Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa
Preambule
De Lid-Staten van de Raad van Europa en de andere ondertekenaars van dit Verdrag,
Overwegende dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Overwegende dat het de wil van de Raad van Europa is samen te werken met andere Staten op het gebied van het behoud van de natuur;
Erkennende dat de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten een natuurlijk erfgoed vormen van esthetische, wetenschappelijke, culturele, recreatieve, economische en intrinsieke waarde, en dat het van belang is dit natuurlijke erfgoed te beschermen en door te geven aan de komende generaties;
Erkennende de essentiële rol van de in het wild voorkomende dieren plantesoorten bij de instandhouding van het biologisch evenwicht;
Vaststellende dat tal van in het wild voorkomende dier- en plantesoorten steeds minder voorkomen en dat sommige hiervan met uitsterven worden bedreigd;
Zich ervan bewust dat het in stand houden van de natuurlijke leefmilieus een van de wezenlijke bestanddelen is van de bescherming en het behoud van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten;
Erkennende dat met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten rekening dient te worden gehouden door de Regeringen bij hun nationale doelstellingen en programma’s en dat een vorm van internationale samenwerking tot stand dient te worden gebracht in het bijzonder om de trekkende diersoorten te behouden;
Zich bewust zijnde van de vele verzoeken om gemeenschappelijk optreden van Regeringen of internationale instanties, met name de verzoeken van de Conferentie van de Verenigde Naties over het leefmilieu van 1972 en van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa;
Verlangende in het bijzonder om, op het gebied van de instandhouding van het leven in het wild, de aanbevelingen op te volgen die zijn vervat in Resolutie nr. 2 van de Tweede Europese Ministers Conferentie inzake het Leefmilieu,
Zijn overeengekomen als volgt:
HOOFDSTUK I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Dit Verdrag heeft ten doel te zorgen voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten en de daarbij behorende natuurlijke leefmilieus, met name die soorten en die leefmilieus voor de instandhouding waarvan de samenwerking van verschillende Staten is vereist, en een zodanige samenwerking te bevorderen.
Bijzondere aandacht wordt besteed aan die soorten, met inbegrip van de trekkende soorten, die met uitsterven worden bedreigd en die kwetsbaar zijn.
Artikel 2
De Verdragsluitende Partijen nemen de nodige maatregelen om de populaties van in het wild voorkomende dier- en plantesoorten te handhaven of te brengen op een niveau dat met name overeenkomt met hetgeen vanuit ecologisch, wetenschappelijk en cultureel standpunt is vereist, daarbij rekening houdend met de vereisten op economisch en recreatief gebied en met de behoeften van ondersoorten, variëteiten of vormen die plaatselijk worden bedreigd.
Artikel 3
Iedere Verdragsluitende Partij neemt de nodige maatregelen ter bevordering van een nationaal beleid voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten en de natuurlijke leefmilieus, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan die soorten die met uitsterven worden bedreigd en die kwetsbaar zijn, vooral aan endemische soorten, en aan bedreigde leefmilieus, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.
Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe om bij haar beleid op het gebied van ruimtelijke ordeningen ontwikkeling en bij haar maatregelen tegen verontreiniging, rekening te houden met de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten.
Iedere Verdragsluitende Partij bevordert de voorlichting en de verspreiding van algemene informatie betreffende de noodzaak tot het instandhouden van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten alsmede de daarbij behorende leefmilieus.
HOOFDSTUK II. Bescherming van de leefmilieus
Artikel 4
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om de leefmilieus van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten te beschermen, in het bijzonder van de soorten, genoemd in de bijlagen I en II, en om de bedreigde natuurlijke leefmilieus in stand te houden.
De Verdragsluitende Partijen houden bij hun beleid op het gebied van de ruimtelijke ordening en ontwikkeling, rekening met de behoeften van de instandhouding van de in het vorige lid bedoelde beschermde gebieden ten einde iedere achteruitgang van deze gebieden zo veel mogelijk te vermijden of te verminderen.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe bijzondere aandacht te besteden aan de bescherming van de gebieden die van belang zijn voor de in de bijlagen II en III genoemde trekkende soorten en die gunstig liggen ten opzichte van de trekroutes, zoals overwinterings-, rust-, voeder-, broed- of ruiplaatsen.
