← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag van Wenen inzake Statenopvolging met betrekking tot verdragen

Geldende tekst a fecha 1978-08-23

De Staten die Partij bij dit Verdrag zijn,

Overwegende dat de internationale gemeenschap als gevolg van het dekolonisatieproces grondig is veranderd,

Tevens overwegende dat andere factoren in de toekomst kunnen leiden tot gevallen van statenopvolging,

Gezien deze omstandigheden overtuigd van de noodzaak van codificatie en voortgaande ontwikkeling van de regels inzake statenopvolging met betrekking tot verdragen als middel ter verzekering van grote rechtszekerheid in de internationale betrekkingen,

Vaststellend dat de beginselen van vrije instemming, goede trouw en pacta sunt servanda algemeen worden erkend,

Benadrukkend dat de consistente naleving van algemene multilaterale verdragen die betrekking hebben op de codificatie en de voortgaande ontwikkeling van het volkenrecht, en die waarvan het voorwerp en doel van belang zijn voor de internationale gemeenschap in haar geheel, van bijzondere betekenis is voor de versterking van vrede en internationale samenwerking,

Indachtig de beginselen van het volkenrecht, neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, zoals de beginselen van de gelijke rechten en zelfbeschikking van volkeren, van de soevereine gelijkheid en onafhankelijkheid van alle Staten, van niet-inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van Staten, van het verbod van het dreigen met of het gebruik van geweld en van de universele eerbiediging en inachtneming van de mensenrechten en fundamentele vrijheden voor allen,

In herinnering roepend dat respect voor de territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid van elke Staat krachtens het Handvest van de Verenigde Naties wordt vereist,

Gezien de bepalingen van het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht van 1969,

Tevens gezien het bepaalde in artikel 73 van dit Verdrag,

Bevestigend dat andere vraagstukken ten aanzien van het verdragenrecht dan die welke voortvloeien uit een statenopvolging, worden geregeld door de desbetreffende regels van het volkenrecht, met inbegrip van die regels van internationaal gewoonterecht welke zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht van 1969,

Bevestigend dat de regels van internationale gewoonterecht van toepassing blijven op de vraagstukken die niet door de bepalingen van dit Verdrag worden geregeld,

Zijn als volgt overeengekomen:

DEEL I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Reikwijdte van dit Verdrag

Dit Verdrag is van toepassing op de gevolgen van een opvolging van Staten met betrekking tot verdragen tussen Staten.

Artikel 2. Gebruikte termen
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag betekent

2.

De bepalingen van het eerste lid betreffende de in dit Verdrag gebruikte termen laten het gebruik van deze termen of de daaraan gehechte betekenis in het interne recht van elke Staat onverlet.

Artikel 3. Kwesties die niet vallen binnen het kader van dit Verdrag

Het feit dat dit Verdrag niet van toepassing is op de gevolgen van statenopvolging met betrekking tot internationale overeenkomsten die tussen Staten en andere volkenrechtelijke subjecten zijn gesloten, of met betrekking tot internationale overeenkomsten niet in schriftelijke vorm, doet geen afbreuk aan:

Artikel 4. Verdragen tot oprichting van internationale organisaties en verdragen die binnen een internationale organisatie zijn aangenomen

Dit Verdrag is van toepassing op de gevolgen van statenopvolging met betrekking tot:

Artikel 5. Verplichtingen die onafhankelijk van een verdrag door het volkenrecht zijn opgelegd

Het feit dat ingevolge de toepassing van dit Verdrag een verdrag niet geacht wordt van kracht te zijn voor een Staat ontslaat deze Staat niet van de plicht alle in het verdrag vastgelegde verplichtingen waaraan deze Staat krachtens het volkenrecht onafhankelijk van het verdrag is onderworpen, na te komen.

Artikel 6. Gevallen van statenopvolging voorzien in dit Verdrag

Dit Verdrag is uitsluitend van toepassing op de gevolgen van statenopvolging die geschiedt in overeenstemming met het volkenrecht en, in het bijzonder, met de in het Handvest van de Verenigde Naties neergelegde beginselen van het volkenrecht.

Artikel 7. Toepassing van dit Verdrag met betrekking tot de tijd
1.

Behoudens de toepassing van elk van de in dit Verdrag vervatte regels waaraan de gevolgen van statenopvolging onafhankelijk van dit Verdrag zouden zijn onderworpen krachtens het volkenrecht, is dit Verdrag uitsluitend van toepassing met betrekking tot statenopvolging die heeft plaatsgevonden na de inwerkingtreding van dit Verdrag, tenzij anders is overeengekomen.

2.

