Verdrag inzake het wegverkeer
- b. Door dieren getrokken voertuigen dienen twee witte of selectief gele lichten aan de voorzijde te voeren en twee rode lichten aan de achterzijde. De nationale wetgeving kan echter toestaan dat dergelijke voertuigen slechts één wit of selectief geel licht aan de voorzijde en één rood licht aan de achterzijde voeren. In beide gevallen dienen de lichten te zijn geplaatst aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting. Indien de bovengenoemde lichten niet aan het voertuig kunnen worden bevestigd, mogen zij door een begeleider worden gedragen, mits deze direct naast het voertuig loopt, aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting. Voorts dienen door dieren getrokken voertuigen te zijn uitgerust met twee rode reflectoren aan de achterzijde, zo dicht mogelijk bij de buitenste randen van het voertuig. Op door dieren getrokken voertuigen die niet breder zijn dan 1 m, zijn lichten niet verplicht. Wel dient aan de achterzijde van deze voertuigen een enkele reflector te zijn geplaatst aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting, of in het midden.
- a. Verplaatsingen langs de rijbaan bij nacht:
- i. Groepen voetgangers onder geleide of die een stoet vormen, moeten aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting ten minste één wit of selectief geel licht tonen aan de voorzijde en een rood licht aan de achterzijde, of een amberkleurig licht in beide richtingen;
- ii. Begeleiders van trek- last- of rijdieren, of vee, moeten aan de zijde tegenovergesteld aan die overeenkomstig de rijrichting ten minste één wit licht of selectief geel licht tonen aan de voorzijde en een rood licht aan de achterzijde, of een amberkleurig licht in beide richtingen. Deze lichten mogen worden uitgestraald door hetzelfde apparaat.
- b. De lichten bedoeld in letter a van dit lid zijn evenwel niet vereist binnen een bebouwde kom die op voldoende wijze is verlicht.
Artikel 34. Uitzonderingen
Wanneer een weggebruiker door de bijzondere licht- en geluidssignalen van een voorrangsvoertuig voor de nadering van dit voertuig wordt gewaarschuwd dient hij voldoende ruimte op de rijbaan vrij te laten opdat dit voertuig kan doorrijden, en hij dient, indien nodig, te stoppen.
De nationale wetgeving kan bepalen dat bestuurders van voorrangsvoertuigen, wanneer zij kennis geven van hun nadering door middel van de bijzondere licht- en geluidssignalen van hun voertuig, en mits zij andere weggebruikers niet in gevaar brengen, niet verplicht zijn zich aan een of alle bepalingen te houden die in dit Hoofdstuk II zijn vervat, met uitzondering van die van artikel 6, tweede lid.
De nationale wetgeving kan vaststellen in welke mate personen die werkzaam zijn bij de aanleg, het herstel of het onderhoud van wegen met inbegrip van de bestuurders van machines die voor dit werk worden gebruikt, niet verplicht zijn zich, mits zij de nodige voorzichtigheid betrachten, gedurende hun werkzaamheden, aan de bepalingen van dit Hoofdstuk II te houden.
Ten einde de machines genoemd in het derde lid van dit artikel, in te halen of voorbij te gaan terwijl deze voor werkzaamheden op de weg worden gebruikt, behoeven bestuurders van andere voertuigen, in de mate waarin zulks nodig is en mits zij de nodige voorzichtigheid betrachten, de eisen van de artikelen 11 en 12 van dit Verdrag niet in acht te nemen.
Hoofdstuk III. VOORWAARDEN VOOR DE TOELATING VAN MOTORVOERTUIGEN EN AANHANGWAGENS TOT HET INTERNATIONALE VERKEER
Artikel 35. Inschrijving
- (a). Ten einde de voorrechten van dit Verdrag te kunnen genieten, dient elk motorvoertuig in het internationale verkeer en elke aanhangwagen, met uitzondering van een lichte aanhangwagen, die aan een motorvoertuig is gekoppeld, door een Verdragsluitende Partij of een onderdeel daarvan te worden ingeschreven, en dient de bestuurder van zo’n motorvoertuig een geldig bewijs van een dergelijke inschrijving bij zich te dragen, dat ofwel is uitgegeven door een bevoegde autoriteit van zo’n Verdragsluitende Partij of onderdeel daarvan, dan wel door een vereniging namens en gemachtigd door deze Verdragsluitende Partij of onderdeel daarvan. Dit bewijs, aangeduid als kentekenbewijs, dient ten minste de volgende gegevens te bevatten: De gegevens die op het kentekenbewijs zijn ingevuld dienen ofwel met gewone (Latijnse) drukletters of in lopend schrift (Engels cursief) te zijn geschreven, dan wel op een van deze wijzen te worden herhaald.
