Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voor het openen van het recht op uitkeringen of bij de vaststelling van de mate van ongeschiktheid uitdrukkelijk of stilzwijgend rekening wordt gehouden met vroeger voorgekomen arbeidsongevallen of beroepsziekten, houdt het bevoegde orgaan van deze Partij daartoe eveneens rekening met vroeger volgens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij erkende arbeidsongevallen en beroepsziekten, alsof zij onder de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving waren voorgekomen.
Artikel 49
Het bevoegde orgaan moet de kosten van de krachtens artikel 40, eerste lid, artikel 41, eerste lid en artikelen 42 door het orgaan van de woon- en verblijfplaats voor zijn rekening verleende verstrekkingen volledig vergoeden.
Met het oog op de in het vorige lid bedoelde vergoedingen mogen geen hogere tarieven in rekening worden gebracht dan die, welke zijn voorzien in de wetgeving welke het orgaan dat de vordering heeft, toepast voor het verlenen van verstrekkingen aan de onderdanen van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit orgaan zich bevindt.
De in het eerste lid van dit artikel bedoelde vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats op de wijze welke is geregeld in de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking, hetzij door het aantonen van de werkelijke uitgaven, hetzij op grond van vaste bedragen.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten kunnen andere wijzen van vergoeding overeenkomen of in onderlinge overeenstemming afzien van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen.
De Verdragsluitende Partijen stellen binnen drie maanden het Administratieve Centrum in kennis van elke overeenkomst welke op grond van het vorige lid is gesloten.
Hoofdstuk 4. Overlijden (uitkeringen)
Artikel 50
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen bij overlijden afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken van verzekering betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Artikel 51
Wanneer een rijnvarende, een werkloze, een aanvrager van of een rechthebbende op pensioen of rente of een gezinslid van deze personen, op wie dit Verdrag van toepassing is, overleden is op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat, wordt het overlijden geacht te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van deze Staat.
Het bevoegde orgaan moet de uitkeringen bij overlijden welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving verschuldigd zijn, toekennen, zelfs indien de rechthebbende zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat bevindt.
De vorige leden van dit artikel zijn eveneens van toepassing wanneer het overlijden het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte.
Artikel 52
Bij overlijden van een rechthebbende op pensioen of rente, hem verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij of op pensioenen of renten, hem verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen, zijn de uitkeringen bij overlijden welke in dit geval zijn voorzien in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij voor rekening waarvan de aan deze rechthebbende verleende verstrekkingen bij ziekte op grond van artikel 21 kwamen, verschuldigd door het bevoegde orgaan van deze Partij, zelfs indien bedoelde rechthebbende op het tijdstip van zijn overlijden, niet op het grondgebied van bedoelde Partij woonde.
Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van een pensioen- of rentetrekker.
Artikel 53
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij de toekenning van uitkeringen bij overlijden aan gezinsleden afhankelijk stelt van de voorwaarde dat zij persoonlijk verzekerd zijn geweest, zijn, wat betreft de gezinsleden van een rijnvarende die aan deze wetgeving onderworpen is, van een werkloze, een aanvrager van of rechthebbende op een pensioen die krachtens deze wetgeving recht hebben op verstrekkingen bij ziekte, de artikelen 51 en 52 slechts van toepassing indien deze gezinsleden persoonlijk aangesloten waren, hetzij bij hetzelfde orgaan van bedoelde Partij als deze rijnvarende, werkloze, aanvrager van of rechthebbende op pensioen of rente, hetzij bij een ander orgaan van bedoelde Partij dat overeenkomstige verstrekkingen toekent.
Hoofdstuk 5. Werkloosheid
Artikel 54
Dit hoofdstuk is alleen van toepassing op in loondienst zijnde rijnvarenden.
Artikel 55
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld; de tijdvakken van dienstbetrekking worden echter alleen samengeteld op voorwaarde dat zij volgens de wetgeving van eerstbedoelde Partij als tijdvakken van verzekering zouden zijn beschouwd, indien zij krachtens deze wetgeving waren vervuld.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen, het behoud of het herstel van uitkeringen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van dienstbetrekking, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld; de tijdvakken van dienstbetrekking worden echter alleen samengeteld op voorwaarde dat zij volgens de wetgeving van eerstbedoelde Partij voor hetzelfde doel in aanmerking zouden zijn genomen, indien zij krachtens deze wetgeving waren vervuld.
Toepassing van de vorige leden van dit artikel wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat op de werkloos geworden rijnvarende laatstelijk de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op grond waarvan de uitkeringen worden aangevraagd, van toepassing is geweest, behalve in het in artikel 57 bedoelde geval.
Artikel 56
De werkloos geworden rijnvarende die gedurende zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woonde en ter beschikking blijft van zijn werkgever of van de diensten voor arbeidsbemiddeling van deze Staat, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 55, eerste of tweede lid, recht op uitkeringen volgens de wetgeving van deze Staat, alsof hij op het grondgebied van deze Staat woonde. Deze uitkeringen worden door het bevoegde orgaan verleend.
Artikel 57
De volledig werkloos geworden rijnvarende die gedurende zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woonde en zich ter beschikking stelt van de diensten voor arbeidsbemiddeling van die Partij, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 55, eerste of tweede lid, recht op uitkeringen volgens de wetgeving van die Partij, alsof tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden deze wetgeving op hem van toepassing was geweest. Deze uitkeringen worden door en voor rekening van het orgaan van de woonplaats verleend.
