← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid

Geldende tekst a fecha 1999-05-13

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vijfenzestigste Zitting op 6 juni 1979;

Gelet op de bepalingen van bestaande, op dit gebied betrekking hebbende internationale Arbeidsverdragen en Aanbevelingen, en in het bijzonder van het Verdrag betreffende de aanduiding van het gewicht op grote stukken, vervoerd per schip (1929), het Verdrag betreffende beveiliging machines (1963) en het Werkmilieuverdrag (luchtverontreiniging, lawaai en trillingen) (1977);

Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de herziening van het Verdrag betreffende de bescherming tegen ongevallen havenarbeiders (herzien), 1932 (nr. 32), welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt;

Overwegende dat deze voorstellen de vorm van een internationaal verdrag dienen te krijgen,

aanvaardt heden, de vijfentwintigste juni van het jaar negentienhonderd negenenzeventig het volgende Verdrag, dat kan worden aangehaald als Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid (1979):

DEEL I. TOEPASSINGSGEBIED EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „havenarbeid” verstaan alle arbeid en elk deel van de arbeid met betrekking tot het laden en lossen van enig schip, alsmede alle hiermee verband houdende arbeid. De begripsomschrijving van deze arbeid dient te worden bepaald door de nationale wetgeving of het gebruik.

De betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties dienen te worden geraadpleegd of op andere wijze deel te nemen aan de vaststelling en herziening van deze begripsomschrijving.

Artikel 2
1.

Een Lid kan ontheffingen verlenen van of uitzonderingen toestaan op de bepalingen van dit Verdrag met betrekking tot havenarbeid op iedere plaats waar het verkeer onregelmatig is en beperkt tot kleine schepen. Dit geldt eveneens voor havenarbeid met betrekking tot vissersschepen of bepaalde categorieën daarvan, op voorwaarde dat:

2.

Van sommige bepalingen van deel III van dit Verdrag kan worden afgeweken, indien na raadpleging van de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties het bevoegde gezag ervan overtuigd is, dat de afwijkingen overeenkomstige voordelen bieden en dat de algehele, aldus verzekerde bescherming niet minder is dan die welke zou voortvloeien uit de volledige toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.

3.

Elke ontheffing of uitzondering als bedoeld in het eerste lid van dit artikel en elke wezenlijke afwijking, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, dienen met redenen omkleed te worden vermeld in de verslagen over de toepassing van het Verdrag, ingediend volgens artikel 22 van het Statuut van de Internationale Arbeidsorganisatie.

Artikel 3

Voor de toepassing van dit Verdrag

DEEL II. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 4
1.

De nationale wetgeving dient te bepalen dat met betrekking tot havenarbeid maatregelen moeten worden getroffen in overeenstemming met deel II van dit Verdrag met het oog op:

2.

De krachtens dit Verdrag te nemen maatregelen dienen te omvatten:

3.

De praktische uitvoering van de volgens het eerste lid van dit artikel voorgeschreven voorzieningen dient te worden verzekerd of te worden gesteund door technische normen of praktijkvoorschriften, die door het bevoegde gezag zijn goedgekeurd of door andere geëigende methoden die in overeenstemming zijn met de nationale gebruiken en omstandigheden.

Artikel 5
1.

De nationale wetgeving dient de desbetreffende personen, hetzij werkgevers, eigenaars, gezagvoerders of andere personen, voor zover van toepassing, verantwoordelijk te stellen voor het nakomen van de maatregelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid van dit Verdrag.

2.

Indien twee of meer werkgevers tegelijkertijd op eenzelfde arbeidsplaats werk uitvoeren, zijn zij, onverminderd de verantwoordelijkheid van elke werkgever voor de gezondheid en veiligheid van zijn werknemers, verplicht samen te werken ten einde te voldoen aan de voorgeschreven maatregelen.