De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe hun inspanningen ter bescherming van de in dit artikel bedoelde natuurlijke leefmilieus voor zover nodig te coördineren wanneer deze zijn gelegen in gebieden die zich over de landgrenzen uitstrekken.
HOOFDSTUK III. Instandhouding van de soorten
Artikel 5
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende plantesoorten, genoemd in bijlage I. Het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden of ontwortelen van bedoelde planten is verboden. Iedere Verdragsluitende Partij verbiedt voor zover nodig het in het bezit hebben of de verkoop van deze soorten.
Artikel 6
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften om te zorgen voor bijzondere bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in Bijlage II. Waar het deze soorten betreft, is met name verboden:
- a. iedere vorm van opzettelijk vangen, in bezit houden en opzettelijk doden;
- b. het opzettelijk aantasten of vernielen van broed- of rustplaatsen;
- c. het opzettelijk verstoren van de in het wild voorkomende diersoorten, met name gedurende de broedperiode, de periode waarin de jongen afhankelijk zijn, en de overwinteringsperiode, voor zover hiermee duidelijk wordt ingegaan tegen de doelstellingen van dit Verdrag;
- d. het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur of het in het bezit houden van eieren, zelfs wanneer deze leeg zijn;
- e. het houden en het binnenslands verhandelen van deze dieren, hetzij levend hetzij dood, met inbegrip van opgezette dieren, en van ieder gemakkelijk te herkennen deel of produkt van deze dieren, voor zover zulks bijdraagt tot de doeltreffendheid van de bepalingen van dit artikel.
Artikel 7
Iedere Verdragsluitende Partij neemt passende en noodzakelijke maatregelen in de vorm van wetten en voorschriften ter bescherming van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage III.
Voor iedere exploitatie van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage III, worden voorschriften vastgesteld ten einde deze populaties niet in gevaar te brengen, rekening houdend met het bepaalde in artikel 2.
Deze maatregelen omvatten met name:
- a. het instellen van gesloten seizoenen en/of het treffen van andere maatregelen waarbij de exploitatie wordt geregeld;
- b. het instellen van een tijdelijk of plaatselijk verbod van exploitatie, indien daartoe aanleiding bestaat, ten einde de bestaande populaties in staat te stellen weer op peil te komen;
- c. het uitvaardigen van voorschriften, indien daartoe aanleiding bestaat, voor het verkopen het houden, of vervoeren met het oog op verkoop, of het ten verkoop aanbieden van wilde dieren, hetzij levend hetzij dood.
Artikel 8
Wat betreft het vangen of het doden van de in het wild voorkomende diersoorten, genoemd in bijlage III, en in de gevallen waarin afwijkingen overeenkomstig artikel 9 zijn toegestaan ten aanzien van de soorten, genoemd in bijlage II, verbieden de Verdragsluitende Partijen het gebruik van alle niet-selectieve middelen voor het vangen en het doden alsmede van de middelen die plaatselijk de verdwijning ten gevolge kunnen hebben of de rust ernstig kunnen verstoren van de populaties van een soort, in het bijzonder de middelen, genoemd in bijlage IV.
Artikel 9
Iedere Verdragsluitende Partij mag afwijken van het bepaalde in de artikelen 4, 5, 6 en 7 alsmede van het verbod tot het gebruik van de middelen bedoeld in artikel 8, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de afwijkingen geen aantasting met zich brengen van het voortbestaan van de desbetreffende populatie:
- -. ter bescherming van de flora en fauna;
- -. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, veestapel, bossen, visgronden, wateren en andere vormen van bezit;
- -. in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid, de veiligheid in de lucht of andere openbare belangen van essentiële aard;
- -. ten behoeve van onderzoek en onderwijs, repopulatie, het opnieuw uitzetten van exemplaren alsmede voor noodzakelijk telen, kweken en fokken;
- -. ten einde het onder streng gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en in beperkte mate bepaalde wilde dieren en planten in kleine hoeveelheden te verzamelen, te houden of op iedere andere verantwoorde wijze te exploiteren.