Artikel 58
Indien in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij een maximale duur voor het verlenen van uitkeringen is vastgesteld, kan het orgaan dat deze wetgeving toepast, eventueel rekening houden met het tijdvak waarover door het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij reeds uitkeringen werden verleend, nadat het recht op uitkeringen laatstelijk werd vastgesteld.
Artikel 59
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat voor de berekening van de uitkeringen wordt uitgegaan van het bedrag van het vroegere loon, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast uitsluitend rekening met het door de betrokkene verdiende loon voor de laatste werkzaamheden welke hij onmiddellijk voor de aanvang van de werkloosheid onder de wetgeving van deze Partij heeft verricht, of, indien de betrokkene laatstelijk niet gedurende ten minste vier weken werkzaamheden onder deze wetgeving heeft verricht, met het loon dat ter plaatse waar hij zich op het grondgebied van die Partij bevindt met gelijkwaardige of soortgelijke werkzaamheden als die, welke hij het laatst onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij heeft verricht, gewoonlijk wordt verdiend.
Indien ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het bedrag van de uitkeringen wisselt naar gelang van het aantal gezinsleden, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast eveneens rekening met de gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof zij op het grondgebied van eerstbedoelde Partij woonden. Er wordt echter geen rekening gehouden met die gezinsleden die reeds krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, bij de berekening van de aan een rechthebbende van hetzelfde gezin verschuldigde werkloosheidsuitkeringen, in aanmerking zijn genomen.
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij bepaalt dat de uitkeringsduur afhankelijk is van de duur van de vervulde tijdvakken stelt het orgaan dat deze wetgeving toepast, de uitkeringsduur eventueel vast met inachtneming van artikel 55, eerste of tweede lid.
Hoofdstuk 6. Gezinsbijslagen
Artikel 60
Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij het verkrijgen van het recht op bijslagen afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid, houdt het orgaan dat deze wetgeving toepast, daartoe, voor zover nodig, met het oog op de samentelling van tijdvakken, rekening met de tijdvakken van dienstbetrekking of van beroepsarbeid, welke krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij zijn vervuld, alsof het tijdvakken betrof welke krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij waren vervuld.
Artikel 61
Bijlage VII vermeldt voor iedere Verdragsluitende Partij welke van de afdelingen 1 of 2 van dit hoofdstuk zij wenst toe te passen.
Het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de rijnvarende is onderworpen, past de afdelingen 1, 3 en 4 van dit hoofdstuk toe, indien deze Verdragsluitende Partij is vermeld op Bijlage VII (1); het past de afdelingen 2, 3 en 4 van dit hoofdstuk toe indien deze Verdragsluitende Partij is vermeld op Bijlage VII (2).
Door iedere Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage VII moet worden aangebracht.
Afdeling 1
Artikel 62
De rijnvarende op wie de wetgeving van een Verdragsluitende Partij van toepassing is, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 60,
- a). voor zijn gezinsleden die zich met hem aan boord van een in artikel 1, sub m) bedoeld schip bevinden, recht op de gezinsbijslagen volgens de wetgeving van deze Partij, alsof zij op het grondgebied van deze Partij woonden;
- b). voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, recht op de gezinsbijslagen volgens de wetgeving van laatstbedoelde Partij, alsof deze rijnvarende aan deze wetgeving onderworpen was.
- a). In het sub a) van het vorige lid bedoelde geval, worden de bijslagen verleend door het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de rijnvarende onderworpen is;
- b). In het sub b) van het vorige lid bedoelde geval worden de bijslagen verleend door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Zij komen, onverminderd het bepaalde in artikel 70, voor rekening van het bevoegde orgaan.
Indien echter ingevolge deze wetgeving, de bijslagen aan de rijnvarende moeten worden verleend, kunnen deze niettemin worden verleend aan de natuurlijke of de rechtspersoon te wiens laste de gezinsleden ter plaatse waar zij wonen in feite komen of eventueel rechtstreeks aan deze gezinsleden.
Artikel 63
De werkloos geworden rijnvarende die krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij werkloosheidsuitkeringen geniet, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 60, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, recht op de gezinsbijslagen volgens de wetgeving van laatstbedoelde Partij, alsof deze wetgeving op deze rijnvarende van toepassing was.
In het in het vorige lid bedoelde geval worden de bijslagen verleend door het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving. Zij komen, onverminderd het bepaalde in artikel 70, voor rekening van het bevoegde orgaan. Indien echter ingevolge deze wetgeving, de bijslagen aan de rijnvarende moeten worden verleend, kunnen deze niettemin worden verleend aan de natuurlijke of de rechtspersoon te wiens laste de gezinsleden ter plaatse waar zij wonen in feite komen of eventueel rechtstreeks aan deze gezinsleden.
Afdeling 2
Artikel 64
De rijnvarende op wie de wetgeving van een Verdragsluitende Partij van toepassing is, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 60, voor zijn gezinsleden die zich met hem aan boord van een in artikel 1, sub m) bedoeld schip bevinden of die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, recht op de kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van eerstbedoelde Partij, alsof zij op het grondgebied van deze Partij woonden.
In de in het vorige lid bedoelde gevallen, worden de kinderbijslagen verleend volgens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij die op de rijnvarende van toepassing is. Indien deze bijslagen niet voor het onderhoud van de kinderen worden besteed, kunnen zij, met volledige kwijting, door tussenkomst van het orgaan van hun woonplaats dan wel van het orgaan of de instelling welke daartoe door de bevoegde autoriteit van het land waar zij wonen, aangewezen is, worden uitbetaald aan de natuurlijke of de rechtspersoon te wiens laste deze kinderen in feite komen.
