzieningen getroffen om het oliehoudend afval naar een sloptank of een combinatie van sloptanks over te brengen op zodanige wijze dat alle effluent die in zee wordt geloosd voldoet aan de bepalingen van voorschrift 34 van deze Bijlage.
- 2.3. De voorzieningen van de sloptank of combinatie van sloptanks dienen over de capaciteit te beschikken die nodig is om het slop afkomstig van tankwaswater, olierestanten en verontreinigde ballastrestanten aan boord te kunnen houden. De totale capaciteit van de sloptank of –tanks mag niet minder bedragen dan 3 percent van de totale hoeveelheid olie die het schip kan laden. De Administratie kan evenwel de volgende percentages aanvaarden:
- .1. 2 percent voor olietankschepen waarbij de tankwasvoorzieningen zodanig zijn dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd;
- .2. 2 percent indien het schip is uitgerust met gescheiden-ballasttanks of toegewezen schone-ballasttanks in overeenstemming met voorschrift 18 van deze Bijlage, of met een systeem voor het wassen van ladingtanks met ruwe olie in overeenstemming met voorschrift 3 van deze Bijlage. Deze capaciteit mag tot 1,5 percent worden teruggebracht bij olietankschepen met zodanige tankwasvoorzieningen dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd; en
-
- 1 percent voor combinatietankschepen waarin de ladingolie uitsluitend in tanks met gladde wanden wordt vervoerd. Deze capaciteit mag tot 0,8 percent worden teruggebracht wanneer de tankwasvoorzieningen zodanig zijn dat wanneer de sloptank of –tanks gevuld zijn met waswater deze hoeveelheid voldoende is voor het wassen van de tank(s) en, wanneer van toepassing, voor het leveren van de aandrijfvloeistof voor ejectoren zonder dat aanvullend water aan het systeem behoeft te worden toegevoegd.
- 2.4. Sloptanks dienen zodanig te zijn ontworpen, met name met betrekking tot de plaatsing van inlaatopeningen, uitlaatopeningen, keerschotten of keringen, wanneer aangebracht, dat excessieve turbulentie en het meevoeren van olie of emulsie met het water wordt voorkomen.
-
- Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, dienen te zijn voorzien van ten minste twee sloptanks.
Voorschrift 30. Inrichtingen voor pompen, pijpleidingen en lozen
-
- Aan boord van elk olietankschip dient op het open dek, aan beide zijden van het schip, een losaansluiting te zijn aangebracht voor afgifte van verontreinigd ballastwater of van door olie verontreinigd water aan ontvangstinrichtingen.
-
- Aan boord van elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dienen pijpleidingen voor het in zee lozen van ballastwater of door olie verontreinigd water uit ladingtankruimten, zoals kan worden toegestaan krachtens voorschrift 34 van deze Bijlage, te worden geleid naar het open dek of naar de zijde van het schip, boven de waterlijn in de ballasttoestand met de grootste diepgang. Andere pijpleidingsystemen die de handelingen mogelijk maken zoals deze zijn toegestaan ingevolge de leden 6.1 tot en met 6.5 van dit voorschrift kunnen aanvaard worden.
-
- Aan boord van olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, dienen voorzieningen te worden getroffen voor het stoppen van de lozing in zee van ballastwater of door olie verontreinigd water uit het ladingtankgedeelte, behalve de lozing onder de waterlijn toegestaan ingevolge lid 6 van dit voorschrift, vanaf een plaats op het bovendek of hoger, op een zodanige plaats dat de gebruikte losaansluiting, zoals bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, en de lozing in zee uit de pijpleidingen zoals bedoeld in lid 2 van dit voorschrift, met het oog waarneembaar zijn. Voor het stoppen van de lozing bij de waarnemingsplaats behoeven geen voorzieningen te zijn aangebracht indien goed werkende communicatieverbindingen, zoals telefoon- of radioverbindingen, beschikbaar zijn tussen de waarnemingsplaats en de bedieningsplaatspositie voor de lozing.
-
- Elk olietankschip opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, dat dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks of te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1 het schip dient te zijn uitgerust met olieleidingen die zodanig zijn ontworpen en aangebracht dat het achterblijven van olie in de leidingen tot een minimum wordt teruggebracht; en
- .2 voorzieningen dienen te zijn getroffen om alle ladingpompen en alle ladingleidingen na afloop van het lossen van de lading af te tappen zo nodig na aansluiting op een nazuigsysteem. De restanten uit de leidingen en de pompen dienen zowel naar de wal als naar een ladingtank of sloptank te kunnen worden overgebracht. Voor afgifte naar de wal dient een aparte leiding met kleine diameter te zijn aangebracht die verbonden is met de walzijde van de afsluiters in de losaansluiting van het schip.
-
- Elk ruwe-olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, dat dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks of te zijn uitgerust met een systeem voor het wassen met ruwe olie, dient te voldoen aan de bepalingen van lid 4.2 van dit voorschrift.
-
- Aan boord van elk olietankschip dient de lozing van ballastwater of door olie verontreinigd water uit het ladinggedeelte boven de waterlijn te geschieden, behalve in de volgende gevallen:
- .1 gescheiden ballast en schone ballast mogen onder de waterlijn worden geloosd: mits het oppervlak van het ballastwater onmiddellijk voorafgaande aan de lozing visueel of op andere wijze is onderzocht teneinde te verzekeren dat er geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden.
- .1 in havens of bij laad- of losplaatsen buitengaats, of
- .2 op zee door het laten aflopen van de tanks, of
- .3 op zee door middel van pompen indien het wisselen van ballastwater wordt uitgevoerd krachtens het bepaalde in voorschrift D-1.1 van het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen,
- .2 Olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.1, die niet in staat zijn zonder aanpassing gescheiden ballast boven de waterlijn te lozen, mogen gescheiden ballast onder de waterlijn op zee lozen, mits het oppervlak van het ballastwater onmiddellijk voorafgaand aan de lozing is onderzocht, teneinde te verzekeren dat er geen verontreiniging met olie heeft plaatsgevonden.
- .3 Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, die gebruik maken van aangewezen schone-ballasttanks, en die niet in staat zijn zonder aanpassing ballastwater uit aangewezen schone-ballasttanks boven de water lijn te lozen, mogen deze ballast onder de waterlijn lozen, mits het lozen van het ballastwater wordt gecontroleerd overeenkomstig voorschrift 18.8.3 van deze Bijlage.
- .4 Aan boord van ieder olietankschip op zee mag verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water uit tanks in het ladinggedeelte anders dan sloptanks, door het laten aflopen van de tanks worden geloosd onder de waterlijn, mits voldoende tijd is verstreken zodat de afscheiding tussen olie en water kan hebben plaatsgevonden en het ballastwater onmiddellijk voor de lozing is onderzocht met een detector voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak zoals bedoeld in voorschrift 32 van deze Bijlage, teneinde te verzekeren dat de hoogte van het scheidingsvlak zodanig is dat de lozing geen verhoogd risico van schade voor het mariene milieu met zich meebrengt.
- .5 Aan boord van olietankschepen opgeleverd op of voor 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.1, op zee mag verontreinigd ballastwater of met olie verontreinigd water uit ladingtankgedeeltes onder de waterlijn wordt geloosd na of in plaats van de lozing volgens de methode bedoeld in lid 6.4, mits
- .1 een deel van de stroom van dergelijk water via vaste leidingen wordt geleid naar een gemakkelijk toegankelijke plaats op het bovendek of hoger, waar deze met het oog waarneembaar is tijdens de lozingswerkzaamheden; en
- .2 deze inrichtingen voor een deel van de stroom voldoen aan de door de Administratie gestelde eisen, die ten minste alle bepalingen dienen te omvatten van de Specificaties voor het ontwerp, de installatie en werking van een deelstroomsysteem voor de regeling van lozingen overboord, aangenomen door de Organisatie.
-
- Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer opgeleverd op of na 1 januari 2010, als omschreven in voorschrift 1.28.8, waar een zeewaterinlaatkast is aangebracht die permanent aangesloten is op het pijpleidingsysteem van het ladinggedeelte, dient uitgerust te zijn met zowel een afsluiter op de zeewaterinlaatkast als een binnenboordscheidingsafsluiter. Naast deze afsluiters dient de zeewaterinlaatkast afgesloten te kunnen worden van het pijpleidingsysteem van het ladinggedeelte tijdens het laden, vervoer of lossen van de lading van het olietankschip, door middel van een doeltreffende inrichting die ten genoegen van de Administratie is. Onder een dergelijke doeltreffende inrichting wordt een voorziening verstaan die in het pijpleidingsysteem is geïnstalleerd teneinde, onder alle omstandigheden, te voorkomen dat het pijpleidinggedeelte tussen de afsluiter op de zeewaterinlaatkast en de binnenboordafsluiter met lading wordt gevuld.
DEEL B. UITRUSTING
Voorschrift 31. Bewakings- en regelsysteem voor olielozingen
Onverminderd het bepaalde in de leden 4 en 5 van voorschrift 3 van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met een door de Administratie goedgekeurd bewakings- en regelsysteem voor olielozingen.
Bij de bestudering van het ontwerp van de oliegehaltemeter die in het systeem dient te worden opgenomen, dient de Administratie rekening te houden met de door de Organisatie aanbevolen specificatie. Het systeem dient te zijn voorzien van apparatuur voor doorlopende registratie van de lozing van olie in liters per zeemijl en de totale hoeveelheid geloosde olie, of het oliegehalte en de hoeveelheid geloosde vloeistof per tijdseenheid. Deze registratie dient de aanduiding van tijd en datum te omvatten en ten minste drie jaar te worden bewaard. Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient in werking te treden zodra er een lozing van effluent in zee plaatsvindt en zodanig te zijn ingericht dat gewaarborgd is dat elke lozing van een oliehoudend mengsel automatisch wordt gestopt zodra de hoeveelheid geloosde olie op enig moment van het lozen groter is dan toegestaan ingevolge voorschrift 34 van deze Bijlage. Bij storingen in het bewakings- en regelsysteem moet de lozing stoppen. In het geval van storing in het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen kan handmatige bediening plaatsvinden, maar de defecte eenheid dient zo snel mogelijk weer in operationele staat te worden gebracht. Indien de autoriteit van de havenstaat zulks toestaat, kan een tankschip met een defect bewakings- en regelsysteem voor olielozingen één reis met ballast ondernemen voordat het een reparatiehaven aandoet.
Het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient te zijn ontworpen en geïnstalleerd met inachtneming van de richtlijnen en specificaties voor bewakings- en regelsystemen voor olielozingen voor olietankschepen, die door de Organisatie zijn uitgewerkt. De Administraties kunnen de specifieke voorzieningen vermeld in de richtlijnen en specificaties, aanvaarden.
De instructies inzake de werking van het systeem dienen in overeenstemming te zijn met een door de Administratie goedgekeurd operationeel handboek. Zij dienen zowel op handbediening als op automatische werking betrekking te hebben en te verzekeren, dat er in geen geval olie wordt geloosd, anders dan in overeenstemming met de voorwaarden omschreven in voorschrift 34 van deze Bijlage.
Voorschrift 32. Detector voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak
Onverminderd de bepalingen van de leden 4 en 5 van voorschrift 3 van deze Bijlage, dienen olietankschepen met een brutotonnage van 150 of meer te zijn uitgerust met doelmatige detectoren voor het vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak, die door de Administratie zijn goedgekeurd voor het snel en accuraat vaststellen van het olie-waterscheidingsvlak in sloptanks en ook beschikbaar te zijn voor gebruik in andere tanks waarin olie en water gescheiden worden en van waaruit directe lozing van effluent in zee beoogd wordt.
Voorschrift 33. Vereisten voor het wassen met ruwe olie
Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer, opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, dient te zijn uitgerust met een ladingtankreinigingssysteem waarbij met ruwe olie wordt gewassen. De Administratie ziet erop toe dat de methode, binnen één jaar nadat het tankschip voor de eerste maal wordt gebruikt voor het vervoer van ruwe olie, of, indien dit tijdstip later valt, aan het einde van de derde reis waarop ruwe olie, geschikt voor de ruwe-oliewasmethode, wordt vervoerd, volledig voldoet aan de vereisten van dit voorschrift.
De installatie voor wassen met ruwe olie met de bijbehorende uitrusting en voorzieningen dient te voldoen aan de vereisten vastgesteld door de Administratie. Deze vereisten dienen ten minste alle voorwaarden te bevatten die zijn vermeld in de door de Organisatie aangenomen Specificaties voor het ontwerp, de werkwijze en de regeling van ruwe-oliewassystemen. Wanneer een schip is uitgerust met apparatuur voor wassen met ruwe olie, maar dit ingevolge lid 1 van dit voorschrift niet verplicht is, dient deze apparatuur te voldoen aan de veiligheidsaspecten van de bovengenoemde Specificaties.
Elk systeem voor wassen met ruwe olie dat vereist is ingevolge voorschrift 18.7 van deze Bijlage dient te voldoen aan de vereisten van dit voorschrift.
DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE
Voorschrift 34. Regeling van het lozen van olie
A. Lozingen buiten bijzondere gebieden uitgezonderd Arctische wateren
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage, en lid 2 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels uit het ladinggedeelte van een olietankschip, verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het tankschip bevindt zich niet in een bijzonder gebied;
- .2 het tankschip bevindt zich meer dan 50 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land;
- .3 het tankschip vervolgt zijn vaarroute;
- .4 de hoeveelheid geloosde olie op enig moment van het lozen bedraagt niet meer dan 30 liter per zeemijl;
- .5 de totale hoeveelheid in zee geloosde olie bedraagt voor tankschepen opgeleverd op of vóór 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.1, niet meer dan 1/15.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte en voor tankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, niet meer dan 1/30.000ste van de totale hoeveelheid van de lading waarvan het restant deel uitmaakte; en
- .6 het tankschip heeft een bewakings- en regelsysteem voor olielozingen in bedrijf en een sloptankvoorziening zoals vereist volgens de voorschriften 29 en 31 van deze Bijlage.
De bepalingen van lid 1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op het lozen van schone ballast of van gescheiden ballast.
B. Lozingen in bijzondere gebieden
Onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit voorschrift is lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels uit het ladinggedeelte van een olietankschip verboden wanneer het schip zich in een bijzonder gebied bevindt.
De bepalingen van lid 3 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op het lozen van schone ballast of van gescheiden ballast.
Niets in dit voorschrift verbiedt een schip, dat slechts tijdens een gedeelte van zijn reis in een bijzonder gebied vaart, buiten dat gebied te lozen overeenkomstig lid 1 van dit voorschrift.
C. Vereisten voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 ton
De vereisten uit de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150, waarbij het lozen van olie krachtens dit voorschrift geregeld wordt door het aan boord houden van olie en latere afgifte van al het verontreinigde tankwaswater bij ontvangstinrichtingen. De totale hoeveelheid olie en water die voor het wassen is gebruikt en in een opslagtank is teruggepompt, dient te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen, tenzij toereikende voorzieningen zijn getroffen om te verzekeren dat elke uitstroming van de vloeistof die in zee mag worden geloosd doelmatig wordt bewaakt, teneinde te verzekeren dat aan de bepalingen van dit voorschrift wordt voldaan.
D. Algemene vereisten
Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip dienen de Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, voor zover zij daar redelijkerwijs toe in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten ter zake teneinde na te gaan of de bepalingen van dit voorschrift zijn overtreden. Bij het onderzoek dienen in het bijzonder in aanmerking te worden genomen de wind en de omstandigheden op zee, de gevolgde koers en de snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
Lozingen in zee mogen geen chemicaliën bevatten of andere stoffen in hoeveelheden of concentraties welke schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen aangewend met het doel de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
De olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van de leden 1 en 3 van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden voor latere afgifte bij ontvangstinrichtingen.
Voorschrift 35. Wassen met ruwe olie
Elk olietankschip dat met ruwe-oliewassystemen werkt, dient een handboek aan boord te hebben waarin het systeem en de uitrusting beschreven staan en waarin de operationele procedures uiteen worden gezet. Dit handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en alle informatie te bevatten die is opgenomen in de Specificaties genoemd in lid 2 van voorschrift 33 van deze Bijlage. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die van invloed is op het systeem voor het wassen met ruwe olie dient het handboek dienovereenkomstig te worden aangepast.
Voor het ballasten van ladingtanks dienen voldoende ladingtanks met ruwe olie te zijn gewassen alvorens de ballastreis aanvangt zodat, rekening houdend met het vaarschema van het tankschip en de te verwachten weersomstandigheden, ballastwater alleen in ladingtanks wordt gepompt die met ruwe olie zijn gewassen.
Tenzij een olietankschip ruwe olie vervoert die niet geschikt is voor de ruwe-oliewasmethode, dient het olietankschip de methode toe te passen in overeenstemming met het handboek.
Voorschrift 36. Oliejournaal Deel II – Lading- en ballasthandelingen
Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel II (Lading- en ballasthandelingen). Het Oliejournaal Deel II, hetzij als onderdeel van het scheepslogboek, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Het Oliejournaal Deel II dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende lading- en/of ballasthandelingen aan boord plaatsvindt:
- .1 laden van olie;
- .2 overbrengen van olie van de ene tank naar de andere gedurende de reis;
- .3 lossen van olie;
- .4 ballasten van ladingtanks en aangewezen schone-ballasttanks;
- .5 reinigen van ladingtanks met inbegrip van het wassen met ruwe olie;
- .6 lozen van ballast, behalve vanuit gescheiden-ballasttanks;
- .7 lozen van water uit sloptanks;
- .8 sluiten van alle desbetreffende afsluiters of soortgelijke middelen na het lozen uit sloptanks;
- .9 sluiten van afsluiters ten behoeve van het afsluiten van aangewezen schone-ballasttanks van de lading- en nazuigleidingen na het lozen uit sloptanks; en
- .10 verwijderen van restanten.
Voor de in voorschrift 34.6 van deze Bijlage bedoelde olietankschepen dient de totale hoeveelheid olie en waswater, na gebruik teruggepompt in een opslagtank, te worden vermeld in het Oliejournaal Deel II.
In geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 4 van deze Bijlage of in geval van door ongevallen veroorzaakte lozingen of andere uitzonderlijke lozingen van olie die niet uitgezonderd worden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel II melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig in het Oliejournaal Deel II te worden vermeld, en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de voor de desbetreffende handelingen verantwoordelijke officier of officieren, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het Oliejournaal Deel II dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Elke storing in het bewakings- en regelsysteem voor olielozingen dient te worden aangetekend in het Oliejournaal Deel II.
Het Oliejournaal dient op een plaats te worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip onmiddellijk beschikbaar is voor inzage en wel, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
De bevoegde autoriteit van de Regering van een Partij bij het Verdrag kan het Oliejournaal Deel II controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel II van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een Oliejournaal Deel II en het maken van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.
Voor olietankschepen met een brutotonnage van minder dan 150 die worden gebruikt overeenkomstig voorschrift 34.6 van deze Bijlage dient door de Administratie een passend Oliejournaal te worden uitgewerkt.
HOOFDSTUK 5. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING VOORTVLOEIEND UIT VOORVALLEN VAN VERONTREINIGING DOOR OLIE
Voorschrift 37. Scheepsnoodplan voor olieverontreiniging
-
- Ieder olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en ieder ander schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor olieverontreiniging aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en zijn gesteld in de werktaal van de kapitein en de officieren. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van olieverontreiniging, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van olieverontreiniging;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van olie als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie voor de aan boord te nemen maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop tevens voorschrift 17 van Bijlage II bij dit Verdrag van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen, vereist ingevolge voorschrift 17 van Bijlage II bij dit Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
-
- Alle olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer dienen direct toegang te hebben tot computerprogrammatuur aan wal voor de berekening van de lekstabiliteit en van de resterende sterkte van de scheepsromp.
HOOFDSTUK 6. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 38. Ontvangstinrichtingen
A. Ontvangstinrichtingen buiten de bijzondere gebieden
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe de aanleg te verzekeren van inrichtingen bij olielaadplaatsen, in reparatiehavens, alsmede in andere havens waar schepen olierestanten wensen te lozen, bestemd voor de ontvangst van die restanten en oliehoudende mengsels welke achterblijven voor afgifte door olietankschepen en andere schepen en toereikend om te voldoen aan de behoefte van de schepen die er gebruik van maken, zonder onnodig oponthoud van deze schepen te veroorzaken.
-
- De ontvangstinrichtingen zoals bedoeld in lid 1 van dit voorschrift dienen te worden aangelegd in:
- .1 alle havens en laad- of losplaatsen waar ruwe olie in olietankschepen wordt geladen, wanneer deze tankschepen onmiddellijk voor hun aankomst een reis in ballast hebben gemaakt van niet langer dan 72 uur of niet meer dan 1200 zeemijlen;
- .2 alle havens en laad- of losplaatsen waar olie, geen ruwe olie zijnde, in bulk wordt geladen met een gemiddelde hoeveelheid van meer dan 1000 ton per dag;
- .3 alle havens waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het reinigen van tanks gevestigd zijn;
- .4 alle havens en laad- of losplaatsen waar schepen worden afgehandeld die zijn voorzien van de tank(s) voor olierestanten (oliedrab) zoals vereist krachtens voorschrift 12 van deze Bijlage;
- .5 alle havens, ten behoeve van de ontvangst van oliehoudend lenswater en overige restanten, die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de voorschriften 15 en 34 van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code; en
- .6 alle laadhavens voor bulkladingen ten behoeve van de ontvangst van restanten uit combinatietankschepen, die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig voorschrift 34 van deze Bijlage.
-
- Voor de capaciteit ten aanzien van de ontvangstinrichtingen is het volgende bepalend:
- .1 Laadplaatsen voor ruwe olie dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 34.1 van deze Bijlage, door alle olietankschepen op reizen zoals beschreven in lid 2.1 van dit voorschrift.
- .2 De laadhavens en laad- of losplaatsen bedoeld in paragraaf 2.2 van dit voorschrift dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van olie en oliehoudende mengsels die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 34.1 van deze Bijlage, door olietankschepen die andere olie dan ruwe olie in bulk laden.
- .3 Alle havens, waar scheepsreparatiewerven of inrichtingen voor het reinigen van tanks gevestigd zijn, dienen te zijn voorzien van voldoende inrichtingen voor de ontvangst van alle restanten en oliehoudende mengsels die zich aan boord bevinden voor afgifte door schepen voordat zij bij deze werven of inrichtingen aankomen.
- .4 Alle inrichtingen die ingevolge paragraaf 2.4 van dit voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van alle restanten, die overeenkomstig voorschrift 12 van deze Bijlage aan boord zijn gehouden van alle schepen die redelijkerwijze kunnen worden geacht deze havens en laad- of losplaatsen aan te doen.
- .5 Alle inrichtingen die ingevolge dit voorschrift in havens en laad- of losplaatsen zijn aangelegd, dienen toereikend te zijn voor de ontvangst van oliehoudend lenswater en andere restanten die niet geloosd kunnen worden overeenkomstig voorschrift 15 van deze Bijlage en paragraaf 1.1.1 van deel II-A van de Polar Code.
- .6 De inrichtingen die in laadhavens voor bulkladingen zijn aangelegd, dienen naar behoren te worden afgestemd op de speciale problemen van combinatietankschepen.
- 3bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1 tot en met 3 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
B. Ontvangstinrichtingen binnen de bijzondere gebieden
-
- De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1 tot en met 3 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 4bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 4 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag onder wier rechtsmacht ondiepe toegangen tot scheepvaartroutes vallen welke een vermindering van diepgang door middel van het lozen van ballast zouden vereisen, draagt zorg voor inrichtingen bedoeld in lid 4 van dit voorschrift, met dien verstande evenwel dat schepen die verontreinigd tankwas- of ballastwater moeten lozen enig oponthoud kunnen ondervinden.
-
- De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de vijfde paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- Onverminderd de leden 4, 5 en 6 van dit voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- .1 De Regering van elke Partij bij dit Verdrag uit wier haven schepen vertrekken op weg naar, of aankomen vanuit het Antarctisch gebied, verplichten zich ertoe zodra praktisch uitvoerbaar toereikende inrichtingen aan te leggen voor de ontvangst van alle olierestanten (oliedrab), vuile ballast, tankwaswater, en andere oliehoudende restanten en mengsels van alle schepen, zonder onnodig oponthoud te veroorzaken en overeenkomstig de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- .2 De Regering van elke Partij bij dit Verdrag ziet erop toe dat alle schepen die gerechtigd zijn onder haar vlag te varen, voordat deze het Antarctisch gebied binnenvaren, zijn uitgerust met een of meerdere tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het bewaren van alle oliedrab, vuile ballast, tankwaswater en andere oliehoudende restanten en mengsels en dat deze schepen voorzieningen hebben getroffen om deze oliehoudende restanten bij een ontvangstinrichting af te geven nadat zij het gebied verlaten.
C. Algemene vereisten
-
- Elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen die ingevolge de bepalingen van dit voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, waarna de Organisatie de betrokken Partijen op de hoogte stelt.
HOOFDSTUK 7. BIJZONDERE VEREISTEN VOOR VASTE OF DRIJVENDE PLATFORMS
Voorschrift 39. Bijzondere vereisten voor vaste of drijvende platforms
-
- Dit voorschrift is van toepassing op vaste of drijvende platforms, met inbegrip van boorinstallaties, drijvende productie-, opslag- en overslageenheden (FPSO’s) die buitengaats worden gebruikt voor de productie en opslag van olie, en drijvende opslageenheden (FSU’s) die worden gebruikt voor de opslag buitengaats van geproduceerde olie.
-
- Vaste of drijvende platforms, buitengaats gebezigd voor exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, en andere platforms, dienen te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage die van toepassing zijn op schepen, geen olietankschepen zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, met dien verstande dat:
- .1 zij, voor zover praktisch uitvoerbaar, dienen te zijn uitgerust met de voorzieningen vereist in de voorschriften 12 en 14 van deze Bijlage;
- .2 zij een registratie, volgens een door de Administratie goedgekeurd model, dienen bij te houden van alle handelingen waarbij lozingen van olie of oliehoudende mengsels plaatsvinden; en
- .3 overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 4 van deze Bijlage, het lozen in zee van olie of oliehoudende mengsels verboden is, tenzij het oliegehalte van de geloosde vloeistof zonder verdunning niet hoger is dan 15 delen per miljoen.
-
- Bij het controleren van de naleving van deze Bijlage ten aanzien van platforms die als als FPSO of FSU zijn ingericht, dienen de Administraties, behalve met de vereisten van lid 2, rekening te houden met de door de Organisatie opgestelde Richtlijnen.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
HOOFDSTUK 10. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DIT VERDRAG
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. De in lid 2, punt 1, bedoelde erkende organisatie moet de richtsnoeren naleven die de Organisatie heeft aangenomen bij resolutie A.739(18) eventueel als gewijzigd door de Organisatie, en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen specificaties, eventueel als gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag betreffende de procedure voor wijziging die van toepassing is op deze Bijlage.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in aanhangsel 2 bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
-
- De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van voorschrift 13 met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- 1.1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als de zee verontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
- 1.2. Richtlijnen voor de identificatie van schadelijke stoffen in verpakte vorm worden gegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage.
- 1.3. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage., de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks ten einde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.*Verwezen wordt naar de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.716(17) zoals deze is of zal worden gewijzigd door de Maritieme Veiligheidscommissie.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen ten einde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een de zee verontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.
De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenkant van de verpakking.
Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.*Verwezen wordt naar de specifieke vrijstellingen bepaald in de Internationale Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code).
Voorschrift 4. Begeleidende papieren**De verwijzing naar „begeleidende papieren” in dit voorschrift sluit niet het gebruik uit van technieken voor toezending via elektronische gegevensverwerking (EDP) en elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) ter ondersteuning van de gegevens op papier.
In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „DE ZEE VERONTREINIGENDE STOF”.
De door de verlader verstrekte verzendpapieren dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de ten vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of manifest te beschikken die c.q. dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke bijzondere lijst of manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger, totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Een exemplaar van een van deze documenten dient voor vertrek ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijker stoffen. Ingeval documenten zijn gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.
Voorschrift 5. Stuwage
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient goede aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 6. MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN HET TOEZICHT DOOR HAVENSTATEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
-
- Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1 de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2 het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
- .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
- .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
-
- Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
-
- Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „bijzonder gebied”, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, aanneming van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door sanitair afval nodig is; Deze bijzondere gebieden zijn:
- .1. het Oostzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I; en
- .2. elk ander zeegebied dat door de Organisatie is aangewezen overeenkomstig de criteria en procedures voor de aanwijzing van bijzondere gebieden met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval van schepen.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „een passagier”, iedere persoon anders dan:
- .1. de kapitein en de leden van de bemanning of andere personen die, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst of te werk zijn gesteld ten behoeve van dat schip; en
- .2. een kind jonger dan één jaar.
-
- „een passagiersschip”, een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Voor de toepassing van voorschrift 11.3 wordt onder een „nieuw passagiersschip” verstaan een passagiersschip: Een „bestaand passagiersschip” is een passagiersschip dat geen nieuw passagiersschip is.
- .1. waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juni 2019; of
- .2. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juni 2021.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
-
- „Audit”, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- „Auditprogramma”, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- „Implementatiecode”, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- „Auditnorm”, de Implementatiecode.
-
- Onbemande lichter zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichter), een lichter die:
- .1. niet met mechanische middelen wordt voortgestuwd;
- .2. geen personen of levende dieren aan boord heeft;
- .3. niet gebruikt wordt voor het opslaan van sanitair afval tijdens het vervoer; en
- .4. geen voorzieningen heeft die sanitair afval, zoals omschreven in voorschrift 1.3 van deze Bijlage, kunnen produceren.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage en sectie 4.2 van hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
-
- De Administratie kan een onbemande lichter zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichter) vrijstelling verlenen van de vereisten van voorschriften 4.1 en 5.1 van deze Bijlage door middel van een Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichters) betreffende het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval, voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar mits de UNSP-lichter aan een onderzoek is onderworpen om te bevestigen dat aan de in voorschriften 1.16.1 tot en met 1.16.4 van deze Bijlage bedoelde vereisten is voldaan.
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
HOOFDSTUK II. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN BEHEERSING
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of goedkeuring van een certificaat door een andere Regering
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval of Certificaat van vrijstelling voor UNSP-lichters afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het Aanhangsel 1 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat van vrijstelling voor onbemande lichters zonder eigen voortstuwing (UNSP-lichters) betreffende het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel II bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
-
- In afwijking van het eerste lid dient ieder passagiersschip dat, in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, en waarop voorschrift 11.3 van toepassing is wanneer het zich in een bijzonder gebied bevindt, te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1. een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2. een verzameltank met naar tevredenheid van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient naar tevredenheid van de Administratie te zijn en een voorziening hebben om zichtbaar het niveau van de inhoud aan te geven.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of sanitair afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip onderweg is met een snelheid van niet minder dan 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2. het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft, die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent geen zichtbare drijvende vaste deeltjes veroorzaakt noch verkleuring van het omringende water.
Het bepaalde in paragraaf 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:
- .1. voor nieuwe passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge voorschrift 13.2 van deze Bijlage, maar in geen geval eerder dan 1 juni 2019; en
- .2. voor bestaande passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge voorschrift 13.2 van deze Bijlage, maar in geen geval eerder dan 1 juni 2021, behalve wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: het schip heeft een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik die door de Administratie gecertificeerd is teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.2.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent veroorzaakt geen zichtbare drijvende vaste deeltjes noch verkleuring van het omringende water.
Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere Bijlagen van MARPOL van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- 1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden
Elke partij waarvan de kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat:
- .1. voorzien wordt in inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval in havens en laad- en losplaatsen in een bijzonder gebied die door passagiersschepen worden gebruikt;
- .2. de inrichtingen toereikend zijn voor de behoeften van deze passagiersschepen; en
- .3. de inrichtingen zodanig worden geëxploiteerd dat zij geen onnodig oponthoud van deze passagiersschepen veroorzaken.
De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 11.3 ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.
Voorschrift 14. Zwaveloxiden (SOx)
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan 4,5 % per m/m.
Het mondiale gemiddelde van het zwavelgehalte van stookolie geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Vereisten binnen de beheersgebieden voor SOx-emissie
Voor de toepassing van dit Voorschrift, omvatten de beheersgebieden voor SOx-emissie:x-emissie:
- a. het Baltische-Zeegebied zoals omschreven in Voorschrift 10, eerste lid, letter b) van Bijlage I; het gebied van de Noordzee zoals omschreven in Voorschrift 5, eerste lid, onderdeel f, van Bijlage V; en
- b. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden, aangewezen door de Organisatie in overeenstemming met criteria en procedures voor de aanwijzing van beheersgebieden voor SOx-emissie met betrekking tot de voorkoming van luchtverontreiniging door schepen vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen zich in een beheersgebied voor SOx-emissie bevinden, dient aan ten minste één van de volgende voorwaarden te worden voldaan:x-emissie bevinden, dient aan ten minste één van de volgende voorwaarden te worden voldaan:
- a. Het zwavelgehalte van brandstofolie gebruikt aan boord van schepen in een beheersgebied voor SOx-emissie mag niet hoger zijn dan 1,5% per m/m;
- b. er wordt een uitlaatgasreinigingssysteem, goedgekeurd door de Administratie rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen, toegepast teneinde de totale emissie van zwaveloxiden door schepen te beperken, met inbegrip van zowel hulp- als hoofdvoortstuwingsmotoren, tot 6,0 g SOx/kWh of lager, berekend als het totale gewicht van de zwaveldioxide-emissie. Afvalstromen van het gebruik van dergelijke uitrusting worden niet geloosd in geheel of gedeeltelijk omsloten havens, havenbekkens en estuaria, tenzij door het schip volledig kan worden aangetoond dat dergelijke afvalstromen geen nadelige invloed hebben op de ecosystemen van deze geheel of gedeeltelijk omsloten havens, havenbekkens en estuaria, op basis van criteria die de autoriteiten van de Havenstaat aan de Organisatie hebben doen toekomen. De Organisatie zendt de criteria aan alle Partijen bij het Verdrag; of
- c. andere technische methoden die verifieerbaar zijn en gehandhaafd kunnen worden teneinde de SOx-emissies te beperken tot een niveau gelijk aan hetgeen beschreven is in letter b) worden toegepast. Deze methoden dienen te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste lid en in het vierde lid, letter a) van dit Voorschrift wordt aangetoond door de leverancier zoals vereist in Voorschrift 18 van deze Bijlage.
De schepen die verschillende soorten brandstofolie gebruiken teneinde te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, letter a) van dit Voorschrift, dienen voldoende tijd te nemen om alle brandstof met een zwavelgehalte van meer dan 1,5% m/m uit het bedrijfsbrandstofsysteem te spoelen alvorens een beheersgebied voor SOx-emissie binnen te varen. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte (minder dan of gelijk aan 1,5%) in iedere tank alsmede de datum, het tijdstip en de positie van het schip ten tijde van de overschakeling van de ene op de andere brandstof dienen te worden opgetekend in een door de Administratie voorgeschreven logboek.x-emissie binnen te varen. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte (minder dan of gelijk aan 1,5%) in iedere tank alsmede de datum, het tijdstip en de positie van het schip ten tijde van de overschakeling van de ene op de andere brandstof dienen te worden opgetekend in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk volgend op de inwerkingtreding van dit Protocol, of van een wijziging van dit Protocol waarin een specifiek beheersgebied voor SOx-emissie wordt aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift, zijn schepen die een beheersgebied voor SOx-emissie binnenvaren als bedoeld in het derde lid, letter a), van dit Voorschrift of aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit Voorschrift en van de vereisten van het vijfde lid van dit Voorschrift voorzover deze betrekking hebben op het vierde lid, letter a), van dit Voorschrift.x-emissie wordt aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift, zijn schepen die een beheersgebied voor SOx-emissie binnenvaren als bedoeld in het derde lid, letter a), van dit Voorschrift of aangewezen krachtens het derde lid, letter b), van dit Voorschrift vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit Voorschrift en van de vereisten van het vijfde lid van dit Voorschrift voorzover deze betrekking hebben op het vierde lid, letter a), van dit Voorschrift.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen
Indien de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) door tankschepen gereglementeerd moeten worden in havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij bij het Protocol van 1997, worden zij gereglementeerd in overeenstemming met de bepalingen van dit Voorschrift.
Een Partij bij het Protocol van 1997 die havens of laad- of losplaatsen onder haar rechtsmacht aanwijst waarin VOS-emissies moeten worden gereglementeerd, dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reglementeren tankers, inzake ladingen waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop de reglementering in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
De Regering van elke Partij bij het Protocol van 1997 die havens of laad- of losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies door tankschepen moeten worden gereglementeerd, verzekert dat dampemissiebeheersingssystemen, door die Regering goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- of losplaatsen, en veilig worden gebruikt op een wijze waardoor onnodig oponthoud van het schip wordt voorkomen.
De Organisatie verspreidt ter kennisgeving een lijst van de door de Partijen bij het Protocol van 1997 aangewezen havens en laad- of losplaatsen onder de andere Partijen bij het Protocol van 1997 en de Lidstaten van de Organisatie.
Alle tankschepen die onderworpen zijn aan dampemissiebeheersing in overeenstemming met de bepalingen van het tweede lid van dit Voorschrift dienen te worden voorzien van een door de Administratie goedgekeurd dampopvangsysteem, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde veiligheidsnormen, en dit systeem te gebruiken tijdens het laden van dergelijke ladingen. Laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit Voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Dit Voorschrift is alleen van toepassing op gastankers wanneer het type laad- en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van vluchtige organische stoffen anders dan methaan mogelijk maken.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vijfde lid is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
2.
- a. Behalve zoals bepaald in letter b) van dit lid, dient op of na 1 januari 2000 iedere aan boord van een schip geïnstalleerde verbrandingsinstallatie te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord.
- b. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van letter a) van dit Voorschrift toestaan op elke verbrandingsinstallatie die is geïnstalleerd aan boord van een schip voor de datum van inwerkingtreding van het Protocol van 1997, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Geen enkele bepaling in dit Voorschrift doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en ander stoffen, 1972, zoals gewijzigd en het Protocol van 1996 daarbij.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- a. ladingresiduen zoals bedoeld in de Bijlagen I, II en III van dit Verdrag en bijbehorende verontreinigde verpakkingsmaterialen;
- b. polychloorbifenylen (PCB's);
- c. vuilnis, als omschreven in Bijlage V van dit Verdrag, dat meer dan sporen van zware metalen bevat; en
- d. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten.
Verbranding aan boord van sanitair afval en oliehoudend afval ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC's) is verboden, uitgezonderd in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Alle schepen met verbrandingsinstallaties die onder dit Voorschrift vallen dienen een bedieningshandleiding van de fabrikant te bezitten, waarin aangegeven wordt hoe de verbrandingsinstallatie moet worden bediend binnen de grenzen beschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage.
Het personeel dat verantwoordelijk is voor de bediening van een verbrandingsinstallatie dient te zijn opgeleid en in staat te zijn de aanwijzingen in de bedieningshandleiding van de fabrikant uit te voeren.
De uitlaatgastemperatuur van de verbrandingsgassen dient te allen tijde te worden bewaakt en er mag geen afval in een verbrandingsinstallatie aan boord met doorlopende toevoer worden gevoerd, wanneer de temperatuur lager is dan de minimaal toegestane temperatuur van 850°C. Van verbrandingsinstallaties aan boord met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de temperatuur in de verbrandingskamer binnen vijf minuten na het in bedrijf stellen, stijgt tot 600°C.
Geen enkele bepaling uit dit Voorschrift vormt een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit Voorschrift of aan strengere vereisten.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
De Regering van elke Partij bij het Protocol van 1997 verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- a. behoeften van schepen die gebruik maken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van de ozonlaag aantastende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- b. behoeften van schepen die gebruik maken van haar havens, laad- of losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingen uit een goedgekeurd uitlaatgasreinigingssysteem indien lozing in het mariene milieu van deze residuen niet is toegestaan op grond van Voorschrift 14 van deze Bijlage; zonder aan schepen onnodig oponthoud te veroorzaken, en
- c. behoeften op het gebied van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van de ozonlaag aantastende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
Elke Partij bij het Protocol van 1997 stelt de Organisatie ter mededeling aan de Leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende inrichtingen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Brandstofoliekwaliteit
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- a. behalve als bepaald in letter b):
- i. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- ii. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten;
- iii. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
-
- de veiligheid van schepen in gevaar brengt of nadelige gevolgen heeft voor de prestatie van de machines, of
-
- schadelijk is voor het personeel, of
-
- in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging; en
- b. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie dient
- i. het zwavelgehalte vermeld in Voorschrift 14 van deze Bijlage niet te overschrijden;
- ii. er niet toe te leiden dat een motor de NOx-emissiegrenzen vermeld in Voorschrift 13, derde lid, letter a), van deze Bijlage overschrijdt;
- iii. geen anorganisch zuur te bevatten; en
- iv.
-
- de veiligheid van schepen niet in gevaar te brengen en de prestaties van de machines niet nadelig te beïnvloeden, of
-
- niet schadelijk te zijn voor het personeel, of
-
- in het algemeen niet bij te dragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit Voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de Voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
- a. De bevoegde autoriteit van de Regering van een Partij bij het Protocol van 1997 kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is controleren, terwijl het schip zich in haar haven of laad- of losplaats buitengaats bevindt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
- b. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van waarheidsgetrouwe afschriften door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
De bunkerafleveringsbon dient vergezeld te gaan van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
De partijen bij het Protocol van 1997 verbinden zich ertoe ervoor zorg te dragen dat door hen aangewezen autoriteiten:
- a. een register voeren van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- b. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij de bunkerafleveringsbon en het monster overleggen als vereist in dit Voorschrift, en gewaarmerkt door de brandstofolieleverancier dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de Voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- c. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon bewaren gedurende ten minste drie jaar voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- d. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- e. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van Voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- f. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen bij het Protocol van 1997 informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in Voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage.
In verband met de havenstaatinspecties die door de Partijen bij het Protocol van 1997 worden uitgevoerd, verbinden de Partijen er zich voorts toe:
- a. de Partij of een staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- b. te verzekeren dat passende correctieve maatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voorschrift 19. Eisen voor platforms en olieboorinstallaties
Met inachtneming van de bepalingen van het tweede en derde lid van dit Voorschrift dienen vaste en drijvende platforms en boorinstallaties te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Emissies die direct voortvloeien uit de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem, zijn overeenkomstig artikel 2, derde lid, letter b, onder ii., van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten de volgende:
- a. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis en/of boorspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte.
- b. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- c. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- d. emissies van dieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de opsporing, winning en bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
De vereisten van Voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 13. Standaardaansluiting voor afgifte
Teneinde leidingen van de ontvangstinrichtingen te kunnen aansluiten op de scheepspijpleiding voor de afgifte van restanten afkomstig van machinekamerlensruimten en van tanks voor olierestanten (oliedrab), dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel:
| Omschrijving | Afmeting |
|---|---|
| Uitwendige flensdiameter | 215 mm |
| Inwendige flensdiameter | Overeenkomstig de uitwendige diameter van de pijp |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 183 mm |
| Boutgaten | 6 gaten van 22 mm diameter, aangebracht op onderling gelijke afstanden op een steekcirkel van bovengenoemde diameter met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 22 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 20 mm |
| Bouten en moeren: aantal, diameter | 6, elk met een diameter van 20 mm en van voldoende lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 125 mm en dient van staal of ander gelijkwaardig materiaal te zijn met een vlakke voorzijde. Deze flens, tezamen met een geschikte pakking van oliebestendig materiaal, dient geschikt te zijn voor een werkdruk van 600 kPa. |
DEEL B. UITRUSTING
Voorschrift 14. Apparatuur voor het filtreren van olie
Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 400 of meer maar ten hoogste 10.000 te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 6 van dit voorschrift. Een dergelijk schip dat in overeenstemming met voorschrift 16.2 ballastwater dat in brandstofolietanks aan boord wordt gehouden in zee mag lozen, dient aan lid 2 van dit voorschrift te voldoen.
Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift dient elk schip met een brutotonnage van 10.000 of meer te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan lid 7 van dit voorschrift.
Schepen zoals hotelschepen, opslagschepen, etc. die stilliggen, behoudens verplaatsingen van deze schepen waarbij geen lading wordt vervoerd, hoeven niet te worden uitgerust met apparatuur voor het filtreren van olie. Dergelijke schepen worden uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater. Al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij de ontvangstinrichtingen.
De Administratie waarborgt dat schepen met een brutotonnage van minder dan 400 zijn uitgerust, voor zover praktisch uitvoerbaar, met voorzieningen om olie of oliehoudende mengsels aan boord te houden of deze overeenkomstig de vereisten van voorschrift 15.6 van deze Bijlage te lozen.
De Administratie kan ontheffing van de vereisten van de leden 1 en 2 van dit voorschrift verlenen:
- .1 voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen bijzondere gebieden of Arctische wateren, of
- .2 voor schepen die gecertificeerd zijn krachtens de internationale veiligheidscode voor hogesnelheidsvaartuigen (of die anderszins wat betreft omvang en ontwerp onder de reikwijdte van deze code vallen) die lijndiensten verrichten waarbij de heen- en terugreis in totaal niet meer dan 24 uur in beslag nemen, daaronder begrepen verplaatsingen van deze schepen waarbij geen passagiers of lading worden vervoerd,
- .3 waarbij met betrekking tot de bepalingen van de bovenstaande twee onderdelen, aan de volgende vereisten dient te worden voldaan:
- .1 de schepen zijn uitgerust met een verzameltank die, ten genoegen van de Administratie, toereikend is voor het volledig aan boord houden van oliehoudend lenswater;
- .2 al het oliehoudend lenswater wordt aan boord gehouden om naderhand te worden afgegeven bij ontvangstinrichtingen;
- .2 de Administratie heeft vastgesteld dat in een toereikend aantal havens of laad- of losplaatsen die de schepen aandoen, geschikte ontvangstinrichtingen beschikbaar zijn om dergelijk oliehoudend lenswater in ontvangst te nemen;
- .4 op het Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie, indien vereist, is aangetekend dat het schip uitsluitend reizen maakt binnen bijzondere gebieden of Arctische wateren of dat het ten behoeve van dit voorschrift is aanvaard als hogesnelheidsvaartuig en de dienst is vastgesteld; en
- .5 de hoeveelheid, tijd en de haven van lossen zijn genoteerd in het Oliejournaal Deel I.
Het ontwerp van de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde apparatuur voor het filtreren van olie dient door de Administratie te zijn goedgekeurd en zodanig te zijn dat het oliegehalte van elk oliehoudend mengsel dat na filtering in zee wordt geloosd niet meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.
De in lid 2 van dit voorschrift genoemde apparatuur voor het filtreren van olie dient te voldoen aan lid 6 van dit voorschrift. De apparatuur dient daarnaast te worden voorzien van een alarmvoorziening die een signaal geeft wanneer dit gehalte niet gehandhaafd kan worden. Het systeem zal tevens worden uitgerust met voorzieningen die waarborgen dat de lozing van oliehoudende mengsels onmiddellijk wordt stopgezet wanneer het oliegehalte van het effluent meer bedraagt dan 15 eenheden per miljoen. Bij de beoordeling van het ontwerp van dergelijke apparatuur neemt de Administratie de door de Organisatie aanbevolen specificatie in acht.
DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE
Voorschrift 15. Regeling van het lozen van olie
Overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage en de leden 2, 3 en 6 van dit voorschrift, is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen verboden.
A. Lozingen buiten bijzondere gebieden uitgezonderd Arctische wateren
Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het schip is onderweg;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van voorschrift 14 van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
- .4 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .5 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
B. Lozingen in bijzondere gebieden
Elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door schepen met een brutotonnage van 400 of meer is verboden, tenzij voldaan wordt aan alle onderstaande voorwaarden:
- .1 het schip vervolgt zijn vaarroute;
- .2 het oliehoudend mengsel wordt behandeld door apparatuur voor het filtreren van olie die voldoet aan de vereisten van voorschrift 14.7 van deze Bijlage;
- .3 het oliegehalte van het onverdunde effluent bedraagt niet meer dan 15 delen per miljoen;
- .4 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .5 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
Ten aanzien van het Antarctisch gebied is elke lozing in zee van olie of oliehoudende mengsels door welk schip dan ook verboden.
Geen enkele bepaling in dit voorschrift belet een schip dat slechts gedurende een deel van zijn reis door een bijzonder gebied vaart lozingen te verrichten buiten een bijzonder gebied in overeenstemming met lid 2 van dit voorschrift.
C. Vereisten voor schepen met een brutotonnage van minder dan 400 in alle gebieden uitgezonderd het Antarctisch gebied en Arctische wateren
Bij een schip met een brutotonnage van minder dan 400, dienen olie en oliehoudende mengsels aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven of in zee te worden geloosd in overeenstemming met de volgende voorwaarden:
- .1 het schip is onderweg;
- .2 op het schip wordt met apparatuur gewerkt, waarvan het ontwerp door de Administratie is goedgekeurd, die waarborgt dat het oliegehalte van het onverdunde effluent niet meer bedraagt dan 15 delen per miljoen;
- .3 het oliehoudend mengsel is niet afkomstig vanuit de lensruimten van ladingpompkamers in olietankers; en
- .4 het oliehoudend mengsel is, wanneer het olietankers betreft, niet vermengd met restanten van ladingolie.
D. Algemene vereisten
Wanneer er zichtbare sporen van olie worden waargenomen op of onder het wateroppervlak in de onmiddellijke nabijheid van een schip of in het kielzog van dat schip, dienen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag, voor zover zij daartoe redelijkerwijs in staat zijn, onverwijld een onderzoek in te stellen naar de feiten, om na te gaan of de bepalingen van dit voorschrift zijn overtreden. Bij het onderzoek zal in het bijzonder worden gekeken naar de wind en de omstandigheden op zee, de gevolgde koers en snelheid van het schip, andere mogelijke oorzaken van de zichtbare sporen in de omgeving en alle ter zake doende aantekeningen omtrent olielozingen.
Lozingen in zee mogen geen chemicaliën of andere stoffen bevatten in hoeveelheden of concentraties die schadelijk zijn voor het mariene milieu, noch chemicaliën of andere stoffen die worden aangewend om de in dit voorschrift aangegeven lozingsvoorwaarden te ontduiken.
Olierestanten die niet in zee kunnen worden geloosd volgens de bepalingen van dit voorschrift dienen aan boord te worden gehouden om naderhand bij ontvangstinrichtingen te worden afgegeven.
Voorschrift 16. Gescheiden houden van olie en waterballast en vervoer van olie in voorpiektanks
Behalve zoals bepaald in het tweede lid van dit voorschrift, dient aan boord van schepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 4000 of meer, geen olietankschepen zijnde, en olietankschepen opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, met een brutotonnage van 150 of meer, geen ballastwater in een brandstofolietank te worden vervoerd.
Wanneer de noodzaak om grote hoeveelheden brandstofolie te voeren, het meevoeren van ander ballastwater dan schoon ballastwater in een brandstofolietank noodzakelijk maakt, dient dit ballastwater te worden afgegeven aan ontvangstinrichtingen of te worden geloosd in zee in overeenstemming met voorschrift 15 van deze Bijlage met gebruikmaking van de uitrusting omschreven in voorschrift 14.2 van deze Bijlage; dit dient te worden aangetekend in het Oliejournaal.
In een schip met een brutotonnage van 400 of meer, waarvoor het bouwcontract is gesloten na 1 januari 1982 of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of dat zich in een soortgelijk stadium van de bouw bevindt na 1 juli 1982, mag geen olie worden vervoerd in een voorpiektank of een voor het aanvaringsschot gelegen tank.
Alle andere schepen dan die waarop de leden 1 en 3 van dit voorschrift van toepassing zijn, dienen voor zover redelijk en uitvoerbaar te voldoen aan het bepaalde in deze leden.
Voorschrift 17. Oliejournaal Deel I – Werkzaamheden in machineruimten
Elk olietankschip met een brutotonnage van 150 of meer en elk schip, geen olietankschip zijnde, met een brutotonnage van 400 of meer, dient te zijn voorzien van een Oliejournaal Deel I (Werkzaamheden in machineruimten). Het Oliejournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Het Oliejournaal Deel I dient, indien nodig voor elke tank afzonderlijk, te worden ingevuld telkens wanneer een van de volgende werkzaamheden aan boord plaatsvindt:
- .1 het ballasten of reinigen van brandstofolietanks;
- .2 het lozen van verontreinigd ballastwater of reinigingswater uit brandstofolietanks;
- .3 het verzamelen en verwijderen van olierestanten (olierestanten (oliedrab));
- .4 het overboord lozen of anderszins verwijderen van lenswater dat zich in de machineruimten heeft verzameld; en
- .5 het laden van brandstofolie of smeerolie in bulk.
In het geval van lozing van olie of oliehoudende mengsels als bedoeld in voorschrift 4 van deze Bijlage of in het geval van door ongevallen veroorzaakte of anderszins uitzonderlijke lozingen van olie die niet als uitzondering gelden volgens voornoemd voorschrift, dient in het Oliejournaal Deel I melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing geschiedde.
Elke handeling beschreven in lid 2 van dit voorschrift dient onverwijld volledig te worden vermeld in het Oliejournaal Deel I en wel zodanig dat alle rubrieken in het journaal die betrekking hebben op de handeling worden ingevuld. Elke verrichte handeling dient door de officier of officieren, belast met de leiding over de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie hebben, dienen de aantekeningen in het Oliejournaal Deel I ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Elke storing van de apparatuur voor het filtreren van olie dient te worden aangetekend in het Oliejournaal Deel I.
Het Oliejournaal Deel I dient op een plaats te worden bewaard waar het op elk redelijk tijdstip snel beschikbaar is voor inzage en wel, behalve in het geval van onbemand gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een tijdvak van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij dit Verdrag heeft het recht het Oliejournaal Deel I te controleren aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Oliejournaal Deel I van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van het Oliejournaal Deel I en de vervaardiging van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie ingevolge de bepalingen van dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.
HOOFDSTUK 4. VEREISTEN VOOR HET LADINGGEDEELTE VAN OLIETANKSCHEPEN
DEEL A. BOUW
Voorschrift 18. Gescheiden-ballasttanks
Olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982
-
- Elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en dient te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of, indien van toepassing, aan lid 5 van dit voorschrift.
-
- De capaciteit van de gescheiden-ballasttanks dient zodanig te worden bepaald dat het schip veilig kan varen tijdens ballastreizen zonder gebruik te hoeven maken van ladingtanks voor ballastwater, behoudens het bepaalde in de leden 3 of 4 van dit voorschrift. In alle gevallen dient de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks echter ten minste zodanig te zijn dat in elke ballasttoestand op elk deel van de reis, met inbegrip van de toestand van ledig gewicht plus uitsluitend gescheiden ballast, de diepgang en trim van het schip aan de volgende voorwaarden voldoen:
- .1 de midscheepse diepgang naar de mal gemeten (md) in meters (zonder rekening te houden met enige vervorming van het schip) dient niet minder te zijn dan:
- dm = 2.0 + 0.02L
- .2 de diepgangen bij de voor- en achterloodlijnen dienen overeen te komen met de loodlijn verkregen door op de midscheepse diepgang (dm) zoals bepaald in lid 2.1 van dit voorschrift, een trim achterover toe te passen van niet meer dan 0,015 L; en
- .3 de diepgang bij de achterloodlijn dient in geen geval minder te zijn dan noodzakelijk is voor de volledige onderdompeling van de schroef (schroeven).
-
- Ballastwater dient in geen geval in ladingtanks te worden vervoerd, behalve: Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in voorschrift 34 van deze Bijlage en er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal Deel II zoals bedoeld in voorschrift 36 van deze Bijlage.
- .1 tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat er extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd; en
- .2 in uitzonderingsgevallen wanneer de bijzondere aard van de bedrijfsvoering van een olietankschip het noodzakelijk maakt meer ballastwater te vervoeren dan de ingevolge het tweede lid van dit voorschrift vereiste hoeveelheid, mits deze bedrijfsvoering van het olietankschip behoort tot de categorie van de uitzonderingsgevallen bepaald door de Organisatie.