De Verdragsluitende Partijen leggen iedere twee jaar aan de Permanente Commissie een verslag voor over de afwijkingen krachtens het vorige lid. In deze verslagen moeten worden vermeld:
- -. de populaties die vallen onder of die hebben gevallen onder de afwijkingen en, zo mogelijk, het aantal betrokken exemplaren;
- -. de toegestane middelen voor het doden of het vangen;
- -. de omstandigheden, wat betreft risico, tijd en plaats, waaronder tot deze afwijkingen is besloten;
- -. de autoriteit die bevoegd is te verklaren dat aan deze omstandigheden is voldaan en bevoegd is besluiten te nemen omtrent de middelen die mogen worden aangewend, en binnen welke grenzen, alsmede omtrent de personen, belast met de uitvoering;
- -. de uitgevoerde controle.
HOOFDSTUK IV. Bijzondere bepalingen betreffende trekkende soorten
Artikel 10
Naast de maatregelen aangeduid in de artikelen 4, 6, 7 en 8, verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe hun inspanningen te coördineren voor de instandhouding van de trekkende soorten, genoemd in de bijlagen II en III, waarvan het verspreidingsgebied zich uitstrekt over hun grondgebied.
De Verdragsluitende Partijen nemen maatregelen ten einde ervoor te zorgen dat de gesloten seizoenen en/of andere maatregelen waarbij de exploitatie wordt geregeld, ingesteld krachtens het derde lid, letter a, van artikel 7, goed overeenkomen met de behoeften van de trekkende soorten, genoemd in bijlage III.
HOOFDSTUK V. Aanvullende bepalingen
Artikel 11
Bij de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag verbinden de Verdragsluitende Partijen zich ertoe:
- a. samen te werken telkens wanneer dit wenselijk is en met name wanneer deze samenwerking de doeltreffendheid zou kunnen verhogen van de maatregelen, genomen krachtens de andere artikelen van dit Verdrag;
- b. de onderzoekswerkzaamheden die verband houden met de doelstellingen van dit Verdrag, te stimuleren en te coördineren.
Iedere Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe:
- a. te bevorderen dat in het wild voorkomende inheemse dier- en plantesoorten opnieuw worden uitgezet, wanneer deze maatregel zal bijdragen tot de instandhouding van een soort die met uitsterven wordt bedreigd, mits eerst, rekening houdend met de ervaringen van de andere Verdragsluitende Partijen, wordt bestudeerd of een zodanige maatregel doeltreffend en aanvaardbaar is;
- b. het uitzetten van niet-inheemse soorten aan strenge controle te onderwerpen.
Iedere Verdragsluitende Partij deelt aan de Permanente Commissie mede welke soorten op haar grondgebied totale bescherming genieten en niet voorkomen in de bijlagen I en II.
Artikel 12
De Verdragsluitende Partijen kunnen voor de instandhouding van de in het wild voorkomende dier- en plantesoorten alsmede van de daarbij behorende natuurlijke leefmilieus, strengere maatregelen nemen dan die waarin dit Verdrag voorziet.
HOOFDSTUK VI. Permanente Commissie
Artikel 13
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt een Permanente Commissie ingesteld.
Iedere Verdragsluitende Partij kan zich in de Permanente Commissie laten vertegenwoordigen door een of meer afgevaardigden. Iedere afvaardiging beschikt over één stem. De Europese Economische Gemeenschap oefent, op de gebieden die tot haar bevoegdheden behoren, haar stemrecht uit met een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van haar Lid-Staten die Partij zijn bij dit Verdrag; de Europese Economische Gemeenschap oefent haar stemrecht niet uit in de gevallen waarin de betrokken Lid-Staten hun stemrecht uitoefenen en dit geldt ook omgekeerd.
Iedere Lid-Staat van de Raad van Europa die geen Partij is bij het Verdrag, kan zich in de Commissie laten vertegenwoordigen door een waarnemer.