In de daarvoor in aanmerking komende gevallen dient het bevoegde gezag algemene regels voor deze samenwerking vast te stellen.

Artikel 6
1.

Er dienen regels te worden opgesteld op grond waarvan werknemers:

2.

Voor zover hun het toezicht op de bedrijfsveiligheid is opgedragen, dienen werknemers op elke arbeidsplaats het recht te hebben deel te nemen aan het waarborgen van de bedrijfsveiligheid en hun mening te geven ten aanzien van de door hen toegepaste werkmethoden en gebruiksuitrusting in zover deze de veiligheid beïnvloeden. Voor zover er, in het kader van de nationale wetgeving en gebruiken veiligheids- en gezondheidscommissies krachtens artikel 37 van dit Verdrag zijn ingesteld, dient dit recht door tussenkomst van deze commissies te worden uitgeoefend.

Artikel 7
1.

Bij het ten uitvoer leggen van de bepalingen van dit Verdrag door nationale wetgeving of voorschriften of op andere passende wijze in overeenstemming met de nationale gebruiken en omstandigheden, dient het bevoegde gezag te handelen in overleg met de betrokken werkgevers- en werknemersorganisaties.

2.

Er dienen voorzieningen te worden getroffen voor een nauwe samenwerking tussen werkgevers en werknemers of hun vertegenwoordigers bij de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van dit Verdrag.

DEEL III. TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 8

Zodra een arbeidsplaats onveilig is geworden of er gevaar van schade voor de gezondheid optreedt, dienen doeltreffende maatregelen te worden getroffen zoals het aanbrengen van waarschuwingsborden, omheiningen of andere geschikte middelen, en zo nodig, van staking van het werk, om de werknemers te beschermen totdat de arbeidsplaats weer veilig is.

Artikel 9
1.

Elke plaats waar havenarbeid wordt verricht en alle toegangen daartoe dienen op passende en voldoende wijze te zijn verlicht.

2.

Elk obstakel dat gevaar kan opleveren voor het verplaatsen van een hijs- of hef inrichting, voertuig of persoon, dient, indien dit om praktische redenen niet kan worden verwijderd, op passende en opvallende wijze te worden gemarkeerd en, waar nodig, voldoende verlicht.

Artikel 10
1.

Alle oppervlakken, gebruikt voor voertuigverkeer of voor het stapelen van goederen of materialen, dienen voor dat doel geschikt te zijn en naar behoren te worden onderhouden.

2.

Indien goederen of materialen worden opgeslagen of overgeslagen, gestuwd, ontstapeld of ontstuwd, dient dit te geschieden op veilige en ordelijke wijze, rekening houdend met de aard der goederen of materialen en de verpakking daarvan.

Artikel 11
1.

Er dienen doorgangen van voldoende breedte te worden opengelaten om het veilig gebruik van voertuigen en laad- en losapparatuur mogelijk te maken.

2.

Er dienen afzonderlijke doorgangen voor voetgangersgebruik te worden ingericht waar dit noodzakelijk en uitvoerbaar is; deze doorgangen dienen voldoende breed te zijn en, voor zover doenlijk, gescheiden te zijn van door voertuigen gebruikte wegen.

Artikel 12

Op plaatsen waar havenarbeid wordt verricht, dienen doelmatige en voldoende middelen voor brandbestrijding ter beschikking te staan en te blijven.

Artikel 13
1.

Alle gevaarlijke delen van werktuigen dienen doeltreffend te zijn afgeschermd, tenzij deze zo zijn geplaatst of van een zodanige constructie zijn dat zij even veilig zijn als wanneer zij doeltreffend zouden zijn afgeschermd.

2.

Er dienen doeltreffende maatregelen te worden getroffen om in noodgevallen onmiddellijk de energietoevoer naar alle werktuigen waarvoor dit noodzakelijk is, te kunnen afsnijden.

3.