-
- Wanneer het ruwe-olietankschepen betreft, mag de ingevolge lid 3 van dit voorschrift toegestane extra ballast alleen worden vervoerd in ladingtanks wanneer deze overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 35 van deze Bijlage vóór vertrek uit een loshaven of ligplaats zijn gewassen volgens de ruwe-oliewasmethode.
-
- Niettegenstaande de bepalingen van lid 2 van dit voorschrift dienen de gescheiden-ballasttoestanden van olietankschepen met een lengte van minder dan 150 meter ten genoegen van de Administratie te zijn.
Ruwe-olietankers met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982
-
- Behoudens het bepaalde in lid 7 van dit voorschrift, dient elk olietankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift.
-
- De in lid 6 van dit voorschrift bedoelde ruwe-olietankschepen mogen, in plaats van te zijn voorzien van gescheiden tanks, voor het reinigen van ladingtanks gebruik maken van de ruwe-oliewasmethode overeenkomstig de voorschriften 33 en 35 van deze Bijlage, tenzij het ruwe-olietankschip bestemd is voor het vervoer van ruwe olie die niet geschikt is voor deze methode van wassen.
Productentankschepen met een draagvermogen van 40.000 ton of meer, opgeleverd op of voor 1 juni 1982
-
- Elk productentankschip met een draagvermogen van 40.000 ton of meer opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, dient te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift, of, naar keuze, gebruik te maken van de aangewezen schone-ballasttankmethode overeenkomstig de volgende bepalingen:
- .1 Het productentankschip dient voldoende tankcapaciteit te bezitten, uitsluitend bestemd voor het vervoeren van schone ballast als omschreven in voorschrift 1.17 van deze Bijlage, om aan de vereisten van de leden 2 en 3 van dit voorschrift te voldoen.
- .2 De voorzieningen en werkwijze voor aangewezen schone-ballasttanks dienen te voldoen aan de door de Administratie vastgestelde vereisten. Deze vereisten omvatten ten minste alle bepalingen van de herziene Specificaties voor olietankschepen met aangewezen schone-ballasttanks, door de Organisatie aangenomen bij resolutie A.495(XII).
- .3 Het productentankschip dient te worden uitgerust met een oliegehaltemeter, goedgekeurd door de Administratie op basis van de door de Organisatie aanbevolen specificaties, die controle van het oliegehalte van hetgeen geloosd wordt mogelijk te maken.
- .4 Op elk productentankschip dat gebruik maakt van aangewezen schone-ballasttanks dient een Handboek aangewezen schone-ballasttanks aanwezig te zijn, waarin het systeem en de werkwijze staan beschreven. Dit Handboek dient ten genoegen van de Administratie te zijn en dient alle informatie te bevatten die in de in lid 8.2 van dit voorschrift bedoelde Specificaties is opgenomen. Wanneer een wijziging wordt aangebracht die van invloed is op het systeem van aangewezen schone-ballasttanks, dient het Handboek dienovereenkomstig te worden aangepast.
Een olietankschip aangemerkt als olietankschip met gescheiden-ballasttanks
-
- Elk olietankschip dat overeenkomstig het bepaalde in lid 1, 6 of 8 van dit voorschrift niet hoeft te worden voorzien van gescheiden-ballasttanks, kan evenwel worden aangemerkt als olietankschip met gescheiden-ballasttanks mits het voldoet aan de vereisten van de leden 2 en 3, of indien van toepassing, aan lid 5 van dit voorschrift.
Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982 met speciale ballastvoorzieningen
-
- Olietankschepen opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, met speciale ballastvoorzieningen.
- .1 Wanneer een olietankschip opgeleverd op of voor 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.3, zodanig is gebouwd of op een zodanige manier wordt gebruikt dat te allen tijde wordt voldaan aan de vereisten van minimum diepgang en trim zoals aangegeven in lid 2 van dit voorschrift zonder dat ballastwater gebruikt behoeft te worden, wordt de tanker geacht te voldoen aan de vereisten betreffende gescheiden-ballasttanks genoemd in lid 6 van dit voorschrift, mits aan alle navolgende voorwaarden is voldaan:
- .1 de werkwijzen en ballastvoorzieningen zijn goedgekeurd door de Administratie;
- .2 tussen de Administratie en de Regeringen van de havenstaten die Partij zijn bij dit Verdrag is overeenstemming bereikt betreffende de vereisten aangaande de diepgang en de trim die door de werkwijze worden verkregen; en
- .3 op het Internationale certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie dient te zijn aangetekend dat het olietankschip met speciale ballastvoorzieningen vaart.
- .2 Ballastwater dient in geen geval in olietanks te worden vervoerd behalve tijdens de zelden voorkomende reizen waarbij de weersomstandigheden dermate slecht zijn dat, naar het oordeel van de kapitein, de veiligheid van het schip vereist dat extra ballastwater in ladingtanks wordt vervoerd. Dit extra ballastwater dient te worden behandeld en geloosd volgens het bepaalde in voorschrift 34 van deze Bijlage en overeenkomstig de vereisten van de voorschriften 29, 31 en 32 van deze Bijlage; er dient aantekening van te worden gemaakt in het Oliejournaal zoals bedoeld in voorschrift 36 van deze Bijlage.
- .3 Een Administratie die een aantekening op een certificaat maakt overeenkomstig lid 10.1.3 van dit voorschrift dient de bijzonderheden daarvan mede te delen aan de Organisatie ter verspreiding onder de Partijen bij dit Verdrag.
Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979
-
- Olietankschepen met een draagvermogen van 70.000 ton of meer opgeleverd na 31 december 1979, als omschreven in voorschrift 1.28.2, dienen te zijn voorzien van gescheiden-ballasttanks en te voldoen aan de leden 2, 3 en 4 of indien van toepassing lid 5 van dit voorschrift.
Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten
-
- Beschermende ligging van gescheiden-ballastruimten. Op elk ruwe-olietankschip met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en op elk productentankschip met een draagvermogen van 30.000 ton of meer opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4, uitgezonderd de tankschepen die aan voorschrift 19 voldoen, dienen de binnen het ladingtankgedeelte aangebrachte gescheiden-ballasttanks, van de vereiste inhoud die noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de vereisten van lid 2 van dit voorschrift, te zijn geplaatst in overeenstemming met het bepaalde in de leden 13, 14 en 15 van dit voorschrift teneinde een zekere mate van bescherming te bieden tegen het uitstromen van olie ingeval van stranding of aanvaring.
-
- Gescheiden-ballasttanks en ruimten binnen het ladingtankgedeelte (Lt), geen olietanks zijnde, dienen zodanig te zijn geplaatst dat aan de volgende eisen wordt voldaan: waarbij: Waar in dit voorschrift de in dit lid vermelde symbolen voorkomen, hebben zij de betekenis als omschreven in dit lid.
| PAc | = | voor elke gescheiden-ballasttank of -ruimte, geen olietank zijnde, de verticale projectie van het oppervlak van de zijbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
|---|---|---|
| PAs | = | voor elke zodanige tank of ruimte, de horizontale projectie van het oppervlak van de vlakbeplating van de huid, gemeten naar de mal in m2, |
| Lt | = | lengte tussen het voorste en achterste begrenzingsschot van de ladingtanks in m, |
| B | = | grootste breedte van het schip in m, als omschreven in voorschrift 1.22 van deze Bijlage, |
| D | = | holte naar de mal, verticaal gemeten van de bovenzijde van de kiel tot de bovenzijde van de balken van het vrijboorddek in de zijde in m. Bij schepen waar de overgang van de huidbeplating naar de dekbeplating als een rondgezette plaat is uitgevoerd dient de holte naar de mal te worden gemeten tot het snijpunt van de doorgestrookte lijn van de bovenzijde van de balken met de doorgestrookte lijn van de buitenkant van de spanten. |
| J | = | 0,45 voor olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton; 0,30 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer, behoudens het bepaalde in lid 14 van dit voorschrift. Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van J door lineaire interpolatie te worden bepaald. |
-
- Voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton of meer mag de waarde van J als volgt worden verminderd: waarbij:
| a | = | 0,25 voor olietankschepen met een draagvermogen van 200.000 ton, |
|---|---|---|
| a | = | 0,40 voor olietankschepen met een draagvermogen van 300.000 ton, |
| a | = | 0,50 voor olietankschepen met een draagvermogen van 420.000 ton of meer. |
| Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. | Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. | Voor tussengelegen waarden van het draagvermogen dient de waarde van a door lineaire interpolatie te worden bepaald. |
| Oc | = | als omschreven in voorschrift 25.1.1 van deze Bijlage, |
| Os | = | als omschreven in voorschrift 25.1.2 van deze Bijlage, |
| OA | = | de toelaatbare uitstroom zoals voorgeschreven in voorschrift 26.2 van deze Bijlage. |
-
- Bij de vaststelling van de waarden van PAc en PAs voor gescheiden-ballasttanks en –ruimten, geen olietanks zijnde, is het volgende van toepassing: De kleinste breedte en hoogte van zijtanks en dubbele-bodemtanks dienen te worden gemeten buiten de kimronding; de kleinste breedte dient, indien bij de overgang van huidbeplating naar dekbeplating een rondgezette plaat wordt toegepast, te worden gemeten buiten het gebied van deze rondgezette plaat.
- .1 de kleinste breedte van elke zijtank of -ruimte die zich over de volle hoogte van de scheepszijde, dan wel van het dek tot de bovenzijde van de dubbele bodem uitstrekt, mag niet minder zijn dan 2 m. De breedte dient binnenboord te worden gemeten vanaf de scheepshuid loodrecht op het vlak van kiel en stevens. Indien de aanwezige breedte geringer is, mag de betreffende zijtank of -ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak PAc niet worden meegerekend; en
- .2 de kleinste hoogte van elke dubbele-bodemtank of -ruimte dient gelijk te zijn aan B/15 of 2 m, naar gelang van welke waarde de kleinste is. Indien de aanwezige hoogte geringer is, mag de betreffende bodemtank of -ruimte bij de berekening van het bescherming biedende oppervlak PAs niet worden meegerekend.
Voorschrift 19. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd op of na 6 juli 1996
Dit voorschrift is als volgt van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 600 ton of meer opgeleverd op of na 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.6:
Elk olietankschip met een draagvermogen van 5000 ton of meer dient:
- .1 in plaats van aan de leden 12 tot en met 15 van voorschrift 18, al naar gelang van toepassing, te voldoen aan de vereisten van lid 3 van dit voorschrift, tenzij het onder de bepalingen van de leden 4 en 5 van dit voorschrift valt; en
- .2 indien van toepassing, te voldoen aan de vereisten van voorschrift 28.7.
De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of -ruimten niet zijnde olietanks:
- .1 Zijtanks of -ruimten Zijtanks of –ruimten dienen zich uit te strekken hetzij over de volle holte van het schip in de zijde of van de bovenzijde van de dubbele bodem tot het bovenste dek, daarbij geen rekening houdend met een rondgezette plaat als overgang van huidbeplating naar dekbeplating. Zij dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens minder dan de afstand w die, zoals weergegeven in figuur 1, wordt gemeten op iedere dwarsdoorsnede die een rechte hoek maakt met de zijbeplating van het schip, zoals hieronder omschreven: w = 2,0 m, naar gelang welk getal het kleinst is. De minimum waarde van w = 1,0 m.
- .2 Dubbele-bodemtanks of -ruimten De hoogte van elke dubbele-bodemtank of –ruimte dient op iedere willekeurige dwarsdoorsnede zodanig te zijn dat de afstand h tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 1, niet minder is dan hieronder omschreven: h = B/15 (m) of h = 2,0 m, naar gelang welk getal het kleinst is. De minimum waarde van h = 1,0 m.
- .3 Het gebied van de ronding van de kim of plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim Wanneer de afstanden h en w verschillen, wordt de afstand w aangehouden op niveaus hoger dan 1,5 h boven de basislijn, zoals weergegeven in figuur 1.
- .4 De totale capaciteit van ballasttanks Op ruwe-olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer en productentankschepen met een draagvermogen van 30.000 ton of meer, dient de totale capaciteit van de zijtanks, de dubbele-bodemtanks, de voorpiektanks en de achterpiektanks niet minder te zijn dan de capaciteit van de gescheiden-ballasttanks die nodig is om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage. Zijtanks of –ruimten en dubbele-bodemtanks die worden gebruikt om te voldoen aan de vereisten van voorschrift 18 dienen zo gelijkmatig als praktisch mogelijk is langs de lengte van het ladingtankgedeelte te zijn geplaatst. Aanvullende capaciteit voor gescheiden ballast ten behoeve van het verminderen van de langsscheepse buigspanningen in de romp, de trim, enz. mag op elke plaats in het schip gesitueerd zijn.
- .5 Zuigputten in ladingtanks Zuigputten in ladingtanks kunnen uitsteken in de dubbele bodem onder de grenslijn die wordt bepaald door de afstand h, op voorwaarde dat die putten zo klein zijn als praktisch mogelijk is en de afstand tussen de bodem van de put en de vlakbeplating niet minder bedraagt dan 0,5 h.
- .6 Lading- en ballastleidingen Ballastleidingen en andere leidingen, zoals leidingen voor peilingen en ontluchting naar ballasttanks mogen niet door ladingtanks lopen. Ladingleidingen en soortgelijke leidingen naar ladingtanks mogen niet door ballasttanks lopen. Vrijstelling van dit vereiste kan worden verleend voor korte leidinggedeelten, op voorwaarde dat zij geheel zijn gelast of op gelijkwaardige wijze zijn geconstrueerd.
Op dubbele-bodemtanks en –ruimten is het navolgende van toepassing:
- .1 Dubbele-bodemtanks of –ruimten zoals vereist in lid 3.2 van dit voorschrift kunnen achterwege blijven op voorwaarde dat het ontwerp van het tankschip zodanig is dat de druk die door lading en damp wordt uitgeoefend op de vlakbeplating van het schip die de enige scheiding vormt tussen de lading en de zee, niet hoger is dan de hydrostatische waterdruk van buitenaf, zoals weergegeven in de volgende formule: f x hc x ρc x g + p ≤ dn x ρs x g waarbij:
| hc | = | de hoogte van de lading die in aanraking komt met de vlakbeplating in meters | |
|---|---|---|---|
| ρc | = | de maximale ladingdichtheid in kg/m3 | |
| dn | = | minimum diepgang van een schip in bedrijf, onder alle te verwachten beladingstoestanden, in meters | |
| ρs | = | de dichtheid van het zeewater in kg/m3 | |
| p | = | de maximum insteldruk boven de atmosferische druk (overdruk) van de druk/vacuümklep voor de ladingtank in Pa | |
| f | = | veiligheidsfactor = 1,1 | |
| g | = | standaardversnelling van de zwaartekracht (9,81 m/s2) |
- .2 Elke horizontale scheiding die nodig is om aan de bovenstaande vereisten te voldoen, dient te worden geplaatst op een hoogte van niet minder dan B/6 of 6 meter, naar gelang welke het kleinste is, maar niet meer dan 0,6 D boven de basislijn, waarbij D staat voor de holte naar de mal midscheeps gemeten.
- .3 Zijtanks of –ruimten dienen te zijn geplaatst als omschreven lid 3.1, van dit voorschrift, zij het dat onder een niveau van 1,5 h boven de basislijn, waarbij h voldoet aan de omschrijving gegeven in lid 3.2 van dit voorschrift, de grenslijn van de ladingtank verticaal naar beneden kan lopen tot de vlakbeplating, zoals weergegeven in figuur 2.
Er kunnen ook andere methoden voor het ontwerp en de bouw van olietankschepen worden aanvaard als alternatief voor de in lid 3 van dit voorschrift gestelde vereisten, op voorwaarde dat deze methoden ten minste hetzelfde niveau van bescherming tegen verontreiniging door olie in geval van een aanvaring of stranding waarborgen, en dat zij in beginsel zijn goedgekeurd door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu op basis van door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elk olietankschip met een draagvermogen van minder dan 5000 ton dient te voldoen aan het bepaalde in de leden 3 en 4 van dit voorschrift, of dient:
- .1 ten minste te zijn voorzien van dubbele-bodemtanks of –ruimten die een zodanige hoogte hebben dat de afstand h, als omschreven in lid 3.2 van dit voorschrift, voldoet aan de volgende voorwaarde: h = B/15 (m) met een minimum waarde van h = 0,76 m; in het gebied van de ronding van de kim en op plaatsen zonder duidelijk afgebakende ronding van de kim dient de grenslijn van de ladingtank parallel te lopen aan de lijn van het midscheepse vlak, zoals weergegeven in figuur 3; en
- .2 te zijn voorzien van ladingtanks die zodanig zijn geplaatst dat de capaciteit van elke ladingtank niet groter is dan 700 m3, tenzij de zijtanks of -ruimten zijn geplaatst in overeenstemming met lid 3.1 van dit voorschrift, en voldoen aan de volgende voorwaarde:
Er mag geen olie worden vervoerd in ruimten die zich uitstrekken tot voor een aanvaringsschot dat in overeenstemming met voorschrift II-1/11 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, is geplaatst. Een olietankschip waarvoor in overeenstemming met dat voorschrift geen aanvaringsschot vereist is, mag geen olie vervoeren in ruimten die zich uitstrekken tot voor het dwarsschot dat loodrecht staat op het vlak van kiel en stevens, dat is geplaatst zoals een aanvaringsschot in overeenstemming met dat voorschrift zou zijn geplaatst.
Bij het goedkeuren van het ontwerp en de bouw van olietankschepen die moeten worden gebouwd in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift, houden Administraties naar behoren rekening met de algemene veiligheidsaspecten, met inbegrip van de noodzaak van onderhoud en inspecties van zij- en dubbele-bodemtanks of -ruimten.
Voorschrift 20. Vereisten inzake dubbele wand en dubbele bodem voor olietankschepen opgeleverd voor 6 juli 1996
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, is dit voorschrift:
- .1 van toepassing op olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5 van deze Bijlage; en
- .2 niet van toepassing op olietankschepen die met betrekking tot lid 28.7 voldoen aan voorschrift 19 en voorschrift 28, die zijn opgeleverd voor 6 juli 1996, als omschreven in voorschrift 1.28.5 van deze Bijlage; en
- .3 niet van toepassing op onder onderdeel 1 hierboven vallende olietankschepen die voldoen aan de voorschriften 19.3.1 en 19.3.2 of 19.4 of 19.5 van deze Bijlage, zij het dat niet in alle opzichten behoeft te worden voldaan aan het vereiste betreffende de minimum afstanden tussen de begrenzing van de ladingtank en de huid- en vlakbeplating van het schip. In dat geval mogen de afstanden voor de bescherming van de scheepshuid niet minder bedragen dan de afstanden die in de International Bulk Chemical Code worden genoemd voor de plaatsing van ladingtanks van type 2 en dient de bescherming van het vlak te voldoen aan voorschrift 18.15.2 van deze Bijlage.
-
- Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder:
- .1 „zware dieselolie”: dieselolie voor de scheepvaart, niet zijnde distillaten die voor meer dan 50 procent van hun volume distilleren bij een temperatuur die niet hoger is dan 340°C, wanneer zij worden getest door middel van een voor de Organisatie aanvaardbare methode;
- .2 „brandstofolie”: zware distillaten of restanten van ruwe olie of mengsels van dergelijke materialen die bestemd zijn voor gebruik als brandstof voor de productie van warmte of vermogen van een kwaliteit die gelijk is aan de voor de Organisatie aanvaardbare specificatie.
-
- Voor de toepassing van dit voorschrift worden olietankschepen onderverdeeld in de volgende categorieën:
- .1 „olietankschepen van categorie 1”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die niet voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4 van deze Bijlage;
- .2 „olietankschepen van categorie 2”: olietankschepen met een draagvermogen van 20.000 ton of meer die ruwe olie, brandstofolie, zware dieselolie of smeerolie als lading vervoeren, en met een draagvermogen van 30.000 ton of meer die andere dan bovengenoemde olie vervoeren en die voldoen aan de vereisten voor olietankschepen opgeleverd na 1 juni 1982, als omschreven in voorschrift 1.28.4 van deze Bijlage; en
- .3 „olietankschepen van categorie 3”: olietankschepen met een draagvermogen van 5000 ton of meer, maar minder dan vermeld in de onderdelen 1 of 2 van dit lid.
-
- Olietankschepen waarop dit voorschrift van toepassing is dienen uiterlijk op 5 april 2005 of op de verjaardatum van hun oplevering op de datum of in het jaar zoals vermeld in de onderstaande tabel, te voldoen aan de vereisten van voorschrift 19, de leden 2 tot en met 5, 7 en 8 en voorschrift 28 met betrekking tot lid 28.7 van deze Bijlage:
| Categorie olietankschepen | Datum of jaar |
|---|---|
| Categorie 1 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1982 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1982 |
| Categorie 2 en Categorie 3 | 5 april 2005 voor schepen opgeleverd op 5 april 1977 of eerder 2005 voor schepen opgeleverd na 5 april 1977 maar voor 1 januari 1978 2006 voor schepen opgeleverd in 1978 en 1979 2007 voor schepen opgeleverd in 1980 en 1981 2008 voor schepen opgeleverd in 1982 2009 voor schepen opgeleverd in 1983 2010 voor schepen opgeleverd in 1984 of later |
-
- Niettegenstaande de bepalingen van lid 4 van dit voorschrift, kan de Administratie in het geval van olietankschepen van categorie 2 of 3 die alleen voorzien zijn van dubbele bodems of dubbele zijwanden die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en die zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank of dubbelwandige ruimten die niet worden gebruikt voor het vervoer van olie en zich uitstrekken over de gehele lengte van de ladingtank, maar niet voldoen aan de voorwaarden om te worden vrijgesteld van de bepalingen van lid 1.3 van dit voorschrift, toestaan dat dergelijke vaartuigen na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum in de vaart blijven, mits:
- .1 de schepen op 1 juli 2001 in gebruik waren;
- .2 ten genoegen van de Administratie door verificatie van de officiële rapporten is vastgesteld dat de schepen aan de bovenomschreven voorwaarden voldeden;
- .3 de toestand van de bovenbedoelde schepen ongewijzigd blijft; en
- .4 de schepen uiterlijk in de vaart blijven tot de datum waarop zij 25 jaar oud zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering.
-
- Olietankschepen van categorie 2 of 3 die 15 jaar of ouder zijn, te rekenen vanaf de datum van oplevering, dienen te voldoen aan de keuringsregeling scheepvaart aangenomen door de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu bij resolutie MEPC.94(46), als gewijzigd, mits deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- De Administratie kan toestaan dat een olietankschip van categorie 2 of 3 in de vaart blijft na de in lid 4 van dit voorschrift vermelde datum, indien bevredigende resultaten van de keuringsregeling scheepvaart, naar het oordeel van de Administratie, rechtvaardigen dat het schip in de vaart blijft, mits dat uiterlijk duurt tot de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015 of de datum waarop het schip 25 jaar oud is, te rekenen vanaf de datum van oplevering, naar gelang van welke datum het eerst bereikt wordt.
- 8.
- .1 De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die de toepassing van lid 5 van dit voorschrift toestaat, of de toepassing van lid 7 van dit voorschrift toestaat, opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
- .2 Een Partij bij dit Verdrag heeft het recht de toegang tot onder haar rechtsmacht vallende havens of laad- of losplaatsen buitengaats te weigeren van olietankschepen die varen in overeenstemming met de bepalingen van: In dergelijke gevallen stelt die Partij de Organisatie in kennis van de bijzonderheden daarvan voor toezending aan de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming.
- .1 lid 5 van dit voorschrift na de verjaardatum van de oplevering van het schip in 2015; of
- .2 lid 7 van dit voorschrift.
DEEL B. UITRUSTING
DEEL C. REGELING VAN BEDRIJFSMATIGE LOZINGEN VAN OLIE
HOOFDSTUK 5. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING VOORTVLOEIEND UIT VOORVALLEN VAN VERONTREINIGING DOOR OLIE
HOOFDSTUK 6. ONTVANGSTINRICHTINGEN
HOOFDSTUK 7. BIJZONDERE VEREISTEN VOOR VASTE OF DRIJVENDE PLATFORMS
HOOFDSTUK 8. VOORKOMEN VAN VERONTREINIGING TIJDENS HET OVERPOMPEN VAN LADINGOLIE TUSSEN OLIETANKSCHEPEN OP ZEE
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
HOOFDSTUK 10. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DIT VERDRAG
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. De in lid 2, punt 1, bedoelde erkende organisatie moet de richtsnoeren naleven die de Organisatie heeft aangenomen bij resolutie A.739(18) eventueel als gewijzigd door de Organisatie, en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen specificaties, eventueel als gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag betreffende de procedure voor wijziging die van toepassing is op deze Bijlage.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in aanhangsel 2 bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
HOOFDSTUK 6. MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN HET TOEZICHT DOOR HAVENSTATEN
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
-
- De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van voorschrift 13 met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- .1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als mariene-milieuverontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) of die voldoen aan de criteria van het Aanhangsel bij deze Bijlage.
- .2. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een mariene-milieuverontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.
De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenzijde van de verpakking.
Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.
Voorschrift 4. Begeleidende papieren
In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „marine pollutant”.
De door de verlader verstrekte vervoersdocumenten dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de voor vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of bijzonder manifest te beschikken dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke lijst of dergelijk manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Voor vertrek moet een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar worden gesteld.
Bij elke tussenstop, wanneer er geladen of gelost wordt, ook indien het een gedeelte van de lading betreft, dienen de bijgewerkte documenten van de schadelijke stoffen die aan boord zijn genomen, met opgave van de plaats aan boord of een gedetailleerd stuwplan, voor vertrek aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar te worden gesteld.
Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of een bijzonder manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijke stoffen. Ingeval documenten worden gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.
Voorschrift 5. Stuwage
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid ervan die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 7. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN EEN INCIDENT MET SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
HOOFDSTUK 9. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DIT VERDRAG
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
-
- Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie1)Zie de aanbeveling inzake normen voor het tempo van lozing van onbehandeld sanitair afval van schepen aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.157(55). ontwikkelde normen; of
- .2. het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
- .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
- .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
-
- Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
-
- Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN
Voorschrift 13. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord1)Verwezen wordt naar de procedures voor door de havenstaat uit te oefenen controle, aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.787(19) als gewijzigd bij resolutie A.882(21); zie IMO sales publication IMO-650E.
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „bijzonder gebied”, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, aanneming van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door sanitair afval nodig is; Deze bijzondere gebieden zijn:
- .1. het Oostzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I; en
- .2. elk ander zeegebied dat door de Organisatie is aangewezen overeenkomstig de criteria en procedures voor de aanwijzing van bijzondere gebieden met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval van schepen.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „een passagier”, iedere persoon anders dan:
- .1. de kapitein en de leden van de bemanning of andere personen die, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst of te werk zijn gesteld ten behoeve van dat schip; en
- .2. een kind jonger dan één jaar.
-
- „een passagiersschip”, een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Voor de toepassing van voorschrift 11.3 wordt onder een „nieuw passagiersschip” verstaan een passagiersschip: Een „bestaand passagiersschip” is een passagiersschip dat geen nieuw passagiersschip is.
-
- waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 januari 2016; of
- .2. waarvan de oplevering plaatsvindt twee jaar of meer na 1 januari 2016.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
-
- „Audit”, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- „Auditprogramma”, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- „Implementatiecode”, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- „Auditnorm”, de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16 en 18 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
- .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
- .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voorstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van destillaten en residuale brandstof.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
- halon 1211 broomchloordifluormethaan
- halon 1301 broomtrifluormethaan
- halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
- CFK-11 trichloorfluormethaan
- CFK-12 dichloordifluormethaan
- CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
- CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
- CFK-115 chloorpentafluorethaan
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder tankschip verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip zoals omschreven in voorschrift 1van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
- .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
HOOFDSTUK II. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN
Voorschrift 5. Onderzoeken
Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
- .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
- .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
- .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het vierde lid van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
- .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven door het vierde lid van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in het vijfde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid van deze reparaties of vervangingen in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
- .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
- .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
- .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij
Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 8. Model van het certificaat
Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:
- .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
- .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
- .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
- .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
- .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK 5. DOOR DE HAVENSTAAT UIT TE OEFENEN CONTROLE
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.
Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1.1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .1.2. 9·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .1.3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm;
- .2. zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit lid van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing; en
- .3. zijn de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing.
5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:
- .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
- .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
- .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I, de Noordzee zoals omschreven in voorschrift 5.1.f van Bijlage V; en
- .2. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden die door de Organisatie zijn aangewezen conform de criteria en procedures vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:
- .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
- .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010; en
- .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.
In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:
- .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
- .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
- .3. overige relevante aangelegenheden.
De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.
Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.
Voorschrift 15. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 16. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voorschrift 17. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder het Antarctisch gebied verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 18. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die in overeenstemming met deze Bijlage gecertificeerd zijn om in polaire wateren te varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 19. Eisen voor platforms en olieboorinstallaties
Met inachtneming van de bepalingen van het tweede en derde lid van dit Voorschrift dienen vaste en drijvende platforms en boorinstallaties te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Emissies die direct voortvloeien uit de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem, zijn overeenkomstig artikel 2, derde lid, letter b, onder ii., van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten de volgende:
- a. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis en/of boorspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte.
- b. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- c. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- d. emissies van dieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de opsporing, winning en bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
De vereisten van Voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 40. Werkingssfeer
De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn van toepassing op olietankschepen met een brutotonnage van 150 ton of meer die betrokken zijn bij het overpompen van ladingolie tussen olietankschepen op zee (ship-to-ship (STS)-operaties) en hun STS-operaties uitgevoerd op of na 1 april 2012. STS-operaties die echter voor deze datum, maar na goedkeuring door de Administratie van het plan voor STS-operaties, vereist krachtens voorschrift 41.1, worden uitgevoerd, dienen voor zover mogelijk overeen te stemmen met het plan voor STS-operaties.
De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het overpompen van olie in het geval van vaste of drijvende platforms, met inbegrip van boorinstallaties, drijvende productie-, opslag- en overslageenheden (FPSO's) die buitengaats worden gebruikt voor de productie en opslag van olie, en drijvende opslageenheden (FSU's) die worden gebruikt voor de opslag buitengaats van geproduceerde olie.
De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op bunkeroperaties.
De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op STS-operaties die nodig zijn om de veiligheid van een schip te waarborgen of levens te redden op zee, of om bepaalde verontreinigingsvoorvallen te bestrijden teneinde de schade door verontreiniging tot een minimum te beperken.
De voorschriften vervat in dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op STS-operaties indien een van de betrokken schepen een oorlogsschip, hulpschip of ander schip is dat eigendom is van of wordt geëxploiteerd door een staat, en, op dat ogenblik alleen voor niet-commerciële overheidsdiensten wordt gebruikt. Iedere staat dient door het aannemen van passende maatregelen die niet ten koste gaan van de exploitatie of operationele mogelijkheden van dergelijke schepen, evenwel te waarborgen dat de STS-operaties worden uitgevoerd op een wijze die, voor zover redelijk en praktisch uitvoerbaar, verenigbaar is met dit hoofdstuk.
Voorschrift 41. Algemene regels inzake veiligheid en milieubescherming
Ieder olietankschip dat STS-operaties uitvoert dient uiterlijk op de datum van het eerste jaarlijks of tussentijds onderzoek of het hernieuwd onderzoek van het schip op of na 1 januari 2011 een plan aan boord te hebben waarin vermeld staat hoe de STS-operaties dienen te worden uitgevoerd (plan voor STS-operaties). Het plan voor STS-operaties van ieder olietankschip dient door de Administratie te worden goedgekeurd. Het plan voor STS-operaties dient te zijn geschreven in de werktaal aan boord van het schip.
Het plan voor STS-operaties wordt opgesteld rekening houdend met de gegevens uit de richtlijnen voor beste praktijken voor STS-operaties die door de Organisatie zijn vastgesteld. Het plan voor STS-operaties kan worden opgenomen in een bestaand Veiligheidsmanagementsysteem, vereist krachtens hoofdstuk IX van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, indien dit vereiste van toepassing is op het desbetreffende olietankschip.
Ieder olietankschip waarop dit hoofdstuk van toepassing is dat STS-operaties uitvoert, dient aan het plan voor STS-operaties te voldoen.
De persoon belast met advisering en algeheel toezicht bij STS-operaties is bevoegd tot het uitvoeren van alle relevante taken, overeenkomstig de bevoegdheden vervat in de richtlijnen voor beste praktijken voor STS-operaties die door de Organisatie zijn vastgesteld.
Verslagen van STS-operaties dienen gedurende drie jaar aan boord te worden bewaard en onmiddellijk beschikbaar te zijn voor inspectie door een partij bij dit Verdrag.
Voorschrift 42. Kennisgeving
Ieder olietankschip waarop dit hoofdstuk van toepassing is waarmee beoogd wordt STS-operaties uit te voeren in de territoriale zee of de exclusieve economische zone van een partij bij dit Verdrag, dient die partij niet minder dan 48 uur van tevoren in kennis te stellen van de geplande STS-operaties. Wanneer, in uitzonderlijke gevallen, alle in het tweede lid genoemde informatie niet ten minste 48 uur van tevoren beschikbaar is, dient het olietankschip dat de ladingolie lost de partij bij dit Verdrag niet minder dan 48 uur van te voren ervan in kennis stellen dat er een STS-operatie zal plaatsvinden en dat de in het tweede lid genoemde informatie zo spoedig mogelijk aan de partij zal worden verstrekt.
De in het eerste lid van dit voorschrift genoemde kennisgevingbevat ten minste de volgende gegevens:
- .1. naam, vlag, roepnaam, IMO-nummer en verwachte tijd van aankomst van de olietankschepen die bij de STS-operaties betrokken zijn;
- .2. datum, tijd en geografische locatie bij aanvang van de geplande STS-operaties;
- .3. of de STS-operaties voor anker of varend worden uitgevoerd;
- .4. soort olie en hoeveelheid;
- .5. geplande duur van de STS-operaties;
- .6. naam van de bij de STS-operaties betrokken dienstverlener of persoon belast met advisering en algeheel toezicht en contactgegevens; en
- .7. bevestiging dat de olietanker een plan voor STS-operaties aan boord heeft dat aan de vereisten van voorschrift 41 voldoet.
Indien de verwachte tijd van aankomst van een olietankschip op de locatie of in het gebied waar de STS-operaties zullen plaatsvinden meer dan zes uur verschuift, dient de kapitein, reder of scheepsagent van het olietankschip de aangepaste verwachte tijd van aankomst door te geven aan de partij bij dit Verdrag die in het eerste lid van dit voorschrift wordt genoemd.
HOOFDSTUK 9. BIJZONDERE VEREISTEN VOOR HET GEBRUIK OF VERVOER VAN OLIE IN POLAIRE WATEREN
HOOFDSTUK 11. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. De in lid 2, punt 1, bedoelde erkende organisatie moet de richtsnoeren naleven die de Organisatie heeft aangenomen bij resolutie A.739(18) eventueel als gewijzigd door de Organisatie, en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen specificaties, eventueel als gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag betreffende de procedure voor wijziging die van toepassing is op deze Bijlage.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in aanhangsel 2 bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
HOOFDSTUK 5. – OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
-
- De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van voorschrift 13 met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- .1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als mariene-milieuverontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) of die voldoen aan de criteria van het Aanhangsel bij deze Bijlage.
- .2. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voor schadelijke stoffen voorgeschreven vormen van omhulling.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De Regering van elke Partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dienen duurzaam te zijn gemerkt met de juiste technische benaming (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dienen voorts duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd om aan te geven dat de stof een mariene-milieuverontreinigende stof is. Een dergelijke aanduiding dient waar mogelijk te worden aangevuld met andere gegevens, bijvoorbeeld door vermelding van het desbetreffende nummer van de Verenigde Naties.
De wijze van merken met de juiste technische benaming en van aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten, dient zodanig te zijn dat deze gegevens nog steeds leesbaar zijn op verpakkingen na een verblijf van ten minste drie maanden in zee. Bij de overweging van passende wijzen van merken en etiketteren dient rekening te worden gehouden met de duurzaamheid van de gebruikte materialen en de aard van de buitenzijde van de verpakking.
Verpakkingen die kleine hoeveelheden schadelijke stoffen bevatten, kunnen van de vereisten inzake merken worden vrijgesteld.
Voorschrift 4. Begeleidende papieren
In alle documenten die betrekking hebben op het vervoer over zee van schadelijke stoffen, waarin dergelijke stoffen met een naam worden aangeduid, dient de juiste technische benaming van elke stof te worden gebruikt (handelsnamen alleen mogen niet worden gebruikt) en dient de stof voorts te worden geïdentificeerd door toevoeging van de woorden „marine pollutant”.
De door de verlader verstrekte vervoersdocumenten dienen een ondertekend certificaat of ondertekende verklaring te omvatten, of daardoor te worden begeleid, waarin staat dat de voor vervoer aangeboden zending op de juiste wijze is verpakt, gemerkt en geëtiketteerd en in een voor vervoer geschikte staat verkeert, om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Elk schip dat schadelijke stoffen vervoert, dient over een bijzondere lijst of bijzonder manifest te beschikken dat de aan boord zijnde schadelijke stoffen en de plaats daarvan aangeeft. In plaats van een dergelijke lijst of dergelijk manifest mag een gedetailleerd stuwplan, met opgave van de plaats aan boord van alle schadelijke stoffen, worden gebruikt. Tevens dienen afschriften van dergelijke documenten aan land te worden gehouden door de eigenaar van het schip of zijn vertegenwoordiger totdat de schadelijke stoffen zijn gelost. Voor vertrek moet een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar worden gesteld.
Bij elke tussenstop, wanneer er geladen of gelost wordt, ook indien het een gedeelte van de lading betreft, dienen de bijgewerkte documenten van de schadelijke stoffen die aan boord zijn genomen, met opgave van de plaats aan boord of een gedetailleerd stuwplan, voor vertrek aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie beschikbaar te worden gesteld.
Wanneer een schip beschikt over een bijzondere lijst of een bijzonder manifest of een gedetailleerd stuwplan zoals voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vereist ingevolge het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, mogen de ingevolge dit voorschrift vereiste documenten worden gecombineerd met die voor gevaarlijke stoffen. Ingeval documenten worden gecombineerd, dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen gevaarlijke stoffen en onder deze Bijlage vallende schadelijke stoffen.
Voorschrift 5. Stuwage
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid ervan die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de natuurkundige, scheikundige en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- Schadelijke stoffen, de stoffen die als mariene-milieuverontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) of die voldoen aan de criteria van het Aanhangsel bij deze Bijlage.
-
- Verpakte vorm, de in de IMDG-Code voorgeschreven vormen van omhulling voor schadelijke stoffen.
-
- Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- Auditprogramma, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- Implementatiecode, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- Auditnorm, de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De regering van elke partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 3. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
HOOFDSTUK 10. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
-
- Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip ofwel versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel het sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip zijn vaarroute vervolgt met een snelheid van ten minste 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie1)Zie de aanbeveling inzake normen voor het tempo van lozing van onbehandeld sanitair afval van schepen aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.157(55). ontwikkelde normen; of
- .2. het schip gebruik maakt van een installatie voor het behandelen van sanitair afval, die volgens een certificaat, afgegeven door de Administratie, voldoet aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en
- .1 de resultaten van de beproevingen van dat systeem neergelegd zijn in het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval van het schip; en
- .2 de geloosde vloeistof bovendien geen zichtbare drijvende vaste deeltjes in of verkleuring van het water in de omgeving ten gevolge heeft.
-
- Het bepaalde in punt 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
-
- Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere bijlagen van MARPOL 73/78 van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 13. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord1)Verwezen wordt naar de procedures voor door de havenstaat uit te oefenen controle, aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.787(19) als gewijzigd bij resolutie A.882(21); zie IMO sales publication IMO-650E.
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 1. Omschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
- (1). wordt onder „vuilnis” verstaan alle soorten etensresten, huishoudelijk afval en afval voortvloeiende uit de bedrijfsvoering, met uitzondering van verse vis en gedeelten daarvan, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag;
- (2). „Dichtstbijzijnde land”. De uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: „van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op 11°00' zuiderbreedte en 142°08' oosterlengte, naar een punt op 10°35' zuiderbreedte en 141°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00' zuiderbreedte en 142°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10' zuiderbreedte en 143°52' oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00' zuiderbreedte en 144°30' oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00' zuiderbreedte en 145°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00' zuiderbreedte en 146°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30' zuiderbreedte en 147°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00' zuiderbreedte en 152°55' oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30' zuiderbreedte en 154°00' oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42' zuiderbreedte en 153°15' oosterlengte;
- (3). wordt onder „bijzonder gebied” verstaan een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het volgen van bijzondere noodzakelijke methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis moeten worden genomen. Onder deze bijzondere gebieden worden begrepen de gebieden genoemd in Voorschrift 5 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Storten van vuilnis buiten bijzondere gebieden
- (1). Behoudens de bepalingen van de Voorschriften 4, 5 en 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten in zee van alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden;
- (b). dient het storten in zee van de volgende vuilnis zover mogelijk van het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan:
- (i). 25 zeemijlen, in geval van stuwhout, bekledings- en verpakkingsmateriaal dat blijft drijven;
- (ii). 12 zeemijlen, in geval van voedselresten en alle andere vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk en soortgelijk afval;
- (c). kan het storten in zee, van vuilnis als omschreven in letter (b) onder (ii) van deze paragraaf worden toegestaan, indien de vuilnis door een afbreek- of maalinstallatie is gevoerd en indien het storten zover als mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land geschiedt, doch het storten is in elk geval verboden indien de afstand tot het dichtstbijzijnde land kleiner is dan 3 zeemijlen. Deze afgebroken of gemalen vuilnis moet een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee kunnen passeren.
- (2). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot verwijderen of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16 en 18 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
- .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
- .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voorstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van destillaten en residuale brandstof.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
- halon 1211 broomchloordifluormethaan
- halon 1301 broomtrifluormethaan
- halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
- CFK-11 trichloorfluormethaan
- CFK-12 dichloordifluormethaan
- CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
- CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
- CFK-115 chloorpentafluorethaan
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder tankschip verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip zoals omschreven in voorschrift 1van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
- .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
HOOFDSTUK 6. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 5. Onderzoeken
Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
- .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
- .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
- .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het vierde lid van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
- .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven door het vierde lid van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in het vijfde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid van deze reparaties of vervangingen in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
- .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
- .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
- .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij
Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 8. Model van het certificaat
Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:
- .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
- .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
- .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
- .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
- .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK III. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.
Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1.1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .1.2. 9·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .1.3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm;
- .2. zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit lid van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing; en
- .3. zijn de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing.
5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:
- .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
- .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
- .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I, de Noordzee zoals omschreven in voorschrift 5.1.f van Bijlage V; en
- .2. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden die door de Organisatie zijn aangewezen conform de criteria en procedures vervat in aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:
- .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
- .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010; en
- .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.
In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:
- .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
- .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
- .3. overige relevante aangelegenheden.
De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.
Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
- .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
- .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
- .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
- .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
- .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
- .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Niets in dit voorschrift:
- .1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, noch
- .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
- .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
- .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
- .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
- .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
- .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
- .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
- .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- .2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de leden 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
- .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
- .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 43. Bijzondere vereisten voor het gebruik of vervoer van olie in het Antarctisch gebied
Met uitzondering van schepen die ingezet worden bij het waarborgen van de veiligheid van schepen of bij een opsporings- en reddingsoperatie, is het vervoer in bulk als lading, het gebruik als ballast of het vervoer en gebruik van brandstof van het volgende:
- .1. ruwe olie met een dichtheid van meer dan 900 kg/m3 bij 15ºC;
- .2. andere olieproducten dan ruwe olie, met een dichtheid van meer dan 900 kg/m3 bij 15ºC of een kinematische viscositeit van meer dan 180 mm2/s bij 50ºC; of
- .3. bitumen, teer en emulsies van deze producten,
verboden in het Antarctisch gebied, zoals omschreven in Bijlage I, voorschrift 1.11.7.
Indien eerdere operationele handelingen het vervoer of het gebruik van de in paragraaf 1.1 tot en met 1.3 van dit voorschrift genoemde olieproducten hebben ingehouden, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
HOOFDSTUK 3. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in aanhangsel 2 bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
- 2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1, 2 en 4 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 2ter. Indien voorschrift 13 van deze Bijlage een voorwas verplicht stelt en het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten van toepassing is op de haven van lossen, wordt de voorwas en de daarop volgende afgifte aan een ontvangstfaciliteit uitgevoerd zoals voorgeschreven door voorschrift 13 van deze Bijlage of bij een regionale ontvangstfaciliteit voor afval van schepen vermeld in het desbetreffende regionale plan voor ontvangstfaciliteiten.
-
- De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van voorschrift 13 met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 1. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
- .1. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „schadelijke stoffen” verstaan de stoffen die als mariene-milieuverontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) of die voldoen aan de criteria van het Aanhangsel bij deze Bijlage.
- .2. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „verpakte vorm” verstaan de in de IMDG-Code voorgeschreven vormen van omhulling voor schadelijke stoffen.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De regering van elke partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 2. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 3. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dienen duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd teneinde in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code aan te geven dat de stof een schadelijke stof is.
De wijze van merken of het aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code.
Voorschrift 4. Begeleidende papieren
Transportinformatie over het vervoer van schadelijke stoffen dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code en dient ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Op elk schip dat schadelijke stoffen vervoert dient een bijzondere lijst, een manifest of een gedetailleerd stuwplan aanwezig te zijn waarin in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code de schadelijke stoffen aan boord en de locatie ervan zijn vermeld. Voor vertrek dient een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie ter beschikking te worden gesteld.
Voorschrift 5. Stuwen
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 6. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de fysische, chemische en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 8. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij bevindt wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door die partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan wordt aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord.
Wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen, neemt de partij maatregelen, waaronder het verrichten van een gedetailleerde inspectie en ziet er indien nodig op toe dat het schip niet uitvaart, voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „bijzonder gebied”, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, aanneming van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door sanitair afval nodig is; Deze bijzondere gebieden zijn:
- .1. het Oostzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I; en
- .2. elk ander zeegebied dat door de Organisatie is aangewezen overeenkomstig de criteria en procedures voor de aanwijzing van bijzondere gebieden met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval van schepen.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „een passagier”, iedere persoon anders dan:
- .1. de kapitein en de leden van de bemanning of andere personen die, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst of te werk zijn gesteld ten behoeve van dat schip; en
- .2. een kind jonger dan één jaar.
-
- „een passagiersschip”, een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Voor de toepassing van voorschrift 11.3 wordt onder een „nieuw passagiersschip” verstaan een passagiersschip: Een „bestaand passagiersschip” is een passagiersschip dat geen nieuw passagiersschip is.
-
- waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 januari 2016; of
- .2. waarvan de oplevering plaatsvindt twee jaar of meer na 1 januari 2016.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage is niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
-
- In afwijking van het eerste lid dient ieder passagiersschip dat, in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, en waarop voorschrift 11.3 van toepassing is wanneer het zich in een bijzonder gebied bevindt, te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1. een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2. een verzameltank met naar tevredenheid van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient naar tevredenheid van de Administratie te zijn en een voorziening hebben om zichtbaar het niveau van de inhoud aan te geven.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of sanitair afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip onderweg is met een snelheid van niet minder dan 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2. het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft, die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent geen zichtbare drijvende vaste deeltjes veroorzaakt noch verkleuring van het omringende water.
Het bepaalde in paragraaf 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:
- .1. voor nieuwe passagiersschepen op of na 1 januari 2016, onverminderd voorschrift 13, subparagraaf 2; en
- .2. voor bestaande passagiersschepen op of na 1 januari 2018, onverminderd voorschrift 13, subparagraaf 2, behalve wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.2.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent veroorzaakt geen zichtbare drijvende vaste deeltjes noch verkleuring van het omringende water
Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere Bijlagen van MARPOL van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- 1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
HOOFDSTUK 5. DOOR DE HAVENSTAAT UIT TE OEFENEN CONTROLE
Voorschrift 13. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord1)Verwezen wordt naar de procedures voor door de havenstaat uit te oefenen controle, aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.787(19) als gewijzigd bij resolutie A.882(21); zie IMO sales publication IMO-650E.
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- „nieuw schip”, een schip
- .1 waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; of
- .2 waarvan de oplevering drie jaar of langer na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage plaatsvindt.
-
- „bestaand schip” een schip dat geen nieuw schip is.
-
- „sanitair afval”,
- .1 spoelwater en andere afvalstoffen afkomstig uit alle soorten toiletten en urinoirs;
- .2 spoelwater afkomstig uit medische ruimten (behandelkamer, ziekenboeg, etc.) via wastafels, badkuipen en spuigaten in dergelijke ruimten;
- .3 spoelwater afkomstig uit ruimten waar zich levende dieren bevinden; of
- .4 ander afvalwater indien vermengd met het bovenomschreven spoelwater.
-
- „verzameltank”, een tank die wordt gebruikt voor het verzamelen en opslaan van sanitair afval.
-
- „dichtstbijzijnde land”, de uitdrukking „van het dichtstbijzijnde land” betekent: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het betrokken gebied wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent: van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- „bijzonder gebied”, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, aanneming van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door sanitair afval nodig is; Deze bijzondere gebieden zijn:
- .1. het Oostzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I; en
- .2. elk ander zeegebied dat door de Organisatie is aangewezen overeenkomstig de criteria en procedures voor de aanwijzing van bijzondere gebieden met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door sanitair afval van schepen.
-
- „internationale reis”, een reis vanuit een land waarop dit Verdrag van toepassing is naar een haven buiten dat land of vice versa.
-
- „persoon”, een lid van de bemanning of een passagier.
-
- „een passagier”, iedere persoon anders dan:
- .1. de kapitein en de leden van de bemanning of andere personen die, in welke hoedanigheid dan ook, in dienst of te werk zijn gesteld ten behoeve van dat schip; en
- .2. een kind jonger dan één jaar.
-
- „een passagiersschip”, een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert. Voor de toepassing van voorschrift 11.3 wordt onder een „nieuw passagiersschip” verstaan een passagiersschip: Een „bestaand passagiersschip” is een passagiersschip dat geen nieuw passagiersschip is.
- .1. waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten of waarvan, bij het ontbreken van een bouwcontract, de kiel wordt gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juni 2019; of
- .2. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juni 2021.
-
- „verjaardatum”, de dag en maand van elk jaar die overeenkomen met de datum waarop het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval verloopt.
-
- „Audit”, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- „Auditprogramma”, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- „Implementatiecode”, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- „Auditnorm”, de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op de volgende schepen die internationale reizen maken:
- .1 nieuwe schepen met een bruto tonnage van 400 of meer; en
- .2 nieuwe schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren; en
- .3 bestaande schepen met een bruto tonnage van 400 of meer, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage; en
- .4 bestaande schepen met een bruto tonnage van minder dan 400 die gecertificeerd zijn om meer dan 15 personen te vervoeren, vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage.
-
- De Administratie dient te waarborgen dat bestaande schepen, overeenkomstig de punten 1.3 en 1.4 van dit voorschrift, waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond voor 2 oktober 1983 voorzover praktisch uitvoerbaar zijn uitgerust met voorzieningen voor het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de vereisten van voorschrift 11 van de Bijlage.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- Voorschrift 11 van deze Bijlage en sectie 4.2 van hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van sanitair afval van een schip dat noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het lozen van sanitair afval als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, indien alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen voor en na het optreden van de schade teneinde de lozing te voorkomen of te beperken.
Voorschrift 4. Speciale eisen voor het storten van vuilnis
- (1). Behoudens de bepalingen van paragraaf (2) van dit Voorschrift is het storten van stoffen waarop dit Voorschrift van toepassing is, verboden vanaf vaste of drijvende platforms buitengaats gebezigd bij de exploratie, exploitatie en daarbij behorende verwerking van minerale zeebodemschatten, alsmede vanaf alle andere schepen, wanneer deze zich langszij of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
- (2). Het storten in zee van voedselresten vanaf vaste of drijvende platforms kan worden toegestaan, ingeval deze door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd en deze platforms zich meer dan 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land bevinden, alsmede van alle andere schepen, ingeval deze zich langszij of binnen 500 meter van zulke platforms bevinden. Deze afgebroken of gemalen voedselresten moeten een rooster met gaten van maximaal 25 mm kunnen passeren.
Voorschrift 5. Storten van vuilnis binnen bijzondere gebieden
- (1). Voor de toepassing van deze Bijlage worden onder bijzondere gebieden verstaan de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de „Golf”, de Noordzee, de Zuidpool en het Caraïbisch Gebied, met inbegrip van de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee, die als volgt worden omschreven:
- (a). Onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de Golven en Zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36' westerlengte.
- (b). Onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44'.8 noorderbreedte.
- (c). Onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte.
- (d). Onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°8'.5 noorderbreedte, 43°19'.6 oosterlengte) en Hasn Murad 12°40'.4 noorderbreedte, 43°30'.2 oosterlengte).
- (e). Onder het gebied van de Perzische Golf wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30' noorderbreedte, 59°48' oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04' noorderbreedte, 61°25' oosterlengte).
- (f). Onder het gebied van de Noordzee wordt verstaan de Noordzee zelf met inbegrip van de zeeën daarin, waarbij de grens wordt gevormd door:
- i. de Noordzee ten zuiden van 62° noorderbreedte en ten oosten van 4° westerlengte;
- ii. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke grens wordt bepaald ten oosten van Kaap Skagen door 57°44.8' noorderbreedte; en
- iii. het Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van 5° westerlengte en ten noorden van 48° 30' noorderbreedte.
- (g). Onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- (h). Onder het Caraïbisch Gebied, zoals omschreven in artikel 2, eerste lid, van het Verdrag inzake de bescherming en ontwikkeling van het mariene milieu in het Caraïbisch Gebied (Cartagena de Indias, 1983), wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caraïbische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77° 30' westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7° 20' noorderbreedte en de meridaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
- (2). Onverlet de bepalingen van Voorschrift 6 van deze Bijlage:
- (a). is het storten van de volgende stoffen in zee verboden:
- (i). alle kunststoffen, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van kunststofproducten die giftige residuen of residuen van zware metalen kan bevatten, verboden; en
- (ii). alle overige vuilnis, daarbij inbegrepen papierprodukten, lompen, glas, metaal, flessen, aardewerk, stuwhout, bekledings- en verpakkingsmaterialen;
- (b). dient, behoudens het bepaalde onder letter c van dit lid, het storten in zee van voedselresten zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval niet binnen 12 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land.
- (c). dient het storten in het Caraïbisch gebied van voedselresten die door een machine voor verpulveren of vermalen zijn gehaald, zo ver mogelijk vanaf het dichtstbijzijnde land te geschieden, doch in elk geval dat niet onder voorschrift 4 valt niet binnen 3 zeemijlen vanaf het dichtstbijzijnde land. Verpulverde of vermalen voedselresten dienen door een zeef met openingen van maximaal 25 mm te kunnen worden gevoerd.
- (3). Ingeval de vuilnis is vermengd met andere lozingen, waarvoor afwijkende eisen gelden met betrekking tot storten of lozen, zijn de zwaarste eisen van toepassing.
- (4). Ontvangstinrichtingen in bijzondere gebieden:
- (a). de Regering van elke Partij bij dit Verdrag, wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied, verbindt zich ertoe te verzekeren dat zo spoedig mogelijk in alle havens in een bijzonder gebied toereikende ontvangstinrichtingen worden geïnstalleerd, overeenkomstig de bepalingen van Voorschrift 7 van deze Bijlage, rekening houdende met de bijzondere behoefte van in deze gebieden opererende schepen.
- (b). De Regering van elke betrokken Partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen getroffen ingevolge letter (a) van dit Voorschrift. Na ontvangst van voldoende mededelingen stelt de Organisatie een tijdstip vast, waarop de bepalingen van dit Voorschrift ten aanzien van het betrokken gebied in werking treden. De Organisatie stelt alle Partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum.