Artikel 65
De werkloos geworden rijnvarende die krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij werkloosheidsuitkeringen geniet, heeft, eventueel met inachtneming van artikel 60, voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, recht op de kinderbijslagen volgens de wetgeving van eerstbedoelde Partij, alsof zij op het grondgebied van deze Partij woonden.
In het in het vorige lid bedoelde geval worden de kinderbijslagen verleend ingevolge de wetgeving van de Verdragsluitende Partij krachtens welke de rijn varende werkloosheidsuitkeringen geniet. Indien deze bijslagen niet voor het onderhoud van de kinderen worden besteed, kunnen zij, met volledige kwijting, door tussenkomst van het Orgaan van hun woonplaats dan wel van het orgaan of de instelling welke daartoe door de bevoegde autoriteit van het land, waar zij wonen, aangewezen is, worden uitbetaald aan de natuurlijke of de rechtspersoon te wiens laste deze kinderen in feite komen.
Afdeling 3
Artikel 66
De rechthebbenden op pensioen of rente op wie dit Verdrag van toepassing is, hebben recht op gezins- of kinderbijslagen volgens de in de volgende leden van dit artikel opgenomen regelingen, op voorwaarde dat zij krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij of tenminste krachtens een van de wetgevingen van de Verdragsluitende Partijen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, aanspraak kunnen maken op deze bijslagen.
De rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij, heeft voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van deze Partij wonen, recht op de gezinsbijslagen ingevolge deze wetgeving en voor zijn kinderen die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, recht op de kinderbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving, ongeacht de woonplaats van deze rechthebbende.
- a). De rechthebbende op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen, heeft recht op de gezinsbijslagen ingevolge de wetgeving van die Partij op het grondgebied waarvan hij woont voor zijn gezinsleden die op het grondgebied van dezelfde Partij wonen, en recht op de kinderbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving voor zijn kinderen die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, alsof op hem uitsluitend deze wetgeving van toepassing was geweest.
- b). Indien krachtens de wetgeving van de sub a) bepaalde Verdragsluitende Partij geen recht bestaat of indien de rechthebbende op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, krachtens de wetgeving waarvan geen pensioen of rente verschuldigd is, heeft deze rechthebbende voor zijn kinderen die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen, recht op de kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke het langst op hem van toepassing is geweest alsof uitsluitend deze wetgeving op hem van toepassing is geweest.
- c). Indien krachtens de wetgevingen van de sub b) bepaalde Verdragsluitende Partij geen recht bestaat, wordt het recht getoetst aan de in de wetgeving van de overige Verdragsluitende Partijen welke op de rechthebbende van toepassing zijn geweest, gestelde voorwaarden en wel in afdalende volgorde naar de duur van de door hem onder de wetgeving van deze Partij vervulde tijdvakken.
- d). Indien, met toepassing van de sub b) en c) van dit lid opgenomen regeling, recht bestaat krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen, heeft de rechthebbende recht op de kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van die Partij welke laatstelijk op hem van toepassing is geweest.
Artikel 67
De wezen van een overleden rijnvarende hebben recht op gezins- of kinderbijslagen volgens de in de volgende leden van dit artikel opgenomen regels, op voorwaarde, dat krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij of krachtens ten minste één van de wetgevingen van de Verdragsluitende Partijen, welke op deze rijnvarende van toepassing zijn geweest, recht op deze bijslagen bestaat, eventueel rekening houdende met het bepaalde in artikel 60.
Een wees van een overleden rijnvarende, op wie de wetgeving van één enkele Verdragsluitende Partij van toepassing is geweest, heeft recht op de gezinsbijslagen ingevolge deze wetgeving, indien hij op het grondgebied van deze Partij woont of, indien dit niet het geval is, op de kinderbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving.
- a). De wees van een overleden rijnvarende, op wie de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen van toepassing zijn geweest, heeft recht op de gezinsbijslagen ingevolge de wetgeving van die Partij op het grondgebied waarvan hij woont, alsof op deze rijnvarende uitsluitend deze wetgeving van toepassing was geweest;
- b). indien krachtens de wetgeving van de sub a) bepaalde Verdragsluitende Partij geen recht bestaat of indien de wees op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, waarvan de wetgeving niet op de overleden rijnvarende van toepassing is geweest, heeft deze wees recht op de kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke het langst op de rijnvarende van toepassing is geweest, alsof uitsluitend deze wetgeving op hem van toepassing is geweest;
- c). indien krachtens de wetgeving van de sub b) bepaalde Verdragsluitende Partij geen recht bestaat, wordt het recht getoetst aan de in de wetgevingen van de overige Verdragsluitende Partijen, welke op de overleden rijnvarende van toepassing zijn geweest, gestelde voorwaarden en wel in afdalende volgorde naar de duur van de door hem onder de wetgevingen van deze Partijen vervulde tijdvakken;
- d). indien met toepassing van de sub b) en c) van dit lid opgenomen regeling recht bestaat krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, heeft de wees recht op de kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van die Partij, welke laatstelijk op de overleden rijnvarende van toepassing is geweest.
Artikel 68
De wezen van een rechthebbende op een pensioen of rente op wie dit Verdrag voor zijn overlijden van toepassing was, hebben recht op de gezins- of kinderbijslagen ingevolge de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, krachtens welke deze rechthebbende met toepassing van het bepaalde in artikel 66 bij zijn leven gezins- of kinderbijslagen ontving, op voorwaarde dat op deze bijslagen krachtens deze wetgeving recht bestaat. Deze wezen hebben recht op de gezinsbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving, indien zij op het grondgebied van deze Partij wonen of, indien dit niet het geval is, op de kinderbijslagen ingevolge bedoelde wetgeving.