Een Opvolgerstaat kan, op het tijdstip waarop deze zijn instemming om door dit Verdrag gebonden te worden tot uitdrukking brengt, of op een later tijdstip, verklaren de bepalingen van het Verdrag te zullen toepassen op zijn eigen statenopvolging die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag in relatie tot elke andere verdragsluitende Staat of Staat partij bij dit Verdrag die een verklaring aflegt, waarin de verklaring van de Opvolgerstaat wordt aanvaard. Bij de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen de Staten die die verklaringen hebben afgelegd, of bij het afleggen van de verklaring van aanvaarding, welke hiervan het laatst plaatsvindt, zijn de bepalingen van dit Verdrag van toepassing op de gevolgen van de statenopvolging met ingang van de datum van die statenopvolging.

3.

Een Opvolgerstaat kan, op het tijdstip van ondertekening of van het tot uitdrukking brengen van zijn instemming door dit Verdrag gebonden te worden, verklaren de bepalingen van dit Verdrag voorlopig te zullen toepassen met betrekking tot zijn eigen statenopvolging die heeft plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag in relatie tot elke andere ondertekenende of verdragsluitende Staat die verklaart de verklaring van de Opvolgerstaat te aanvaarden; bij het afleggen van de verklaring van aanvaarding zijn die bepalingen tussen die beide Staten voorlopig van toepassing op de gevolgen van de statenopvolging met ingang van de datum van de statenopvolging.

4.

Elke verklaring die in overeenstemming met het tweede of derde lid wordt afgelegd, dient vervat te zijn in een schriftelijke kennisgeving aan de depositaris, die de Partijen en de Staten die gerechtigd zijn Partij bij dit Verdrag te worden, in kennis stelt van de hem toegezonden mededeling en van de termen ervan.

Artikel 8. Overeenkomsten inzake de overdracht van verdragsverplichtingen of -rechten van een Voorgangerstaat op een Opvolgerstaat
1.

De verplichtingen of rechten van een Voorgangerstaat ingevolge verdragen, die met betrekking tot een gebied van kracht zijn op de datum van statenopvolging, worden geen verplichtingen of rechten van de Opvolgerstaat jegens andere Staten, die partij bij deze verdragen zijn, door het enkele feit dat de Voorgangerstaat en de Opvolgerstaat een overeenkomst hebben gesloten waarin wordt bepaald dat dergelijke verplichtingen of rechten overgaan op de Opvolgerstaat.

2.

Ondanks het sluiten van een dergelijke overeenkomst worden de gevolgen van een statenopvolging met betrekking tot verdragen die op het tijdstip van die statenopvolging van kracht waren ten aanzien van het gebied in kwestie door dit Verdrag beheerst.

Artikel 9. Eenzijdige verklaring van een Opvolgerstaat met betrekking tot verdragen van de Voorgangerstaat
1.

Verplichtingen of rechten ingevolge verdragen die met betrekking tot een gebied van kracht zijn op de datum van statenopvolging worden geen verplichtingen of rechten van de Opvolgerstaat of van andere Staten, die partij bij deze verdragen zijn, door het enkele feit dat de Opvolgerstaat een eenzijdige verklaring heeft afgelegd die voorziet in het van-kracht-blijven van de verdragen op zijn grondgebied.

2.

In een dergelijk geval worden de gevolgen van de statenopvolging met betrekking tot verdragen die, op het tijdstip van die statenopvolging, van kracht waren op het gebied in kwestie door dit Verdrag beheerst.

Artikel 10. Verdragen die voorzien in deelneming door een Opvolgerstaat
1.

Wanneer een verdrag bepaalt dat, in het geval van statenopvolging, een Opvolgerstaat de mogelijkheid heeft zich partij bij het verdrag te beschouwen, kan deze Staat kennis geven van zijn opvolging met betrekking tot het verdrag in overeenstemming met de bepalingen van dat verdrag of, indien dergelijke bepalingen ontbreken, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag.

2.

Indien een verdrag bepaalt dat, in het geval van statenopvolging, een Opvolgerstaat geacht wordt partij te zijn bij het verdrag, wordt deze bepaling alleen als zodanig van kracht, indien de Opvolgerstaat uitdrukkelijk schriftelijk aanvaardt als zodanig te worden beschouwd.

3.

In de gevallen vallend onder het eerste of tweede lid wordt een Opvolgerstaat die zijn instemming vastlegt partij bij het verdrag te zijn, geacht partij bij het verdrag te zijn met ingang van de datum van statenopvolging, tenzij in het verdrag anders wordt bepaald of anders is overeengekomen.

Artikel 11. Grensregime

Statenopvolging is niet als zodanig van invloed op:

Artikel 12. Andere territoriale regimes
1.

Statenopvolging is niet als zodanig van invloed op:

2.

Statenopvolging is niet als zodanig van invloed op:

3.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op verdragsverplichtingen van de Voorgangerstaat die voorzien in de vestiging van buitenlandse militaire bases op het grondgebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.

Artikel 13. Dit Verdrag en de permanente soevereiniteit over natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen

Niets in dit Verdrag maakt inbreuk op de volkenrechtelijke beginselen die de permanente soevereiniteit van elk volk en elke Staat over zijn natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen bevestigen.

