Aanvullend Protocol bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949, betreffende de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I)

Type Verdrag
Publication 1994-03-01
State In force
Source BWB
artikelen 118
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
1.

Burgerobjecten mogen niet het doelwit van een aanval worden en tegen die objecten mogen geen represailles worden genomen. Burgerobjecten zijn alle objecten die geen militaire doelen als omschreven in het tweede lid, zijn.

2.

Aanvallen dienen strikt tot militaire doelen te worden beperkt. Voor zover het objecten betreft, zijn militaire doelen uitsluitend die objecten die naar hun aard, ligging, bestemming of gebruik een daadwerkelijke bijdrage tot de krijgsverrichtingen leveren en waarvan de gehele of gedeeltelijke vernietiging, verovering of onbruikbaarmaking onder de omstandigheden van dat moment een duidelijk militair voordeel oplevert.

3.

In geval van twijfel of een object dat gewoonlijk dienst doet voor civiele doeleinden, zoals plaatsen van godsdienstige verering, een huis of ander soort woning of een school, wordt gebruikt om een daadwerkelijke bijdrage te leveren aan de krijgsverrichtingen, dient ervan te worden uitgegaan dat het niet voor het laatst genoemd doel wordt gebruikt.

Artikel 53. Bescherming van culturele goederen en plaatsen van godsdienstige verering

Onverminderd de bepalingen van het Verdrag van ’s-Gravenhage inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict van 14 mei 1954 en van andere op deze bescherming betrekking hebbende internationale akten, is het verboden:

  • (a). vijandelijke handelingen te verrichten, gericht tegen de historische monumenten, de kunstwerken of plaatsen van godsdienstige verering die het culturele of geestelijke erfgoed van de volkeren vormen;
  • (b). dergelijke goederen te gebruiken ter ondersteuning van de militaire inspanning;
  • (c). represailles tegen dergelijke goederen te nemen.

Artikel 54. Bescherming van voor het overleven van de burgerbevolking onmisbare objecten

1.

Het uithongeren van burgers als methode van oorlogsvoering is verboden.

2.

De volgende daden zijn verboden: het aanvallen, vernietigen, weghalen of onbruikbaar maken van voor het overleven van de burgerbevolking onmisbare objecten, zoals voedingsmiddelen, landbouwgebieden waar voedingsmiddelen worden geproduceerd, oogsten, vee, drinkwaterinstallaties en -voorraden en bevloeiingswerken, met het oogmerk om, wegens de waarde welke die objecten voor het levensonderhoud hebben, de burgerbevolking of de tegenpartij daarvan te beroven, ongeacht of de beweegreden van een dergelijke daad is de burgers uit te hongeren, hen ertoe te bewegen weg te trekken, of welke andere beweegreden ook.

3.

De verboden, neergelegd in het tweede lid, zijn niet van toepassing op de daarin bedoelde objecten die door een tegenpartij worden gebruikt:

  • (a). uitsluitend voor het levensonderhoud van de leden van haar strijdkrachten; of
  • (b). indien niet voor het levensonderhoud, dan toch als rechtstreekse ondersteuning van krijgsverrichtingen, mits evenwel in geen geval handelingen tegen die objecten worden ondernomen, waardoor naar kan worden verwacht voor de burgerbevolking zo weinig voedsel of water zou overblijven dat zij zou verhongeren of worden gedwongen weg te trekken.
4.

Tegen deze objecten mogen geen represailles worden genomen.

5.

Gelet op het levensbelang dat iedere partij bij het conflict heeft bij de verdediging van haar grondgebied tegen invallen, mag zij binnen dat gebied, voor zover dat door haarzelf wordt beheerst, van de in het tweede lid neergelegde verboden afwijken, wanneer dat wegens dwingende militaire noodzaak is geboden.

Artikel 55. Bescherming van het natuurlijk milieu

1.

Bij de krijgsverrichtingen moet ervoor worden gewaakt, dat het natuurlijk milieu tegen omvangrijke, langdurige en ernstige schade wordt beschermd. Deze bescherming omvat mede het verbod van het gebruik van strijdmiddelen en -methoden die zijn bestemd om zodanige schade aan het natuurlijk milieu toe te brengen dat daardoor de gezondheid of de overleving van de burgerbevolking in gevaar wordt gebracht, of dat dergelijke schade naar kan worden verwacht, zal worden toegebracht.

