Internationaal Verdrag betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst, 1978

Type Verdrag
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen Not indexed
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
6.

Elke Partij die bezwaar heeft tegen bepaalde experimenten waarvoor in overeenstemming met dit voorschrift toestemming is verleend, deelt haar bezwaar zo spoedig mogelijk mee aan de Organisatie. De Organisatie zendt de bijzonderheden van het bezwaar toe aan alle Partijen.

7.

Een Administratie die toestemming heeft verleend voor een experiment respecteert de bezwaren die ter zake van dat experiment zijn ontvangen van andere Partijen, door schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren te gelasten niet deel te nemen aan een experiment wanneer zij varen in de kustwateren van een Staat die zijn bezwaar aan de Organisatie heeft medegedeeld.

8.

Een Administratie die op basis van een experiment vaststelt dat een bepaald systeem de veiligheid, beveiliging en het voorkomen van verontreiniging in ten minste dezelfde mate waarborgt als voorzien in deze voorschriften, kan schepen die gerechtigd zijn haar vlag te voeren, machtigen een dergelijk systeem voor onbepaalde tijd te blijven gebruiken onder de volgende voorwaarden:

  • .1. nadat de resultaten van het experiment in overeenstemming met lid 5 zijn gemeld, deelt de Administratie de bijzonderheden van de toestemming, met inbegrip van de identiteit van de specifieke schepen die in aanmerking komen voor de toestemming, mede aan de Organisatie, die deze informatie toezendt aan alle Partijen;
  • .2. alle handelingen waarvoor krachtens dit lid machtiging is verleend worden uitgevoerd in overeenstemming met eventuele door de Organisatie opgestelde richtlijnen, in dezelfde mate waarin zij gedurende een experiment gelden;
  • .3. bij dergelijke handelingen dienen alle van andere Partijen in overeenstemming met lid 7 ontvangen bezwaren voor zover deze niet zijn ingetrokken, te worden gerespecteerd; en
  • .4. een handeling waarvoor uit hoofde van dit lid toestemming is verleend, mag slechts worden toegestaan in afwachting van een besluit van de Maritieme Veiligheidscommissie waarbij bepaald wordt of een wijziging van het Verdrag terecht zou zijn, en, in dat geval, of tot opschorting van de handeling dan wel tot voortzetting ervan dient te worden besloten, alvorens de wijziging in werking treedt.
9.

De Maritieme Veiligheidscommissie stelt op verzoek van een Partij een datum vast voor de bestudering van de resultaten van het experiment en voor de desbetreffende besluiten.

Voorschrift I/14. Verantwoordelijkheid van maatschappijen

1.

Elke Administratie stelt in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-I/14 maatschappijen verantwoordelijk voor de aanstelling van zeevarenden op hun schepen in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en verlangt van elk van deze maatschappijen dat zij waarborgt dat:

  • .1. elke op een van haar schepen aangestelde zeevarende in het bezit is van het vereiste bewijs in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag en zoals vastgesteld door de Administratie;
  • .2. haar schepen worden bemand in overeenstemming met van de toepassing zijnde vereisten inzake het veilig bemannen die de Administratie hanteert;
  • .3. de op haar schepen aangestelde zeevarenden de herhalings- en bijscholingscursussen hebben gevolgd zoals vereist volgens het Verdrag;
  • .4. documentatie en gegevens met betrekking tot alle zeevarenden die op haar schepen zijn tewerkgesteld, bijgehouden worden en direct beschikbaar zijn, alsmede documentatie en gegevens betreffende hun ervaring, opleiding, medische geschiktheid en bekwaamheid in de opgedragen taken, zonder overigens andere gegevens uit te sluiten;
  • .5. zeevarenden na hun aanstelling op een van haar schepen vertrouwd worden gemaakt met hun specifieke taken en met alle regelingen, installaties, uitrusting, procedures en kenmerken van het schip die relevant zijn voor hun taken onder normale omstandigheden of in noodsituaties;
  • .6. de voltallige bemanning van het schip in een noodsituatie en bij het vervullen van functies die van vitaal belang zijn voor de veiligheid, beveiliging of voor het voorkomen of verminderen van verontreiniging, haar werkzaamheden doeltreffend kan coördineren; en

Voorschrift I/15. Overgangsbepalingen

1.

Tot 1 januari 2017 mag een Partij in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag die onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2012 van toepassing waren, aan zeevarenden die voor 1 juli 2013 zijn begonnen met hun goedgekeurde dienst buitengaats, een goedgekeurde opleiding of een goedgekeurde training, bewijzen blijven afgeven, erkennen en voorzien van een officiële verklaring.

2.

Tot 1 januari 2017 kan een Partij in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag die onmiddellijk voorafgaande aan 1 januari 2012 van toepassing waren, de geldigheid van bewijzen en officiële verklaringen blijven verlengen.

HOOFDSTUK II. KAPITEIN EN DEKDIENST

Voorschrift II/1. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan officieren belast met de brugwacht op schepen met een brutotonnage van 500 of meer

1.

Iedere officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. zijn niet jonger dan 18 jaar;
  • .2. hebben een goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld van ten minste 12 maanden die deel uitmaakt van een goedgekeurd programma dat een training aan boord omvat die voldoet aan de vereisten van sectie A-II/1 van de STCW-Code en is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, dan wel een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 36 maanden vervuld;
  • .3. hebben gedurende de vereiste diensttijd buitengaats wachtdienst op de brug gelopen onder toezicht van de kapitein of een bevoegd officier gedurende een periode van ten minste zes maanden;
  • .4. voldoen aan de van toepassing zijnde eisen van de voorschriften van hoofdstuk IV voor het in voorkomende gevallen verrichten van radiowerkzaamheden in overeenstemming met het Radioreglement;
  • .5. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid, omschreven in sectie A-II/1 van de STCW-Code; en
  • .6. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-VI/1, tweede punt, sectie A-VI/2, eerste tot en met vierde punt, sectie A-VI/3, eerste tot en met vierde punt en sectie A-VI/4, eerste tot en met derde punt van de STCW-Code.

Voorschrift II/2. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan kapiteins en eerste stuurlieden van schepen met een brutotonnage van 500 of meer

1.

Iedere kapitein en eerste stuurman op een zeeschip met een brutotonnage van 3000 of meer dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. voldoen aan de eisen voor vaarbevoegdheidsverlening als officier belast met de brugwacht op schepen met een brutotonnage van 500 of meer en hebben in die hoedanigheid goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld:
  • .1.1. van ten minste 12 maanden voor vaarbevoegdheidsverlening als eerste stuurman, en
  • .1.2. van ten minste 36 maanden voor vaarbevoegdheidsverlening als kapitein; deze periode kan evenwel worden bekort tot ten minste 24 maanden, indien ten minste 12 maanden van die tijd dienst is gedaan als eerste stuurman; en
  • .2. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid, omschreven in sectie A-II/2 van de STCW-Code voor kapiteins en eerste stuurlieden van schepen met een brutotonnage van 3000 of meer.
3.

Iedere kapitein en iedere eerste stuurman op een zeeschip met een brutotonnage tussen 500 en 3000 dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

4.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. voldoen wat vaarbevoegdheidsverlening als eerste stuurman betreft aan de eisen voor een officier, belast met de brugwacht, op schepen met een brutotonnage van 500 of meer;
  • .2. voldoen wat vaarbevoegdheidsverlening als kapitein betreft aan de eisen voor een officier, belast met de brugwacht, op schepen met een brutotonnage van 500 of meer en hebben in die hoedanigheid ten minste 36 maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld; deze periode kan evenwel worden bekort tot ten minste 24 maanden, indien ten minste 12 maanden van die tijd dienst is gedaan als eerste stuurman; en
  • .3. hebben een goedgekeurde opleiding voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-II/2 van de STCW-Code voor kapiteins en eerste stuurlieden van schepen met een brutotonnage tussen 500 en 3000.