Indien schoonmaak-, onderhouds- of herstelwerkzaamheden aan werktuigen moeten worden verricht waardoor personen aan gevaar worden blootgesteld, dienen de werktuigen te worden stilgezet voordat met deze werkzaamheden wordt aangevangen en dienen passende maatregelen te worden genomen om te verzekeren dat de werktuigen niet opnieuw kunnen worden gestart voordat de werkzaamheden zijn voltooid, met dien verstande, dat een verantwoordelijk persoon de machine weer mag starten voor beproevings- of afsteldoeleinden die niet uitgevoerd kunnen worden wanneer de werktuigen buiten werking zijn.

4.

Slechts een bevoegd persoon dient toestemming te verkrijgen om:

5.

Indien een beschutting wordt verwijderd, dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen ter voorkoming van ongevallen, en dient de beschutting zo spoedig mogelijk weer te worden aangebracht.

6.

Indien een veiligheidsinrichting is verwijderd of buiten werking gesteld, dient deze zo spoedig mogelijk weer te worden aangebracht of weer in werking gesteld en dienen maatregelen te worden getroffen om te verzekeren dat de uitrusting in kwestie niet kan worden gebruikt of bij vergissing kan worden gestart, voordat de veiligheidsinrichting weer is aangebracht of weer in werking is gesteld.

7.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „werktuigen” verstaan alle hijs- en hefinrichtingen, gemechaniseerde luikafdekkingen of motorisch aangedreven uitrusting.

Artikel 14

Alle elektrische apparatuur en installaties dienen zodanig te zijn geconstrueerd, geïnstalleerd, bediend en onderhouden, dat ze geen gevaar opleveren en zij dienen aan alle normen die door het bevoegde gezag zijn erkend te voldoen.

Artikel 15

Wanneer een schip wordt geladen of gelost langs een kade of langszij van een ander schip, dienen passende en veilige toegangsmiddelen tot het schip, die behoorlijk geïnstalleerd en bevestigd zijn, ter beschikking te worden gesteld en gehouden.

Artikel 16
1.

Indien werknemers van of naar een schip of andere plaats over water moeten worden vervoerd, dienen passende maatregelen te worden getroffen om hun veiligheid bij het aan boord gaan, bij het transport en bij het van boord gaan te waarborgen. De voorwaarden waaraan de vaartuigen die voor dit doel worden gebruikt, moeten voldoen, dienen te worden vastgelegd.

2.

Indien werknemers van of naar een arbeidsplaats over land moeten worden vervoerd, dienen de door de werkgever ter beschikking gestelde middelen van vervoer veilig te zijn.

Artikel 17
1.

Toegang tot het ruim van een schip of ladingdek dient te worden verzekerd:

2.

Waar zulks redelijkerwijze uitvoerbaar is, dienen de in dit artikel vermelde toegangsmiddelen te zijn gescheiden van de luikopening.

3.

Het is de werknemers niet toegestaan, noch mogen zij worden verplicht gebruik te maken van andere toegangsmiddelen tot een scheepsruim of ladingdek dan die welke in dit artikel zijn omschreven.

Artikel 18
1.

Luiken of luikbalken mogen slechts worden gebruikt, indien deze van stevige constructie zijn, voldoende sterk zijn voor het gebruik dat ervan moet worden gemaakt, en in goede staat van onderhoud verkeren.

2.

Luiken die met behulp van hijs- of hefinrichtingen worden geplaatst of verwijderd, dienen te zijn uitgerust met goed toegankelijke en geschikte bevestigingen voor het vastmaken van lengen of ander hijsmateriaal.

3.

Indien luiken en scheerbalken niet onderling verwisselbaar zijn, dienen zij duidelijk te zijn gemerkt om aan te geven tot welke ruimopening alsmede op welke plaats zij behoren.

4.

Slechts een bevoegd persoon (indien mogelijk een lid van de bemanning) is het toegestaan motorisch bediende luiken te plaatsen of te verwijderen. De luiken mogen niet worden geplaatst of verwijderd indien enige persoon bij deze handelingen gevaar loopt gewond te worden.