2.

Aanvallen gericht tegen het natuurlijk milieu bij wijze van represaille zijn verboden.

Artikel 56. Bescherming van werken en installaties die gevaarlijke krachten bevatten

1.

Werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, te weten stuwdammen, dijken en kerncentrales, mogen niet het doelwit van een aanval worden gemaakt, zelfs niet wanneer zij militaire doelen zijn indien die aanvallen het vrijkomen van gevaarlijke krachten zouden veroorzaken en daardoor zware verliezen aan mensenlevens onder de burgerbevolking teweeg zouden brengen. Andere militaire doelen gelegen op of in de nabijheid van die werken of installaties, mogen niet het doelwit van een aanval worden gemaakt indien die aanvallen het vrijkomen van gevaarlijke krachten uit die werken of installaties zouden veroorzaken en daardoor zware verliezen aan mensenlevens onder de burgerbevolking teweeg zouden brengen.

2.

De in het eerste lid voorziene bijzondere bescherming tegen aanvallen eindigt:

  • (a). wat stuwdammen of dijken betreft, alleen indien deze worden gebruikt voor andere dan hun gebruikelijke bestemming en voor geregelde, aanzienlijke en rechtstreekse ondersteuning van de militaire operaties, en indien die aanvallen het enige praktisch uitvoerbare middel vormen om die ondersteuning te beëindigen;
  • (b). wat kerncentrales betreft, alleen indien deze elektrische energie leveren voor geregelde, aanzienlijke en rechtstreekse ondersteuning van de militaire operaties, en indien die aanvallen het enige praktisch uitvoerbare middel vormen om die ondersteuning te beëindigen;
  • (c). wat de andere militaire doelen, gelegen op of in de nabijheid van die werken of installaties betreft, alleen indien deze worden gebruikt voor geregelde, aanzienlijke en rechtstreekse ondersteuning van de militaire operaties, en indien die aanvallen het enige praktisch uitvoerbare middel vormen om die ondersteuning te beëindigen.
3.

In alle gevallen kan de burgerbevolking en kunnen de individuele burgers blijvend aanspraak maken op de volledige bescherming, hun door het volkenrecht verleend, met inbegrip van de bescherming, voortvloeiende uit de in artikel 57 voorziene voorzorgsmaatregelen. Indien de bescherming eindigt en een van de in het eerste lid vermelde werken, installaties of militaire doelen wordt aangevallen, moeten alle praktisch uitvoerbare maatregelen worden genomen om het vrijkomen van de gevaarlijke krachten te verhinderen.

4.

Het is verboden represailles te nemen tegen de in het eerste lid vermelde werken, installaties of militaire doelen.

5.

De partijen bij het conflict moeten trachten te vermijden, militaire doelen in de nabijheid van de in het eerste lid vermelde werken of installaties te plaatsen. Niettemin zijn installaties, gebouwd met het uitsluitende doel de beschermde werken of installaties tegen aanvallen te verdedigen, toegestaan en mogen deze zelf geen doelwit van een aanval worden gemaakt, mits zij niet worden gebruikt bij de vijandelijkheden, behalve voor defensieve handelingen die noodzakelijk zijn om aanvallen op de beschermde werken of installaties te beantwoorden, en mits hun bewapening is beperkt tot wapens die slechts geschikt zijn om een vijandelijke actie tegen de beschermde werken of installaties af te weren.

6.

Aan de Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict wordt dringend verzocht, onderling nadere overeenkomsten te sluiten om objecten die gevaarlijke krachten bevatten, aanvullende bescherming te verschaffen.

7.

Ten einde de herkenbaarheid van de door dit artikel beschermde objecten te bevorderen, kunnen de partijen bij het conflict deze voorzien van een bijzonder kenteken, bestaande uit een groep van drie feloranje, op één as geplaatste cirkels, als aangegeven in artikel 16 van Bijlage I bij dit Protocol. De afwezigheid van een zodanige aanduiding ontheft geen enkele partij bij het conflict in enig opzicht van haar verplichtingen krachtens dit artikel.

