← Geldende tekst · Geschiedenis

Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten

Geldende tekst a fecha 2009-03-13

De Overeenkomstsluitende Staten,

Erkennende dat de in het wild levende dier- en plantesoorten door hun schoonheid en verscheidenheid een onvervangbaar onderdeel vormen van de natuurlijke stelsels, dat moet worden beschermd ten behoeve van de huidige en komende generaties;

Zich bewust van de steeds toenemende waarde van in het wild levende dier- en plantesoorten, uit een esthetisch, wetenschappelijk, cultureel, recreatief en economisch oogpunt;

Erkennende dat de volken en Staten de beste beschermers van hun in het wild levende dier- en plantesoorten zijn en behoren te zijn;

Bovendien erkennende dat internationale samenwerking van wezenlijk belang is voor de bescherming van bepaalde in het wild levende dier- en plantesoorten tegen overmatige exploitatie ten gevolge van de internationale handel;

Overtuigd van de dringende noodzaak hiertoe passende maatregelen te nemen;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst betekent, tenzij uit het zinsverband duidelijk anders blijkt:

Artikel II. Grondbeginselen
1.

Bijlage I omvat alle met uitsterven bedreigde soorten die door de handel worden of zouden kunnen worden getroffen. De handel in specimens van deze soorten moet aan bijzonder strenge voorschriften worden onderworpen ten einde hun voortbestaan niet verder in gevaar te brengen en zij moet slechts in buitengewone gevallen worden toegestaan.

2.

Bijlage II omvat

3.

Bijlage III omvat alle soorten waarvan een Partij verklaart dat deze, binnen de grenzen van haar rechtsbevoegdheid, zijn onderworpen aan een verordening die ten doel heeft hun exploitatie te verhinderen of te beperken en waarvoor de samenwerking met de andere Partijen bij de controle op de handel noodzakelijk is.

4.

De Partijen staan de handel in specimens van de in Bijlagen I, II en III opgenomen soorten slechts toe indien deze in overeenstemming is met de bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel III. Reglementering van de handel in specimens van in Bijlage I opgenomen soorten
1.

Alle handel in specimens van in Bijlage I opgenomen soorten moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit artikel.

2.

Voor het uitvoeren van een specimen van een in Bijlage I opgenomen soort is de voorafgaande verlening en overlegging van een uitvoervergunning vereist. Een uitvoervergunning kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

3.

Voor het invoeren van een specimen van een in Bijlage I opgenomen soort is de voorafgaande verlening en overlegging van een invoervergunning en van hetzij een uitvoervergunning, hetzij een certificaat van wederuitvoer nodig. Een invoervergunning kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

4.

Voor de wederuitvoer van een specimen van een in Bijlage I opgenomen soort is de voorafgaande verlening en overlegging van een certificaat van wederuitvoer vereist. Een certificaat van wederuitvoer kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

5.

Voor aanvoer vanuit zee van een specimen van een in Bijlage I opgenomen soort is een certificaat vereist dat tevoren is uitgereikt door de administratieve instantie van de Staat waar het specimen is aangevoerd. Genoemd certificaat kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Artikel IV. Reglementering van de handel in specimens van in Bijlage II opgenomen soorten
1.

Alle handel in specimens van in Bijlage II opgenomen soorten moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit artikel.

2.

Voor de uitvoer van een specimen van een in Bijlage II opgenomen soort is de voorafgaande verlening en overlegging van een uitvoervergunning vereist. Een uitvoervergunning kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

3.

Een wetenschappelijke autoriteit van elke Partij dient voortdurend toezicht te houden zowel op de verlening door genoemde Partij van uitvoervergunningen voor de specimens van in Bijlage II opgenomen soorten als op de feitelijke uitvoer van die specimens. Wanneer een wetenschappelijke autoriteit vaststelt dat de uitvoer van specimens van een van deze soorten zou moeten worden beperkt, ten einde deze soort in zijn gehele verspreidingsgebied te behouden op een niveau, dat overeenkomt met zijn rol in de ecosystemen waarin hij voorkomt, en dat tevens duidelijk hoger ligt dan het peil dat aanleiding zou geven tot opname van die soort in Bijlage I, dan stelt zij de bevoegde administratieve instantie in kennis van de geëigende maatregelen die moeten worden genomen om de verlening van uitvoervergunningen voor specimens van genoemde soort te beperken.