- een serienummer, aangeduid als het kenteken, samengesteld op de wijze die is beschreven in Bijlage 2 bij dit Verdrag;
- de datum van de eerste inschrijving van het voertuig;
- de naam, de voornamen, het adres en de woonplaats van de houder van het bewijs;
- de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het voertuig;
- het serienummer van het chassis (het fabrieks- of serienummer van de fabrikant);
- indien het voertuig is bestemd voor goederenvervoer, het maximum toegestane massa;
- indien het voertuig is bestemd voor goederenvervoer, het ledig gewicht (de ledige massa);
- de geldigheidsduur indien deze niet onbeperkt is.
- (b). De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen echter besluiten dat op kentekenbewijzen die in hun grondgebied worden uitgegeven, in plaats van de datum van de eerste inschrijving, het jaar waarin het voertuig is vervaardigd dient te worden ingevuld.
- (c). Voor motorvoertuigen van de categorieën A en B zoals gedefinieerd in bijlage 6 en 7 van dit Verdrag en, indien mogelijk, voor de overige motorvoertuigen:
- i. dient bovenaan het bewijs van inschrijving het onderscheidingsteken van de Staat waarin het voertuig is ingeschreven, zoals bepaald in bijlage 3 bij dit Verdrag, te worden vermeld;
- ii. moeten de acht vermeldingen die elk kentekenbewijs ingevolge letter (a) van dit lid dient te bevatten, worden voorafgegaan of gevolgd door respectievelijk de letters A, B, C, D, E, F, G, en H;
- iii. de titel van het kentekenbewijs in de landstaal of -talen van het land van inschrijving mag worden voorafgegaan of gevolgd door de Franse woorden Certificat d'immatriculation.
- (d). Voor aanhangwagens en opleggers die tijdelijk in een land worden geïmporteerd via een wijze van transport anders dan over de weg, wordt een door de autoriteit die het bewijs heeft afgegeven gewaarmerkte kopie van het inschrijvingsbewijs als voldoende beschouwd.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel kan een geleed voertuig, waarvan de samenstellende delen niet zijn ontkoppeld terwijl het zich in het internationale verkeer bevindt, toch de voorrechten van de bepalingen van dit Verdrag genieten, zelfs wanneer het slechts éénmaal is ingeschreven en één enkel kentekenbewijs heeft voor het trekkende voertuig en de oplegger waaruit het is samengesteld.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat dit het recht beperkt van de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan een bewijs te eisen van het recht van de bestuurder in het bezit te zijn van een voertuig, wanneer dit voertuig in het internationale verkeer niet is ingeschreven op naam van iemand die zich in het voertuig bevindt.
Aanbevolen wordt dat de Verdragsluitende Partijen, indien zij zulks nog niet hebben gedaan, een speciale dienst oprichten die verantwoordelijk is voor de inschrijving, landelijk dan wel regionaal, van alle motorvoertuigen die in gebruik werden genomen, alsmede een centraal inschrijvingsregister, waarin voor elk voertuig de gegevens die op het kentekenbewijs zijn ingevuld, zijn opgetekend.
Artikel 36. Het kenteken
Op elk motorvoertuig in het internationale verkeer dient aan de voor- en achterzijde het kenteken te zijn aangebracht; op motorfietsen echter behoeft het kenteken alleen aan de achterzijde te zijn aangebracht.
Op elke ingeschreven aanhangwagen in het internationale verkeer dient het kenteken aan de achterzijde te zijn aangebracht. Wanneer een motorvoertuig een of meer aanhangwagens voorttrekt, dient op de enige, of de achterste aanhangwagen, indien deze niet is ingeschreven, het kenteken van het trekkende voertuig te zijn aangebracht.
De samenstelling van het kenteken als bedoeld in dit artikel, en de wijze waarop het dient te zijn aangebracht dienen te voldoen aan de bepalingen van Bijlage 2 bij dit Verdrag.
Artikel 37. Het onderscheidingsteken van de Staat waarin het voertuig is ingeschreven
- a. Op elk motorvoertuig in het internationale verkeer dient aan de achterzijde, behalve zijn kenteken, het onderscheidingsteken te zijn aangebracht van de Staat waarin het is ingeschreven.
- b. Dit teken kan hetzij gescheiden van de kentekenplaat worden geplaatst of in de kentekenplaat worden opgenomen.
- c. Wanneer het onderscheidingsteken in de kentekenplaat wordt opgenomen, moet het ook worden vermeld op de kentekenplaat aan de voorzijde van het voertuig, indien een kentekenplaat aan de voorzijde verplicht is.