Hoofdstuk IV. VOORZORGSMAATREGELEN

Artikel 57. Voorzorgen bij aanvallen

1.

Bij het uitvoeren van de militaire operaties moet er voortdurend voor worden gewaakt, dat de burgerbevolking, de burgers en de burgerobjecten worden ontzien.

2.

Met betrekking tot aanvallen dienen de volgende voorzorgen te worden genomen:

  • (a). zij die een aanval voorbereiden of tot een aanval besluiten dienen:
  • (i). al het praktisch uitvoerbare te doen om zich ervan te vergewissen, dat de aan te vallen doelen geen burgers of burgerobjecten zijn en geen bijzondere bescherming genieten, maar militaire doelen vormen in de zin van artikel 52, tweede lid, en dat de bepalingen van dit Protocol niet verbieden deze aan te vallen;
  • (ii). alle praktisch uitvoerbare voorzorgen te nemen bij de keuze van de middelen en methoden voor de aanval, ten einde bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers en schade aan burgerobjecten te voorkomen en deze in elk geval tot het uiterste te beperken;
  • (iii). af te zien van enige aanval die naar kan worden verwacht mede bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan burgerobjecten of een combinatie daarvan zal veroorzaken, in een mate welke buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel;
  • (b). een aanval dient te worden afgelast of opgeschort, wanneer blijkt dat het doel geen militair doel is of een bijzondere bescherming geniet, of wanneer blijkt dat de aanval naar kan worden verwacht mede bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan burgerobjecten of een combinatie daarvan zou veroorzaken, in een mate welke buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel;
  • (c). omtrent aanvallen die ook de burgerbevolking zouden kunnen treffen, dient op effectieve wijze vooraf een waarschuwing te worden gegeven, tenzij de omstandigheden dat niet toelaten.
3.

Wanneer een keuze mogelijk is tussen verschillende militaire doelen om een gelijkwaardig militair voordeel te behalen, dient dat doel te worden uitgekozen, waarop de aanval naar kan worden verwacht het minste gevaar voor de levens van de burgerbevolking en voor de burgerobjecten oplevert.

4.

Bij het uitvoeren van militaire operaties ter zee of in de lucht dient elke partij bij het conflict, in overeenstemming met haar rechten en verplichtingen krachtens de regels van volkenrecht, toepasselijk in gewapende conflicten alle redelijke voorzorgen te nemen om verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking en schade aan burgerobjecten te voorkomen.

5.

Geen enkele bepaling van dit artikel mag worden uitgelegd als machtiging tot enige aanval op de burgerbevolking, burgers of burgerobjecten.

Artikel 58. Voorzorgen tegen de gevolgen van aanvallen

De partijen bij het conflict dienen voor zover dat ook maar enigszins praktisch uitvoerbaar is:

  • (a). onverminderd het bepaalde in artikel 49 van het Vierde Verdrag, te trachten de burgerbevolking, de individuele burgers en de burgerobjecten onder hun gezag uit de nabijheid van militaire doelen te verwijderen;
  • (b). te vermijden, militaire doelen in of nabij dichtbevolkte gebieden te plaatsen;
  • (c). alle andere noodzakelijke voorzorgen te nemen om de burgerbevolking, de individuele burgers en de burgerobjecten onder hun gezag tegen de uit de militaire operaties voortvloeiende gevaren te beschermen.

Hoofdstuk V. PLAATSEN EN ZONES ONDER SPECIALE BESCHERMING

Artikel 59. Onverdedigde plaatsen

1.

Het is de partijen bij het conflict verboden, met welke middelen ook, onverdedigde plaatsen aan te vallen.

2.

De ter zake bevoegde autoriteiten van een partij bij het conflict kunnen iedere bewoonde plaats gelegen in de nabijheid van of in een zone, waar de strijdkrachten contact gemaakt hebben en welke gemakkelijk door een tegenpartij kan worden bezet, tot onverdedigde plaats verklaren. Een zodanige plaats dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • (a). alle combattanten, evenals de mobiele wapens en de mobiele militaire uitrusting moeten zijn verwijderd;
  • (b). vaste militaire installaties of inrichtingen mogen niet voor vijandelijke doeleinden worden gebruikt;
  • (c). de autoriteiten of de bevolking mogen geen vijandelijke daden verrichten; en
  • (d). er mogen geen activiteiten ter ondersteuning van de militaire operaties worden ondernomen.
3.