4.

Voor het invoeren van een specimen van een in Bijlage II opgenomen soort is de voorafgaande overlegging vereist van hetzij een uitvoervergunning hetzij een certificaat van wederuitvoer.

5.

Voor de wederuitvoer van een specimen van een in Bijlage II opgenomen soort is de voorafgaande uitreiking en overlegging van een certificaat van wederuitvoer vereist. Een certificaat van wederuitvoer kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

6.

Voor aanvoer vanuit zee van een specimen van een in Bijlage II opgenomen soort is een certificaat vereist dat tevoren is uitgereikt door een administratieve instantie van de Staat waar dit specimen is aangevoerd. Dit certificaat kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

7.

De in het zesde lid van dit artikel bedoelde certificaten kunnen worden uitgereikt op advies van een wetenschappelijke autoriteit, nadat deze overleg heeft gepleegd met andere nationale of eventueel internationale wetenschappelijke autoriteiten over de totale aantallen specimens die mogen worden aangevoerd gedurende perioden van niet langer dan een jaar.

Artikel V. Reglementering van de handel in specimens van in Bijlage III opgenomen soorten
1.

Alle handel in specimens van in Bijlage III opgenomen soorten moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit artikel.

2.

Voor het uitvoeren van een specimen van een in Bijlage III opgenomen soort vanuit elke Staat die genoemde soort in Bijlage III heeft laten opnemen is de voorafgaande uitreiking en overlegging vereist van een uitvoervergunning. Een uitvoervergunning kan slechts worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

3.

Met uitzondering van de in het vierde lid van dit artikel bedoelde gevallen, is voor de invoer van elk specimen van een in Bijlage III opgenomen soort vereist dat tevoren een certificaat van herkomst wordt overgelegd en in geval van invoer vanuit een Staat die genoemde soort in Bijlage III heeft laten opnemen, een uitvoervergunning.

4.

In geval van wederuitvoer dient een door de administratieve instantie van de Staat van wederuitvoer uitgereikt certificaat waarin wordt verklaard dat het specimen in die Staat is verwerkt of opnieuw wordt uitgevoerd, door de Staat van invoer als bewijs te worden aanvaard dat de bepalingen van deze Overeenkomst ten aanzien van de betreffende specimens zijn nagekomen.

Artikel VI. Vergunningen en certificaten
1.

De krachtens de bepalingen van de artikelen III, IV en V uitgereikte vergunningen en certificaten moeten in overeenstemming zijn met de bepalingen van dit artikel.

2.

Een uitvoervergunning moet de inlichtingen bevatten zoals aangeduid in het model dat in Bijlage IV is weergegeven en is slechts gedurende een periode van zes maanden te rekenen van de datum van afgifte geldig voor de uitvoer.

3.

Elke vergunning of elk certificaat verwijst naar de titel van deze Overeenkomst en bevat de naam en het stempel van de administratieve instantie die de uitreiking heeft verricht en een door haar toegekend controlenummer.

4.

Elk door een administratieve instantie uitgereikt afschrift van een vergunning of van een certificaat moet duidelijk als zodanig worden gemerkt en kan niet worden gebruikt in plaats van het origineel, tenzij op het afschrift anders is aangegeven.

5.

Een afzonderlijke vergunning of afzonderlijk certificaat is vereist voor elke zending specimens.

6.

Een administratieve instantie van de Staat van invoer van enig specimen dient de uitvoervergunning of het certificaat van wederuitvoer en elke bij de invoer van genoemd specimen overgelegde overeenkomstige invoervergunning ongeldig te verklaren en in te nemen.

7.

Indien zinvol en uitvoerbaar kan een administratieve instantie een specimen ter identificatie van een kenteken voorzien. Voor dit doel betekent „kenteken” elk onuitwisbaar merkteken, loden zegel of ander geschikt middel waarmee een specimen geïdentificeerd kan worden en dat zo is ontworpen dat namaak ervan zoveel mogelijk is bemoeilijkt.