Voorschrift II/3. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan officieren belast met de brugwacht en aan kapiteins van schepen met een brutotonnage van minder dan 500

1.

Iedere officier, belast met de brugwacht, die dienst doet op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500, dat niet wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs voor schepen met een brutotonnage van 500 of meer.

2.

Iedere kapitein die dienst doet op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 dat niet wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs voor dienst als kapitein van schepen met een brutotonnage tussen 500 en 3000.

3.

Iedere officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

4.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen als officier belast met de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. hebben:
  • .2.1. een bijzondere training voltooid, met inbegrip van een toereikende diensttijd buitengaats zoals vereist door de Administratie, of
  • .2.2. een goedgekeurde diensttijd aan dek buitengaats van ten minste 36 maanden vervuld;
  • .3. voldoen aan de geldende eisen van de voorschriften in hoofdstuk IV om in voorkomende gevallen radiowerkzaamheden te verrichten in overeenstemming met het Radioreglement;
  • .4. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-II/3 van de STCW-Code voor officieren, belast met de brugwacht, op schepen met een brutotonnage van minder dan 500 die gebruikt worden op reizen nabij de kust; en
  • .5. voldoen aan de eisen van vaarbevoegdheid omschreven in sectie A-VI/1, tweede punt, sectie A-VI/2, eerste tot en met vierde punt, sectie A-VI/3, eerste tot en met vierde punt, en sectie A-VI/4, eerste tot en met derde punt, van de STCW-Code.
5.

Iedere kapitein die dienst doet op een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 dat gebruikt wordt voor reizen nabij de kust dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

6.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen als kapitein van een zeeschip met een brutotonnage van minder dan 500 dat wordt gebruikt voor reizen nabij de kust:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 20 jaar;
  • .2. hebben een goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld van ten minste 12 maanden als officier belast met de brugwacht;
  • .3. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-II/3 van de STCW-Code voor kapiteins van schepen met een brutotonnage van minder dan 500 die gebruikt worden op reizen nabij de kust; en
  • .4. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-VI/1, tweede punt, sectie A-VI/2, eerste tot en met vierde punt, sectie A-VI/3, eerste tot en met vierde punt, en sectie A-VI/4, eerste tot en met derde punt, van de STCW-Code.
7.

Indien de Administratie van oordeel is dat, gezien de grootte van het schip en de omstandigheden van de reis, volledige toepassing van dit voorschrift en sectie A-II/3 van de STCW-Code onredelijk of onmogelijk is, kan zij de kapitein en de officier belast met de brugwacht op een dergelijk schip of een dergelijke categorie schepen dienovereenkomstig vrijstelling verlenen van enkele vereisten, rekening houdend met de veiligheid van alle schepen die zich in dezelfde wateren kunnen bevinden.

Voorschrift II/4. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan gezellen die deel uitmaken van de brugwacht

1.

Iedere gezel die deel uitmaakt van de brugwacht op een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer, uitgezonderd gezellen in opleiding en gezellen wier taken op de brug van ongeschoolde aard zijn, dient in het bezit te zijn van een passend bewijs op grond waarvan hij deze taken mag verrichten.

2.

Kandidaten die een bewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 16 jaar;
  • .2. hebben:
  • .2.1. een goedgekeurde diensttijd buitengaats voltooid, waaronder ten minste zes maanden opleiding en ervaring, of
  • .2.2. een bijzondere training voltooid, hetzij voor, hetzij tijdens het verblijf aan boord, met inbegrip van een goedgekeurde periode van ten minste twee maanden; en
  • .3. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-II/4 van de STCW-Code.
3.

De diensttijd buitengaats, training en ervaring, vereist volgens de leden 2.2.1 en 2.2.2, dienen verband te houden met het verrichten van de functies op het gebied van de brugwacht en deze dienen taken te omvatten die worden verricht onder rechtstreeks toezicht van de kapitein, de officier, belast met de brugwacht, of een bevoegde gezel.

HOOFDSTUK III. MACHINEKAMERDIENST

Voorschrift III/1. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan officieren belast met de machinekamerwacht in een bemande machinekamer of de aangewezen scheepswerktuigkundigen belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer

1.

Iedere officier belast met de machinekamerwacht in een bemande machinekamer of een aangewezen scheepswerktuigkundige belast met de wacht in een tijdelijk onbemande machinekamer op een zeeschip met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. hebben een gecombineerde werkplaatsvaardigheidstraining en een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 12 maanden voltooid als onderdeel van een goedgekeurd trainingsprogramma dat een training aan boord omvat die voldoet aan de vereisten van sectie A-III/1 van de STCW-Code en die vastgelegd is in een goedgekeurd stageboek of een gecombineerde werkplaatsvaardigheidstraining en een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 36 maanden voltooid waarvan ten minste 30 maanden diensttijd buitengaats in de machinekamers;
  • .3. hebben tijdens de vereiste diensttijd buitengaats onder toezicht van de hoofdwerktuigkundige of een bevoegde scheepswerktuigkundige gedurende ten minste 6 maanden wachtdienst in de machinekamer verricht;
  • .4. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/1 van de STCW-Code; en
  • .5. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-VI/1, tweede punt, sectie A-VI/2, eerste tot en met vierde punt, sectie A-VI/3, eerste tot en met vierde punt, en sectie A-VI/4, eerste tot en met derde punt, van de STCW-Code.

Voorschrift III/2. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan hoofdwerktuigkundigen en tweede scheepswerktuigkundigen op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 3000 kW of meer

1.

Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede scheepswerktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 3000 kW of meer dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. voldoen aan de vereisten voor vaarbevoegdheidsverlening als scheepswerktuigkundige belast met de wacht in de machinekamer op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 750 kW of meer en hebben in die hoedanigheid een goedgekeurde diensttijd buitengaats verricht:
  • .1.1. van ten minste 12 maanden als bevoegd scheepswerktuigkundige voor vaarbevoegdheidsverlening als tweede scheepswerktuigkundige, en
  • .1.2. van ten minste 36 maanden voor vaarbevoegdheidsverlening als hoofdwerktuigkundige; deze periode kan worden bekort tot ten minste 24 maanden, indien ten minste 12 maanden van deze diensttijd buitengaats zijn vervuld als tweede scheepswerktuigkundige; en
  • .2. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/2 van de STCW-Code.

Voorschrift III/3. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan hoofdwerktuigkundigen en tweede scheepswerktuigkundigen op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen tussen 750 kW en 3000 kW

1.

Iedere hoofdwerktuigkundige en tweede scheepswerktuigkundige van een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen tussen 750 kW en 3000 kW dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. voldoen aan de vereisten voor vaarbevoegdheidsverlening als scheepswerktuigkundige belast met machinekamerwacht en:
  • .1.1. hebben voor vaarbevoegdheidsverlening als tweede scheepswerktuigkundige ten minste 12 maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld als leerling-scheepswerktuigkundige of scheepswerktuigkundige, en
  • .1.2. hebben voor vaarbevoegdheidsverlening als hoofdwerktuigkundige ten minste 24 maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld waarvan ten minste 12 maanden dienst is gedaan als bevoegd tweede scheepswerktuigkundige; en
  • .2. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/3 van de STCW-Code.
3.

Iedere scheepswerktuigkundige die bevoegd is dienst te doen als tweede scheepswerktuigkundige op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 3000 kW of meer, kan dienst doen als hoofdwerktuigkundige op schepen met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van minder dan 3000 kW, mits dit officieel is aangetekend op het vaarbevoegdheidsbewijs.

Voorschrift III/4. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan gezellen die deel uitmaken van de machinekamerwacht in een bemande machinekamer of zijn aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer

1.

Iedere gezel die deel uitmaakt van een machinekamerwacht of is aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer op een zeeschip met een voortstuwingsvermogen van 750 kW of meer, uitgezonderd gezellen in opleiding en gezellen wier taken van ongeschoolde aard zijn, dient in het bezit te zijn van een passend bewijs op grond waarvan hij bevoegd is om deze taken te verrichten.