- (c). Na de aldus vastgestelde datum dienen ook schepen die havens aanlopen in deze bijzondere gebieden, waar deze inrichtingen nog niet beschikbaar zijn, volledig te voldoen aan de bepalingen van dit Voorschrift.
- (5). Niettegenstaande het vierde lid van dit Voorschrift zijn de volgende regels van toepassing op het Antarctisch gebied:
- a. De Regering van elke Partij bij het Verdrag waarvan de havens worden gebruikt door schepen op weg naar of komend uit het Antarctisch gebied, verbindt zich ertoe zo spoedig mogelijk de aanleg te verzekeren van toereikende inrichtingen bestemd voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen zonder aan deze schepen onnodig oponthoud te veroorzaken en naar de behoeften van de schepen die daarvan gebruik maken.
- b. De Regering van elke Partij bij het Verdrag verzekert dat alle schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, alvorens het Antarctisch gebied binnen te varen zijn uitgerust met een tank of tanks van voldoende capaciteit aan boord voor het aan boord houden van alle vuilnis terwijl zij in bedrijf zijn in het gebied en regelingen hebben gesloten om dit vuilnis af te geven aan een ontvangstinrichting na het verlaten van het gebied.
Voorschrift 6. Uitzonderingen
De Voorschriften 3, 4 en 5 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- (a). het storten van vuilnis van een schip, indien dit noodzakelijk is om de veiligheid van schip en opvarenden te verzekeren, of mensenlevens op zee te redden; of
- (b). het ontsnappen van vuilnis tengevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen vóór en na het ontstaan van de schade, om het ontsnappen te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- (2c). het toevallige verlies van synthetische visnetten, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen.
Voorschrift 7. Ontvangstinrichtingen
- (1). De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich tot het installeren, in havens en laad- en losplaatsen, van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, en die toereikend zijn om te voldoen aan de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- (2). De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de inrichtingen welke ingevolge de bepalingen van dit Voorschrift zijn aangebracht als ontoereikend worden aangemerkt, dit ter mededeling aan de betrokken Partijen.
Voorschrift 8. De door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
-
- Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij dient te worden geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
-
- In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te voorkomen dat het schip uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de bepalingen van deze Bijlage.
-
- De werkwijzen betreffende de controle door de havenstaat bedoeld in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
-
- Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 9. Informatieborden, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van de gegevens inzake vuilnis
- 1.
- a. Elk schip met een volle lengte van 12 meter of meer moet zijn voorzien van informatieborden die de bemanning en de passagiers informeren over de eisen inzake het storten van vuilnis van Voorschrift 3 en 5 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- b. De informatie op de borden wordt geschreven in de voertaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 ton en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren heeft een vuilnisbeheerplan, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in geschreven procedures voor de verzameling, opslag, verwerking en verwijdering van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan wordt tevens de persoon aangewezen die belast is met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die zijn opgesteld door de Organisatie en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
-
- Elk schip met een bruto tonnage van 400 en meer en elk schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag en elk vast en drijvend platform gebruikt voor de exploratie en exploitatie van de zeebodem moet zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal moet, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het Aanhangsel bij deze Bijlage;
- a. Van elke lozing of voltooide verbranding dient melding te worden gemaakt in het vuilnisjournaal, en deze melding dient te worden ondertekend op de dag van de verbranding of lozing door de officier belast met de handeling. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal moet worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze aantekeningen doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- b. De aantekening van elke verbranding of lozing omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, een beschrijving van de vuilnis en de geschatte verbrande of geloosde hoeveelheid;
- c. Het vuilnisjournaal moet aan boord worden bewaard en op een plaats waar het binnen een redelijke tijd beschikbaar is voor raadpleging. Het document moet gedurende een termijn van twee jaar na de laatste aantekening worden bewaard;
- d. In geval van lozing, ontsnapping of toevallig verlies als bedoeld in Voorschrift 6 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal melding te worden gemaakt van de omstandigheden waaronder en de redenen waarom het verlies geschiedde.
-
- De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- i. schepen die reizen maken van 1 uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- ii. vaste of drijvende platforms tijdens de exploratie en exploitatie van de zeebodem.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij bij het Verdrag heeft het recht het vuilnisjournaal te controleren aan boord van elk schip waarop dit Voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van die Staat bevindt en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein te verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de desbetreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, moet bij alle gerechtelijke procedures worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De controle van een vuilnisjournaal en het maken van een waarheidsgetrouw afschrift door de bevoegde instantie in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf dient zo snel mogelijk te geschieden zonder aan het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
-
- Ten aanzien van schepen die vóór 1 juli 1997 zijn gebouwd, is dit voorschrift van toepassing met ingang van 1 juli 1998.
HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16 en 18 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
- .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
- .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voorstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van destillaten en residuale brandstof.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
- halon 1211 broomchloordifluormethaan
- halon 1301 broomtrifluormethaan
- halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
- CFK-11 trichloorfluormethaan
- CFK-12 dichloordifluormethaan
- CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
- CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
- CFK-115 chloorpentafluorethaan
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder tankschip verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip zoals omschreven in voorschrift 1van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
- .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
HOOFDSTUK 4. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 5. Onderzoeken
Alle schepen met een brutotonnage van 400 ton en meer, alsmede alle vaste en drijvende boorinstallaties en andere platforms worden onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
- .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage;
- .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
- .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met het vierde lid van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
- .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dient, al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven door het vierde lid van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in het vijfde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid van deze reparaties of vervangingen in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van deze Bijlage.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400 ton, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te verzekeren dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
- .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op een certificaat
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
- .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
- .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan schepen gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van die schepen dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met het eerste lid van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere Partij
Een Partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op het certificaat van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 8. Model van het certificaat
Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van het certificaat
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:
- .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
- .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
- .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
- .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
- .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 10. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK 7. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor.
Indien het op of na 1 januari 2016, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift (generatie II). De Organisatie dient richtlijnen op te stellen met de criteria wanneer een vervangende motor niet kan voldoen aan de normen van lid 5.1.1 van dit voorschrift.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2016:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1.1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .1.2. 9·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .1.3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm;
- .2. zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit lid van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing; en
- .3. zijn de normen vervat in het vierde lid van dit voorschrift van toepassing wanneer het schip vaart in een ingevolge het zesde lid van dit voorschrift aangewezen gebied voor emissiebeheersing.
5.2. Onverminderd de toetsing vervat in het tiende lid van dit voorschrift zijn de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Noord-Amerikaanse gebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .2. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden die door de Organisatie zijn aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van een schip met een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor een scheepsdieselmotor waarop lid 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge lid 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge lid 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in lid 7.2 van dit voorschrift.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Tussen 2012 en uiterlijk 2013 zal de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen voor de implementatie van de normen vervat in lid 5.1.1 van dit voorschrift toetsen en wanneer dat nodig blijkt, de daarin voorziene termijnen aanpassen.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:
- .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
- .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
- .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I en de Noordzee zoals omschreven in voorschrift 5.1.f van Bijlage V;
- .2. het Noord-Amerikaanse gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .3. elk ander zeegebied, met inbegrip van havengebieden die door de Organisatie zijn aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:
- .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
- .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010; en
- .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na een wijziging waarbij een specifiek beheersgebied voor emissies ingevolge lid 3.2 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van het vierde en zesde lid van dit voorschrift alsmede van de vereisten van het vijfde lid van dit voorschrift voorzover zij betrekking hebben op het vierde lid van dit voorschrift.
In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:
- .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
- .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
- .3. overige relevante aangelegenheden.
De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.
Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
- .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
- .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
- .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
- .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
- .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
- .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Niets in dit voorschrift:
- .1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, noch
- .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
- .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
- .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
- .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
- .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
- .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
- .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
- .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- .2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de leden 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
- .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
- .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16, 18, 19, 20, 21 en 22 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
- .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
- .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voortstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van gas, destillaten en residuale brandstoffen.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen. Een door gas aangedreven motor die wordt geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 maart 2016 of een door gas aangedreven aanvullende of niet-identieke vervangende motor die op of na die datum wordt geïnstalleerd wordt eveneens als scheepsdieselmotor beschouwd.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
- halon 1211 broomchloordifluormethaan
- halon 1301 broomtrifluormethaan
- halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
- CFK-11 trichloorfluormethaan
- CFK-12 dichloordifluormethaan
- CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
- CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
- CFK-115 chloorpentafluorethaan
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder tankschip in verband met voorschrift 15 verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:
-
- wordt onder bestaand schip verstaan een schip dat geen nieuw schip is.
-
- wordt onder nieuw schip verstaan een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2013; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2013; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2015.
-
- wordt onder belangrijke wijziging in verband met Hoofdstuk 4 verstaan een wijziging van een schip:
- .1. waardoor de afmetingen, het laadvermogen of het motorvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
- .2. waardoor het type van het schip verandert; of
- .3. waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
- .4. waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
- .5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in voorschrift 21, zou kunnen overschrijden.
-
- wordt onder bulkcarrier verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in SOLAS Hoofdstuk XII, voorschrift 1, maar uitgezonderd combinatietankers.
-
- wordt ondergastanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip, niet zijnde een lng-tanker als omschreven in paragraaf 38 van dit voorschrift, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van een vloeibaar gemaakt gas.
-
- wordt onder tankschipin verband met Hoofdstuk 4 verstaan een olietankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van MARPOL Bijlage I of een chemicaliëntankschip of NLS-tankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van MARPOL Bijlage II.
-
- wordt onder containerschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van containers in laadruimen of aan dek.
-
- wordt onder algemeen vrachtschip verstaan een schip met een of meerdere dekken dat hoofdzakelijk ontworpen is voor het vervoer van algemene lading. Onder deze begripsomschrijving vallen geen gespecialiseerde droge-ladingschepen, die niet zijn opgenomen in de berekening van de referentielijnen voor algemene vrachtschepen, te weten vrachtschepen voor vee, lichterschepen, zwaartransportschepen, jachttransportschepen en schepen voor het vervoer van splijtstoffen.
-
- wordt onder koelschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
-
- wordt onder combinatietanker verstaan een schip dat ontworpen is om 100% van zijn draagvermogen te gebruiken voor het vervoer van zowel vloeibare als droge bulklading.
-
- wordt onder passagiersschip verstaan een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert.
-
- wordt onder rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) verstaan een rij-op-rij-af-vrachtschip met meerdere dekken dat ontworpen is voor het vervoer van lege voertuigen en vrachtvoertuigen.
-
- wordt onder rorovrachtschip verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
-
- wordt onder roropassagiersschip verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
-
- wordt onder bereikte EEDI verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 20 van Hoofdstuk 4.
-
- wordt onder vereiste EEDI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge voorschrift 21 van Hoofdstuk 4 is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
-
- wordt onder lng-tanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt aardgas (lng).
-
- wordt onder cruiseschip in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een passagiersschip zonder ladingdek dat uitsluitend is ontworpen voor het commercieel vervoer van passagiers in overnachtingsaccommodaties tijdens een zeereis.
-
- wordt onder conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode waarbij de primaire aandrijving wordt gevormd door een of meer hoofdzuigerverbrandingsmotoren die rechtstreeks of via een versnellingsbak gekoppeld zijn aan een aandrijfas.
-
- wordt onder niet-conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode anders dan conventionele voortstuwing, met inbegrip van diesel-elektrische voortstuwing, voorstuwing met turbines en hybride voortstuwing.
-
- wordt ondervrachtschip dat in staat is ijs te breken in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip dat is ontworpen om zelfstandig ijslagen te breken met een snelheid van ten minste 2 knopen waarbij de ijslaag een dikte heeft van 1.0 meter of meer en een buigsterkte van ten minste 500 kPa.
-
- wordt onder een schip opgeleverd op of na 1 september 2019 verstaan een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 september 2015; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 maart 2016; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.
- Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
- .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden
Elke partij waarvan de kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat:
- .1. voorzien wordt in inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval in havens en laad- en losplaatsen in een bijzonder gebied die door passagiersschepen worden gebruikt;
- .2. de inrichtingen toereikend zijn voor de behoeften van deze passagiersschepen; en
- .3. de inrichtingen zodanig worden geëxploiteerd dat zij geen onnodig oponthoud van deze passagiersschepen veroorzaken.
De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 11.3 ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 14. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij wordt onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door bedoelde partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde operationele vereisten, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal
- .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- .2. De informatie op de plakkaten wordt geschreven in de werktaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal dient, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, te zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage:
- .1. Elke lozing in zee of naar een ontvangstinstallatie of een volledige verbranding dient onmiddellijk te worden aangetekend in het vuilnisjournaal, en deze aantekening dient te worden ondertekend op de datum van de lozing of verbranding door de verantwoordelijke officier. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn de aantekeningen in die taal doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- .2. De aantekening van elke lozing of verbranding omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde of verbrande hoeveelheid;
- .3. Het vuilnisjournaal dient aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform te worden bewaard en op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het document dient gedurende een termijn van ten minste twee jaar na de laatste aantekening te worden bewaard;
- .4. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 400 brutoton in het scheepsjournaal, een aantekening te worden gemaakt van de locatie, de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing of het verlies geschiedde en welke redelijke voorzorgsmaatregelen zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- .1. schepen die reizen maken van een (1) uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- .2. vaste of drijvende platforms.
De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in de voorschriften 3, 5, 6, 13, 15, 16, 18, 19, 20, 21 en 22 van deze Bijlage.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
- .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
- .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voorstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van destillaten en residuale brandstof.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
- halon 1211 broomchloordifluormethaan
- halon 1301 broomtrifluormethaan
- halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
- CFK-11 trichloorfluormethaan
- CFK-12 dichloordifluormethaan
- CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
- CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
- CFK-115 chloorpentafluorethaan
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder tankschip in verband met voorschrift 15 verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:
-
- wordt onder bestaand schip verstaan een schip dat geen nieuw schip is.
-
- wordt onder nieuw schip verstaan een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2013; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2013; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2015.
-
- wordt onder belangrijke wijziging in verband met Hoofdstuk 4 verstaan een wijziging van een schip:
- .1. waardoor de afmetingen, het laadvermogen of het motorvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
- .2. waardoor het type van het schip verandert; of
- .3. waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
- .4. waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
- .5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in voorschrift 21, zou kunnen overschrijden.
-
- wordt onder bulkcarrier verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in SOLAS Hoofdstuk XII, voorschrift 1, maar uitgezonderd combinatietankers.
-
- wordt ondergastanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip, niet zijnde een lng-tanker als omschreven in paragraaf 38 van dit voorschrift, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van een vloeibaar gemaakt gas.
-
- wordt onder tankschipin verband met Hoofdstuk 4 verstaan een olietankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van MARPOL Bijlage I of een chemicaliëntankschip of NLS-tankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van MARPOL Bijlage II.
-
- wordt onder containerschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van containers in laadruimen of aan dek.
-
- wordt onder algemeen vrachtschip verstaan een schip met een of meerdere dekken dat hoofdzakelijk ontworpen is voor het vervoer van algemene lading. Onder deze begripsomschrijving vallen geen gespecialiseerde droge-ladingschepen, die niet zijn opgenomen in de berekening van de referentielijnen voor algemene vrachtschepen, te weten vrachtschepen voor vee, lichterschepen, zwaartransportschepen, jachttransportschepen en schepen voor het vervoer van splijtstoffen.
-
- wordt onder koelschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
-
- wordt onder combinatietanker verstaan een schip dat ontworpen is om 100% van zijn draagvermogen te gebruiken voor het vervoer van zowel vloeibare als droge bulklading.
-
- wordt onder passagiersschip verstaan een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert.
-
- wordt onder rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) verstaan een rij-op-rij-af-vrachtschip met meerdere dekken dat ontworpen is voor het vervoer van lege voertuigen en vrachtvoertuigen.
-
- wordt onder rorovrachtschip verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
-
- wordt onder roropassagiersschip verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
-
- wordt onder bereikte EEDI verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 20 van Hoofdstuk 4.
-
- wordt onder vereiste EEDI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge voorschrift 21 van Hoofdstuk 4 is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
-
- wordt onder lng-tanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt aardgas (lng).
-
- wordt onder cruiseschip in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een passagiersschip zonder ladingdek dat uitsluitend is ontworpen voor het commercieel vervoer van passagiers in overnachtingsaccommodaties tijdens een zeereis.
-
- wordt onder conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode waarbij de primaire aandrijving wordt gevormd door een of meer hoofdzuigerverbrandingsmotoren die rechtstreeks of via een versnellingsbak gekoppeld zijn aan een aandrijfas.
-
- wordt onder niet-conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode anders dan conventionele voortstuwing, met inbegrip van diesel-elektrische voortstuwing, voorstuwing met turbines en hybride voortstuwing.
-
- wordt ondervrachtschip dat in staat is ijs te breken in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip dat is ontworpen om zelfstandig ijslagen te breken met een snelheid van ten minste 2 knopen waarbij de ijslaag een dikte heeft van 1.0 meter of meer en een buigsterkte van ten minste 500 kPa.
-
- wordt onder een schip opgeleverd op of na 1 september 2019 verstaan een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 september 2015; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 maart 2016; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
- .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
Voorschrift 5. Onderzoeken
Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie en ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van Hoofdstuk 3 wordt voldaan:
- .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
- .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
- .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
- .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
- .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van Hoofdstuk 3.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van Hoofdstuk 3 wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
- .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
Schepen waarop Hoofdstuk 4 van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren:
- .1. Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI van het schip in overeenstemming is met de vereisten van Hoofdstuk 4 en dat het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is;
- .2. Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een nieuw schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met voorschrift 2.23;
- .3. In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is; en
- .4. Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
- .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
- .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan een schip gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van het betreffende schip dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met paragraaf 1 van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.
Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5.4 afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 of meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.
Het certificaat wordt afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij
Een partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien te haren genoegen vaststaat dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op dergelijke certificaten van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.
Voorschrift 8. Model van de certificaten
Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel VIII bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van de certificaten
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:
- .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
- .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
- .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
- .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
- .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.
Een ingevolge deze Bijlage afgegeven Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien een schip uit de vaart wordt genomen of indien een nieuw certificaat wordt afgegeven na een belangrijke wijziging van het schip; of
- .2. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van Hoofdstuk 4. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Met betrekking tot Hoofdstuk 4 is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan boord is in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NOx) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut): waarbij geldt
- .1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 9 • n(-0,2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2.000 opm;
- .3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.;
- .2. indien het schip gebouwd is op of na 1 januari 2016 en vaart in het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing en in het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied voor emissiebeheersing; indien
- .3. het schip vaart in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, anders dan een gebied voor emissiebeheersing beschreven in paragraaf 5.1.2 van dit voorschrift, en dat is gebouwd op of na de datum waarop dit gebied voor emissiebeheersing is aangenomen, of op een latere datum vermeld in de wijziging waarin het gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III is aangewezen, naargelang van welke datum de laatste is.
5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
- .3. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Noord-Amerikaanse gebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .2. het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .3. elk ander zeegebied, met inbegrip van elk havengebied, dat door de Organisatie is aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is te worden aangegeven dat hetzij een goedgekeurde methode is toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift, hetzij dat de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift, hetzij dat een goedgekeurde methode nog niet bestaat, hetzij dat deze nog niet op de markt verkrijgbaar is zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:
- .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
- .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
- .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I en het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V;
- .2. het Noord-Amerikaanse gebied zoals aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
- .3. het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten zoals aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .4. elk ander zeegebied, met inbegrip van elk havengebied, dat door de Organisatie is aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:
- .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
- .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010;
- .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015; en
- .4. Vóór 1 januari 2020 is het zwavelgehalte van brandstofolie zoals bedoeld in paragraaf 4 van dit voorschrift niet van toepassing op schepen die varen in het Noord-Amerikaanse gebied of in het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten zoals omschreven in paragraaf 3, die gebouwd zijn op of vóór 1 augustus 2011 en die aangedreven worden door ketels voor de voortstuwing die oorspronkelijk niet ontworpen zijn om op destillaat-scheepsbrandstof of aardgas te blijven doorvaren.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.
In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:
- .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
- .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
- .3. overige relevante aangelegenheden.
De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.
Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
- .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
- .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
- .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
- .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
- .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
- .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Niets in dit voorschrift:
- .1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, noch
- .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
- .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
- .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
- .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
- .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
- .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
- .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
- .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- .2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de leden 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
- .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
- .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE ENERGIE-EFFICIËNTIE VOOR SCHEPEN
Voorschrift 19. Toepassing
Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:
- .1. schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
- .2. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO’s), drijvende opslageenheden (FSU’s) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
De voorschriften 20 en 21 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 20 en 21 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en lng-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2. De voorschriften 20 en 21 zijn niet van toepassing op vrachtschepen die in staat zijn ijs te breken.
Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 20 en voorschrift 21 voor een schip met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2017; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
- .4. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in voorschrift 2.24, op of na 1 januari 2017, en waarbij voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 van Hoofdstuk 2 van toepassing zijn.
De Administratie van een partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de partijen bij dit Protocol ter kennisneming.
Voorschrift 20. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
De bereikte EEDI wordt berekend voor:
- .1. elk nieuw schip;
- .2. elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier bij de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatieVerwijst naar de Code voor Erkende Organisaties (RO Code), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.237(65), eventueel als gewijzigd..
De bereikte EEDI wordt berekend met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Voorschrift 21. Vereiste EEDI
Voor elk:
- .1. nieuw schip;
- .2. nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.31, 2.33 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt: Bereikte EEDI ≤ Vereiste EEDI = (1-X/100) × waarde referentielijn waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
Voor elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van paragraaf 21.1, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.
| Scheepstype | Omvang | Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 | Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 | Fase 3 1 jan 2025 en daarna |
|---|---|---|---|---|---|
| Bulkcarrier | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Bulkcarrier | 10.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Gastanker | 10.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Gastanker | 2.000 – 10.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Tankschip | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Tankschip | 4.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Containerschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Containerschip | 10.000 – 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Algemeen vrachtschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 |
| Algemeen vrachtschip | 3.000 – 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–151) | 0–301) |
| Koelschip | 5.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 |
| Koelschip | 3.000 – 5.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–151) | 0–301) |
| Combinatietanker | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Combinatietanker | 4.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Lng-tanker*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t | 10** | 20 | 30 |
| Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen)*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 15 | 30 |
| Rorovrachtschip*** | 2.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Rorovrachtschip*** | 1.000 – 2.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
| Roropassagiersschip*** | 1.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Roropassagiersschip*** | 250 – 1.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
| Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 85.000 en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 25.000 – 85.000 | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
- De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd uit de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
** Fase 1 begint voor deze schepen op 1 september 2015.
*** De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2.
Noot: n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:
Waarde referentielijn = a ×b -c
waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.
| Scheepstype omschreven in voorschrift 2 | a | b | c |
|---|---|---|---|
| 2.25 Bulkcarrier | 961,79 | draagvermogen van het schip | 0,477 |
| 2.26 Gastanker | 1120,00 | draagvermogen van het schip | 0,456 |
| 2.27 Tankschip | 1218,80 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.28 Containerschip | 174,22 | draagvermogen van het schip | 0,201 |
| 2.29 Algemeen vrachtschip | 107,48 | draagvermogen van het schip | 0,216 |
| 2.30 Koelschip | 227,01 | draagvermogen van het schip | 0,244 |
| 2.31 Combinatietanker | 1219,00 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.33 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) | (draagvermogen/brutotonnage)-0,7 780,36 waarbij draagvermogen/ brutotonnage <0.3 1812,63 waarbij draagvermogen/brutotonnage ≥0.3 | draagvermogen van het schip | 0,471 |
| 2.34 Rorovrachtschip | 1405,15 | draagvermogen van het schip | 0,498 |
| 2.35 Roropassagiersschip | 752,16 | draagvermogen van het schip | 0,381 |
| 2.38 Lng-tanker | 2253,7 | draagvermoge van het schip | 0,474 |
| 2.39 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | 170,84 | brutotonnage van het schip | 0,214 |
Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (laagste) vereiste EEDI.
Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren, te handhaven.
Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.
Voorschrift 22. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)
Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnd energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip.
Het SEEMP moet worden ontwikkeld met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren.
Voorschrift 23. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.
De Administratie van een partij werkt actief samen met andere partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 44. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 45. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 11. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en maand van elk jaar overeenkomend met de datum van verstrijken van het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- wordt onder bijbehorende pijpleidingen verstaan de pijpleiding van het aanzuigpunt in een ladingtank naar de walaansluiting die wordt gebruikt voor het lossen van de lading en waaronder zijn begrepen alle pijpleidingen, pompen en filters van het schip die een open verbinding hebben met de ladingloslijn.
-
- Ballastwater wordt onder schone ballast verstaan ballastwater in een tank die, nadat er voor het laatst een lading in werd vervoerd die een stof bevatte van de categorie X, Y of Z, grondig is schoongemaakt en waaruit de als gevolg daarvan overgebleven residuen zijn geloosd en welke tank is geleegd overeenkomstig de desbetreffende vereisten van deze Bijlage. wordt onder gescheiden ballast verstaan ballastwater dat wordt ingenomen in een tank, die permanent is bestemd voor het vervoeren van ballast of andere ladingen dan olie of schadelijke vloeistoffen zoals onderscheidenlijk omschreven in de Bijlagen van dit Verdrag, en die volledig gescheiden is van de lading en het brandstofoliesysteem.
-
- Chemicaliëncodes wordt onder Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.20(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage. wordt onder Internationale Code voor chemicaliën in bulk verstaan de Internationale Code voor de bouw en uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu van de Organisatie bij resolutie MEPC.19(22), als gewijzigd door de Organisatie, mits deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage.
-
- wordt onder waterdiepte verstaan de diepte zoals op de kaart aangegeven.
-
- wordt onder onderweg verstaan dat het schip onderweg is op zee op een of meerdere koersen, met inbegrip van afwijking van de kortste rechtstreekse route, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, waarbij elke of iedere lozing, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee wordt verspreid.
-
- wordt onder vloeistoffen verstaan stoffen die een dampspanning hebben van ten hoogste 0,28 MPa bij een temperatuur van 37,8°C.
-
- wordt onder Handboek verstaan het Handboek voor procedures en voorzieningen in overeenstemming met het in aanhangsel 6 van deze Bijlage weergegeven model.
-
- Dichtstbijzijnde land wordt onder de uitdrukking van het dichtstbijzijnde land verstaan: van de basislijn van waaruit de betrokken territoriale zee wordt bepaald overeenkomstig het internationale recht, behoudens dat, voor de toepassing van dit Verdrag onder van het dichtstbijzijnde land onder de noordoostkust van Australië wordt verstaan: van de lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op:
- 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte
- naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte,
- vandaar naar een punt op de kust van Australië
- op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt onder onder schadelijke vloeistof verstaan iedere stof die is vermeld in de kolom Verontreinigingscategorie van hoofdstuk 17 of 18 van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk of die ingevolge de bepalingen van voorschrift 6.3voorlopig is ingedeeld in categorie X, Y of Z.
-
- wordt onder PPM verstaan ml/m3.
-
- wordt onder residu verstaan elke schadelijke vloeistof die overblijft waarvan men zich nog moet voldoen.
-
- wordt onder residu-watermengsel verstaan residu waaraan voor enig doel water is toegevoegd (bijv. tankreiniging, ballasten, lenswater).
-
- Bouw schip
- 14.1. wordt onder schip dat wordt gebouwd verstaan een schip waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt. Een schip dat verbouwd is tot chemicaliëntankschip, wordt, ongeacht de datum van de bouw, beschouwd als een chemicaliëntankschip dat gebouwd is op de datum waarop met deze verbouw is begonnen. Deze bepaling inzake de verbouw van schepen is niet van toepassing op de wijziging van een schip dat aan alle volgende voorwaarden voldoet:
- .1 het schip is gebouwd vóór 1 juli 1986; en
- .2 met betrekking tot het schip is krachtens de Code voor chemicaliën in bulk een certificaat afgegeven voor het uitsluitend vervoer van die producten welke in de Code zijn aangemerkt als stoffen die uitsluitend een verontreinigingsrisico opleveren.
- 14.2. wordt onder soortgelijk stadium van aanbouwverstaan het stadium waarin:
- .1 de bouw als die van een bepaald schip herkenbaar is; en
- .2 met de samenbouw van dat schip is begonnen, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- Stollend/niet-stollend
- 15.1. wordt onder stollende stof verstaan een schadelijke vloeistof die:
- .1 in het geval van een stof met een smeltpunt van minder dan 15°C een temperatuur heeft van minder dan 5°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen; of
- .2 in het geval van een stof met een smeltpunt van 15°C of meer een temperatuur heeft van minder dan 10°C boven het smeltpunt op het tijdstip van lossen.
- 15.2. wordt onder niet-stollende stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen stollende stof is.
-
- Tankschip
- .1 wordt onder chemicaliëntankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van een vloeibaar product dat staat vermeld in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk;
- .2 wordt onder NLS-tankschip verstaan een schip, gebouwd of aangepast voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen, alsmede een „olietankschip” als omschreven in Bijlage I van dit Verdrag wanneer dit schip is gecertificeerd voor het vervoer van lading of deellading van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Viscositeit
- .1 wordt onder hoogvisceuze stof verstaan een schadelijke vloeistof van categorie X of Y met een viscositeit van 50 mPa.s of meer bij de lostemperatuur.
- .2 wordt onder laagvisceuze stof verstaan, een schadelijke vloeistof die geen hoogvisceuze stof is.
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
-
- Tenzij uitdrukkelijk anders wordt bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk.
-
- Wanneer een lading waarop de bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag van toepassing zijn, wordt vervoerd in een laadruim van een NLS-tankschip, zijn de desbetreffende bepalingen van Bijlage I van dit Verdrag ook van toepassing.
Voorschrift 3. Uitzonderingen
-
- De lozingsvereisten van deze Bijlage zijn niet van toepassing op de lozing in zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die deze stoffen bevatten wanneer een dergelijke lozing:
- .1 noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2 het gevolg is van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .1 mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de lozing alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de lozing te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2 uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, of wel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan; of
- .3 wordt goedgekeurd door de Administratie, wanneer de lozing wordt gebruikt met het oog op de bestrijding van specifieke verontreinigingsvoorvallen of ter minimalisering van de door verontreiniging veroorzaakte schade. Dergelijke lozingen moeten worden goedgekeurd door de Regering in wier rechtsgebied de lozing naar verwachting zal plaatsvinden.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
Voorschrift 6. Indeling in categorieën en opsomming van schadelijke vloeistoffen en andere stoffen
-
- Voor de toepassing van de voorschriften van deze Bijlage, worden schadelijke vloeistoffen ingedeeld in de volgende vier categorieën:
- .1 Categorie X: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een groot gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve het verbod van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .2 Categorie Y: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, of die ernstige schade zouden toebrengen aan de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden of aan ander rechtmatig gebruik van de zee en derhalve een kwalitatieve en kwantitatieve beperking van de lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .3 Categorie Z: Schadelijke vloeistoffen die, wanneer zij bij het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast in zee worden geloosd, worden geacht een klein gevaar op te leveren voor hetzij het mariene milieu, hetzij de gezondheid van de mens, en derhalve minder strenge kwalitatieve en kwantitatieve beperkingen van lozing in het mariene milieu rechtvaardigen;
- .4 Andere stoffen die in de kolom verontreinigingscategorie van hoofdstuk 18 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk zijn aangeduid als OS (Other Substances) die zijn beoordeeld en waarvan is vastgesteld dat zij niet vallen onder categorie X, Y of Z zoals omschreven in voorschrift 6.1 van deze Bijlage, aangezien zij op het ogenblik niet schadelijk worden geacht voor de gezondheid van de mens, de rijkdommen van de zee, de recreatiemogelijkheden en ander rechtmatig gebruik van de zee, wanneer zij in zee worden geloosd als gevolg van het reinigen van tanks of het verwijderen van ballast. De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen van lenswater of ballastwater of andere residuen of mengsels die alleen stoffen bevatten waarnaar wordt verwezen als „Andere stoffen”.
-
- Richtlijnen voor de indeling in categorieën van schadelijke vloeistoffen worden gegeven in aanhangsel I van deze Bijlage.
-
- Wanneer wordt voorgesteld een vloeistof in bulk te vervoeren, die niet in een categorie is ingedeeld ingevolge het eerste lid van dit voorschrift, komen de Regeringen van de Partijen bij dit Verdrag die bij het voorgestelde vervoer zijn betrokken een voorlopige indeling overeen voor het voorgestelde vervoer, zulks op grond van de richtlijnen bedoeld in lid 2 van dit voorschrift. Totdat de betrokken Regeringen volledige overeenstemming hebben bereikt, mag de stof niet worden vervoerd. Zo snel mogelijk, doch uiterlijk 30 dagen nadat overeenstemming is bereikt, stelt de Regering van het producerende of vervoerende land, die de aanzet tot de desbetreffende overeenkomst heeft gegeven, de Organisatie in kennis en verstrekt zij nadere gegevens met betrekking tot de stof en de voorlopige indeling ten behoeve van de jaarlijkse rondzending ter kennisgeving aan alle Partijen. De Organisatie houdt een register bij van al deze stoffen en de voorlopige indeling ervan totdat de stoffen officieel in de IBC-code worden opgenomen.
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 9. Afgifte van of aantekening op het certificaat
-
- Na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek overeenkomstig de bepalingen van voorschrift 8 van deze Bijlage wordt een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan elk schip dat bestemd is om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag.
-
- Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening geplaatst hetzij door de Administratie, hetzij door daartoe door haar gemachtigde personen of organisaties. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
- 3.1. De Regering van een Partij bij het Verdrag kan, op verzoek van de Administratie, een schip aan een onderzoek doen onderwerpen en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgeven, of machtigen tot afgifte daarvan, en in voorkomend geval, een aantekening plaatsen, of machtigen tot plaatsing van een aantekening, op dat certificaat aan boord van het schip, overeenkomstig deze Bijlage.
- 3.2. Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
- 3.3. Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten, inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens lid 1 van dit voorschrift.
- 3.4. Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is bij dit Verdrag.
-
- Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel 3 bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
Voorschrift 10. Geldigheidsduur en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak dat evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, is het nieuwe certificaat, niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat.
- 2.2. Indien het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- 2.3. Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is voltooid.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in lid 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 8.1.3 en 8.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar naar behoren worden verricht.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is voltooid en een nieuw certificaat niet kan worden afgegeven of aan boord van het schip geplaatst vóór de datum van verstrijken van het bestaande certificaat, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en wordt dit certificaat als geldig aanvaard voor een nieuw tijdvak dat niet langer mag zijn dan vijf maanden na de datum van verstrijken.
-
- Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het moet worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het moet worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het moet worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2, onderdeel 5 of 6, van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 8 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1 wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2 wordt het in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum;
- .3 kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 8 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
-
- Een ingevolge voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 8.1 van deze Bijlage;
- .2 indien er op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met voorschrift 8.1.3 of 8.1.4 van deze Bijlage;
- .3 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van het certificaat die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschrift 12. Pompen, pijpleidingen, losvoorzieningen en sloptanks
-
- Elk schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 900 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 juli 1986, maar vóór 1 juli 2007, dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X of Y een residu achterblijft van meer dan 100 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen en dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z een residu achterblijft van meer dan 300 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Elk schip dat is gebouwd op of na 1 januari 2007 dient te zijn uitgerust met een pomp- en pijpleidingvoorziening die waarborgt dat in geen van de tanks gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z een residu achterblijft van meer dan 75 liter in de tank en de bijbehorende pijpleidingen. In overeenstemming met aanhangsel 5 van deze Bijlage wordt de werking van deze voorzieningen beproefd.
-
- Voor andere schepen dan chemicaliëntankschepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die niet kunnen voldoen aan de vereisten van de pomp- en pijpleidingvoorzieningen voor de in lid 1 en 2 van dit voorschrift bedoelde stoffen van categorie Z, zijn geen kwantitatieve vereisten van toepassing. Naleving wordt geacht te zijn gerealiseerd indien de tank zoveel mogelijk is geleegd.
-
- De in lid 1, 2 en 3 van dit voorschrift bedoelde werkingsproeven van de pompen moeten door de Administratie worden goedgekeurd. Bij de pompwerkingsproeven moet water als beproevingsmiddel worden gebruikt.
-
- Schepen gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie X, Y of Z, dienen een of meerdere onderwateruitlaat of -uitlaten te hebben.
-
- Voor schepen die zijn gebouwd vóór 1 januari 2007 die zijn gecertificeerd voor het vervoer van stoffen van categorie Z, is een onderwateruitlaat als vereist in lid 6 van dit voorschrift niet verplicht.
-
- De onderwateruitlaat (of uitlaten) dient (dienen) zich te bevinden in het ladinggedeelte, nabij de ronding van de kim, en dient (dienen) zodanig te zijn aangebracht dat wordt vermeden dat residu-watermengsels weer naar binnen worden gezogen via de zeewaterinlaten van het schip.
-
- De voorziening van de onderwateruitlaat dient zodanig te zijn dat de geloosde residu-watermengsels niet door de huidbeplating van het schip lopen. Daarom dient, wanneer de lozing loodrecht op de huidbeplating plaatsvindt, de lozingsuitlaat minimaal een diameter te hebben die wordt berekend met de volgende formule: waarbij: d = de minimum diameter van de uitlaat (m) Ld = de afstand van de voorloodlijn tot de uitlaat (m) Qd = de geselecteerde maximum snelheid waarbij het schip een residu-watermengsel kan lozen via de uitlaat (m3/u).
-
- Wanneer de lozing plaatsvindt bij een hoek ten opzichte van de huidbeplating van het schip, dient bovenstaande verhouding te worden veranderd door Qd te vervangen door de component van Qd loodrecht op de huidbeplating.
-
- Sloptanks In deze Bijlage wordt het aanbrengen van afzonderlijke sloptanks weliswaar niet verplicht gesteld, maar voor bepaalde wasprocedures kunnen sloptanks toch noodzakelijk zijn. In dat geval kunnen ladingtanks als sloptanks worden gebruikt.
HOOFDSTUK 4. ONTWERP, CONSTRUCTIE, VOORZIENINGEN EN UITRUSTING
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, al dan niet als onderdeel van het voorgeschreven scheepsdagboek, in de vorm als omschreven in aanhangsel 2 bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
HOOFDSTUK 5. – OPERATIONELE LOZINGEN VAN RESIDUEN VAN SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 7. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN EEN INCIDENT MET SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
- 2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1, 2 en 4 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 2ter. Indien voorschrift 13 van deze Bijlage een voorwas verplicht stelt en het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten van toepassing is op de haven van lossen, wordt de voorwas en de daarop volgende afgifte aan een ontvangstfaciliteit uitgevoerd zoals voorgeschreven door voorschrift 13 van deze Bijlage of bij een regionale ontvangstfaciliteit voor afval van schepen vermeld in het desbetreffende regionale plan voor ontvangstfaciliteiten.
-
- De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van voorschrift 13 met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
HOOFDSTUK 7. VOORKOMING VAN VERONTREINIGING ALS GEVOLG VAN EEN INCIDENT MET SCHADELIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 19. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 20. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan een periodieke audit door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voorschrift 4. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dienen duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd teneinde in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code aan te geven dat de stof een schadelijke stof is.
De wijze van merken of het aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code.
Voorschrift 5. Begeleidende papieren
Transportinformatie over het vervoer van schadelijke stoffen dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code en dient ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Op elk schip dat schadelijke stoffen vervoert dient een bijzondere lijst, een manifest of een gedetailleerd stuwplan aanwezig te zijn waarin in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code de schadelijke stoffen aan boord en de locatie ervan zijn vermeld. Voor vertrek dient een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie ter beschikking te worden gesteld.
Voorschrift 6. Stuwen
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 7. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 8. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de fysische, chemische en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 9. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij bevindt wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door die partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan wordt aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord.
Wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen, neemt de partij maatregelen, waaronder het verrichten van een gedetailleerde inspectie en ziet er indien nodig op toe dat het schip niet uitvaart, voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 11. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 5. Afgifte of goedkeuring van een certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven na een eerste onderzoek of een hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 4 van deze Bijlage aan elk schip dat reizen maakt naar havens of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen bij het Verdrag. Ten aanzien van bestaande schepen zal dit vereiste vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage van toepassing worden.
-
- Deze certificaten worden afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie1)Zie de door de Organisatie bij resolutie A.739(18) aangenomen Richtlijnen voor de bevoegdverklaring van organisaties die optreden namens Administraties en de door de Organisatie bij resolutie A.789(19) aangenomen Specificaties inzake de onderzoeks- en certificeringsfuncties van erkende organisaties die optreden namens de Administratie.. In alle gevallen neemt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 6. Afgifte of aantekening op een certificaat door de Regering van een ander land
-
- Op verzoek van de Administratie kan de Regering van een Partij bij het Verdrag een schip doen onderzoeken en, indien zij ervan overtuigd is dat aan de bepalingen van dit Verdrag wordt voldaan, geeft zij het certificaat af of geeft zij toestemming voor afgifte van een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval aan het schip, en waar van toepassing plaatst zij een aantekening op het certificaat of geeft zij toestemming voor het plaatsen van een aantekening op dat certificaat van het schip in overeenstemming met deze Bijlage.
-
- Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die om het onderzoek heeft verzocht.
-
- Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde geldigheid en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 5 van deze Bijlage.
-
- Er wordt geen internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door sanitair afval afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen Partij is.
Voorschrift 7. Model van het certificaat
Het Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in het aanhangsel bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn opgesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 8. Looptijd en geldigheid van het certificaat
-
- Een Internationaal Certificaat van Voorkoming van Verontreiniging door Sanitair Afval wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgestelde termijn die evenwel niet langer is dan vijf jaar.
- 2.
- .1 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond binnen drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat, onverminderd de vereisten van punt 1 van dit voorschrift, geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .2 Indien het hernieuwde onderzoek wordt afgerond na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt.
- .3 Indien het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt afgerond, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het hernieuwde onderzoek is afgerond.
-
- Indien een certificaat wordt afgegeven voor een periode van minder dan vijf jaar, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen tot na de vervaldatum tot de maximumperiode genoemd in punt 1 van dit voorschrift.
-
- Indien een hernieuwd onderzoek is afgerond en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden geplaatst , kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig gedurende een nieuwe termijn die evenwel niet langer mag zijn dan vijf maanden na de vervaldatum.
-
- Indien een schip op het tijdstip waarop een certificaat vervalt zich niet in de haven bevindt waarin het dient te worden onderzocht, kan deAdministratie de geldigheidstermijn van het certificaat verlengen, maar verlenging mag alleen geschieden om het schip in staat te stellen de reis naar de haven waarin het dient te worden onderzocht te voltooien en zulks uitsluitend in gevallen waarin dat passend en redelijk lijkt. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de vervaldatum van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Voor een certificaat afgegeven aan een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde vervaldatum. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
-
- Onder bijzondere omstandigheden vast te stellen door de Administratie behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de vervaldatum van het bestaande certificaat zoals bepaald in punt 2.2 onder 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
-
- Een certificaat afgegeven uit hoofde van voorschrift 5 of 6 is niet langer geldig in de volgende gevallen:
- .1 indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn afgerond binnen de termijnen vermeld in voorschrift 4.1 van deze Bijlage; of
- .2 bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip volledig voldoet aan de vereisten van de voorschriften 4.7 en 4.8 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie van de andere Partij afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
-
- In afwijking van het eerste lid dient ieder passagiersschip dat, in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, en waarop voorschrift 11.3 van toepassing is wanneer het zich in een bijzonder gebied bevindt, te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1. een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2. een verzameltank met naar tevredenheid van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient naar tevredenheid van de Administratie te zijn en een voorziening hebben om zichtbaar het niveau van de inhoud aan te geven.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of sanitair afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip onderweg is met een snelheid van niet minder dan 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2. het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft, die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent geen zichtbare drijvende vaste deeltjes veroorzaakt noch verkleuring van het omringende water.
Het bepaalde in paragraaf 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:
- .1. voor nieuwe passagiersschepen op of na 1 januari 2016, onverminderd voorschrift 13, subparagraaf 2; en
- .2. voor bestaande passagiersschepen op of na 1 januari 2018, onverminderd voorschrift 13, subparagraaf 2, behalve wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.2.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent veroorzaakt geen zichtbare drijvende vaste deeltjes noch verkleuring van het omringende water
Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere Bijlagen van MARPOL van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- 1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- De Regering van elke Partij stelt de Organisatie in kennis, opdat deze de andere betrokken Verdragsluitende Regeringen op de hoogte kan stellen, van alle gevallen waarin gesteld wordt dat de uit hoofde van dit voorschrift ter beschikking gestelde voorzieningen onvoldoende zijn.
Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden
Elke partij waarvan de kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat:
- .1. voorzien wordt in inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval in havens en laad- en losplaatsen in een bijzonder gebied die door passagiersschepen worden gebruikt;
- .2. de inrichtingen toereikend zijn voor de behoeften van deze passagiersschepen; en
- .3. de inrichtingen zodanig worden geëxploiteerd dat zij geen onnodig oponthoud van deze passagiersschepen veroorzaken.
De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 11.3 ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 3. UITRUSTING EN BEHEERSING VAN LOZINGEN
Voorschrift 14. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 15. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 16. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt verstaan onder dierlijke kadavers, de lichamen van dieren die als lading aan boord worden vervoerd en tijdens de reis sterven of moeten worden afgemaakt.
-
- wordt verstaan onder ladingrestanten, de resten van ongeacht welke lading die niet vallen onder andere Bijlagen bij dit Verdrag en die op het dek of in de ruimen achterblijven na het laden of lossen, met inbegrip van het overschot ontstaan tijdens laden of lossen of gemorste lading, ongeacht of deze resten nat of droog zijn of worden meegevoerd in waswater. Onder ladingrestanten wordt niet verstaan ladingstof dat na het vegen op het dek achterblijft of stof op de buitenoppervlakken van het schip.
-
- wordt verstaan onder bak- en braadolie, alle soorten eetbare olie of dierlijke vetten die gebruikt worden of bedoeld zijn om gebruikt te worden bij het voorbereiden of het bereiden van voedsel. Hieronder wordt niet verstaan het voedsel dat met behulp van deze oliën wordt bereid.
-
- wordt verstaan onder huishoudelijk afval, alle soorten afval die niet onder andere Bijlagen vallen en die zijn ontstaan in de ruimten voor accommodatie aan boord van het schip. Onder huishoudelijk afval wordt niet grijs water verstaan.
-
- wordt verstaan onder onderweg dat het schip varende is op zee op één of op meerdere koersen, met inbegrip van afwijkingen van de kortste rechtstreekse route, waarbij iedere lozing, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee moet worden verspreid.
-
- wordt verstaan onder vistuig, elk fysiek apparaat of onderdeel daarvan of elk samenstel van delen dat op of in het water of op de zeebodem kan worden geplaatst met als beoogd doel het vangen of beheersen ten behoeve van latere vangst of oogst, van zeeorganismen of zoetwaterorganismen.
-
- wordt verstaan onder vaste of drijvende platforms, vaste of drijvende structuren op zee die gebruikt worden voor de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem.
-
- wordt verstaan onder voedselresten, alle bedorven en onbedorven levensmiddelen, met inbegrip van fruit, groenten, zuivelproducten, gevogelte, vleesproducten en etensresten die aan boord van een schip zijn ontstaan.
-
- wordt verstaan onder vuilnis, alle soorten voedselresten, huishoudelijk afval en afval uit de bedrijfsvoering, alle plastic, ladingrestanten, bak- en braadolie, vistuig en dierlijke kadavers, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die vermoedelijk voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag. Onder vuilnis wordt niet verstaan verse vis en gedeelten daarvan die zijn ontstaan als gevolg van visactiviteiten tijdens de reis of die het resultaat zijn van werkzaamheden op het gebied van aquacultuur die met zich meebrengen dat vis, met inbegrip van schaaldieren, vervoerd dient te worden om in de faciliteit voor aquacultuur geplaatst te worden en dat geoogste vis, met inbegrip van schaaldieren, van deze faciliteiten naar wal vervoerd dient te worden ter verwerking.
-
- wordt verstaan onder as van verbrandingsovens, as en slakken die ontstaan zijn in de verbrandingsovens aan boord die gebruikt worden voor het verbranden van vuilnis.
-
- wordt verstaan onder de uitdrukking dichtstbijzijnde land: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het desbetreffende grondgebied wordt bepaald overeenkomstig het internationaal recht, behoudens dat, voor de toepassing van deze Bijlage „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op: 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt verstaan onder afval uit de bedrijfsvoering, alle vaste afvalstoffen (met inbegrip van slurry) die niet onder andere Bijlagen vallen en die tijdens normaal onderhoud of de normale bedrijfsvoering van een schip aan boord worden verzameld of die worden gebruikt voor het stuwen en behandelen van lading. Onder afval uit de bedrijfsvoering wordt tevens verstaan alle schoonmaakmiddelen en additieven in waswater van laadruimen en buitenoppervlakken. Onder afval uit de bedrijfsvoering wordt niet verstaan grijs water, lenswater of andere soortgelijke lozingen die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van een schip, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
-
- wordt verstaan onder plastic, een vaste stof met als essentieel bestanddeel een of meer polymeren met een hoge moleculaire massa, die hetzij tijdens de productie van het polymeer hetzij tijdens de productie van een eindproduct door middel van verhitting en/of druk is gevormd (gemodelleerd). Plastic heeft materiaaleigenschappen die uiteenlopen van hard en breekbaar tot zacht en buigzaam. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „alle plastic” verstaan al het vuilnis dat bestaat uit plastic in welke vorm dan ook of dat plastic in welke vorm dan ook bevat, met inbegrip van trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten.
-
- wordt verstaan onder bijzonder gebied, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het aannemen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis vereist is.
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Golf, de Noordzee, het Antarctisch gebied en het wijdere Caribisch gebied, die als volgt worden omschreven:
- .1. onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de golven en zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36’ westerlengte;
- .2. onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
- .3. onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte;
- .4. onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 43°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 43°30.2’ oosterlengte);
- .5. onder het Golfgebied wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30’ noorderbreedte, 59°48’ oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04’ noorderbreedte, 61°25’ oosterlengte);
- .6. onder het Noordzeegebied wordt verstaan de Noordzee zelf alsmede de zeeën daarin waarbij de grens wordt gevormd tussen:
- .1. de Noordzee ten zuiden van de breedtegraad 62° noorderbreedte en ten oosten van lengtegraad 4º westerlengte;
- .2. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke begrenzing wordt bepaald ten oosten van Skagen door de breedtegraad 57º44.8’ noorderbreedte; en
- .3. het Engelse Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van lengtegraad 5º westerlengte en ten noorden van breedtegraad 48º30’ noorderbreedte.
- .7. onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte;
- .8. onder het wijdere Caribisch Gebied wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caribische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77°30’ westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7°20’ noorderbreedte en de meridiaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
-
- wordt verstaan onder Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt verstaan onder Auditprogramma,het auditprogramma voor IMO-lidstaten die door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt verstaan onder Implementatiecode,de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt verstaan onder Auditnorm, de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Algemeen verbod op het lozen van vuilnis in zee
Het lozen van alle vuilnis in zee is verboden, tenzij in de voorschriften 4, 5, 6 en 7 van deze Bijlage anders is bepaald.
Het lozen in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.
Het lozen in zee van bak- en braadolie is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.
Voorschrift 4. Lozen van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Behoudens de bepalingen van de voorschriften 5, 6 en 7 van deze Bijlage, is het lozen in zee van het onderstaande vuilnis buiten bijzondere gebieden uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:
- .1. 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
- .2. 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die niet overeenkomstig subparagraaf .1 van dit voorschrift zijn behandeld.
- .3. 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor ladingrestanten die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen. Deze ladingrestanten mogen geen stoffen bevatten die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
- .4. Dierlijke kadavers dienen zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land te worden geloosd, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Schoonmaakmiddelen of additieven in waswater van de laadruimen, dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar deze stoffen mogen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.
Voorschrift 5. Bijzondere vereisten voor het lozen van vuilnis vanaf vaste of drijvende platforms
Behoudens de bepalingen van paragraaf 2 van dit voorschrift, is het verboden vuilnis in zee te lozen vanaf vaste of drijvende platforms alsmede vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
Er mogen wel voedselresten in zee worden geloosd vanaf vaste of drijvende platforms die zich op meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevinden en vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden, op voorwaarde dat de voedselresten door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
Voorschrift 6. Lozen van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Het lozen van het onderstaande vuilnis in zee binnen bijzondere gebieden is uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en op de volgende wijze:
- .1. Het lozen in zee van voedselresten geschiedt zo ver mogelijk van het dichtstbijzijnde land, en in elk geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat. Voedselresten dienen te worden afgebroken of vermalen en dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren. Voedselresten mogen niet verontreinigd zijn door een andere soort vuilnis. Het lozen van meegebrachte gevogelteproducten, waaronder pluimvee en delen daarvan, is niet toegestaan in het Antarctisch gebied tenzij deze door behandeling steriel zijn gemaakt.
- .2. Het lozen van ladingrestanten die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen, indien aan alle volgende vereisten wordt voldaan:
- .1. Ladingrestanten, schoonmaakmiddelen of additieven, die in het waswater van laadruimen zijn opgenomen, bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren;
- .2. Zowel de haven van vertrek als de volgende haven van bestemming bevinden zich binnen het bijzonder gebied en het schip vaart tussen deze havens niet buiten het bijzondere gebied;
- .3. Er zijn geen toereikende ontvangstinstallaties beschikbaar in deze havens, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren; en
- .4. Wanneer aan de vereisten van de subparagrafen 2.1, 2.2 en 2.3 van deze paragraaf is voldaan, moet het waswater van de laadruimen dat restanten bevat zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat worden geloosd en in ieder geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat.
Schoonmaakmiddelen of additieven die zijn opgenomen in het waswater van dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar uitsluitend indien deze stoffen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
De volgende regels (in aanvulling op de regels van paragraaf 1 van dit voorschrift) zijn van toepassing op het Antarctisch gebied:
- .1. Elke partij met havens van waaruit schepen vertrekken op weg naar, of waarin schepen aankomen vanuit, het Antarctisch gebied, verplicht zich ertoe zodra praktisch uitvoerbaar toereikende installaties aan te leggen voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen, zonder onnodig oponthoud te veroorzaken en overeenkomstig de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- .2. Elke partij waarborgt dat alle schepen die gerechtigd zijn onder haar vlag te varen, voordat deze het Antarctisch gebied binnenvaren, over voldoende capaciteit aan boord beschikken voor het bewaren van alle vuilnis tijdens hun verblijf in het gebied en dat deze schepen voorzieningen hebben getroffen om dit vuilnis bij een ontvangstinstallatie af te geven nadat zij het gebied hebben verlaten.
Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
De voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van vuilnis van een schip indien dit noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het onbedoelde verlies van vuilnis als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, mits alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen vóór en na het optreden van de schade teneinde het onbedoelde verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- .3. het onbedoelde verlies van vistuig van een schip, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen; of
- .4. het lozen van vistuig van een schip met het oog op de bescherming van het mariene milieu of de veiligheid van het schip of zijn bemanning.
Uitzondering voor schepen onderweg
- .1. De vereisten in de voorschriften 4 en 6 voor schepen die onderweg zijn, zijn niet van toepassing op het lozen van voedselresten wanneer duidelijk is dat het aan boord houden van deze voedselresten een direct risico voor de gezondheid van de opvarenden oplevert.
Voorschrift 8. Ontvangstinstallaties
Elke partij verbindt zich ertoe te waarborgen dat havens en laad- en losplaatsen zijn voorzien van toereikende installaties voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van schepen te veroorzaken, volgens de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
Ontvangstinstallaties binnen bijzondere gebieden
- .1. Elke partij wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat zo spoedig mogelijk alle havens en laad- en losplaatsen binnen het bijzondere gebied worden voorzien van toereikende ontvangstinstallaties, rekening houdend met de behoeften van schepen die in deze gebieden geëxploiteerd worden.
- .2. Elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge paragraaf 2.1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 6 van deze Bijlage ten aanzien van het betrokken gebied van kracht dienen te worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum dienen schepen die in een bijzonder gebied varen te voldoen aan de vereisten van voorschrift 4 van deze Bijlage wat betreft lozingen buiten bijzondere gebieden.