Artikel VII. Uitzonderingen en andere bijzondere voorzieningen betreffende de handel
1.

De bepalingen van de artikelen III, IV en V zijn niet van toepassing op de doorvoer of overlading van specimens op het gebied van een Partij wanneer deze specimens onder douanecontrole blijven.

2.

Wanneer ten genoege van een administratieve instantie van de Staat van uitvoer of van wederuitvoer is aangetoond dat een specimen is verkregen voordat de bepalingen van dit Verdrag van toepassing waren op genoemd specimen, zijn de bepalingen van de artikelen III, IV en V niet van toepassing op dit specimen, op voorwaarde dat genoemde administratieve instantie hiertoe een certificaat uitreikt.

3.

De bepalingen van de artikelen III, IV en V zijn niet van toepassing op specimens die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad. Deze uitzondering is evenwel niet van toepassing:

tenzij ten genoege van een administratieve instantie is aangetoond, dat deze specimens zijn verkregen voordat de bepalingen van deze Overeenkomst van toepassing zijn geworden op de betreffende specimens.

4.

De specimens van een in Bijlage I opgenomen diersoort die in gevangenschap voor commerciële doeleinden zijn gefokt, of van een in Bijlage I opgenomen plantesoort die kunstmatig voor commerciële doeleinden is gekweekt, worden beschouwd als specimens van in Bijlage II opgenomen soorten.

5.

Wanneer ten genoege van een administratieve instantie van de Staat van uitvoer is aangetoond dat een specimen van een diersoort in gevangenschap is gefokt of dat een specimen van een plantesoort kunstmatig is gekweekt of wanneer het een deel van een zodanig dier of een zodanige plant of een van de produkten daarvan betreft dan wordt een door die administratieve instantie hiertoe uitgereikt certificaat aanvaard in plaats van overeenkomstig de bepalingen van de artikelen III, IV of V benodigde vergunningen en certificaten.

6.

De bepalingen van de artikelen III, IV en V zijn niet van toepassing op uitlening, schenking of uitwisseling voor niet-commerciële doeleinden tussen wetenschapsmensen en wetenschappelijke instituten die door een administratieve instantie van hun Staat zijn geregistreerd, van specimens uit herbaria, van andere geconserveerde, gedroogde of ingesloten specimens uit musea en van levende planten die een door een administratieve instantie uitgereikt of goedgekeurd merkteken dragen.

7.

Een administratieve instantie van elke Staat kan uitzonderingen op de verplichtingen van de artikelen III, IV en V toestaan en machtiging verlenen om specimens die deel uitmaken van een reizende diergaarde, een circus, een menagerie, een plantententoonstelling of andere reizende tentoonstelling, zonder vergunning of certificaten te verplaatsen, op voorwaarde dat:

Artikel VIII. Door de Partijen te nemen maatregelen
1.

De Partijen nemen gepaste maatregelen om de bepalingen van deze Overeenkomst uit te voeren en de handel in specimens waarbij deze worden overtreden, te verbieden.

Deze maatregelen omvatten:

2.

Behalve de op grond van het eerste lid van dit artikel genomen maatregelen, kan een Partij, wanneer zij dit nodig acht, voorzieningen treffen voor een methode van vergoeding over en weer van de gemaakte kosten die voortvloeiden uit de verbeurdverklaring van een specimen dat werd verhandeld met schending van de krachtens de bepalingen van dit Verdrag genomen maatregelen.

3.

De Partijen dragen er zoveel mogelijk zorg voor dat de voor de handel in specimens vereiste formaliteiten zo snel mogelijk worden uitgevoerd. Ten einde deze formaliteiten te vergemakkelijken, kan elke Partij havens voor vertrek en havens voor aankomst aanwijzen waar de specimens bij de douane moeten worden aangegeven. De Partijen dragen er eveneens zorg voor dat alle levende specimens gedurende de tijd van doorvoer, verblijf of vervoer op gepaste wijze worden behandeld zodat risico's van verwondingen, schade aan de gezondheid en ruwe behandeling tot een minimum worden beperkt.