De Permanente Commissie kan met algemene stemmen iedere Staat die geen lid is van de Raad van Europa en die geen Partij is bij het Verdrag, uitnodigen zich bij een van haar bijeenkomsten te laten vertegenwoordigen door een waarnemer.
Iedere organisatie of instelling die technisch gekwalificeerd is op het gebied van de bescherming, de instandhouding of het beheer van in het wild voorkomende dieren en planten en de daarbij behorende leefmilieus, en die behoort tot een van de volgende categorieën:
- a. internationale organisaties of instellingen, hetzij gouvernementeel hetzij niet-gouvernementeel, alsmede nationale gouvernementele organisaties of instellingen;
- b. nationale niet-gouvernementele organisaties of instellingen die daartoe zijn erkend door de Staat waarin zij zijn gevestigd, kan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, ten minste drie maanden voor de bijeenkomst van de Commissie, mededelen dat zij wenst zich door waarnemers op die bijeenkomst te laten vertegenwoordigen. Zij worden toegelaten, tenzij een derde van de Verdragsluitende Partijen ten minste één maand voor de bijeenkomst de Secretaris-Generaal heeft medegedeeld dat zij zich hiertegen verzetten.
De Permanente Commissie wordt bijeengeroepen door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en houdt haar eerste bijeenkomst binnen één jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag. Zij komt vervolgens ten minste eenmaal in de twee jaar bijeen en bovendien wanneer de meerderheid van de Verdragsluitende Partijen hierom verzoekt.
De meerderheid van de Verdragsluitende Partijen vormt het noodzakelijke quorum om een bijeenkomst van de Permanente Commissie te houden.
Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag, stelt de Permanente Commissie haar eigen huishoudelijk reglement vast.
Artikel 14
De Permanente Commissie is belast met het toezicht op de toepassing van dit Verdrag en kan met name:
- -. de bepalingen van dit Verdrag, met inbegrip van de bijlagen daarvan regelmatig bezien en onderzoeken welke wijzigingen eventueel nodig zijn;
- -. de Verdragsluitende Partijen aanbevelingen doen omtrent de te nemen maatregelen voor de uitvoering van dit Verdrag;
- -. passende maatregelen aanbevelen om het publiek op de hoogte te houden van de werkzaamheden ondernomen in het kader van dit Verdrag;
- -. het Comité van Ministers aanbevelingen doen omtrent het uitnodigen van Staten die geen lid van de Raad van Europa zijn, tot dit Verdrag toe te treden;
- -. ieder voorstel doen dat erop is gericht de doeltreffendheid van dit Verdrag te verhogen en dat met name ten doel heeft om met Staten die geen Partij bij dit Verdrag zijn, overeenkomsten te sluiten waardoor de instandhouding van soorten of van groepen van soorten doeltreffender wordt.
Voor de uitvoering van haar taak kan de Permanente Commissie, op eigen initiatief bijeenkomsten beleggen van groepen deskundigen.
Artikel 15
Na iedere bijeenkomst doet de Permanente Commissie aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa een verslag toekomen over haar werkzaamheden en over de werking van het Verdrag.
HOOFDSTUK VII. Wijzigingen
Artikel 16
Iedere wijziging van de artikelen van dit Verdrag, voorgesteld door een Verdragsluitende Partij of door het Comité van Ministers, wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en door hem ten minste twee maanden voor de bijeenkomst van de Permanente Commissie gezonden aan de Lid-Staten van de Raad van Europa, aan iedere ondertekenaar, aan iedere Verdragsluitende Partij, aan iedere Staat die is uitgenodigd dit Verdrag te ondertekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 en aan iedere Staat die is uitgenodigd ertoe toe te treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 20.
Iedere wijziging die is voorgesteld overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid wordt onderzocht door de Permanente Commissie, die:
- a. voor wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 12, de tekst die met een meerderheid van drie vierde der uitgebrachte stemmen is aangenomen, ter aanvaarding voorlegt aan de Verdragsluitende Partijen;
- b. voor wijzigingen van de artikelen 13 tot en met 24, de tekst die met een meerderheid van drie vierde der uitgebrachte stemmen is aangenomen, ter goedkeuring voorlegt aan het Comité van Ministers. Nadat deze tekst is goedgekeurd wordt deze aan de Verdragsluitende Partijen ter aanvaarding voorgelegd.
ledere wijziging wordt van kracht op de dertigste dag nadat alle Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal hebben medegedeeld dat zij de wijziging hebben aanvaard.