De aanwezigheid op deze plaats van personen die bijzondere bescherming krachtens de Verdragen en dit Protocol genieten, en van politie die de opdracht heeft gekregen om daar te blijven uitsluitend om de orde te handhaven, is niet in strijd met de in het tweede lid vervatte voorwaarden.

4.

De verklaring, gedaan krachtens het tweede lid, dient te worden gericht tot de tegenpartij en dient zo precies mogelijk de grenzen van de onverdedigde plaats vast te stellen en te beschrijven. De partij bij het conflict, tot welke de verklaring is gericht, dient de ontvangst ervan te bevestigen en de plaats als onverdedigde plaats aan te merken, tenzij in feite niet is voldaan aan de in het tweede lid vervatte voorwaarden, in welk geval zij de partij, die de verklaring heeft afgelegd, daarvan onverwijld in kennis dient te stellen. Ook indien niet is voldaan aan de in het tweede lid vervatte voorwaarden blijft de plaats de bescherming genieten die wordt verleend door de andere bepalingen van dit Protocol en de andere regels van het Volkenrecht, toepasselijk in gewapende conflicten.

5.

De partijen bij het conflict kunnen onderling overeenkomsten sluiten betreffende het in het leven roepen van onverdedigde plaatsen, ook indien dergelijke plaatsen niet voldoen aan de in het tweede lid vervatte voorwaarden. De overeenkomst dient zo precies mogelijk de grenzen van de onverdedigde plaats te om- en te beschrijven; zo nodig kan zij bepalingen omtrent de wijze van toezicht inhouden.

6.

De partij die een plaats beheerst, welke onderwerp van een zodanige overeenkomst vormt, dient haar zoveel mogelijk van met de andere partij overeengekomen kentekenen te voorzien; deze kentekenen dienen zodanig te worden geplaatst dat zij duidelijk zichtbaar zijn, in het bijzonder bij de omtrek en de grenzen en aan de hoofdwegen.

7.

Een plaats verliest haar status van onverdedigde plaats, wanneer zij niet meer voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in het tweede lid of in de overeenkomst, bedoeld in het vijfde lid. In een dergelijk geval blijft de plaats de bescherming genieten die wordt verleend door de andere bepalingen van dit Protocol en de andere regels van het volkenrecht, toepasselijk in gewapende conflicten.

Artikel 60. Gedemilitariseerde zones

1.

Het is de partijen bij het conflict verboden, hun militaire operaties uit te strekken tot de zones, waaraan zij bij overeenkomst de status van gedemilitariseerde zone hebben toegekend, indien die uitbreiding in strijd is met de bepalingen van een zodanige overeenkomst.

2.

De overeenkomst dient uitdrukkelijk te worden aangegaan; zij kan mondeling of schriftelijk worden gesloten, hetzij rechtstreeks of door tussenkomst van een beschermende mogendheid of een onpartijdige humanitaire organisatie, en kan bestaan uit wederkerige en overeenstemmende verklaringen. De overeenkomst kan zowel in vredestijd als na het uitbreken van de vijandelijkheden worden gesloten, en dient zo precies mogelijk de grenzen van de gedemilitaiseerde zone vast te stellen en te beschrijven, en - zo nodig - bepalingen omtrent het toezicht in te houden.

3.

Onderwerp van een zodanige overeenkomst kan in de regel iedere zone zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • (a). alle combattanten, evenals de mobiele wapens en de mobiele militaire uitrusting moeten zijn verwijderd;
  • (b). vaste militaire installaties of inrichtingen mogen niet voor vijandelijke doeleinden worden gebruikt;
  • (c). de autoriteiten of de bevolking mogen geen vijandelijke daden verrichten;
  • (d). alle activiteiten, verband houdende met de militaire inspanningen, moeten zijn geëindigd.

De partijen bij het conflict dienen af te spreken welke interpretatie moet worden gegeven aan de voorwaarde, vervat in letter (d), en over de toelating tot de gedemilitariseerde zone van andere personen dan de in het vierde lid genoemde personen.