Artikel 69
In de in de artikelen 66 tot en met 68 bedoelde gevallen worden de gezins- of kinderbijslagen volgens de wetgeving van de in deze artikelen bepaalde Verdragsluitende Partij verleend door en voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Partij, zelfs indien de natuurlijke of de rechtspersoon aan wie deze bijslagen moeten worden verleend, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont of gevestigd is. In het geval dat bedoelde bijslagen niet voor het onderhoud van de gezinsleden worden besteed, kunnen zij met volledige kwijting door tussenkomst van het orgaan van hun woonplaats dan wel van het orgaan of de instelling welke daartoe door de bevoegde autoriteit van het land waar zij wonen, aangewezen is, worden verleend aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon te wiens laste deze gezinsleden in feite komen.
Afdeling 4
Artikel 70
Het bevoegde orgaan moet het bedrag van de ingevolge het bepaal de in dit hoofdstuk voor zijn rekening verleende bijslagen vergoeden, voorzover het bijslagen betreft welke volgens in de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking zijn erkend als overeenkomende met die waarin de door dit orgaan toegepaste wetgeving voorziet.
De in het vorige lid bedoelde vergoedingen worden vastgesteld en vinden plaats op de wijze welke is geregeld in de in artikel 96, eerste lid, bedoelde Administratieve Schikking, hetzij door het aantonen van de werkelijke uitgaven, hetzij op grond van vaste bedragen.
Twee of meer Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten kunnen andere wijzen van vergoeding overeenkomen of in onderlinge overeenstemming van iedere vergoeding tussen de onder hun bevoegdheid vallende organen afzien.
De Verdragsluitende Partijen stellen binnen drie maanden het Administratief Centrum in kennis van elke overeenkomst welke op grond van het vorige lid is gesloten.
TITEL IV. ADMINISTRATIEF CENTRUM VOOR DE SOCIALE ZEKERHEID VAN DE RIJNVARENDEN
Artikel 71
Het Administratief Centrum voor de sociale zekerheid van de rijnvarenden is, voor elk der Verdragsluitende Partijen, samengesteld uit twee regeringsvertegenwoordigers, een vertegenwoordiger van de werkgevers en een vertegenwoordiger van de werknemers in de rijnvaart.
Het stelt zijn eigen reglement vast. Het voorzitterschap van het Administratief Centrum wordt door een regeringsvertegenwoordiger bekleed.
De niet-regeringsvertegenwoordigers worden door de regeringen aangewezen in overleg met de meest representatieve organisaties van de werkgevers en van de werknemers in de rijnvaart.
Het Administratief Centrum geniet in het kader van daartoe tussen de Centrale Commissie voorde Rijnvaart en het Internationaal Arbeidsbureau gesloten overeenkomsten, technische bijstand van het Internationaal Arbeidsbureau.
De zetel van het Administratief Centrum is gevestigd bij de zetel van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
Het secretariaat van het Administratief Centrum wordt gevoerd door het algemeen secretariaat van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
De secretaris, belast met het secretariaat van het Administratief Centrum, wordt aangewezen bij een overeenkomst tussen het Administratief Centrum en de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.
Artikel 72
Het Administratief Centrum heeft tot taak:
- a). alle vraagstukken betreffende de interpretatie en de toepassing van dit Verdrag, de in artikel 96, eerste lid, bedoelde Administratieve Schikking en elke overeenkomst of regeling welke in het kader van deze instrumenten tot stand komt, te behandelen, onverminderd het recht of de plicht der betrokken autoriteiten, organen en personen om gebruik te maken van de rechtsmiddelen en zich te wenden tot de rechterlijke instanties, als voorzien in de wetgevingen van de Verdragsluitende Partijen en in dit Verdrag;
- b). het bijstaan van de personen, die belang hebben bij de toepassing van dit Verdrag, met name van de rijnvarenden en hun gezinsleden, om, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten en organen van de betrokken Verdragsluitende Partijen, individuele gevallen tot een praktische oplossing te brengen;
- c). alle overige werkzaamheden te verrichten welke tot haar bevoegdheid behoren krachtens dit Verdrag, de in artikel 96, eerste lid, bedoelde Administratieve Schikking en elke overeenkomst of regeling welke in het kader van deze instrumenten tot stand komt;
- d). aan de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen voorstellen te doen voor een herziening van dit Verdrag en van de in artikel 96, eerste lid, bedoelde Administratieve Schikking.
- a). De in het vorige lid, sub a) bedoelde vraagstukken betreffende de interpretatie kunnen slechts met algemene stemmen worden geregeld;
- b). De in het vorige lid, sub a) bedoelde vraagstukken betreffende de toepassing worden met meerderheid van stemmen geregeld, echter met instemming van alle betrokken Verdragsluitende Partijen.
TITEL V. DIVERSE BEPALINGEN
Artikel 73
Met uitzondering van het recht op uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom, uitkeringen aan nagelaten betrekkingen of die wegens beroepsziekte, welke door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen overeenkomstig artikel 33 of artikel 45, sub b), worden vastgesteld, kan krachtens dit Verdrag geen recht worden verkregen of gehandhaafd op meer dan één uitkering van dezelfde aard welke betrekking heeft op eenzelfde tijdvak van verplichte verzekering.