5.

De bepalingen van lid 4 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op motorisch aangedreven scheepsuitrusting, zoals een deur in de romp van een schip, een oprit, een ophijsbaar autodek of dergelijke uitrusting.

Artikel 19
1.

Er dienen passende maatregelen te worden getroffen ter beveiliging van alle openingen in of op een dek waar werknemers arbeid moeten verrichten, en door welke openingen werknemers of voertuigen zouden kunnen vallen.

2.

Iedere luikopening die niet is uitgerust met een luikhoofd van voldoende hoogte en sterkte, dient te worden gesloten of de beveiliging ervan dient weer te worden aangebracht, indien de luikopening open is en er niet meer wordt gewerkt (behalve tijdens korte werkonderbrekingen), en een verantwoordelijk persoon dient te worden belast met de uitvoering van deze maatregelen.

Artikel 20
1.

Alle noodzakelijke maatregelen dienen te worden getroffen om de veiligheid van de werknemers te waarborgen die in het ruim of op een ladingdek van een schip moeten werken indien aldaar motorisch aangedreven voertuigen gebruikt worden of laad- of loshandelingen worden verricht door middel van motorisch aangedreven werktuigen.

2.

Luiken en scheerbalken mogen niet verwijderd of weer geplaatst worden, indien er in het ruim onder de luikopening wordt gewerkt. Voordat laden of lossen plaatsvindt, dienen alle luiken of scheerbalken die niet afdoende tegen verplaatsing zijn geborgd, te worden verwijderd.

3.

Voor een voldoende ventilatie in het ruim of op het ladingdek dient te worden zorggedragen door circulatie van verse lucht, ter vermijding van gevaren voor de gezondheid ten gevolge van uitlaatgassen, afkomstig van verbrandingsmotoren of van andere bronnen.

4.

Indien droge bulklading in een ruim of een tussendek wordt geladen of gelost, of indien een werknemer in een stortruimte of storttrechter aan boord moet werken, dienen passende voorzieningen, met inbegrip van veilige ontsnappingsmiddelen, ter beveiliging van personen ter beschikking te worden gesteld.

Artikel 21

Elke hijs- of hefinrichting, elk deel van het los gerei, alsmede elke strop of elk ander hijsgereedschap dat een integrerend deel van een last vormt, dient:

Artikel 22
1.

Elke hijs- of hefinrichting en elk deel van het los gerei dient beproefd te worden in overeenstemming met de nationale wetgeving door een bevoegd persoon, vóórdat het voor de eerste maal in gebruik wordt genomen en na iedere belangrijke wijziging of herstelling, uitgevoerd aan een onderdeel dat de veiligheid zou kunnen schaden.

2.

Hijs- of hefinrichtingen die deel uitmaken van de uitrusting van een schip dienen elke vijf jaar ten minste eenmaal opnieuw beproefd te worden.

3.

Op de wal staande hijs- of hefinrichtingen dienen opnieuw te worden beproefd op de tijdstippen als voorgeschreven door het bevoegde gezag.

4.

Na voltooiing van iedere beproeving van een hijs- of hefinrichting of deel van het los gerei, verricht in overeenstemming met dit artikel, dient de hijs- of hefinrichting of deel van het los gerei grondig te worden onderzocht door de persoon die de beproeving heeft uitgevoerd; deze dient hiervan een certificaat af te geven.

Artikel 23
1.

Onverminderd de bepalingen van artikel 22, dient iedere hijs- of hefinrichting en ieder deel van het los gerei periodiek grondig te worden onderzocht door een bevoegd persoon. Van dit onderzoek moet deze een certificaat afgeven. Deze onderzoeken dienen ten minste eenmaal in de twaalf maanden plaats te vinden.

2.