Artikel 14. Vraagstukken met betrekking tot de geldigheid van een verdrag

Niets in dit Verdrag wordt geacht in enig opzicht vooruit te lopen op enig vraagstuk met betrekking tot de geldigheid van een verdrag.

DEEL II. OPVOLGING MET BETREKKING TOT EEN DEEL VAN HET GRONDGEBIED

Artikel 15. Opvolging met betrekking tot een deel van het grondgebied

Wanneer een deel van het grondgebied van een Staat, of een gebied waarvoor een Staat verantwoordelijk is voor de buitenlandse betrekkingen dat geen deel uitmaakt van het grondgebied van die Staat, deel wordt van het grondgebied van een andere Staat:

Deel III. Nieuw-onafhankelijke Staten

AFDELING 1. ALGEMENE REGEL

Artikel 16. Toestand met betrekking tot de verdragen van de Voorgangerstaat

Een nieuw-onafhankelijke Staat is niet verplicht een verdrag van kracht te laten blijven of partij daarbij te worden uitsluitend omdat het verdrag op de datum van de statenopvolging in werking was voor het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.

AFDELING 2. MULTILATERALE VERDRAGEN

Artikel 17. Deelneming aan verdragen die van kracht zijn op de datum van de statenopvolging
1.

Behoudens het tweede en derde lid, kan een nieuw-onafhankelijke Staat, door middel van een verklaring van voortgezette gebondenheid, zijn status bepalen als partij bij een multilateraal verdrag dat op de datum van de statenopvolging in werking was voor het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag met betrekking tot de nieuw-onafhankelijke Staat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

3.

Wanneer, ingevolge de termen van het verdrag of vanwege het beperkte aantal Staten dat aan de onderhandeling heeft deelgenomen, alsmede het voorwerp en doel van het verdrag, de instemming van alle partijen noodzakelijk moet worden geacht voor de deelneming van een andere Staat aan het verdrag, kan de nieuw-onafhankelijke Staat slechts met een dergelijke instemming zijn status als partij bij het verdrag bepalen.

Artikel 18. Deelneming aan verdragen die niet van kracht zijn op de datum van de statenopvolging
1.

Behoudens het derde en vierde lid, kan een nieuw-onafhankelijke Staat, door middel van een verklaring van voortgezette gebondenheid, zijn status als verdragsluitende Staat met betrekking tot een niet in werking getreden multilateraal verdrag bepalen, indien op de datum van de statenopvolging de Voorgangerstaat een verdragsluitende Staat was ten aanzien van het gebied waarop deze statenopvolging betrekking heeft.

2.

Behoudens het derde en vierde lid, kan een nieuw-onafhankelijke Staat, door middel van een verklaring van voortgezette gebondenheid, zijn status bepalen als partij bij een multilateraal verdrag dat na de datum van de statenopvolging in werking treedt, indien op de datum van de statenopvolging de Voorgangerstaat een verdragsluitende Staat was ten aanzien van het gebied waarop deze statenopvolging betrekking heeft.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag met betrekking tot de nieuw-onafhankelijke Staat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

4.

Wanneer, onder de termen van het verdrag of vanwege het beperkte aantal Staten dat aan de onderhandeling heeft deelgenomen, alsmede het voorwerp en doel van het verdrag, de instemming van alle partijen noodzakelijk moet worden geacht voor de deelneming van een andere Staat aan het verdrag, kan de nieuw-onafhankelijke Staat slechts meteen dergelijke instemming zijn status als partij of verdragsluitende Staat met betrekking tot het verdrag bepalen.

5.

Wanneer in een verdrag bepaald wordt dat een vastgesteld aantal verdragsluitende Staten is vereist voor de inwerkingtreding ervan, geldt een nieuw-onafhankelijke Staat die ingevolge het eerste lid zijn status als verdragsluitende Staat met betrekking tot het verdrag bepaalt, als verdragsluitende Staat voor de uitvoering van die bepaling, tenzij uit het verdrag of op andere wijze een andere bedoeling blijkt.

Artikel 19. Deelneming aan verdragen die door de Voorgangerstaat zijn ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
1.

Indien, behoudens het derde en vierde lid, vóór de datum van de statenopvolging de Voorgangerstaat een multilateraal verdrag heeft ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, en door de ondertekening heeft bedoeld de toepassing van het verdrag uit te breiden tot het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, kan de nieuw-onafhankelijke Staat het verdrag bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren alsof deze dit verdrag zelf had ondertekend, en kan daardoor partij of verdragsluitende Staat erbij worden.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt, tenzij een andere bedoeling blijkt uit het verdrag of op andere wijze is komen vast te staan, de ondertekening door de Voorgangerstaat geacht de bedoeling uit te drukken dat het verdrag zich uitstrekt tot het gehele grondgebied voor de buitenlandse betrekkingen waarvan de Voorgangerstaat verantwoordelijk was.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag met betrekking tot de nieuw-onafhankelijke Staat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

4.