4.

Bij verbeurdverklaring van een levend specimen als gevolg van de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, gelden de volgende afspraken:

5.

Een bewaarplaats, zoals bedoeld in het vierde lid van dit artikel, is een door een administratieve instantie aangewezen instelling die zorg draagt voor het welzijn van levende specimens, in het bijzonder die welke verbeurd zijn verklaard.

6.

Elke Partij houdt een register bij van de handel in specimens van in Bijlagen I, II en III opgenomen soorten, waarin worden opgetekend:

7.

Elke Partij stelt periodieke rapporten op over de uitvoering van deze Overeenkomst door deze Partij en doet het Secretariaat toekomen:

8.

De in het zevende lid van dit artikel bedoelde inlichtingen staan ter beschikking van het publiek voor zover dit niet in strijd is met de wettelijke en reglementaire bepalingen van de betrokken Partij.

Artikel IX. Administratieve instanties en wetenschappelijke autoriteiten
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst benoemt elke Partij:

2.

Bij de nederlegging van de akten van bekrachtiging, toetreding, goedkeuring of aanvaarding, stelt elke Staat de depot-Regering tegelijkertijd in kennis van de naam en het adres van de administratieve instantie die gemachtigd is in verbinding te treden met andere Partijen en met het Secretariaat.

3.

Elke wijziging in de aanwijzingen of machtigingen die ingevolge de bepalingen van dit artikel zijn gedaan, moet door de betrokken Partij ter kennis worden gebracht van het Secretariaat dat alle andere Partijen op de hoogte stelt.

4.

De in het tweede lid van dit artikel bedoelde administratieve instantie moet, indien daarom wordt verzocht door het Secretariaat of de administratieve instantie van een andere Partij, hun de afdruk doen toekomen van de stempels, zegels of andere middelen die worden gebruikt om vergunningen of certificaten te legaliseren.

Artikel X. Handel met Staten die geen Partij bij deze Overeenkomst zijn

In geval van uitvoer of wederuitvoer naar of van invoer uit een Staat die geen partij is bij deze Overeenkomst, kunnen de Partijen, in plaats van de door dit Verdrag vereiste vergunningen en certificaten, gelijksoortige, door de bevoegde autoriteiten van genoemde Staat uitgereikte documenten aanvaarden; deze documenten moeten in essentie overeenstemmen met de in dit Verdrag voor vergunningen en certificaten vereiste voorwaarden.

Artikel XI. Conferentie der Partijen
1.

Het Secretariaat roept niet later dan twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag een vergadering van de Conferentie der Partijen bijeen.

2.

Vervolgens roept het Secretariaat, tenzij de Conferentie anders besluit, tenminste eenmaal per twee jaar gewone vergaderingen bijeen, en buitengewone zittingen te allen tijde op schriftelijk verzoek van tenminste een derde deel der Partijen.

3.

Tijdens gewone of buitengewone vergaderingen van deze Conferentie geven de Partijen een overzicht van de uitvoering van deze Overeenkomst en kunnen:

4.

Tijdens elke gewone vergadering kunnen de Partijen de datum en de plaats vaststellen van de volgende welke overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid van dit artikel dient te worden gehouden.

5.

Tijdens elke vergadering kunnen de Partijen het huishoudelijk reglement voor die vergadering opstellen en aanvaarden.

6.

De Organisatie der Verenigde Naties, haar gespecialiseerde organisaties en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie, benevens elke bij deze Overeenkomst niet Partij zijnde Staat kunnen op de vergaderingen van de Conferentie worden vertegenwoordigd door waarnemers die recht van deelname maar geen stemrecht hebben.

7.

Alle op het gebied van bescherming, behoud of beheer van wilde dier- en plantesoorten technisch gekwalificeerde instanties of instellingen die het Secretariaat in kennis hebben gesteld van hun wens zich door waarnemers te laten vertegenwoordigen op de vergaderingen van de Conferentie, worden toegelaten - tenzij tenminste een derde van de aanwezige Partijen hiertegen bezwaar aantekentop voorwaarde dat zij tot een der volgende categorieën behoren:

Wanneer deze waarnemers eenmaal zijn toegelaten, hebben zij wel recht op deelname maar geen stemrecht.