Voor de toepassing van artikel 22, vierde lid en het eerste lid van dit artikel, wordt onder een grondig onderzoek verstaan een gedetailleerde visuele inspectie door een bevoegd persoon, voor zover nodig aangevuld door andere geschikte middelen of maatregelen ten einde tot een betrouwbare conclusie te komen met betrekking tot de veilige werking van de onderzochte inrichting of deel van het los gerei.

Artikel 24
1.

Elk deel van het los gerei dient regelmatig voor het gebruik te worden geïnspecteerd. Voor éénmalig gebruik bestemde stroppen mogen niet opnieuw worden gebruikt. Ingeval van vóór-afgestropte ladingen, dienen de stroppen zo vaak te worden geïnspecteerd als redelijkerwijs uitvoerbaar is.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid van dit artikel wordt onder inspectie verstaan, een visuele inspectie dooreen verantwoordelijk persoon, uitgevoerd met het oog op de beslissing of, voor zover zulks op deze wijze kan worden vastgesteld, het gerei of de strop veilig is om opnieuw te worden gebruikt.

Artikel 25
1.

Naar behoren gewaarmerkte schriftelijke gegevens betreffende de veilige staat van de desbetreffende hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei dienen naar gelang van de plaats waar deze inrichtingen, onderscheidenlijk deze delen zich bevinden, hetzij aan de wal hetzij aan boord te worden bewaard. Daarin dienen de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, alsmede de tijdstippen en de beproevingsresultaten van de in de artikelen 22, 23 en 24 van dit Verdrag bedoelde beproevingen, grondige onderzoekingen en inspecties te worden vermeld, met dien verstande dat, bij inspecties, als bedoeld in artikel 24, eerste lid van dit Verdrag, alleen dan een aantekening behoeft te worden opgemaakt indien deze inspectie een defect aan het licht heeft gebracht.

2.

Er dient een register van de hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei te worden bijgehouden. Dit register dient te zijn ingericht overeenkomstig door het bevoegde gezag gestelde regels. Bij de vaststelling van het model dient rekening te zijn gehouden met het door het Internationaal Arbeidsbureau aanbevolen model.

3.

In het register dienen de door het bevoegde gezag verleende of erkende certificaten of gewaarmerkte afschriften van deze certificaten inzake de beproevingen, grondige onderzoekingen en inspecties inzake hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei te worden opgenomen. De certificaten moeten de door het bevoegde gezag voorgeschreven vorm hebben, waarbij rekening dient te zijn gehouden met de door het Internationaal Arbeidsbureau aanbevolen modellen.

Artikel 26
1.

Met het oog op de wederzijdse erkenning van regelingen die door Leden die dit Verdrag hebben bekrachtigd, zijn getroffen ten aanzien van beproeving, grondig onderzoek, inspectie en afgifte van certificaten met betrekking tot hijs- of hefinrichtingen en delen van het los gerei, deel uitmakend van de scheepsuitrusting, alsmede de daarop betrekking hebbende, op schrift gestelde gegevens:

2.

Geen enkele hijs- of hefinrichting of deel van het los gerei of andere laad- of losapparatuur mag worden gebruikt indien:

3.

Het tweede lid van dit artikel dient niet zodanig te worden toegepast, dat dit vertraging bij het laden of lossen van een schip veroorzaakt, indien de daartoe gebruikte uitrusting door het bevoegde gezag voldoende wordt geacht.

Artikel 27
1.

Elke andere hijs- of hefinrichting dan een mast of laadbomen van een schip met slechts één bedrijfslast, onderscheidenlijk werklast en ieder deel van het los gerei dient duidelijk te worden gemerkt met de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, door middel van een slagstempel of, ingeval dit niet uitvoerbaar is, door andere geschikte middelen.

2.

Elk andere hijs- of hefinrichting dan een mast of laadbomen van een schip met meer dan één bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, dient te zijn voorzien van een doelmatige aanduiding die het de bedienende persoon mogelijk maakt de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, bij elke wijze van gebruik vast te stellen.