2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Elke partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de installaties die ingevolge de bepalingen van dit voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, waarna de Organisatie de betrokken Verdragsluitende Partijen op de hoogte stelt.
Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij wordt onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door bedoelde partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde operationele vereisten, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal
- .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage, voor zover van toepassing.
- .2. De informatie op de plakkaten wordt geschreven in de werktaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het vuilnisjournaal dient, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, hetzij anderszins, te zijn ingericht volgens het model zoals aangegeven in het aanhangsel bij deze Bijlage:
- .1. Elke lozing in zee of naar een ontvangstinstallatie of een volledige verbranding dient onmiddellijk te worden aangetekend in het vuilnisjournaal, en deze aantekening dient te worden ondertekend op de datum van de lozing of verbranding door de verantwoordelijke officier. Elke ingevulde bladzijde van het vuilnisjournaal dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn de aantekeningen in die taal doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- .2. De aantekening van elke lozing of verbranding omvat mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip, de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde of verbrande hoeveelheid;
- .3. Het vuilnisjournaal dient aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform te worden bewaard en op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het document dient gedurende een termijn van ten minste twee jaar na de laatste aantekening te worden bewaard;
- .4. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 400 brutoton in het scheepsjournaal, een aantekening te worden gemaakt van de locatie, de omstandigheden waaronder en de redenen waarom de lozing of het verlies geschiedde en welke redelijke voorzorgsmaatregelen zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- .1. schepen die reizen maken van een (1) uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- .2. vaste of drijvende platforms.
De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.
HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 11. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 12. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN
Voorschrift 5. Onderzoeken
Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie en ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van Hoofdstuk 3 wordt voldaan:
- .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
- .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
- .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
- .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
- .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van Hoofdstuk 3.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van Hoofdstuk 3 wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
- .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
Schepen waarop Hoofdstuk 4 van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren:
- .1. Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI van het schip in overeenstemming is met de vereisten van Hoofdstuk 4 en dat het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is;
- .2. Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een nieuw schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met voorschrift 2.23;
- .3. In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is; en
- .4. Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
- .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
- .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan een schip gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van het betreffende schip dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met paragraaf 1 van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.
Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5.4 afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 of meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.
Het certificaat wordt afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij
Een partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien te haren genoegen vaststaat dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op dergelijke certificaten van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.
Voorschrift 8. Model van de certificaten
Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel VIII bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van de certificaten
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:
- .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
- .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
- .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
- .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
- .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.
Een ingevolge deze Bijlage afgegeven Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien een schip uit de vaart wordt genomen of indien een nieuw certificaat wordt afgegeven na een belangrijke wijziging van het schip; of
- .2. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van Hoofdstuk 4. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Met betrekking tot Hoofdstuk 4 is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan boord is in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch registratiesysteem.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NOx) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut): waarbij geldt
- .1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 9 • n(-0,2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2.000 opm;
- .3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.;
- .2. indien het schip gebouwd is op of na 1 januari 2016 en vaart in het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing en in het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied voor emissiebeheersing; indien
- .3. het schip vaart in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift, anders dan een gebied voor emissiebeheersing beschreven in paragraaf 5.1.2 van dit voorschrift, en dat is gebouwd op of na de datum waarop dit gebied voor emissiebeheersing is aangenomen, of op een latere datum vermeld in de wijziging waarin het gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III is aangewezen, naargelang van welke datum de laatste is.
5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
- .3. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Noord-Amerikaanse gebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .2. het Noord-Amerikaanse Caribische Zeegebied, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .3. elk ander zeegebied, met inbegrip van elk havengebied, dat door de Organisatie is aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is, een van de volgende omstandigheden te worden aangegeven:
- .1. er is een goedgekeurde methode toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift;
- .2. de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift;
- .3. een goedgekeurde methode is nog niet op de markt verkrijgbaar zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift; of
- .4. er is nog geen goedgekeurde methode van toepassing.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen mag niet hoger zijn dan:
- .1. 4,5% m/m vóór 1 januari 2012;
- .2. 3,5% m/m op of na 1 januari 2012; en
- .3. 0,5% m/m op of na 1 januari 2020.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift omvatten de gebieden voor emissiebeheersing:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I en het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V;
- .2. het Noord-Amerikaanse gebied zoals aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
- .3. het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten zoals aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .4. elk ander zeegebied, met inbegrip van elk havengebied, dat door de Organisatie is aangewezen in overeenstemming met de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage.
Wanneer schepen varen binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van schepen niet hoger zijn dan:
- .1. 1,5% m/m vóór 1 juli 2010;
- .2. 1,0% m/m op of na 1 juli 2010;
- .3. 0,1% m/m op of na 1 januari 2015; en
- .4. Vóór 1 januari 2020 is het zwavelgehalte van brandstofolie zoals bedoeld in paragraaf 4 van dit voorschrift niet van toepassing op schepen die varen in het Noord-Amerikaanse gebied of in het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten zoals omschreven in paragraaf 3, die gebouwd zijn op of vóór 1 augustus 2011 en die aangedreven worden door ketels voor de voortstuwing die oorspronkelijk niet ontworpen zijn om op destillaat-scheepsbrandstof of aardgas te blijven doorvaren.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.
In 2018 dient de toetsing van de norm vervat in lid 1.3 van dit voorschrift te zijn afgerond om de beschikbaarheid van brandstofolie vast te stellen waarmee voldaan wordt aan de in dat lid vervatte brandstofolienormen; hierbij dienen de volgende elementen in aanmerking te worden genomen:
- .1. aanbod en vraag op het tijdstip waarop de toetsing plaatsvindt op de wereldmarkt voor brandstolie waarmee voldaan wordt aan lid 1.3 van dit voorschrift;
- .2. een analyse van de ontwikkelingen op de brandstofoliemarkten; en
- .3. overige relevante aangelegenheden.
De Organisatie roept een groep van deskundigen in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers met relevante expertise op het gebied van brandstofoliemarkten alsmede maritieme, wetenschappelijke en juridische expertise en kennis op milieugebied voor het uitvoeren van de toetsing bedoeld in het achtste lid van dit voorschrift. De deskundigengroep stelt relevante informatie samen ter onderbouwing van het door de Partijen te nemen besluit.
Op grond van de door de deskundigengroep samengestelde informatie beslissen de Partijen of het voor schepen mogelijk is te voldoen aan de termijn vervat in lid 1.3 van dit voorschrift. Indien besloten wordt dat schepen daar niet aan kunnen voldoen, wordt de in dat lid vervatte norm van kracht vanaf 1 januari 2025.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
- .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
- .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
- .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
- .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
- .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
- .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Niets in dit voorschrift:
- .1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, noch
- .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
- .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
- .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
- .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
- .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
- .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
- .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
- .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- .2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de leden 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in aanhangsel VI om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
- .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
- .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE ENERGIE-EFFICIËNTIE VOOR SCHEPEN
Voorschrift 19. Toepassing
Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:
- .1. schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
- .2. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO’s), drijvende opslageenheden (FSU’s) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
De voorschriften 20 en 21 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 20 en 21 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en lng-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2. De voorschriften 20 en 21 zijn niet van toepassing op vrachtschepen die in staat zijn ijs te breken.
Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 20 en voorschrift 21 voor een schip met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2017; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
- .4. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in voorschrift 2.24, op of na 1 januari 2017, en waarbij voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 van Hoofdstuk 2 van toepassing zijn.
De Administratie van een partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de partijen bij dit Protocol ter kennisneming.
Voorschrift 20. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
De bereikte EEDI wordt berekend voor:
- .1. elk nieuw schip;
- .2. elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier bij de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatieVerwijst naar de Code voor Erkende Organisaties (RO Code), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.237(65), eventueel als gewijzigd..
De bereikte EEDI wordt berekend met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Voorschrift 21. Vereiste EEDI
Voor elk:
- .1. nieuw schip;
- .2. nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.31, 2.33 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt: Bereikte EEDI ≤ Vereiste EEDI = (1-X/100) × waarde referentielijn waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
Voor elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van paragraaf 21.1, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.
| Scheepstype | Omvang | Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 | Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 | Fase 3 1 jan 2025 en daarna |
|---|---|---|---|---|---|
| Bulkcarrier | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Bulkcarrier | 10.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Gastanker | 10.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Gastanker | 2.000 – 10.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Tankschip | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Tankschip | 4.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Containerschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Containerschip | 10.000 – 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Algemeen vrachtschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 |
| Algemeen vrachtschip | 3.000 – 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–151) | 0–301) |
| Koelschip | 5.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 |
| Koelschip | 3.000 – 5.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–151) | 0–301) |
| Combinatietanker | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 |
| Combinatietanker | 4.000 – 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–201) | 0–301) |
| Lng-tanker*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t | 10** | 20 | 30 |
| Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen)*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 15 | 30 |
| Rorovrachtschip*** | 2.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Rorovrachtschip*** | 1.000 – 2.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
| Roropassagiersschip*** | 1.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Roropassagiersschip*** | 250 – 1.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
| Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 85.000 en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 |
| Cruiseschip*** met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 25.000 – 85.000 | n.v.t. | 0-5*** | 0-20* | 0-30* |
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
- De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd uit de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
** Fase 1 begint voor deze schepen op 1 september 2015.
*** De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2.
Noot: n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:
Waarde referentielijn = a ×b -c
waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.
| Scheepstype omschreven in voorschrift 2 | a | b | c |
|---|---|---|---|
| 2.25 Bulkcarrier | 961,79 | draagvermogen van het schip | 0,477 |
| 2.26 Gastanker | 1120,00 | draagvermogen van het schip | 0,456 |
| 2.27 Tankschip | 1218,80 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.28 Containerschip | 174,22 | draagvermogen van het schip | 0,201 |
| 2.29 Algemeen vrachtschip | 107,48 | draagvermogen van het schip | 0,216 |
| 2.30 Koelschip | 227,01 | draagvermogen van het schip | 0,244 |
| 2.31 Combinatietanker | 1219,00 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.33 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) | (draagvermogen/brutotonnage)-0,7 780,36 waarbij draagvermogen/ brutotonnage <0.3 1812,63 waarbij draagvermogen/brutotonnage ≥0.3 | draagvermogen van het schip | 0,471 |
| 2.34 Rorovrachtschip | 1405,15 | draagvermogen van het schip | 0,498 |
| 2.35 Roropassagiersschip | 752,16 | draagvermogen van het schip | 0,381 |
| 2.38 Lng-tanker | 2253,7 | draagvermoge van het schip | 0,474 |
| 2.39 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | 170,84 | brutotonnage van het schip | 0,214 |
Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (laagste) vereiste EEDI.
Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren, te handhaven.
Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.
Voorschrift 22. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)
Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnd energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip.
Het SEEMP moet worden ontwikkeld met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren.
Voorschrift 23. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.
De Administratie van een partij werkt actief samen met andere partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.
HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 24. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 25. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 46. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding en de delen I-A en II-A en I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 47. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die in polaire wateren varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
Bij de toepassing van hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code moet rekening worden gehouden met de aanvullende richtlijnen van deel II-B van de Polar Code.
Voorschrift 4. Ontheffingen
-
- Ten aanzien van de vervoersvereisten als gevolg van de indeling van de stof in een strengere categorie, is het volgende van toepassing:
- .1 Indien een wijziging van deze Bijlage en van de Internationale Code voor chemicaliën in bulk en de Code voor chemicaliën in bulk veranderingen inhoudt voor de bouw of de uitrusting en de installaties als gevolg van het aanscherpen van de vereisten voor het vervoer van bepaalde stoffen, kan de Administratie de toepassing van deze wijziging voor een omschreven periode aanpassen of uitstellen voor schepen gebouwd vóór de datum waarop deze wijziging van kracht wordt, indien de onmiddellijke toepassing van deze wijziging onredelijk of onuitvoerbaar wordt geacht. De mate van versoepeling wordt ten aanzien van elke stof afzonderlijk bepaald;
- .2 de Administratie die uit hoofde van dit lid een versoepeling van de toepassing van een wijziging toestaat, dient bij de Organisatie een rapport in dat bijzonderheden bevat van het desbetreffende schip of de desbetreffende schepen, de ladingen die het op grond van het certificaat mag of mogen vervoeren, de vaart waarin elk schip wordt gebruikt, en de gronden voor de versoepeling, ter verspreiding onder de Partijen bij het Verdrag te hunner informatie en ten behoeve van eventuele passende maatregelen, en waarin wordt aangegeven welke ontheffingen voor het certificaat gelden als bedoeld in voorschrift 7 of 9 van deze Bijlage;
- .3 Niettegenstaande het bovenstaande kan een Administratie vrijstelling van de in voorschrift 11 bedoelde vervoersvoorwaarden, verlenen aan schepen die afzonderlijk benoemde plantaardige oliën op grond van het certificaat mogen vervoeren als genoemd in de desbetreffende voetnoot in hoofdstuk 17 van de IBC-code, mits het schip aan de volgende vereisten voldoet:
- .1 Onverminderd dit voorschrift dient een NLS-tankschip te voldoen aan alle vereisten voor scheepstype 3 als omschreven in de IBC-code, behoudens wat betreft de plaats van de ladingtank;
- .2 ingevolge dit voorschrift dienen ladingtanks op de volgende afstanden binnenboord te zijn geplaatst. De gehele lengte van het ladingtankgedeelte dient als volgt te worden beschermd door ballasttanks of ruimten, die geen brandstoftanks zijn:
- .1 zijtanks of ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de ladingtanks zich bevinden binnen de doorgestrookte lijn van de zijbeplating van het schip, nergens op minder dan 760 mm;
- .2 dubbele-bodemtanks of -ruimten dienen zodanig te zijn geplaatst dat de afstand tussen de bodem van de ladingtanks en de doorgestrookte lijn van de vlakbeplating van het schip, gemeten in een rechte hoek met de vlakbeplating, niet minder is dan B/15 (m) of 2,0 m op de middenlijn, naar gelang van welke afstand kleiner is. De minimum afstand dient 1,0 m te bedragen; en
- .3 op het desbetreffende certificaat dient de verleende ontheffing te zijn vermeld.
-
- Behoudens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift zijn de bepalingen van voorschrift 12.1 niet van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd en dat door de Administratie te bepalen reizen in een beperkt vaargebied maakt tussen:
- .1 havens of laad- en losplaatsen binnen een Staat die Partij bij dit Verdrag is; of
- .2 havens of laad- en losplaatsen van Staten die Partij bij dit Verdrag zijn.
-
- De bepalingen van het tweede lid van dit voorschrift zijn uitsluitend van toepassing op een schip dat vóór 1 juli 1986 is gebouwd indien:
- .1 elke keer dat een tank die stoffen of mengsels van categorie X, Y of Z bevat, dient te worden gewassen of geballast, deze tank wordt gewassen overeenkomstig een voorwasprocedure die is goedgekeurd door de Administratie overeenkomstig aanhangsel 6 van deze Bijlage, en het tankwaswater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening;
- .2 het daarna ontstane waswater of ballastwater wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening of in zee wordt geloosd overeenkomstig de overige bepalingen van deze Bijlage;
- .3 de geschiktheid van de ontvangstvoorzieningen in de hierboven bedoelde havens of laad- en losplaatsen voor de toepassing van het bepaalde in dit lid is goedgekeurd door de Regeringen van de Staten die Partij bij dit Verdrag zijn en binnen welker grondgebied deze havens of laad- en losplaatsen zijn gelegen;
- .4. in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen; en
- .5 op het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt aangetekend dat het schip uitsluitend deze beperkte reizen maakt.
-
- Met betrekking tot een schip waarvan de constructie-eisen en de bedrijfsvoering zodanig zijn, dat het ballasten van de ladingtanks niet is vereist en het wassen van de ladingtanks slechts is vereist voor reparatie of voor het droog zetten, kan de Administratie vrijstelling van het bepaalde in voorschrift 12 verlenen, mits aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1 het ontwerp, de constructie en de uitrusting van het schip worden door de Administratie goedgekeurd, rekening houdend met de reizen welke het schip gaat maken;
- .2 ieder effluent, afkomstig van het wassen van de tanks vóór de uitvoering van de reparatie of vóór het droogzetten, wordt afgegeven aan een ontvangstvoorziening waarvan de geschiktheid door de Administratie is verzekerd;
- .3 in het krachtens het bepaalde in deze Bijlage vereiste certificaat wordt het volgende aangetekend:
- .1 dat in elke ladingtank een beperkt aantal vergelijkbare stoffen mag worden vervoerd die beurtelings in dezelfde tank kunnen worden vervoerd zonder tussentijdse reiniging; en
- .2 de bijzonderheden omtrent de ontheffing;
- .4 aan boord van het schip is een door de Administratie goedgekeurd Handboek aanwezig; en
- .5 in het geval van schepen die reizen maken tussen havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, de Administratie bijzonderheden omtrent de vrijstelling aan de Organisatie mededeelt en de Organisatie deze gegevens aan de Partijen bij dit Verdrag toezendt om daarvan kennis te nemen en eventueel passende maatregelen te treffen.
Voorschrift 5. Gelijkwaardige voorzieningen
-
- De Administratie kan het aanbrengen van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage worden voorgeschreven, op een schip toestaan, mits deze onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur ten minste even doelmatig zijn als die welke in deze Bijlage worden vereist. Deze bevoegdheid van de Administratie strekt zich niet uit tot de vervanging van operationele methoden voor de beheersing van de lozing van schadelijke vloeistoffen als equivalent van de door de voorschriften in deze Bijlage voorgeschreven ontwerp- en constructievormen.
-
- De Administratie die het aanbrengen toestaat van andere onderdelen, materialen, voorzieningen of apparatuur dan die welke in deze Bijlage, krachtens lid 1 van dit voorschrift, worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze vervolgens aan de Partijen bij het Verdrag, ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
-
- Niettegenstaande het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit voorschrift worden de constructie en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren die gecertificeerd zijn om de in de toepasselijke Gas Carrier Code vermelde schadelijke vloeistoffen te vervoeren, geacht gelijkwaardig te zijn aan de in de voorschriften 11 en 12 van deze Bijlage vervatte constructie en uitrustingsvereisten, mits het gastankschip aan alle volgende vereisten voldoet:
- .1 het heeft een certificaat van geschiktheid overeenkomstig de desbetreffende Gas Carrier Code voor schepen die gecertificeerd zijn om vloeibare gassen in bulk te vervoeren;
- .2 het heeft een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk aan boord, waarin wordt verklaard dat het gastankschip uitsluitend die schadelijke vloeistoffen mag vervoeren welke in de desbetreffende Gas Carrier Code zijn geïdentificeerd en vermeld;
- .3 het is uitgerust met gescheiden ballastvoorzieningen;
- .4 het is uitgerust met pompen en pijpleidingen die, ten genoegen van de Administratie, waarborgen dat de hoeveelheid ladingresiduen die na het lossen in de tank en bijbehorende pijpleidingen achterblijven, niet meer bedraagt dan de desbetreffende hoeveelheid residuen als vereist in voorschrift 12.1, 12.2 of 12.3; en
- .5 het is uitgerust met een, door de Administratie goedgekeurd, Handboek zodat wordt gewaarborgd dat geen bedrijfsmatige vermenging van ladingsresiduen en water plaatsvindt en dat geen ladingresiduen in de tank achterblijven na toepassing van de in het Handboek voorgeschreven ventilatieprocedures.
HOOFDSTUK 2. INDELING IN CATEGORIEËN VAN GEVAARLIJKE VLOEISTOFFEN
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .4 Voor stoffen in categorie Y die persistente drijvers zijn met een viscositeit gelijk aan of groter dan 50 mPa·s bij 20°C en/of een smeltpunt gelijk aan of hoger dan 0°C, als aangeduid met „16.2.7” in kolom ‘o’ van hoofdstuk 17 van de IBC-code, geldt in de in paragraaf 9 genoemde gebieden het volgende:
- .1. er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 bij deze bijlage te worden toegepast;
- .2. het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting van de loshaven totdat de tank leeg is; en
- .3. elk water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
9 Gebieden waarop voorschrift 13.7.1.4 van toepassing is
- 9.1. onder de „Noordwest-Europese wateren” vallen de Noordzee en de toegangen daartoe, de Ierse Zee en de toegangen daartoe, de Keltische Zee, het Kanaal en de toegangen daartoe en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden: 48°27’ noorderbreedte aan de Franse kust 48° 27’ noorderbreedte; 006°25’ westerlengte 49° 52’ noorderbreedte; 007°44’ westerlengte 50° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte 56° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte 62° noorderbreedte; 003° westerlengte 62° noorderbreedte aan de Noorse kust 57° 44,8’ noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust;
- 9.2. onder het „gebied van de Oostzee” wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
- 9.3. de „West-Europese wateren” bestaan uit een gebied dat het Verenigd Koninkrijk, Ierland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal omvat, van de Shetlandeilanden in het noorden tot Kaap Sint Vincent in het zuiden, en het Kanaal en de toegangen daartoe. Het gebied wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden: 58°30’.00 noorderbreedte aan de kust van het Verenigd Koninkrijk 58°30’.00 noorderbreedte, 000°00’.00 westerlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 000°00’.00 westerlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 003°00’.00 westerlengte 56°30’.00 noorderbreedte; 012°00’.00 westerlengte 54°40’.41 noorderbreedte; 015°00’.00 westerlengte 50°56’.45 noorderbreedte; 015°00’.00 westerlengte 48°27’.00 noorderbreedte; 006°25’.00 westerlengte 48°27’.00 noorderbreedte; 008°00’.00 westerlengte 44°52’.00 noorderbreedte; 003°10’.00 westerlengte 44°52’.00 noorderbreedte; 010°00’.00 westerlengte 44°14’.00 noorderbreedte; 011°34’.00 westerlengte 42°55’.00 noorderbreedte; 012°18’.00 westerlengte 41°50’.00 noorderbreedte; 011°34’.00 westerlengte 37°00’.00 noorderbreedte; 009°49’.00 westerlengte 36°20’.00 noorderbreedte; 009°00’.00 westerlengte 36°20’.00 noorderbreedte; 007°47’.00 westerlengte 37°10’.00 noorderbreedte; 007°25’.00 westerlengte 51°22’.25 noorderbreedte; 003°21’.53 oosterlengte 52°12’.00 noorderbreedte aan de oostkust van het Verenigd Koninkrijk 52°10’.30 noorderbreedte; 006°21.80 westerlengte 52°01’.52 noorderbreedte; 005°04’.18 westerlengte 54°51’.43 noorderbreedte; 005°08’.47 westerlengte 54°40’.39 noorderbreedte; 005°34’.34 westerlengte
- 9.4. de „Noorse zee” wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden: 69°47’.69 noorderbreedte; 030°49’.06 oosterlengte 69°58’.76 noorderbreedte; 031°06’.26 oosterlengte 70°08’.63 noorderbreedte; 031°35’.14 oosterlengte 70°16’.48 noorderbreedte; 032°04’.38 oosterlengte 73°23’.07 noorderbreedte; 036°28’.57 oosterlengte 73°35’.66 noorderbreedte; 035°27’.34 oosterlengte 74°02’.97 noorderbreedte; 033°17’.86 oosterlengte 74°20’.71 noorderbreedte; 030°33’.51 oosterlengte 74°29’.80 noorderbreedte; 026°28’.18 oosterlengte 74°24’.24 noorderbreedte; 022°55’.03 oosterlengte 74°13’.72 noorderbreedte; 020°15’.98 oosterlengte 73°35’.44 noorderbreedte; 016°36’.50 oosterlengte 73°14’.83 noorderbreedte; 014°09’.43 oosterlengte 72°42’.54 noorderbreedte; 011°42’.14 oosterlengte 71°58’.20 noorderbreedte; 009°54’.96 oosterlengte 71°37’.56 noorderbreedte; 008°43’.82 oosterlengte 70°43’.16 noorderbreedte; 006°36’.07 oosterlengte 69°36’.62 noorderbreedte; 004°47’.32 oosterlengte 68°58’.32 noorderbreedte; 003°51’.22 oosterlengte 68°14’.99 noorderbreedte; 003°17’.03 oosterlengte 67°25’.80 noorderbreedte; 003°10’.21 oosterlengte 66°49’.73 noorderbreedte; 003°25’.13 oosterlengte 66°25’.93 noorderbreedte; 003°17’.11 oosterlengte 65°22’.72 noorderbreedte; 001°24’.59 oosterlengte 64°25’.97 noorderbreedte; 000°29’.32 westerlengte 63°53’.22 noorderbreedte; 000°29’.44 westerlengte 62°53’.47 noorderbreedte; 000°38’.36 oosterlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 001°22’.25 oosterlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 004°52’.35 oosterlengte
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
HOOFDSTUK 6. MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN HET TOEZICHT DOOR HAVENSTATEN
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift, en in hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code wanneer het schip in Arctische wateren vaart, wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
HOOFDSTUK 8. ONTVANGSTINRICHTINGEN
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
- 2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1, 2 en 4 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 2ter. Indien voorschrift 13 van deze Bijlage een voorwas verplicht stelt en het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten van toepassing is op de haven van lossen, wordt de voorwas en de daarop volgende afgifte aan een ontvangstfaciliteit uitgevoerd zoals voorgeschreven door voorschrift 13 van deze Bijlage of bij een regionale ontvangstfaciliteit voor afval van schepen vermeld in het desbetreffende regionale plan voor ontvangstfaciliteiten.
-
- De Regeringen van Partijen bij dit Verdrag, wier kust grenst aan een bijzonder gebied dienen tezamen een datum overeen te komen vóór welke aan het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift moet zijn voldaan en waarop de vereisten van de relevante leden van voorschrift 13 met betrekking tot dat gebied van kracht worden en zij dienen de Organisatie ten minste zes maanden voor die datum in kennis te stellen van de aldus vastgestelde datum. De Organisatie dient alle Partijen onverwijld in kennis te stellen van die datum.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
Voorschrift 19. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 20. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan een periodieke audit door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 10. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 21. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 22. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren die in polaire wateren varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
Bij de toepassing van hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code moet rekening worden gehouden met de aanvullende richtlijnen van deel II-B van de Polar Code.
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- Schadelijke stoffen, de stoffen die als mariene-milieuverontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) of die voldoen aan de criteria van het Aanhangsel bij deze Bijlage.
-
- Verpakte vorm, de in de IMDG-Code voorgeschreven vormen van omhulling voor schadelijke stoffen.
-
- Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- Auditprogramma, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- Implementatiecode, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- Auditnorm, de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De regering van elke partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 3. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 4. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dienen duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd teneinde in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code aan te geven dat de stof een schadelijke stof is.
De wijze van merken of het aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code.
Voorschrift 5. Begeleidende papieren
Transportinformatie over het vervoer van schadelijke stoffen dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code en dient ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Op elk schip dat schadelijke stoffen vervoert dient een bijzondere lijst, een manifest of een gedetailleerd stuwplan aanwezig te zijn waarin in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code de schadelijke stoffen aan boord en de locatie ervan zijn vermeld. Voor vertrek dient een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie ter beschikking te worden gesteld.
Voorschrift 6. Stuwen
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 7. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 8. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de fysische, chemische en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 9. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij bevindt wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door die partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan wordt aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord.
Wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen, neemt de partij maatregelen, waaronder het verrichten van een gedetailleerde inspectie en ziet er indien nodig op toe dat het schip niet uitvaart, voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 11. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voorschrift 14. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 6. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 15. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 16. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 7. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt verstaan onder dierlijke kadavers, de lichamen van dieren die als lading aan boord worden vervoerd en tijdens de reis sterven of moeten worden afgemaakt.
-
- wordt verstaan onder ladingrestanten, de resten van ongeacht welke lading die niet vallen onder andere Bijlagen bij dit Verdrag en die op het dek of in de ruimen achterblijven na het laden of lossen, met inbegrip van het overschot ontstaan tijdens laden of lossen of gemorste lading, ongeacht of deze resten nat of droog zijn of worden meegevoerd in waswater. Onder ladingrestanten wordt niet verstaan ladingstof dat na het vegen op het dek achterblijft of stof op de buitenoppervlakken van het schip.
-
- wordt verstaan onder bak- en braadolie, alle soorten eetbare olie of dierlijke vetten die gebruikt worden of bedoeld zijn om gebruikt te worden bij het voorbereiden of het bereiden van voedsel. Hieronder wordt niet verstaan het voedsel dat met behulp van deze oliën wordt bereid.
-
- wordt verstaan onder huishoudelijk afval, alle soorten afval die niet onder andere Bijlagen vallen en die zijn ontstaan in de ruimten voor accommodatie aan boord van het schip. Onder huishoudelijk afval wordt niet grijs water verstaan.
-
- wordt verstaan onder onderweg dat het schip varende is op zee op één of op meerdere koersen, met inbegrip van afwijkingen van de kortste rechtstreekse route, waarbij iedere lozing, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee moet worden verspreid.
-
- wordt verstaan onder vistuig, elk fysiek apparaat of onderdeel daarvan of elk samenstel van delen dat op of in het water of op de zeebodem kan worden geplaatst met als beoogd doel het vangen of beheersen ten behoeve van latere vangst of oogst, van zeeorganismen of zoetwaterorganismen.
-
- wordt verstaan onder vaste of drijvende platforms, vaste of drijvende structuren op zee die gebruikt worden voor de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem.
-
- wordt verstaan onder voedselresten, alle bedorven en onbedorven levensmiddelen, met inbegrip van fruit, groenten, zuivelproducten, gevogelte, vleesproducten en etensresten die aan boord van een schip zijn ontstaan.
-
- wordt verstaan onder vuilnis, alle soorten voedselresten, huishoudelijk afval en afval uit de bedrijfsvoering, alle plastic, ladingrestanten, bak- en braadolie, vistuig en dierlijke kadavers, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die vermoedelijk voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag. Onder vuilnis wordt niet verstaan verse vis en gedeelten daarvan die zijn ontstaan als gevolg van visactiviteiten tijdens de reis of die het resultaat zijn van werkzaamheden op het gebied van aquacultuur die met zich meebrengen dat vis, met inbegrip van schaaldieren, vervoerd dient te worden om in de faciliteit voor aquacultuur geplaatst te worden en dat geoogste vis, met inbegrip van schaaldieren, van deze faciliteiten naar wal vervoerd dient te worden ter verwerking.
-
- wordt verstaan onder as van verbrandingsovens, as en slakken die ontstaan zijn in de verbrandingsovens aan boord die gebruikt worden voor het verbranden van vuilnis.
-
- wordt verstaan onder de uitdrukking dichtstbijzijnde land: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het desbetreffende grondgebied wordt bepaald overeenkomstig het internationaal recht, behoudens dat, voor de toepassing van deze Bijlage „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op: 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt verstaan onder afval uit de bedrijfsvoering, alle vaste afvalstoffen (met inbegrip van slurry) die niet onder andere Bijlagen vallen en die tijdens normaal onderhoud of de normale bedrijfsvoering van een schip aan boord worden verzameld of die worden gebruikt voor het stuwen en behandelen van lading. Onder afval uit de bedrijfsvoering wordt tevens verstaan alle schoonmaakmiddelen en additieven in waswater van laadruimen en buitenoppervlakken. Onder afval uit de bedrijfsvoering wordt niet verstaan grijs water, lenswater of andere soortgelijke lozingen die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van een schip, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
-
- wordt verstaan onder plastic, een vaste stof met als essentieel bestanddeel een of meer polymeren met een hoge moleculaire massa, die hetzij tijdens de productie van het polymeer hetzij tijdens de productie van een eindproduct door middel van verhitting en/of druk is gevormd (gemodelleerd). Plastic heeft materiaaleigenschappen die uiteenlopen van hard en breekbaar tot zacht en buigzaam. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „alle plastic” verstaan al het vuilnis dat bestaat uit plastic in welke vorm dan ook of dat plastic in welke vorm dan ook bevat, met inbegrip van trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten.
-
- wordt verstaan onder bijzonder gebied, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het aannemen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis vereist is.
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Golf, de Noordzee, het Antarctisch gebied en het wijdere Caribisch gebied, die als volgt worden omschreven:
- .1. onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de golven en zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36’ westerlengte;
- .2. onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
- .3. onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte;
- .4. onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 43°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 43°30.2’ oosterlengte);
- .5. onder het Golfgebied wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30’ noorderbreedte, 59°48’ oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04’ noorderbreedte, 61°25’ oosterlengte);
- .6. onder het Noordzeegebied wordt verstaan de Noordzee zelf alsmede de zeeën daarin waarbij de grens wordt gevormd tussen:
- .1. de Noordzee ten zuiden van de breedtegraad 62° noorderbreedte en ten oosten van lengtegraad 4º westerlengte;
- .2. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke begrenzing wordt bepaald ten oosten van Skagen door de breedtegraad 57º44.8’ noorderbreedte; en
- .3. het Engelse Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van lengtegraad 5º westerlengte en ten noorden van breedtegraad 48º30’ noorderbreedte.
- .7. onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte;
- .8. onder het wijdere Caribisch Gebied wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caribische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77°30’ westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7°20’ noorderbreedte en de meridiaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
-
- wordt verstaan onder Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt verstaan onder Auditprogramma,het auditprogramma voor IMO-lidstaten die door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt verstaan onder Implementatiecode,de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt verstaan onder Auditnorm, de Implementatiecode.
-
- wordt verstaan onder elektronisch journaal, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Algemeen verbod op het lozen van vuilnis in zee
Het lozen van alle vuilnis in zee is verboden, tenzij in de voorschriften 4, 5, 6 en 7 van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, zoals omschreven in voorschrift 13.1 van deze Bijlage anders is bepaald.
Het lozen in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.
Het lozen in zee van bak- en braadolie is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.
Voorschrift 4. Lozen van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Behoudens de bepalingen van de voorschriften 5, 6 en 7 van deze Bijlage, is het lozen in zee van het onderstaande vuilnis buiten bijzondere gebieden uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:
- .1. 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
- .2. 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die niet overeenkomstig subparagraaf .1 van dit voorschrift zijn behandeld.
- .3. 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor ladingrestanten die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen. Deze ladingrestanten mogen geen stoffen bevatten die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, in overeenstemming met de criteria vervat in Aanhangsel I bij deze Bijlage.
- .4. Dierlijke kadavers dienen zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land te worden geloosd, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Schoonmaakmiddelen of additieven in waswater van de laadruimen, dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar deze stoffen mogen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Vaste bulklading zoals omschreven in voorschrift VI/1-1.2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974, als gewijzigd, anders dan graan, wordt geclassificeerd in overeenstemming met Aanhangsel I bij deze Bijlage, en de kapitein geeft aan of de lading al dan niet schadelijk is voor het mariene milieu
Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.
Voorschrift 5. Bijzondere vereisten voor het lozen van vuilnis vanaf vaste of drijvende platforms
Behoudens de bepalingen van paragraaf 2 van dit voorschrift, is het verboden vuilnis in zee te lozen vanaf vaste of drijvende platforms alsmede vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
Er mogen wel voedselresten in zee worden geloosd vanaf vaste of drijvende platforms die zich op meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevinden en vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden, op voorwaarde dat de voedselresten door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
Voorschrift 6. Lozen van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Het lozen van het onderstaande vuilnis in zee binnen bijzondere gebieden is uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en op de volgende wijze:
- .1. Het lozen in zee van voedselresten geschiedt zo ver mogelijk van het dichtstbijzijnde land, en in elk geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat. Voedselresten dienen te worden afgebroken of vermalen en dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren. Voedselresten mogen niet verontreinigd zijn door een andere soort vuilnis. Het lozen van meegebrachte gevogelteproducten, waaronder pluimvee en delen daarvan, is niet toegestaan in het Antarctisch gebied tenzij deze door behandeling steriel zijn gemaakt.
- .2. Het lozen van ladingrestanten die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen, indien aan alle volgende vereisten wordt voldaan:
- .1. Ladingrestanten die in het waswater van laadruimen zijn opgenomen, bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu volgens de criteria vervat in Aanhangsel I bij deze Bijlage;
- .2. Vaste bulklading zoals omschreven in voorschrift VI/1-1.2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974, zoals gewijzigd, anders dan graan, wordt geclassificeerd in overeenstemming met Aanhangsel I bij deze Bijlage, en de kapitein geeft aan of de lading al dan niet schadelijk is voor het mariene milieu;
- .3. Schoonmaakmiddelen of additieven die in het waswater van laadruimen zijn opgenomen, bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren;
- .4. Zowel de haven van vertrek als de volgende haven van bestemming bevinden zich binnen het bijzonder gebied en het schip vaart tussen deze havens niet buiten het bijzondere gebied;
- .5. Er zijn geen toereikende ontvangstinstallaties beschikbaar in deze havens, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren; en
- .6. Wanneer aan de vereisten van de subparagrafen .2.1 tot en met .2.5 van deze paragraaf is voldaan, moet het waswater van de laadruimen dat restanten bevat zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat worden geloosd en in ieder geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat.
Schoonmaakmiddelen of additieven die zijn opgenomen in het waswater van dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar uitsluitend indien deze stoffen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
De volgende regels (in aanvulling op de regels van paragraaf 1 van dit voorschrift) zijn van toepassing op het Antarctisch gebied:
- .1. Elke partij met havens van waaruit schepen vertrekken op weg naar, of waarin schepen aankomen vanuit, het Antarctisch gebied, verplicht zich ertoe zodra praktisch uitvoerbaar toereikende installaties aan te leggen voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen, zonder onnodig oponthoud te veroorzaken en overeenkomstig de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- .2. Elke partij waarborgt dat alle schepen die gerechtigd zijn onder haar vlag te varen, voordat deze het Antarctisch gebied binnenvaren, over voldoende capaciteit aan boord beschikken voor het bewaren van alle vuilnis tijdens hun verblijf in het gebied en dat deze schepen voorzieningen hebben getroffen om dit vuilnis bij een ontvangstinstallatie af te geven nadat zij het gebied hebben verlaten.
Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
De voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage en sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van vuilnis van een schip indien dit noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het onbedoelde verlies van vuilnis als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, mits alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen vóór en na het optreden van de schade teneinde het onbedoelde verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- .3. het onbedoelde verlies van vistuig van een schip, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen; of
- .4. het lozen van vistuig van een schip met het oog op de bescherming van het mariene milieu of de veiligheid van het schip of zijn bemanning.
Uitzondering voor schepen onderweg
- .1. De vereisten voor schepen die onderweg zijn in de voorschriften 4 en 6 van deze Bijlage en van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code, zijn niet van toepassing op het lozen van voedselresten wanneer duidelijk is dat het aan boord houden van deze voedselresten een direct risico voor de gezondheid van de opvarenden oplevert.
Voorschrift 8. Ontvangstinstallaties
Elke partij verbindt zich ertoe te waarborgen dat havens en laad- en losplaatsen zijn voorzien van toereikende installaties voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van schepen te veroorzaken, volgens de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
Ontvangstinstallaties binnen bijzondere gebieden
- .1. Elke partij wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat zo spoedig mogelijk alle havens en laad- en losplaatsen binnen het bijzondere gebied worden voorzien van toereikende ontvangstinstallaties, rekening houdend met de behoeften van schepen die in deze gebieden geëxploiteerd worden.
- .2. Elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge paragraaf 2.1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 6 van deze Bijlage ten aanzien van het betrokken gebied van kracht dienen te worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum dienen schepen die in een bijzonder gebied varen te voldoen aan de vereisten van voorschrift 4 van deze Bijlage wat betreft lozingen buiten bijzondere gebieden.
2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Elke partij stelt de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de installaties die ingevolge de bepalingen van dit voorschrift zijn aangebracht, als ontoereikend worden aangemerkt, waarna de Organisatie de betrokken Verdragsluitende Partijen op de hoogte stelt.
Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij wordt onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door bedoelde partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde operationele vereisten, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal
- .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, voor zover van toepassing.
- .2. De informatie op de plakkaten wordt geschreven in de werktaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het Vuilnisjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- .1. Elke lozing in zee of naar een ontvangstinstallatie of een volledige verbranding dient onmiddellijk te worden aangetekend in het vuilnisjournaal, en deze aantekening dient te worden ondertekend op de datum van de lozing of verbranding door de verantwoordelijke officier. Elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen van het vuilnisjournaal dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn de aantekeningen in die taal doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- .2. De aantekening van elke lozing in zee ingevolge de voorschriften 4, 5, 6 of sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code dient mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad), de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde hoeveelheid (in kubieke meters) te omvatten. Bij het lozen van ladingrestanten dient in aanvulling op het voorgaande ook de positie van het schip bij het begin en het einde van de lozing te worden vermeld;
- .3. De aantekening van elke voltooide verbranding dient mede de datum en het tijdstip en de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad) bij het begin en het einde van de verbranding, de categorieën van het verbrande vuilnis en de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters te omvatten;
- .4. De aantekening voor elke afvoer naar een ontvangstinrichting in een haven of naar een ander schip dient mede de datum en het tijdstip, de haven of inrichting of de naam van het schip, de categorieën afval die geloosd worden en de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters te omvatten;
- .5. Het vuilnisjournaal dient tezamen met de ontvangstbewijzen van ontvangstinrichtingen aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform te worden bewaard en op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het document dient gedurende een termijn van ten minste twee jaar na de laatste aantekening te worden bewaard;
- .6. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 400 brutoton in het scheepsjournaal een aantekening te worden gemaakt van de datum en het tijdstip van het voorval, de haven of positie van het schip op het tijdstip van het voorval (breedtegraad, lengtegraad en waterdiepte indien bekend), de reden voor het lozen of het verlies, details van de geloosde of verloren items, de categorieën van geloosd of verloren vuilnis, de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters, redelijke voorzorgsmaatregelen die zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken en algemene opmerkingen.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- .1. schepen die reizen maken van een (1) uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- .2. vaste of drijvende platforms.
De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.
HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 11. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 12. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 3. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 13. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 14. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is die in polaire wateren varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
Bij de toepassing van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code moet rekening worden gehouden met de aanvullende richtlijnen van deel II-B van de Polar Code.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd bij het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd bij het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt ondereen soortgelijk bouwstadiumverstaan het stadium waarin:
- .1. de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
- .2. is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeperkingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedures voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voortstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van een schip, met inbegrip van gas, destillaten en residuale brandstoffen.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag van 1969 betreffende de meting van schepen, of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van het schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen. Een door gas aangedreven motor die wordt geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 maart 2016 of een door gas aangedreven aanvullende of niet-identieke vervangende motor die op of na die datum wordt geïnstalleerd wordt eveneens als scheepsdieselmotor beschouwd.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOLconferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
- halon 1211 broomchloordifluormethaan
- halon 1301 broomtrifluormethaan
- halon 2402 1, 2-dibroom-1, 1, 2, 2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2)
- CFK-11 trichloorfluormethaan
- CFK-12 dichloordifluormethaan
- CFK-113 1, 1, 2 – trichloor – 1, 2, 2 – trifluorethaan
- CFK-114 1, 2 – dichloor –1, 1, 2, 2 – tetrafluorethaan
- CFK-115 chloorpentafluorethaan
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of deze andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onder verbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder tankschip in verband met voorschrift 15 verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I of een chemicaliëntankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:
-
- wordt onder bestaand schip verstaan een schip dat geen nieuw schip is.
-
- wordt onder nieuw schip verstaan een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2013; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2013; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2015.
-
- wordt onder belangrijke wijziging in verband met Hoofdstuk 4 verstaan een wijziging van een schip:
- .1. waardoor de afmetingen, het laadvermogen of het motorvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
- .2. waardoor het type van het schip verandert; of
- .3. waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
- .4. waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de relevante bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
- .5. waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in voorschrift 21, zou kunnen overschrijden.
-
- wordt onder bulkcarrier verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in SOLAS Hoofdstuk XII, voorschrift 1, maar uitgezonderd combinatietankers.
-
- wordt ondergastanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip, niet zijnde een lng-tanker als omschreven in paragraaf 38 van dit voorschrift, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van een vloeibaar gemaakt gas.
-
- wordt onder tankschipin verband met Hoofdstuk 4 verstaan een olietankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van MARPOL Bijlage I of een chemicaliëntankschip of NLS-tankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van MARPOL Bijlage II.
-
- wordt onder containerschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van containers in laadruimen of aan dek.
-
- wordt onder algemeen vrachtschip verstaan een schip met een of meerdere dekken dat hoofdzakelijk ontworpen is voor het vervoer van algemene lading. Onder deze begripsomschrijving vallen geen gespecialiseerde droge-ladingschepen, die niet zijn opgenomen in de berekening van de referentielijnen voor algemene vrachtschepen, te weten vrachtschepen voor vee, lichterschepen, zwaartransportschepen, jachttransportschepen en schepen voor het vervoer van splijtstoffen.
-
- wordt onder koelschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
-
- wordt onder combinatietanker verstaan een schip dat ontworpen is om 100% van zijn draagvermogen te gebruiken voor het vervoer van zowel vloeibare als droge bulklading.
-
- wordt onder passagiersschip verstaan een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert.
-
- wordt onder rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) verstaan een rij-op-rij-af-vrachtschip met meerdere dekken dat ontworpen is voor het vervoer van lege voertuigen en vrachtvoertuigen.
-
- wordt onder rorovrachtschip verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
-
- wordt onder roropassagiersschip verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
-
- wordt onder bereikte EEDI verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 20 van Hoofdstuk 4.
-
- wordt onder vereiste EEDI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge voorschrift 21 van Hoofdstuk 4 is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
-
- wordt onder lng-tanker in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een vrachtschip gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt aardgas (lng).
-
- wordt onder cruiseschip in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een passagiersschip zonder ladingdek dat uitsluitend is ontworpen voor het commercieel vervoer van passagiers in overnachtingsaccommodaties tijdens een zeereis.
-
- wordt onder conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode waarbij de primaire aandrijving wordt gevormd door een of meer hoofdzuigerverbrandingsmotoren die rechtstreeks of via een versnellingsbak gekoppeld zijn aan een aandrijfas.
-
- wordt onder niet-conventionele voortstuwing in verband met Hoofdstuk 4 van deze Bijlage verstaan een voortstuwingsmethode anders dan conventionele voortstuwing, met inbegrip van diesel-elektrische voortstuwing, voorstuwing met turbines en hybride voortstuwing.
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding en de delen I-A en II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder een schip opgeleverd op of na 1 september 2019 verstaan een schip:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 september 2015; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 maart 2016; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.
- Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Audit verstaan: een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder Auditprogramma verstaan: het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan: de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt onder Auditnorm verstaan: de Implementatiecode.
-
- wordt onder kalenderjaar verstaan het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december.
-
- wordt onder onderneming verstaan, de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of rompbevrachter, die door de eigenaar van het schip is belast met de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de International Management Code for the Safe Operation of Ships and for Pollution Prevention (Internationale Code voor de Veilige Exploitatie van Schepen en voor de Voorkoming van Vervuiling), zoals gewijzigd.
-
- wordt onder afgelegde afstand verstaan de afstand die over de grond wordt afgelegd.
-
- wordt onder elektronisch journaal verstaan, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
-
- wordt onder zwavelgehalte van brandstofolie verstaan de zwavelconcentratie in een brandstofolie, gemeten als % m/m zoals getest in overeenstemming met een norm die voor de Organisatie aanvaardbaar is.
-
- wordt onder brandstof met een laag vlampunt verstaan een gasvormige of vloeibare brandstof met een vlampunt dat lager ligt dan anderszins is toegestaan uit hoofde van paragraaf 2.1.1 van voorschrift 4 van Hoofdstuk II-2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS 74).
-
- wordt onder monster uit hoofde van MARPOL verstaan het brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met voorschrift 18.8.1 van deze Bijlage.
-
- wordt onder in-gebruik-monster verstaan een monster van brandstofolie die op een schip wordt gebruikt.
-
- wordt onder aan-boord-monster verstaan een monster van brandstofolie die bestemd is of wordt vervoerd voor gebruik aan boord van dat schip.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
- .1. elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- .2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- .2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan.
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Het verlenen van een vrijstelling ingevolge dit voorschrift houdt niet in dat een schip wordt vrijgesteld van de rapportagevereiste ingevolge voorschrift 22A en houdt geen verandering in van het soort gegevens en de reikwijdte daarvan die ingevolge voorschrift 22A dienen te worden gerapporteerd. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
- .1. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
- .2. voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test of onderzoek ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
- .1. emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
- .2. het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
- .3. emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
- .4. emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in het eerste lid van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN
Voorschrift 5. Onderzoeken
Ieder schip met een brutotonnage van 400 of meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie en ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van Hoofdstuk 3 wordt voldaan:
- .1. Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
- .2. Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3;
- .3. Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
- .4. Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
- .5. Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van Hoofdstuk 3.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van Hoofdstuk 3 wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
- .1. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
- .2. Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
- .3. Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
- .4. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
Schepen waarop Hoofdstuk 4 van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren:
- .1. Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI van het schip in overeenstemming is met de vereisten van Hoofdstuk 4 en dat het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is;
- .2. Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een nieuw schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met voorschrift 2.23;
- .3. In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 21, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is en, voor een schip waarop voorschrift 22A van toepassing is, of het SEEMP op de juiste wijze is herzien om een belangrijke wijziging weer te geven in de gevallen waarin de belangrijke wijziging van invloed is op de methodiek van gegevensverzameling en/of de rapportageprocessen;
- .4. Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig voorschrift 22 vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013; en
- .5. De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop voorschrift 22A van toepassing is, het SEEMP voldoet aan voorschrift 22.2 van deze Bijlage. Dit geschiedt alvorens met het verzamelen van gegevens ingevolge voorschrift 22A van deze Bijlage wordt begonnen teneinde te waarborgen dat de methodiek en processen gereed zijn om te worden gebruikt bij aanvang van het eerste rapportagetijdvak voor het schip. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
- .1. elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
- .2. platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan een schip gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van Bijlage VI voor de Administratie van het betreffende schip dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging in overeenstemming met paragraaf 1 van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen aanvaardt de Administratie de volledige verantwoordelijkheid voor het certificaat.
Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5.4 afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 of meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.
Het certificaat wordt afgegeven of goedgekeurd hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Na ontvangst van de ingevolge voorschrift 22A.3 van deze Bijlage gerapporteerde gegevens, bepaalt de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie of de gegevens zijn gerapporteerd in overeenstemming met voorschrift 22A van deze Bijlage en geeft, indien dit het geval is, uiterlijk vijf maanden na aanvang van het kalenderjaar ten behoeve van het schip een conformverklaring inzake brandstofolieverbruik af. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
Na ontvangst van de ingevolge de voorschriften 22A.4, 22A.5 of 22A.6 van deze Bijlage gerapporteerde gegevens bepaalt de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie onverwijld of de gegevens in overeenstemming met voorschrift 22A gerapporteerd zijn, en geeft, indien dit het geval is, op dat tijdstip ten behoeve van het schip een conformverklaring inzake brandstofolieverbruik af. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij
Een partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien te haren genoegen vaststaat dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op dergelijke certificaten van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als een certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging of Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.
Voorschrift 8. Model van de certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik
Het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel VIII bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
De conformverklaring ingevolge de voorschriften 6.6 en 6.7 van deze Bijlage wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel X bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift:
- .1. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
- .2. Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
- .3. Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in het eerste lid van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht, gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste één maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat het verlengd werd.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie, behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in lid 2.1.5 of 2.1.6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
- .1. wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
- .2. wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
- .3. kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
- .2. indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
- .3. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van het certificaat dat het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.
Een ingevolge deze Bijlage afgegeven Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
- .1. indien een schip uit de vaart wordt genomen of indien een nieuw certificaat wordt afgegeven na een belangrijke wijziging van het schip; of
- .2. bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van Hoofdstuk 4. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
De conformverklaring ingevolge voorschrift 6.6 van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven en gedurende de eerste vijf maanden van het daaropvolgende kalenderjaar. De conformverklaring ingevolge voorschrift 6.7 van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven, gedurende het daaropvolgende kalenderjaar en de eerste vijf maanden van het kalenderjaar dat daarop volgt. Alle conformverklaringen dienen ten minste gedurende hun geldigheidstermijn aan boord te worden bewaard.
Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Met betrekking tot Hoofdstuk 4 is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan boord zijn in overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de aldus geïnformeerde Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek om een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK 3. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
- .1. op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
- .2. in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch journaal. Een elektronisch registratiesysteem, bedoeld in voorschrift 12.6, zoals aangenomen bij resolutie MEPC.176(58), wordt beschouwd als elektronisch journaal mits het elektronisch registratiesysteem door de Administratie wordt goedgekeurd bij of vóór het eerste hernieuwde onderzoek voor het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging (IAPP) dat wordt uitgevoerd op of na 1 oktober 2020, maar niet later dan 1 oktober 2025, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
- .1. volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .2. reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
- .3. vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- .3.1. opzettelijk; en
- .3.2. onopzettelijk;
- .4. afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
- .5. levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
- .1. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
- .2. iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder lid 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder 1.1 van dit lid, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
- .1. de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
- .2. een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de herziene NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
- .3. het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de leden 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
- .1. voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in het derde lid van dit voorschrift; en
- .2. voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 44·n(-0,23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
- .3. 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift (gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III), het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
- .1. verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut): waarbij geldt
- .1. 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 9 • n(-0,2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2.000 opm;
- .3. 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.;
- .2. indien dat schip is gebouwd op of na:
- .1. 1 januari 2016 en vaart in het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing of in het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing;
- .2. 1 januari 2021 en vaart in het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing of in het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing;
- .3. het schip vaart in een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, anders dan een gebied voor emissiebeheersing beschreven in paragraaf 5.1.2 van dit voorschrift, en dat is gebouwd op of na de datum waarop dit gebied voor emissiebeheersing is aangenomen, of op een latere datum vermeld in de wijziging waarin het gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III is aangewezen, naargelang van welke datum de laatste is.
5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:
- .1. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
- .2. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
- .3. een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
5.3. De generatie en aan/uit-status van scheepsdieselmotoren die geïnstalleerd zijn op een schip waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is en die zijn gecertificeerd zowel conform generatie II als generatie III of uitsluitend conform generatie II, worden geregistreerd in een dergelijk door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal op het moment van binnenkomst in en vertrek uit een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III, of wanneer de aan/uit-status verandert binnen een dergelijk gebied, tezamen met de datum, tijd en positie van het schip.
5.4. Emissies van stikstofoxiden door een scheepsdieselmotor waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is, die plaatsvinden onmiddellijk volgend op bouw- en zeeproeven met een nieuw gebouwd schip, of voorafgaand en volgend op het wijzigen, repareren en/of onderhouden van het schip, of het onderhouden of repareren van een motor van generatie II of een dual fuelmotor wanneer er vanwege veiligheidsvoorschriften geen gas als brandstof of lading aan boord mag zijn, waarbij activiteiten plaatsvinden op een scheepswerf of een andere reparatiefacilititeit gelegen in een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, geldt een tijdelijke vrijstelling mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- .1. de motor voldoet aan de NOx-grens voor generatie II; en
- .2. het schip vaart rechtstreeks naar of van de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit, laadt of lost geen lading tijdens de duur van de vrijstelling en houdt zich, indien van toepassing, aan alle aanvullende specifieke voorwaarden betreffende de route die worden aangegeven door de havenstaat waarin de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit is gelegen.
5.5. De vrijstelling die in paragraaf 5.4 van dit voorschrift is beschreven geldt uitsluitend voor het volgende tijdvak:
- .1. voor een nieuw gebouwd schip, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip wordt opgeleverd door de scheepswerf, met inbegrip van de zeeproeven, en eindigt op het moment dat het schip rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of, met betrekking tot schepen uitgerust met een dual fuelmotor, dat het schip rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde voor het schip geschikte bunkerfaciliteit voor gasbrandstof in een gebied (of gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III vaart;
- .2. voor een schip met een motor van generatie II dat gewijzigd, onderhouden of gerepareerd wordt, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III binnenvaart en rechtstreeks naar de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit gaat, en eindigt op het moment dat het schip wordt vrijgegeven door de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit en na het uitvoeren van zeeproeven, indien van toepassing, rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat; of
- .3. voor een schip met een dual fuelmotor dat gewijzigd, onderhouden of gerepareerd wordt, wanneer er vanwege veiligheidsvoorschriften geen gas als brandstof of lading aan boord mag zijn, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III binnenvaart of wanneer het wordt ontgast in het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III en rechtstreeks naar de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit gaat, en eindigt op het moment waarop het schip wordt vrijgegeven door de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit en rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde voor het schip geschikte bunkerfaciliteit voor gasbrandstof in een gebied (of gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III vaart.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De gebieden voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III zijn:
- .1. het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
- .2. het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
- .3. het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I bij dit Verdrag; en
- .4. het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V bij dit Verdrag.