2.

Kandidaten die een bewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 16 jaar;
  • .2. hebben:
  • .2.1. een goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld waarvan ten minste zes maanden opleiding en ervaring, of
  • .2.2. een bijzondere opleiding voltooid, hetzij vóór, hetzij tijdens het verblijf aan boord, met inbegrip van een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste twee maanden; en
  • .3. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/4 van de STCW-Code.
3.

De diensttijd buitengaats, opleiding en ervaring, vereist volgens de leden 2.2.1 en 2.2.2 dienen verband te houden met het verrichten van functies op het gebied van de machinekamerwacht en deze dienen taken te omvatten die worden verricht onder rechtstreeks toezicht van een bevoegde scheepswerktuigkundige of een bevoegde gezel.

HOOFDSTUK IV. RADIOCOMMUNICATIE EN PERSONEEL BELAST MET HET RADIOVERKEER

Voorschrift IV/1. Toepassing

1.

Uitgezonderd de bepalingen van lid 2, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing op radio-operators aan boord van schepen die deelnemen in het Wereldomvattend Maritieme Systeem voor Noodgevallen en Veiligheid (GMDSS), zoals voorgeschreven door het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd.

2.

Radio-operators op schepen van wie niet verlangd wordt dat zij voldoen aan de bepalingen van het GMDSS in hoofdstuk IV van het SOLAS-Verdrag, behoeven niet aan de bepalingen van dit hoofdstuk te voldoen. Van radio-operators op deze schepen wordt niettemin verlangd dat zij voldoen aan de bepalingen van het Radioreglement. De Administratie waarborgt dat aan deze radio-operators belast met het radioverkeer de desbetreffende bewijzen zoals voorgeschreven in het Radioreglement worden afgegeven of erkend.

Voorschrift IV/2. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening als GMDSS-radio-operator

1.

Iedere persoon die belast is met radiotaken op een schip dat verplicht is aan het GMDSS deel te nemen, dient in het bezit te zijn van een passend bewijs dat betrekking heeft op het GMDSS en dat is afgegeven of erkend door de Administratie krachtens de bepalingen van het Radioreglement.

2.

Kandidaten voor een vaarbevoegdheidsbewijs krachtens dit voorschrift om dienst te kunnen doen aan boord van een schip dat volgens het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd, dient te zijn uitgerust met een radio-installatie:

  • .1. zijn niet jonger dan 18 jaar; en
  • .2. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-IV/2 van de STCW-Code.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE EISEN INZAKE OPLEIDING VAN PERSONEEL OP BEPAALDE SCHEEPSTYPEN

Voorschrift V/1. Verplichte minimumeisen inzake de opleiding en geschiktheid van kapiteins, officieren en scheepsgezellen van tankers

    1. Officieren en scheepsgezellen, aan wie bijzondere taken worden opgedragen en bijzondere verantwoordelijkheden in verband met die taken worden opgelegd met betrekking tot de lading en de daarbij behorende uitrusting op olietankers, moeten aan de wal een goedgekeurde cursus brandbestrijding hebben gevolgd naast de in voorschrift VI/1 vereiste opleiding en moeten: met dien verstande echter, dat de Administratie akkoord kan gaan met een diensttijd buitengaats onder toezicht gedurende een periode die korter is dan voorgeschreven in lid 1.1, mits:
  • .1. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats op tankers hebben vervuld teneinde voldoende kennis betreffende veilige operationele handelswijzen op te doen; of
  • .2. een goedgekeurde cursus hebben gevolgd om zich vertrouwd te maken met de dienst aan boord van tankers, waarin ten minste het programma voor die cursus vervat in sectie A-V/1 van de STCW-Code wordt behandeld.
  • .3. de periode waarmee akkoord wordt gegaan niet korter is dan één maand;
  • .4. de tanker niet groter is dan 3.000 brutotonnage;
  • .5. de duur van elke reis van de tanker niet langer is dan 72 uur; en
  • .6. de operationele kenmerken van de tanker en het aantal reizen en los- en laadhandelingen die gedurende deze periode worden voltooid, het mogelijk maken hetzelfde niveau van kennis en ervaring te verkrijgen.
    1. Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede scheepswerktuigkundigen en allen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, lossen en de te nemen voorzorgsmaatregelen tijdens de reis of de behandeling van de lading moeten, naast het in de leden 1.1 en 1.2 bepaalde:
  • .1. ter zake dienende ervaring bezitten op het gebied van hun taken op het type tanker waarop zij varen; en
  • .2. een goedgekeurd gespecialiseerd opleidingsprogramma hebben gevolgd dat ten minste de onderwerpen behandelt die omschreven zijn in sectie A-V/1 van de STCW-Code en die passen bij hun taken op de olietanker, chemicaliëntanker of vloeibaar-gastanker waarop zij varen.
    1. Zeevarenden kunnen binnen twee jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag voor een Partij worden geacht aan de in lid 2.2 vervatte eisen te hebben voldaan, indien zijn in een periode van ten minste één jaar binnen de voorafgaande vijf jaar in een desbetreffende functie dienst hebben gedaan aan boord van het betreffende type tanker.
    1. Administraties dienen er zorg voor te dragen dat een passend vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven aan kapiteins en officieren die bevoegd zijn in overeenstemming met de leden 1 of 2, zoals van toepassing, of dat een bestaand vaarbevoegdheidsbewijs vergezeld gaat van een officiële verklaring. Iedere scheepsgezel die aldus bevoegd is, dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

Voorschrift V/2. Verplichte minimumeisen inzake opleiding en kwalificaties van kapiteins, officieren en gezellen en ander personeel op passagiersschepen

1.

Dit voorschrift is van toepassing op kapiteins, officieren, gezellen en ander personeel die dienst doen aan boord van passagiersschepen op internationale reizen. De Administraties bepalen of deze eisen toepasselijk zijn op personeel dat dienst doet aan boord van passagiersschepen op binnenlandse reizen.

2.

Alvorens hun taken aan boord van schepen worden opgedragen, dienen alle personen die dienst doen aan boord van passagiersschepen te voldoen aan de vereisten van deel A-VI/1, eerste punt, van de STCW-Code.

3.

Kapiteins, officieren, gezellen en ander personeel die dienst doen aan boord van passagiersschepen dienen de door de onderstaande leden 5 tot en met 9 vereiste training en kennismakingstijd te voltooien in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden.

4.

Kapiteins, officieren, gezellen en ander personeel van wie vereist wordt dat zij een training volgen in overeenstemming met de onderstaande leden 7 tot en met 9 dienen passende herhalingstrainingen te volgen met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar of aan te tonen dat zij in de afgelopen vijf jaar voldeden aan de eisen van bekwaamheid.

5.

Personeel dat dienst doet aan boord van passagiersschepen dient een kennismakingstijd te voltooien om vertrouwd te raken met noodsituaties op passagiersschepen, passend bij hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden zoals omschreven in sectie A-V/2, eerste punt, van de STCW-Code.

6.

Personeel direct betrokken bij dienstverlening aan passagiers in de passagiersruimten aan boord van passagiersschepen dienen de veiligheidstraining, zoals omschreven in sectie A-V/2, tweede punt, van de STCW-Code te voltooien.

7.

Kapiteins, officieren, gezellen die bevoegd zijn in overeenstemming met de hoofdstukken II, III en VII en ander personeel dat op de monsterrol is aangewezen om passagiers bij te staan in noodsituaties aan boord van passagiersschepen, dienen een training te voltooien in het beheersen van mensenmassa’s, zoals omschreven in sectie A-V/2, derde punt, van de STCW-Code.

8.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede scheepswerktuigkundigen en personen die op de monsterrol zijn aangewezen als verantwoordelijk voor de veiligheid van passagiers in noodsituaties aan boord van passagiersschepen dienen een goedgekeurde training in crisisbeheersing en menselijk gedrag te voltooien, zoals omschreven in sectie A-V/2, vierde punt, van de STCW-Code.