Op elke aanhangwagen die aan een motorvoertuig is gekoppeld en waarop, ingevolge artikel 36 van dit Verdrag, aan de achterzijde een kenteken dient te zijn aangebracht dient aan de achterzijde tevens, hetzij gescheiden van de kentekenplaat of hierin opgenomen, het onderscheidingsteken te zijn aangebracht van de Staat waarin het kenteken werd afgegeven. De bepalingen van dit lid zijn zelfs van toepassing wanneer de aanhangwagen is ingeschreven in een andere Staat dan die waarin het motorvoertuig waaraan de aanhangwagen is gekoppeld, is ingeschreven; indien de aanhangwagen niet is ingeschreven, dient deze aan de achterzijde het onderscheidingsteken te dragen van de Staat waarin het trekkende voertuig is ingeschreven, behalve wanneer het in die Staat rijdt.
De samenstelling van het onderscheidingsteken en de wijze waarop het dient te worden bevestigd of in de kentekenplaat dient te worden opgenomen, dienen te voldoen aan de eisen vervat in Bijlagen 2 en 3 van dit Verdrag.
Artikel 38. Identificatiemerken
Elk motorvoertuig en elke aanhangwagen in het internationale verkeer dient te zijn voorzien van de identificatiemerken bedoeld in Bijlage 4 bij dit Verdrag.
Artikel 39. Technische eisen en inspectie van voertuigen
Elk motorvoertuig, elke aanhangwagen en elk samenstel van voertuigen in het internationale verkeer dient te voldoen aan de bepalingen van Bijlage 5 bij dit Verdrag. Bovendien dienen zij rijtechnisch in goede staat van onderhoud te verkeren. Wanneer deze voertuigen worden voorzien van systemen, onderdelen en uitrustingsstukken die in overeenstemming zijn met de eisen voor constructie, montage en gebruik conform de technische bepalingen van internationale juridische instrumenten bedoeld in artikel 8, lid 5bis, van dit Verdrag, worden zij geacht in overeenstemming te zijn met Bijlage 5.
De nationale wetgeving dient periodieke technische inspecties voor te schrijven van:
- a. motorvoertuigen die worden gebruikt voor het vervoer personen en die meer dan acht zitplaatsen hebben, de plaats van de bestuurder daaronder niet begrepen;
- b. motorvoertuigen die worden gebruikt voor goederenvervoer en waarvan het maximum toegestaan gewicht (de toegestane maximum massa) meer bedraagt dan 3500 kg en aanhangwagens die zijn ontworpen om aan dergelijke voertuigen te worden gekoppeld.
De nationale wetgeving breidt de bepalingen van het tweede lid zoveel mogelijk uit tot de overige categorieën voertuigen.
Artikel 40. Overgangsbepalingen
Gerekend van het tijdstip waarop dit Verdrag overeenkomstig artikel 47, eerste lid, van kracht wordt kunnen aanhangwagens in het internationale verkeer, ongeacht hun maximum toegestaan massa, gedurende een periode van tien jaar de voorrechten van de bepalingen van dit Verdrag genieten, zelfs wanneer zij niet zijn ingeschreven.
Het inschrijvingsbewijs moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 35, eerste lid, zoals gewijzigd, binnen vijf jaar na de datum van vankrachtwording van de wijziging. De gedurende die periode afgegeven bewijzen worden wederzijds erkend tot de daarop vermelde datum waarop zij hun geldigheid verliezen.
Hoofdstuk IV. BESTUURDERS VAN MOTORVOERTUIGEN
Artikel 41. Rijbewijzen
- a. Elke bestuurder van een motorvoertuig dient in het bezit te zijn van een rijbewijs;
- b. De Verdragsluitende Partijen verbinden zich ertoe de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat rijbewijzen alleen worden afgegeven nadat de bevoegde autoriteiten hebben geverifieerd dat de bestuurder de vereiste kennis en vaardigheden bezit; de personen die bevoegd zijn om te controleren of bestuurders de nodige kennis en vaardigheden bezitten, moeten naar behoren gekwalificeerd zijn; de inhoud en procedure van zowel het theoretisch als het praktisch examen worden gereguleerd door de nationale wetgeving;
- c. De nationale wetgeving moet eisen vastleggen voor het verkrijgen van een rijbewijs. In de nationale wetgeving moeten in het bijzonder worden vermeld de minimumleeftijd voor het houden van een rijbewijs, de medische eisen waaraan moet worden voldaan en de voorwaarden voor het afleggen van het theoretisch en praktisch examen;
- d. Geen enkele bepaling in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat deze de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten rijbewijzen te verlangen voor andere gemotoriseerde voertuigen en bromfietsen.