Wanneer onder de termen van het verdrag of vanwege het beperkte aantal Staten dat aan de onderhandeling heeft deelgenomen, alsmede het voorwerp en doel van het verdrag, de instemming van alle partijen of van alle verdragsluitende Staten noodzakelijk moet worden geacht voor de deelneming van elke andere Staat aan het verdrag, kan de nieuw-onafhankelijke Staat slechts met een dergelijke instemming partij of verdragsluitende Staat met betrekking tot het verdrag worden.

Artikel 20. Voorbehouden
1.

Wanneer een nieuw-onafhankelijke Staat zijn status als partij of verdragsluitende Staat met betrekking tot een multilateraal verdrag bepaalt door middel van een verklaring van voortgezette gebondenheid overeenkomstig artikel 17 of 18, wordt hij geacht elk voorbehoud ten aanzien van dat verdrag te handhaven dat van toepassing was op de datum van de statenopvolging ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, tenzij deze Staat bij de verklaring van voortgezette gebondenheid uitdrukking geeft aan een tegengestelde bedoeling of zelf een voorbehoud maakt dat betrekking heeft op hetzelfde onderwerp als dat voorbehoud.

2.

Een nieuw-onafhankelijke Staat kan, bij het afleggen van een verklaring van voortgezette gebondenheid ter bepaling van zijn status als partij of verdragsluitende Staat bij een multilateraal verdrag overeenkomstig artikel 17 of 18, een voorbehoud maken, tenzij het maken van dit voorbehoud zou zijn uitgesloten door de bepalingen van artikel 19, letter a), b) of c), van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht.

3.

Wanneer een nieuw-onafhankelijke Staat een voorbehoud maakt in overeenstemming met het tweede lid, zijn de in artikelen 20 tot en met 23 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht vastgestelde regels van toepassing met betrekking tot dat voorbehoud.

Artikel 21. Instemming door een deel van het verdrag gebonden te worden en keuze tussen verschillende bepalingen
1.

Een nieuw-onafhankelijke Staat kan, bij het afleggen van een verklaring van voortgezette gebondenheid overeenkomstig artikel 17 of 18 ter bepaling van zijn status als partij of verdragsluitende Staat bij een multilateraal verdrag, indien het verdrag dit toelaat, zijn instemming uiten door een deel van het verdrag gebonden te worden, of een keuze tussen de verschillende bepalingen doen op de in het verdrag vervatte voorwaarden voor het tot uitdrukking brengen van een dergelijke instemming of het doen van een dergelijke keuze.

2.

Een nieuw-onafhankelijke Staat kan eveneens, op dezelfde voorwaarden als de andere partijen of verdragsluitende Staten, alle in het verdrag voorziene rechten uitoefenen met betrekking tot de intrekking of wijziging van een door hem zelf of door de Voorgangerstaat tot uitdrukking gebrachte instemming of gedane keuze ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.

3.

Indien de nieuw-onafhankelijke Staat niet overeenkomstig het eerste lid zijn instemming tot uitdrukking heeft gebracht of een keuze doet, of overeenkomstig het tweede lid de instemming of de keuze van de Voorgangerstaat wijzigt, wordt deze Staat geacht:

Artikel 22. Verklaring van voortgezette gebondenheid
1.

Een verklaring van voortgezette gebondenheid met betrekking tot een multilateraal verdrag ingevolge artikel 17 of 18 geschiedt schriftelijk.

2.

Indien de verklaring van voortgezette gebondenheid niet wordt ondertekend door het Staatshoofd, het Regeringshoofd of de Minister van Buitenlandse Zaken, kan de vertegenwoordiger van de Staat, die de verklaring overbrengt, worden verzocht een volmacht te tonen.

3.

Tenzij in het verdrag anders wordt bepaald, wordt de verklaring van voortgezette gebondenheid:

4.

Het derde lid is niet van invloed op enige verplichting van de depositaris, overeenkomstig het verdrag of anderszins, de partijen of de verdragsluitende Staten in kennis te stellen van de verklaring van voortgezette gebondenheid of van een mededeling die in verband daarmee door de nieuw-onafhankelijke Staat is gedaan.

5.

Behoudens de bepalingen van het verdrag wordt de verklaring van voortgezette gebondenheid of de in verband daarmee gedane mededeling slechts geacht te zijn ontvangen door de Staat waarvoor zij is bestemd, wanneer de laatstbedoelde Staat door de depositaris is ingelicht.

Artikel 23. Gevolgen van een verklaring van voortgezette gebondenheid
1.