Artikel XII. Het Secretariaat
1.

Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag voorziet de algemeen directeur van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties in een Secretariaat. Voor zover hij dit nodig acht, kan hij terzijde worden gestaan door internationale of nationale, hiertoe geschikte wel of niet van overheidswege ingestelde bevoegde en op het gebied van bescherming, behoud en beheer van wilde dier- en plantesoorten technisch gekwalificeerde instanties.

2.

Het Secretariaat heeft de volgende taken:

Artikel XIII. Internationale maatregelen
1.

Wanneer het Secretariaat, op grond van ontvangen inlichtingen, van mening is dat een in Bijlage I of II opgenomen soort door de handel in specimens van deze soort nadeel ondervindt of dat de bepalingen van deze Overeenkomst niet doeltreffend worden toegepast, stelt het de bevoegde administratieve instantie van de betrokken Partij of Partijen hiervan in kennis.

2.

Wanneer een Partij inlichtingen ontvangt als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, stelt zij zo snel mogelijk en voor zover haar wetgeving dit toestaat, het Secretariaat op de hoogte van alle daarmede verband houdende feiten en stelt eventueel corrigerende maatregelen voor. Wanneer de Partij meent dat een onderzoek wenselijk is, kan dit worden uitgevoerd door een of meer door genoemde Partij speciaal hiertoe gemachtigde personen.

3.

De inlichtingen die door de Partij worden verschaft of voortvloeien uit een onderzoek zoals bedoeld in het tweede lid van dit artikel, worden behandeld tijdens de eerstvolgende Conferentie der Partijen, welke elke aanbeveling kan doen die haar goeddunkt.

Artikel XIV. Gevolgen voor binnenlandse wetgeving en internationale overeenkomsten
1.

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn op geen enkele wijze van invloed op het recht der Partijen de volgende maatregelen te nemen:

2.

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn op geen enkele wijze van invloed op de binnenlandse maatregelen of de verplichtingen der Partijen die voortvloeien uit alle verdragen, of internationale overeenkomsten betreffende andere aspecten van de handel, het in bezit nemen, het in bezit hebben of het vervoer van specimens, welke ten aanzien van elke Partij van kracht zijn of kunnen worden, met inbegrip van elke maatregel op het gebied van de douane, de volksgezondheid, de diergeneeskunde of de quarantaine van planten.

3.

De bepalingen van deze Overeenkomst zijn op geen enkele wijze van invloed op de bepalingen van of de verplichtingen die voortvloeien uit een tussen Staten reeds gesloten of nog te sluiten verdrag, een nationale of andere overeenkomst waarbij een unie of een regionale handelszone in het leven wordt geroepen die de instelling of de handhaving van gemeenschappelijke douanecontrole aan de buitengrenzen en de opheffing van douanecontrole tussen de partijen met zich brengt, voor zover deze bepalingen of verplichtingen betrekking hebben op de handel tussen de lid-Staten van een dergelijke unie of handelszone.

4.

Een bij deze Overeenkomst Partij zijnde Staat die eveneens Partij is bij een ander verdrag, of een andere internationale overeenkomst welke van kracht is op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst en waarvan de bepalingen bescherming verlenen aan de in Bijlage II opgenomen mariene soorten, wordt ontheven van de verplichtingen die hem op grond van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn opgelegd, wat betreft de handel in specimens van in Bijlage II opgenomen soorten die door in die Staat geregistreerde schepen en in overeenstemming met de bepalingen van dat andere verdrag of van die andere internationale overeenkomst, uit de zee zijn verkregen.

5.

Niettegenstaande de bepalingen van de artikelen III, IV en V is voor de uitvoer van een overeenkomstig het vierde lid van dit artikel verkregen specimen slechts een certificaat vereist van een administratieve instantie van de Staat waar dit specimen is aangevoerd, waarin wordt verklaard dat het specimen overeenkomstig de bepalingen van het andere desbetreffende verdrag, of de andere internationale overeenkomst, is verkregen.

6.