De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking waarin de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziet ingeval van samenloop van een uitkering met andere uitkeringen of met andere inkomsten, of wegens het verrichten van beroepsarbeid, zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het gaat om uitkeringen welke op grond van de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij zijn verkregen of om inkomsten, welke zijn verworven of werkzaamheden welke zijn verricht op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij. Voor de toepassing van deze regel wordt echter geen rekening gehouden met gelijksoortige uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom, uitkeringen aan nagelaten betrekkingen of die wegens beroepsziekte, welke overeenkomstig artikel 33 of artikel 45, sub b) door de organen van twee of meer Verdragsluitende Partijen worden vastgesteld.
Artikel 74
Wanneer de rechthebbende op een krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij verschuldigde uitkering eveneens recht heeft op uitkeringen krachtens de wetgeving van één of meer andere Verdragsluitende Partijen, zijn de volgende voorschriften van toepassing:
- a). ingeval de toepassing van artikel 73, tweede lid tot gevolg zou hebben dat deze uitkeringen gelijktijdig worden verminderd, geschorst of ingetrokken, mag geen van deze uitkeringen verminderd, geschorst of ingetrokken worden voor een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat wordt verkregen door het bedrag waarop de vermindering, de schorsing of de intrekking krachtens de wetgeving op grond waarvan deze uitkering verschuldigd is, betrekking heeft, te delen door het aantal de rechthebbende toekomende uitkeringen welke verminderd, geschorst of ingetrokken moeten worden;
- b). indien het echter uitkeringen bij invaliditeit of ouderdom of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen betreft, welke overeenkomstig artikel 33 door het orgaan van een Verdragsluitende Partij zijn vastgesteld, houdt dit orgaan rekening met uitkeringen, inkomsten of beloningen welke vermindering, schorsing of intrekking van de door dit orgaan verschuldigde uitkering tot gevolg kunnen hebben; dit geldt niet voor de berekening van het in artikel 33, tweede lid bedoelde theoretische bedrag, doch uitsluitend voorde vermindering, schorsing of intrekking van het in artikel 33, derde of vijfde lid bedoelde bedrag. Van het bedrag van deze uitkeringen, inkomsten of beloningen wordt echter slechts een gedeelte in aanmerking genomen, dat overeenkomstig artikel 33, derde lid, vastgesteld wordt naar verhouding van de duur van de vervulde tijdvakken.
Artikel 75
Indien een rijnvarende of een lid van zijn gezin aanspraak kan maken op prestaties bij moederschap krachtens de wetgevingen van twee of meer Verdragsluitende Partijen, worden deze prestaties uitsluitend toegekend krachtens de wetgeving van die van deze Partijen op het grondgebied waarvan de bevalling heeft plaatsgevonden of, indien de bevalling niet op het grondgebied van één van deze Partijen heeft plaatsgevonden, uitsluitend krachtens de wetgeving waaraan deze rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest.
Artikel 76
Bij overlijden op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wordt alleen het krachtens de wetgeving van deze Partij verkregen recht op de uitkering bij overlijden gehandhaafd, met uitsluiting van de krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij verkregen rechten.
Bij overlijden op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij, terwijl het recht op een uitkering bij overlijden uitsluitend krachtens de wetgeving van twee of meer andere Verdragsluitende Partijen is verkregen, wordt alleen het recht gehandhaafd dat werd verkregen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest, met uitsluiting van de krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij verkregen rechten.
Bij overlijden buiten het grondgebied van de Verdragsluitende Partijen, terwijl het recht op een uitkering bij overlijden krachtens de wetgeving van twee of meer Verdragsluitende Partijen is verkregen, wordt alleen het recht gehandhaafd dat werd verkregen krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest, met uitsluiting van de krachtens de wetgeving van iedere andere Verdragsluitende Partij verkregen rechten.
Artikel 77
Het recht op gezinsbijslagen, verschuldigd krachtens de artikelen 62, 63, 64, 65, 66, 67 of 68, wordt geschorst indien, krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de gezinsleden of de wezen wonen, op grond van door een andere persoon dan de rijnvarende verrichte beroepsarbeid, voor hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden, eveneens gezinsbijslagen verschuldigd zijn. In dat geval worden zij beschouwd als gezinsleden van degene die bedoelde beroepsarbeid verricht.
Het recht op gezinsbijslagen, verschuldigd krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, waarin voor het verkrijgen van het recht op deze bijslagen geen voorwaarde inzake beroepsarbeid wordt gesteld, wordt geschorst wanneer, voor hetzelfde tijdvak en voor dezelfde gezinsleden:
- a). met toepassing van de artikelen 62, 63, 64 of 65 gezinsbijslagen verschuldigd zijn krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij. Indien echter een andere persoon dan de in deze artikelen bedoelde rijnvarende beroepsarbeid verricht op het grondgebied van eerstbedoelde Partij, wordt het recht op gezinsbijslagen welke met toepassing van deze artikelen verschuldigd zijn, geschorst wanneer de gezinsleden van deze rijnvarende eveneens gezinsleden van deze andere persoon zijn en worden alleen de gezinsbijslagen toegekend ingevolge de wetgeving van eerstbedoelde Partij; deze bijslagen komen voor rekening van deze Partij;
- b). met toepassing van de artikelen 66, 67 of 68 gezinsbijslagen verschuldigd zijn krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij. Indien en voorzover het bedrag van de kinderbijslagen, verschuldigd krachtens de artikelen 66, 67 en 68 lager is dan het bedrag van de kinderbijslagen verschuldigd krachtens de wetgeving van eerstbedoelde Partij, houdt de rechthebbende aanspraak op het verschil tussen deze bedragen; dit verschil komt voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Partij.