Tenzij anders wordt bepaald in het verdrag of anderszins wordt overeengekomen, wordt een nieuw-onafhankelijke Staat die een verklaring van voortgezette gebondenheid aflegt overeenkomstig artikel 17 of 18, tweede lid, geacht partij bij het verdrag te zijn met ingang van de datum van de statenopvolging of de datum van inwerkingtreding van het verdrag, welk van beide data later is.

2.

Desalniettemin wordt de werking van het verdrag tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en de andere partijen bij het verdrag geacht te zijn opgeschort tot de datum waarop de verklaring van voortgezette gebondenheid wordt afgelegd, behalve voor zover dit verdrag voorlopig kan worden toegepast in overeenstemming met artikel 27 of anderszins kan zijn overeengekomen.

3.

Tenzij het verdrag anders bepaalt of anderszins is overeengekomen, wordt een nieuw-onafhankelijke Staat die overeenkomstig artikel 18, eerste lid, een verklaring van voortgezette gebondenheid aflegt, geacht een verdragsluitende Staat bij het verdrag te zijn vanaf de datum waarop de verklaring van voortgezette gebondenheid wordt afgelegd.

AFDELING 3. BILATERALE VERDRAGEN

Artikel 24. Voorwaarden waaronder een verdrag wordt geacht van kracht te zijn in het geval van statenopvolging
1.

Een bilateraal verdrag dat op de datum van statenopvolging van kracht was ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, wordt geacht van kracht te zijn tussen een nieuw-onafhankelijke Staat en de andere Staat partij bij het verdrag, wanneer:

2.

Een verdrag dat ingevolge het eerste lid geacht wordt van kracht te zijn, is van toepassing in de betrekkingen tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en de andere Staat partij bij het verdrag, met ingang van de datum van de statenopvolging, tenzij een andere bedoeling uit hun overeenkomst blijkt of op andere wijze is komen vast te staan.

Artikel 25. De toestand tussen de Voorgangerstaat en de nieuw-onafhankelijke Staat

Een verdrag dat ingevolge artikel 24 wordt geacht van kracht te zijn tussen een nieuw-onafhankelijke Staat en de andere Staat partij bij het verdrag wordt niet om die reden alleen geacht tevens van kracht te zijn in de betrekkingen tussen de Voorgangerstaat en de nieuw-onafhankelijke Staat.

Artikel 26. Beëindiging, opschorting van de werking of wijziging van het verdrag tussen de Opvolgerstaat en de andere Staat partij bij het verdrag
1.

Wanneer ingevolge artikel 24 een verdrag wordt geacht van kracht te zijn tussen een nieuw-onafhankelijke Staat en de andere Staat partij bij het verdrag:

2.

Het feit dat een verdrag is beëindigd of, al naar gelang het geval, de werking ervan is opgeschort tussen de Voorgangerstaat en de andere Staat partij bij het verdrag na de datum van de statenopvolging verhindert niet dat het verdrag wordt geacht van kracht te zijn of, al naar gelang het geval, in werking te zijn tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en de andere Staat partij bij het verdrag, indien in overeenstemming met artikel 24 vaststaat dat zij zulks zijn overeengekomen.

3.

Het feit dat een verdrag gewijzigd is tussen de Voorgangerstaat en de andere Staat partij bij het verdrag na de datum van de statenopvolging verhindert niet dat het ongewijzigde verdrag ingevolge artikel 24 wordt geacht van kracht te zijn tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en de andere Staat partij bij het verdrag, tenzij vaststaat dat zij voornemens waren het verdrag, zoals gewijzigd, tussen hen toe te passen.

AFDELING 4. VOORLOPIGE TOEPASSING

Artikel 27. Multilaterale verdragen
1.

Indien op de datum van de statenopvolging een multilateraal verdrag van kracht was ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, en de nieuw-onafhankelijke Staat kennis geeft van zijn voornemen het verdrag voorlopig toe te passen ten aanzien van zijn grondgebied, wordt dat verdrag voorlopig toegepast tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en een partij die daarmee uitdrukkelijk instemt of op die grond van haar gedrag geacht moet worden daarmee te hebben ingestemd.

2.

In het geval een verdrag in de in artikel 17, derde lid, genoemde categorie valt, is evenwel de instemming van alle partijen met een dergelijke voorlopige toepassing vereist.

3.

Indien op de datum van de statenopvolging een nog niet in werking getreden multilateraal verdrag voorlopig werd toegepast ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, en de nieuw-onafhankelijke Staat kennis geeft van zijn voornemen het verdrag voorlopig toe te blijven passen ten aanzien van zijn grondgebied, is dat verdrag voorlopig van toepassing tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en elke verdragsluitende Staat die daarmee uitdrukkelijk instemt of op grond van zijn gedrag moet worden geacht daarmee te hebben ingestemd.

4.

In het geval een verdrag in de in artikel 17, derde lid, genoemde categorie valt, is evenwel de instemming van alle verdragsluitende Staten met een dergelijke voortgezette voorlopige toepassing vereist.

5.

Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag ten aanzien van de nieuw-onafhankelijke Staat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

Artikel 28. Bilaterale verdragen

Een bilateraal verdrag dat op het tijdstip van een statenopvolging van kracht was of voorlopig werd toegepast ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, wordt geacht voorlopig van toepassing te zijn tussen de nieuw-onafhankelijke Staat en de andere daarbij betrokken Staat, wanneer:

Artikel 29. Beëindiging van voorlopige toepassing
1.

Tenzij het verdrag anders bepaalt of anderszins is overeengekomen, kan de voorlopige toepassing van een multilateraal verdrag ingevolge artikel 27 worden beëindigd:

2.

Tenzij het verdrag anders bepaalt of anderszins is overeengekomen, kan de voorlopige toepassing van een bilateraal verdrag ingevolge artikel 28 worden beëindigd door middel van een met inachtneming van een redelijke termijn gegeven kennisgeving van beëindiging door de nieuw-onafhankelijke Staat of de andere daarbij betrokken Staat, en door het verstrijken van de termijn.

3.

Tenzij het verdrag in een kortere termijn voorziet voor de beëindiging of anderszins is overeengekomen, wordt onder een redelijke termijn verstaan een termijn van twaalf maanden te rekenen van de datum waarop de kennisgeving is ontvangen door de andere Staat of Staten die het verdrag voorlopig toepassen.

4.

Tenzij het verdrag anders bepaald of anderszins is overeengekomen, wordt de voorlopige toepassing van een multilateraal verdrag ingevolge artikel 27 beëindigd, indien de nieuw-onafhankelijke Staat kennis geeft van zijn voornemen geen partij bij het verdrag te worden.

AFDELING 5. NIEUW-ONAFHANKELIJKE STATEN DIE UIT TWEE OF MEER GEBIEDEN ZIJN GEVORMD

Artikel 30. Nieuw-onafhankelijke Staten die uit twee of meer gebieden zijn gevormd
1.

De artikelen 16 tot en met 29 zijn van toepassing in het geval een nieuw-onafhankelijke Staat uit twee of meer gebieden is gevormd.

2.

Wanneer een nieuw-onafhankelijke Staat, gevormd uit twee of meer gebieden, wordt geacht partij bij een verdrag te zijn of partij bij een verdrag wordt ingevolge in artikel 17, 18 of 24 en op de datum van statenopvolging het verdrag van kracht was of de instemming door het verdrag gebonden te worden was geuit ten aanzien van één of meer van deze gebieden, doch niet alle, is het verdrag van toepassing met betrekking tot het gehele grondgebied van die Staat, tenzij:

3.

Wanneer een nieuw-onafhankelijke Staat, uit twee of meer gebieden gevormd, partij bij een multilateraal verdrag wordt in overeenstemming met artikel 19 en, door de ondertekening of ondertekeningen van de Voorgangerstaat of -staten, de bedoeling van die Staat of Staten was dat het verdrag tot een of meer van die gebieden zou worden uitgebreid, maar niet tot alle, is het verdrag van toepassing op het gehele grondgebied van de nieuw-onafhankelijke Staat, tenzij:

Deel IV. Vereniging en scheiding van Staten

Artikel 31. Gevolgen van een vereniging van Staten met betrekking tot verdragen die van kracht zijn op de datum van de statenopvolging
1.

Wanneer twee of meer Staten zich verenigen en aldus één Opvolgerstaat vormen, blijft elk verdrag dat voor één van deze Staten van kracht was op de datum van de statenopvolging in werking voor de Opvolgerstaat, tenzij:

2.

Elk verdrag dat in werking blijft in overeenstemming met het eerste lid, is slechts van toepassing op het deel van het grondgebied van de Opvolgerstaat waarop het verdrag van kracht was op de datum van statenopvolging, tenzij:

3.

Het tweede lid, letter a), is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag met betrekking tot het gehele grondgebied van de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

Artikel 32. Gevolgen van een vereniging van Staten met betrekking tot op de datum van de statenopvolging niet van kracht zijnde verdragen
1.

Behoudens het derde en vierde lid kan een Opvolgerstaat die onder artikel 31 valt, door middel van een kennisgeving zijn status bepalen als verdragsluitende Staat bij een multilateraal verdrag dat niet van kracht is, indien op de datum van de statenopvolging één van de Voorgangerstaten een verdragsluitende Staat was bij het verdrag.

2.

Behoudens het derde en vierde lid kan een Opvolgerstaat die onder artikel 31 valt, door middel van kennisgeving zijn status bepalen als partij bij een multilateraal verdrag dat in werking treedt na de datum van de statenopvolging, indien op de datum van de statenopvolging één van de Voorgangerstaten een verdragsluitende Staat was bij het verdrag.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag met betrekking tot de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

4.

Indien het verdrag in de in artikel 17, derde lid, genoemde categorie valt, kan de Opvolgerstaat zijn status als partij bij het verdrag of als verdragsluitende Staat met betrekking tot het verdrag uitsluitend bepalen met de instemming van alle partijen of van alle verdragsluitende Staten.