De bepalingen van deze Overeenkomst laten onverlet de codificatie en de ontwikkeling van het zeerecht door de Conferentie der Verenigde Naties over het Zeerecht, bijeengeroepen op grond van Resolutie No. 2750 C (XXV) van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, benevens de huidige of toekomstige eisen en juridische standpunten van elke Staat inzake het zeerecht en de aard en omvang van zijn rechtsmacht ten aanzien van het zeegebied langs zijn kust en de onder zijn vlag varende schepen.

Artikel XV. Wijzigingen in Bijlagen I en II
1.

De volgende bepalingen zijn van toepassing met betrekking tot de wijziging van Bijlagen I en II die worden voorgesteld tijdens de vergaderingen van de Conferentie der Partijen:

2.

De volgende bepalingen zijn van toepassing met betrekking tot de wijzigingen van Bijlage I en II die worden voorgesteld in de periode tussen de vergaderingen van de Conferenties der Partijen:

3.

Tijdens de periode van 90 dagen zoals bedoeld in letter c) van het eerste lid of in letter 1) van het tweede lid van dit artikel, kan elke Partij, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depot-Regering, een voorbehoud maken ten aanzien van de wijziging. Zolang dit voorbehoud niet is ingetrokken, wordt deze Partij beschouwd als een Staat die geen Partij is bij deze Overeenkomst wat betreft de handel in bedoelde soorten.

Artikel XVI. Bijlage III en wijzigingen van deze Bijlage
1.

Elke Partij kan te allen tijde aan het Secretariaat een lijst voorleggen van soorten, waarvan hij verklaart dat hij hen, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, tot het onderwerp heeft gemaakt van een regeling ter verwezenlijking van de in het derde lid van artikel II voorziene doeleinden. Bijlage III bevat de namen van de Partijen die de soort daarop hebben doen opnemen, de wetenschappelijke namen van die soorten en de delen der betreffende dieren en planten en de hieruit verkregen produkten welke uitdrukkelijk worden vermeld met betrekking tot de soort overeenkomstig het bepaalde in letter b) van artikel I.

2.

Elke ingevolge het bepaalde in het eerste lid van dit artikel voorgelegde lijst, wordt door het Secretariaat zo spoedig mogelijk na ontvangst aan de Partijen medegedeeld. De lijst wordt als een integrerend deel van Bijlage III van kracht 90 dagen na de datum van een dergelijke mededeling. Elke Partij kan, te allen tijde na ontvangst van deze lijst, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de depot-Regering, een voorbehoud ten aanzien van elke soort, elk deel van of elk produkt verkregen uit de betreffende dieren of planten, indienen en zolang dit voorbehoud niet is ingetrokken, wordt die Staat beschouwd als een Staat die geen Partij bij deze Overeenkomst is wat betreft de handel in de soort of het deel van of het verkregen produkt uit de betreffende dieren of planten.

3.

Een Partij die een soort in Bijlage III heeft laten opnemen, kan dit te allen tijde weer ongedaan maken door middel van een schriftelijke kennisgeving aan het Secretariaat dat alle Partijen hiervan in kennis stelt. De ongedaanmaking wordt 30 dagen na de datum van deze kennisgeving van kracht.

4.

Elke Partij die op grond van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel een lijst voorlegt, doet aan het Secretariaat een afschrift toekomen van alle binnenlandse wetten en bepalingen die van toepassing zijn op de bescherming van deze soorten, vergezeld van alle toelichtingen die de Partij nodig acht of welke het Secretariaat haar kan vragen. Zolang deze soorten in Bijlage III opgenomen blijven, doet de Partij mededeling van elke wijziging in deze wetten en bepalingen of elke nieuwe toelichting, zodra deze zijn aangenomen.

Artikel XVII. Wijziging van de Overeenkomst
1.

Indien ten minste een derde der Partijen hiertoe een schriftelijk verzoek indient wordt door het Secretariaat een buitengewone vergadering van de Conferentie der Partijen uitgeschreven, ten einde wijzigingen in deze Overeenkomst te behandelen en aan te nemen. Deze wijzigingen worden aangenomen met een meerderheid van twee derde der aanwezige en hun stem uitbrengende Partijen. In dit verband betekent „aanwezige en hun stem uitbrengende Partijen” de Partijen die aanwezig zijn en die een stem voor of tegen uitbrengen. Bij het berekenen van de voor het aannemen van een wijziging vereiste twee derde meerderheid, worden onthoudingen niet meegeteld.