3.

Op iedere laadboom van een schip anders dan een mast- of een laadboomkraan dient duidelijk te zijn gemerkt de bedrijfslast, onderscheidenlijk de werklast, die van toepassing is tijdens het gebruik:

Artikel 28

Ieder schip dient tuigplannen en alle andere daarop betrekking hebbende gegevens aan boord te hebben, die noodzakelijk zijn voor het veilig tuigen van de laadbomen en het bijbehorende gerei.

Artikel 29

Stapelborden en soortgelijke inrichtingen voor het bevatten of dragen van lading dienen stevig te zijn geconstrueerd, van voldoende sterkte te zijn en geen zichtbare gebreken te vertonen die het veilig gebruik ervan zouden kunnen beïnvloeden.

Artikel 30

Lasten mogen niet worden opgelicht of neergelaten, tenzij zij op veilige wijze aan de hijs- of hefinrichting zijn aangeslagen of anderszins bevestigd.

Artikel 31
1.

Elke op- en overslagplaats van containers dient zodanig te zijn ingericht en de werkwijze daarin dient zodanig te zijn georganiseerd, dat de veiligheid van de werknemers wordt verzekerd, voor zover dit redelijkerwijs kan worden gevergd.

2.

Schepen die containers vervoeren, dienen te zijn voorzien van middelen die de veiligheid van de werknemers bij het aanbrengen of verwijderen van de sjorringen van de containers verzekeren.

Artikel 32
1.

Alle gevaarlijke lading dient te worden verpakt, gemerkt en geëtiketteerd, alsmede op- of overgeslagen en gestuwd in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van internationale voorschriften die van toepassing zijn op het vervoer van gevaarlijke goederen te water onderscheidenlijk op de wal, en in het bijzonder op die betreffende de op- en overslag van gevaarlijke goederen in havens.

2.

Gevaarlijke stoffen mogen niet worden op- of overgeslagen of gestuwd, tenzij zij verpakt en gemerkt of geëtiketteerd zijn in overeenstemming met internationale bepalingen voor het vervoer van dergelijke stoffen.

3.

Indien verpakkingen of containers die gevaarlijke stoffen bevatten, gebroken of beschadigd zijn en daardoor gevaar opleveren, dient alle havenarbeid in het desbetreffende gebied te worden stilgelegd, met uitzondering van die werkzaamheden welke noodzakelijk zijn om het gevaar op te heffen terwijl de werknemers naar een veilige plaats dienen te worden gebracht, in afwachting van het tijdstip waarop het gevaar is geweken.

4.

Er dienen maatregelen te worden getroffen om te voorkomen dat werknemers worden blootgesteld aan gevaarlijke gassen, dampen, nevels of giftige stoffen, dan wel dat werknemers zich kunnen bevinden op plaatsen waar zuurstofgebrek of explosiegevaar heerst.

5.

Indien werknemers een gesloten ruimte moeten bestreden, waarin zich giftige of schadelijke stoffen kunnen bevinden of waarin een tekort aan zuurstof kan heersen, dienen passende maatregelen te worden getroffen ter vermijding van ongevallen of gevaar voor de gezondheid.

Artikel 33

Er dienen passende voorzorgsmaatregelen te worden getroffen om werknemers te beschermen tegen schadelijke gevolgen van lawaaioverlast op de arbeidsplaats.

Artikel 34
1.

In geval afdoende bescherming tegen gevaar voor ongevallen of gevaar voor de gezondheid niet door andere middelen kan worden verzekerd, dienen de werknemers te worden voorzien van de voor de veilige verrichting van hun werkzaamheden noodzakelijke persoonlijke beschuttingsmiddelen en beschermende kleding en zijn zij gehouden deze op de juiste wijze te gebruiken.

2.