- a. De Verdragsluitende Partijen erkennen: als geldig voor het besturen op hun grondgebied van een voertuig dat valt binnen de categorieën waarvoor dit rijbewijs is afgegeven, mits het rijbewijs nog geldig is en mits het is afgegeven door een andere Verdragsluitende Partij of onderdeel daarvan of door een daartoe door die andere Verdragsluitende Partij of een van haar onderdelen gemachtigde vereniging;
- i. elk nationaal rijbewijs dat voldoet aan de bepalingen vastgelegd in Bijlage 6 bij dit Verdrag;
- ii. elk internationaal rijbewijs dat voldoet aan de bepalingen vastgelegd in Bijlage 7 bij dit Verdrag, mits het wordt getoond met het overeenkomende nationale rijbewijs,
- b. Rijbewijzen die zijn afgegeven door een Verdragsluitende Partij worden erkend op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij totdat dit grondgebied de normale woonplaats van de houder ervan wordt;
- c. De bepalingen van dit lid hebben geen betrekking op rijbewijzen voor leerling-bestuurders.
De nationale wetgeving kan de geldigheidsduur van een nationaal rijbewijs beperken. De geldigheidsduur van een internationaal rijbewijs bedraagt uiterlijk drie jaar te rekenen vanaf de datum van afgifte ervan of vervalt op de datum waarop het nationale rijbewijs zijn geldigheid verliest, naar gelang welke datum eerder valt.
Onverminderd de bepalingen van het eerste en tweede lid:
- a. dient het rijbewijs, in gevallen waarin de geldigheid van het rijbewijs door een speciale aantekening afhankelijk is gesteld van de voorwaarde dat de houder van het rijbewijs bepaalde apparaten moet dragen, of dat het voertuig op een bepaalde wijze moet zijn aangepast aan de invaliditeit van de bestuurder, alleen als geldig te worden erkend als aan deze voorwaarden is voldaan;
- b. kunnen de Verdragsluitende Partijen weigeren op hun grondgebied de geldigheid te erkennen van rijbewijzen die in het bezit zijn van personen onder de 18 jaar;
- c. kunnen de Verdragsluitende Partijen weigeren op hun grondgebied de geldigheid te erkennen van rijbewijzen voor het besturen van motorvoertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorieën C, D, CE en DE, als bedoeld in Bijlagen 6 en 7 bij dit Verdrag, die in het bezit zijn van personen onder de 21 jaar.
Een internationaal rijbewijs mag alleen worden afgegeven aan de houder van een nationaal rijbewijs, dat is afgegeven met inachtneming van de in dit Verdrag gestelde minimumvoorwaarden. Een internationaal rijbewijs mag alleen worden afgegeven door de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied de houder zijn normale woonplaats heeft en die het nationale rijbewijs heeft afgegeven of die het door een andere Verdragsluitende Partij afgegeven rijbewijs heeft erkend; het rijbewijs is niet geldig voor gebruik op dat grondgebied.
De bepalingen van dit artikel verplichten de Verdragsluitende Partijen niet:
- a. de geldigheid van nationale of internationale rijbewijzen te erkennen wanneer deze op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij zijn afgegeven aan personen die, ten tijde van deze afgifte, hun normale woonplaats op hun grondgebied hadden, of die er sinds deze afgifte heen zijn verhuisd;
- b. de geldigheid te erkennen van rijbewijzen die zijn afgegeven aan bestuurders die, ten tijde van deze afgifte, hun normale woonplaats niet op het grondgebied hadden waar het rijbewijs werd afgegeven of die sinds deze afgifte naar een ander grondgebied zijn verhuisd.
Artikel 42. De schorsing van de geldigheid van rijbewijzen
De Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan kunnen een bestuurder het recht ontzeggen van zijn nationale of internationale rijbewijs op hun grondgebied gebruik te maken, indien hij op hun grondgebied inbreuk heeft gemaakt op hun voorschriften, waardoor ingevolge hun wetgeving zijn rijbewijs kan worden ingetrokken. In een zodanig geval kan de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij of een onderdeel daarvan die het recht tot gebruik maken van het rijbewijs ontzegt:
- (a). de houder het rijbewijs ontnemen en dit onder zich houden tot afloop van de termijn van ontzegging van het recht tot het gebruik maken van het rijbewijs of totdat de houder van het rijbewijs het grondgebied van deze Partij verlaat, naar gelang van welke van beide gevallen zich het eerst voordoet;
- (b). kennis geven van de ontzegging van het recht tot gebruik maken van het rijbewijs aan de autoriteit die het rijbewijs heeft afgegeven of namens wie het is afgegeven;
- (c). wanneer het een internationaal rijbewijs betreft, op de daartoe bestemde plaats een aantekening maken dat het rijbewijs op hun grondgebied niet langer geldig is;
- (d). wanneer zij de procedure bepaald onder (a) van dit lid niet toepast, aan de kennisgeving bedoeld onder (b), een verzoek toevoegen, gericht tot de autoriteit die het rijbewijs heeft afgegeven of namens wie het is afgegeven, om de betrokken persoon op de hoogte te stellen van het besluit dat te zijnen aanzien is genomen.