9.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede scheepswerktuigkundigen en iedere persoon die belast is met de directe verantwoordelijkheid voor het aan en van boord gaan van passagiers, voor het laden, lossen of veilig stuwen van de lading, of het sluiten van openingen in de romp aan boord van ro-ro-passagiersschepen, dienen een goedgekeurde training betreffende de passagiersveiligheid, ladingveiligheid en de waterdichtheid van de romp te voltooien, zoals omschreven in sectie A-V/2, vijfde punt, van de STCW-Code.

10.

De Administraties waarborgen dat schriftelijke bewijzen van de voltooide training worden afgegeven aan iedere persoon die voldoet aan het zesde tot en met negende lid van dit voorschrift.

Voorschrift V/3. Verplichte minimumeisen inzake opleiding en kwalificaties van kapiteins, officieren en gezellen en ander personeel op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is

1.

Dit voorschrift is van toepassing op kapiteins, officieren en gezellen en ander personeel die dienst doen aan boord van schepen waarop de IGF-Code van toepassing is.

2.

Alvorens hun taken aan boord van schepen waarop de IGF-Code van toepassing is worden opgedragen, dienen zeevarenden de training, zoals vereist in de onderstaande leden 4 tot en met 9, te hebben voltooid in overeenstemming met hun hoedanigheid, taken en verantwoordelijkheden.

3.

Alvorens hun taken aan boord van schepen worden opgedragen, dienen alle zeevarenden die dienst doen aan boord van schepen waarop de IGF-Code van toepassing is naar behoren specifiek vertrouwd te worden gemaakt met het schip en de uitrusting zoals omschreven in voorschrift I/14, lid 1.5.

4.

Zeevarenden die verantwoordelijk zijn voor aangewezen veiligheidstaken in verband met de zorg voor, het gebruik van of noodgevallen met de brandstof aan boord van schepen waarop de IGF-Code van toepassing is, dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de basistraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is.

5.

Kandidaten voor een bewijs van de basistraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is, dienen de basistraining in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-V/3, lid 1, van de STCW-Code te hebben afgerond.

6.

Zeevarenden die verantwoordelijk zijn voor aangewezen veiligheidstaken in verband met de zorg voor, het gebruik van of noodgevallen met brandstof aan boord van schepen waarop de IGF-Code van toepassing is die gekwalificeerd en gecertificeerd zijn volgens voorschrift V/1-2, leden 2 en 5, of voorschrift V/1-2, leden 4 en 5, op vloeibaar-gastankschepen, worden geacht te voldoen aan de vereisten omschreven in sectie A-V/3, lid 1, voor de basistraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is.

7.

Kapiteins, scheepswerktuigkundigen en alle personeel dat rechtstreeks verantwoordelijk is voor de zorg voor en het gebruik van brandstoffen en brandstofsystemen op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is, dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de vervolgtraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is.

8.

Kandidaten voor een bewijs van de vervolgtraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is, dienen in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid zoals omschreven in lid 4 en voorts:

  • .1. de goedgekeurde vervolgtraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is te hebben voltooid en te voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/13, lid 2, van de STCW-Code; en
  • .2. ten minste een maand goedgekeurde diensttijd met ten minste drie bunkeroperaties te hebben verricht aan boord van schepen waarop de IGF-Code van toepassing is. Twee van de drie bunkeroperaties mogen worden vervangen door een goedgekeurde training met simulatoren voor bunkeroperaties als onderdeel van de training in lid 8.1 hierboven.
9.

Kapiteins, scheepswerktuigkundigen en alle personeel dat rechtstreeks verantwoordelijk is voor de zorg voor en het gebruik van brandstoffen en brandstofsystemen op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is, die gekwalificeerd en gecertificeerd zijn volgens de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A–V/1-2, lid 2, voor dienst op vloeibaar-gastankschepen worden geacht te hebben voldaan aan de vereisten omschreven in sectie A-V/3, lid 2, voor vervolgtraining voor dienst op schepen waarop de IGF-Code van toepassing is, mits zij tevens:

  • .1. voldoen aan de vereisten van lid 6; en
  • .2. voldoen aan de bunkervereisten van lid 8.2 of hebben deelgenomen aan de uitvoering van drie ladingoperaties aan boord van het vloeibaar-gastankschip; en
  • .3. de voorgaande vijf jaar drie maanden dienst buitengaats hebben verricht aan boord van:
  • .1. schepen waarop de IGF-Code van toepassing is;
  • .2. tankschepen met als lading brandstoffen waarop de IGF-Code van toepassing is; of
  • .3. schepen die gas of brandstof met een laag vlampunt gebruiken als brandstof.
10.

Elke Partij vergelijkt de eisen van bekwaamheid die zij vóór 1 januari 2017 stelde aan personen die dienst doen op schepen met gas als brandstof met de eisen van bekwaamheid in sectie A-V/3 van de STCW-Code en onderzoekt of het noodzakelijk is van deze personen te verlangen dat zij zich laten bijscholen.

11.

De Administraties waarborgen dat een bewijs van bekwaamheid wordt afgegeven aan zeevarenden die in overeenstemming met de leden 4 of 7, naargelang van toepassing, gekwalificeerd zijn.

12.

Zeevarenden die in het bezit zijn van een bewijs van bekwaamheid in overeenstemming met de leden 4 of 7 hierboven dienen passende herhalingscursussen te volgen met tussenpozen van ten hoogste vijf jaar of aan te tonen dat zij in de afgelopen vijf jaar het voorgeschreven niveau van vaarbevoegdheid hebben behaald.

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE EISEN INZAKE OPLEIDING VAN PERSONEEL OP BEPAALDE SCHEEPSTYPEN

Voorschrift VI/1. Verplichte minimumeisen inzake de bekendheid met de materie, basistraining en instructie op het gebied van veiligheid voor alle zeevarenden

1.

Zeevarenden dienen in overeenstemming met sectie A-VI/1 van de STCW-Code een basistraining of instructie te ontvangen op het gebied van en bekend te worden gemaakt met veiligheid en te voldoen aan de desbetreffende daarin omschreven eisen van bekwaamheid.

2.

Indien basistraining niet is opgenomen in de kwalificaties voor het af te geven bewijs, wordt een bewijs van bekwaamheid afgegeven waaruit blijkt dat de houder de basistraining heeft gevolgd.

Voorschrift VI/2. Verplichte minimumeisen inzake de afgifte van bewijzen van bekwaamheid op het gebied van reddingsboten, hulpverleningsboten en snelle hulpverleningsboten

1.

Kandidaten voor bewijzen van bekwaamheid op het gebied van reddingsboten en hulpverleningsboten anders dan snelle hulpverleningsboten:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. dienen een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 12 maanden te hebben vervuld of een goedgekeurde training te hebben gevolgd en een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste zes maanden te hebben vervuld; en
  • .3. voldoen aan de normen van vaarbevoegdheid voor het bewijs van bekwaamheid op het gebied van reddingsboten en hulpverleningsboten, zoals vervat in sectie A-VI/2, eerste tot en met vierde punt, van de STCW-Code.
2.

Kandidaten voor een bewijs van bekwaamheid op het gebied van snelle hulpverleningsboten:

  • .1. dienen in het bezit te zijn van een bewijs van bekwaamheid op het gebied van reddingsboten en hulpverleningsboten anders dan snelle reddingsboten;
  • .2. dienen een goedgekeurde training te hebben gevolgd; en
  • .3. voldoen aan de normen van vaarbevoegdheid voor het bewijs van bekwaamheid op het gebied van snelle hulpverleningsboten, zoals vervat in sectie A-VI/2, zevende tot en met tiende punt, van de STCW-Code.

Voorschrift VI/3. Verplichte minimumeisen inzake vervolgtraining op het gebied van brandbestrijding

1.