2.

Het Secretariaat doet de tekst van elk wijzigingsvoorstel ten minste 90 dagen voor de zitting van de Conferentie aan alle Partijen toekomen.

3.

Een wijziging wordt van kracht voor de Partijen die deze hebben goedgekeurd op de zestigste dag nadat twee derde der Partijen een akte van goedkeuring van de wijziging bij de depot-Regering hebben nedergelegd. Vervolgens wordt de wijziging voor elke andere Partij van kracht 60 dagen na de nederlegging door genoemde Partij van haar akte van goedkeuring van de wijziging.

Artikel XVIII. Regeling van geschillen
1.

Over elk tussen twee of meer Partijen bij deze Overeenkomst gerezen geschil ten aanzien van de interpretatie of de toepassing van de bepalingen van deze Overeenkomst, wordt tussen bij het geschil betrokken Partijen onderhandeld.

2.

Indien het geschil niet overeenkomstig de in het eerste lid van dit artikel kan worden geregeld, kunnen de Partijen met wederzijds goedvinden het geschil aan arbitrage onderwerpen, met name aan die van het Permanente Hof van Arbitrage te 's-Gravenhage; de Partijen die het geschil aan arbitrage hebben onderworpen, zijn door de arbitrale uitspraak gebonden.

Artikel XIX. Ondertekening

Deze Overeenkomst staat open voor ondertekening te Washington tot 30 april 1973 en na deze datum te Bern tot 31 december 1974.

Artikel XX. Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring

Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Regering van de Zwitserse Bondsstaat die optreedt als depot-Regering.

Artikel XXI. Toetreding

Deze Overeenkomst staat voor onbepaalde tijd open voor toetreding. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de depot-Regering.

Artikel XXII. Inwerkingtreding
1.

Deze Overeenkomst treedt in werking 90 dagen na de nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bij de depot-Regering.

2.

Voor elke Staat die deze Overeenkomst bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de tiende akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, treedt deze Overeenkomst in werking 90 dagen na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding.

Artikel XXIII. Voorbehouden
1.

Ten aanzien van deze Overeenkomst kunnen geen algemene voorbehouden worden gemaakt. Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel en in de artikelen XV en XVI kunnen slechts bijzondere voorbehouden worden gemaakt.

2.

Elke Staat kan bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, een bijzonder voorbehoud maken betreffende:

3.

Zolang een Partij haar op grond van de bepalingen van dit artikel gemaakt voorbehoud niet intrekt, wordt deze beschouwd als een Staat die geen Partij bij deze Overeenkomst is wat betreft de handel in soorten, delen van of produkten verkregen uit een dier of een plant, zoals nader aangeduid in genoemd voorbehoud.

Artikel XXIV. Opzegging

Elke Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door middel van een aan de depot-Regering gerichte schriftelijke kennisgeving. De opzegging treedt in werking twaalf maanden nadat de depot-Regering deze kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel XXV. Depositaris
1.

Het oorspronkelijke exemplaar van deze Overeenkomst, waarvan de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de depot-Regering die daarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan alle Staten die haar hebben ondertekend of die akten van toetreding tot deze Overeenkomst hebben nedergelegd.

2.

De depot-Regering stelt de ondertekenende en tot deze Overeenkomst toetredende Staten en het Secretariaat in kennis van de ondertekeningen, de nederlegging van akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, de inwerkingtreding van deze Overeenkomst, wijzigingen daarvan, de indiening en intrekking van voorbehouden en kennisgevingen van opzegging.

3.

Zodra deze Overeenkomst in werking is getreden, doet de depot-Regering een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze Overeenkomst toekomen aan het Secretariaat der Verenigde Naties ter registratie en publikatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized to that effect, have signed the present Convention.

DONE at Washington this third day of March, One Thousand Nine Hundred and Seventy-three.