4.

De aanwezigheid in deze zone van personen die een bijzondere bescherming krachtens de Verdragen en dit Protocol genieten, en van politie die daar verblijft met het uitsluitende doel, de orde te handhaven, is niet in strijd met de in het derde lid vervatte voorwaarden.

5.

De partij die een zodanige zone beheerst, dient haar zoveel mogelijk van met de andere partij overeengekomen kentekenen te voorzien; deze kentekenen dienen zodanig te worden geplaatst dat zij duidelijk zichtbaar zijn, in het bijzonder bij de omtrek en de grenzen en aan de hoofdwegen.

6.

Wanneer het strijdtoneel zich in de richting van een gedemilitariseerde zone verplaatst en de partijen bij het conflict ter zake overeenstemming hebben bereikt, mag geen van hen de zone gebruiken voor doeleinden die in verband staan met de militaire operaties, of de status ervan eenzijdig herroepen.

7.

Indien één van de partijen bij het conflict een wezenlijke inbreuk maakt op de inhoud van de bepalingen van het derde of het zesde lid, is de andere partij ontslagen van haar verplichtingen krachtens de overeenkomst, waarbij aan de zone de status van gedemilitariseerde zone werd toegekend. In een dergelijk geval verliest de zone haar status, maar blijft zij de bescherming genieten die wordt verleend door de andere bepalingen van dit Protocol en de andere regels van volkenrecht, toepasselijk in gewapende conflicten.

Hoofdstuk VI. CIVIELE BESCHERMING

Artikel 61. Definities en toepassingsgebied

Voor de toepassing van dit Protocol:

  • a. betekent „civiele bescherming”: de vervulling van alle of sommige van de hieronder genoemde humanitaire taken, die ten doel hebben de burgerbevolking tegen de gevaren van de vijandelijkheden of van rampen te beschermen en haar te helpen zich van de onmiddellijke gevolgen daarvan te herstellen, alsmede ervoor te zorgen dat de voor haar voortbestaan noodzakelijke omstandigheden aanwezig zijn. Deze taken zijn:
  • (i). waarschuwing;
  • (ii). verplaatsing van bevolking;
  • (iii). terbeschikkingstelling en beheer van schuilgelegenheid;
  • (iv). organisatie van verduisteringsmaatregelen;
  • (v). redding;
  • (vi). medische diensten, met inbegrip van eerste hulp, en geestelijke bijstand;
  • (vii). brandbestrijding;
  • (viii). het vaststellen van de ligging en het duidelijk aangeven van gevarenzones;
  • (ix). ontsmetting en soortgelijke beschermingsmaatregelen;
  • (x). het verschaffen van noodhuisvesting en -bevoorrading;
  • (xi). bijstand in geval van nood bij het herstel en de handhaving van de orde in getroffen gebieden;
  • (xii). herstel van de functionering van alle voorzieningen van openbaar nut in geval van nood, wanneer die functionering onmisbaar is;
  • (xiii). lijkbezorging in geval van nood;
  • (xiv). bijstand bij het behoud van voor het overleven van de burgerbevolking noodzakelijke objecten;
  • (xv). aanvullende activiteiten die noodzakelijk zijn om één van de bovenvermelde taken te vervullen; deze activiteiten omvatten mede, maar zijn niet beperkt tot, het opstellen van plannen en de organisatie.
  • b. betekent „instellingen voor de civiele bescherming”: de inrichtingen en andere formaties die zijn georganiseerd of toegelaten door de bevoegde autoriteiten van een partij bij het conflict om één van de onder a. genoemde taken te vervullen, en die uitsluitend voor dergelijke taken zijn bestemd en daartoe worden gebruikt.
  • c. betekent „personeel” van de instellingen voor de civiele bescherming: de personen die door een partij bij het conflict zijn aangewezen uitsluitend voor de vervulling van de onder a. vermelde taken, daaronder begrepen personeel dat door de bevoegde autoriteit van die partij is aangewezen uitsluitend voor het besturen van die instellingen.
  • d. betekent „materieel” van de instellingen voor de civiele bescherming: uitrusting, voorraden en vervoermiddelen die door deze instellingen worden gebruikt voor de vervulling van de onder a. vermelde taken.