De Verdragsluitende Partijen dienen alles in het werk te stellen om de betrokken personen op de hoogte te stellen van de besluiten die hun zijn medegedeeld overeenkomstig de procedure neergelegd in het eerste lid, onder (d), van dit artikel.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat dit de Verdragsluitende Partijen of onderdelen daarvan zou beletten een bestuurder, die een nationaal of internationaal rijbewijs bezit, ervan te weerhouden een voertuig te besturen, wanneer het duidelijk waarneembaar of aangetoond is dat hij in zodanige toestand verkeert dat hij niet in staat is op veilige wijze te rijden, of indien het recht om te besturen hem is ontzegd in de Staat waar hij zijn normale woonplaats heeft.
Artikel 43. Overgangsbepalingen
De Verdragsluitende Partijen geven nationale rijbewijzen af in overeenstemming met de nieuwe bepalingen van Bijlage 6 uiterlijk 5 jaar na de inwerkingtreding ervan. Nationale rijbewijzen die vóór het verstrijken van dit tijdvak zijn afgegeven in overeenstemming met eerdere bepalingen van artikel 41, artikel 43 en Bijlage 6 bij dit Verdrag, worden erkend zolang deze geldig zijn.
De Verdragsluitende Partijen geven internationale rijbewijzen af in overeenstemming met de nieuwe bepalingen van Bijlage 7 uiterlijk 5 jaar na de inwerkingtreding ervan. Internationale rijbewijzen die vóór het verstrijken van dit tijdvak zijn afgegeven in overeenstemming met eerdere bepalingen van artikel 41, artikel 43 en Bijlage 7 bij dit Verdrag, blijven geldig overeenkomstig de in artikel 41, derde lid, vervatte voorwaarden.
Hoofdstuk V. VOORWAARDEN VOOR DE TOELATING VAN FIETSEN EN BROMFIETSEN TOT HET INTERNATIONALE VERKEER
Artikel 44
In het internationale verkeer dienen fietsen zonder motor:
- (a). een goed werkende rem te hebben;
- (b). uitgerust te zijn met een bel die op voldoende afstand hoorbaar is en geen ander apparaat voor het geven van geluidssignalen te hebben;
- (c). uitgerust te zijn met een rode reflector aan de achterzijde en voorts met zodanige apparaten dat de fiets aan de voorzijde een wit of selectief geel licht kan tonen en een rood licht aan de achterzijde.
Op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen die niet, overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van dit Verdrag, een verklaring hebben afgelegd dat zij bromfietsen als motorfietsen behandelen, dienen bromfietsen in het internationale verkeer:
- (a). twee onafhankelijke remmen te hebben;
- (b). uitgerust te zijn met een bel of met een ander apparaat voor het geven van geluidssignalen dat op voldoende afstand hoorbaar is;
- (c). uitgerust te zijn met een goed werkende geluiddemper op de uitlaat;
- (d). zodanig te zijn uitgerust dat zij aan de voorzijde een wit of selectief geel licht kunnen tonen en een rood licht alsmede een rode reflector aan de achterzijde;
- (e). het identificatiemerk te tonen als voorgeschreven in Bijlage 4 bij dit Verdrag.
Op het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen die, overeenkomstig artikel 54, tweede lid, van dit Verdrag, hebben verklaard dat zij bromfietsen als motorfietsen behandelen, worden bromfietsen tot het internationale verkeer toegelaten wanneer zij voldoen aan de voorwaarden voor motorfietsen, zoals vastgelegd in Bijlage 5 bij dit Verdrag.
Hoofdstuk VI. SLOTBEPALINGEN
Artikel 45
Dit Verdrag is tot 31 december 1969 in het hoofdkwartier der Verenigde Naties te New York opengesteld voor ondertekening door alle Lid-Staten van de Verenigde Naties, van een van de gespecialiseerde organisaties, of van de Internationale Organisatie voor Atoomenergie of door de Staten die Partij zijn bij het Statuut van het Internationale Gerechtshof, alsmede door elke andere Staat die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is uitgenodigd Partij te worden bij dit Verdrag.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
Dit Verdrag blijft opengesteld voor toetreding door alle Staten bedoeld in het eerste lid van dit artikel. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Elke Staat stelt bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding, de Secretaris-Generaal in kennis van het onderscheidingsteken dat hij heeft uitgekozen om in het internationale verkeer te worden getoond door de voertuigen die door de betrokken Staat zijn ingeschreven, overeenkomstig Bijlage 3 bij dit Verdrag. Door middel van een kennisgeving aan de Secretaris-Generaal gericht kan elke Staat het op een vroeger tijdstip uitgekozen onderscheidingsteken veranderen.