Werknemers dienen zorg te dragen voor deze persoonlijke beschuttingsmiddelen en beschermende kleding.

3.

De persoonlijke beschuttingsmiddelen en beschermende kleding dienen door de werkgever goed te worden onderhouden.

Artikel 35

Bij ongevallen dienen voldoende middelen, alsook geoefend personeel, onmiddellijk beschikbaar te zijn voor het redden van in gevaar verkerende personen, voor het verlenen van eerste hulp en voor het afvoeren van gewonden, voor zover dit praktisch uitvoerbaar is en zonder hen verder in gevaar te brengen.

Artikel 36
1.

Elk Lid dient door middel van nationale wetgeving of andere passende methoden die in overeenstemming zijn met nationale gebruiken en omstandigheden, en na overleg met de betrokken organisaties van werkgevers en werknemers vast te stellen:

2.

Alle medische en overige speciale onderzoekingen verricht, ingevolge het eerste lid van dit artikel, zullen voor de werknemer geen kosten met zich medebrengen.

3.

De uit de medische en overige speciale onderzoekingen verkregen gegevens dienen vertrouwelijk te worden behandeld.

Artikel 37
1.

Veiligheids- en gezondheidscommissies, waarin ook vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers zijn opgenomen dienen te worden ingesteld in iedere haven waar een aanzienlijk aantal werknemers werkzaam is. Deze commissies dienen tevens, waar nodig, te worden ingesteld, in andere havens.

2.

De instelling, samenstelling en taken van dergelijke commissies moeten worden bepaald door de nationale wetgeving of andere passende methoden die in overeenstemming zijn met nationale gebruiken en omstandigheden, na overleg met de betrokken organisaties van werkgevers en werknemers en rekening houdend met plaatselijke omstandigheden.

Artikel 38
1.

Een werknemer mag slechts havenarbeid verrichten indien hij in voldoende mate is onderricht of een opleiding heeft ontvangen met betrekking tot de potentiële gevaren die aan zijn werkzaamheden zijn verbonden, en met betrekking tot de voornaamste voorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen.

2.

Een hijs- of hefinrichting of andere laad- en losinrichting mag slechts worden bediend door een persoon die ten minste 18 jaar is en de nodige bekwaamheden en ervaring bezit, of door een persoon die in opleiding is en onder behoorlijk toezicht staat.

Artikel 39

Ten einde bij te dragen tot het voorkomen van bedrijfsongevallen en beroepsziekten, dienen maatregelen te worden getroffen om te verzekeren dat deze aan het bevoegde gezag worden gemeld en, waar nodig, worden onderzocht.

Artikel 40

In overeenstemming met de nationale wetgeving of nationale gebruiken, dient op elk haventerrein een voldoend aantal toereikende en geschikte sanitaire voorzieningen en wasvoorzieningen te worden verschaft en naar behoren onderhouden, waar mogelijk binnen een redelijke afstand van de arbeidsplaats.

DEEL IV. TOEPASSING

Artikel 41

Ieder Lid dat dit Verdrag bekrachtigt dient:

Artikel 42
1.

In de nationale wetgeving dienen de termijnen te worden vermeld waarbinnen de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn ten aanzien van:

2.

De termijnen als voorgeschreven ingevolge het eerste lid van dit artikel, mogen niet langer zijn dan vier jaar, te rekenen vanaf de datum van bekrachtiging van dit Verdrag.

DEEL V. SLOTBEPALINGEN

Artikel 43

Dit Verdrag herziet het Verdrag betreffende bescherming tegen ongevallen van arbeiders, werkzaam bij het laden en lossen van schepen, 1929, en het Verdrag betreffende bescherming tegen ongevallen havenarbeiders (herzien), 1932.

Artikel 44

De officiële bekrachtigingen van dit Verdrag worden medegedeeld aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en door hem geregistreerd.

Artikel 45
1.