Artikel 62. Algemene bescherming

1.

Burgerinstellingen voor de civiele bescherming en hun personeel dienen te worden ontzien en beschermd overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol, in het bijzonder van deze Sectie. Zij zijn gerechtigd hun taak op het gebied van de civiele bescherming te vervullen, behalve in geval van dwingende militaire noodzaak.

2.

De bepalingen van het eerste lid zijn eveneens van toepassing op burgers die, hoewel zij niet behoren tot een burgerinstelling voor de civiele bescherming, gevolg geven aan een oproep van de bevoegde autoriteiten en onder hun toezicht taken op het gebied van de civiele bescherming vervullen.

3.

Gebouwen en materieel die worden gebruikt voor doeleinden op het gebied van de civiele bescherming alsmede schuilgelegenheden die zijn bestemd voor de burgerbevolking vallen onder de werking van artikel 52. Objecten die worden gebruikt voor doeleinden op het gebied van de civiele bescherming mogen niet worden vernietigd, noch mag daaraan een andere bestemming worden gegeven, behalve door de partij aan welke zij toebehoren.

Artikel 63. Civiele bescherming in bezette gebieden

1.

In bezette gebieden dienen de instellingen voor de civiele bescherming van de autoriteiten de voor de vervulling van hun taak noodzakelijke faciliteiten te ontvangen. Het personeel ervan mag onder geen enkele omstandigheid worden verplicht handelingen te verrichten die een juiste vervulling van die taak verhinderen. De bezettende mogendheid mag op geen enkele wijze verandering brengen in de structuur of het personeel van dergelijke instellingen, waardoor de doeltreffende uitoefening van hun taak in gevaar zou kunnen worden gebracht. Van deze instellingen mag niet worden geëist, dat zij voorrang geven aan de onderdanen of de belangen van die mogendheid.

2.

De bezettende mogendheid mag de burgerinstellingen voor de civiele bescherming niet verplichten, dwingen of bewegen hun taak te vervullen op voor de belangen van de burgerbevolking nadelige wijze.

3.

De bezettende mogendheid mag het personeel voor de civiele bescherming om veiligheidsredenen ontwapenen.

4.

De bezettende mogendheid mag aan gebouwen of materieel, die toebehoren aan of in gebruik zijn bij een organisatie voor de civiele bescherming, niet een andere bestemming geven of deze vorderen indien dat schadelijk voor de burgerbevolking zou zijn.

5.

Mits de algemene regel, neergelegd in het vierde lid, blijvend in acht wordt genomen, mag de bezettende mogendheid die hulpmiddelen vorderen of daaraan een andere bestemming geven onder de volgende bijzondere voorwaarden:

  • (a). dat de gebouwen of het materieel nodig zijn in verband met andere behoeften van de burgerbevolking;
  • (b). dat de vordering of andere bestemming niet langer duurt dan gezien het bovenstaande noodzakelijk is.
6.

De bezettende mogendheid mag aan de schuilgelegenheden die ter beschikking van de burgerbevolking zijn gesteld of die die bevolking nodig heeft, niet een andere bestemming geven, noch deze vorderen.

Artikel 64. Burgerinstellingen voor de civiele bescherming behorende tot neutrale Staten of andere Staten die geen partij zijn bij het conflict, en internationale coördinerende instellingen

1.

De artikelen 62, 63, 65 en 66 zijn eveneens van toepassing op het personeel en het materieel van de burgerinstellingen voor de civiele bescherming, behorende tot neutrale Staten of andere Staten welke geen partij zijn bij het conflict, die met toestemming en onder toezicht van een partij bij het conflict taken op het gebied van de civiele bescherming als vermeld in artikel 61 vervullen op het grondgebied van die partij. Aan iedere betrokken tegenpartij dient zo spoedig mogelijk kennis te worden gegeven van een zodanige bijstand. Deze activiteit mag onder geen enkele omstandigheid worden aangemerkt als inmenging in het conflict.

Bij de uitoefening ervan dient evenwel rekening te worden gehouden met de veiligheidsbelangen van de betrokken partijen bij het conflict.

2.