7.1. Onverminderd lid 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in lid 7.4 van dit lid, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
- .1. installatie van de gecertificeerde goedgekeurde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
- .2. certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging van het schip.
7.2. De bepalingen van lid 7.1 zijn tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in lid 7.1 plaatsvindt. Indien een reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van het schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is, een van de volgende omstandigheden te worden aangegeven:
- .1. er is een goedgekeurde methode toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift;
- .2. de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift;
- .3. een goedgekeurde methode is nog niet op de markt verkrijgbaar zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift; of
- .4. er is nog geen goedgekeurde methode van toepassing.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in lid 7.1 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
- .1. 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
- .2. 45·n(-0.2)g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
- .3. 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
- .1. door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
- .2. dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in lid 7.4 van dit lid en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgkeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van een schip mag niet hoger zijn dan 0,5% m/m.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing, elk door de Organisatie, volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage, aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De onder dit voorschrift vallende gebieden voor emissiebeheersing zijn:
- .1. het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I bij dit Verdrag;
- .2. het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V bij dit Verdrag;
- .3. het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
- .4. het Caribische Zeegebied van de Verenigde Staten voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage.
Wanneer een schip vaart binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van dat schip niet hoger zijn dan 0,1% m/m.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in het eerste en vierde lid van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan het vierde lid van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in het derde lid van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens het vierde lid van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.
Indien de bevoegde autoriteit van een Partij vereist dat het in-gebruik-monster of het aan-boord-monster wordt geanalyseerd, geschiedt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure zoals vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om vast te stellen of de brandstofolie die gebruikt wordt aan boord of daarvoor bestemd is, voldoet aan de vereisten van het eerste of vierde lid van dit voorschrift. Het in-gebruik-monster wordt genomen rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Het aan-boord-monster wordt genomen rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Het monster dient te worden verzegeld door de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit met een uniek identificatiemiddel dat wordt aangebracht in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van het schip. Het schip wordt de mogelijkheid geboden een duplicaatmonster te bewaren.
Voor elk schip waarop devoorschriften 5 en 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt een bemonsteringspunt of worden bemonsteringspunten aangebracht of aangewezen ten behoeve van het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Voor een schip gebouwd voor 1 april 2022 dienen de in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunten te worden aangebracht of aangewezen niet later dan het eerste hernieuwde onderzoek zoals voorzien in voorschrift 5.1.2 van deze Bijlage op of na 1 april 2023.
De vereisten van de bovenstaande paragrafen 10 en 11 zijn niet van toepassing op een brandstofolieservicesysteem voor een brandstof met een laag vlampunt gebruikt voor verbrandingsdoeleinden voor de voortstuwing of bedrijfsdoeleinden aan boord van het schip.
De bevoegde autoriteit van een Partij gebruikt, naargelang van toepassing, het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten dat is of die zijn aangewezen voor het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt teneinde te verifiëren of de brandstofolie voldoet aan dit voorschrift. Het nemen van brandstofoliemonsters door de bevoegde autoriteit van de Partij dient zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen (VOS)
Indien de emissie van VOS door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een partij die de emissie van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen havens en laad- en losplaatsen, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop het eerste lid van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in het tweede lid van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
- .1. schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
- .2. betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
- .3. te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
- .4. voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, Frans of Spaans is, een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in het vierde lid van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
- .1. residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
- .2. polychloorbifenylen (PCB’s);
- .3. afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
- .4. geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
- .5. zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
- .6. residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens en estuaria.
Niets in dit voorschrift:
- .1. doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, noch
- .2. vormt het een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in lid 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop dit lid van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord; of
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van lid 6.1 toestaan op elke verbrandingsinstallatie die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
De verantwoordelijken voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dienen te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens het zevende lid van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met lid 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
- .1. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
- .2. behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
- .3. behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in het eerste lid van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en stelt de Organisatie in kennis van de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
- .1. een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
- .2. bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oplopen om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in lid 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
- .1. behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- .1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- .1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- .1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die respectievelijk dat:
- .1.3.1. de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
- .1.3.2. schadelijk is voor personeel, of
- .1.3.3. in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
- .2. brandstofolie voor verbrandingsdoeleinden verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- .2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- .2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de leden 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- .2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- .2.3.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen en de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- .2.3.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- .2.3.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De leden 5, 6, 7.1, 7.2, 8.1, 8.2, 9.2, 9.3 en 9.4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op gasvormige brandstoffen als LPG, gecomprimeerd aardgas of vloeibaar gemaakt petroleumgas. Het zwavelgehalte van gasvormige brandstoffen die specifiek voor verbrandingsdoeleinden aan boord van dat schip worden geleverd dient te worden aangetoond door de leverancier.
Voor ieder schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over voor verbrandingsdoeleinden geleverde en aan boord gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met dit lid dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Partij verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
- .1. een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
- .2. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en monster zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
- .3. van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
- .4. passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
- .5. de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van voorschrift 14 of 18 van deze Bijlage; en
- .6. de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
- .1. de Partij of een Staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
- .2. te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 ton of meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de desbetreffende Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan het zesde lid van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE ENERGIE-EFFICIËNTIE VOOR SCHEPEN
Voorschrift 19. Toepassing
Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:
- .1. schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
- .2. schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO’s), drijvende opslageenheden (FSU’s) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
De voorschriften 20 en 21 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 20 en 21 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en lng-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2. De voorschriften 20 en 21 zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals omschreven in de Polar Code.
Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 20 en voorschrift 21 voor een schip met een brutotonnage van 400 of meer.
De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 ton of meer:
- .1. waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2017; of
- .2. waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
- .3. waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
- .4. in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in voorschrift 2.24, op of na 1 januari 2017, en waarbij voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 van Hoofdstuk 2 van toepassing zijn.
De Administratie van een partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de partijen bij dit Protocol ter kennisneming.
Voorschrift 20. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
De bereikte EEDI wordt berekend voor:
- .1. elk nieuw schip;
- .2. elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier bij de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatieVerwijst naar de Code voor Erkende Organisaties (RO Code), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.237(65), eventueel als gewijzigd..
De bereikte EEDI wordt berekend met inachtneming van de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Voor elk schip waarop voorschrift 21 van deze Bijlage van toepassing is, rapporteert de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie aan de Organisatie de vereiste en bereikte EEDI-waarden en relevante informatie, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, via elektronische communicatie:
- .1. binnen 7 maanden na afronding van het onderzoek zoals vereist door voorschrift 5.4 van deze Bijlage; of
- .2. binnen 7 maanden na 1 april 2022 voor een schip opgeleverd vóór 1 april 2022.
Voorschrift 21. Vereiste EEDI
Voor elk:
- .1. nieuw schip;
- .2. nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
- .3. nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.25 tot en met 2.31, 2.33 tot en met 2.35, 2.38 en 2.39 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt: Bereikte EEDI ≤ Vereiste EEDI = (1-X/100) × waarde referentielijn waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
Voor elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van paragraaf 21.1, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.
| Scheepstype | Omvang | Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 | Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 mrt 2022 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 | Fase 3 1 apr 2022 en Daarna | Fase 3 1 jan 2025 en daarna |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bulkcarrier | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Bulkcarrier | 10.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 20.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-20* | 0-30* | ||
| Gastanker | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Gastanker | 10.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 15.000 ton | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Gastanker | 2.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 10.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-20* | 0-30* | ||
| Tankschip | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Tankschip | 4.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 20.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-20* | 0-30* | ||
| Containerschip | 200.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 50 | ||
| Containerschip | 120.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton ton draagvermogen | 0 | 10 | 20 | 45 | ||
| Containerschip | 80.000 en hoger maar minder dan 120.000 ton ton draagvermogen | 0 | 10 | 20 | 40 | ||
| Containerschip | 40.000 en hoger maar minder dan 80.000 ton draagvermogen | 0 | 10 | 20 | 35 | ||
| Containerschip | 15.000 en hoger maar minder dan 40.000 ton draagvermogen | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Containerschip | 10.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 15.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-20* | 15-30* | ||
| Algemeen vrachtschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 | ||
| Algemeen vrachtschip | 3.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 15.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-15* | 0-30* | ||
| Koelschip | 5.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 | ||
| Koelschip | 3.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 5.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-15* | 0-30* | ||
| Combinatietanker | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Combinatietanker | 4.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 20.000 ton | n.v.t. | 0-10* | 0-20* | 0-30* | ||
| Lng- tanker*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 10** | 20 | 30 | ||
| Roro vrachtschip (vrachtschip voor voertuigen)*** | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 15 | 30 | ||
| Roro vrachtschip*** | 2.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 | ||
| Roro vrachtschip*** | 1.000 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 2.000 ton | n.v.t. | 0-5,* | 0-20* | 0-30* | ||
| Roro passagiers-schip*** | 1.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 | ||
| Roro passagiers-schip*** | 250 ton draagvermogen en hoger maar minder dan 1.000 ton | n.v.t. | 0-5,* | 0-20* | 0-30* | ||
| Cruiseschip *** met niet- conventionele voortstuwing | brutotonnage 85.000 en hoger | n.v.t. | 5** | 20 | 30 | ||
| Cruiseschip *** met niet- conventionele voortstuwing | brutotonnage 25.000 ton en hoger maar minder dan 85.000 ton | n.v.t. | 0-5,* | 0-20* | 0-30* |
- De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
** Fase 1 begint voor deze schepen op 15 september 2015.
*** De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, als omschreven in paragraaf 43 van voorschrift 2.
Opmerking:n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:
Waarde referentielijn = a ×b -c
waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.
| Scheepstype omschreven in voorschrift 2 | a | b | c |
|---|---|---|---|
| 2.25 Bulkcarrier | 961,79 | ton draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤ 279.000 | 0,477 |
| 2.25 Bulkcarrier | 961,79 | 279.000 waarbij het draagvermogen > 279.000 | 0,477 |
| 2.26 Gastanker | 1120,00 | draagvermogen van het schip | 0,456 |
| 2.27 Tankschip | 1218,80 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.28 Containerschip | 174,22 | draagvermogen van het schip | 0,201 |
| 2.29 Algemeen vrachtschip | 107,48 | draagvermogen van het schip | 0,216 |
| 2.30 Koelschip | 227,01 | draagvermogen van het schip | 0,244 |
| 2.31 Combinatietanker | 1219,00 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.33 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) | (draagvermogen/brutotonnage)-0,7 780,36 waarbij draagvermogen/ brutotonnage <0.3 1812,63 waarbij draagvermogen/brutotonnage ≥0.3 | draagvermogen van het schip | 0,471 |
| 2.34 Rorovrachtschip | 1405,15 | draagvermogen van het schip | 0,498 |
| 2.34 Rorovrachtschip | 1686,17 1) | draagvermogen van het schip wanneer het draagvermogen ≤17.000 1) 17.000 wanneer het draagvermogen > 17.000 1) | 0,498 |
| 2.35 Roropassagiersschip | 752,16 | draagvermogen van het schip | 0,381 |
| 2.35 Roropassagiersschip | 902,59 1) | draagvermogen van het schip wanneer het draagvermogen ≤10.000 1) 10.000 wanneer het draagvermogen > 10.000 1) | 0,381 |
| 2.38 Lng-tanker | 2253,7 | draagvermoge van het schip | 0,474 |
| 2.39 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | 170,84 | brutotonnage van het schip | 0,214 |
1) te gebruiken vanaf fase 2 en verder.
Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (laagste) vereiste EEDI.
Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren, te handhaven.
Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.
Voorschrift 22. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)
Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnd energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip.
Op of voor 31 december 2018 dient bij schepen van 5000 brutoton of meer het SEEMP een beschrijving te omvatten van de methodiek die wordt gebruikt om de door voorschrift 22A.1 van deze Bijlage vereiste gegevens te verzamelen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren.
Het SEEMP moet worden ontwikkeld met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtsnoeren.
Voorschrift 23. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.
De Administratie van een partij werkt actief samen met andere partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.
HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 24. Vereiste EEDI
Voor elk:
-
- nieuw schip,
-
- nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
-
- nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip
dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEDI als volgt:
waarbij X de in tabel 1 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEDI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
Voor elk nieuw en bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, wordt de bereikte EEDI berekend en dient deze te voldoen aan het vereiste van de eerste paragraaf van dit voorschrift, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen.
| Scheepstype | Omvang | Fase 0 1 jan 2013 – 31 dec 2014 | Fase 1 1 jan 2015 – 31 dec 2019 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 mrt 2022 | Fase 2 1 jan 2020 – 31 dec 2024 | Fase 3 1 apr 2022 en daarna | Fase 3 1 jan 2025 en daarna |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Bulkcarrier | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Bulkcarrier | 10.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draag-vermogen | n.v.t. | 0–10 1) | 0–20 1) | 0–30 1) | ||
| Gastanker | 15.000 ton draag -vermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Gastanker | 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draag-vermogen | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Gastanker | 2.000 en hoger maar minder dan 10.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–10 1) | 0–20 1) | 0–30 1) | ||
| Tankschip | 20.000 ton draag-vermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Tankschip | 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–10 1) | 0–20 1) | 0–30 1) | ||
| Containerschip | 200.000 ton draag-vermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 50 | ||
| Containerschip | 120.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen | 0 | 10 | 20 | 45 | ||
| Containerschip | 80.000 en hoger maar minder dan 120.000 ton draag-vermogen | 0 | 10 | 20 | 40 | ||
| Containerschip | 40.000 en hoger maar minder dan 80.000 ton draag-vermogen | 0 | 10 | 20 | 35 | ||
| Containerschip | 15.000 en hoger maar minder dan 40.000 ton draag-vermogen | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Containerschip | 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draag-vermogen | n.v.t. | 0–101) | 0–20 1) | 15–30 1) | ||
| Algemeen vrachtschip | 15.000 ton draag-vermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 | ||
| Algemeen vrachtschip | 3.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–10 1) | 0–15 1) | 0–30 1) | ||
| Koelschip | 5.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 15 | 30 | ||
| Koelschip | 3.000 en hoger maar minder dan 5.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–10 1) | 0–15 1) | 0–30 1) | ||
| Combinatie-tanker | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 0 | 10 | 20 | 30 | ||
| Combinatie-tanker | 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–10 1) | 0–20 1) | 0–30 1) | ||
| LNG-tanker 2) | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 10 3) | 20 | 30 | ||
| Roro-vrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) 2) | 10.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5 3) | 15 | 30 | ||
| Roro-vrachtschip 2) | 2.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5 3) | 20 | 30 | ||
| Roro-vrachtschip 2) | 1.000 en hoger maar minder dan 2.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–5 1), 3) | 0–20 1) | 0–30 1) | ||
| Roro-passagierschip 2) | 1.000 ton draagvermogen en hoger | n.v.t. | 5 3) | 20 | 30 | ||
| Roro-passagierschip 2) | 250 en hoger maar minder dan 1.000 ton draagvermogen | n.v.t. | 0–51),3) | 0–20 1) | 0–30 1) | ||
| Cruise-schip 2) met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 85.000 en hoger | n.v.t. | 5 3) | 20 | 30 | ||
| Cruise-schip 2) met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 25.000 en hoger maar minder dan 85.000 | n.v.t. | 0–5 1), 3) | 0–20 1) | 0–30 1) |
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd uit de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
2) De reductiefactor is van toepassing op schepen die op of na 1 september 2019 worden opgeleverd, zoals omschreven in paragraaf 2.1 van voorschrift 2.
3) Fase 1 begint voor deze schepen op 15 september 2015.
Opmerking: n.v.t. betekent dat er geen vereiste EEDI van toepassing is.
De waarden van de referentielijn dienen als volgt te worden berekend:
Waarde referentielijn = a • b-c
waarbij a, b en c de in tabel 2 gegeven parameters zijn.
| Scheepstype omschreven in voorschrift 2 | a | b | c |
|---|---|---|---|
| 2.2.5 Bulkcarrier | 961,79 | draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤279.000 279.000, waarbij draagvermogen >279.000, | 0,477 |
| 2.2.7 Combinatietanker | 1.219,00 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
| 2.2.9 Containerschip | 174,22 | draagvermogen van het schip | 0,201 |
| 2.2.11 Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | 170,84 | Brutotonnage van het schip | 0,214 |
| 2.2.14 Gastanker | 1.120,00 | draagvermogen van het schip | 0,456 |
| 2.2.15 Algemeen vrachtschip | 107,48 | draagvermogen van het schip | 0,216 |
| 2.2.16 LNG-tanker | 2.253,7 | draagvermogen van het schip | 0,474 |
| 2.2.22 Koelvrachtschip | 227,01 | draagvermogen van het schip | 0,244 |
| 2.2.26 Rorovrachtschip | 1405,15 | draagvermogen van het schip | 0,498 |
| 2.2.26 Rorovrachtschip | 1686,17 1) | draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤17.000 1) 17.000 waarbij draagvermogen > 17.000 1) | 0,498 |
| 2.2.27 Rorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) | (draagvermogen/brutotonnage)-0.7 • 780,36 waarbij draagvermogen/brutotonnage < 0,3 1.812,63 waarbij draagvermogen/ brutotonnage ≥0,3 | draagvermogen van het schip | 0,471 |
| 2.2.28 Roropassagiersschip | 752,16 | draagvermogen van het schip | 0,381 |
| 2.2.28 Roropassagiersschip | 902,59 1) | draagvermogen van het schip waarbij draagvermogen ≤10.000 1) 10.000 ton draagvermogen > 10.000 1) | 0,381 |
| 2.2.29 Tankschip | 1.218,80 | draagvermogen van het schip | 0,488 |
1) te gebruiken vanaf fase 2 en verder.
Indien het ontwerp van het schip zodanig is dat het onder meer dan een van de hierboven omschreven scheepstypen weergegeven in tabel 2 kan vallen, dan is de vereiste EEDI voor het schip de strengste (de laagste) vereiste EEDI.
Bij elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, mag het geïnstalleerde voortstuwingsvermogen niet minder zijn dan het voortstuwingsvermogen dat nodig is om de manoeuvreerbaarheid van het schip onder slechte omstandigheden, zoals omschreven in de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen, te handhaven.
Bij aanvang van fase 1 en halverwege fase 2 toetst de Organisatie de status van de technologische ontwikkelingen en past, wanneer dat nodig blijkt, de in dit voorschrift voorziene termijnen, parameters voor de EEDI-referentielijn voor relevante scheepstypen en reductiepercentages aan.
Voorschrift 25. Vereiste EEXI
Voor:
-
- elk schip; en
-
- elk schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan
dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 valt en waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, is de bereikte EEXI als volgt:
waarbij Y de in tabel 3 vermelde reductiefactor is voor de vereiste EEXI ten opzichte van de EEDI-referentielijn.
| Scheepstype | Omvang | Reductiefactor |
|---|---|---|
| Bulkcarrier | 200.000 ton draagvermogen en hoger | 15 |
| Bulkcarrier | 20.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen | 20 |
| Bulkcarrier | 10.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen | 0–20 1) |
| Gastanker | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 30 |
| Gastanker | 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen | 20 |
| Gastanker | 2.000 en hoger maar minder dan 10.000 ton draagvermogen | 0–20 1) |
| Tankschip | 200.000 ton draagvermogen en hoger | 15 |
| Tankschip | 20.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen | 20 |
| Tankschip | 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen | 0–20 1) |
| Containerschip | 200.000 ton draagvermogen en hoger | 50 |
| Containerschip | 120.000 en hoger maar minder dan 200.000 ton draagvermogen | 45 |
| Containerschip | 80.000 en hoger maar minder dan 120.000 ton draagvermogen | 35 |
| Containerschip | 40.000 en hoger maar minder dan 80.000 ton draagvermogen | 30 |
| Containerschip | 15.000 en hoger maar minder dan 40.000 ton draagvermogen | 20 |
| Containerschip | 10.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen | 0–20 1) |
| Algemeen vrachtschip | 15.000 ton draagvermogen en hoger | 30 |
| Algemeen vrachtschip | 3.000 en hoger maar minder dan 15.000 ton draagvermogen | 0–30 1) |
| Koelvrachtschip | 5.000 ton draagvermogen en hoger | 15 |
| Koelvrachtschip | 3.000 en hoger maar minder dan 5.000 ton draagvermogen | 0–15 1) |
| Combinatietanker | 20.000 ton draagvermogen en hoger | 20 |
| Combinatietanker | 4.000 en hoger maar minder dan 20.000 ton draagvermogen | 0–20 1) |
| LNG-tanker | 10.000 ton draagvermogen en hoger | 30 |
| Roro-vrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) | 10.000 ton draagvermogen en hoger | 15 |
| Rorovrachtschip | 2.000 ton draagvermogen en hoger | 5 |
| Rorovrachtschip | 1.000 en hoger maar minder dan 2.000 ton draagvermogen | 0–5 1) |
| Roro-passagiersschip | 1.000 ton draagvermogen en hoger | 5 |
| Roro-passagiersschip | 250 en hoger maar minder dan 1.000 ton draagvermogen | 0–5 1) |
| Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 85.000 en hoger | 30 |
| Cruiseschip met niet-conventionele voortstuwing | Brutotonnage 25.000 en hoger maar minder dan 85.000 | 0–30 1) |
1) De reductiefactor dient lineair te worden geïnterpoleerd tussen de twee waarden, afhankelijk van de omvang van het schip. De laagste waarde van de reductiefactor dient te worden toegepast op het schip met de kleinste omvang.
De waarden van de EEDI referentielijn dienen te worden berekend overeenkomstig voorschriften 24.3 en 24.4 van deze Bijlage. Voor rorovrachtschepen en roropassagiersschepen wordt verwezen naar de referentielijnwaarde die vanaf fase 2 en verder overeenkomstig voorschrift 24.3 van deze Bijlage moet worden gebruikt.
Uiterlijk op 1 januari 2026 wordt door de Organisatie een toetsing voltooid om de doeltreffendheid van dit voorschrift te beoordelen, rekening houdend met eventuele door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Indien de Partijen op basis van de toetsing besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in artikel 16 van dit Verdrag vervatte bepalingen.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 22A. Verzamelen en rapporteren van gegevens over het brandstofolieverbruik van schepen
Vanaf het kalenderjaar 2019 dienen voor elk schip van 5000 brutoton of meer de in Aanhangsel IX van deze Bijlage genoemde gegevens te worden verzameld voor dat kalenderjaar en elk daaropvolgend kalenderjaar of deel daarvan, naargelang van toepassing, volgens de in het SEEMP opgenomen methodiek.
Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen aan het einde van elk kalenderjaar de voor het schip in dat kalenderjaar of deel daarvan verzamelde gegevens, naargelang van toepassing, te worden samengevoegd.
Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dient voor elk schip binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, aan de Administratie van het schip of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde waarde voor elke in Aanhangsel IX bij deze Bijlage genoemde datum te worden gerapporteerd langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.
Indien een schip van de ene naar de andere Administratie wordt overgedragen, dienen op de dag waarop de overdracht wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan de overdragende Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar dat onder die Administratie valt, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na voorafgaand verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
Indien een schip overgaat van de ene naar de andere onderneming, dienen op de dag waarop de overgang wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan zijn Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar waarvoor de onderneming verantwoordelijk is, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
Indien de verandering van Administratie samenvalt met de verandering van onderneming, is de vierde paragraaf van dit voorschrift van toepassing.
De gegevens dienen te worden geverifieerd volgens door de Administratie in te stellen procedures, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren.
Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen de uitgesplitste gegevens die ten grondslag liggen aan de gerapporteerde gegevens die in Aanhangsel IX bij deze Bijlage worden vermeld ter zake van het voorafgaande kalenderjaar gemakkelijk toegankelijk te zijn gedurende een periode van ten minste 12 maanden te rekenen vanaf het einde van dat kalenderjaar en aan de Administratie op verzoek beschikbaar te worden gesteld.
De Administratie waarborgt dat de gerapporteerde gegevens vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage ter zake van haar geregistreerde schepen van 5000 brutoton en meer worden overgedragen aan de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat en niet later dan één maand na afgifte van de conformverklaringen voor deze schepen.
Op basis van de gerapporteerde gegevens die bij de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen worden ingediend, stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie een jaarverslag op voor de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de verzamelde gegevens, de status van de ontbrekende gegevens en overige relevante informatie waarom de Commissie kan verzoeken.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie houdt een database bij die zodanig geanonimiseerd is dat individuele schepen niet geïdentificeerd kunnen worden. Partijen hebben uitsluitend toegang tot de geanonimiseerde gegevens ten behoeve van analyse en bestudering.
De IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen wordt opgezet en beheerd door de Secretaris-Generaal van de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie te ontwikkelen richtsnoeren.
Voorschrift 23. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie bestaand schip (Bereikte EEXI)
De bereikte EEXI wordt berekend voor:
-
- elk schip; en
-
- elk schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan
dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt. De bereikte EEXI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEXI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEXI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEXI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEXI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.
De bereikte EEXI wordt berekend aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Onverminderd paragraaf 1 van dit voorschrift mag voor elk schip waarop voorschrift 22 van deze Bijlage van toepassing is, de bereikte EEDI die is geverifieerd door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie overeenkomstig voorschrift 22.1 van deze Bijlage, worden opgevat als de bereikte EEXI, indien de waarde van de bereikte EEDI gelijk is aan of lager is dan die van de vereiste EEXI, zoals vereist bij voorschrift 25 van deze Bijlage. In dit geval wordt de bereikte EEXI geverifieerd op basis van het technisch dossier bij de EEDI.
HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 24. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 25. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Een voorstel voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dient te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient onder meer te omvattten:
- .1. een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
- .2. het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx of fijnstof of alle drie de typen emissies);
- .3. een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
- .4. een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde beheersgebied bijdragen aan de concentraties van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
- .5. relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde gebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
- .6. de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
- .7. een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
- .8. de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren van het gebied.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
De volgende relevante verificatieprocedure wordt gebruikt om vast te stellen of de aan boord van schepen geleverde en aldaar gebruikte of voor gebruik bestemde brandstofolie voldoet aan de krachtens voorschrift 14 van deze Bijlage vereiste zwavelgrenzen.
Dit aanhangsel heeft betrekking op de volgende representatieve brandstofoliemonsters uit hoofde van MARPOL Bijlage VI:
Deel 1 – brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met voorschrift 18.8.1, hierna te noemen „monster uit hoofde van MARPOL” zoals omschreven in voorschrift 2.54.
Deel 2 – monster van brandstofolie die in gebruik is aan boord van schepen, die bestemd is om aan boord te worden gebruikt of die vervoerd wordt om aan boord te worden gebruikt in overeenstemming met voorschrift 14.8, hierna te noemen het „in-gebruik-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.55 en „aan-boord-monster”7 zoals omschreven in voorschrift 2.56.
Deel 1. – monster uit hoofde van MARPOL
1. Algemene vereisten
1.1. Het representatieve brandstofoliemonster dat uit hoofde van voorschrift 18.8.1 („monster uit hoofde van MARPOL”) verplicht is, wordt gebruikt om het zwavelgehalte van de aan een schip geleverde brandstofolie te verifiëren.
1.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.
1.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie te hebben voor de gebruikte testmethode.
2. Verificatieprocedure deel 1
2.1. De bevoegde autoriteit levert het monster uit hoofde van MARPOL af bij het laboratorium.
2.2. Het laboratorium:
- .1. legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
- .2. legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
- .3. wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
2.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
- .1. verwijdert het zegel van het monster;
- .2. stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
- .3. neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
- .4. verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
2.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.52 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 1 van deze verificatieprocedure worden de uitkomsten van de analyse aangeduid als „1A” en „1B”:
- .1. resultaten 1A en 1B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode.
- .2. indien de resultaten van 1A en 1B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt.
- .3. blijven de resultaten van 1A en 1B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode, dan worden beide afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
- .4. in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 1A en 1B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 2.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
2.5. Indien de testresultaten van „1A” en „1B” geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. De gemiddelde waarde wordt aangeduid als „X” en wordt vastgelegd in het testdossier:
- .1. indien het resultaat X gelijk is aan of lager is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
- .2. indien het resultaat X hoger is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste.
| Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
|---|---|---|
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Resultaat 2.5.1: X ≤ V | Resultaat 2.5.2: X > V |
| 0,10 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| 0,50 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| Resultaat „ X” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat „ X” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven |
2.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
2.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
Deel 2. – Monsters tijdens gebruik en aan boord
3. Algemene vereisten
3.1. Het monster tijdens gebruik of aan boord, naargelang van toepassing, wordt gebruikt om het zwavelgehalte te verifiëren van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door dat brandstofoliemonster op het bemonsteringspunt.
3.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.
3.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie10 te hebben voor de gebruikte testmethode.
4. Verificatieprocedure deel 2
4.1. De bevoegde autoriteit levert het in-gebruik-monster en het aan-boord-monster af bij het laboratorium.
4.2. Het laboratorium:
- .1. legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
- .2. legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
- .3. wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
4.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
- .1. verwijdert het zegel van het monster;
- .2. stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
- .3. neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
- .4. verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
4.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.52 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 2 van deze verificatieprocedure worden de resultaten aangeduid als „2A” en „2B”:
- .1. resultaten 2A en 2B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode.
- .2. indien de resultaten van 2A en 2B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt.
- .3. indien de resultaten van 2A en 2B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, dan worden beide afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
- .4. in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 2A en 2B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 4.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
4.5. Indien de testresultaten van „2A” en „2B” geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. Die gemiddelde waarde wordt aangeduid als „Z” en wordt vastgelegd in het testdossier:
- .1. indien Z gelijk is aan of lager is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste;
- .2. indien Z groter is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 maar minder dan of even hoog als die toepasselijke grenswaarde + 0,59R (waarbij R de reproduceerbaarheid van de testmethode is), wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
- .3. indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 + 0,59R wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste.
| Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.52 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
|---|---|---|---|---|
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Waarde marge test: W | Resultaat 4.5.1: Z ≤ V | Resultaat 4.5.2: V < Z ≤ W | Resultaat 4.5.3: Z > W |
| 0,10 | 0,11 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| 0,50 | 0,53 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| Resultaat „Z” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat „Z” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat „Z” wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven |
4.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
4.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.
Voorschrift 43a. Bijzondere vereisten voor het gebruik en het vervoer van olie als brandstof in Arctische wateren
Met uitzondering van schepen die ingezet worden bij het waarborgen van de veiligheid van schepen of bij een opsporings- en reddingsoperatie, en parate schepen bestemd voor de bestrijding van olielekkages, is het gebruik en vervoer van de olieproducten vermeld in voorschrift 43.1.2 van deze Bijlage als brandstof voor schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in voorschrift 46.2 van deze Bijlage, op of na 1 juli 2024.
Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, is voor schepen waarop voorschrift 12A van deze Bijlage of voorschrift 1.2.1 van hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code van toepassing is, het gebruik en vervoer van in voorschrift 43.1.2 van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof voor deze schepen verboden in Arctische wateren, zoals omschreven in voorschrift 46.2 van deze Bijlage, op of na 1 juli 2029.
Indien voorgaande activiteiten gepaard gingen met het gebruik en vervoer van de in voorschrift 43.1.2 van deze Bijlage genoemde olieproducten als brandstof, is het reinigen of spoelen van de tanks of pijpleidingen niet vereist.
Niettegenstaande de bepalingen van de paragrafen 1 en 2 van dit voorschrift, kan de Administratie van een Partij bij dit Verdrag waarvan de kustlijn aan de Arctische wateren grenst tijdelijk ontheffing verlenen van de vereisten van paragraaf 1 van dit voorschrift voor schepen die de vlag voeren van die Partij die opereren in wateren die onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van die Partij vallen, rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen. Geen enkele ontheffing die ingevolge deze paragraaf is verleend is meer van toepassing op of na 1 juli 2029.
De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die de toepassing van paragraaf 4 van dit voorschrift toestaat, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden van de ontheffing toekomen voor toezending aan de Partijen bij dit Verdrag ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen.
Voorschrift 7. Onderzoek van en afgifte van een certificaat aan chemicaliëntankschepen
Chemicaliëntankschepen die zijn onderzocht en waaraan een certificaat is afgegeven door Staten die Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomstig de bepalingen van de IBC-Code of de Code voor chemicaliën in bulk, al naar gelang van toepassing, worden niettegenstaande het bepaalde in de voorschriften 8, 9 en 10 van deze Bijlage geacht te hebben voldaan aan het bepaalde in de genoemde voorschriften, en het krachtens deze Code afgegeven certificaat heeft dezelfde waarde en moet op dezelfde wijze worden erkend als het krachtens het bepaalde in voorschrift 9 van deze Bijlage afgegeven certificaat.
Voorschrift 8. Onderzoeken
-
- Schepen die schadelijke vloeistoffen in bulk vervoeren, zijn onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 9 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 10.2, 10.5, 10.6 of 10.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in lid 1, punt 4, van dit voorschrift. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat het zeker is dat de uitrusting en de bijbehorende pompsystemen en pijpleidingen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde voorschriften van deze Bijlage en in goede staat verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .4 Een jaarlijks onderzoek binnen 3 maanden voor of na de verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de bouw, de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in lid 1, punt 1, van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met lid 3 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip is bestemd. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het certificaat afgegeven krachtens voorschrift 9 van deze Bijlage.
- .5 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in het derde lid van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
- 2.1. Onderzoeken van schepen, aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe benoemde inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
- 2.2. Deze organisaties, met inbegrip van classificatiebureaus, worden door de Administratie gemachtigd in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en met de Code voor Erkende Organisaties (RO-Code), die bestaat uit een deel 1 en deel 2 (waarvan de bepalingen als verplicht worden aangemerkt) en een deel 3 (waarvan de bepalingen als aanbeveling worden aangemerkt), zoals aangenomen door de Organisatie bij resolutie [MEPC.237(65)], eventueel als gewijzigd door de Organisatie, mits:
- .1. wijzigingen van deel 1 en deel 2 van de RO-Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op deze Bijlage;
- .2. wijzigingen van deel 3 van de RO-Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde; en
- .3. de in .1 en .2 bedoelde eventuele wijzigingen die worden aangenomen door de Maritieme Veiligheidscommissie en de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu identiek zijn en tegelijkertijd in werking treden of van kracht worden, al naargelang van toepassing.
- 2.3. Een Administratie die inspecteurs benoemt of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in lid 2.1 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid:
- .1 reparaties aan een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken uit te voeren indien de bevoegde autoriteiten van een havenstaat hierom verzoeken.
- 2.4. De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de benoemde inspecteurs of erkende organisaties gedelegeerde bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- 2.5. Wanneer een benoemde inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van schip of uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat of zodanig is dat het schip ongeschikt is om naar zee te vertrekken zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu te vormen, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te verzekeren dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien dergelijke corrigerende maatregelen niet worden getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en de Administratie onverwijld te worden ingelicht; indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een benoemde inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat waar het schip ligt, heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Wanneer toepasselijk dient de Regering van de betrokken havenstaat erop toe te zien dat het schip niet vertrekt alvorens het zonder onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee kan gaan dan wel de haven kan verlaten met het doel naar de dichtstbijzijnde geschikte reparatiewerf te gaan.
- 2.6. In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
- 3.1. De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden onderhouden dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om zonder een onredelijk gevaar voor schade aan het mariene milieu naar zee te vertrekken.
- 3.2. Nadat een onderzoek van het schip uit hoofde van lid 1 van dit voorschrift is voltooid mogen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
- 3.3. Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of gebreken worden geconstateerd waardoor de integriteit van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze Bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de benoemde inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat; deze ziet erop toe dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een onderzoek als vereist op grond van lid 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dient de kapitein of eigenaar van het schip eveneens onverwijld de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat in te lichten en dient de benoemde inspecteur of erkende organisatie na te gaan of een dergelijke melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 11. Ontwerp, constructie, uitrusting en bedrijfsvoering
-
- Van schepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, dienen het ontwerp, de constructie, de uitrusting en de bedrijfsvoering in overeenstemming met de volgende bepalingen te zijn, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt:
- .1 de Internationale code voor chemicaliën in bulk, wanneer het chemicaliëntankschip is gebouwd op of na 1 juli 1986; of
- .2 de Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.2 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract op of na 2 november 1973 is afgesloten, maar gebouwd vóór 1 juli 1986, en die reizen maken naar havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij het Verdrag zijn; en
- .2 schepen die op of na 1 juli 1983 zijn gebouwd, maar vóór 1 juli 1986, en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
- .3 De Code voor chemicaliën in bulk bedoeld in lid 1.7.3 van die code voor:
- .1 schepen waarvoor het bouwcontract vóór 2 november 1973 is afgesloten en die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn; en
- .2 schepen die vóór 1 juli 1983 zijn gebouwd en die uitsluitend reizen maken tussen havens of laad- of losplaatsen binnen de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren.
-
- Ten aanzien van andere schepen dan chemicaliëntankschepen of vloeibaar-gastankschepen gecertificeerd voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk genoemd in hoofdstuk 17 van de Internationale code voor chemicaliën in bulk, stelt de Administratie passende maatregelen op aan de hand van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen, zodat het ongecontroleerd lozen in zee van dergelijke stoffen tot een minimum wordt beperkt.
Voorschrift 13. Regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage dient de regeling van lozingen van residuen van schadelijke vloeistoffen of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, in overeenstemming te zijn met de volgende vereisten.
1 Lozingsbepalingen
- 1.1. Het lozen in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, is verboden, behalve wanneer deze lozingen plaatsvinden in volledige overeenstemming met de in deze Bijlage vervatte operationele vereisten.
- 1.2. Voordat in overeenstemming met dit voorschrift een voorwas- of lozingsprocedure wordt uitgevoerd, dient de tank in kwestie zoveel mogelijk te worden geleegd in overeenstemming met de in het Handboek voorgeschreven procedures.
- 1.3. Het vervoer van stoffen die niet zijn gecategoriseerd, niet voorlopig ingedeeld of niet geëvalueerd zoals bedoeld in voorschrift 6 van deze Bijlage, of van ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke residuen bevatten, is verboden evenals eventuele bijkomende lozing van dergelijke stoffen in zee.
2 Lozingsnormen
- 2.1. Wanneer de bepalingen van dit voorschrift de lozing in zee toestaan van residuen van stoffen die vallen in categorie X, Y of Z of van die welke voorlopig zijn beoordeeld als zodanig, of ballastwater, tankwaswater of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, zijn de volgende lozingsbepalingen van toepassing:
- .1 het schip is onderweg met een snelheid van ten minste 7 knopen in geval van schepen met eigen voortstuwing, en van ten minste 4 knopen in geval van schepen zonder eigen voortstuwing;
- .2 de lozing vindt plaats onder de waterlijn via de onderwateruitlaat of -uitlaten met een snelheid die niet meer bedraagt dan de maximumsnelheid waarvoor de onderwateruitlaat of -uitlaten zijn ontworpen; en
- .3 de lozing geschiedt op een afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land in water van ten minste 25 meter diepte.
- 2.2. Voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2007 is het lozen onder de waterlijn in zee van residuen van stoffen die vallen in categorie Z, of van stoffen die voorlopig als zodanig zijn ingedeeld, of van ballastwater, tankwaswater, of andere mengsels die dergelijke stoffen bevatten, niet verplicht.
- 2.3. De Administratie kan voor de vereisten van lid 2.1.3 ontheffing verlenen voor stoffen van categorie Z, wat betreft de afstand van ten minste 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, voor schepen die uitsluitend reizen maken binnen wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Daarnaast kan de Administratie ontheffing van hetzelfde vereiste verlenen wat betreft de lozingsafstand van ten minste 12 zeemijlen voor een specifiek schip dat gerechtigd is de vlag van de Staat te voeren, wanneer het reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van een aangrenzende staat na de opstelling van een schriftelijke ontheffingsovereenkomst tussen beide betrokken kuststaten, mits een derde partij hiervan geen nadeel ondervindt. Informatie met betrekking tot een dergelijke overeenkomst moet binnen 30 dagen aan de Organisatie worden medegedeeld voor verdere verzending naar de Partijen bij het Verdrag ter kennisneming en met het oog op eventuele passende maatregelen.
3 Verwijdering van ladingresiduen door middel van ventilatie
Voor het verwijderen van ladingresiduen uit een tank mogen ventilatiemethoden worden toegepast die door de Administratie zijn goedgekeurd. Dergelijke methoden dienen in overeenstemming te zijn met aanhangsel 7 van deze Bijlage. Water dat vervolgens in de tank wordt gebracht, wordt als schoon beschouwd en is niet onderworpen aan de in deze Bijlage genoemde lozingsvereisten.
4 Uitzondering voor een voorwas
Op verzoek van de kapitein van het schip kan een ontheffing voor het voorwassen worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij, wanneer deze ervan overtuigd is dat:
- .1 de geloste tank opnieuw zal worden geladen met dezelfde stof of met een andere stof die daarmee verenigbaar is, en dat de tank niet wordt schoongemaakt of geballast vóór het laden; of
- .2 de geloste tank niet op zee wordt schoongemaakt of geballast. De voorwasprocedure in overeenstemming met het desbetreffende lid van dit voorschrift wordt uitgevoerd in een andere haven, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is; of
- .3 de ladingresiduen worden verwijderd door middel van een door de Administratie in overeenstemming met aanhangsel 7 van deze Bijlage goedgekeurde ventilatieprocedure.
5 Gebruik van wasmedium of schoonmaakmiddelen
- 5.1. Wanneer voor het reinigen van een tank een ander wasmedium dan water wordt gebruikt, bijvoorbeeld minerale olie of een chlooroplossing, wordt de lozing ervan beheerst door de bepalingen van Bijlage I of Bijlage 2, naar gelang van welke Bijlage op het wasmedium van toepassing zou zijn indien het als lading zou zijn vervoerd. Tankwasprocedures waarbij dergelijke middelen worden gebruikt, moeten in het Handboek worden vermeld en door de Administratie worden goedgekeurd.
- 5.2. Wanneer kleine hoeveelheden schoonmaakmiddelen (synthetische reinigingsmiddelen) aan water worden toegevoegd om het wassen te vergemakkelijken, mogen geen schoonmaakmiddelen worden gebruikt die stoffen van verontreinigingscategorie X bevatten, behoudens die stoffen welke snel biologisch afbreekbaar zijn en in een concentratie van minder dan 10% in het schoonmaakmiddel aanwezig zijn. Er gelden geen extra beperkingen naast die welke van toepassing zijn op de tank vanwege de vorige lading.
6 Lozing van residuen van categorie X
- 6.1. Onverminderd het bepaalde in lid 1, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Een tank waaruit een stof van categorie X is gelost, dient te worden voorgewassen voordat het schip de loshaven verlaat. De daaruit voortkomende residuen dienen in een ontvangstinrichting te worden geloosd, totdat de concentratie van de stof in de te lozen vloeistof, blijkens analyses van door de inspecteur genomen monsters van het effluent, is gedaald tot een gewichtspercentage van 0,1% of minder. Wanneer het vereiste concentratieniveau is bereikt, dient de lozing van het overgebleven tankwaswater in de ontvangstinrichting te worden voortgezet totdat de tank leeg is. Van deze handelingen dient behoorlijk aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en deze dient te worden goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
- .2 Al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .3 In gevallen waarin de Regering van de ontvangende Partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij een andere methode aanvaarden als equivalent voor het verkrijgen van de in voorschrift 13.6.1.1 vereiste concentratie, mits:
- .1 de tank wordt voorgewassen overeenkomstig een door de Administratie goedgekeurde procedure conform aanhangsel 6 bij deze Bijlage; en
- .2 behoorlijk aantekening wordt gemaakt in het Ladingjournaal en dit wordt goedgekeurd door de in voorschrift 16.1 bedoelde inspecteur.
7 Lozing van residuen van categorie Y en Z
- 7.1. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de volgende bepalingen van toepassing:
- .1 Ten aanzien van de procedures voor het lozen van residuen van stoffen van categorie Y of Z, zijn de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen van toepassing.
- .2 Indien het lossen van een stof van categorie Y of Z niet wordt uitgevoerd overeenkomstig het Handboek, dient een voorwasprocedure te worden uitgevoerd voordat het schip de loshaven verlaat, tenzij andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in voorschrift 16.1 van deze Bijlage bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresiduen uit het schip te verwijderen, dat de in deze Bijlage gespecificeerde hoeveelheden overblijven. Het uit de voorwas verkregen tankwaswater dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting in de loshaven of in een andere haven met een geschikte ontvangstinrichting, mits schriftelijk is bevestigd dat in deze haven een daartoe geschikte ontvangstvoorziening beschikbaar is.
- .3 Voor hoogvisceuze of stollende stoffen in categorie Y is het volgende van toepassing:
- .1 er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 te worden toegepast;
- .2 het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting totdat de tank leeg is; en
- .3 al het water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- .4 Voor stoffen in categorie Y die persistente drijvers zijn met een viscositeit gelijk aan of groter dan 50 mPa·s bij 20°C en/of een smeltpunt gelijk aan of hoger dan 0°C, als aangeduid met „16.2.7” in kolom ‘o’ van hoofdstuk 17 van de IBC-code, geldt in de in paragraaf 9 genoemde gebieden het volgende:
- .1. er dient een voorwasprocedure als vermeld in aanhangsel 6 bij deze bijlage te worden toegepast;
- .2. het tijdens het voorwassen ontstane residu-watermengsel dient te worden geloosd in een ontvangstinrichting van de loshaven totdat de tank leeg is; en
- .3. elk water dat daarna in de tank wordt gebracht, mag in zee worden geloosd overeenkomstig de in voorschrift 13.2 vervatte lozingsnormen.
- 7.2. Bedrijfsvoeringsvereisten voor ballasten en ontballasten
- 7.2.1 Na het lossen en, zo nodig, na het voorwassen kan een ladingtank van ballast worden voorzien. De procedures voor de lozing van dergelijke ballast zijn vermeld in voorschrift 13.2.
- 7.2.2 Ballast ingebracht in een ladingtank die in zoverre is gewassen dat de ballast minder dan 1 ppm van de eerder vervoerde stof bevat, kan in zee worden geloosd zonder rekening te houden met de lozingssnelheid, de snelheid van het schip en de plaats van de lozingsuitlaat, mits het schip zich ten minste 12 mijl vanaf het dichtstbijzijnde land bevindt, in water dat ten minste 25 meter diep is. De vereiste mate van reinheid is bereikt, wanneer een voorwas zoals aangeduid in aanhangsel 6 heeft plaatsgevonden en de tank vervolgens de volledige cyclus van de tankwasmachine heeft doorlopen, voor schepen gebouwd vóór 1 juli 1994 of met een waterhoeveelheid van niet minder dan die welke wordt berekend via k=1,0.
- 7.2.3 De bepalingen van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het lozen in zee van schone ballast of gescheiden ballast.
8 Lozingen in het Antarctisch gebied
- 8.1. Onder „het Antarctisch gebied” wordt verstaan het gebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
- 8.2. In het Antarctisch gebied zijn lozingen in de zee van schadelijke vloeistoffen of mengsels die zodanige stoffen bevatten, verboden.
9 Gebieden waarop voorschrift 13.7.1.4 van toepassing is
- 9.1. onder de „Noordwest-Europese wateren” vallen de Noordzee en de toegangen daartoe, de Ierse Zee en de toegangen daartoe, de Keltische Zee, het Kanaal en de toegangen daartoe en een deel van de Noordoost-Atlantische Oceaan direct ten westen van Ierland. Het gebied wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden: 48°27’ noorderbreedte aan de Franse kust 48° 27’ noorderbreedte; 006°25’ westerlengte 49° 52’ noorderbreedte; 007°44’ westerlengte 50° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte 56° 30’ noorderbreedte; 012° westerlengte 62° noorderbreedte; 003° westerlengte 62° noorderbreedte aan de Noorse kust 57° 44,8’ noorderbreedte aan de Deense en Zweedse kust;
- 9.2. onder het „gebied van de Oostzee” wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
- 9.3. de „West-Europese wateren” bestaan uit een gebied dat het Verenigd Koninkrijk, Ierland, België, Frankrijk, Spanje en Portugal omvat, van de Shetlandeilanden in het noorden tot Kaap Sint Vincent in het zuiden, en het Kanaal en de toegangen daartoe. Het gebied wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden: 58°30’.00 noorderbreedte aan de kust van het Verenigd Koninkrijk 58°30’.00 noorderbreedte, 000°00’.00 westerlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 000°00’.00 westerlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 003°00’.00 westerlengte 56°30’.00 noorderbreedte; 012°00’.00 westerlengte 54°40’.41 noorderbreedte; 015°00’.00 westerlengte 50°56’.45 noorderbreedte; 015°00’.00 westerlengte 48°27’.00 noorderbreedte; 006°25’.00 westerlengte 48°27’.00 noorderbreedte; 008°00’.00 westerlengte 44°52’.00 noorderbreedte; 003°10’.00 westerlengte 44°52’.00 noorderbreedte; 010°00’.00 westerlengte 44°14’.00 noorderbreedte; 011°34’.00 westerlengte 42°55’.00 noorderbreedte; 012°18’.00 westerlengte 41°50’.00 noorderbreedte; 011°34’.00 westerlengte 37°00’.00 noorderbreedte; 009°49’.00 westerlengte 36°20’.00 noorderbreedte; 009°00’.00 westerlengte 36°20’.00 noorderbreedte; 007°47’.00 westerlengte 37°10’.00 noorderbreedte; 007°25’.00 westerlengte 51°22’.25 noorderbreedte; 003°21’.53 oosterlengte 52°12’.00 noorderbreedte aan de oostkust van het Verenigd Koninkrijk 52°10’.30 noorderbreedte; 006°21.80 westerlengte 52°01’.52 noorderbreedte; 005°04’.18 westerlengte 54°51’.43 noorderbreedte; 005°08’.47 westerlengte 54°40’.39 noorderbreedte; 005°34’.34 westerlengte
- 9.4. de „Noorse zee” wordt begrensd door lijnen die de volgende punten verbinden: 69°47’.69 noorderbreedte; 030°49’.06 oosterlengte 69°58’.76 noorderbreedte; 031°06’.26 oosterlengte 70°08’.63 noorderbreedte; 031°35’.14 oosterlengte 70°16’.48 noorderbreedte; 032°04’.38 oosterlengte 73°23’.07 noorderbreedte; 036°28’.57 oosterlengte 73°35’.66 noorderbreedte; 035°27’.34 oosterlengte 74°02’.97 noorderbreedte; 033°17’.86 oosterlengte 74°20’.71 noorderbreedte; 030°33’.51 oosterlengte 74°29’.80 noorderbreedte; 026°28’.18 oosterlengte 74°24’.24 noorderbreedte; 022°55’.03 oosterlengte 74°13’.72 noorderbreedte; 020°15’.98 oosterlengte 73°35’.44 noorderbreedte; 016°36’.50 oosterlengte 73°14’.83 noorderbreedte; 014°09’.43 oosterlengte 72°42’.54 noorderbreedte; 011°42’.14 oosterlengte 71°58’.20 noorderbreedte; 009°54’.96 oosterlengte 71°37’.56 noorderbreedte; 008°43’.82 oosterlengte 70°43’.16 noorderbreedte; 006°36’.07 oosterlengte 69°36’.62 noorderbreedte; 004°47’.32 oosterlengte 68°58’.32 noorderbreedte; 003°51’.22 oosterlengte 68°14’.99 noorderbreedte; 003°17’.03 oosterlengte 67°25’.80 noorderbreedte; 003°10’.21 oosterlengte 66°49’.73 noorderbreedte; 003°25’.13 oosterlengte 66°25’.93 noorderbreedte; 003°17’.11 oosterlengte 65°22’.72 noorderbreedte; 001°24’.59 oosterlengte 64°25’.97 noorderbreedte; 000°29’.32 westerlengte 63°53’.22 noorderbreedte; 000°29’.44 westerlengte 62°53’.47 noorderbreedte; 000°38’.36 oosterlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 001°22’.25 oosterlengte 62°00’.00 noorderbreedte; 004°52’.35 oosterlengte
Voorschrift 14. Handboek voor procedures en voorzieningen
-
- Elk schip dat is gecertificeerd om stoffen van categorie X, Y of Z te vervoeren, moet een door de Administratie goedgekeurd Handboek aan boord hebben. Het Handboek dient overeenkomstig aanhangsel 4 bij deze Bijlage een standaardformaat te hebben. In het geval van een schip dat internationale reizen maakt waarop de gebruikte taal een andere is dan de Engelse, de Franse of de Spaanse taal gaat de tekst vergezeld van een vertaling in één van deze talen.
-
- Het Handboek heeft voornamelijk tot doel voor de officieren op het schip vast te stellen wat de fysieke voorzieningen en alle operationele procedures zijn die met betrekking tot het behandelen van lading, het reinigen van tanks, de behandeling van residuen uit sloptanks en het ballasten en ontballasten van ladingtanks in acht dienen te worden genomen teneinde te voldoen aan de vereisten van deze Bijlage.
Voorschrift 15. Ladingjournaal
-
- Elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te zijn voorzien van een Ladingjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
-
- Na de voltooiing van een in aanhangsel 2 bij deze Bijlage bedoelde handeling, dient de handeling onverwijld in het Ladingjournaal te worden opgetekend.
-
- Van elke onbedoelde lozing van een schadelijke vloeistof of een mengsel dat een dergelijke stof bevat of een lozing die valt onder het bepaalde in voorschrift 3 van deze Bijlage, dient aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal onder vermelding van de omstandigheden waaronder en de reden waarom het lozen geschiedde.
-
- Elke aantekening dient door de officier of officieren, belast met de desbetreffende handeling, te worden ondertekend en elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. Op schepen die een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van verontreiniging voor het vervoer van schadelijke vloeistoffen in bulk of een in voorschrift 7 van deze Bijlage genoemd certificaat hebben, dienen de aantekeningen in het Ladingjournaal ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn deze doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid.
-
- Het Ladingjournaal wordt bewaard op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie en wel, behalve in het geval van onbemande gesleepte schepen, aan boord van het schip. Het journaal dient gedurende een termijn van drie jaar na de laatste aantekening te worden bewaard.
-
- De bevoegde instantie van de Regering van een Partij heeft het recht het Ladingjournaal in te zien aan boord van alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, terwijl het schip zich in een van haar havens bevindt, en een afschrift te maken van elke aantekening in dat journaal en van de kapitein van het schip te verlangen, het afschrift te waarmerken als een waarheidsgetrouw afschrift van de betrokken aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift, dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het Ladingjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, wordt bij alle gerechtelijke procedures toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een Ladingjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde instantie ingevolge het bepaalde in dit lid dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Voorschrift 16. Maatregelen ten behoeve van het toezicht
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag benoemt of machtigt inspecteurs, belast met de zorg voor de naleving van dit voorschrift. De inspecteurs oefenen toezicht uit overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde controleprocedures.
-
- Wanneer een inspecteur, benoemd of gemachtigd door de Regering van een Partij bij het Verdrag, heeft gecontroleerd dat een handeling is verricht conform de in het Handboek vervatte vereisten, of een ontheffing voor een voorwasprocedure heeft verleend, maakt deze inspecteur daarvan aantekening in het Ladingjournaal.
-
- De kapitein van een schip dat is gecertificeerd om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren, zorgt ervoor dat het bepaalde in voorschrift 13 en in dit voorschrift, en in hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code wanneer het schip in Arctische wateren vaart, wordt nageleefd en dat het Ladingjournaal wordt ingevuld overeenkomstig het bepaalde in voorschrift 15 van deze Bijlage, telkens wanneer de in dat voorschrift bedoelde handelingen plaatsvinden.