5.

Een verdrag waarbij de Opvolgerstaat verdragsluitende Staat of partij wordt overeenkomstig het eerste en tweede lid, is slechts van toepassing op het deel van het grondgebied van de Opvolgerstaat ten aanzien waarvan de instemming een verklaring door het verdrag gebonden te worden was afgegeven vóór de datum van de statenopvolging, tenzij:

6.

Het vijfde lid, letter a), is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag op het gehele grondgebied van de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

Artikel 33. Gevolgen van een vereniging van Staten met betrekking tot verdragen die door een Voorgangerstaat zijn ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
1.

Indien, behoudens het tweede en derde lid, vóór de datum van de statenopvolging één van de Voorgangerstaten een multilateraal verdrag had ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, kan een Opvolgerstaat die onder artikel 31 valt, het verdrag bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren, alsof hij zelf dat verdrag had ondertekend, en kan daardoor partij of verdragsluitende Staat bij het verdrag worden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag op de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden van de werking ervan radicaal zou wijzigen.

3.

Indien het verdrag in de in artikel 17, derde lid, genoemde categorie valt, kan de Opvolgerstaat slechts partij of verdragsluitende Staat bij het verdrag worden met de instemming van alle partijen of van alle verdragsluitende Staten.

4.

Elk verdrag waarbij de Opvolgerstaat partij of verdragsluitende Staat wordt overeenkomstig het eerste lid, is slechts van toepassing op het deel van het grondgebied van de Opvolgerstaat met betrekking waartoe het verdrag werd ondertekend door één van de Voorgangerstaten, tenzij:

5.

Het vierde lid, letter a, is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag op het gehele grondgebied van de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

Artikel 34. Statenopvolging in gevallen van scheiding van de delen van een Staat
1.

Wanneer een deel of delen van het grondgebied van een Staat scheiden om één of meer Staten te vormen, ongeacht of de Voorgangerstaat blijft bestaan:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien:

Artikel 35. Toestand indien een Staat blijft voortbestaan na afscheiding van een deel van zijn grondgebied

Wanneer na afscheiding van een deel van het grondgebied van een Staat de Voorgangerstaat blijft voortbestaan, blijft elk verdrag dat op de datum van de statenopvolging van kracht was voor de Voorgangerstaat, in werking voor zijn overblijvende grondgebied, tenzij:

Artikel 36. Deelneming aan verdragen die op de datum van de statenopvolging niet van kracht zijn in gevallen van afscheiding van delen van een Staat
1.

Behoudens het derde en vierde lid kan een Opvolgerstaat waarop artikel 34, eerste lid, van toepassing is, door middel van een kennisgeving zijn status bepalen als verdragsluitende Staat bij een niet in werking getreden multilateraal verdrag, indien op de datum van de statenopvolging de Voorgangerstaat verdragsluitende Staat was ten aanzien van het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.

2.

Behoudens het derde en vierde lid kan een Opvolgerstaat, waarop artikel 34, eerste lid, van toepassing is, door middel van een kennisgeving zijn status bepalen als partij bij een multilateraal verdrag dat na de datum van statenopvolging in werking treedt, indien op deze datum de Voorgangerstaat verdragsluitende Staat bij het verdrag was voor het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag op de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

4.

Indien het verdrag in de in artikel 17, derde lid, genoemde categorie valt, kan de Opvolgerstaat zijn status als partij of als verdragsluitende Staat bij het verdrag slechts bepalen met de instemming van alle partijen of van alle verdragsluitende Staten.

Artikel 37. Deelneming aan verdragen die door de Voorgangerstaat zijn ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring in gevallen van afscheiding van delen van een Staat
1.

Indien, behoudens het tweede en derde lid, de Voorgangerstaat een multilateraal verdrag vóór de datum van de statenopvolging had ondertekend onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, en het verdrag, zo het op deze datum van kracht was geweest, van toepassing zou zijn geweest op het gebied waarop de statenopvolging betrekking heeft, kan een Opvolgerstaat waarop artikel 34, eerste lid, van toepassing is, het verdrag bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren, alsof deze Staat zelf dit verdrag had ondertekend, en daardoor partij of verdragsluitende Staat bij het verdrag worden.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien uit het verdrag blijkt of op andere wijze is komen vast te staan dat de toepassing van het verdrag op de Opvolgerstaat onverenigbaar zou zijn met het voorwerp en doel van het verdrag of de omstandigheden voor de werking ervan radicaal zou wijzigen.

3.

Indien het verdrag in de in artikel 17, derde lid, genoemde categorie valt, kan de Opvolgerstaat slechts partij of verdragsluitende Staat bij het verdrag worden met de instemming van alle partijen of van alle verdragsluitende Staten.

Artikel 38. Kennisgevingen
1.