Artikel 46
Elke Staat kan bij de ondertekening of de bekrachtiging van dit Verdrag, of bij toetreding tot het Verdrag, alsook te allen tijde daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat het Verdrag van toepassing wordt voor een of meer der gebieden voor welker buitenlandse betrekkingen hij verantwoordelijk is. Het Verdrag wordt van toepassing voor het gebied of de gebieden genoemd in de kennisgeving dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal dan wel op de datum waarop het Verdrag in werking treedt in de Staat die de kennisgeving heeft afgelegd, welke van beide data later valt.
Elke Staat die een verklaring heeft afgelegd als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, kan op elk later tijdstip, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat het Verdrag niet langer van toepassing zal zijn voor het in de kennisgeving genoemde gebied en het Verdrag zal dan niet langer van toepassing zijn voor dat gebied met ingang van een jaar te rekenen van de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.
Elke Staat die een verklaring aflegt als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dient de Secretaris-Generaal in kennis te stellen van het onderscheidingsteken of de onderscheidingstekens die door deze Staat zijn uitgekozen om in het internationale verkeer te worden aangebracht op voertuigen die in het betrokken gebied of in de betrokken gebieden zijn ingeschreven, overeenkomstig Bijlage 3 bij dit Verdrag. Door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving kan elke Staat het op een vroeger tijdstip uitgekozen onderscheidingsteken veranderen.
Artikel 47
Dit Verdrag treedt in werking twaalf maanden na de datum van nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of toetreding.
Voor elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt of er toe toetreedt nadat de vijftiende akte van bekrachtiging of van toetreding is nedergelegd, treedt het Verdrag in werking twaalf maanden na de datum waarop deze Staat zijn akte van bekrachtiging of van toetreding heeft nedergelegd.
Artikel 48
Bij zijn inwerkingtreding beëindigt en vervangt dit Verdrag tussen de Verdragsluitende Partijen het Internationale Verdrag betreffende het verkeer met Motorrijtuigen en het Internationale Verdrag betreffende wegverkeer, beide getekend te Parijs op 24 april 1926, het Verdrag ter regeling van het Inter-Amerikaanse gemotoriseerd verkeer, opengesteld voor ondertekening te Washington op 15 december 1943, en het Verdrag nopens het Wegverkeer, opengesteld voor ondertekening te Genève op 19 september 1949.
Artikel 49
Wanneer dit Verdrag een jaar van kracht is geweest kan elke Verdragsluitende Partij een of meer wijzigingen in dit Verdrag voorstellen. De tekst van de wijzigingsvoorstellen, vergezeld van een memorie van toelichting, wordt toegezonden aan de Secretaris-Generaal, die deze ter kennis van alle Verdragsluitende Partijen brengt. De Verdragsluitende Partijen hebben de gelegenheid hem, binnen een tijdvak van twaalf maanden te rekenen van de datum van die kennisgeving, mede te delen of zij: (a) de wijziging aanvaarden; of (b) de wijziging verwerpen; of (c) wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van de wijziging. De Secretaris-Generaal doet de tekst van de voorgestelde wijziging tevens toekomen aan alle andere Staten, als bedoeld in Artikel 45, eerste lid, van dit Verdrag.
- (a). Elke voorgestelde wijziging waarvan overeenkomstig het voorgaande lid kennis is gegeven, wordt geacht te zijn aanvaard, indien, binnen het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het voorgaande lid, minder dan een derde van de Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal heeft medegedeeld, dat zij de wijziging verwerpen dan wel dat zij wensen dat een conferentie wordt bijeengeroepen ter bestudering van de wijziging. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Partijen in kennis van elke aanvaarding of verwerping van elke voorgestelde wijziging en van verzoeken om een conferentie bijeen te roepen. Indien het totale aantal van dergelijke verwerpingen en verzoeken die gedurende het voorgeschreven tijdvak van twaalf maanden zijn ontvangen minder dan een derde bedraagt van het totale aantal Verdragsluitende Partijen, stelt de Secretaris-Generaal alle Verdragsluitende Partijen er van in kennis dat de wijziging van kracht zal worden zes maanden na afloop van het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het voorgaande lid, en wel voor alle Verdragsluitende Partijen met uitzondering van die, welke, gedurende het voorgeschreven tijdvak, de wijziging hebben verworpen of hebben verzocht een conferentie bijeen te roepen om haar te bestuderen.