Artikel 78
De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen verstrekken elkaar alle inlichtingen met betrekking tot:
- a). de voor de toepassing van dit Verdrag getroffen maatregelen;
- b). de wijzigingen in hun wetgeving welke van invloed kunnen zijn op de toepassing van dit Verdrag.
Bij de toepassing van dit Verdrag zijn de autoriteiten en organen van de Verdragsluitende Partijen elkaar behulpzaam alsof het de toepassing van hun eigen wetgeving betrof.
De wederzijdse administratieve hulp van deze autoriteiten en organen is in beginsel kosteloos. De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen evenwel overeenkomen bepaalde kosten te vergoeden.
Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de autoriteiten en organen van de Verdragsluitende Partijen zich rechtstreeks met elkaar en met de betrokkenen of hun gemachtigden in verbinding stellen.
De autoriteiten, organen en rechterlijke instanties van een Verdragsluitende Partij mogen verzoekschriften of andere documenten welke hun toegezonden worden, niet afwijzen op grond van het feit dat zij in een officiële taal van een andere Verdragsluitende Partij zijn opgesteld.
Artikel 79
De vrijstelling of verlaging van rechten, zegelrechten, griffie- of registratierechten waarin bij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is voorzien voor bescheiden of documenten welke ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij dienen te worden overgelegd, geldt eveneens voor overeenkomstige bescheiden of documenten welke ter uitvoering van de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij of van dit Verdrag dienen te worden overgelegd.
Alle akten, documenten of overige bescheiden van officiële aard welke voor de toepassing van dit Verdrag moeten worden overgelegd, zijn vrijgesteld van legalisatie en van alle andere soortgelijke formaliteiten.
Artikel 80
Indien de aanvrager op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat woont, kan hij zijn aanvraag rechtsgeldig indienen bij het orgaan van zijn woonplaats, dat deze overdraagt aan het bevoegde orgaan of de bevoegde organen, genoemd in de aanvraag.
Aanvragen, verklaringen of beroepschriften welke volgens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van deze Partij, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit, orgaan of rechterlijke instantie van een andere Verdragsluitende Partij worden ingediend. In dat geval zal de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie waarop aldus een beroep wordt gedaan, deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften onverwijld doen toekomen aan de bevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of de bevoegde rechterlijke instantie van eerstbedoelde Partij, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen. De datum waarop die aanvragen, verklaringen of beroepschriften bij een autoriteit, een orgaan of een rechterlijke instantie van de andere Partij zijn ingediend, wordt beschouwd als de datum waarop deze zijn ingediend bij de autoriteit, het orgaan of de rechterlijke instantie welke bevoegd is hiervan kennis te nemen.
Artikel 81
Het bij de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziene geneeskundige onderzoek kan op verzoek van het orgaan dat deze wetgeving toepast, door het orgaan van de woon- of verblijfplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij worden verricht op de wijze als bepaald in de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking. In dat geval wordt het onderzoek geacht te zijn verricht op het grondgebied van eerstbedoelde Partij.
Artikel 82
Wanneer een orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop hij recht heeft, kan dit orgaan, op de wijze en binnen de grenzen als bepaald in de door dit orgaan toegepaste wetgeving, aan het orgaan van iedere andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het teveel betaalde bedrag in te houden op de bedragen welke het aan bedoelde rechthebbende betaalt. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in op de wijze en binnen de grenzen als voor een dergelijke verrekening is toegestaan bij de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betrof en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vordering heeft.
Artikel 83
Wanneer een orgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag uitkeringen verschuldigd is aan een rechthebbende die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij bevindt, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van eerstbedoelde Partij. Bedoeld orgaan voldoet het verschuldigde rechtens in de munteenheid van de tweede Partij.
Wanneer een orgaan van een Verdragsluitende Partij krachtens dit Verdrag bedragen verschuldigd is, dienende tot vergoeding van prestaties, verleend door een orgaan van een andere Verdragsluitende Partij, wordt het verschuldigde bedrag uitgedrukt in de munteenheid van de tweede Partij. Eerstgenoemd orgaan voldoet het verschuldigde rechtens in bedoelde munteenheid, tenzij de betrokken Verdragsluitende Partijen een andere wijze van betaling zijn overeengekomen.
Het uit de toepassing van dit Verdrag voortvloeiende overmaken van bedragen geschiedt volgens de overeenkomsten welke op het tijdstip van de overmaking terzake tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen van kracht zijn. Bij ontstentenis daarvan worden de voor het overmaken noodzakelijke maatregelen in onderling overleg tussen bedoelde Partijen getroffen.
Artikel 84
Bij de vaststelling van het bedrag van de aan een orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigde premies of bijdragen wordt in voorkomend geval rekening gehouden met op het grondgebied van iedere andere Verdragsluitende Partij verworven inkomsten.
Premies of bijdragen welke aan een orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn, kunnen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij worden geïnd volgens de administratieve procedure en met de waarborgen en voorrechten welke van toepassing zijn op de inning van premies of bijdragen welke aan een overeenkomstig orgaan van laatstbedoelde Partij verschuldigd zijn of, indien een zodanige procedure niet bestaat, met de waarborgen en voorrechten welke van toepassing zijn op de inning van gelden welke voor de financiering van de sociale zekerheid van bedoelde Partij bestemd zijn.
De wijze van toepassing van de vorige leden van dit artikel wordt, voor zover nodig, geregeld bij de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking of door middel van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen. Deze wijze van toepassing kan eveneens betrekking hebben op de gerechtelijke invorderingsprocedure.