Dit Verdrag is slechts verbindend voor de Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie die hun bekrachtigingen door de Directeur-Generaal hebben doen registreren.

2.

Het treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop de bekrachtigingen van twee Leden door de Directeur-Generaal zijn geregistreerd.

3.

Vervolgens treedt dit Verdrag voor ieder Lid in werking twaalf maanden na de datum waarop zijn bekrachtiging is geregistreerd.

Artikel 46
1.

Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd, kan het opzeggen, na afloop van een termijn van tien jaar na de datum waarop het Verdrag in werking is getreden, door middel van een aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gerichte en door deze geregistreerde verklaring. De opzegging wordt eerst van kracht een jaar na de datum waarop zij is geregistreerd.

2.

Ieder Lid dat dit Verdrag heeft bekrachtigd en binnen een jaar na afloop van de termijn van tien jaar als bedoeld in het vorige lid geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot opzegging bedoeld in dit artikel, is voor een nieuwe termijn van tien jaar gebonden en kan daarna dit Verdrag opzeggen na afloop van elke termijn van tien jaar op de voorwaarden, voorzien in dit artikel.

Artikel 47
1.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau stelt alle Leden van de Internationale Arbeidsorganisatie in kennis van de registratie van alle bekrachtigingen en opzeggingen die hem door de Leden van de Organisatie zijn medegedeeld.

2.

Bij de kennisgeving aan de Leden van de Organisatie van de registratie van de tweede hem medegedeelde bekrachtiging, vestigt de Directeur-Generaal de aandacht van de Leden van de Organisatie op de datum waarop dit Verdrag in werking treedt.

Artikel 48

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau doet aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties mededeling, ter registratie in overeenstemming met artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties, van de volledige bijzonderheden omtrent alle bekrachtigingen en opzeggingen die hij overeenkomstig de bepalingen van de voorgaande artikelen heeft geregistreerd.

Artikel 49

De Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau brengt, telkens wanneer deze dit noodzakelijk acht, aan de Algemene Conferentie verslag uit over de toepassing van dit Verdrag en onderzoekt of het wenselijk is een gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag op de agenda van de Conferentie te plaatsen.

Artikel 50
1.

Indien de Conferentie een nieuw Verdrag aanneemt, houdende gehele of gedeeltelijke herziening van dit Verdrag, zal, tenzij het nieuwe Verdrag anders bepaalt:

2.

Dit Verdrag blijft echter naar vorm en inhoud van kracht voor de Leden die het hebben bekrachtigd en die het nieuwe Verdrag, houdende herziening, niet bekrachtigen.

Artikel 51

De Engelse en de Franse tekst van dit Verdrag zijn gelijkelijk gezaghebbend.

De Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie,

Bijeengeroepen te Genève door de Raad van Beheer van het Internationaal Arbeidsbureau en aldaar bijeengekomen in haar vijfenzestigste Zitting op 6 juni 1979;

Besloten hebbende tot het aannemen van bepaalde voorstellen met betrekking tot de herziening van het Verdrag betreffende de bescherming tegen ongevallen havenarbeiders (herzien), 1932 (nr. 32), welk onderwerp als vierde punt op de agenda van de Zitting voorkomt;

Vastgesteld hebbende dat deze voorstellen de vorm van een Aanbeveling dienen te krijgen ter aanvulling van het Verdrag betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid, 1979;

aanvaardt heden, de vijfentwintigste juni van het jaar negentienhonderd negenenzeventig de volgende Aanbeveling, die kan worden aangehaald als Aanbeveling betreffende de arbeidsveiligheid en gezondheid in havenarbeid, 1979:

The foregoing is the authentic text of the Convention duly adopted by the General Conference of the International Labour Organisation during its Sixty-fifth Session which was held at Geneva and declared closed the twenty-seventh day of June 1979.

IN FAITH WHEREOF we have appended our signatures this twenty-seventh day of June 1979.