De partijen bij het conflict die de in het eerste lid bedoelde bijstand ontvangen, en de Hoge Verdragsluitende Partijen die deze verlenen, moeten indien nodig de internationale coördinatie van zodanige acties op het gebied van de civiele verdediging vergemakkelijken. In dat geval zijn de bepalingen van dit Hoofdstuk op de desbetreffende internationale instellingen van toepassing.

3.

In bezette gebieden mag de bezettende mogendheid de activiteiten van de burgerinstellingen voor de civiele bescherming, behorende tot neutrale Staten of andere Staten die geen partij zijn bij het conflict, en van internationale coördinerende instellingen alleen verbieden of beperken indien zij kan waarborgen, dat de taken op het gebied van de civiele bescherming met gebruikmaking van haar eigen hulpbronnen of van die van het bezette grondgebied in voldoende mate kunnen worden vervuld.

Artikel 65. Beëindiging van de bescherming

1.

De bescherming waarop de burgerinstellingen voor de civiele bescherming en het personeel, de gebouwen, de schuilgelegenheden en het materieel aanspraak hebben, eindigt alleen, wanneer deze buiten hun eigenlijke taak voor de vijand schadelijke handelingen verrichten of worden gebruikt om dergelijke handelingen te verrichten. De bescherming eindigt evenwel slechts nadat een waarschuwing is gegeven waarin, telkens wanneer daartoe aanleiding is, een redelijke termijn wordt gesteld, en nadat aan die waarschuwing geen gevolg is gegeven.

2.

Als voor de vijand schadelijke handelingen worden niet beschouwd:

  • (a). het feit dat taken op het gebied van de civiele bescherming worden vervuld onder leiding of toezicht van militaire autoriteiten;
  • (b). het feit dat burgerpersoneel voor de civiele bescherming samenwerkt met militair personeel bij de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming, of dat militair personeel is ingedeeld bij burgerinstellingen voor de civiele bescherming;
  • (c). het feit dat de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming mede ten goede zou kunnen komen aan militaire slachtoffers, in het bijzonder aan diegenen die buiten gevecht zijn gesteld.
3.

Het feit dat het burgerpersoneel voor de civiele bescherming lichte persoonlijke wapens draagt ter handhaving van de orde of voor zijn eigen verdediging wordt evenmin als een voor de vijand schadelijke handeling beschouwd. In gebieden waar gevechten te land plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, dienen de partijen bij het conflict evenwel passende maatregelen te nemen om deze wapens te beperken tot handvuurwapens, zoals pistolen of revolvers, ten einde het onderscheid tussen het personeel voor de civiele bescherming en de combattanten te vergemakkelijken. Zelfs indien het personeel voor de civiele bescherming andere lichte persoonlijke wapens draagt in dergelijke gebieden dient het niettemin te worden ontzien en beschermd zodra het als zodanig is herkend.

4.

Het feit dat burgerinstellingen voor de civiele bescherming op dezelfde wijze als de krijgsmacht zijn georganiseerd, of dat de dienst daarbij verplicht is, ontneemt hun evenmin de in dit hoofdstuk verleende bescherming.

Artikel 66. Identificatie

1.

Iedere partij bij het conflict moet de herkenbaarheid trachten te verzekeren van haar burgerinstellingen voor de civiele bescherming en het personeel, de gebouwen en het materieel daarvan, wanneer deze uitsluitend dienst doen voor de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming.

De herkenbaarheid van de schuilgelegenheden, bestemd voor de burgerbevolking, dient op dezelfde wijze te worden verzekerd.

2.

Iedere partij bij het conflict moet eveneens trachten werkwijzen en procedures te aanvaarden en uit te voeren, die de herkenbaarheid mogelijk maken van schuilgelegenheden voor de burgerbevolking, alsmede van personeel, gebouwen en materieel voor de civiele bescherming, die het internationale kenteken van de civiele bescherming dragen of waarop dat is aangebracht.

3.

In bezette gebieden en in gebieden waar gevechten plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, behoort het personeel voor de civiele bescherming herkenbaar te zijn aan het internationale kenteken van de civiele bescherming en aan een identiteitskaart, waaruit zijn status blijkt.

4.