Het bepaalde in de leden 1, 2, letter a, en 3 van dit artikel is van toepassing op het aannemen van nieuwe bijlagen bij dit Verdrag.
Artikel 17
Iedere wijziging van de bijlagen bij dit Verdrag, voorgesteld door een Verdragsluitende Partij of door het Comité van Ministers, wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa en door hem ten minste twee maanden voor de bijeenkomst van de Permanente Commissie gezonden aan de Lid-Staten van de Raad van Europa, aan iedere ondertekenaar, aan iedere Verdragsluitende Partij, aan iedere Staat die is uitgenodigd dit Verdrag te ondertekenen overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 en aan iedere Staat die is uitgenodigd ertoe toe te treden overeenkomstig het bepaalde in artikel 20.
Iedere wijziging voorgesteld overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid, wordt onderzocht door de Permanente Commissie, die deze wijziging kan aannemen met een meerderheid van twee derde van de Verdragsluitende Partijen. De aangenomen tekst wordt medegedeeld aan de Verdragsluitende Partijen.
Drie maanden nadat een wijziging is aangenomen door de Permanente Commissie en tenzij een derde van de Verdragsluitende Partijen bezwaren kenbaar heeft gemaakt, wordt deze wijziging ten aanzien van de Verdragsluitende Partijen die geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt, van kracht.
HOOFDSTUK VIII. Regeling van geschillen
Artikel 18
De Permanente Commissie bevordert, voor zover nodig, een minnelijke schikking bij ieder geschil waartoe de uitvoering van dit Verdrag aanleiding zou kunnen geven.
Ieder geschil tussen Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, dat niet is opgelost op grond van het bepaalde in het vorige lid of door middel van onderhandelingen tussen de partijen bij het geschil, wordt, op verzoek van een van hen aan arbitrage onderworpen, tenzij deze partijen anders overeenkomen. Iedere partij wijst een scheidsman aan en beide scheidsmannen wijzen een derde scheidsman aan. Indien, met inachtneming van het bepaalde in het derde lid van dit artikel, een van de partijen binnen drie maanden na het verzoek om arbitrage haar scheidsman niet heeft aangewezen, wordt deze op verzoek van de andere partij, binnen een nieuwe termijn van drie maanden aangewezen door de president van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Op dezelfde wijze wordt te werk gegaan indien de beide scheidsmannen binnen drie maanden na de aanwijzing van de beide eerste scheidsmannen geen overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van de derde scheidsman.
In geval van een geschil tussen twee Verdragsluitende Partijen waarvan de een Lid-Staat is van de Europese Economische Gemeenschap, die zelf Verdragsluitende Partij is, richt de andere Verdragsluitende Partij het verzoek om arbitrage zowel aan deze Lid-Staat als aan de Gemeenschap, die beide bedoelde Partij, binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek, ervan in kennis stellen of de Lid-Staat dan wel de Gemeenschap of de Lid-Staat te zamen met de Gemeenschap als partij zullen optreden bij het geschil. Wanneer deze kennisgeving niet binnen genoemde termijn wordt gedaan, worden de Lid-Staat en de Gemeenschap geacht op te treden als een en dezelfde partij bij het geschil voor de toepassing van de bepalingen betreffende de vorming en de werkwijze van het scheidsgerecht. Dit is ook het geval wanneer de Lid-Staat en de Gemeenschap gezamenlijk optreden als partij bij het geschil.
Het scheidsgerecht stelt zijn eigen procedureregels vast. De beslissingen worden genomen met meerderheid van stemmen. Zijn uitspraak is definitief en bindend.
Iedere partij bij het geschil draagt de kosten van de scheidsman die zij heeft aangewezen en de partijen dragen gelijkelijk de kosten van de derde scheidsman alsmede de andere aan de arbitrage verbonden kosten.