Zeevarenden die zijn aangewezen als leidinggevende voor brandbestrijdingsoperaties hebben met goed gevolg de vervolgtraining op het gebied van brandbestrijdingstechnieken voltooid waarbij de nadruk in het bijzonder ligt op organisatie, tactieken en leiding in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VI/3, eerste tot en met vierde punt, van de STCW-Code en voldoen aan de daarin omschreven eisen van bekwaamheid.

2.

Indien vervolgtraining op het gebied van brandbestrijding niet is opgenomen in de kwalificaties voor het af te geven bewijs, wordt een bewijs van bekwaamheid afgegeven waaruit blijkt dat de houder de vervolgtraining op het gebied van brandbestrijding heeft gevolgd.

Voorschrift VI/4. Verplichte minimumeisen inzake eerste hulp en medische verzorging

1.

Zeevarenden die zijn aangewezen voor het verlenen van eerste hulp aan boord van schepen voldoen aan de eisen van bekwaamheid op het gebied van medische verzorging aan boord van schepen omschreven in sectie A-VI/4, eerste tot en met derde punt, van de STCW-Code.

2.

Zeevarenden die zijn aangewezen om de leiding te nemen bij de medische verzorging aan boord van schepen voldoen aan de eisen van bekwaamheid op het gebied van medische verzorging aan boord van schepen omschreven in sectie A-VI/4, vierde tot en met zesde punt, van de STCW-Code.

3.

Indien training op het gebied van eerste hulp of medische verzorging niet is opgenomen in de kwalificaties voor het af te geven bewijs, wordt een bewijs van bekwaamheid afgegeven, waaruit blijkt dat de houder een training op het gebied van eerste hulp of medische verzorging heeft gevolgd.

HOOFDSTUK VI. NOODSITUATIES, VEILIGHEID OP HET WERK, BEVEILIGING, MEDISCHE VERZORGING EN OVERLEVINGSMAATREGELEN

Voorschrift VII/1. Afgifte van alternatieve bewijzen

1.

Niettegenstaande de vereisten voor de afgifte van bewijzen vervat in de hoofdstukken II en III van deze Bijlage, kunnen Partijen besluiten andere bewijzen dan die vermeld in de voorschriften van die hoofdstukken af te geven of de afgifte ervan goed te keuren, mits:

  • .1. de bijbehorende taken en niveaus van verantwoordelijkheid die dienen te worden weergegeven op de bewijzen en in de officiële verklaringen worden gekozen uit en gelijk zijn aan die welke voorkomen in de secties A-II/1, A-II/2, A-II/3, A-II/4, A-II/5, A-III/1, A-III/2, A-III/3, A-III/4, A-III/5 en A-IV/2 van de STCW-Code;
  • .2. de kandidaten een goedgekeurde opleiding en training hebben voltooid en voldoen aan de vereiste eisen van bekwaamheid, voorgeschreven in de desbetreffende secties van de STCW-Code en vervat in sectie A-VII/1 van deze Code voor de taken en niveaus die op de bewijzen en in de officiële verklaringen dienen te worden weergegeven;
  • .3. de kandidaten een goedgekeurde diensttijd buitengaats hebben vervuld die past bij de uitvoering van de taken en de niveaus die op de bewijzen dienen te worden weergegeven. De minimumduur van de diensttijd buitengaats is gelijk aan die van de diensttijd buitengaats voorgeschreven in de hoofdstukken II en III van deze Bijlage. De minimumduur van de diensttijd buitengaats mag evenwel niet minder zijn dan voorgeschreven in sectie A-VII/2 van de STCW-Code;
  • .4. kandidaten voor de afgifte van een bewijs voor navigatie op operationeel niveau dienen te voldoen aan de van toepassing zijnde vereisten van de voorschriften in hoofdstuk IV, al naargelang van toepassing, voor het verrichten van de aangewezen radiotaken in overeenstemming met het Radioreglement; en
  • .5. de bewijzen worden afgegeven in overeenstemming met de vereisten van voorschrift I/2 en de bepalingen vervat in hoofdstuk VII van de STCW-Code.
2.

Ingevolge dit hoofdstuk wordt geen bewijs afgegeven tenzij de Partij de Organisatie in overeenstemming met artikel IV en voorschrift I/7 informatie heeft doen toekomen.

Voorschrift VII/2. Afgifte van bewijzen aan zeevarenden

1.

Zeevarenden die een taak of een reeks taken vervullen zoals omschreven in tabel A-II/1, A-II/2, A-II/3, A-II/4 of A-II/5 van hoofdstuk II of in tabel A-III/1, A-III/2, A-III/3, A-III/4 of A-III/5 van hoofdstuk III of A-IV/2 van hoofdstuk IV van de STCW-Code, dienen in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs of een bewijs van bekwaamheid, al naargelang van toepassing is.

Voorschrift VII/3. Beginselen inzake de afgifte van alternatieve bewijzen

1.

Partijen die besluiten alternatieve bewijzen af te geven of de afgifte ervan goed te keuren, zien erop toe dat de volgende beginselen worden geëerbiedigd:

  • .1. er wordt uitsluitend een systeem voor de afgifte van alternatieve bewijzen geïmplementeerd indien het een zekere mate van veiligheid op zee waarborgt en op het gebied van verontreiniging een preventief effect heeft dat ten minste gelijk is aan hetgeen bewerkstelligd wordt door de andere hoofdstukken; en
  • .2. elke regeling voor de afgifte van alternatieve bewijzen krachtens dit hoofdstuk voorziet in de inwisselbaarheid van deze bewijzen met die afgegeven krachtens de overige hoofdstukken.
2.

Het beginsel van inwisselbaarheid bedoeld in lid 1 waarborgt dat:

  • .1. zeevarenden met een bewijs krachtens de regelingen van hoofdstuk II en/of III en die met een bewijs krachtens hoofdstuk VII dienst kunnen doen op zowel traditioneel georganiseerde schepen als schepen met een andere organisatievorm aan boord; en
  • .2. zeevarenden niet zodanig worden opgeleid voor bepaalde regelingen aan boord dat dat ten koste gaat van hun mogelijkheden om hun vaardigheden elders in te zetten.
3.

Bij de afgifte van een bewijs krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk dienen de volgende beginselen in acht te worden genomen:

  • .1. de afgifte van alternatieve bewijzen mag op zich niet worden gebruikt:
  • .1.1. om het aantal bemanningsleden aan boord te beperken,
  • .1.2. om het aanzien van het beroep te schaden of afbreuk te doen aan de vakkundigheid van zeevarenden, of
  • .1.3. om te rechtvaardigen dat gedurende een bepaalde wachtdienst de gecombineerde taken van officieren in de machinekamerwacht en in de brugwacht aan slechts één houder van een bewijs worden opgedragen; en
  • .2. degene die aan boord het bevel voert dient te worden aangewezen als de kapitein en de rechtspositie en het gezag van de kapitein en anderen mag niet ongunstig worden beïnvloed door de implementatie van een regeling voor de afgifte van alternatieve bewijzen.
4.

De beginselen vervat in de leden 1 en 2 van dit voorschrift waarborgen dat de bevoegdheden van zowel dekofficieren als scheepswerktuigkundigen worden gehandhaafd.

HOOFDSTUK VIII. WACHTDIENST

Voorschrift VIII/1. Geschiktheid voor dienst

1.

De Administraties dienen teneinde vermoeidheid te voorkomen:

  • .1. rustperioden voor personeelsleden die wachtdiensten draaien en degenen aan wie taken op het gebied van veiligheid, beveiliging en de preventie van verontreiniging in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VIII/1 van de STCW-Code in te stellen en toe te zien op de naleving ervan; en
  • .2. te eisen dat de wachten zodanig geregeld zijn dat de doelmatigheid van alle personeelsleden die wachtdiensten draaien niet wordt geschaad door vermoeidheid en dat de taken zodanig zijn georganiseerd dat de eerste wacht bij de aanvang van een reis en de daarop volgende aflossingen voldoende rust hebben genoten en anderszins geschikt zijn voor hun dienst.
2.