Artikel 85
Indien prestaties worden genoten krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij naar aanleiding van schade welke op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij is veroorzaakt of ontstaan, worden de rechten welke het orgaan, dat de prestaties verschuldigd is, heeft ten opzichte van een derde die verplicht is de schade te vergoeden, als volgt geregeld:
- a). wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is, krachtens de wetgeving welke op dit orgaan van toepassing is, in de rechten treedt welke de rechthebbende ten opzichte van die derde heeft, erkent iedere Verdragsluitende Partij een dergelijke subrogatie;
- b). wanneer het orgaan dat de prestaties verschuldigd is een onmiddellijk recht ten opzichte van die derde heeft, erkent iedere Verdragsluitende Partij dit recht.
Bij overeenkomsten tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen worden regelen gesteld inzake de aansprakelijkheid van de werkgever of zijn gemachtigden bij arbeidsongevallen of ongevallen op weg van of naar het werk welke op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat hebben plaatsgevonden.
Artikel 86
Elk geschil dat tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen ontstaat, met betrekking tot de interpretatie of toepassing van dit Verdrag, van de in artikel 96, eerste lid bedoelde Administratieve Schikking en van elke overeenkomst of regeling welke in het kader van deze instrumenten tot stand komt, wordt voorgelegd aan het Administratief Centrum, dat een aanbeveling richt tot de bij het geschil betrokken Partijen.
Indien de bij het geschil betrokken Partijen aan de aanbeveling van het Administratief Centrum geen gevolg wensen te geven, wordt het geschil aan een permanent scheidsrechterlijk orgaan voorgelegd; dit orgaan stelt zijn eigen procedure vast.
In het permanente scheidsrechterlijk orgaan heeft een door elk der Verdragsluitende Partijen aangewezen lid zitting. Een door elk der Verdragsluitende Partijen aangewezen plaatsvervangend lid is belast met de taak van het lid, wanneer dit afwezig is.
De uitspraak van het permanente scheidsrechterlijk orgaan, die in overeenstemming moet zijn met de beginselen van dit Verdrag, is bindend en definitief.
Artikel 87
In Bijlage VIII worden de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgeving van iedere betrokken Verdragsluitende Partij vermeld.
Door iedere betrokken Verdragsluitende Partij wordt, overeenkomstig artikel 97, eerste lid, kennisgeving gedaan van elke wijziging welke in Bijlage VIII dient te worden aangebracht. Indien deze wijziging het gevolg is van het tot stand komen van een nieuwe wetgeving, moet deze kennisgeving binnen drie maanden na de bekendmaking van bedoelde wetgeving worden gedaan of, indien deze wetgeving vóór de datum van bekrachtiging of aanvaarding van dit Verdrag is bekendgemaakt, op de dag van de bekrachtiging of aanvaarding.
Artikel 88
De bijlagen, bedoeld in artikel 1, sub b), artikel 4, eerste lid, artikel 5, derde lid, artikel 7, derde lid, artikel 9, derde lid, artikel 25, tweede lid, artikel 61, eerste lid en artikel 87, eerste lid, alsmede de wijzigingen welke in deze bijlagen worden aangebracht, vormen een wezenlijk bestanddeel van dit Verdrag.
Elke wijziging van de in het vorige lid bedoelde bijlagen wordt geacht te zijn goedgekeurd indien binnen drie maanden nadat de in artikel 97, tweede lid, sub d) bedoelde kennisgeving heeft plaatsgevonden, geen enkele Verdragsluitende Partij of ondertekenende Staat verzet heeft aangetekend bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Ingeval een dergelijk verzet wordt aangetekend, wordt de zaak aan het Administratief Centrum voorgelegd, dat een aanbeveling richt tot de betrokken Partijen. Indien de betrokken Partijen aan de aanbeveling van het Administratief Centrum geen gevolg wensen te geven, wordt het geschil volgens de in artikel 86, tweede tot en met vierde lid bedoelde procedure geregeld.
TITEL VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 89
Aan dit Verdrag kan geen enkel recht worden ontleend voor een tijdvak dat aan zijn inwerkingtreding voorafgaat.
Voor de vaststelling van de aan dit Verdrag te ontlenen rechten wordt rekening gehouden met elk tijdvak van verzekering, alsmede eventueel met elk tijdvak van dienstbetrekking, van beroepsarbeid of van wonen, dat vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens de wetgeving van een Verdragsluitende Partij is vervuld.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid van dit artikel ontstaat krachtens dit Verdrag een recht, zelfs wanneer dit recht in verband staat met een gebeurtenis welke vóór zijn inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.
Elke uitkering welke in verband met de nationaliteit van de betrokkene dan wel met diens woonplaats op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waarop het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, gevestigd is, niet is vastgesteld dan wel is geschorst, wordt op verzoek van de betrokkene vastgesteld of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, mits de vroeger vastgestelde rechten niet in de vorm van een afkoopsom zijn vereffend.
De rechten van de betrokkenen wier pensioen of rente vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag werd vastgesteld, worden op hun verzoek, met inachtneming van dit Verdrag, herzien. Herziening van deze rechten kan eveneens ambtshalve plaatsvinden. In geen enkel geval mogen door een dergelijke herziening de vroegere rechten van de betrokkenen worden verminderd.
Indien het in het vierde of vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, worden de aan dit Verdrag te ontlenen rechten met ingang van die datum verkregen, zonder dat de bepalingen van de wetgeving van enige Verdragsluitende Partij met betrekking tot verval of verjaring van rechten op de betrokkenen worden toegepast.