HOOFDSTUK IX. Slotbepalingen
Artikel 19
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de Lid-Staten van de Raad van Europa en de Staten die geen lid van de Raad zijn en die hebben deelgenomen aan het opstellen van het Verdrag, alsmede de Europese Economische Gemeenschap.
Tot aan de datum van zijn inwerkingtreding staat het Verdrag tevens open voor ondertekening door iedere andere Staat die tot ondertekening ervan wordt uitgenodigd door het Comité van Ministers.
Het Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Het Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand nadat er drie maanden zijn verlopen sinds de datum waarop vijf Staten, waaronder ten minste vier Lid-Staten van de Raad van Europa, hebben verklaard zich gebonden te achten door het Verdrag overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid.
Ten aanzien van iedere ondertekenende Staat, of de Europese Economische Gemeenschap, die op een later tijdstip verklaart zich door het Verdrag gebonden te achten, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand nadat er drie maanden zijn verstreken sinds de datum van nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Artikel 20
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na overleg met de Verdragsluitende Partijen, iedere Staat die geen lid van de Raad is en die overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 is uitgenodigd het Verdrag te ondertekenen maar dit nog niet heeft gedaan, alsmede iedere andere Staat die geen lid van de Raad is, uitnodigen tot het Verdrag toe te treden.
Ten aanzien van iedere toetredende Staat, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand, volgend op een periode van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 21
Iedere Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het gebied of de gebieden aanwijzen waarop dit Verdrag van toepassing is.
Iedere Verdragsluitende Partij kan bij de nederlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding of op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte verklaring de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot ieder ander in de verklaring aangewezen gebied waarvan zij de internationale betrekkingen behartigt of ten behoeve waarvan zij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.
Elke overeenkomstig het vorige lid afgelegde verklaring kan, met betrekking tot ieder in die verklaring aangewezen gebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand, volgend op een periode van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 22
Iedere Staat kan bij de ondertekening of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, een of meer voorbehouden maken ten aanzien van bepaalde soorten, genoemd in de bijlagen I tot en met III en/of voor bepaalde van deze in het voorbehoud of in de voorbehouden aangeduide soorten, ten aanzien van bepaalde middelen of methoden bij de jacht en andere vormen van exploitatie, genoemd in bijlage IV. Voorbehouden van algemene aard zijn niet toegestaan.
Iedere Verdragsluitende Partij die de toepassing van dit Verdrag uitbreidt tot een gebied, aangewezen in de in het tweede lid van artikel 21 bedoelde verklaring, kan, wat dat gebied betreft, een of meer voorbehouden maken overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid.
Geen enkel ander voorbehoud is toegestaan.
Iedere Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, kan dit voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 23
Iedere Verdragsluitende Partij kan te allen tijde dit Verdrag opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving.
De opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand, volgend op een periode van zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 24
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de Lid-Staten van de Raad van Europa, iedere ondertekenende Staat, de Europese Economische Gemeenschap, indien deze dit Verdrag ondertekent, alsmede iedere Verdragsluitende Partij in kennis van:
- a. iedere ondertekening;
- b. de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
- c. iedere datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig de artikelen 19 en 20;
- d. iedere mededeling gedaan overeenkomstig het bepaalde in het derde lid van artikel 13;
- e. ieder verslag opgesteld ingevolge het bepaalde in artikel 15;
- f. iedere wijziging of iedere nieuwe bijlage, aanvaard overeenkomstig de artikelen 16 en 17 alsmede de datum waarop deze wijziging of deze nieuwe bijlage van kracht wordt;
- g. iedere verklaring, afgelegd overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van artikel 21;
- h. ieder voorbehoud, gemaakt overeenkomstig het bepaalde in het eerste en tweede lid van artikel 22;
- i. de intrekking van ieder voorbehoud, gedaan overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 22;
- j. iedere kennisgeving, gedaan overeenkomstig het bepaalde in artikel 23 alsmede de datum waarop de opzegging van kracht wordt.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Bern, this 19th day of September 1979, in English and French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to any signatory State, to the European Economic Community if a signatory and to any State invited to sign this Convention or to accede thereto.