- (b). Elke Verdragsluitende Partij die, gedurende genoemd tijdvak van twaalf maanden, een voorgestelde wijziging heeft verworpen of heeft verzocht een conferentie bijeen te roepen om haar te bestuderen, kan te allen tijde na afloop van bedoeld tijdvak de Secretaris-Generaal er van in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt, en de Secretaris-Generaal deelt deze kennisgeving mede aan alle andere Verdragsluitende Partijen. De wijziging wordt dan ten aanzien van de Verdragsluitende Partijen die kennis hebben gegeven van het aanvaarden daarvan van kracht zes maanden na ontvangst van hun kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Indien een voorgestelde wijziging niet is aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, en indien binnen het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel minder dan de helft van het totale aantal Verdragsluitende Partijen de Secretaris-Generaal heeft medegedeeld dat zij de voorgestelde wijziging verwerpt, en indien ten minste een derde van het totale aantal Verdragsluitende Partijen, maar niet minder dan tien, hem mededeelt het te aanvaarden dan wel wenst dat een conferentie wordt bijeengeroepen om haar te bestuderen, roept de Secretaris-Generaal een conferentie bijeen ten einde de voorgestelde wijziging of ieder ander voorstel te bestuderen dat hem kan worden voorgelegd overeenkomstig het vierde lid van dit artikel.
Indien een conferentie is bijeengeroepen overeenkomstig het derde lid van dit artikel, nodigt de Secretaris-Generaal alle Staten, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van dit Verdrag daartoe uit. Hij verzoekt alle tot de conferentie uitgenodigde Staten hem, uiterlijk zes maanden vóór de openingsdatum van de conferentie, alle voorstellen voor te leggen die zij behalve de voorgestelde wijziging ook door de conferentie wensen te laten bestuderen en hij deelt dergelijke voorstellen uiterlijk drie maanden vóór de openingsdatum van de conferentie mede aan alle tot de conferentie uitgenodigde Staten.
- (a). Elke wijziging op dit Verdrag wordt geacht te zijn aanvaard indien zij is aanvaard door een twee-derde meerderheid van de ter conferentie vertegenwoordigde Staten, mits deze meerderheid ten minste twee derde bedraagt van de ter conferentie vertegenwoordigde Verdragsluitende Partijen. De Secretaris-Generaal stelt alle Verdragsluitende Partijen in kennis van het aanvaarden van de wijziging en de wijziging wordt van kracht twaalf maanden na de datum van deze kennisgeving, en wel voor alle Verdragsluitende Partijen met uitzondering van die, welke gedurende dit tijdvak de Secretaris-Generaal er van in kennis hebben gesteld dat zij de wijziging verwerpen.
- (b). Een Verdragsluitende Partij, die een wijziging gedurende genoemd tijdvak van twaalf maanden heeft verworpen, kan de Secretaris-Generaal te allen tijde er van in kennis stellen dat zij de wijziging aanvaardt, en de Secretaris-Generaal deelt deze kennisgeving mede aan alle andere Verdragsluitende Partijen. De wijziging wordt ten aanzien van de Verdragsluitende Partij die kennis heeft gegeven van het aanvaarden daarvan, van kracht zes maanden na ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal, of aan het eind van genoemd tijdvak van twaalf maanden, welke van beide data later valt.
Indien de voorgestelde wijziging niet wordt geacht te zijn aanvaard overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, en indien aan de in het derde lid van dit artikel voorgeschreven voorwaarden met betrekking tot het bijeenroepen van een conferentie niet is voldaan, wordt de voorgestelde wijziging geacht te zijn verworpen.
Artikel 50
Elke Verdragsluitende Partij kan dit Verdrag opzeggen door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte schriftelijke kennisgeving. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum van ontvangst van deze kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 51
Dit Verdrag houdt op van kracht te zijn indien het aantal Verdragsluitende Partijen gedurende een tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden minder is dan vijf.
Artikel 52
Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, welk geschil de Partijen niet door onderhandelingen of door andere middelen tot regeling van een geschil kunnen oplossen, kan, op verzoek van een van de betrokken Verdragsluitende Partijen, bij het Internationale Gerechtshof ter beslissing aanhangig worden gemaakt.
Artikel 53
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat een Verdragsluitende Partij daardoor zou worden belet de maatregelen te nemen die deze Partij noodzakelijk acht voor haar binnenlandse of buitenlandse veiligheid en die verenigbaar zijn met de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, en beperkt blijven tot de vereisten der gegeven omstandigheden.