Indien het in het vierde of vijfde lid van dit artikel bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag wordt ingediend, wordt voor het verkrijgen van de niet vervallen of verjaarde rechten alleen rekening gehouden met de datum waarop het verzoek is ingediend, tenzij gunstiger bepalingen van de wetgeving van de betrokken Verdragsluitende Partij van toepassing zijn.
Ingeval van ambtshalve herziening overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel, worden de aan dit Verdrag te ontlenen rechten met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag verkregen.
De toepassing van hoofdstuk 6 van Titel III mag niet het gevolg hebben dat de rechten van de betrokkenen op de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag verminderd worden. Indien en voor zover het bedrag van de kinderbijslagen verschuldigd krachtens dat hoofdstuk op bedoelde datum lager is dan het bedrag van de kinderbijslagen verschuldigd krachtens het Verdrag van 13 februari 1961, betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien), houden de rechthebbenden aanspraak op het verschil tussen deze bedragen; dit verschil komt voor rekening van het orgaan dat krachtens laatstgenoemd Verdrag bevoegd is; het wordt betaald zolang dit orgaan krachtens het onderhavige Verdrag bevoegd blijft.
Artikel 90
De ondertekening van dit Verdrag staat open voor de Staten, die in de Centrale Commissie voor de Rijnvaart zijn vertegenwoordigd, alsmede voor Luxemburg.
Dit Verdrag moet worden bekrachtigd of aanvaard. Elke akte van bekrachtiging of aanvaarding zal worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.
Artikel 91
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op die, waarin de laatste akte van bekrachtiging of van aanvaarding van de Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien), is nedergelegd.
Het treedt, ten opzichte van iedere andere ondertekenende Staat, die dit Verdrag later bekrachtigt of aanvaardt, in werking op de eerste dag van de derde maand volgende op die, waarin diens akte van bekrachtiging of aanvaarding is nedergelegd.
Artikel 92
Met ingang van de inwerkingtreding van dit Verdrag houden de bepalingen van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (herzien) op van kracht te zijn.
Artikel 93
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag kan een andere Staat dan die bedoeld in artikel 90, eerste lid, tot dit Verdrag toetreden, onder voorbehoud van algemene instemming van de Verdragsluitende Partijen. Toetreding tot het Verdrag verleent dezelfde rechten en schept dezelfde verplichtingen als bekrachtiging of aanvaarding. Een protocol van toetreding bevat de bepalingen, die hiervoor eventueel noodzakelijk zijn.
Elke akte van toetreding moet bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau worden nedergelegd.
Dit Verdrag treedt, ten opzichte van iedere Staat, die toetreedt, in werking op de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin de akte van toetreding is nedergelegd.
Artikel 94
Dit Verdrag wordt gesloten voor de duur van een jaar. Deze wordt daarna van jaar tot jaar stilzwijgend verlengd, behoudens het recht van elke Verdragsluitende Partij het Verdrag op te zeggen door kennisgeving aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. De opzegging wordt van kracht een jaar na ontvangst van de kennisgeving.
Artikel 95
Elk krachtens dit Verdrag verkregen recht blijft na opzegging gehandhaafd.
De in opbouw zijnde rechten met betrekking tot tijdvakken welke zijn vervuld voor de datum waarop de opzegging van kracht is geworden, worden door de opzegging niet teniet gedaan; de verdere handhaving van deze rechten wordt bij overeenkomst geregeld of, indien een zodanige overeenkomst niet tot stand komt, vastgesteld aan de hand van de door het betrokken orgaan toegepaste wetgeving.
Artikel 96
De wijze van toepassing van dit Verdrag wordt bij een Administratieve Schikking vastgesteld.
De Verdragsluitende Partijen of, indien de grondwettelijke bepalingen van deze Partijen dit toestaan, hun bevoegde autoriteiten, treffen alle andere, voor de toepassing van dit Verdrag noodzakelijke schikkingen.
Artikel 97
De kennisgevingen, als bedoeld in artikel 1, sub b), artikel 4, tweede lid, artikel 5, vierde lid, artikel 6, tweede lid, artikel 7, vierde lid, artikel 9, vierde lid, artikel 25, derde lid, artikel 61, derde lid en artikel 87, tweede lid worden aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gezonden.
Door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau wordt aan de Verdragsluitende Partijen, alsmede aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart kennisgeving gedaan van:
- a). de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding of toetreding;
- b). elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig de artikelen 91 en 93;
- c). elke kennisgeving van opzegging, ontvangen met toepassing van artikel 94, en de datum waarop de opzegging van kracht wordt;
- d). elke kennisgeving, ontvangen met toepassing van het eerste lid van dit artikel.
Artikel 98
De Duitse, Franse en Nederlandse teksten van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek. Zij worden nedergelegd in de archieven van het Internationaal Arbeidsbureau.
Zodra dit Verdrag in werking getreden is, worden voor gelijkluidend gewaarmerkte afschriften overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau ter registratie gezonden aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.
De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zendt eveneens gewaarmerkte afschriften aan alle in de Centrale Commissie voorde Rijnvaart vertegenwoordigde Staten, aan Luxemburg en aan genoemde Commissie.
Een officiële vertaling in het Engels zal door het Internationaal Arbeidsbureau worden opgesteld en aan de betrokken Staten worden gezonden.
Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties deelt de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties ter registratie mede elke bekrachtiging, aanvaarding, toetreding en opzegging, waarvan hij kennisgeving heeft ontvangen.
GEDAAN te Genève, 30 november 1979, in drie exemplaren in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal.
TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Verdrag hebben ondergetekend.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)