-
- Een tank waarin een stof van categorie X is vervoerd, dient te worden voorgewassen in overeenstemming met voorschrift 13.6. Van deze handelingen dient naar behoren aantekening te worden gemaakt in het Ladingjournaal en dit dient te worden goedgekeurd door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- In gevallen waarin de Regering van de ontvangende partij de zekerheid heeft verkregen dat het ondoenlijk is de concentratie van de stof in de vloeistof te meten zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken, kan deze Partij de in voorschrift 13.6.3 bedoelde alternatieve methode aanvaarden, mits de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur in het Ladingjournaal bevestigt dat:
- .1 de tank en de bijbehorende pomp en pijpleidingen zijn geleegd; en
- .2 de voorwasprocedure is uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van aanhangsel 6 van deze Bijlage; en
- .3 het tankwaswater, afkomstig van deze voorwas, is afgegeven aan een ontvangstvoorziening en de tank leeg is,
-
- Op verzoek van de kapitein van het schip kan de Regering van de ontvangende Partij het schip ontheffing verlenen van de vereisten voor de in de desbetreffende leden van voorschrift 13 bedoelde voorwasprocedure, wanneer aan een van de in voorschrift 13.4 bedoelde voorwaarden wordt voldaan.
-
- Een in lid 6 bedoelde ontheffing kan slechts worden verleend door de Regering van de ontvangende Partij aan een schip dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen onder de rechtsmacht van andere Staten die Partij bij dit Verdrag zijn. Wanneer een dergelijke ontheffing is verleend, dient de in het Ladingjournaal gemaakte aantekening daarvan te worden afgetekend door de in lid 1 van dit voorschrift bedoelde inspecteur.
-
- Indien het lossen niet wordt uitgevoerd overeenkomstig de omstandigheden tijdens het pompen voor de tank die door de Administratie zijn goedgekeurd en zijn gebaseerd op aanhangsel 5 van deze Bijlage, mogen andere maatregelen worden genomen ten genoegen van de in het eerste lid van dit voorschrift bedoelde inspecteur om zodanige hoeveelheden ladingresten uit het schip te verwijderen, dat de in voorschrift 12 gespecificeerde hoeveelheden overblijven, al naargelang van toepassing. Hiervan moet aantekening worden gemaakt in het Ladingjournaal.
-
- Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
- 9.1 Een schip dat zich bevindt in een haven van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke vloeistoffen te voorkomen.
- 9.2 In de omstandigheden bedoeld in lid 9.1 van dit voorschrift, neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
- 9.3 De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
- 9.4 Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 17. Rampenplan aan boord van schepen voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen
-
- Elk schip met een bruto-tonnage van 150 of meer dat is gecertificeerd voor het vervoer in bulk van schadelijke vloeistoffen dient een door de Administratie goedgekeurd scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee door schadelijke vloeistoffen aan boord te hebben.
-
- Een dergelijk plan dient gebaseerd te zijn op de Richtlijnen die door de Organisatie zijn opgesteld en die zijn gesteld in een voertaal of in voertalen die door de kapitein en zijn officieren worden begrepen. Het plan omvat ten minste:
- .1 de procedure die dient te worden gevolgd door de kapitein of anderen die het bevel voeren over het schip voor het melden van voorvallen van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen, zoals vereist volgens artikel 8 en Protocol I van dit Verdrag, op basis van de door de Organisatie ontwikkelde Richtlijnen;
- .2 de lijst van autoriteiten of personen met wie contact dient te worden opgenomen in het geval van een voorval van verontreiniging door schadelijke vloeistoffen;
- .3 een gedetailleerde omschrijving van de maatregelen die onmiddellijk dienen te worden genomen door personen aan boord om de lozing van schadelijke vloeistoffen als gevolg van het voorval te beperken of te beteugelen; en
- .4 de procedures en de contactpersoon aan boord van het schip voor de coördinatie van de aan boord te nemen maatregelen aan boord en maatregelen met de nationale en lokale autoriteiten bij de bestrijding van de verontreiniging.
-
- In het geval van schepen waarop voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag ook van toepassing is, kan een dergelijk plan gecombineerd worden met het rampenplan voor olieverontreiniging aan boord van schepen dat vereist is ingevolge voorschrift 37 van Bijlage I bij het Verdrag. In dit geval luidt de titel van het plan „Scheepsnoodplan voor verontreiniging van de zee”.
Voorschrift 18. Ontvangstinrichtingen en losplaatsvoorzieningen
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, zorg te dragen voor de installatie van ontvangstinrichtingen al naar gelang de behoeften van schepen, die gebruik maken van haar havens, laad- en losplaatsen of scheepsreparatiehavens, en wel als volgt:
- .1 havens en overslagplaatsen die betrokken zijn bij de afhandeling van de lading van schepen moeten over adequate inrichtingen beschikken voor de ontvangst van residuen en mengsels die dergelijke residuen bevatten van schadelijke vloeistoffen die uit de naleving van deze Bijlage voortvloeien, zonder onnodig oponthoud voor de betrokken schepen.
- .2 scheepsreparatiehavens waar herstelwerkzaamheden aan NLS-tankers worden ondernomen, moeten zijn uitgerust met inrichtingen geschikt voor de ontvangst van schadelijke vloeistoffen bevattende residuen en mengsels van schepen die die haven aandoen.
-
- De Regering van elke Partij dient de soorten van inrichtingen te bepalen die, ter toepassing van het bepaalde onder 1 van dit voorschrift, in elke laad- en losplaats, overslagplaats, en scheepsreparatiehaven binnen haar grondgebied zijn geïnstalleerd en de organisatie daarvan in kennis te stellen.
- 2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1, 2 en 4 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
- 2ter. Indien voorschrift 13 van deze Bijlage een voorwas verplicht stelt en het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten van toepassing is op de haven van lossen, wordt de voorwas en de daarop volgende afgifte aan een ontvangstfaciliteit uitgevoerd zoals voorgeschreven door voorschrift 13 van deze Bijlage of bij een regionale ontvangstfaciliteit voor afval van schepen vermeld in het desbetreffende regionale plan voor ontvangstfaciliteiten.
-
- De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1, 2 en 6 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- De Regering van elke Partij bij dit Verdrag verbindt zich ertoe ervoor te zorgen dat de losplaatsen beschikken over voorzieningen voor het vergemakkelijken van het nazuigen van de ladingtanks van schepen die schadelijke vloeistoffen lossen op deze losplaatsen. De nog in de laadslangen en leidingsystemen van de losplaats aanwezige schadelijke vloeistoffen, afkomstig van schepen die deze stoffen op de losplaats lossen, mogen niet terugstromen naar het schip.
-
- Elke Partij geeft kennis aan de Organisatie, ter mededeling aan de betrokken Partijen, van ieder geval waarin wordt beweerd dat de krachtens het bepaalde in lid 1 van dit voorschrift vereiste inrichtingen of de krachtens het bepaalde in lid 3 van dit voorschrift vereiste voorzieningen ontoereikend zijn.
HOOFDSTUK 9. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DIT VERDRAG
Voorschrift 19. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 20. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan een periodieke audit door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voorschrift 21. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 22. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die gecertificeerd zijn om schadelijke vloeistoffen in bulk te vervoeren die in polaire wateren varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
Bij de toepassing van hoofdstuk 2 van deel II-A van de Polar Code moet rekening worden gehouden met de aanvullende richtlijnen van deel II-B van de Polar Code.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt verstaan onder:
-
- Schadelijke stoffen, de stoffen die als mariene-milieuverontreinigende stoffen zijn aangemerkt in de Internationale Maritieme Code voor Gevaarlijke Stoffen (IMDG-Code) of die voldoen aan de criteria van het Aanhangsel bij deze Bijlage.
-
- Verpakte vorm, de in de IMDG-Code voorgeschreven vormen van omhulling voor schadelijke stoffen.
-
- Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- Auditprogramma, het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- Implementatiecode, de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- Auditnorm, de Implementatiecode.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn de voorschriften van deze Bijlage van toepassing op alle schepen die schadelijke stoffen vervoeren in verpakte vorm.
Het vervoer van schadelijke stoffen is verboden, tenzij dit geschiedt in overeenstemming met de bepalingen van deze Bijlage.
De regering van elke partij bij het Verdrag zal ter aanvulling van de bepalingen van deze Bijlage gedetailleerde voorschriften uitvaardigen, of doen uitvaardigen, met betrekking tot de wijze van verpakking, het merken en etiketteren, de begeleidende papieren, de stuwage, de beperkingen van hoeveelheden, en uitzonderingen, zulks teneinde verontreiniging van het mariene milieu door schadelijke stoffen te voorkomen of te beperken.
Voor de toepassing van deze Bijlage worden lege verpakkingen die eerder zijn gebruikt voor het vervoer van schadelijke stoffen, zelf als schadelijke stoffen behandeld, tenzij toereikende voorzorgen zijn getroffen teneinde te verzekeren dat zij geen restant bevatten dat schadelijk is voor het mariene milieu.
De vereisten van deze Bijlage gelden niet voor voorraden en uitrusting aan boord van schepen.
Voorschrift 3. Verpakking
Verpakkingen dienen, met het oog op hun specifieke inhoud, toereikend te zijn om het gevaar voor het mariene milieu tot een minimum te beperken.
Voorschrift 4. Merken en etiketteren
Verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dienen duurzaam te zijn gemerkt of geëtiketteerd teneinde in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code aan te geven dat de stof een schadelijke stof is.
De wijze van merken of het aanbrengen van etiketten op verpakkingen die een schadelijke stof bevatten dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code.
Voorschrift 5. Begeleidende papieren
Transportinformatie over het vervoer van schadelijke stoffen dient te voldoen aan de relevante bepalingen van de IMDG-Code en dient ter beschikking te worden gesteld van de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie.
Op elk schip dat schadelijke stoffen vervoert dient een bijzondere lijst, een manifest of een gedetailleerd stuwplan aanwezig te zijn waarin in overeenstemming met de relevante bepalingen van de IMDG-Code de schadelijke stoffen aan boord en de locatie ervan zijn vermeld. Voor vertrek dient een afschrift van een van deze documenten aan de door de autoriteit van de havenstaat aangewezen persoon of organisatie ter beschikking te worden gesteld.
Voorschrift 6. Stuwen
Schadelijke stoffen dienen op de juiste wijze te worden gestuwd en vastgezet, ter beperking van de gevaren voor het mariene milieu, zonder afbreuk te doen aan de veiligheid van het schip en de zich aan boord bevindende personen.
Voorschrift 7. Beperkingen van hoeveelheid
Om gegronde wetenschappelijke en technische redenen kan het vervoer van bepaalde schadelijke stoffen worden verboden of de hoeveelheid die aan boord van een schip mag worden vervoerd, worden beperkt. Bij het beperken van de hoeveelheid dient naar behoren aandacht te worden geschonken aan de grootte, de constructie en de uitrusting van het schip, alsmede aan de verpakking en de aard van de stoffen.
Voorschrift 8. Uitzonderingen
Het overboord zetten van schadelijke stoffen die worden vervoerd in verpakte vorm is verboden, behalve wanneer dit noodzakelijk is om de veiligheid van het schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag dienen op grond van de fysische, chemische en biologische eigenschappen van schadelijke stoffen passende maatregelen te worden genomen om het overboord spoelen van zulke door lekkage vrijgekomen stoffen te regelen, mits de uitvoering van deze maatregelen de veiligheid van het schip en van de zich aan boord bevindende personen niet in gevaar brengt.
Voorschrift 9. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij bevindt wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door die partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan wordt aan de in deze Bijlage bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord.
Wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord moeten worden toegepast om verontreiniging door schadelijke stoffen te voorkomen, neemt de partij maatregelen, waaronder het verrichten van een gedetailleerde inspectie en ziet er indien nodig op toe dat het schip niet uitvaart, voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 11. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEKEN EN CERTIFICERINGEN
Voorschrift 4. Onderzoeken
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage dient de volgende onderzoeken te ondergaan:
- .1 Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat, als vereist volgens voorschrift 5 van deze Bijlage, voor de eerste maal wordt afgegeven, waaronder begrepen een compleet onderzoek van de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen voorzover het schip onder deze Bijlage valt. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .2 Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 8.2, 8.5, 8.6 of 8.7 van deze Bijlage toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat verzekerd wordt dat de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en de materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
- .3 Een aanvullend onderzoek dient, hetzij volledig hetzij ten dele al naar gelang de omstandigheden, te worden uitgevoerd na een reparatie naar aanleiding van de in punt 4 van dit voorschrift vereiste onderzoeken, en steeds wanneer belangrijke reparaties of vervangingen hebben plaatsgevonden. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de nodige reparaties of vernieuwingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
-
- De Administratie stelt passende maatregelen vast voor schepen die niet onder de bepalingen van punt 1 van dit voorschrift vallen om te waarborgen dat voldaan wordt aan de toepasselijke bepalingen van deze Bijlage.
-
- Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie. De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen aan hetzij daartoe aangewezen inspecteurs, hetzij door haar erkende organisaties.
-
- Een Administratie die inspecteurs aanwijst of organisaties erkent voor het verrichten van onderzoeken als omschreven in punt 3 van dit voorschrift, verleent deze inspecteurs of organisaties ten minste de bevoegdheid: De Administratie stelt de Organisatie in kennis van de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden voor de aan de aangewezen inspecteurs of erkende organisaties opgedragen bevoegdheden die deze ten behoeve van hun functionarissen doorgeeft aan de Partijen bij dit Verdrag.
- .1 reparaties van een schip te verlangen; en
- .2 onderzoeken te verrichten indien daarom wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van een havenstaat.
-
- Indien een aangewezen inspecteur of erkende organisatie vaststelt dat de toestand van het schip of zijn uitrusting niet in voldoende mate beantwoordt aan de gegevens op het certificaat of zodanig is dat het schip niet naar zee kan vertrekken zonder een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu, dient de inspecteur of organisatie onverwijld te bewerkstelligen dat corrigerende maatregelen worden getroffen en de Administratie te zijner tijd op de hoogte te stellen. Indien een dergelijke corrigerende maatregel niet wordt getroffen, dient het certificaat te worden ingetrokken en dient de Administratie onverwijld te worden ingelicht en indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, dienen de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat eveneens onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, deskundige of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen. Indien van toepassing, dient de regering van de desbetreffende havenstaat maatregelen te treffen om te waarborgen dat het schip niet vaart voordat het geschikt is om naar zee te varen of de haven te verlaten teneinde naar de dichtstbijzijnde geschikte scheepswerf te gaan die beschikbaar is, zonder daarbij een onredelijke bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
-
- De toestand van het schip en zijn uitrusting dienen zodanig te worden gehandhaafd dat voldaan wordt aan de bepalingen van dit Verdrag om te waarborgen dat het schip in alle opzichten geschikt blijft om naar zee te gaan zonder een bedreiging te vormen voor of schade te veroorzaken aan het mariene milieu.
-
- Zodra een onderzoek van het schip uit hoofde van punt 1 van dit voorschrift is afgerond dienen er, afgezien van de directe vervanging van uitrusting of installaties, geen wijzigingen te worden aangebracht in de constructie, uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of de materialen waarop het onderzoek betrekking had, zonder dat de Administratie haar goedkeuring heeft verleend.
-
- Wanneer een ongeval plaatsvindt met een schip of een defect wordt ontdekt waardoor de hechtheid van het schip of de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop deze bijlage van toepassing is wezenlijk worden aangetast, rapporteert de kapitein of eigenaar van het schip dit zo spoedig mogelijk aan de Administratie, de erkende organisatie of de aangewezen inspecteur die verantwoordelijk is voor de afgifte van het desbetreffende certificaat, die erop toeziet dat een onderzoek wordt ingesteld om te bepalen of een inspectie als vereist op grond van punt 1 van dit voorschrift noodzakelijk is. Indien het schip zich bevindt in een haven van een andere Partij, meldt de kapitein of eigenaar van het schip dit tevens onverwijld aan de desbetreffende autoriteiten van de havenstaat en de aangewezen inspecteur of erkende organisatie dient vast te stellen of deze melding heeft plaatsgevonden.
Voorschrift 9. Systemen voor sanitair afval
-
- Elk schip dat in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, dient te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1 een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie1)Zie de Aanbeveling inzake internationale effluentnormen en richtlijnen voor prestatieproeven voor installaties voor het behandelen van sanitair afval aangenomen door de Organisatie bij resolutie MEPC.2(VI). Voor bestaande schepen worden nationale specificaties aanvaard. ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2 een door de Administratie goedgekeurd systeem voor het versnijden en ontsmetten van sanitair afval. Een dergelijk systeem dient ten genoegen van de Administratie te zijn uitgerust met voorzieningen voor het tijdelijk opslaan van sanitair afval indien het schip zich op minder dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevindt, of
- .3 een verzameltank met naar het oordeel van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient ten genoegen van de Administratie te zijn en voorzien te zijn van een voorziening voor visuele inspectie van het niveau van de inhoud.
-
- In afwijking van het eerste lid dient ieder passagiersschip dat, in overeenstemming met voorschrift 2 dient te voldoen aan de bepalingen van deze Bijlage, en waarop voorschrift 11.3 van toepassing is wanneer het zich in een bijzonder gebied bevindt, te zijn uitgerust met een van de volgende systemen voor sanitair afval:
- .1. een installatie voor het behandelen van sanitair afval van een door de Administratie goedgekeurd type, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde normen en testmethodes, of
- .2. een verzameltank met naar tevredenheid van de Administratie voldoende capaciteit voor het opslaan van alle sanitair afval, rekening houdend met de exploitatie van het schip, het aantal opvarenden en andere relevante factoren. De constructie van de verzameltank dient naar tevredenheid van de Administratie te zijn en een voorziening hebben om zichtbaar het niveau van de inhoud aan te geven.
Voorschrift 10. Standaardaansluitingen voor afgifte
-
- Teneinde de leiding van de ontvangstinrichting te kunnen aansluiten op de scheepsleiding voor afgifte, dienen beide leidingen te zijn voorzien van een standaardaansluiting voor afgifte overeenkomstig de volgende tabel: Voor schepen met een holte naar de mal van 5 meter of minder, mag de inwendige diameter van de aansluiting voor afgifte 38 mm bedragen.
| Omschrijving | Afmetingen |
|---|---|
| Uitwendige diameter | 210 mm |
| Inwendige diameter | overeenkomstig de uitwendige diameter van de leiding |
| Diameter van de steekcirkel van de bouten | 170 mm |
| Sleuven in flens | 4 gaten, 18 mm diameter, op onderling gelijke afstand aangebracht op een steekcirkel van bovengenoemde diameter, met sleuven radiaal doorgetrokken tot de omtrek. De sleuven dienen 18 mm breed te zijn. |
| Flensdikte | 16 mm |
| Bouten en moeren: aantal en diameter | 4 stuks, elk met een diameter van 16 mm en van de juiste lengte |
| De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. | De flens is zo ontworpen dat er leidingen op kunnen worden aangesloten met een inwendige diameter van maximaal 100 mm; deze flens is van staal of een ander gelijkwaardig materiaal en heeft een vlakke voorzijde. Deze flens is, in combinatie met een geschikte packing, geschikt voor een werkdruk van 600 kPa. |
-
- Voor schepen voor specifiek gebruik, bijv. passagiersveerboten, kan de scheepsleiding voor afgifte ook worden voorzien van een voor de Administratie aanvaardbare aansluiting voor afgifte, zoals een snelkoppeling.
Voorschrift 11. Lozen van sanitair afval
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen in zee van sanitair afval verboden, behalve wanneer:
- .1. de lozing van het schip versneden en ontsmet sanitair afval betreft op een afstand van meer dan 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, waarbij een door de Administratie in overeenstemming met voorschrift 9.1.2 van deze Bijlage goedgekeurd systeem wordt gebruikt, ofwel sanitair afval betreft dat niet is versneden of ontsmet op een afstand van meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land, mits in elk geval het in verzameltanks opgeslagen sanitaire afval of sanitair afval afkomstig van ruimten waar zich levende dieren bevinden niet ineens wordt geloosd, doch in een matig tempo, terwijl het schip onderweg is met een snelheid van niet minder dan 4 knopen; het tempo van de lozing dient te worden goedgekeurd door de Administratie op grond van door de Organisatie ontwikkelde normen; of
- .2. het schip een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik heeft, die door de Administratie is gecertificeerd teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.1.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent geen zichtbare drijvende vaste deeltjes veroorzaakt noch verkleuring van het omringende water.
Het bepaalde in paragraaf 1 is niet van toepassing op schepen die zich bevinden in de wateren onder de rechtsmacht van een Staat en bezoekende schepen uit andere Staten terwijl zij zich in deze wateren bevinden en bezig zijn met het lozen van sanitair afval in overeenstemming met de eventueel minder strikte eisen die door die Staat kunnen worden gesteld.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3 van deze Bijlage is het lozen van sanitair afval van een passagiersschip in een bijzonder gebied verboden:
- .1. voor nieuwe passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge voorschrift 13.2 van deze Bijlage, maar in geen geval eerder dan 1 juni 2019; en
- .2. voor bestaande passagiersschepen op een datum die door de Organisatie wordt vastgesteld ingevolge voorschrift 13.2 van deze Bijlage, maar in geen geval eerder dan 1 juni 2021, behalve wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan: het schip heeft een installatie voor het behandelen van sanitair afval in gebruik die door de Administratie gecertificeerd is teneinde te voldoen aan de operationele vereisten bedoeld in voorschrift 9.2.1 van deze Bijlage, en het geloosde effluent veroorzaakt geen zichtbare drijvende vaste deeltjes noch verkleuring van het omringende water.
Indien het sanitair afval wordt vermengd met afval of afvalwater waarop andere Bijlagen van MARPOL van toepassing zijn, dient behalve aan de vereisten van deze Bijlage tevens aan de vereisten van die Bijlagen te worden voldaan.
Voorschrift 12. Ontvangstinrichtingen
-
- De Regering van elke Partij bij het Verdrag, die van alle schepen in de wateren die onder haar rechtsmacht vallen vereist dat zij voldoen aan de eisen van voorschrift 11.1, verbindt zich tot het installeren in havens en laad- en losplaatsen van inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken, die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- 1bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van lid 1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
-
- De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten: Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Voorschrift 13. Ontvangstinrichtingen voor passagiersschepen in bijzondere gebieden
Elke partij waarvan de kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat:
- .1. voorzien wordt in inrichtingen voor het in ontvangst nemen van sanitair afval in havens en laad- en losplaatsen in een bijzonder gebied die door passagiersschepen worden gebruikt;
- .2. de inrichtingen toereikend zijn voor de behoeften van deze passagiersschepen; en
- .3. de inrichtingen zodanig worden geëxploiteerd dat zij geen onnodig oponthoud van deze passagiersschepen veroorzaken.
De Regering van elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge subparagraaf .1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen in overeenstemming met subparagraaf .1 stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 11.3 ten aanzien van het betreffende gebied van kracht worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de aldus vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum moeten schepen die in een bijzonder gebied varen voldoen aan de vereisten van voorschrift 11.1 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 5. DOOR DE HAVENSTAAT UIT TE OEFENEN CONTROLE
Voorschrift 14. Door de havenstaat uit te oefenen controle op de vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de vereisten uit hoofde van deze Bijlage met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door sanitair afval te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in lid 1 van dit voorschrift neemt de Partij de noodzakelijke maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag voorziene vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
HOOFDSTUK 6. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 17. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder het Antarctisch gebied verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 18. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen die in overeenstemming met deze Bijlage gecertificeerd zijn om in polaire wateren te varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 4 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 1. ALGEMEEN
Voorschrift 1. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt verstaan onder dierlijke kadavers, de lichamen van dieren die als lading aan boord worden vervoerd en tijdens de reis sterven of moeten worden afgemaakt.
-
- wordt verstaan onder ladingrestanten, de resten van ongeacht welke lading die niet vallen onder andere Bijlagen bij dit Verdrag en die op het dek of in de ruimen achterblijven na het laden of lossen, met inbegrip van het overschot ontstaan tijdens laden of lossen of gemorste lading, ongeacht of deze resten nat of droog zijn of worden meegevoerd in waswater. Onder ladingrestanten wordt niet verstaan ladingstof dat na het vegen op het dek achterblijft of stof op de buitenoppervlakken van het schip.
-
- wordt verstaan onder bak- en braadolie, alle soorten eetbare olie of dierlijke vetten die gebruikt worden of bedoeld zijn om gebruikt te worden bij het voorbereiden of het bereiden van voedsel. Hieronder wordt niet verstaan het voedsel dat met behulp van deze oliën wordt bereid.
-
- wordt verstaan onder huishoudelijk afval, alle soorten afval die niet onder andere Bijlagen vallen en die zijn ontstaan in de ruimten voor accommodatie aan boord van het schip. Onder huishoudelijk afval wordt niet grijs water verstaan.
-
- wordt verstaan onder onderweg dat het schip varende is op zee op één of op meerdere koersen, met inbegrip van afwijkingen van de kortste rechtstreekse route, waarbij iedere lozing, voor zover met het oog op de navigatie praktisch uitvoerbaar, over een uit redelijk en praktisch oogpunt zo groot mogelijk gebied van de zee moet worden verspreid.
-
- wordt verstaan onder vistuig, elk fysiek apparaat of onderdeel daarvan of elk samenstel van delen dat op of in het water of op de zeebodem kan worden geplaatst met als beoogd doel het vangen of beheersen ten behoeve van latere vangst of oogst, van zeeorganismen of zoetwaterorganismen.
-
- wordt verstaan onder vaste of drijvende platforms, vaste of drijvende structuren op zee die gebruikt worden voor de opsporing, winning en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen in de zeebodem.
-
- wordt verstaan onder voedselresten, alle bedorven en onbedorven levensmiddelen, met inbegrip van fruit, groenten, zuivelproducten, gevogelte, vleesproducten en etensresten die aan boord van een schip zijn ontstaan.
-
- wordt verstaan onder vuilnis, alle soorten voedselresten, huishoudelijk afval en afval uit de bedrijfsvoering, alle plastic, ladingrestanten, bak- en braadolie, vistuig en dierlijke kadavers, ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van het schip en die vermoedelijk voortdurend of regelmatig worden verwijderd van het schip, met uitzondering van de stoffen omschreven of opgesomd in andere Bijlagen bij dit Verdrag. Onder vuilnis wordt niet verstaan verse vis en gedeelten daarvan die zijn ontstaan als gevolg van visactiviteiten tijdens de reis of die het resultaat zijn van werkzaamheden op het gebied van aquacultuur die met zich meebrengen dat vis, met inbegrip van schaaldieren, vervoerd dient te worden om in de faciliteit voor aquacultuur geplaatst te worden en dat geoogste vis, met inbegrip van schaaldieren, van deze faciliteiten naar wal vervoerd dient te worden ter verwerking.
-
- wordt verstaan onder as van verbrandingsovens, as en slakken die ontstaan zijn in de verbrandingsovens aan boord die gebruikt worden voor het verbranden van vuilnis.
-
- wordt verstaan onder de uitdrukking dichtstbijzijnde land: van de basislijn van waaruit de territoriale zee van het desbetreffende grondgebied wordt bepaald overeenkomstig het internationaal recht, behoudens dat, voor de toepassing van deze Bijlage „van het dichtstbijzijnde land” onder de noordoostkust van Australië betekent van een lijn getrokken van een punt op de kust van Australië gelegen op: 11°00’ zuiderbreedte en 142°08’ oosterlengte naar een punt op 10°35’ zuiderbreedte en 141°55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°00’ zuiderbreedte en 142°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°10’ zuiderbreedte en 143°52’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 9°00’ zuiderbreedte en 144°30’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 10°41’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 13°00’ zuiderbreedte en 145°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 15°00’ zuiderbreedte en 146°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 17°30’ zuiderbreedte en 147°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 21°00’ zuiderbreedte en 152°55’ oosterlengte, vandaar naar een punt op 24°30’ zuiderbreedte en 154°00’ oosterlengte, vandaar naar een punt op de kust van Australië op 24°42’ zuiderbreedte en 153°15’ oosterlengte.
-
- wordt verstaan onder afval uit de bedrijfsvoering, alle vaste afvalstoffen (met inbegrip van slurry) die niet onder andere Bijlagen vallen en die tijdens normaal onderhoud of de normale bedrijfsvoering van een schip aan boord worden verzameld of die worden gebruikt voor het stuwen en behandelen van lading. Onder afval uit de bedrijfsvoering wordt tevens verstaan alle schoonmaakmiddelen en additieven in waswater van laadruimen en buitenoppervlakken. Onder afval uit de bedrijfsvoering wordt niet verstaan grijs water, lenswater of andere soortgelijke lozingen die essentieel zijn voor de bedrijfsvoering van een schip, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
-
- wordt verstaan onder plastic, een vaste stof met als essentieel bestanddeel een of meer polymeren met een hoge moleculaire massa, die hetzij tijdens de productie van het polymeer hetzij tijdens de productie van een eindproduct door middel van verhitting en/of druk is gevormd (gemodelleerd). Plastic heeft materiaaleigenschappen die uiteenlopen van hard en breekbaar tot zacht en buigzaam. Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder „alle plastic” verstaan al het vuilnis dat bestaat uit plastic in welke vorm dan ook of dat plastic in welke vorm dan ook bevat, met inbegrip van trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten.
-
- wordt verstaan onder bijzonder gebied, een zeegebied waarbinnen, om algemeen aanvaarde technische redenen met betrekking tot de oceanografische en ecologische toestand en het speciale karakter van het scheepvaartverkeer binnen dat gebied, het aannemen van bijzondere verplichte methoden ter voorkoming van verontreiniging van de zee door vuilnis vereist is.
Voor de toepassing van deze Bijlage wordt onder bijzondere gebieden verstaan: de gebieden van de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee, de Rode Zee, de Golf, de Noordzee, het Antarctisch gebied en het wijdere Caribisch gebied, die als volgt worden omschreven:
- .1. onder het gebied van de Middellandse Zee wordt verstaan de Middellandse Zee zelf, alsmede de golven en zeeën daarin, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte en de westelijke grens wordt gevormd door de Straat van Gibraltar op de meridiaan van 5°36’ westerlengte;
- .2. onder het gebied van de Oostzee wordt verstaan de Oostzee zelf met inbegrip van de Botnische Golf, de Finse Golf en de toegang tot de Oostzee, begrensd door de parallel van Kaap Skagen in het Skagerrak op 57°44.8’ noorderbreedte;
- .3. onder het gebied van de Zwarte Zee wordt verstaan de Zwarte Zee zelf, waarbij de grens tussen de Middellandse Zee en de Zwarte Zee wordt gevormd door de parallel van 41° noorderbreedte;
- .4. onder het gebied van de Rode Zee wordt verstaan de Rode Zee zelf met inbegrip van de Golf van Suez en de Golf van Aqaba, in het zuiden begrensd door de loxodroom tussen Ras si Ane (12°28.5’ noorderbreedte, 43°19.6’ oosterlengte) en Husn Murad (12°40.4’ noorderbreedte, 43°30.2’ oosterlengte);
- .5. onder het Golfgebied wordt verstaan het zeegebied ten noordwesten van de loxodroom tussen Ras al Hadd (22°30’ noorderbreedte, 59°48’ oosterlengte) en Ras al Fasteh (25°04’ noorderbreedte, 61°25’ oosterlengte);
- .6. onder het Noordzeegebied wordt verstaan de Noordzee zelf alsmede de zeeën daarin waarbij de grens wordt gevormd tussen:
- .1. de Noordzee ten zuiden van de breedtegraad 62° noorderbreedte en ten oosten van lengtegraad 4º westerlengte;
- .2. het Skagerrak, waarvan de zuidelijke begrenzing wordt bepaald ten oosten van Skagen door de breedtegraad 57º44.8’ noorderbreedte; en
- .3. het Engelse Kanaal en de toegangen daartoe ten oosten van lengtegraad 5º westerlengte en ten noorden van breedtegraad 48º30’ noorderbreedte.
- .7. onder het Antarctisch gebied wordt verstaan het zeegebied ten zuiden van 60° zuiderbreedte;
- .8. onder het wijdere Caribisch Gebied wordt verstaan de Golf van Mexico en de Caribische Zee zelf met inbegrip van de baaien en zeeën daarin, en het gedeelte van de Atlantische Oceaan binnen de grens die wordt gevormd door de parallel van 30° noorderbreedte van Florida naar het oosten tot de meridiaan van 77°30’ westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 20° noorderbreedte en de meridiaan van 59° westerlengte, vanaf dat punt een loxodroom tot het snijpunt van de parallel van 7°20’ noorderbreedte en de meridiaan van 50° westerlengte, en vanaf dat punt naar het zuidwesten een loxodroom tot de oostelijke grens van Frans Guyana.
-
- wordt verstaan onder Audit, een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt verstaan onder Auditprogramma,het auditprogramma voor IMO-lidstaten die door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt verstaan onder Implementatiecode,de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt verstaan onder Auditnorm, de Implementatiecode.
-
- wordt verstaan onder elektronisch journaal, een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
Voorschrift 2. Toepassing
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Bijlage van toepassing op alle schepen.
Voorschrift 3. Algemeen verbod op het lozen van vuilnis in zee
Het lozen van alle vuilnis in zee is verboden, tenzij in de voorschriften 4, 5, 6 en 7 van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, zoals omschreven in voorschrift 13.1 van deze Bijlage anders is bepaald.
Het lozen in zee van alle plastic, met inbegrip van doch niet beperkt tot trossen en visnetten van synthetisch materiaal, plastic vuilniszakken en van verbrandingsovens afkomstige as van plastic producten is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.
Het lozen in zee van bak- en braadolie is verboden, uitgezonderd zoals voorzien in voorschrift 7 van deze Bijlage.
Voorschrift 4. Lozen van vuilnis buiten bijzondere gebieden
Behoudens de bepalingen van de voorschriften 5, 6 en 7 van deze Bijlage, is het lozen in zee van het onderstaande vuilnis buiten bijzondere gebieden uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land, maar in ieder geval niet minder dan:
- .1. 3 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
- .2. 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor voedselresten die niet overeenkomstig subparagraaf .1 van dit voorschrift zijn behandeld.
- .3. 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land voor ladingrestanten die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen. Deze ladingrestanten mogen geen stoffen bevatten die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, in overeenstemming met de criteria vervat in Aanhangsel I bij deze Bijlage.
- .4. Dierlijke kadavers dienen zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land te worden geloosd, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Schoonmaakmiddelen of additieven in waswater van de laadruimen, dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar deze stoffen mogen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
Vaste bulklading zoals omschreven in voorschrift VI/1-1.2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974, als gewijzigd, anders dan graan, wordt geclassificeerd in overeenstemming met Aanhangsel I bij deze Bijlage, en de kapitein geeft aan of de lading al dan niet schadelijk is voor het mariene milieu
Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.
Voorschrift 5. Bijzondere vereisten voor het lozen van vuilnis vanaf vaste of drijvende platforms
Behoudens de bepalingen van paragraaf 2 van dit voorschrift, is het verboden vuilnis in zee te lozen vanaf vaste of drijvende platforms alsmede vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden.
Er mogen wel voedselresten in zee worden geloosd vanaf vaste of drijvende platforms die zich op meer dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land bevinden en vanaf alle andere schepen die zich naast of binnen 500 meter van dergelijke platforms bevinden, op voorwaarde dat de voedselresten door een afbreek- of maalinstallatie zijn gevoerd. Deze afgebroken of gemalen voedselresten dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren.
Voorschrift 6. Lozen van vuilnis binnen bijzondere gebieden
Het lozen van het onderstaande vuilnis in zee binnen bijzondere gebieden is uitsluitend toegestaan wanneer het schip onderweg is en op de volgende wijze:
- .1. Het lozen in zee van voedselresten geschiedt zo ver mogelijk van het dichtstbijzijnde land, en in elk geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat. Voedselresten dienen te worden afgebroken of vermalen en dienen een rooster met gaten van maximaal 25 mm doorsnee te kunnen passeren. Voedselresten mogen niet verontreinigd zijn door een andere soort vuilnis. Het lozen van meegebrachte gevogelteproducten, waaronder pluimvee en delen daarvan, is niet toegestaan in het Antarctisch gebied tenzij deze door behandeling steriel zijn gemaakt.
- .2. Het lozen van ladingrestanten die niet met algemeen beschikbare losmethoden kunnen worden teruggewonnen, indien aan alle volgende vereisten wordt voldaan:
- .1. Ladingrestanten die in het waswater van laadruimen zijn opgenomen, bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu volgens de criteria vervat in Aanhangsel I bij deze Bijlage;
- .2. Vaste bulklading zoals omschreven in voorschrift VI/1-1.2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974, zoals gewijzigd, anders dan graan, wordt geclassificeerd in overeenstemming met Aanhangsel I bij deze Bijlage, en de kapitein geeft aan of de lading al dan niet schadelijk is voor het mariene milieu;
- .3. Schoonmaakmiddelen of additieven die in het waswater van laadruimen zijn opgenomen, bevatten geen stoffen die geclassificeerd zijn als schadelijk voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren;
- .4. Zowel de haven van vertrek als de volgende haven van bestemming bevinden zich binnen het bijzonder gebied en het schip vaart tussen deze havens niet buiten het bijzondere gebied;
- .5. Er zijn geen toereikende ontvangstinstallaties beschikbaar in deze havens, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren; en
- .6. Wanneer aan de vereisten van de subparagrafen .2.1 tot en met .2.5 van deze paragraaf is voldaan, moet het waswater van de laadruimen dat restanten bevat zo ver als mogelijk van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat worden geloosd en in ieder geval niet minder dan 12 zeemijlen van het dichtstbijzijnde land of de dichtstbijzijnde ijsplaat.
Schoonmaakmiddelen of additieven die zijn opgenomen in het waswater van dekken en buitenoppervlakken mogen in zee worden geloosd, maar uitsluitend indien deze stoffen niet schadelijk zijn voor het mariene milieu, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtsnoeren.
De volgende regels (in aanvulling op de regels van paragraaf 1 van dit voorschrift) zijn van toepassing op het Antarctisch gebied:
- .1. Elke partij met havens van waaruit schepen vertrekken op weg naar, of waarin schepen aankomen vanuit, het Antarctisch gebied, verplicht zich ertoe zodra praktisch uitvoerbaar toereikende installaties aan te leggen voor de ontvangst van alle vuilnis van alle schepen, zonder onnodig oponthoud te veroorzaken en overeenkomstig de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
- .2. Elke partij waarborgt dat alle schepen die gerechtigd zijn onder haar vlag te varen, voordat deze het Antarctisch gebied binnenvaren, over voldoende capaciteit aan boord beschikken voor het bewaren van alle vuilnis tijdens hun verblijf in het gebied en dat deze schepen voorzieningen hebben getroffen om dit vuilnis bij een ontvangstinstallatie af te geven nadat zij het gebied hebben verlaten.
Wanneer vuilnis is vermengd met of verontreinigd door andere stoffen waarvan de lozing verboden of aan andere vereisten gebonden is, zijn de strengere vereisten van toepassing.
Voorschrift 7. Uitzonderingen
De voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage en sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code zijn niet van toepassing op:
- .1. het lozen van vuilnis van een schip indien dit noodzakelijk is teneinde de veiligheid van een schip en de opvarenden te waarborgen of om mensenlevens op zee te redden; of
- .2. het onbedoelde verlies van vuilnis als gevolg van schade aan een schip of zijn uitrusting, mits alle redelijke voorzorgsmaatregelen zijn getroffen vóór en na het optreden van de schade teneinde het onbedoelde verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken; of
- .3. het onbedoelde verlies van vistuig van een schip, mits alle redelijke voorzorgen zijn genomen om dit verlies te voorkomen; of
- .4. het lozen van vistuig van een schip met het oog op de bescherming van het mariene milieu of de veiligheid van het schip of zijn bemanning.
Uitzondering voor schepen onderweg
- .1. De vereisten voor schepen die onderweg zijn in de voorschriften 4 en 6 van deze Bijlage en van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code, zijn niet van toepassing op het lozen van voedselresten wanneer duidelijk is dat het aan boord houden van deze voedselresten een direct risico voor de gezondheid van de opvarenden oplevert.
Voorschrift 8. Ontvangstinrichtingen
Elke partij verbindt zich ertoe te waarborgen dat havens en laad- en losplaatsen zijn voorzien van toereikende installaties voor het in ontvangst nemen van vuilnis, zonder onnodig oponthoud van schepen te veroorzaken, volgens de behoeften van de schepen die er gebruik van maken.
Ontvangstinstallaties binnen bijzondere gebieden
- .1. Elke partij wier kustlijn grenst aan een bijzonder gebied verbindt zich ertoe te waarborgen dat zo spoedig mogelijk alle havens en laad- en losplaatsen binnen het bijzondere gebied worden voorzien van toereikende ontvangstinstallaties, rekening houdend met de behoeften van schepen die in deze gebieden geëxploiteerd worden.
- .2. Elke betrokken partij stelt de Organisatie in kennis van de maatregelen die zijn getroffen ingevolge paragraaf 2.1 van dit voorschrift. Na ontvangst van voldoende kennisgevingen stelt de Organisatie een datum vast waarop de vereisten van voorschrift 6 van deze Bijlage ten aanzien van het betrokken gebied van kracht dienen te worden. De Organisatie stelt alle partijen ten minste twaalf maanden van tevoren in kennis van de vastgestelde datum. Tot de aldus vastgestelde datum dienen schepen die in een bijzonder gebied varen te voldoen aan de vereisten van voorschrift 4 van deze Bijlage wat betreft lozingen buiten bijzondere gebieden.
2bis. Kleine eilandstaten in ontwikkeling kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de leden 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten. Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstfaciliteiten opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstfaciliteiten rekening wordt gehouden met de richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstfaciliteiten voor afval van schepen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de paragrafen 1 en 2.1 van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten:
- .1. kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
- .2. staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
- .1. de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
- .2. bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .3. bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Voorschrift 9. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van een andere partij wordt onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door bedoelde partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of voldaan is aan de in deze Bijlage bedoelde operationele vereisten, wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële procedures die aan boord dienen te worden toegepast om verontreiniging door vuilnis te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de partij de noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat het schip niet uitvaart totdat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende havenstaatcontrole voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Geen enkele bepaling van dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde operationele vereisten aan boord controleert, worden beperkt.
Voorschrift 10. Plakkaten, vuilnisbeheerplannen en het bijhouden van het vuilnisjournaal
- .1. Elk schip met een lengte over alles van 12 meter of meer en elk vast of drijvend platform dient plakkaten te tonen die de bemanning en de passagiers informeren over de lozingsvoorwaarden in de voorschriften 3, 4, 5 en 6 van deze Bijlage en sectie 5.2 van deel II-A van de Polar Code, voor zover van toepassing.
- .2. De informatie op de plakkaten wordt geschreven in de werktaal van de bemanning van het schip en, ten aanzien van schepen die reizen maken naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats binnen de rechtsmacht van andere partijen bij het Verdrag, tevens in het Engels, Frans of Spaans.
Ieder schip met een brutotonnage van 100 of meer en ieder schip dat gecertificeerd is 15 personen of meer te vervoeren alsmede vaste of drijvende platforms moeten een vuilnisbeheerplan hebben, dat de bemanning dient na te komen. Dit plan voorziet in schriftelijke procedures voor het minimaliseren, verzamelen, opslaan, verwerken en verwijderen van vuilnis, met inbegrip van het gebruik van de uitrusting aan boord. In het plan worden tevens de persoon of personen aangewezen die belast zijn met de uitvoering van het plan. Een dergelijk plan dient in overeenstemming te zijn met de richtsnoeren die zijn ontwikkeld door de Organisatie2 en dient te zijn geschreven in de werktaal van de bemanning.
Ieder schip met een brutotonnage van 100 en meer en ieder schip dat gecertificeerd is om 15 personen of meer te vervoeren en dat reizen maakt naar havens of laad- en losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van een andere partij bij het Verdrag en elk vast of drijvend platform dient te zijn voorzien van een vuilnisjournaal. Het Vuilnisjournaal, hetzij als onderdeel van het scheepsjournaal, als elektronisch journaal dat door de Administratie dient te worden goedgekeurd rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, of anderszins, dient te zijn ingedeeld volgens het model zoals aangegeven in Aanhangsel II bij deze Bijlage.
- .1. Elke lozing in zee of naar een ontvangstinstallatie of een volledige verbranding dient onmiddellijk te worden aangetekend in het vuilnisjournaal, en deze aantekening dient te worden ondertekend op de datum van de lozing of verbranding door de verantwoordelijke officier. Elke ingevulde bladzijde of groep van elektronische aantekeningen van het vuilnisjournaal dient te worden ondertekend door de kapitein van het schip. De aantekeningen in het vuilnisjournaal dienen ten minste in het Engels, Frans of Spaans te worden gesteld. Wanneer de aantekeningen tevens zijn gesteld in een officiële taal van de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, zijn de aantekeningen in die taal doorslaggevend in geval van een geschil of een tegenstrijdigheid;
- .2. De aantekening van elke lozing in zee ingevolge de voorschriften 4, 5, 6 of sectie 5.2 van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code dient mede de datum en het tijdstip, de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad), de categorie van het vuilnis en de geschatte geloosde hoeveelheid (in kubieke meters) te omvatten. Bij het lozen van ladingrestanten dient in aanvulling op het voorgaande ook de positie van het schip bij het begin en het einde van de lozing te worden vermeld;
- .3. De aantekening van elke voltooide verbranding dient mede de datum en het tijdstip en de positie van het schip (breedtegraad en lengtegraad) bij het begin en het einde van de verbranding, de categorieën van het verbrande vuilnis en de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters te omvatten;
- .4. De aantekening voor elke afvoer naar een ontvangstinrichting in een haven of naar een ander schip dient mede de datum en het tijdstip, de haven of inrichting of de naam van het schip, de categorieën afval die geloosd worden en de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters te omvatten;
- .5. Het vuilnisjournaal dient tezamen met de ontvangstbewijzen van ontvangstinrichtingen aan boord van het schip of het vaste of drijvende platform te worden bewaard en op een plaats waar het direct beschikbaar is voor inspectie op elk redelijk tijdstip. Het document dient gedurende een termijn van ten minste twee jaar na de laatste aantekening te worden bewaard;
- .6. In geval van lozing of onbedoeld verlies als bedoeld in voorschrift 7 van deze Bijlage dient in het vuilnisjournaal of, bij schepen van minder dan 100 brutoton in het scheepsjournaal, een aantekening te worden gemaakt van de datum en het tijdstip van het voorval, de haven of positie van het schip op het tijdstip van het voorval (breedtegraad, lengtegraad en waterdiepte indien bekend), de reden voor het lozen of het verlies, details van de geloosde of verloren items, de categorieën van geloosd of verloren vuilnis, de geschatte hoeveelheid voor elke categorie in kubieke meters, redelijke voorzorgsmaatregelen die zijn genomen om een dergelijke lozing of dergelijk verlies te voorkomen of tot een minimum te beperken en algemene opmerkingen.
De Administratie kan ontheffing verlenen van de eisen voor vuilnisjournaals voor:
- .1. schepen die reizen maken van een (1) uur of korter en die gecertificeerd zijn 15 personen of meer te vervoeren; of
- .2. vaste of drijvende platforms.
De bevoegde autoriteit van de Regering van een partij bij het Verdrag kan het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal controleren aan boord van elk schip waarop dit voorschrift van toepassing is, terwijl het schip zich in een haven of een laad- of losplaats buitengaats van dat land bevindt, en een afschrift maken van elke aantekening in deze journaals, en van de kapitein van het schip verlangen dat deze het afschrift waarmerkt als een waarheidsgetrouw afschrift van de betreffende aantekening. Elk aldus vervaardigd afschrift dat de kapitein van het schip als een waarheidsgetrouw afschrift van een aantekening in het vuilnisjournaal of het scheepsjournaal van het schip heeft gewaarmerkt, dient bij alle gerechtelijke procedures te worden toegelaten als bewijsstuk voor de in die aantekening vermelde feiten. De inspectie van een vuilnisjournaal of scheepsjournaal en de vervaardiging van een gewaarmerkt afschrift door de bevoegde autoriteit ingevolge deze paragraaf dienen zo snel mogelijk te geschieden zonder voor het schip onnodig oponthoud te veroorzaken.
Het onbedoelde verlies of lozen van vistuig zoals voorzien in de voorschriften 7.1.3 en 7.1.3bis dat een ernstige bedreiging vormt voor het mariene milieu of de scheepvaart wordt gemeld aan de Staat waarvan het schip gerechtigd is de vlag te voeren, en, wanneer het verlies of lozen plaatsvindt in wateren die vallen onder de rechtsmacht van een kuststaat, tevens aan deze kuststaat.
HOOFDSTUK 2. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 11. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 12. Verificatie van de naleving
Elke partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audit van alle partijen:
- .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
- .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
HOOFDSTUK 3. INTERNATIONALE CODE VOOR SCHEPEN DIE IN POLAIRE WATEREN VAREN
Voorschrift 13. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding, deel I-A en deel II-A en de delen I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
- .1. wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
- .2. wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder Arctische wateren verstaan de wateren ten noorden van een lijn van 58°00'.0 noorderbreedte en 042°00'.0 westerlengte tot 64°37'.0 noorderbreedte, 035°27'.0 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 67°03'.9 noorderbreedte, 026°33'.4 westerlengte en vanaf dat punt een loxodroom tot 70°49'.56 noorderbreedte en 008°59'.61 westerlengte (Sørkapp, Jan Mayen) en via de zuidkust van Jan Mayen naar 73°31'.6 noorderbreedte en 019°01'.0 oosterlengte via het eiland Bjørnøya, en vanaf dat punt via de boog van een grote cirkel naar 68°38'.29 noorderbreedte en 043°23'.08 oosterlengte (Kaap Kanin Nos) en vanaf dat punt via de noordkust van het Aziatische continent oostwaarts naar de Beringstraat en vanaf de Beringstraat westwaarts naar 60° noorderbreedte tot aan Il'pyrskiy en vervolgens via de 60e noorderbreedtecirkel oostwaarts tot en met de Etolin Strait en vanaf dat punt via de noordkust van het Noord-Amerikaanse continent in zuidelijke richting tot 60° noorderbreedte en vanaf dat punt oostwaarts via de breedtecirkel van 60° noorderbreedte tot 056°37'.1 westerlengte en vanaf dat punt naar 58°00'.0 noorderbreedte, 042°00'.0 westerlengte.
-
- wordt onder polaire wateren verstaan de Arctische wateren en/of het Antarctisch gebied.
Voorschrift 14. Toepassing en vereisten
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle schepen waarop deze Bijlage van toepassing is die in polaire wateren varen.
Tenzij uitdrukkelijk anders bepaald moeten schepen waarop paragraaf 1 van dit voorschrift van toepassing is, voldoen aan de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en aan hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code naast de overige van toepassing zijnde vereisten van deze Bijlage.
Bij de toepassing van hoofdstuk 5 van deel II-A van de Polar Code moet rekening worden gehouden met de aanvullende richtlijnen van deel II-B van de Polar Code.
Voorschrift 1. Toepassing
De bepalingen van deze Bijlage zijn van toepassing op alle schepen, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
Voorschrift 2. Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze Bijlage:
-
- wordt onder Bijlage verstaan Bijlage VI bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, 1973 (MARPOL), zoals gewijzigd door het Protocol daarbij van 1978, en zoals gewijzigd door het Protocol van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden overeenkomstig het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt onder een soortgelijk bouwstadium verstaan het stadium waarin:
-
- de bouw specifiek voor een bepaald schip aanvangt; en
-
- is begonnen met de montage van dat schip, omvattende ten minste 50 ton of één procent van de geschatte massa van alle bouwmateriaal, naar gelang van welke van beide het minst is.
-
- wordt onder verjaardatum verstaan de dag en de maand van elk jaar overeenkomend met de datum waarop het Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging verstrijkt.
-
- wordt onder audit verstaan een systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit-informatie en de objectieve beoordeling daarvan teneinde te bepalen in hoeverre aan de auditcriteria is voldaan.
-
- wordt onder auditprogramma verstaan het auditprogramma voor IMO-lidstaten dat door de Organisatie is opgezet, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
-
- wordt onder auditnorm verstaan de Implementatiecode.
-
- wordt onder beheersingshulpvoorziening verstaan een systeem, functie of beheersingsstrategie die op een scheepsdieselmotor is geïnstalleerd om de motor en/of de hulpapparatuur te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken. Een beheersingshulpvoorziening kan eveneens een strategie of maatregel zijn waarvan afdoende is aangetoond dat zij geen manipulatievoorziening is.
-
- wordt onder Implementatiecode verstaan de Code voor de implementatie van IMO-instrumenten (III Code) aangenomen door de Organisatie bij resolutie A.1070(28).
-
- wordt doorlopende toevoer omschreven als het proces waarbij afval zonder menselijke tussenkomst naar een verbrandingskamer wordt gevoerd, terwijl de verbrandingsinrichting zich in de normale bedrijfstoestand bevindt met een bedrijfstemperatuur in de verbrandingskamer tussen 850°C en 1200°C.
-
- wordt onder manipulatievoorziening verstaan een voorziening die werkingsvariabelen (bijv. toerental van de motor, temperatuur, inlaatdruk of een andere parameter) meet of met een sensor bepaalt of daarop reageert voor het op zodanige wijze activeren, moduleren, vertragen of uitschakelen van een onderdeel of het functioneren van het emissiebeheersingssysteem, dat de doeltreffendheid van het emissiebeheersingssysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij normaal gebruik kunnen optreden, tenzij het gebruik van een dergelijke voorziening grotendeels in aanmerking wordt genomen in de toegepaste testprocedure voor emissiecertificatie.
-
- wordt onder elektronisch journaal verstaan een door de Administratie goedgekeurd apparaat of systeem dat, in plaats van een papieren journaal, gebruikt wordt voor het elektronisch vastleggen van de vereiste aantekeningen voor lozingen, overbrengingen en overige operaties zoals vereist ingevolge deze Bijlage.
-
- wordt onder emissie verstaan elk vrijkomen vanaf schepen in de atmosfeer of de zee van stoffen die onder de beheersing uit hoofde van deze Bijlage vallen.
-
- wordt onder gebied voor emissiebeheersing verstaan een gebied waar aanneming van bijzondere verplichte maatregelen voor emissies door schepen vereist is teneinde luchtverontreiniging door NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan en de daarmee gepaard gaande schadelijke invloed op de volksgezondheid en het milieu te voorkomen, beperken en beheersen. Gebieden voor emissiebeheersing omvatten de gebieden genoemd in of aangewezen conform de voorschriften 13 en 14 van deze Bijlage.
-
- wordt onder brandstofolie verstaan brandstof geleverd aan en bestemd voor gebruik aan boord van een schip.
-
- wordt onder brutotonnage verstaan de brutotonnage berekend in overeenstemming met de voorschriften inzake tonnagemetingen vervat in Bijlage 1 bij het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen, 1969 of elk opvolgend verdrag.
-
- wordt onder in-gebruik-monsterverstaan een monster van brandstofolie die op een schip wordt gebruikt.
-
- wordt onder installaties met betrekking tot voorschrift 12 van deze Bijlage verstaan de installatie van systemen, uitrusting, met inbegrip van draagbare brandblusvoorzieningen, isolatie of ander materiaal op een schip, echter met uitzondering van het herstel of opnieuw vullen van eerder geïnstalleerde systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal of het opnieuw vullen van draagbare brandblusvoorzieningen.
-
- wordt onder geïnstalleerde motor verstaan een scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is of dient te worden op een schip, met inbegrip van verplaatsbare hulpscheepsdieselmotoren mits het brandstoftoevoer-, koelings- of uitlaatsysteem vast onderdeel uitmaakt van het schip. Een brandstoftoevoersysteem wordt uitsluitend als een vast onderdeel van het schip aangemerkt indien het duurzaam verbonden is met het schip. Deze omschrijving omvat mede scheepsdieselmotoren die worden gebruikt ter aanvulling of versterking van de geïnstalleerde capaciteit van een schip en beoogd zijn als een integrerend onderdeel ervan.