Elke kennisgeving overeenkomstig artikel 31, 32 of 36 dient schriftelijk te geschieden.

2.

Indien de kennisgeving niet is ondertekend door het Staatshoofd, het Regeringshoofd of de Minister van Buitenlandse Zaken, kan de vertegenwoordiger van de Staat die het overbrengt worden verzocht zijn volmacht te tonen.

3.

Tenzij het verdrag anders bepaalt, wordt de kennisgeving:

4.

Het derde lid tast geen enkele verplichting aan die de depositaris kan hebben, overeenkomstig het verdrag of anderszins, om de partijen of de verdragsluitende Staten in kennis te stellen van de kennisgeving van of van een mededeling door de Opvolgerstaat in verband daarmee is gedaan.

5.

Behoudens de bepalingen van het verdrag wordt deze kennisgeving of mededeling slechts geacht te zijn ontvangen door de Staat waarvoor zij is bestemd, wanneer deze Staat door de depositaris is ingelicht.

Deel V. Overige bepalingen

Artikel 39. Gevallen van staatsaansprakelijkheid en het uitbreken van vijandelijkheden

De bepalingen van dit Verdrag lopen niet vooruit op enige vragen die zich ter zake van de gevolgen van een statenopvolging met betrekking tot een verdrag kunnen voordoen op grond van de internationale aansprakelijkheid van een Staat of het uitbreken van vijandelijkheden tussen Staten.

Artikel 40. Gevallen van militaire bezetting

De bepalingen bij dit Verdrag lopen niet vooruit op enige vraag die zich met betrekking tot een verdrag kan voordoen op grond van de militaire bezetting van een grondgebied.

Deel VI. Beslechting van geschillen

Artikel 41. Overleg onderhandeling

Indien zich een geschil betreffende de uitleg of toepassing van dit Verdrag voordoet tussen twee of meer Partijen bij dit Verdrag, trachten zij, op verzoek van één van hen, het op te lossen door middel van overleg en onderhandeling.

Artikel 42. Conciliatie

Indien het geschil niet is opgelost binnen zes maanden na de datum waarop het in artikel 41 bedoelde verzoek is gedaan, kan elke partij bij het geschil het onderwerpen aan de in de Bijlage bij dit Verdrag vastgelegde conciliatie-procedure door een daartoe strekkend verzoek te richten aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en de andere partij of partijen bij het geschil in te lichten omtrent het verzoek.

Artikel 43. Rechtspraak en arbitrage

Elke Staat kan, bij de ondertekening of bekrachtiging van dit Verdrag, of toetreding daartoe, of op enig tijdstip daarna, verklaren, door middel van een kennisgeving aan de depositaris, dat, in gevallen waarin een geschil niet is opgelost door de toepassing van de in de artikelen 41 en 42 bedoelde procedures, dat geschil ter beslissing mag worden voorgelegd aan het Internationale Hof van Justitie door middel van een schriftelijk verzoek van elke partij bij het geschil, of wel aan arbitrage, mits de andere partij bij het geschil een soortgelijke verklaring heeft afgelegd.

Artikel 44. Regeling bij onderlinge instemming

Indien zich een geschil betreffende de uitleg of toepassing van dit Verdrag voordoet tussen twee of meer Partijen bij dit Verdrag, kunnen deze, ongeacht de artikelen 41, 42 en 43, bij onderlinge instemming overeenkomen dit geschil voor te leggen aan het Internationale Hof van Justitie of te onderwerpen aan arbitrage of aan een andere passende procedure voor de beslechting van geschillen.

Artikel 45. Overige van kracht zijnde bepalingen voor de beslechting van geschillen

Niets in de artikelen 41 tot en met 44 tast de rechten of verplichtingen van de Partijen bij dit Verdrag aan ingevolge enige tussen hen van kracht zijnde bepaling betreffende de beslechting van geschillen.

Deel VII. Slotbepalingen

Artikel 46. Ondertekening

Dit Verdrag wordt opengesteld voor ondertekening door alle Staten tot 28 februari 1979 op het Bondsministerie van Buitenlandse Zaken van de Republiek Oostenrijk en vervolgens tot 31 augustus 1979 op de Zetel van de Verenigde Naties te New York.

Artikel 47. Bekrachtiging

Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 48. Toetreding

Dit Verdrag blijft opengesteld voor toetreding door elke Staat. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

Artikel 49. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag treedt in werking op de dertigste dag na de datum van nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of toetreding.

2.

Voor elke Staat die dit Verdrag bekrachtigt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de vijftiende akte van bekrachtiging of toetreding, treedt dit Verdrag in werking op de dertigste dag nadat deze Staat zijn akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.

Artikel 50. Authentieke teksten

Het origineel van dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized thereto by their respective Governments, have signed the present Convention.

DONE at Vienna, this twenty-third day of August, one thousand nine hundred and seventy-eight.