Artikel 54
Elke Staat kan bij de ondertekening van dit Verdrag of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding verklaren dat hij zich niet gebonden acht door artikel 52 van dit Verdrag. Andere Verdragsluitende Partijen zijn niet gebonden door artikel 52 met betrekking tot een Verdragsluitende Partij die een dergelijke verklaring heeft afgelegd.
Bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding kan elke Staat, door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving, verklaren dat hij voor de toepassing van dit Verdrag bromfietsen als motorfietsen behandelt (artikel 1 (n)).
Door middel van een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving kan elke Staat deze verklaring naderhand te allen tijde intrekken.
De verklaringen bedoeld in het tweede lid van dit artikel treden in werking zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal deze kennisgeving heeft ontvangen, of op de datum waarop het Verdrag voor deze Staat van kracht wordt, welke van beide data later valt.
Elke verandering van een vroeger gekozen onderscheidingsteken, waarvan kennis is gegeven overeenkomstig artikel 45, vierde lid, of artikel 46, derde lid, van dit Verdrag, treedt in werking drie maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal de kennisgeving hiervan heeft ontvangen.
Elk voorbehoud ten aanzien van dit Verdrag en de bijlagen daarbij, met uitzondering van het voorbehoud bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is toegestaan op voorwaarde dat elk voorbehoud schriftelijk wordt gemaakt, en dat het, indien het is gemaakt vóór de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding, in deze akte wordt bevestigd. De Secretaris-Generaal deelt deze voorbehouden mede aan alle Staten bedoeld in artikel 45, eerste lid, van dit Verdrag.
Elke Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt of een verklaring heeft afgelegd zoals bedoeld in het eerste of het vierde lid van dit artikel, kan dit te allen tijde intrekken door middel van een tot de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving.
Elk voorbehoud, gemaakt overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel,
- (a). wijzigt voor de Verdragsluitende Partij die het voorbehoud heeft gemaakt de bepalingen van dit Verdrag waarop het voorbehoud betrekking heeft, zulks overeenkomstig de draagwijdte van het voorbehoud;
- (b). wijzigt deze bepalingen in dezelfde mate voor de andere Verdragsluitende Partijen ten aanzien van hun betrekkingen met de Verdragsluitende Partij die het voorbehoud heeft gemaakt.
Artikel 55
Behalve de verklaringen, mededelingen en kennisgevingen bedoeld in de artikelen 49 en 54 van dit Verdrag, stelt de Secretaris-Generaal alle Staten, bedoeld in artikel 45, eerste lid, in kennis van:
- (a). ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen ingevolge artikel 45;
- (b). kennisgevingen en verklaringen ingevolge artikel 45, vierde lid, en artikel 46;
- (c). de data waarop dit Verdrag van kracht wordt overeenkomstig artikel 47;
- (d). de datum waarop de wijzigingen van dit Verdrag van kracht en overeenkomstig artikel 49, tweede en vijfde lid;
- (e). opzeggingen ingevolge artikel 50;
- (f). de beëindiging van dit Verdrag ingevolge artikel 51.
Artikel 56
De oorspronkelijke tekst van dit Verdrag, gedaan in één enkel exemplaar in de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle vijf teksten gelijkelijk authentiek, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle Staten bedoeld in artikel 45, eerste lid van dit Verdrag.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Convention.
DONE at Vienna this eighth day of November, one thousand nine hundred and sixty-eight.
Artikel 34bis. Geautomatiseerd rijden
Aan de eis dat elk rijdend voertuig of elk rijdend samenstel van voertuigen een bestuurder dient te hebben, wordt geacht te zijn voldaan wanneer het voertuig gebruikmaakt van een geautomatiseerd rijsysteem dat voldoet aan:
- a. de nationaal van toepassing zijnde technische reglementen en elk toepasselijk internationaal rechtsinstrument betreffende wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen, en
- b. de nationaal van toepassing zijnde regelgeving inzake werking en gebruik.
De toepassing van dit artikel is beperkt tot het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de relevante nationaal van toepassing zijnde technische reglementen en regelgeving inzake werking en gebruik van toepassing zijn.
Hoofdstuk III. VOORWAARDEN VOOR DE TOELATING VAN MOTORVOERTUIGEN EN AANHANGWAGENS TOT HET INTERNATIONALE VERKEER
Hoofdstuk IV. BESTUURDERS VAN MOTORVOERTUIGEN
Hoofdstuk V. VOORWAARDEN VOOR DE TOELATING VAN FIETSEN EN BROMFIETSEN TOT HET INTERNATIONALE VERKEER
Hoofdstuk VI. SLOTBEPALINGEN
IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Convention.
DONE at Vienna this eighth day of November, one thousand nine hundred and sixty-eight.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)