-
- wordt onder abnormale emissiebeheersingsstrategie verstaan elke strategie of maatregel die wanneer het schip onder normale bedrijfsomstandigheden wordt bestuurd de doelmatigheid van het emissiebeheersingssysteem beperkt tot een niveau onder dat hetgeen verwacht wordt bij de van toepassing zijnde emissietestprocedures.
-
- wordt onder brandstof met een laag vlampunt verstaan een gasvormige of vloeibare brandstof met een vlampunt dat lager ligt dan anderszins is toegestaan uit hoofde van paragraaf 2.1.1 van voorschrift 4 van Hoofdstuk II-2 van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974, zoals gewijzigd.
-
- wordt onder scheepsdieselmotor verstaan een interne-zuigerverbrandingsmotor die op vloeibare brandstoffen of dual fuel functioneert en waarop voorschrift 13 van deze Bijlage van toepassing is, met inbegrip van eventueel toegepaste drukvullings- of compoundsystemen. Een door gas aangedreven motor die wordt geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 maart 2016 of een door gas aangedreven aanvullende of niet-identieke vervangende motor die op of na die datum wordt geïnstalleerd wordt eveneens als scheepsdieselmotor beschouwd.
-
- wordt onder monster geleverd uit hoofde van MARPOL verstaan het brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met voorschrift 18.8.1 van deze Bijlage.
-
- wordt onder de NOx Technische Code verstaan de Technische code inzake de beheersing van de emissie van stikstofoxiden door scheepsdieselmotoren, aangenomen bij resolutie 2 van de MARPOL- conferentie van 1997, zoals gewijzigd door de Organisatie, op voorwaarde dat deze wijzigingen worden aangenomen en van kracht worden in overeenstemming met het bepaalde in artikel 16 van dit Verdrag.
-
- wordt onder aan-boord-monster verstaan een monster van brandstofolie die bestemd is of wordt vervoerd voor gebruik aan boord van dat schip.
-
- worden onder ozonafbrekende stoffen verstaan de gereguleerde stoffen omschreven in artikel 1, vierde lid, van het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, 1987, genoemd in Bijlage A, B, C of E bij genoemd Protocol zoals van kracht ten tijde van de toepassing of uitlegging van deze Bijlage. Ozonafbrekende stoffen die aan boord van schepen kunnen worden aangetroffen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
| halon 1211 | broomchloordifluormethaan |
|---|---|
| halon 1301 | broomtrifluormethaan |
| halon 2402 | 1,2-dibroom-1,1,2,2-tetrafluorethaan (ook bekend als halon 114B2) |
| CFK-11 | trichloorfluormethaan |
| CFK-12 | dichloordifluormethaan |
| CFK-113 | 1,1,2-trichloor-1,2,2-trifluorethaan |
| CFK-114 | 1,2-dichloor-1,1,2,2-tetrafluorethaan |
| CFK-115 | chloorpentafluorethaan |
-
- wordt onder verbranding aan boord verstaan de verbranding van afval of andere stoffen aan boord van een schip, indien dit afval of de andere stoffen zijn ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van dat schip.
-
- wordt onderverbrandingsinstallatie aan boord verstaan een voorziening ontworpen met verbranding als primair doel.
-
- worden onder schepen die worden gebouwd verstaan schepen waarvan de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt.
-
- wordt onder oliehoudend slik verstaan slik uit de afscheiders voor brandstof of smeerolie, afgewerkte smeerolie uit hoofd- of hulpwerktuigen, of afgewerkte olie uit lenswaterafscheiders, apparatuur voor het filtreren van olie of lekbakken.
-
- wordt onder zwavelgehalte van brandstofolieverstaan de zwavelconcentratie in een brandstofolie, gemeten in % m/m zoals getest in overeenstemming met een norm die aanvaardbaar is voor de Organisatie.
-
- wordt onder tankschip in verband met voorschrift 15 van deze Bijlage verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I bij dit Verdrag of een chemicaliëntankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage II bij dit Verdrag.
-
- wordt onder onbemande duwbak zonder eigen voortstuwing (UNSP) verstaan een duwbak die:
-
- niet met mechanische middelen wordt voortgestuwd;
-
- geen systemen, uitrusting en/of machines heeft gemonteerd die in deze Bijlage gereguleerde emissies kunnen veroorzaken; en
-
- geen personen of levende dieren aan boord heeft.
-
- wordt onder gasvormige brandstof verstaan een brandstofolie met een dampspanning hoger dan 0,28 MPa absoluut bij een temperatuur van 37,8°C.
Voor de toepassing van Hoofdstuk 4:
-
- wordt onder een schip opgeleverd op of na 1 september 2019 verstaan een schip:
-
- waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 september 2015; of
-
- waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 maart 2016; of
-
- waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 september 2019.
-
- wordt onder de bereikte jaarlijkse operationele KII verstaan de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit die door een afzonderlijk schip wordt bereikt overeenkomstig de voorschriften 26 en 28 van deze Bijlage.
-
- wordt onder bereikte EEDI verstaan de EEDI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 22 van deze Bijlage.
-
- wordt onder bereikte EEXI verstaan de EEXI-waarde die door een individueel schip wordt behaald in overeenstemming met voorschrift 23 van deze Bijlage.
-
- wordt onder bulkcarrier verstaan een schip dat hoofdzakelijk bedoeld is voor het vervoer van droge lading in bulk, met inbegrip van scheepstypen als ertsschepen zoals omschreven in Hoofdstuk XII, voorschrift 1, van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS), 1974 (zoals gewijzigd) maar uitgezonderd combinatietankschepen.
-
- wordt onder kalenderjaar verstaan het tijdvak van 1 januari tot en met 31 december.
-
- wordt onder combinatietankschip verstaan een schip dat ontworpen is om 100% van zijn draagvermogen te gebruiken voor het vervoer van zowel vloeibare als droge bulklading.
-
- wordt onder onderneming verstaan, de eigenaar van het schip of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of rompbevrachter, die door de eigenaar van het schip is belast met de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip en die bij de aanvaarding van die verantwoordelijkheid de verplichting op zich heeft genomen zich te kwijten van alle bijbehorende taken en verantwoordelijkheden die worden opgelegd door de International Management Code for the Safe Operation of Ships and for Pollution Prevention (Internationale code voor de veilige exploitatie van schepen en voor de voorkoming van vervuiling), zoals gewijzigd.
-
- wordt onder containerschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van containers in laadruimen en aan dek.
-
- wordt onder conventionele voortstuwing verstaan een voortstuwingsmethode waarbij de primaire aandrijving wordt gevormd door een of meer hoofdzuigerverbrandingsmotor(en) die rechtstreeks of via een versnellingsbak gekoppeld zijn aan een aandrijfas.
-
- wordt onder cruiseschip verstaan een passagiersschip zonder ladingdek dat uitsluitend is ontworpen voor het commercieel vervoer van passagiers in overnachtingsaccommodaties tijdens een zeereis.
-
- wordt onder afgelegde afstand verstaan de afstand die over de grond wordt afgelegd.
-
- wordt onder bestaand schip verstaan een schip dat geen nieuw schip is.
-
- wordt onder gastanker verstaan een vrachtschip, niet zijnde een LNG-tanker als omschreven in paragraaf 2.16 van dit voorschrift, gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van een vloeibaar gemaakt gas.
-
- wordt onder algemeen vrachtschip verstaan een schip met een of meerdere dekken dat hoofdzakelijk ontworpen is voor het vervoer van algemene lading. Onder deze begripsomschrijving vallen geen gespecialiseerde droge-ladingschepen, die niet zijn opgenomen in de berekening van de referentielijnen voor algemene vrachtschepen, te weten vrachtschepen voor vee, lichterschepen, zwaartransportschepen, jachttransportschepen en schepen voor het vervoer van splijtstoffen.
-
- wordt onder LNG-tanker verstaan een vrachtschip gebouwd of aangepast en gebruikt voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakt aardgas (LNG).
-
- wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een schip:
-
- waardoor de afmetingen, het laadvermogen of het motorvermogen van het schip in belangrijke mate veranderen; of
-
- waardoor het type van het schip verandert; of
-
- waarmee, naar het oordeel van de Administratie, voornamelijk beoogd wordt de levensduur van het schip te verlengen; of
-
- waardoor het schip anderszins zodanig verandert dat het, indien het een nieuw schip zou betreffen, zou worden onderworpen aan de desbetreffende bepalingen van dit Verdrag die niet op een bestaand schip van toepassing zijn; of
-
- waardoor de energie-efficiëntie van het schip in belangrijke mate verandert en die gepaard gaat met aanpassingen waardoor het schip de van toepassing zijnde vereiste EEDI, zoals vervat in voorschrift 24 van deze Bijlage, of de van toepassing zijnde vereiste EEXI, zoals vervat in voorschrift 25 van deze Bijlage, zou kunnen overschrijden.
-
- onder nieuw schip wordt verstaan een schip:
-
- waarvoor het bouwcontract is afgesloten op of na 1 januari 2013; of
-
- waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2013; of
-
- waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2015.
-
- wordt onder niet-conventionele voortstuwing verstaan een voortstuwingsmethode anders dan conventionele voortstuwing, met inbegrip van diesel-elektrische voortstuwing, voortstuwing met turbines en hybride voortstuwing systemen.
-
- wordt onder passagiersschip verstaan een schip dat meer dan 12 passagiers vervoert.
-
- wordt onder Polar Code verstaan de Internationale Code voor schepen die in polaire wateren varen, bestaande uit een inleiding en de delen I-A en II-A en I-B en II-B, zoals aangenomen bij de resoluties MSC.385(94) en MEPC.264(68), zoals eventueel gewijzigd, op voorwaarde dat:
-
- wijzigingen van de op het milieu betrekking hebbende bepalingen van de inleiding en hoofdstuk 1 van deel II-A van de Polar Code worden aangenomen, in werking worden gesteld en van kracht worden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 16 van dit Verdrag inzake de wijzigingsprocedures die van toepassing zijn op een aanhangsel bij een bijlage; en
-
- wijzigingen van deel II-B van de Polar Code worden aangenomen door de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu in overeenstemming met haar reglement van orde.
-
- wordt onder koelschip verstaan een schip dat uitsluitend ontworpen is voor het vervoer van gekoelde lading in laadruimen.
-
- wordt onder vereiste jaarlijkse KII verstaan de streefwaarde van de bereikte jaarlijkse operationele KII overeenkomstig de voorschriften 26 en 28 van deze Bijlage voor het specifieke scheepstype en de omvang.
-
- wordt onder vereiste EEDI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEDI die ingevolge voorschrift 24 van deze Bijlage is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
-
- wordt onder vereiste EEXI verstaan de maximumwaarde van de bereikte EEXI die ingevolge voorschrift 25 van deze Bijlage is toegestaan voor het specifieke scheepstype en de omvang.
-
- wordt onder rorovrachtschip verstaan een schip ontworpen voor het vervoer van rij-op-rij-af-ladingvervoerseenheden.
-
- wordt onderrorovrachtschip (vrachtschip voor voertuigen) verstaan een rij-op-rij-af-vrachtschip met meerdere dekken dat ontworpen is voor het vervoer van lege voertuigen en vrachtvoertuigen.
-
- wordt onder roropassagiersschip verstaan een passagiersschip met rij-op-rij-af-laadruimen.
-
- wordt onder tankschip verstaan een olietankschip als omschreven in voorschrift 1 van Bijlage I van dit Verdrag of een chemicaliëntankschip of een NLS-tankschip zoals omschreven in voorschrift 1 van Bijlage II bij dit Verdrag.
Voorschrift 3. Uitzonderingen en vrijstellingen
De voorschriften van deze Bijlage zijn niet van toepassing op:
-
- elke emissie die noodzakelijk is om de veiligheid van een schip te verzekeren of om mensenlevens op zee te redden; of
-
- elke emissie ten gevolge van schade aan een schip of aan de uitrusting daarvan:
- 2.1. mits na het ontstaan van de schade of na het ontdekken van de emissie alle redelijke voorzorgen zijn getroffen om de emissie te voorkomen of tot een minimum te beperken; en
- 2.2. uitgezonderd ingeval de eigenaar of de kapitein handelde met de bedoeling schade te veroorzaken, ofwel roekeloos handelde en in de wetenschap dat er waarschijnlijk schade zou ontstaan
De Administratie van een Partij kan in samenwerking met andere Administraties als dat van toepassing is, een schip vrijstellen van specifieke bepalingen van deze Bijlage ten behoeve van de uitvoering van testen en onderzoek voor de ontwikkeling van emissiereductie- en beheersingstechnologieën alsmede ontwerpprogramma's voor scheepsmotoren. Dergelijke vrijstellingen worden uitsluitend verleend indien de toepassing van specifieke bepalingen van de Bijlage of de herziene NOx Technische Code 2008 ten koste zou gaan van onderzoek naar de ontwikkeling van dergelijke technologieën of programma's. Het verlenen van een vrijstelling ingevolge dit voorschrift houdt niet in dat een schip wordt vrijgesteld van de rapportagevereiste ingevolge voorschrift 27 en houdt geen verandering in van het soort gegevens en de reikwijdte daarvan die ingevolge voorschrift 27 dienen te worden gerapporteerd. Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend voor het minimum aantal benodigde schepen, waarbij de volgende voorwaarden van toepassing zijn:
-
- voor scheepsdieselmotoren met een cilinderinhoud van ten hoogste 30 liter, waarbij de test op zee ten hoogste 18 maanden mag duren. Indien meer tijd vereist is, kan of kunnen de Administratie of Administraties die vrijstelling verleent of verlenen een verlenging toestaan met eenmaal 18 maanden; of
-
- voor scheepsdieselmotoren met een cilinderhoud van 30 liter of meer mag een test ten hoogste 5 jaar duren en dient de voortgang bij elk tussentijds onderzoek te worden getoetst door de Administratie of Administraties die de vrijstelling heeft of hebben verleend. Op grond van deze toetsing kan de vrijstelling worden ingetrokken indien de test of het onderzoek niet voldeed aan de voorwaarden voor de vrijstelling of indien wordt vastgesteld dat de technologie of het programma naar verwachting geen doeltreffende resultaten zal opleveren voor de beperking en beheersing van emissies door schepen. Indien de toetsende Administratie of Administraties vaststelt of vaststellen dat meer tijd nodig is voor een test of onderzoek met een bepaalde technologie of bepaald programma kan de vrijstelling met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.
3.1. Emissies die direct voortvloeien uit de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem zijn, overeenkomstig artikel 2, derde lid, onderdeel b, onder ii, van dit Verdrag, vrijgesteld van de bepalingen van deze Bijlage. Dergelijke emissies omvatten het volgende:
-
- emissies die voortvloeien uit de verbranding van stoffen die uitsluitend en direct het gevolg zijn van de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem, met inbegrip van maar niet beperkt tot het affakkelen van koolwaterstoffen en de verbranding van boorgruis, slijk en/of stimuleringsspoelingen bij de afwerking van de put en testoperaties en het affakkelen als gevolg van het spoelen naar de oppervlakte;
-
- het vrijkomen van gassen en vluchtige stoffen die worden meegevoerd met boorspoelingen en gruis;
-
- emissies die uitsluitend en direct verband houden met de bewerking, behandeling of opslag van mineralen uit de zeebodem; en
-
- emissies van scheepsdieselmotoren die uitsluitend worden gebruikt voor de exploratie, exploitatie en de bijbehorende buitengaatse bewerking van minerale rijkdommen uit de zeebodem.
3.2. De vereisten van voorschrift 18 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op het gebruik van koolwaterstoffen die ter plaatse worden geproduceerd en vervolgens worden gebruikt als brandstof, indien goedgekeurd door de Administratie.
De Administratie kan voor de vereisten van de voorschriften 5.1 en 6.1 van deze Bijlage ontheffing verlenen voor een onbemande duwbak zonder eigen voortstuwing (UNSP) door middel van een internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor onbemande duwbakken zonder eigen voortstuwing (UNSP), voor een periode van ten hoogte 5 jaar op voorwaarde dat de duwbak een onderzoek heeft ondergaan om na te gaan of aan de voorwaarden van de voorschriften 2.1.32.1 tot en met 2.1.32.3 van deze Bijlage is voldaan.
Voorschrift 4. Gelijkwaardige voorzieningen
De Administratie van een Partij kan toestaan dat installaties, materialen, middelen of toestellen worden aangebracht op een schip of dat er andere procedures, brandstofolie of methodes worden gebruikt dan degene die worden vereist door deze Bijlage, indien dergelijke installaties, materialen, middelen of toestellen, procedures, brandstofolie of methoden wat betreft emissiebeperking ten minste even doeltreffend zijn als degene die door deze Bijlage, met inbegrip van de normen vervat in de voorschriften 13 en 14, worden vereist.
De Administratie van een Partij die het aanbrengen in een schip toestaat van andere installaties, materialen, middelen of toestellen of andere procedures, brandstofolie of methodes dan degene die in deze Bijlage worden vereist, stelt de Organisatie in kennis van de bijzonderheden; de Organisatie zendt deze ter kennisneming en voor het eventueel nemen van passende maatregelen vervolgens aan de Partijen.
De Administratie van een Partij neemt eventueel door de Organisatie ontwikkelde relevante richtlijnen met betrekking tot de in dit voorschrift voorziene gelijkwaardige voorzieningen in aanmerking.
De Administratie van een Partij die het gebruik van een gelijkwaardige voorziening als omschreven in de eerste paragraaf van dit voorschrift toestaat, spant zich in om schade aan het milieu, de volksgezondheid, goederen of hulpmiddelen van die of andere Staten te voorkomen.
HOOFDSTUK 2. ONDERZOEK, CERTIFICERING EN CONTROLEMIDDELEN
Voorschrift 5. Onderzoeken
Elk schip met een brutotonnage van 400 en meer, alsmede iedere vaste en drijvende boorinstallatie of ander platform wordt onderworpen aan de hieronder aangegeven onderzoeken teneinde te waarborgen dat aan de vereisten van Hoofdstuk 3 van deze Bijlage wordt voldaan:
-
- Een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat het certificaat vereist volgens voorschrift 6 van deze Bijlage voor de eerste maal wordt afgegeven. Dit onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 van deze Bijlage;
-
- Een hernieuwd onderzoek dat wordt verricht met inachtneming van door de Administratie vast te stellen tussenpozen van ten hoogste vijf jaar, behalve wanneer voorschrift 9.2, 9.5, 9.6 of 9.7 van deze Bijlage van toepassing is. Dit hernieuwde onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen ten volle voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 van deze Bijlage;
-
- Een tussentijds onderzoek binnen drie maanden voor of na de tweede verjaardatum of binnen drie maanden voor of na de derde verjaardatum van het certificaat, dat in de plaats treedt van een van de jaarlijkse onderzoeken voorgeschreven in paragraaf 1.4 van dit voorschrift. Het tussentijdse onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de uitrusting en voorzieningen volledig voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van Hoofdstuk 3 van deze Bijlage en in goede bedrijfstoestand verkeren. Deze tussentijdse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage;
-
- Een jaarlijks onderzoek binnen drie maanden voor of na elke verjaardatum van het certificaat, met inbegrip van een algemene inspectie van de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen en materialen bedoeld in paragraaf 1.1 van dit voorschrift, teneinde vast te stellen dat de toestand ervan is gehandhaafd in overeenstemming met paragraaf 5 van dit voorschrift en dat zij geschikt blijven voor de dienst waarvoor het schip bestemd is. Deze jaarlijkse onderzoeken worden aangetekend op het IAPP-certificaat afgegeven krachtens voorschrift 6 of 7 van deze Bijlage; en
-
- Een algeheel of gedeeltelijk aanvullend onderzoek dat, al naargelang de omstandigheden, dient te worden uitgevoerd na een belangrijke reparatie of vervanging als voorgeschreven in paragraaf 5 van dit voorschrift of na een reparatie naar aanleiding van in paragraaf 6 van dit voorschrift voorgeschreven onderzoeken. Het onderzoek dient zodanig te zijn dat gewaarborgd wordt dat de noodzakelijke reparaties of vervangingen deugdelijk zijn uitgevoerd, dat het materiaal en de deskundigheid waarmee zij zijn uitgevoerd in alle opzichten toereikend zijn en dat het schip in alle opzichten voldoet aan de voorschriften van Hoofdstuk 3 van deze Bijlage.
In het geval van schepen met een brutotonnage van minder dan 400, kan de Administratie passende maatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat aan de van toepassing zijnde bepalingen van Hoofdstuk 3 van deze Bijlage wordt voldaan.
Onderzoeken van schepen aangaande de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, worden uitgevoerd door ambtenaren van de Administratie.
-
- De Administratie kan de onderzoeken evenwel toevertrouwen hetzij aan daartoe benoemde inspecteurs, hetzij aan door haar erkende organisaties. Deze organisaties dienen te voldoen aan de door de Organisatie aangenomen richtlijnen;
-
- Het onderzoek van de scheepsdieselmotoren en uitrusting ten behoeve van naleving van voorschrift 13 van deze Bijlage wordt uitgevoerd in overeenstemming met de herziene NOx Technische Code 2008;
-
- Wanneer een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie vaststelt dat de toestand van de uitrusting in belangrijke mate afwijkt van de gegevens vermeld op het certificaat, dient deze te verzekeren dat hierin verbetering wordt gebracht en te zijner tijd de Administratie in te lichten. Indien dergelijke verbeteringen niet worden aangebracht, wordt het certificaat door de Administratie ingetrokken. Indien het schip in een haven van een andere Partij ligt, dienen ook de bevoegde autoriteiten van de havenstaat onverwijld te worden ingelicht. Wanneer een ambtenaar van de Administratie, een aangewezen inspecteur of een erkende organisatie de bevoegde autoriteiten van de havenstaat heeft ingelicht, dient de Regering van die havenstaat deze ambtenaar, inspecteur of organisatie alle nodige hulp te verlenen om hun verplichtingen ingevolge dit voorschrift te vervullen; en
-
- In alle gevallen staat de betrokken Administratie volledig garant voor de volledigheid en doeltreffendheid van het onderzoek en dient zij te waarborgen dat de nodige maatregelen worden getroffen om aan deze verplichting te voldoen.
Schepen waarop Hoofdstuk 4 van deze Bijlage van toepassing is worden tevens onderworpen aan de onderstaande onderzoeken, rekening houdend met de door de Organisatie aangenomen richtlijnen:
-
- Een eerste onderzoek voordat een nieuw schip in dienst wordt gesteld en voordat het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt afgegeven. Bij dit onderzoek wordt geverifieerd of de bereikte EEDI in overeenstemming is met de vereisten van hoofdstuk 4 van deze Bijlage en dat het ingevolge voorschrift 26 vereiste SEEMP aan boord is;
-
- Een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een schip waarop dit voorschrift van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEDI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 24 van deze Bijlage, waarbij de reductiefactor van toepassing is op het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip in de fase die overeenkomt met de datum van het bouwcontract of de kiellegging of oplevering die is vastgesteld voor het oorspronkelijke schip in overeenstemming met voorschrift 2.2.18 van deze Bijlage;
-
- In gevallen waarin een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip, bepaalt de Administratie of een eerste onderzoek naar de bereikte EEDI noodzakelijk is. Met een dergelijk onderzoek, indien nodig geacht, wordt gewaarborgd dat de bereikte EEDI wordt berekend en voldoet aan het vereiste van voorschrift 24 van deze Bijlage, waarbij de toepasselijke reductiefactor overeenkomt met het scheepstype en de omvang van het gewijzigde schip op de datum van het contract voor de wijziging, of bij ontbreken van een contract, de datum waarop met de wijziging is begonnen. Bij het onderzoek wordt tevens geverifieerd of het ingevolge voorschrift 26 van deze Bijlage vereiste SEEMP aan boord is en, voor een schip waarop voorschrift 27 van toepassing is, of het SEEMP op de juiste wijze is herzien om een belangrijke wijziging weer te geven in de gevallen waarin de belangrijke wijziging van invloed is op de methodiek van gegevensverzameling en/of de rapportageprocessen;
-
- Voor bestaande schepen vindt de verificatie of het overeenkomstig voorschrift 26 van deze Bijlage vereiste SEEMP aan boord is, plaats bij het eerste tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2013;
-
- De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop voorschrift 27 van toepassing is, het SEEMP voldoet aan voorschrift 26.2 van deze Bijlage. Dit geschiedt alvorens met het verzamelen van gegevens ingevolge voorschrift 27 van deze Bijlage wordt begonnen teneinde te waarborgen dat de methodologie en processen gereed zijn om te worden gebruikt bij aanvang van het eerste rapportagetijdvak voor het schip. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard;
-
- De Administratie waarborgt dat voor elk schip waarop voorschrift 28 van toepassing is, het SEEMP voldoet aan voorschrift 26.3.1 van deze Bijlage. Dit dient te worden gedaan voor 1 januari 2023. Er wordt een verklaring afgegeven dat voldaan wordt aan de vereisten, die aan boord van het schip dient te worden bewaard;
-
- De verificatie dat de door het schip bereikte EEXI in overeenstemming is met de eisen van de voorschriften 23 en 25 van deze Bijlage vindt plaats bij het eerste jaarlijkse, tussentijdse of hernieuwde onderzoek zoals vermeld in paragraaf 1 van dit voorschrift of het eerste onderzoek zoals vermeld in paragrafen 4.1 en 4.3 van dit voorschrift, al naargelang hetgeen het eerst plaatsvindt, op of na 1 januari 2023; en
-
- Onverminderd paragraaf 4.7 van dit voorschrift, een algeheel of gedeeltelijk onderzoek, al naargelang de omstandigheden, na een belangrijke wijziging van een schip waarop voorschrift 23 van deze Bijlage van toepassing is. Bij het onderzoek dient gewaarborgd te worden dat de bereikte EEXI zo nodig wordt herberekend en voldoet aan het vereiste van 25 van deze Bijlage.
De uitrusting dient te worden onderhouden in overeenstemming met het bepaalde in deze Bijlage en er mogen geen wijzigingen worden aangebracht in de uitrusting, systemen, installaties, voorzieningen of materialen waarop het onderzoek betrekking heeft gehad, zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie. Onmiddellijke vervanging van deze uitrusting en installaties door uitrusting en installaties die voldoen aan het bepaalde in deze Bijlage is toegestaan.
Wanneer een schip bij een ongeval betrokken raakt, of er gebreken worden geconstateerd waardoor de doelmatigheid of volledigheid van de uitrusting waarop de bepalingen van deze Bijlage van toepassing zijn, wezenlijk worden beïnvloed, dient de kapitein of de eigenaar van het schip de Administratie, een aangewezen inspecteur of erkende organisatie die verantwoordelijk is voor de afgifte van het betrokken certificaat zo spoedig mogelijk in te lichten.
Voorschrift 6. Afgifte van of aantekening op certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit
Een Internationaal certificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging (IAPP) wordt afgegeven na een eerste of hernieuwd onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5 van deze Bijlage aan:
-
- elk schip met een brutotonnage van 400 ton en meer, dat reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere Partijen; en
-
- platforms en boorinstallaties die reizen maken naar wateren onder de soevereiniteit of de rechtsmacht van andere Partijen.
Aan een schip gebouwd voor de datum van inwerkingtreding van deze Bijlage voor de Administratie van het betreffende schip dient uiterlijk op de datum van de eerstvolgende geplande droogzetting in een dok na de inwerkingtreding ervan maar in geen geval later dan drie jaar na die datum, een IAPP-certificaat in overeenstemming met paragraaf 1 van dit voorschrift te worden afgegeven.
Dit certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde persoon of organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie voor het schip wordt na een onderzoek in overeenstemming met de bepalingen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage afgegeven aan elk schip met een brutotonnage van 400 en meer voordat dit schip reizen mag maken naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder de rechtsmacht van andere partijen.
Het certificaat wordt afgegeven of hierop wordt een aantekening gemaakt hetzij door de Administratie, hetzij door een daartoe door haar naar behoren gemachtigde organisatie. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor het certificaat op zich.
Na ontvangst van de ingevolge voorschrift 27.3 van deze Bijlage gerapporteerde gegevens en de bereikte jaarlijkse operationele KII ingevolge voorschrift 28.2 van deze Bijlage zal de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie:
-
- bepalen of de gegevens zijn gerapporteerd in overeenstemming met voorschrift 27 van deze Bijlage;
-
- verifiëren of de gerapporteerde bereikte jaarlijkse operationele KII is gebaseerd op de gegevens die zijn ingediend in overeenstemming met voorschrift 27 van deze Bijlage;
-
- op basis van de gerapporteerde bereikte jaarlijkse operationele KII, de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit van het schip bepalen in overeenstemming met voorschrift 28.6 van deze Bijlage; en
-
- een conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit ten behoeve van het schip afgeven uiterlijk vijf maanden na aanvang van het kalenderjaar, na bepaling en verificatie ingevolge de voorschriften 6.6.1 tot en met 6.6.3 van deze Bijlage. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
Na ontvangst van de ingevolge de voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6 van deze Bijlage gerapporteerde gegevens bepaalt de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie onverwijld of de gegevens in overeenstemming met voorschrift 27 gerapporteerd zijn, en geeft, indien dit het geval is, ten behoeve van het schip een conformverklaring af. In alle gevallen neemt de Administratie de volle verantwoordelijkheid voor de conformverklaring op zich.
Onverminderd paragraaf 6 van dit voorschrift wordt voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig voorschrift 28 van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, geen conformverklaring afgegeven, tenzij een plan van corrigerende maatregelen naar behoren is uitgewerkt en in het SEEMP is weergegeven en door de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie is geverifieerd overeenkomstig de voorschriften 28.7 en 28.8 van deze Bijlage.
Voorschrift 7. Afgifte van een certificaat door een andere partij
Een partij kan een schip op verzoek van de Administratie doen onderzoeken en, indien te haren genoegen vaststaat dat aan de bepalingen van deze Bijlage wordt voldaan, een IAPP certificaat of een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie aan het schip afgeven of hiervoor toestemming geven, en waar van toepassing een aantekening op dergelijke certificaten van het schip plaatsen of hiervoor toestemming geven, in overeenstemming met deze Bijlage.
Een afschrift van het certificaat en een afschrift van het onderzoeksrapport worden zo spoedig mogelijk toegezonden aan de Administratie die het verzoek heeft gedaan.
Een aldus afgegeven certificaat dient een verklaring te bevatten inhoudende dat het is afgegeven op verzoek van de Administratie; het heeft dezelfde waarde en wordt op dezelfde wijze erkend als het certificaat dat is afgegeven krachtens voorschrift 6 van deze Bijlage.
Er wordt geen IAPP-certificaat, Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie of UNSP Ontheffingscertificaat afgegeven aan een schip dat gerechtigd is de vlag te voeren van een Staat die geen partij is.
Voorschrift 8. Model van de certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit
Het IAPP-certificaat wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel I bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel VIII bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
De conformverklaring ingevolge de voorschriften 6.6 en 6.7 van deze Bijlage wordt opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel X bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van de partij van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Overeenkomstig voorschrift 3.4 van deze Bijlage wordt het Internationaal ontheffingscertificaat betreffende voorkoming van luchtverontreiniging voor onbemande duwbakken zonder eigen voortstuwing opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in Aanhangsel XI bij deze Bijlage en dient ten minste in de Engelse, de Franse of de Spaanse taal te zijn gesteld. Indien tevens de officiële taal van het land van afgifte wordt gebruikt, is deze doorslaggevend bij geschillen of tegenstrijdigheden.
Voorschrift 9. Looptijd en geldigheid van certificaten en conformverklaringen inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en de operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit
Een IAPP-certificaat wordt afgegeven voor een door de Administratie vastgesteld tijdvak van ten hoogste vijf jaar.
Niettegenstaande de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift:
-
- Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid binnen drie maanden voordat het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt;
-
- Wanneer het hernieuwde onderzoek wordt voltooid na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt; en
-
- Wanneer het hernieuwde onderzoek meer dan drie maanden voor de datum waarop het bestaande certificaat verstrijkt wordt voltooid, is het nieuwe certificaat geldig vanaf de datum van voltooiing van het hernieuwde tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak korter dan vijf jaar kan de Administratie de geldigheid van het certificaat tot na de datum van verstrijken verlengen tot het in paragraaf 1 van dit voorschrift aangegeven maximumtijdvak, mits de onderzoeken bedoeld in voorschrift 5.1.3 en 5.1.4 van deze Bijlage, die van toepassing zijn wanneer een certificaat wordt afgegeven voor een tijdvak van vijf jaar, naar behoren worden verricht.
Indien het hernieuwde onderzoek is voltooid en voor de datum van verstrijken van het bestaande certificaat geen nieuw certificaat kan worden afgegeven of aan boord van het schip kan worden genomen, kan de door de Administratie gemachtigde persoon of organisatie een aantekening op het bestaande certificaat plaatsen en een dergelijk certificaat dient te worden aanvaard als geldig voor een volgende periode die zich evenwel niet mag uitstrekken tot vijf maanden na de datum van verstrijken.
Indien een schip zich op het tijdstip waarop een certificaat zijn geldigheid verliest niet in een haven bevindt waar het dient te worden onderzocht, kan de Administratie de geldigheidsduur van het certificaat verlengen, maar deze verlenging wordt uitsluitend verleend om het schip in staat te stellen zijn reis naar de haven waar het dient te worden onderzocht te voltooien en dan uitsluitend in gevallen waarin het juist en redelijk voorkomt zulks te doen. Geen enkel certificaat wordt verlengd met meer dan drie maanden en geen enkel schip waarvan het certificaat wordt verlengd is, na aankomst in de haven waarin het dient te worden onderzocht gerechtigd op grond van die verlenging de haven te verlaten zonder nieuw certificaat. Zodra het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
Voor een certificaat afgegeven ten behoeve van een schip dat korte reizen maakt en dat is niet is verlengd op grond van de voorgaande bepalingen van dit voorschrift kan door de Administratie ten hoogste een maand uitstel worden verleend vanaf de erop vermelde datum van verstrijken. Wanneer het hernieuwde onderzoek is voltooid, is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van verstrijken van het bestaande certificaat voordat de verlenging werd verleend.
Onder bijzondere omstandigheden, vast te stellen door de Administratie. behoeft een nieuw certificaat niet te worden gedateerd vanaf de datum van verstrijken van het bestaande certificaat zoals bepaald in paragraaf 2.1, 5 of 6 van dit voorschrift. Onder deze bijzondere omstandigheden is het nieuwe certificaat geldig tot een datum uiterlijk vijf jaar na de datum van voltooiing van het hernieuwde onderzoek.
Indien een jaarlijks of tussentijds onderzoek is voltooid vóór het in voorschrift 5 van deze Bijlage aangegeven tijdvak:
-
- wordt de verjaardatum op het certificaat door middel van een aantekening gewijzigd in een datum uiterlijk drie maanden na de datum waarop het onderzoek werd voltooid;
-
- wordt het in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven volgende jaarlijkse of tussentijdse onderzoek voltooid met de in dat voorschrift voorgeschreven tussenpozen met inachtneming van de nieuwe verjaardatum; en
-
- kan de datum van verstrijken onveranderd blijven mits er een of meer jaarlijkse of tussentijdse onderzoeken, naar gelang van het geval, zijn verricht zodat de maximale tussenpozen tussen de in voorschrift 5 van deze Bijlage voorgeschreven onderzoeken niet worden overschreden.
Een ingevolge de voorschriften 6 of 7 van deze Bijlage afgegeven certificaat verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
-
- indien de desbetreffende onderzoeken niet zijn voltooid binnen de termijnen vermeld in voorschrift 5.1 van deze Bijlage;
-
- indien op het certificaat geen aantekening is geplaatst in overeenstemming met de voorschriften 5.1.3 of 5.1.4 van deze Bijlage; en
-
- bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Er mag uitsluitend een nieuw certificaat worden afgegeven wanneer de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft er ten volle van overtuigd is dat het schip voldoet aan de eisen van voorschrift 5.4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen Partijen zendt de Regering van de Partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien zij daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten.
Het Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie blijft gedurende de levensduur van het schip geldig, met inachtneming van de bepalingen van onderstaande paragraaf 11.
Een ingevolge deze Bijlage afgegeven Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie verliest zijn geldigheid in de volgende gevallen:
-
- indien een schip uit de vaart wordt genomen of indien een nieuw certificaat wordt afgegeven na een belangrijke wijziging van het schip; of
-
- bij overdracht van het schip onder de vlag van een andere Staat. Een nieuw certificaat wordt uitsluitend afgegeven wanneer ten genoegen van de Regering die het nieuwe certificaat afgeeft vaststaat dat het schip voldoet aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage. In het geval van een overdracht tussen partijen zendt de Regering van de partij wier vlag het schip voordien gerechtigd was te voeren, indien haar daarom wordt verzocht binnen drie maanden nadat de overdracht heeft plaatsgevonden, zo spoedig mogelijk aan de Administratie afschriften van de certificaten die het schip aan boord had vóór de overdracht en, indien beschikbaar, afschriften van de desbetreffende onderzoeksrapporten; of
-
- indien de uitrusting, systemen, toebehoren, inrichtingen of materialen van het schip waarop het onderzoek betrekking heeft, zijn gewijzigd zonder de uitdrukkelijke goedkeuring van de Administratie, zoals bepaald in voorschrift 5.5 van deze Bijlage, tenzij voorschrift 3 van deze Bijlage van toepassing is.
De conformverklaring verstrekt ingevolge voorschrift 6.6 van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven en gedurende de eerste vijf maanden van het daaropvolgende kalenderjaar. De conformverklaring verstrekt ingevolge voorschrift 6.7 van deze Bijlage is geldig gedurende het kalenderjaar waarin zij is afgegeven, gedurende het daaropvolgende kalenderjaar en de eerste vijf maanden van het kalenderjaar dat daar op volgt. Alle conformverklaringen dienen ten minste gedurende vijf jaar aan boord te worden bewaard.
Voorschrift 10. Havenstaatcontrole op operationele vereisten
Een schip dat zich bevindt in een haven of een laad- of losplaats buitengaats onder de rechtsmacht van een andere Partij wordt geïnspecteerd door ambtenaren die door bedoelde Partij naar behoren zijn gemachtigd om te controleren of is voldaan aan de in deze Bijlage, bedoelde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord, wanneer er duidelijke gronden zijn om aan te nemen dat de kapitein of de leden van de bemanning niet op de hoogte zijn van de essentiële werkwijzen die aan boord dienen te worden toegepast om luchtverontreiniging door schepen te voorkomen.
In de omstandigheden bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift, neemt de Partij maatregelen om te verzekeren dat het schip niet uitvaart voordat de situatie in overeenstemming is gebracht met de vereisten van deze Bijlage.
De procedures betreffende de controle door de havenstaat voorgeschreven in artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op dit voorschrift.
Niets in dit voorschrift mag zo worden uitgelegd dat daardoor de rechten en plichten van een Partij die de uitdrukkelijk in dit Verdrag genoemde vereisten met betrekking tot de bedrijfsvoering aan boord controleert, worden beperkt.
Met betrekking tot Hoofdstuk 4 van deze Bijlage is elke havenstaatinspectie beperkt tot het verifiëren, wanneer van toepassing, of er een geldig(e) conformverklaring inzake het rapporteren van het brandstofolieverbruik en operationele indicatorwaarde voor koolstofintensiteit, een Internationaal certificaat betreffende energie-efficiëntie en een Energie-efficiëntiemanagementplan aan boord zijn in overeenstemming met artikel 5 van dit Verdrag.
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 5 van dit voorschrift kan iedere havenstaatinspectie inspecteren of het Energie-efficiëntiemanagementplan naar behoren door het schip wordt uitgevoerd overeenkomstig voorschrift 28 van deze Bijlage.
Voorschrift 11. Opsporing van overtredingen en handhaving
De Partijen werken samen bij de opsporing van overtredingen en de handhaving van de bepalingen van deze Bijlage, daarbij gebruikmakend van alle passende en uitvoerbare maatregelen van opsporing en milieubewaking en van doeltreffende methoden voor het rapporteren en verzamelen van bewijsmateriaal.
Een schip waarop deze Bijlage van toepassing is, kan in elke haven of op elke laad- of losplaats buitengaats van een Partij worden onderworpen aan inspectie door ambtenaren die door die Partij zijn aangesteld of gemachtigd om na te gaan of het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien bij een inspectie blijkt dat deze Bijlage is overtreden, wordt de Administratie een rapport toegezonden ten behoeve van het nemen van passende maatregelen.
Iedere Partij verschaft de Administratie het bewijsmateriaal, indien voorhanden, dat het schip in strijd met de bepalingen van deze Bijlage een van de stoffen vallend onder deze Bijlage heeft uitgestoten. Indien praktisch mogelijk stelt de bevoegde autoriteit van deze Partij de kapitein van het schip in kennis van de vermeende overtreding.
Na ontvangst van dergelijk bewijsmateriaal stelt de Administratie een onderzoek in, waarbij de andere Partij kan worden verzocht aanvullend of beter bewijsmateriaal te leveren met betrekking tot de vermeende overtreding. Indien de Administratie ervan overtuigd is dat voldoende bewijsmateriaal voorhanden is om rechtsvervolging in te stellen ter zake van de vermeende overtreding, stelt zij ten spoedigste rechtsvervolging in overeenkomstig de eigen wetgeving. De Administratie stelt de Partij die de vermeende overtreding heeft gerapporteerd alsmede de Organisatie onverwijld in kennis van de genomen stappen.
Een Partij kan een schip waarop deze Bijlage van toepassing is tevens inspecteren wanneer dit de havens of laad- of losplaatsen buitengaats onder haar rechtsmacht binnenvaart, indien een verzoek tot het instellen van een onderzoek van een Partij is ontvangen, tezamen met voldoende bewijsmateriaal dat het schip een van de stoffen vallend onder deze Bijlage op een plaats heeft uitgestoten in strijd met deze Bijlage. Het rapport betreffende een dergelijk onderzoek wordt toegezonden aan de Partij die om het onderzoek heeft verzocht en aan de Administratie, zodat krachtens dit Verdrag passende maatregelen kunnen worden genomen.
De internationale wetgeving inzake de voorkoming, beperking en bestrijding van vervuiling van het mariene milieu door schepen, met inbegrip van de wetgeving inzake handhaving en voorzorgsmaatregelen die geldt op het tijdstip van toepassing of uitlegging van deze Bijlage, is van overeenkomstige toepassing op de regels en normen genoemd in deze Bijlage.
HOOFDSTUK 3. VEREISTEN VOOR BEHEERSING VAN EMISSIES DOOR SCHEPEN
Voorschrift 12. Ozonafbrekende stoffen
Dit voorschrift is niet van toepassing op permanent verzegelde uitrusting indien er geen aansluitingen zijn voor de toevoer van koelvloeistof of verwijderbare onderdelen die ozonafbrekende stoffen bevatten.
Onverminderd de bepalingen van voorschrift 3.1 is elke opzettelijke emissie van ozonafbrekende stoffen verboden. Tot opzettelijke emissies worden tevens gerekend emissies die plaatsvinden tijdens het onderhoud, de revisie, de reparatie of het verwijderen van systemen of uitrusting, met dien verstande dat tot opzettelijke emissies niet behoort het vrijkomen van minimale hoeveelheden waarmee de terugwinning of recycling van een ozonafbrekende stof gepaard gaat. Voor emissies die voortkomen uit lekkages van een ozonafbrekende stof, ongeacht of de lekkages opzettelijk geschieden, kunnen door de Partijen regels worden gesteld.
3.1. Installaties die ozonafbrekende stoffen anders dan hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
-
- op schepen gebouwd op of na 19 mei 2005; of
-
- in het geval van schepen gebouwd vóór 19 mei 2005 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 19 mei 2005.
3.2. Installaties die hydrochloorfluorkoolwaterstoffen bevatten zijn verboden:
-
- op schepen gebouwd op of na 1 januari 2020; of
-
- in het geval van schepen gebouwd vóór 1 januari 2020 met een contractueel overeengekomen datum voor de levering van uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020 of, bij het ontbreken van een contractueel overeengekomen leveringsdatum, de feitelijke levering van de uitrusting voor het schip op of na 1 januari 2020.
De stoffen bedoeld in dit voorschrift en uitrusting die deze stoffen bevat, dienen te worden ingeleverd bij de desbetreffende ontvangstvoorzieningen wanneer zij worden verwijderd van schepen.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is houdt een lijst bij van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat.
Elk schip waarop voorschrift 6.1 van toepassing is dat navulbare systemen met ozonafbrekende stoffen bevat houdt een journaal bij van ozonafbrekende stoffen. Dit journaal kan deel uitmaken van een bestaand logboek of van een door de Administratie goedgekeurd elektronisch journaal. Een elektronisch registratiesysteem, bedoeld in voorschrift 12.6, zoals aangenomen bij resolutie MEPC.176(58), wordt beschouwd als elektronisch journaal mits het elektronisch registratiesysteem door de Administratie wordt goedgekeurd bij of vóór het eerste hernieuwde onderzoek voor het IAPP-certificaat dat wordt uitgevoerd op of na 1 oktober 2020, maar niet later dan 1 oktober 2025, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Vermeldingen in het journaal van ozonafbrekende stoffen gaan vergezeld van het gewicht (in kg) van de stof en worden bij elke gelegenheid onverwijld geactualiseerd in het geval van:
-
- volledige of gedeeltelijke navulling van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
-
- reparatie of onderhoud van uitrusting die ozonafbrekende stoffen bevat;
-
- vrijkomen van ozonafbrekende stoffen in de atmosfeer:
- 3.1. opzettelijk; en
- 3.2. onopzettelijk;
-
- afgifte van ozonafbrekende stoffen bij ontvangstinrichtingen op het land; en
-
- levering van ozonafbrekende stoffen aan het schip.
Voorschrift 13. Stikstofoxiden (NOx)
1.1. Dit voorschrift is van toepassing op:
-
- iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die is geïnstalleerd op een schip; en
-
- iedere scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 130 kW die op of na 1 januari 2000 een belangrijke wijziging ondergaat, tenzij ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat deze motor identiek is aan de vervangen motor en voor het overige niet valt onder paragraaf 1.1.1 van dit voorschrift.
1.2. Dit voorschrift is niet van toepassing op:
-
- een scheepsdieselmotor die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen of uitsluitend voor de aandrijving van elke apparatuur of uitrusting die uitsluitend bedoeld is te worden gebruikt voor noodgevallen op het schip waarop zij is geïnstalleerd, of een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een reddingsboot die uitsluitend is bedoeld te worden gebruikt voor noodgevallen; en
-
- een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip dat uitsluitend reizen maakt in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren, mits deze motor valt onder een door de Administratie vastgestelde alternatieve maatregel voor de beheersing van NOx-emissies.
1.3. Onverminderd het bepaalde onder paragraaf 1.1 van dit voorschrift, kan de Administratie uitsluiting van de toepassing van dit voorschrift toestaan voor elke scheepsdieselmotor die geïnstalleerd is op een schip dat voor 19 mei 2005 gebouwd is of een belangrijke wijziging ondergaat, mits het schip waarop de motor geïnstalleerd wordt uitsluitend reizen maakt naar havens of laad- of losplaatsen buitengaats binnen de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
2.1. Voor de toepassing van dit voorschrift wordt onder belangrijke wijziging verstaan een wijziging van een scheepsdieselmotor op of na 1 januari 2000 die niet reeds gecertificeerd is volgens de normen vervat in de leden 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift, indien:
-
- de motor vervangen wordt door een scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor wordt geïnstalleerd, of
-
- een aanmerkelijke aanpassing, zoals omschreven in de NOx Technische Code 2008, plaatsvindt van de motor, of
-
- het maximumtoerental van de motor met meer dan 10% verhoogd wordt ten opzichte van het maximumtoerental op het oorspronkelijke certificaat van de motor.
2.2. Voor een belangrijke wijziging waarbij een scheepsdieselmotor vervangen wordt door een niet-identieke scheepsdieselmotor of een aanvullende scheepsdieselmotor geïnstalleerd wordt, zijn de normen in dit voorschrift van kracht die gelden op het tijdstip van de vervanging of toevoeging van de motor. Ten behoeve van dit voorschrift wordt een scheepsdieselmotor die wordt geïnstalleerd ter vervanging van een stoomsysteem geacht een vervangende motor te zijn. Indien het, uitsluitend in het geval van vervangende motoren, niet mogelijk is te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift (generatie III, naargelang van toepassing), dienen zij te voldoen aan de normen vervat in paragraaf 4 van dit voorschrift (generatie II), rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. De Administratie stelt de Organisatie in kennis in het geval dat op of na 1 augustus 2025 een motor van generatie II wordt geïnstalleerd in plaats van een motor van generatie III in overeenstemming met de bepalingen van deze paragraaf.
2.3. Een scheepsdieselmotor bedoeld in de paragrafen 2.1.2 of 2.1.3 dient te voldoen aan de volgende normen:
-
- voor schepen gebouwd vóór 1 januari 2000 gelden de normen vervat in de derde paragraaf van dit voorschrift; en
-
- voor schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 gelden de normen die van kracht waren ten tijde van de bouw van het schip.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2000 en vóór 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2), door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
-
- 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
-
- 45 • n(–0.2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
-
- 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor op een schip gebouwd op of na 1 januari 2011 verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut)
-
- 14,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
-
- 44 • n(-0.23) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
-
- 7,7 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
5.1. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is in een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III krachtens paragraaf 6 van dit voorschrift (NOx generatie III gebied voor emissiebeheersing), het gebruik van een scheepsdieselmotor die in een schip is geïnstalleerd:
-
- verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental (krukasomwentelingen per minuut): indien
-
- 3,4 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
-
- 9 • n(-0.2) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm;
-
- 2,0 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm;
-
- dat schip is gebouwd op of na:
-
- 1 januari 2016 en vaart in het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing of in het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing;
-
- 1 januari 2021 en vaart in het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing of in het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing;
-
- het schip vaart in een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, anders dan een gebied voor emissiebeheersing beschreven in paragraaf 5.1.2 van dit voorschrift, en dat is gebouwd op of na de datum waarop dit gebied voor emissiebeheersing is aangenomen, of op een latere datum vermeld in de wijziging waarin het gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III is aangewezen, naargelang van welke datum de laatste is.
5.2. De normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op:
-
- een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van minder dan 24 meter wanneer het specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden; of
-
- een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip met een volgens het identificatieplaatje van de scheepsdieselmotor totaal voortstuwingsvermogen van minder dan 750 kW indien ten genoegen van de Administratie wordt aangetoond dat het schip vanwege de beperkingen van zijn ontwerp of constructie niet kan voldoen aan de normen vervat in paragraaf 5.1.1 van dit voorschrift; of
-
- een scheepsdieselmotor geïnstalleerd op een schip gebouwd vóór 1 januari 2021 met een brutotonnage van minder dan 500, met een lengte (L), als omschreven in voorschrift 1.19 van Bijlage I bij dit Verdrag, van 24 meter of meer wanneer deze specifiek is ontworpen en uitsluitend wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.
5.3. De generatie en aan/uit-status van scheepsdieselmotoren die geïnstalleerd zijn aan boord van een schip waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is en die zijn gecertificeerd zowel conform generatie II als generatie III of uitsluitend conform generatie II, worden geregistreerd in een dergelijk door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal op het moment van binnenkomst in en vertrek uit een gebied voor emissiebeheersing dat is aangewezen voor NOx-controle voor generatie III, of wanneer de aan/uit-status verandert binnen een dergelijk gebied, tezamen met de datum, tijd en positie van het schip.
5.4. Emissies van stikstofoxiden door een scheepsdieselmotor waarop paragraaf 5.1 van dit voorschrift van toepassing is, die plaatsvinden onmiddellijk volgend op bouw- en zeeproeven met een nieuw gebouwd schip, of voorafgaand en volgend op het wijzigen, repareren en/of onderhouden van het schip, of het onderhouden of repareren van een motor van generatie II of een dual fuelmotor wanneer er vanwege veiligheidsvoorschriften geen gas als brandstof of lading aan boord mag zijn, waarbij activiteiten plaatsvinden op een scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit gelegen in een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, geldt een tijdelijke vrijstelling mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
-
- de motor voldoet aan de NOx-grens voor generatie II; en
-
- het schip vaart rechtstreeks naar of van de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit, laadt of lost geen lading tijdens de duur van de vrijstelling en houdt zich, indien van toepassing, aan alle aanvullende specifieke voorwaarden betreffende de route die worden aangegeven door de havenstaat waarin de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit is gelegen.
5.5. De vrijstelling die in paragraaf 5.4 van dit voorschrift is beschreven geldt uitsluitend voor het volgende tijdvak:
-
- voor een nieuw gebouwd schip, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip wordt opgeleverd door de scheepswerf, met inbegrip van de zeeproeven, en eindigt op het moment dat het schip rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of, met betrekking tot schepen uitgerust met een dual fuelmotor, dat het schip rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde voor het schip geschikte bunkerfaciliteit voor gasbrandstof in een gebied (of gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III vaart;
-
- voor een schip met een motor van generatie II dat gewijzigd, onderhouden of gerepareerd wordt, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III binnenvaart en rechtstreeks naar de scheepswerf of andere reparatiefaciliteit gaat, en eindigt op het moment dat het schip wordt vrijgegeven door de scheepswerf of andere reparatiefaciliteit en na het uitvoeren van zeeproeven, indien van toepassing, rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat; of
-
- voor een schip met een dual fuelmotor dat gewijzigd, onderhouden of gerepareerd wordt, wanneer er vanwege veiligheidsvoorschriften geen gas als brandstof of lading aan boord mag zijn, het tijdvak dat begint op het moment dat het schip het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III binnenvaart of wanneer het wordt ontgast in het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III en rechtstreeks naar de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit gaat, en eindigt op het moment waarop het schip wordt vrijgegeven door de scheepswerf of een andere reparatiefaciliteit en rechtstreeks het gebied (of de gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III verlaat of rechtstreeks naar de dichtstbijzijnde voor het schip geschikte bunkerfaciliteit voor gasbrandstof in een gebied (of gebieden) voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III vaart.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder een gebied voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III, elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De gebieden voor emissiebeheersing voor NOx-controle voor generatie III zijn:
-
- het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
-
- het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
-
- het in de Baltische Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I bij dit Verdrag; en
-
- het in de Noordzee gelegen gebied voor emissiebeheersing zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 vanBijlage V bij dit Verdrag.
7.1. Onverminderd paragraaf 1.1.1 van dit voorschrift dient een scheepsdieselmotor met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op een schip gebouwd op of na 1 januari 1990 en vóór 1 januari 2000 te voldoen aan de emissiegrenzen vervat in paragraaf 7.4 van dit voorschrift, mits een goedgekeurde methode voor die motor is gecertificeerd door een Administratie van een Partij en de certificerende Administratie een kennisgeving van die certificering heeft ingediend bij de Organisatie. Voldoening aan dit lid wordt aangetoond door:
-
- installatie van de gecertificeerde methode als bevestigd door een onderzoek met behulp van de verificatieprocedure omschreven in het dossier van de goedgekeurde methode, met inbegrip van correcte vermelding op het IAPP-certificaat van het schip dat de goedgekeurde methode aanwezig is; of
-
- certificering van de motor ter bevestiging dat deze functioneert binnen de grenzen vervat in de paragrafen 3, 4 of 5.1.1 van dit voorschrift en correcte vermelding van de certificering van de motor op het IAPP-certificaat van het schip.
7.2. Paragraaf 7.1 van dit voorschrift is tot uiterlijk het eerste hernieuwde onderzoek van toepassing dat ten minste 12 maanden na de indiening van de kennisgeving bedoeld in paragraaf 7.1 plaatsvindt. Indien de reder van een schip waarop een goedgekeurde methode geïnstalleerd dient te worden ten genoegen van de Administratie kan aantonen dat de goedgekeurde methode ondanks redelijke pogingen tot aankoop niet op de markt verkrijgbaar was, dient deze goedgekeurde methode uiterlijk bij het volgende jaarlijkse onderzoek van dat schip nadat de goedgekeurde methode op de markt beschikbaar is te worden geïnstalleerd.