De Administraties waarborgen, ter voorkoming van alcohol- en drugsmisbruik, dat adequate maatregelen worden getroffen in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VIII/1, waarbij rekening wordt gehouden met de richtlijnen van sectie B-VIII/1 van de STCW-Code.

Voorschrift VIII/2. Regelingen en beginselen voor de wachtdienst

1.

De Administraties dienen de aandacht van maatschappijen, kapiteins, hoofdwerktuigkundigen en alle personeelsleden die wachtdiensten draaien te vestigen op de vereisten, beginselen en richtlijnen vervat in STCW-Code die in acht dienen te worden genomen om te allen tijde op alle zeeschepen, rekening houdend met de heersende omstandigheden, veilige en onafgebroken wachtdiensten te waarborgen.

2.

De Administraties dienen van de kapiteins van alle schepen te verlangen dat zij waarborgen dat de regelingen voor de wachtdiensten toereikend zijn voor veilige en onafgebroken wachtdiensten, rekening houdend met de heersende omstandigheden en de situatie, en dat onder de algemene leiding van de kapitein:

  • .1. officieren belast met de brugwacht verantwoordelijk zijn voor de veilige navigatie van het schip tijdens hun dienst, waarbij zij te allen tijde persoonlijk op de brug of in een bijbehorende belendende ruimte, zoals de kaartkamer of de navigatiebrug, aanwezig dienen te zijn;
  • .2. radio-operators gedurende hun wachtdienst verantwoordelijk zijn voor het onderhouden van een ononderbroken radioluisterwacht op de juiste golflengtes;
  • .3. officieren belast met de machinekamerwacht, zoals omschreven in de STCW-Code en onder leiding van de hoofdwerktuigkundige, onmiddellijk beschikbaar en bereikbaar dienen te zijn om zich naar de machineruimten te begeven en, indien vereist, persoonlijk in de machinekamer aanwezig te zijn gedurende hun wachtdienst;
  • .4. passende en doeltreffende wachtdiensten worden gedraaid ten behoeve van de veiligheid te allen tijde, terwijl het schip voor anker ligt of is afgemeerd en, indien het schip gevaarlijke lading vervoert, bij de organisatie van die wachtdiensten volledig rekening wordt gehouden met de aard, hoeveelheid, verpakking en stuwing van die gevaarlijke lading en van eventuele bijzondere omstandigheden aan boord, op het water of aan de wal; en
  • .5. waar van toepassing ten behoeve van de veiligheid passende en doeltreffende wachtdiensten worden gehandhaafd.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.

DONE at London this seventh day of July, one thousand nine hundred and seventy-eight.

Voorschrift VI/5. Verplichte minimumeisen inzake de afgifte van een bewijs van bekwaamheid aan scheepsbeveiligingsfunctionarissen

1.

Kandidaten voor een bewijs van bekwaamheid als scheepsbeveiligingsfunctionaris:

  • .1. hebben een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 12 maanden of een passende diensttijd buitengaats vervuld en beschikken over kennis van het functioneren van een schip; en
  • .2. voldoen aan de eisen van bekwaamheid voor het bewijs van bekwaamheid als scheepsbeveiligingsfunctionaris, zoals vervat in sectie A-VI/5, eerste tot en met vierde punt, van de STCW-Code.
2.

Administraties waarborgen dat iedere persoon die gekwalificeerd bevonden wordt volgens de bepalingen van dit voorschrift een bewijs van bekwaamheid krijgt uitgereikt.

HOOFDSTUK VI. NOODSITUATIES, VEILIGHEID OP HET WERK, BEVEILIGING, MEDISCHE VERZORGING EN OVERLEVINGSMAATREGELEN

HOOFDSTUK VII. ALTERNATIEVE BEWIJZEN

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.

DONE at London this seventh day of July, one thousand nine hundred and seventy-eight.

Voorschrift II/5. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan gezellen als gekwalificeerd gezel met dekdienst

1.

Iedere gekwalificeerde gezel met dekdienst die dienst doet aan boord van een zeeschip met een brutotonnage van 500 of meer dient in het bezit te zijn van een passend bewijs.

2.

Kandidaten die een bewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. voldoen aan de vereisten van bekwaamheid als gezel die deel uitmaakt van de brugwacht;
  • .3. zijn bevoegd dienst te doen als gezel die deel uitmaakt van de brugwacht en hebben een goedgekeurde diensttijd aan dek buitengaats voltooid van:
  • .3.1. ten minste 18 maanden, of
  • .3.2. ten minste 12 maanden en hebben een goedgekeurde training voltooid; en
  • .4. voldoen aan de normen van vaarbevoegdheid omschreven in sectie A-II/5 van de STCW-Code.
3.

Elke Partij vergelijkt de eisen van bekwaamheid die zij stelde aan gekwalificeerde gezellen voor bewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012 met de eisen voorgeschreven voor het desbetreffende bewijs in sectie A-II/5 van de STCW-Code en onderzoekt of het noodzakelijk is van deze gezellen te verlangen dat zij zich laten bijscholen.

4.

Tot 1 januari 2012 kan een Partij die tevens Partij is bij het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende bewijzen van bekwaamheid als volmatroos, 1946 (No. 74), bewijzen blijven afgeven, erkennen en voorzien van een officiële verklaring in overeenstemming met de bepalingen van voornoemd verdrag.

5.

Tot 1 januari 2017 kan een Partij die tevens Partij is bij het Verdrag van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende bewijzen van bekwaamheid als volmatroos, 1946 (No. 74) de geldigheid van bewijzen en officiële verklaringen blijven verlengen in overeenstemming met de bepalingen van voornoemd verdrag.

6.

Zeevarenden kunnen door de Partij geacht worden aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid dekdienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste 12 maanden in de laatste 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit voorschrift voor die Partij.

HOOFDSTUK III. MACHINEKAMERDIENST

Voorschrift III/5. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan gezellen als gekwalificeerd gezel in een bemande machinekamer of die zijn aangewezen om dienst te doen in een tijdelijk onbemande machinekamer

1.

Iedere gekwalificeerde gezel op een zeeschip met een voorstuwingsvermogen van 750 kW of meer dient in het bezit te zijn van een passend bewijs.

2.

Kandidaten die een bewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. voldoen aan de vereisten voor vaarbevoegdheidsverlening als gezel die deel uitmaakt van de wacht in een bemande machinekamer of is aangewezen om taken te verrichten in een tijdelijk onbemande machinekamer;
  • .3. dienen bevoegd te zijn als gezel die deel uitmaakt van een machinekamerwacht en hebben een goedgekeurde diensttijd buitengaats in de machinekamers verricht van:
  • .3.1. ten minste 12 maanden, of
  • .3.2. van ten minste 6 maanden en hebben een goedgekeurde opleiding voltooid; en
  • .4. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/5 van de STCW-Code.
3.

Elke Partij vergelijkt de eisen van bekwaamheid die zij stelde aan gezellen in de machinekamers voor bewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012 met de eisen voorgeschreven voor het desbetreffende bewijs in sectie A-III/5 van de STCW-Code en onderzoekt of het noodzakelijk is van deze gezellen te verlangen dat zij zich laten bijscholen.

4.

Zeevarenden kunnen door de Partij worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid machinekamerdienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste 12 maanden binnen de afgelopen 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit voorschrift voor die Partij.

Voorschrift III/6. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan elektrotechnisch officieren

1.

Iedere elektrotechnisch officier die dienst doet op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 750 kW of meer dient in het bezit te zijn van een vaarbevoegdheidsbewijs.

2.

Kandidaten die een vaarbevoegdheidsbewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. hebben een gecombineerde werkplaatsvaardigheidstraining van ten minste 12 maanden voltooid en een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 6 maanden voltooid, als onderdeel van een goedgekeurd trainingsprogramma dat voldoet aan de vereisten van sectie A-III/6 van de STCW-Code en die vastgelegd is in een goedgekeurd stageboek of een gecombineerde werkplaatsvaardigheidstraining en een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 36 maanden voltooid waarvan ten minste 30 maanden diensttijd buitengaats in de machinekamers;
  • .3. hebben een goedgekeurde opleiding en training voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/6 van de STCW-Code; en
  • .4. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-VI/1, tweede punt, sectie A-VI/2, eerste tot en met vierde punt, sectie A-VI/3, eerste tot en met vierde punt, en sectie A-VI/4, eerste tot en met derde punt, van de STCW-Code.
3.

Elke Partij vergelijkt de eisen van bekwaamheid die zij stelde aan elektrotechnisch officieren aan boord voor bewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012 met de eisen voorgeschreven voor het desbetreffende bewijs in sectie A-III/6 van de STCW-Code, en onderzoekt of van deze officieren verlangd dient te worden dat zij zich laten bijscholen.

4.

Zeevarenden kunnen door de Partij worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid dienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste 12 maanden binnen de afgelopen 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit voorschrift voor die Partij en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/6 van de STCW-Code.

5.

Niettegenstaande de bovenstaande vereisten van de leden 1 tot en met 4 kan een naar behoren gekwalificeerde persoon door een Partij geacht worden in staat te zijn bepaalde functies van sectie A-III/6 te verrichten.

Voorschrift III/7. Verplichte minimumeisen inzake vaarbevoegdheidsverlening aan gezellen elektrotechniek

1.

Iedere gezel elektrotechniek die dienst doet op een zeeschip met een hoofdvoortstuwingsinstallatie met een vermogen van 750 kW of meer dient in het bezit te zijn van een passend bewijs.

2.

Kandidaten die een bewijs wensen te verkrijgen:

  • .1. mogen niet jonger zijn dan 18 jaar;
  • .2. hebben:
  • .2.1. een goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld met inbegrip van ten minste 12 maanden opleiding en ervaring, of
  • .2.2. een goedgekeurde voltooid, met inbegrip van een goedgekeurde diensttijd buitengaats van ten minste 6 maanden, of
  • .2.3. beschikken over kwalificaties die beantwoorden aan de technische vaardigheden van tabel A-III/7 en hebben een goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld van ten minste 3 maanden; en
  • .3. voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/7 van de STCW-Code.
3.

Elke Partij vergelijkt de eisen van bekwaamheid die zij stelde aan gezellen elektrotechniek aan boord voor bewijzen afgegeven vóór 1 januari 2012 met de eisen voorgeschreven voor het desbetreffende bewijs vervat in sectie A-III/7 van de STCW-Code, en onderzoekt of van deze gezellen verlangd dient te worden dat zij zich laten bijscholen.

4.

Zeevarenden kunnen door de Partij worden geacht aan de eisen van dit voorschrift te voldoen, indien zij in een desbetreffende hoedanigheid dienst hebben gedaan gedurende een periode van ten minste 12 maanden binnen de afgelopen 60 maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit voorschrift voor die Partij en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-III/7 van de STCW-Code.

5.

Niettegenstaande de bovenstaande vereisten van de leden 1 tot en met 4 kan een naar behoren gekwalificeerde persoon door een Partij geacht worden in staat te zijn bepaalde functies van sectie A-III/7 te verrichten.

HOOFDSTUK IV. RADIOCOMMUNICATIE EN RADIO-OPERATORS

Voorschrift V/1-1. Verplichte minimumeisen inzake opleiding en kwalificaties van kapiteins, officieren en gezellen op olietankschepen en chemicaliëntankschepen

1.

Officieren en gezellen aan wie bijzondere taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de lading of de bijbehorende uitrusting op olietankschepen of chemicaliëntankschepen worden opgedragen, dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen.

2.

Kandidaten voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen dienen de basistraining te hebben voltooid in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VI/1 van de STCW-Code en

  • .1. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats op een olietankschip of chemicaliëntankschip te hebben verricht en te voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/1-1, eerste punt, van de STCW-Code; of
  • .2. een goedgekeurde basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen te hebben voltooid en te voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/1-1, eerste punt, van de STCW-Code.
3.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede scheepswerktuigkundigen en personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, lossen, de zorg tijdens het vervoer, de behandeling van lading, reiniging van tanks of andere ladinggerelateerde werkzaamheden op olietankschepen dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de vervolgtraining voor de behandeling van lading op olietankschepen.

4.

Kandidaten voor een bewijs van de vervolgtraining voor de behandeling van lading op olietankschepen:

  • .1. voldoen aan de vereisten voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen; en
  • .2. dienen in aanmerking te komen voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen en:
  • .2.1. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats op olietankschepen te hebben verricht, of
  • .2.2. ten minste een maand goedgekeurde opleiding aan boord van olietankschepen te hebben voltooid als boventallig personeelslid, die ten minste drie laad- en drie loshandelingen omvat, hetgeen is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, waarbij de richtlijnen in sectie B-V/1 in acht worden genomen; en
  • .3. de goedgekeurde vervolgtraining voor ladingwerkzaamheden op olietankschepen te hebben voltooid en te voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/1-1, tweede punt, van de STCW-Code.
5.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede scheepswerktuigkundigen en personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, lossen, de zorg tijdens het vervoer, de behandeling van lading, reiniging van tanks of andere ladinggerelateerde werkzaamheden op chemicaliëntankschepen dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de vervolgtraining voor de behandeling van lading op chemicaliëntankschepen.

6.

Kandidaten voor een bewijs van de vervolgtraining voor de behandeling van lading op chemicaliëntankschepen:

  • .1. voldoen aan de vereisten voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen; en
  • .2. dienen in aanmerking te komen voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op olietankschepen en chemicaliëntankschepen en:
  • .2.1. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats op chemicaliëntankschepen te hebben verricht, of
  • .2.2. ten minste een maand goedgekeurde opleiding aan boord van chemicaliëntankschepen te hebben voltooid als boventallig personeelslid, die ten minste drie laad- en drie loshandelingen omvat, hetgeen is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, waarbij de richtlijnen in sectie B-V/1 in acht worden genomen; en
  • .3. de goedgekeurde vervolgtraining voor ladingwerkzaamheden op chemicaliëntankschepen te hebben voltooid en te voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/1-1, derde punt, van de STCW-Code.
7.

De Administraties waarborgen dat een bewijs van bekwaamheid wordt afgegeven aan zeevarenden die in overeenstemming met de leden 2, 4 of 6, naargelang van toepassing, gekwalificeerd zijn, of dat een bestaand vaarbevoegdheidsbewijs of een bewijs van bekwaamheid naar behoren van een verklaring wordt voorzien.

Voorschrift V/1-2. Verplichte minimumeisen inzake opleiding en kwalificaties van kapiteins, officieren en gezellen op vloeibaar-gastankschepen

1.

Officieren en gezellen aan wie specifieke taken en verantwoordelijkheden met betrekking tot de lading of de bijbehorende uitrusting op vloeibaar-gastankschepen worden opgedragen, dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen.

2.

Kandidaten voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen dienen de basistraining te hebben voltooid in overeenstemming met de bepalingen van sectie A-VI/1 van de STCW-Code en:

  • .1. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats op vloeibaar-gastankschepen te hebben verricht en te voldoen aan de normen van vaarbevoegdheid omschreven in sectie A-V/1-2, eerste punt, van de STCW-Code; of
  • .2. een goedgekeurde basistraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen te hebben voltooid en te voldoen aan de normen van vaarbevoegdheid omschreven in sectie A-V/1-2, eerste punt, van de STCW-Code.
3.

Kapiteins, hoofdwerktuigkundigen, eerste stuurlieden, tweede scheepswerktuigkundigen en personen die rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het laden, lossen, de zorg tijdens het vervoer, de behandeling van lading, reiniging van tanks of andere ladinggerelateerde werkzaamheden op vloeibaar-gastankschepen dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de vervolgtraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen.