7.3. Ten aanzien van scheepsdieselmotoren met een vermogen van meer dan 5.000 kW en een cilinderinhoud van 90 liter of meer geïnstalleerd op schepen gebouwd op of na 1 januari 1990 maar vóór 1 januari 2000 dient op het IAPP certificaat voor scheepsdieselmotoren waarop paragraaf 7.1 van dit voorschrift van toepassing is, een van de volgende omstandigheden te worden aangegeven:
-
- er is een goedgekeurde methode toegepast ingevolge paragraaf 7.1.1 van dit voorschrift;
-
- de motor is gecertificeerd ingevolge paragraaf 7.1.2 van dit voorschrift;
-
- een goedgekeurde methode is nog niet op de markt verkrijgbaar zoals omschreven in paragraaf 7.2 van dit voorschrift; of
-
- er is nog geen goedgekeurde methode van toepassing.
7.4. Onverminderd voorschrift 3 van deze Bijlage is het gebruik van een scheepsdieselmotor als omschreven in paragraaf 7.1 van dit voorschrift verboden, tenzij de emissie van stikstofoxiden (berekend als de totale gewogen emissie van NO2) door de motor binnen de volgende grenzen blijft, waarbij n = nominaal toerental van de motor (krukasomwentelingen per minuut):
-
- 17,0 g/kWh wanneer n lager is dan 130 opm;
-
- 45•n(-0.2)) g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 130 maar lager dan 2000 opm; en
-
- 9,8 g/kWh wanneer n gelijk is aan of hoger dan 2000 opm.
7.5. De certificering van een goedgekeurde methode dient in overeenstemming te zijn met hoofdstuk 7 van de herziene NOx Technische Code 2008 en gepaard te gaan met verificatie:
-
- door de ontwerper van de oorspronkelijke scheepsdieselmotor waarop de goedgekeurde methode van toepassing is dat de goedgekeurde methode er volgens berekeningen niet toe zal leiden dat het toerental van de motor met meer dan 1% afneemt, het brandstofgebruik met meer dan 2% toeneemt als gemeten bij de desbetreffende testcyclus vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 of dat de duurzaamheid of betrouwbaarheid van de motor nadelig wordt beïnvloed; en
-
- dat de kosten van de goedgekeurde methode niet buitensporig zijn, hetgeen wordt bepaald door een vergelijking met de hoeveelheid NOx-emissie die verminderd wordt door de goedgekeurde methode om te voldoen aan de norm vervat in paragraaf 7.4 van dit voorschrift en de kosten van de aanschaf en het installeren van deze goedgekeurde methode.
De herziene NOx Technische Code 2008 wordt ten behoeve van de normen vervat in dit voorschrift toegepast bij de certificerings-, test- en meetprocedures.
De procedures voor het vaststellen van de NOx-emissie vervat in de herziene NOx Technische Code 2008 dienen representatief te zijn voor het normale functioneren van de motor. Manipulatievoorzieningen en abnormale emissiebeperkende strategieën ondermijnen dat doel en zijn niet toegestaan. Dit voorschrift belet niet het gebruik van beheersingshulpvoorzieningen die worden gebruikt om de motor en/of de hulpapparatuur ervan te beschermen tegen bedrijfsomstandigheden die tot beschadiging of uitval kunnen leiden of om het starten van de motor te vergemakkelijken.
Voorschrift 14. Zwaveloxides (SOx) en fijnstof
Het zwavelgehalte van brandstofolie die wordt gebruikt aan boord van schepen of daarvoor bestemd is mag niet hoger zijn dan 0,5% m/m.
Het mondiale gemiddelde zwavelgehalte van brandstofolieresiduen geleverd voor gebruik aan boord van schepen dient te worden bewaakt, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voor de toepassing van dit voorschrift wordt verstaan onder gebied voor emissiebeheersing, elk door de Organisatie volgens de criteria en procedures vervat in Aanhangsel III bij deze Bijlage aangewezen zeegebied, met inbegrip van havengebieden. De onder dit voorschrift vallende gebieden voor emissiebeheersing zijn:
-
- het Baltische Zeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.11.2 van Bijlage I bij dit Verdrag;
-
- het Noordzeegebied zoals omschreven in voorschrift 1.14.6 van Bijlage V bij dit Verdrag;.
-
- het Noord-Amerikaanse gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage;
-
- het in de Caribische Zee van de Verenigde Staten gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage; en
-
- het in de Middellandse Zee gelegen gebied voor emissiebeheersing, waaronder wordt verstaan het gebied aangegeven met de coördinaten vervat in Aanhangsel VII bij deze Bijlage.
Wanneer een schip vaart binnen een gebied voor emissiebeheersing, mag het zwavelgehalte van de brandstofolie gebruikt aan boord van dat schip niet hoger zijn dan 0,1% m/m.
Het zwavelgehalte van brandstofolie bedoeld in de eerste en vierde paragraaf van dit voorschrift wordt aangetoond door de leverancier ervan zoals vereist in voorschrift 18 van deze Bijlage.
Schepen waarop afzonderlijke brandstofolie wordt gebruikt teneinde te voldoen aan de vierde paragraaf van dit voorschrift die een gebied voor emissiebeheersing zoals voorzien in de derde paragraaf van dit voorschrift binnenvaren of verlaten, hebben een schriftelijke procedure aan boord waaruit blijkt hoe de overschakeling tussen de soorten olie dient te verlopen, waarbij voldoende tijd is gereserveerd om de olie met een hoger zwavelgehalte dan toegestaan volgens de vierde paragraaf van dit voorschrift volledig uit het brandstofolieservicesysteem te laten verdwijnen voordat het gebied voor emissiebeheersing wordt binnengevaren. De hoeveelheid brandstofolie met een laag zwavelgehalte in elke tank alsmede de datum en de positie van het schip op het tijdstip waarop de overschakeling naar de andere brandstofolie is voltooid alvorens een gebied voor emissiebeheersing binnen te varen of wordt begonnen na het verlaten van een dergelijk gebied worden vastgelegd in een door de Administratie voorgeschreven logboek of elektronisch journaal.
Gedurende de eerste twaalf maanden onmiddellijk na de inwerkingtreding van een wijziging waarbij een specifiek gebied voor emissiebeheersing ingevolge paragraaf 3 van dit voorschrift wordt aangewezen, zijn schepen die in dat gebied voor emissiebeheersing varen vrijgesteld van de vereisten van de paragrafen 4 en 6 van dit voorschrift alsmede van de vereisten van paragraaf 5 van dit voorschrift voor zover zij betrekking hebben op paragraaf 4 van dit voorschrift.
Indien de bevoegde autoriteit van een Partij vereist dat het in-gebruik-monster of het aan-boord-monster wordt geanalyseerd, geschiedt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure zoals vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om vast te stellen of de brandstofolie die gebruikt wordt aan boord of daarvoor bestemd is, voldoet aan de vereisten van de eerste of vierde paragraaf van dit voorschrift. Het aan-boord-monster wordt genomen rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Het aan-boord-monster wordt genomen rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Het monster dient te worden verzegeld door de vertegenwoordiger van de bevoegde autoriteit met een uniek identificatiemiddel dat wordt aangebracht in aanwezigheid van de vertegenwoordiger van het schip. De mogelijkheid wordt geboden een duplicaatmonster op het schip te bewaren.
Voor elk schip waarop de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, wordt een bemonsteringspunt of worden bemonsteringspunten aangebracht of aangewezen ten behoeve van het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen.
Voor een schip gebouwd voor 1 april 2022 dient het in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunt of dienen de in paragraaf 10 bedoelde bemonsteringspunten te worden aangebracht of aangewezen niet later dan het eerste hernieuwde onderzoek zoals voorzien in voorschrift 5.1.2 van deze Bijlage op of na 1 april 2023.
De vereisten van de bovenstaande paragrafen 10 en 11 zijn niet van toepassing op een brandstofolieservicesysteem gebruikt voor een brandstof met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof.
De bevoegde autoriteit van een Partij gebruikt, naargelang van toepassing, het bemonsteringspunt of de bemonsteringspunten dat is of die zijn aangewezen voor het nemen van representatieve monsters van de brandstofolie die aan boord wordt gebruikt teneinde te verifiëren of de brandstofolie voldoet aan dit voorschrift. Het nemen van brandstofoliemonsters door de bevoegde autoriteit van de Partij dient zo snel mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud van het schip te veroorzaken.
Voorschrift 15. Vluchtige organische stoffen
Indien de emissies van vluchtige organische stoffen (VOS) door tankschepen binnen een haven of havens of laad- of losplaatsen onder de rechtsmacht van een Partij dient te worden gereguleerd, geschiedt dat in overeenstemming met de bepalingen van dit voorschrift.
Een Partij die de emissies van VOS door tankschepen reguleert dient een kennisgeving in bij de Organisatie. Deze kennisgeving bevat informatie inzake de afmetingen van de te reguleren tankschepen, inzake vrachten waarvoor dampemissiebeheersingssystemen vereist zijn, en de datum waarop dit vereiste in werking treedt. De kennisgeving wordt ten minste zes maanden voor de datum van inwerkingtreding ingediend.
Een partij die havens of laad- en losplaatsen aanwijst waarin VOS-emissies van tankschepen dienen te worden gereguleerd waarborgt dat door die Partij goedgekeurde dampemissiebeheersingssystemen, overeenkomstig de door de Organisatie opgestelde veiligheidsnormen, beschikbaar worden gesteld in de aangewezen haven en laad- en losplaats, en veilig worden gebruikt en op een wijze waardoor onnodig oponthoud van schepen wordt voorkomen.
De Organisatie doet ter kennisgeving een lijst van door Partijen aangewezen havens en laad- en losplaatsen toekomen aan andere Partijen en lidstaten van de Organisatie.
Een tankschip waarop de eerste paragraaf van dit voorschrift van toepassing is wordt aangesloten op een door de Administratie overeenkomstig de door de Organisatie, opgestelde veiligheidsnormen voor dergelijke systemen goedgekeurd dampemissiebeheersingsysteem en gebruikt dit systeem tijdens het laden van daarvoor in aanmerking komende ladingen. Een haven of laad- of losplaatsen waar dampemissiebeheersingssystemen zijn geïnstalleerd in overeenstemming met dit voorschrift kunnen gedurende een tijdvak van drie jaar na de in de tweede paragraaf van dit voorschrift genoemde datum van inwerkingtreding bestaande tankschepen toelaten die niet zijn voorzien van dampopvangsystemen.
Aan boord van tankschepen die ruwe olie vervoeren dient een door de Administratie goedgekeurd VOS-managementplan aanwezig te zijn en geïmplementeerd te worden. Deze plannen worden opgesteld aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het plan dient toegesneden te zijn op het schip en ten minste:
-
- schriftelijke procedures te bevatten voor het minimaliseren van VOS-emissies tijdens het laden en lossen van de vracht en tijdens de zeereis;
-
- betrekking te hebben op de extra VOS die ontstaan bij wassen met ruwe olie;
-
- te vermelden wie verantwoordelijk is voor de implementatie van het plan; en
-
- voor schepen op internationale reizen opgesteld te zijn in de werktaal van de kapitein en officieren en indien deze niet het Engels, het Frans of het Spaans is een vertaling te omvatten in een van deze talen.
Dit voorschrift is alleen mede van toepassing op gasschepen wanneer het type laad-, los- en opslagsystemen voor de veilige opslag aan boord of het veilig terugbrengen aan land van VOS (met uitzondering van methaan) mogelijk maakt.
Voorschrift 16. Verbranding aan boord
Behalve zoals bepaald in de vierde paragraaf van dit voorschrift is verbranding aan boord alleen toegestaan in een verbrandingsinstallatie aan boord.
Verbranding aan boord van de volgende stoffen is verboden:
-
- residuen van vrachten waarop Bijlage I, II, of III van toepassing is of bijbehorend vervuild verpakkingsmateriaal;
-
- polychloorbifenylen (PCB’s);
-
- afval zoals omschreven in Bijlage V dat meer dan sporen bevat van zware metalen;
-
- geraffineerde aardolieproducten die halogeenverbindingen bevatten;
-
- zuiveringsslib en oliehoudend slik die niet aan boord van het schip zijn ontstaan; en
-
- residuen van uitlaatgasreinigingssystemen.
Verbranding aan boord van polyvinylchloriden (PVC’s) is verboden behalve in verbrandingsinstallaties aan boord waarvoor typegoedkeuringscertificaten van de IMO zijn afgegeven.
Verbranding aan boord van zuiveringsslib en oliehoudend slik ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip kan ook plaatsvinden in de hoofd- of hulpmotoren of ketels, maar is in die gevallen niet toegestaan binnen havens, havenbekkens of estuaria.
Niets in dit voorschrift:
-
- doet afbreuk aan het verbod in of andere vereisten van het Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen, 1972, zoals gewijzigd, en het Protocol van 1996 daarbij, of
-
- vormt een beletsel voor het ontwikkelen, installeren en gebruiken van alternatieve thermische afvalbehandelingsvoorzieningen aan boord die voldoen aan de vereisten van dit voorschrift of aan strengere vereisten.
6.1. Behalve zoals voorzien in paragraaf 6.2 van dit voorschrift dienen alle verbrandingsinstallaties aan boord van schepen gebouwd op of na 1 januari 2000 en alle verbrandingsinstallaties op of na 1 januari 2000 geïnstalleerd aan boord van schepen te voldoen aan de vereisten vervat in aanhangsel IV bij deze Bijlage. Iedere verbrandingsinstallatie waarop deze paragraaf van toepassing is dient te worden goedgekeurd door de Administratie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde standaardspecificaties voor verbrandingsinstallaties aan boord;
6.2. De Administratie kan uitsluiting van de toepassing van paragraaf 6.1 van dit voorschrift toestaan op elke verbrander die vóór 19 mei 2005 is geïnstalleerd aan boord van een schip, mits het schip uitsluitend reizen maakt binnen de wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren.
Verbrandingsinstallaties die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 6.1 van dit voorschrift dienen te worden geleverd met een bedieningshandleiding van de producent die bij de eenheid bewaard dient te worden. Daarin dient vermeld te zijn hoe de verbrandingsinstallatie binnen de grenzen omschreven in het tweede lid van aanhangsel IV bij deze Bijlage bediend dient te worden.
Het personeel verantwoordelijk voor de bediening van een in overeenstemming met de vereisten van paragraaf 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallatie dient te worden getraind in de uitvoering van de instructies uit de bedieningshandleiding van de producent zoals vereist volgens de zevende paragraaf van dit voorschrift.
Voor in overeenstemming met paragraaf 6.1 van dit voorschrift geïnstalleerde verbrandingsinstallaties dient de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer voortdurend te worden gemeten wanneer de eenheid in bedrijf is. Indien de verbrandingsinstallatie voorzien is van doorlopende toevoer, mag er geen afval aan de installatie worden toegevoerd wanneer de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer lager is dan 850°C. Bij verbrandingsinstallaties met toevoer in partijen, dient de eenheid zodanig te zijn ontworpen dat de uitlaattemperatuur van de verbrandingskamer binnen vijf minuten na inschakeling 600°C heeft bereikt om vervolgens te stijgen tot en stabiel te blijven op ten minste 850°C.
Voorschrift 17. Ontvangstinrichtingen
Elke Partij verbindt zich ertoe zorg te dragen voor het beschikbaar zijn van toereikende inrichtingen die voorzien in de:
-
- behoefte van schepen die gebruikmaken van haar reparatiehavens aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die deze stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd;
-
- behoefte van schepen die gebruikmaken van haar havens, laad- en losplaatsen of reparatiehavens aan de ontvangst van residuen van uitlaatgasreinigingssystemen uit een uitlaatgasreinigingssysteem, zonder onnodige vertraging te veroorzaken voor schepen; en
-
- behoefte van scheepssloopinrichtingen aan de ontvangst van ozonafbrekende stoffen en uitrusting die dergelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd.
De volgende staten kunnen met behulp van regionale regelingen voldoen aan de vereisten van de eerste paragraaf van dit voorschrift, indien dergelijke regelingen de enige praktische manier zijn om aan deze vereisten te voldoen vanwege de unieke omstandigheden van die staten:
-
- kleine eilandstaten in ontwikkeling; en
-
- staten waarvan de kustlijn grenst aan Arctische wateren mits de regionale regelingen alleen betrekking hebben op de havens van die staten in de Arctische wateren.
Partijen die deelnemen aan een regionale regeling moeten een regionaal plan voor ontvangstinrichtingen opstellen waarbij rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De Regering van elke Partij die deelneemt aan de regeling overlegt met de Organisatie, ten behoeve van het rondsturen aan de Partijen bij dit Verdrag, over:
-
- de wijze waarop in het regionale plan voor ontvangstinrichtingen rekening wordt gehouden met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen;
-
- bijzonderheden van de aangewezen regionale ontvangstcentra voor afval van schepen rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
-
- bijzonderheden van havens met beperkte voorzieningen.
Indien een specifieke haven of laad- of losplaats van een Partij – rekening houdend met de door de Organisatie op te stellen richtlijnen – ver afgelegen is van de industriële infrastructuur noodzakelijk voor het beheer en behandelen van de stoffen bedoeld in de eerste paragraaf van dit voorschrift of deze ontbeert en dergelijke stoffen daarom niet in ontvangst kan nemen, stelt de Partij de Organisatie daarvan in kennis zodat deze informatie ter kennisgeving aan alle Partijen en lidstaten van de Organisatie kan worden toegezonden ten behoeve van passende maatregelen. Elke Partij die de Organisatie dergelijke informatie heeft doen toekomen stelt de Organisatie tevens in kennis van haar havens en laad- en losplaatsen waar wel ontvangstvoorzieningen aanwezig zijn voor het beheer en behandelen van dergelijke stoffen.
Elke Partij stelt de Organisatie ter mededeling aan de leden van de Organisatie in kennis van alle gevallen waarin de desbetreffende voorzieningen niet beschikbaar zijn of als ontoereikend worden aangemerkt.
Voorschrift 18. Beschikbaarheid en kwaliteit van brandstofolie
Elke Partij neemt alle redelijke stappen om de beschikbaarheid van brandstofolie die voldoet aan deze Bijlage te bevorderen en informeert de Organisatie over de beschikbaarheid van geschikte brandstofolie in haar havens en laad- en losplaatsen.
2.1. Indien een Partij constateert dat een schip niet voldoet aan de normen voor geschikte brandstofolie vervat in deze Bijlage, is de bevoegde autoriteit van deze Partij bevoegd ter zake van het schip te verlangen dat:
-
- een verslag wordt overgelegd van de maatregelen genomen teneinde te pogen aan de vereisten te voldoen; en
-
- bewijzen worden verschaft van pogingen tot aankoop van voor het reisschema geschikte brandstofolie en, indien deze niet op de geplande plaatsen beschikbaar was, dat gepoogd is alternatieve aanbieders van die brandstofolie te vinden, en dat men er ondanks alle redelijke inspanningen niet in geslaagd is geschikte brandstofolie in te kopen.
2.2. Van het schip mag niet verlangd worden dat hij afwijkt van de beoogde route of onredelijk veel vertraging oploopt om aan de vereisten te voldoen.
2.3. Indien ter zake van een schip de informatie bedoeld in paragraaf 2.1 van dit voorschrift wordt verschaft, neemt een Partij alle relevante omstandigheden en het overgelegde bewijs in aanmerking teneinde te bepalen of en welke passende beheersmaatregelen worden genomen.
2.4. Een schip stelt zijn Administratie en de bevoegde autoriteit van de desbetreffende haven van bestemming in kennis wanneer het geen geschikte brandstofolie kan aankopen.
2.5. Een Partij stelt de Organisatie ervan in kennis wanneer een schip bewijs heeft overgelegd dat geschikte brandstofolie niet beschikbaar was.
Brandstofolie geleverd aan en gebruikt aan boord van schepen waarop deze Bijlage van toepassing is, dient te voldoen aan de volgende vereisten:
-
- behalve zoals voorzien in paragraaf 3.2 van dit voorschrift:
- 1.1. dient de brandstofolie een mengsel te zijn van koolwaterstoffen afkomstig uit de raffinage van aardolie. Dit vormt geen beletsel voor de toevoeging van kleine hoeveelheden additieven ter verbetering van bepaalde aspecten van de prestaties;
- 1.2. dient de brandstofolie geen anorganische zuren te bevatten; en
- 1.3. dient de brandstofolie geen enkele toegevoegde stof of chemisch afval te bevatten die of dat:
-
- de veiligheid van schepen in gevaar brengt of de prestaties van de machines nadelig beïnvloedt; of
-
- schadelijk is voor personeel, of
-
- in het algemeen bijdraagt aan extra luchtverontreiniging.
-
- brandstofolie verkregen door methoden anders dan de raffinage van aardolie mag:
- 2.1. het van toepassing zijnde zwavelgehalte vermeld in voorschrift 14 van deze Bijlage niet overschrijden;
- 2.2. er niet toe leiden dat de motor de van toepassing zijnde NOx-emissiegrenswaarde vervat in de paragrafen 3, 4, 5.1.1 en 7.4 van voorschrift 13 overschrijdt;
- 2.3. geen anorganische zuren bevatten; of
- 2.4.1. de veiligheid van schepen niet in gevaar brengen of de prestaties van de machines niet nadelig beïnvloeden, of
- 2.4.2. niet schadelijk zijn voor personeel, of
- 2.4.3. niet in het algemeen bijdragen aan extra luchtverontreiniging.
Dit voorschrift is niet van toepassing op steenkool in vaste vorm of op nucleaire brandstoffen. De paragrafen 5.1, 8.1 en 8.2 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op brandstoffen met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof.
5.1. Voor elk schip dat is onderworpen aan de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage dienen gegevens over geleverde en aan boord van dat schip gebruikte brandstofolie te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de informatie vermeld in Aanhangsel V bij deze Bijlage bevat.
5.2. Voor elk schip waarop de voorschriften 5 en 6 van deze Bijlage van toepassing zijn, dienen gegevens over brandstof met een laag vlampunt of gasvormige brandstof die aan dat schip wordt geleverd en aan boord ervan wordt gebruikt, te worden geregistreerd door middel van een bunkerafleveringsbon die ten minste de in de punten 1 tot en met 6 van Aanhangsel V van deze Bijlage gespecificeerde informatie bevat, de dichtheid zoals bepaald volgens een voor het brandstoftype geschikte testmethode, samen met de bijbehorende temperatuur, en een door de vertegenwoordiger van de brandstofleverancier ondertekende en gecertificeerde verklaring dat de brandstofolie in overeenstemming is met paragraaf 3 van dit voorschrift. Daarnaast dient het zwavelgehalte van een brandstof met een laag vlampunt of een gasvormige brandstof die aan een schip wordt geleverd en specifiek bedoeld is voor gebruik aan boord van dat schip te worden gedocumenteerd op de bunkerafleveringsbon door de leverancier met vermelding van ofwel de feitelijke waarde zoals bepaald volgens een voor het brandstoftype geschikte testmethode of, met instemming van de juiste autoriteit in de haven van levering, een verklaring dat het zwavelgehalte, wanneer met een dergelijke methode getest, lager is dan 0,001% m/m.
De bunkerafleveringsbon dient aan boord te worden gehouden op een plaats die op elk redelijk tijdstip gemakkelijk toegankelijk is voor inspectie. De bon dient te worden bewaard gedurende een tijdvak van drie jaar nadat de brandstofolie aan boord is afgeleverd.
7.1. De bevoegde autoriteit van een Partij kan de bunkerafleveringsbonnen aan boord van elk schip waarop deze Bijlage van toepassing is inspecteren, terwijl het schip in haar haven of laad- of losplaats buitengaats ligt, een afschrift van elke bunkerafleveringsbon maken en verlangen dat de kapitein of de persoon die verantwoordelijk is voor het schip elk afschrift van een dergelijke bunkerafleveringsbon voor eensluidend waarmerkt. De bevoegde autoriteit kan ook de inhoud van iedere bon verifiëren door overleg met de haven waar de bon werd afgegeven.
7.2. De controle van de bunkerafleveringsbonnen en het maken van gewaarmerkte afschriften door de bevoegde autoriteit in overeenstemming met paragraaf 7.1 van dit voorschrift dienen zo spoedig mogelijk te geschieden zonder onnodig oponthoud voor het schip te veroorzaken.
8.1. De bunkerafleveringsbon gaat vergezeld van een representatief monster van de geleverde brandstofolie rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen. Het monster dient te worden verzegeld en te worden getekend door de vertegenwoordiger van de leverancier en de kapitein of de officier die verantwoordelijk is voor het bunkeren bij de voltooiing van het bunkeren en aan boord van het schip te worden gehouden, totdat de brandstofolie grotendeels is verbruikt, maar in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden vanaf het tijdstip van levering.
8.2. Indien een Administratie verlangt dat het representatieve monster wordt geanalyseerd, gebeurt dit in overeenstemming met de verificatieprocedure vervat in Aanhangsel VI bij deze Bijlage om te bepalen of de brandstofolie voldoet aan de vereisten van deze Bijlage.
Partijen verbinden zich ertoe te waarborgen dat de door hen aangewezen bevoegde autoriteiten:
-
- een register bijhouden van plaatselijke leveranciers van brandstofolie;
-
- van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een bunkerafleveringsbon en, indien van toepassing het monster geleverd uit hoofde van MARPOL zoals vereist krachtens dit voorschrift verschaffen, gewaarmerkt door de leverancier van de brandstofolie dat de brandstofolie voldoet aan de vereisten van de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage;
-
- van de plaatselijke leveranciers verlangen dat zij een afschrift van de bunkerafleveringsbon gedurende ten minste drie jaar bewaren voor inspectie en verificatie door de havenstaat indien nodig;
-
- passende maatregelen treffen tegen brandstofolieleveranciers van wie is aangetoond dat zij brandstofolie leveren die niet overeenkomt met hetgeen vermeld is op de bunkerafleveringsbon;
-
- de Administratie informeren over elk schip dat brandstofolie ontvangt die niet blijkt te voldoen aan de vereisten van de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage; en
-
- de Organisatie ter mededeling aan de Partijen en lidstaten van de Organisatie informeren over alle gevallen waarin brandstofolieleveranciers niet hebben voldaan aan de vereisten vermeld in de voorschriften 14 of 18 van deze Bijlage.
Voorts verbinden de Partijen zich in verband met door Partijen verrichte inspecties van havenstaten ertoe:
-
- de Partij of een staat die geen Partij is onder wiens rechtsmacht de bunkerafleveringsbon is afgegeven, te informeren over gevallen waarin brandstofolie is geleverd die niet voldoet, en daarbij alle relevante informatie te verstrekken; en
-
- te verzekeren dat passende herstelmaatregelen worden getroffen om brandstofolie waarvan ontdekt is dat deze niet aan de vereisten voldoet alsnog daaraan te laten voldoen.
Voor elk schip met een brutotonnage van 400 en meer met geplande reizen waarbij frequent en regelmatig havens worden binnengelopen kan een Administratie op verzoek van en in overleg met de betrokken Staten besluiten dat op een alternatieve wijze aan de zesde paragraaf van dit voorschrift kan worden voldaan, indien deze leidt tot dezelfde zekerheid omtrent het voldoen aan de voorschriften 14 en 18 van deze Bijlage.
HOOFDSTUK 4. VOORSCHRIFTEN INZAKE KOOLSTOFINTENSITEIT VAN INTERNATIONALE SCHEEPVAART
Voorschrift 19. Toepassing
Dit Hoofdstuk is van toepassing op alle schepen met een brutotonnage van 400 en meer.
De bepalingen van dit Hoofdstuk zijn niet van toepassing op:
-
- schepen die uitsluitend reizen maken in wateren die vallen onder de soevereiniteit of rechtsmacht van de Staat wiens vlag het schip gerechtigd is te voeren. Elke Partij dient evenwel door het aannemen van passende maatregelen te waarborgen dat dergelijke schepen worden gebouwd en geëxploiteerd op een wijze die verenigbaar is met de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage, voor zover dat redelijk en praktisch uitvoerbaar is.
-
- schepen die niet met mechanische middelen worden voortgestuwd en platforms, met inbegrip van drijvende productie- en overslageenheden (FPSO's), drijvende opslageenheden (FSU's) en boorplatforms, ongeacht de wijze van voortstuwing ervan.
De voorschriften 22, 23, 24 en 25 van deze Bijlage zijn niet van toepassing op schepen met niet-conventionele voortstuwing, met dien verstande dat de voorschriften 22 en 24 wel van toepassing zijn op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing, opgeleverd op of na 1 september 2019, zoals omschreven in voorschrift 2.2.1, en voorschriften 23 en 25 zijn van toepassing op cruiseschepen met niet-conventionele voortstuwing en LNG-tankers met conventionele of niet-conventionele voortstuwing. De voorschriften 22, 23, 24, 25 en 28 zijn niet van toepassing op schepen van categorie A zoals omschreven in de Polar Code.
Niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 1 van dit voorschrift, kan de Administratie ontheffing verlenen van de vereisten van voorschrift 22 en voorschrift 24 van deze Bijlage voor schepen met een brutotonnage van 400 en meer.
De bepalingen van paragraaf 4 van dit voorschrift zijn niet van toepassing op schepen met een brutotonnage van 400 en meer:
-
- waarvoor het bouwcontract wordt afgesloten op of na 1 januari 2017; of
-
- waarvan, bij ontbreken van een bouwcontract, de kiel is gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevindt op of na 1 juli 2017; of
-
- waarvan de oplevering plaatsvindt op of na 1 juli 2019; of
-
- in geval van een belangrijke wijziging van een nieuw of bestaand schip, zoals omschreven in voorschrift 2.2.17 van deze Bijlage, op of na 1 januari 2017, en waarbij voorschrift 5.4.2 en voorschrift 5.4.3 van deze Bijlage van toepassing zijn.
De Administratie van een Partij bij dit Verdrag die toepassing van paragraaf 4 toestaat, of de toepassing van deze paragraaf opschort, intrekt of afwijst, met betrekking tot een schip dat gerechtigd is haar vlag te voeren, doet de Organisatie onverwijld de bijzonderheden daarvan toekomen voor toezending aan de Partijen bij dit Protocol ter informatie.
Voorschrift 20. Doel
Het doel van dit Hoofdstuk is het verminderen van de koolstofintensiteit van internationale scheepvaart, waarbij wordt toegewerkt naar de ambitieniveaus van de Initial IMO Strategy on reduction of GHG emissions from ships.
Voorschrift 21. Functionele vereisten
Om de doelstelling van voorschrift 20 van deze Bijlage te bereiken, moet een schip waarop dit Hoofdstuk van toepassing is, voor zover van toepassing, voldoen aan de volgende functionele vereisten om zijn koolstofintensiteit te verminderen:
-
- de technische koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de voorschriften 22, 23, 24 en 25 van deze Bijlage; en
-
- de operationele koolstofintensiteitsvereisten in overeenstemming met de voorschriften 26, 27 en 28 van deze Bijlage.
Voorschrift 22. Bereikte ontwerpindex voor energie-efficiëntie (Bereikte EEDI)
De bereikte EEDI wordt berekend voor:
-
- elk nieuw schip;
-
- elk nieuw schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan; en
-
- elk nieuw of bestaand schip dat een belangrijke wijziging heeft ondergaan die zo omvangrijk is dat het schip door de Administratie wordt beschouwd als een nieuw gebouwd schip
dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.20, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt. De bereikte EEDI dient voor elk afzonderlijk schip te worden berekend en dient te vermelden wat de geschatte prestatie van het schip is in termen van energie-efficiëntie, en dient vergezeld te gaan van het technisch dossier van de EEDI waarin de informatie staat die nodig is voor het berekenen van de bereikte EEDI alsmede de uitgevoerde berekening zelf. De bereikte EEDI dient te worden geverifieerd aan de hand van het technisch dossier bij de EEDI, hetzij door de Administratie hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie.
De bereikte EEDI wordt berekend aan de hand van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Voor elk schip dat is onderworpen aan voorschrift 24 van deze Bijlage meldt de Administratie of de door haar naar behoren gemachtigde organisatie aan de Organisatie de vereiste en bereikte EEDI-waarden en relevante informatie, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen, via elektronische weg:
-
- binnen 7 maanden na afronding van het onderzoek zoals vereist door voorschrift 5.4 van deze Bijlage; of
-
- binnen 7 maanden na 1 april 2022 voor een schip opgeleverd vóór 1 april 2022.
Voorschrift 26. Energie-efficiëntiemanagementplan van het schip (SEEMP)
Elk schip dient een op het schip van toepassing zijnde energie-efficiëntiemanagementplan (SEEMP) aan boord te hebben. Dit kan onderdeel vormen van het veiligheidsbeleidssysteem (SMS) van het schip. Het SEEMP dient te worden ontwikkeld en herzien met inachtneming van de door de Organisatie aangenomen richtlijnen.
Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dient het SEEMP een beschrijving te omvatten van de methodiek die wordt gebruikt om de door voorschrift 27.1 van deze Bijlage vereiste gegevens te verzamelen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren.
Voor een schip van 5.000 brutotonnage en hoger dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt:
-
- Bevat de SEEMP op of voor 1 januari 2023:
-
- een beschrijving van de methodiek die wordt gebruikt om de door voorschrift 28 van deze Bijlage vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII van het schip te berekenen en van de processen die worden gebruikt om de gegevens aan de Administratie van het schip te rapporteren,
-
- de vereiste bereikte jaarlijkse operationele KII, zoals aangeduid in voorschrift 28 van deze Bijlage, voor de volgende drie jaar;
-
- een uitvoeringsplan waaruit blijkt hoe de vereiste jaarlijkse operationele KII wordt bereikt in de komende drie jaar; en
-
- een procedure voor zelf-evaluatie en verbetering.
-
- Voor een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-classificatie heeft gekregen of dat overeenkomstig voorschrift 28 van deze Bijlage een E-classificatie heeft gekregen, wordt het SEEMP herzien in overeenstemming met voorschrift 28.8 van deze Bijlage waarbij een plan van corrigerende maatregelen wordt opgenomen om de vereiste jaarlijkse operationele KII te behalen.
-
- Het SEEMP is onderworpen aan verificatie en bedrijfsaudits met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Voorschrift 27. Verzamelen en rapporteren van gegevens over het brandstofolieverbruik van schepen
Vanaf het kalenderjaar 2019 dienen voor elk schip van 5.000 brutotonnage en meer de in Aanhangsel IX van deze Bijlage genoemde gegevens te worden verzameld voor dat kalenderjaar en elk daaropvolgend kalenderjaar of deel daarvan, naargelang van toepassing, volgens de in het SEEMP opgenomen methodologie.
Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift, dienen aan het einde van elk kalenderjaar de voor het schip in dat kalenderjaar of deel daarvan verzamelde gegevens, naargelang van toepassing, te worden samengevoegd.
Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dient voor elk schip binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, aan de Administratie van het schip of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde waarde voor elke in Aanhangsel IX bij deze Bijlage genoemde datum te worden gerapporteerd langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.
Indien een schip van de ene naar de andere Administratie wordt overgedragen, dienen op de dag waarop de overdracht wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan de overdragende Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar dat onder die Administratie valt, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na voorafgaand verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
Indien een schip overgaat van de ene naar de andere onderneming, dienen op de dag waarop de overgang wordt afgerond of zo dicht daarop als praktisch mogelijk is aan zijn Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, de samengestelde gegevens te worden gerapporteerd die betrekking hebben op het deel van het kalenderjaar waarvoor de onderneming verantwoordelijk is, zoals vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage en, na verzoek van die Administratie, de uitgesplitste gegevens.
Indien de verandering van Administratie samenvalt met de verandering van onderneming, is de vierde paragraaf van dit voorschrift van toepassing.
De gegevens dienen te worden geverifieerd volgens door de Administratie in te stellen procedures, rekening houdend met door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Uitgezonderd zoals voorzien in de paragrafen 4, 5 en 6 van dit voorschrift dienen de uitgesplitste gegevens die ten grondslag liggen aan de gerapporteerde gegevens die in Aanhangsel IX bij deze Bijlage worden vermeld ter zake van het voorafgaande kalenderjaar gemakkelijk toegankelijk te zijn gedurende een periode van ten minste 12 maanden te rekenen vanaf het einde van dat kalenderjaar en aan de Administratie op verzoek beschikbaar te worden gesteld.
De Administratie waarborgt dat de gerapporteerde gegevens vermeld in Aanhangsel IX bij deze Bijlage ter zake van haar geregistreerde schepen van 5.000 brutotonnage en meer worden overgedragen aan de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat en niet later dan één maand na afgifte van de conformverklaringen voor deze schepen.
Op basis van de gerapporteerde gegevens die bij de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen worden ingediend, stelt de Secretaris-Generaal van de Organisatie een jaarverslag op voor de Commissie voor de Bescherming van het Mariene Milieu waarin een beknopt overzicht wordt gegeven van de verzamelde gegevens, de status van de ontbrekende gegevens en overige relevante informatie waarom de Commissie kan verzoeken.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie verleent aan de Administratie van een schip waarop voorschrift 28 van deze Bijlage van toepassing is toegang tot alle verzamelde gegevens voor alle voorgaande kalenderjaren in de IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen voor dat schip.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie houdt een database bij die zodanig geanonimiseerd is dat individuele schepen niet geïdentificeerd kunnen worden. Partijen hebben uitsluitend toegang tot de geanonimiseerde gegevens ten behoeve van analyse en bestudering.
De IMO-database Brandstofolieverbruik van schepen wordt opgezet en beheerd door de Secretaris-Generaal van de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
Op ad-hoc basis mag de Secretaris-Generaal van de Organisatie gegevens delen met analytische adviesbureaus en onderzoeksinstellingen, met inachtneming van strikte vertrouwelijkheidsregels.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie verleent, op verzoek van een onderneming, het algemeen publiek toegang tot de brandstofolieverbruikrapporten, in niet geanonimiseerde vorm, van schepen die de onderneming in eigendom heeft.
Voorschrift 28. Operationele koolstofintensiteit
Na het einde van het kalenderjaar 2023 en na het einde van elk daaropvolgend kalenderjaar berekent elk schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder één of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22 en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt, de bereikte jaarlijkse operationele KII over een periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het voorgaande kalenderjaar, met gebruikmaking van de gegevens die overeenkomstig voorschrift 27 van deze bijlage zijn verzameld, en met inachtneming van de door de Organisatie op te stellen richtlijnen.
Binnen drie maanden na het einde van elk kalenderjaar, rapporteert het schip aan zijn Administratie of elke door haar naar behoren gemachtigde organisatie de bereikte jaarlijkse operationele KII langs elektronische weg en met gebruikmaking van een door de Organisatie te ontwikkelen standaardformaat.
Onverminderd de punten 1 en 2 van dit voorschrift berekent en rapporteert een schip in geval van overdracht van een schip als bedoeld in de voorschriften 27.4, 27.5 of 27.6 na 1 januari 2023, na afloop van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvindt, de bereikte jaarlijkse operationele KII voor de volledige periode van twaalf maanden van 1 januari tot en met 31 december van het kalenderjaar waarin de overdracht plaatsvond, overeenkomstig de voorschriften 28.1 en 28.2, ter verificatie overeenkomstig voorschrift 6.6 van deze Bijlage, rekening houdend met de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Niets in dit voorschrift ontslaat een schip van zijn rapportageverplichtingen krachtens voorschrift 27 of dit voorschrift van deze Bijlage.
Voor een schip van 5.000 brutotonnage en meer dat onder een of meer van de categorieën van de voorschriften 2.2.5, 2.2.7, 2.2.9, 2.2.11, 2.2.14 tot en met 2.2.16, 2.2.22, en 2.2.26 tot en met 2.2.29 van deze Bijlage valt, wordt de vereiste jaarlijkse operationele KII als volgt bepaald:
waarbij
Z de jaarlijkse reductiefactor is die zorgt voor een voortdurende verbetering van de operationele koolstofintensiteit van het schip binnen een bepaald classificatieniveau; en
de referentiewaarde is.
De jaarlijkse reductiefactor Z en de referentiewaarde
zijn de waarden die zijn vastgesteld met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen.
De bereikte jaarlijkse operationele KII wordt gedocumenteerd en geverifieerd ten opzichte van de vereiste jaarlijkse operationele KII om de operationele indicatorwaarde koolstofintensiteit A, B, C, D of E vast te stellen, waarbij een hoog, minder hoog, gemiddeld, minder laag of laag prestatieniveau wordt aangegeven, hetzij door de Administratie, hetzij door een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, rekening houdend met de door de Organisatie ontwikkelde richtlijnen. Het middelste punt van indicatorwaarde C is de waarde die overeenstemt met de vereiste jaarlijkse operationele KII zoals vermeld in paragraaf 4 van dit voorschrift.
Een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-waarde heeft gekregen of een E-waarde heeft gekregen, moet een plan met corrigerende maatregelen opstellen om de vereiste jaarlijkse operationele KII te bereiken.
Het SEEMP wordt herzien om het plan met corrigerende maatregelen dienovereenkomstig op te nemen, met inachtneming van de door de Organisatie te ontwikkelen richtlijnen. Het herziene SEEMP wordt ter verificatie voorgelegd aan de Administratie of een door haar naar behoren gemachtigde organisatie, bij voorkeur samen met, maar in geen geval later dan één maand na de rapportage van de bereikte jaarlijkse operationele KII overeenkomstig paragraaf 2 van dit voorschrift
Een schip dat gedurende drie opeenvolgende jaren een D-waarde heeft gekregen of een E-waarde heeft gekregen, moet het plan met corrigerende maatregelen uitvoeren in overeenstemming met het herziene SEEMP.
Administraties, havenautoriteiten en andere belanghebbenden worden aangemoedigd om, waar nodig, stimulansen te geven aan schepen die als indicatorwaarde A of B hebben gekregen.
Uiterlijk op 1 januari 2026 wordt door de Organisatie een evaluatie voltooid ter beoordeling van:
-
- de doeltreffendheid van dit voorschrift bij de vermindering van de koolstofintensiteit van de internationale scheepvaart;
-
- de noodzaak van aangescherpte corrigerende maatregelen of andere middelen, met inbegrip van eventuele aanvullende EEXI-vereisten;
-
- de behoefte aan versterking van het handhavingsmechanisme;
-
- de noodzaak van een verbetering van het systeem voor gegevensverzameling; en
-
- de herziening van de Z-factor en de CIIR -waarden.
Indien de Partijen op basis van de evaluatie besluiten wijzigingen van dit voorschrift aan te nemen, worden zij aangenomen en treden zij in werking in overeenstemming met de in artikel 16 van dit Verdrag vervatte bepalingen.
Voorschrift 29. Bevordering van technische samenwerking en overdracht van technologie met betrekking tot het verbeteren van de energie-efficiëntie van schepen
In samenwerking met de Organisatie en andere internationale organen bevorderen en verstrekken Administraties, al naargelang van toepassing, rechtstreeks of via de Organisatie rechtstreekse steun aan Staten, met name Staten in ontwikkeling, die om technische bijstand verzoeken.
De Administratie van een Partij werkt actief samen met andere Partijen, met inachtneming van haar nationale wet- en regelgeving en beleid, om de ontwikkeling en overdracht van technologie te bevorderen en informatie uit te wisselen met Staten die om technische bijstand verzoeken, met name Staten in ontwikkeling, met betrekking tot de implementatie van maatregelen om aan de vereisten van Hoofdstuk 4 van deze Bijlage te voldoen, met name voorschriften 19.4 tot en met 19.6.
HOOFDSTUK 5. VERIFICATIE VAN DE NALEVING VAN DE BEPALINGEN VAN DEZE BIJLAGE
Voorschrift 30. Toepassing
De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in deze Bijlage.
Voorschrift 31. Verificatie van de naleving
Elke Partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van deze Bijlage te verifiëren.
De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de auditregeling, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
Elke Partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
De audits van alle Partijen:
-
- zijn gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
-
- vinden periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.
1. Doelstellingen
1.1. Doel van dit aanhangsel is de Partijen te voorzien van criteria en procedures voor het formuleren en indienen van voorstellen voor het aanwijzen van gebieden voor emissiebeheersing en de factoren te benoemen die bij de beoordeling van deze voorstellen door de Organisatie in aanmerking dienen te worden genomen.
1.2. De emissie van NOx, SOx en fijnstof door zeeschepen draagt overal ter wereld bij aan concentraties van luchtvervuiling in steden en kustgebieden. Tot de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu ten gevolge van luchtvervuiling behoren onder meer voortijdig overlijden, hart- en vaatziekten, longkanker, chronische luchtwegaandoeningen alsmede verzuring en eutrofiëring.
1.3. Aanneming van een gebied voor emissiebeheersing dient door de Organisatie te worden overwogen indien er een aantoonbare noodzaak bestaat tot preventie, reductie en beheersing van de emissie van NOx, SOx en fijnstof of een combinatie ervan (hierna emissies) door schepen.
2. Procedure voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
2.1. Een voorstel aan de Organisatie voor de aanwijzing van een gebied waar de emissie van NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies dient te worden beheerst, kan uitsluitend door de Partijen worden ingediend. Indien twee of meer Partijen een gezamenlijk belang hebben in een specifiek gebied dienen ze gezamenlijk een voorstel in te dienen.
2.2. Voorstellen voor de aanwijzing van een bepaald gebied als gebied voor emissiebeheersing dienen te worden ingediend bij de Organisatie in overeenstemming met de door de Organisatie vastgestelde regels en procedures.
3. Criteria voor de aanwijzing van gebieden voor emissiebeheersing
3.1. Het voorstel dient te omvatten:
-
- een duidelijke afbakening van het voorgestelde toepassingsgebied, tezamen met een referentiekaart waarop het gebied is gemarkeerd;
-
- het soort of de soorten emissie waarvoor beheersing wordt voorgesteld (bijv. NOx of SOx en fijnstof of alle drie de typen emissies);
-
- een beschrijving van de bevolkingsgroepen en milieugebieden die bedreigd worden door de gevolgen van emissies door schepen;
-
- een evaluatie waaruit blijkt dat emissies van schepen die varen in het voorgestelde toepassingsgebied bijdragen aan de concentratie van luchtvervuiling of leiden tot schadelijke milieugevolgen. Een dergelijke evaluatie omvat een beschrijving van de gevolgen van de desbetreffende emissies op de volksgezondheid en het milieu, waaronder schadelijke gevolgen voor ecosystemen op het land en in het water, gebieden met natuurlijke productiviteit, kwetsbare leefomgevingen, waterkwaliteit, volksgezondheid en gebieden van cultureel en wetenschappelijk belang, indien van toepassing. De bronnen van relevante gegevens, met inbegrip van de gebruikte methoden, dienen te worden vermeld;
-
- relevante informatie met betrekking tot de meteorologische omstandigheden in het voorgestelde toepassingsgebied, de bedreigde bevolkingsgroepen en de milieugebieden, in het bijzonder de heersende windpatronen, topografische, geologische, oceanografische, morfologische of andere omstandigheden die bijdragen aan concentraties van luchtvervuiling of schadelijke gevolgen voor het milieu;
-
- de aard van het scheepvaartverkeer in het voorgestelde gebied voor emissiebeheersing, met inbegrip van de patronen en dichtheid van dat verkeer;
-
- een beschrijving van de beheersmaatregelen genomen door de indienende Partij of Partijen met betrekking tot bronnen van SOx-, NOx- en fijnstofemissies op het land die de bevolking treffen en het bedreigde gebied aantasten, welke maatregelen zijn en worden uitgevoerd alsmede te nemen maatregelen in verband met de bepalingen van de voorschriften 13 en 14 van Bijlage VI; en
-
- de relatieve kosten van het terugdringen van emissies door schepen ten opzichte van maatregelen op het land en de economische gevolgen voor de scheepvaart die betrokken is bij de internationale handel.
3.2. De geografische grenzen van een gebied voor emissiebeheersing dienen gebaseerd te zijn op de bovenomschreven relevante criteria, met inbegrip van de emissies en stortingen door schepen die varen in het voorgestelde gebied, verkeerspatronen en -dichtheid en windomstandigheden.
4. Procedures voor de beoordeling en aanneming van gebieden voor emissiebeheersing door de Organisatie
4.1. De Organisatie neemt ieder bij haar door een Partij of Partijen ingediend voorstel in overweging.
4.2. Bij het beoordelen van het voorstel neemt de Organisatie de criteria in aanmerking die gelden voor elk voorstel tot aanneming zoals vervat in deel 3 hierboven.
4.3. Een gebied voor emissiebeheersing wordt aangewezen door middel van een wijziging van deze Bijlage in overeenstemming met artikel 16 van dit Verdrag behandeld, aangenomen en in werking gesteld.
5. Functioneren van gebieden voor emissiebeheersing
5.1. Partijen met schepen die varen in het gebied worden aangemoedigd de Organisatie op de hoogte te stellen van eventuele zorgen omtrent het functioneren in het gebied.
De volgende relevante verificatieprocedure wordt gebruikt om vast te stellen of de aan boord van schepen geleverde en aldaar gebruikte of voor gebruik bestemde brandstofolie voldoet aan de krachtens voorschrift 14 van deze Bijlage van toepassing zijnde zwavelgrenzen.
Dit aanhangsel heeft betrekking op de volgende representatieve brandstofoliemonsters geleverd uit hoofde van MARPOL Bijlage VI:
Deel 1 – brandstofoliemonster dat is geleverd in overeenstemming met voorschrift 18.8.1, hierna te noemen „monster geleverd uit hoofde van MARPOL” zoals omschreven in voorschrift 2.1.22.
Deel 2 – monster van brandstofolie die in gebruik is aan boord van schepen , die bestemd is om aan boord te worden gebruikt of die vervoerd wordt om aan boord te worden gebruikt in overeenstemming met voorschrift 14.8, hierna te noemen het „in-gebruik-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.1.16 en „aan-boord-monster” zoals omschreven in voorschrift 2.1.24.
Deel 1. – monster geleverd uit hoofde van MARPOL
1. Algemene vereisten
- 1.1. Het representatieve brandstofoliemonster dat is geleverd uit hoofde van voorschrift 18.8.1 („monster geleverd uit hoofde van MARPOL”) verplicht is, wordt gebruikt om het zwavelgehalte van de aan een schip geleverde brandstofolie te verifiëren.
- 1.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.
- 1.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie te hebben voor de gebruikte testmethode.
2. Verificatieprocedure deel 1
- 2.1. De bevoegde autoriteit levert het monster geleverd uit hoofde van MARPOL af bij het laboratorium.
- 2.2. Het laboratorium:
-
- legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
-
- legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
-
- wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
- 2.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
-
- verwijdert het zegel van het monster;
-
- stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
-
- neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
-
- verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
- 2.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 1 van deze verificatieprocedure worden de uitkomsten van de analyse aangeduid als „1A” en „1B”:
-
- resultaten 1A en 1B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode; en
-
- indien de resultaten van 1A en 1B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt; of
-
- blijven de resultaten van 1A en 1B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode, dan worden beide resultaten afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen;
-
- in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 1A en 1B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 2.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 2.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
- 2.5. Indien de testresultaten van 1A en 1B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. De gemiddelde waarde wordt aangeduid als „X” en wordt vastgelegd in het testdossier:
-
- indien het resultaat X gelijk is aan of lager dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt de brandstofolie geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
-
- indien het resultaat „X” hoger is dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, voldoet de brandstofolie niet aan het vereiste.
| Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
|---|---|---|
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Resultaat 2.5.1: X ≤ V | Resultaat 2.5.2: X > V |
| 0,10 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| 0,50 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| Resultaat X wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat X wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven |
- 2.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
- 2.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
Deel 2. – Monsters tijdens gebruik en aan boord
3. Algemene vereisten
- 3.1. Het monster tijdens gebruik of aan boord, naargelang van toepassing, wordt gebruikt om het zwavelgehalte te verifiëren van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door dat brandstofoliemonster op het bemonsteringspunt.
- 3.2. Een Partij beheert de verificatieprocedure via haar bevoegde autoriteit.
- 3.3. Een laboratorium dat de in dit aanhangsel vervatte procedure voor de zwaveltest uitvoert dient een geldige accreditatie te hebben voor de gebruikte testmethode.
4. Verificatieprocedure deel 2
- 4.1. De bevoegde autoriteit levert het in-gebruik-monster of het aan-boord-monster af bij het laboratorium.
- 4.2. Het laboratorium:
-
- legt de gegevens van het zegelnummer en het label aan het monster vast in het testdossier;
-
- legt in het testdossier vast in welke toestand het zegel van het monster bij ontvangst verkeerde; en
-
- wijst alle monsters die bij ontvangst een verbroken zegel hebben af en legt dit vast in het testdossier.
- 4.3. Indien het zegel van het monster bij ontvangst intact is, start het laboratorium de verificatieprocedure en:
-
- verwijdert het zegel van het monster;
-
- stelt vast of het monster grondig gehomogeniseerd is;
-
- neemt twee afgeleide monsters van het monster; en
-
- verzegelt het monster opnieuw en legt de gegevens van het nieuwe zegel vast in het testdossier.
- 4.4. De twee afgeleide monsters worden achtereenvolgens getest volgens de omschreven testmethode bedoeld in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage. Ten behoeve van deel 2 van deze verificatieprocedure worden de resultaten aangeduid als „2A” en „2B”:
-
- resultaten 2A en 2B worden vastgelegd in het testdossier in overeenstemming met de vereisten van de testmethode; en
-
- indien de resultaten van 2A en 2B binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, worden deze als geldig aangemerkt; of
-
- indien de resultaten van 2A en 2B niet binnen de herhaalbaarheid (r) van de testmethode blijven, dan worden beide afgewezen en dient het laboratorium nieuwe afgeleide monsters te nemen en te onderzoeken. De monsterfles dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen; en
-
- in het geval er twee maal geen herhaalbaarheid bereikt wordt tussen 2A en 2B wordt de oorzaak hiervan onderzocht door het laboratorium en opgelost voordat er verder wordt gegaan met het testen van het monster. Na het oplossen van het probleem van de herhaalbaarheid worden twee nieuwe afgeleide monsters genomen in overeenstemming met paragraaf 4.3. Het monster dient opnieuw verzegeld te worden in overeenstemming met paragraaf 4.3.4 zodra de nieuwe afgeleide monsters zijn genomen.
- 4.5. Indien de testresultaten van 2A en 2B geldig zijn, dient het gemiddelde van deze twee resultaten te worden berekend. Die gemiddelde waarde wordt aangeduid als „Z” en wordt vastgelegd in het testdossier:
-
- indien Z gelijk is aan of lager dan de conform voorschrift 14 toepasselijke grenswaarde, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste;
-
- indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 maar minder dan of even hoog als die toepasselijke grenswaarde + 0.59R (waarbij R de reproduceerbaarheid van de testmethode is), wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht te hebben voldaan aan het vereiste; of
-
- indien Z hoger is dan de toepasselijke grenswaarde zoals vereist in voorschrift 14 + 0,59R, wordt het zwavelgehalte van de brandstofolie zoals vertegenwoordigd door het geteste monster geacht niet te hebben voldaan aan het vereiste;
| Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode | Op basis van de in voorschrift 2.1.30 van deze Bijlage bedoelde testmethode |
|---|---|---|---|---|
| Toepasselijke grenswaarde % m/m: V | Waarde marge test: W | Resultaat 4.5.1: Z ≤ V | Resultaat 4.5.2: V < Z ≤ W | Resultaat 4.5.3: Z > W |
| 0,10 | 0,11 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| 0,50 | 0,53 | Voldoet aan het vereiste | Voldoet aan het vereiste | Voldoet niet aan het vereiste |
| Resultaat Z wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat Z wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven | Resultaat Z wordt tot 2 cijfers achter de komma weergegeven |
- 4.6. De uiteindelijke resultaten die worden verkregen uit deze verificatieprocedure worden door de bevoegde autoriteit geëvalueerd.
- 4.7. Het laboratorium verstrekt een afschrift van het testdossier aan de bevoegde autoriteit die de verificatieprocedure beheert.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned being duly authorized by their respective Governments for that purpose have signed the present Convention.
DONE at London this second day of November, one thousand nine hundred and seventy-three.