4.

Kandidaten voor een bewijs van de vervolgtraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen:

  • .1. voldoen aan de vereisten voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen; en
  • .2. dienen in aanmerking te komen voor een bewijs van de basistraining voor de behandeling van lading op vloeibaar-gastankschepen en:
  • .2.1. ten minste drie maanden goedgekeurde diensttijd buitengaats op vloeibaar-gastankschepen te hebben verricht, of
  • 2.2. ten minste een maand goedgekeurde opleiding aan boord van vloeibaar-gastankschepen te hebben voltooid als boventallig personeelslid, die ten minste drie laad- en drie loshandelingen omvat, hetgeen is vastgelegd in een goedgekeurd stageboek, waarbij de richtlijnen in sectie B-V/1 in acht worden genomen; en
  • .3. de goedgekeurde vervolgtraining voor ladingwerkzaamheden op vloeibaar-gastankschepen te hebben voltooid en voldoen aan de normen van vaarbevoegdheid omschreven in sectie A-V/1-2, tweede punt, van de STCW-Code.
5.

De Administraties waarborgen dat een bewijs van bekwaamheid wordt afgegeven aan zeevarenden die in overeenstemming met lid 2 of 4, naargelang van toepassing, gekwalificeerd zijn, of dat een bestaand vaarbevoegdheidsbewijs of een bewijs van bekwaamheid naar behoren van een verklaring wordt voorzien.

HOOFDSTUK VI. NOODSITUATIES, VEILIGHEID OP HET WERK, BEVEILIGING, MEDISCHE VERZORGING EN OVERLEVINGSMAATREGELEN

HOOFDSTUK VIII. WACHTDIENST

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.

DONE at London this seventh day of July, one thousand nine hundred and seventy-eight.

Voorschrift I/16. Verificatie van de naleving

1.

De Partijen gebruiken de bepalingen van de Implementatiecode bij de uitvoering van hun verplichtingen en verantwoordelijkheden zoals vervat in dit Verdrag.

2.

Elke Partij wordt onderworpen aan periodieke audits door de Organisatie in overeenstemming met de auditnorm teneinde de naleving en implementatie van dit Verdrag te verifiëren.

3.

De Secretaris-Generaal van de Organisatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het auditprogramma, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen*.

4.

Elke Partij is verantwoordelijk voor het faciliteren van de uitvoering van de audit en de implementatie van een actieprogramma teneinde een vervolg te geven aan de bevindingen, op basis van de door de Organisatie opgestelde richtlijnen*.

5.

De audit van alle partijen:

  • .1. is gebaseerd op een door de Secretaris-Generaal van de Organisatie ontwikkeld algemeen schema, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen; en
  • .2. vindt periodiek plaats, rekening houdend met de door de Organisatie opgestelde richtlijnen.

HOOFDSTUK II. KAPITEIN EN DEKDIENST

HOOFDSTUK III. MACHINEKAMERDIENST

HOOFDSTUK IV. RADIOCOMMUNICATIE EN RADIO-OPERATORS

HOOFDSTUK V. BIJZONDERE EISEN INZAKE OPLEIDING VAN PERSONEEL OP BEPAALDE SCHEEPSTYPEN

HOOFDSTUK VII. ALTERNATIEVE BEWIJZEN

HOOFDSTUK VIII. WACHTDIENST

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.

DONE at London this seventh day of July, one thousand nine hundred and seventy-eight.

HOOFDSTUK VII. ALTERNATIEVE BEWIJZEN

HOOFDSTUK VIII. WACHTDIENST

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.

DONE at London this seventh day of July, one thousand nine hundred and seventy-eight.

Voorschrift V/4. Verplichte minimumeisen inzake training en kwalificaties van kapiteins en dekofficieren op schepen die in polaire wateren varen

1.

Kapiteins, eerste stuurlieden en officieren belast met de brugwacht op schepen die in polaire wateren varen dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de basistraining voor schepen die in polaire wateren varen, zoals vereist door de Polar Code.

2.

Kandidaten voor een bewijs van de basistraining voor schepen die in polaire wateren varen dienen een goedgekeurde basistraining voor schepen die in polaire wateren varen te hebben voltooid en te voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/4, eerste punt, van de STCW-Code.

3.

Kapiteins en eerste stuurlieden op schepen die in polaire wateren varen dienen in het bezit te zijn van een bewijs van de gevorderdentraining voor schepen die in polaire wateren varen, zoals vereist door de Polar Code.

4.

Kandidaten voor een bewijs van de gevorderdentraining voor schepen die in polaire wateren varen:

  • .1. voldoen aan de vereisten voor een bewijs van de basistraining voor schepen die in polaire wateren varen;
  • .2. hebben een goedgekeurde diensttijd aan dek buitengaats van ten minste twee (2) maanden vervuld, op managementniveau of bij het verrichten van wachtdienst op operationeel niveau, binnen polaire wateren of hebben een andere gelijkwaardige goedgekeurde diensttijd buitengaats vervuld; en
  • .3. hebben de goedgekeurde gevorderdentraining voor schepen die in polaire wateren varen voltooid en voldoen aan de eisen van bekwaamheid omschreven in sectie A-V/4, tweede punt, van de STCW-Code.
5.

De Administraties waarborgen dat een bewijs van bekwaamheid wordt afgegeven aan zeevarenden die in overeenstemming met de leden 2 of 4, naargelang van toepassing, gekwalificeerd zijn.

6.

Tot 1 juli 2020 kunnen zeevarenden die voor 1 juli 2018 zijn begonnen aan hun goedgekeurde diensttijd buitengaats in polaire wateren aantonen dat zij voldoen aan de eisen van het tweede lid door:

  • .1. een goedgekeurde diensttijd buitengaats aan boord van een schip dat in polaire wateren vaart of gelijkwaardige goedgekeurde diensttijd buitengaats te hebben voltooid, waarbij tijdens de voorgaande vijf jaar in totaal ten minste drie maanden op operationeel- of managementniveau taken aan dek werden vervuld; of
  • .2. met goed gevolg een goedgekeurde training te hebben voltooid die voldoet aan de richtlijnen voor training die de Organisatie heeft vastgesteld voor schepen die in polaire wateren varen.*Zie sectie B-V/g van de STCW-Code.
7.

Tot 1 juli 2020 kunnen zeevarenden die voor 1 juli 2018 zijn begonnen aan hun goedgekeurde diensttijd buitengaats in polaire wateren aantonen dat zij voldoen aan de eisen van het vierde lid door:

  • .1. een goedgekeurde diensttijd buitengaats aan boord van een schip dat in polaire wateren vaart of gelijkwaardige goedgekeurde diensttijd buitengaats te hebben vervuld, waarbij tijdens de voorgaande vijf jaar in totaal ten minste drie maanden op managementniveau taken aan dek werden verricht; of
  • .2. met goed gevolg een goedgekeurde training te hebben voltooid die voldoet aan de richtlijnen voor training die de Organisatie heeft vastgesteld voor schepen die in polaire wateren varen*Zie sectie B-V/g van de STCW-Code. en een goedgekeurde diensttijd buitengaats aan boord van een schip dat in polaire wateren vaart of vergelijkbare goedgekeurde diensttijd buitengaats te hebben vervuld, waarbij tijdens de voorgaande vijf jaar in totaal ten minste twee maanden op managementniveau taken aan dek werden verricht;

HOOFDSTUK VI. NOODSITUATIES, VEILIGHEID OP HET WERK, BEVEILIGING, MEDISCHE VERZORGING EN OVERLEVINGSMAATREGELEN

HOOFDSTUK VII. ALTERNATIEVE BEWIJZEN

HOOFDSTUK VIII. WACHTDIENST

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized by their respective Governments for that purpose, have signed the Convention.

DONE at London this seventh day of July, one thousand nine hundred and seventy-eight.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)