Het internationale kenteken van de civiele bescherming is een gelijkzijdig blauwe driehoek op een oranje veld, wanneer dit wordt gebruikt voor de bescherming van instellingen voor de civiele bescherming, het personeel, de gebouwen en het materieel daarvan, en voor schuilgelegenheden voor de burgerbevolking.

5.

De partijen bij het conflict kunnen naast het kenteken, het gebruik overeenkomen van herkenningsseinen ter identificatie van de diensten voor de civiele bescherming.

6.

De uitvoering van de bepalingen van het eerste tot en met het vierde lid wordt beheerst door Hoofdstuk V van Bijlage I bij dit Protocol.

7.

In vredestijd kan het in het vierde lid omschreven teken met toestemming van de bevoegde nationale autoriteiten worden gebruikt ter identificatie van de diensten voor de civiele bescherming.

8.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het toezicht op het gebruik van het internationale kenteken van de civiele bescherming en voor het voorkomen en tegengaan van misbruik daarvan.

9.

De herkenbaarheid van medisch personeel en geestelijke verzorgers, medische formaties en medische vervoermiddelen voor de civiele bescherming wordt eveneens beheerst door artikel 18.

Artikel 67. Leden van de strijdkrachten en militaire formaties die zijn ingedeeld bij instellingen voor de civiele bescherming

1.

Leden van de strijdkrachten en militaire formaties die zijn ingedeeld bij instellingen voor de civiele bescherming dienen te worden ontzien en beschermd, mits:

  • (a). dat personeel en die formaties permanent zijn bestemd en uitsluitend dienen voor de vervulling van een der in artikel 61 genoemde taken;
  • (b). dat personeel, wanneer het eenmaal die bestemming heeft gekregen, geen andere militaire taken verricht gedurende het conflict;
  • (c). dat personeel zich duidelijk van de andere leden van de strijdkrachten onderscheidt doordat het duidelijk zichtbaar het internationale kenteken van de civiele bescherming draagt, dat voldoende groot dient te zijn, en mits dat personeel is voorzien van de in Hoofdstuk V van Bijlage I bij dit Protocol genoemde identiteitskaart, waaruit zijn status blijkt;
  • (d). dat personeel en die formaties slechts zijn uitgerust met lichte persoonlijke wapens ter handhaving van de orde of voor hun eigen verdediging. De bepalingen van het derde lid van artikel 65 zijn in dit geval eveneens van toepassing;
  • (e). dat personeel niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelneemt en buiten zijn taak op het gebied van de civiele bescherming geen voor de tegenpartij schadelijke handelingen verricht of wordt gebruikt om zodanige handelingen te verrichten;
  • (f). dat personeel en die formaties hun taak op het gebied van de civiele bescherming uitsluitend binnen het nationale grondgebied van hun eigen partij vervullen.

Het is ieder lid van de strijdkrachten dat is gebonden door de hierboven onder letters a en b gestelde voorwaarden, verboden de hierboven onder letter e gestelde voorwaarden niet in acht te nemen.

2.

De leden van de strijdkrachten die dienst doen binnen een instelling voor de civiele bescherming worden, wanneer zij in handen van een tegenpartij vallen, als krijgsgevangene beschouwd. In bezet gebied mogen zij worden tewerkgesteld ten behoeve van taken op het gebied van de civiele bescherming, in zoverre dat noodzakelijk is, mits die tewerkstelling uitsluitend in het belang van de burgerbevolking van dat gebied is en geschiedt op basis van vrijwilligheid wanneer dat werk gevaarlijk is.

3.

Op de gebouwen en de belangrijkste gedeelten van de uitrusting en vervoermiddelen van bij instellingen voor de civiele bescherming ingedeelde militaire formaties dient het internationale kenteken van de civiele bescherming duidelijk te zijn aangebracht. Dit kenteken dient voldoende groot te zijn.

4.

Het materieel en de gebouwen van de militaire formaties, die permanent bij instellingen voor de civiele bescherming zijn ingedeeld en uitsluitend zijn bestemd om taken op het gebied van de civiele bescherming te vervullen, blijven, indien zij in handen van een tegenpartij vallen, onderworpen aan het oorlogsrecht. Aan dat materieel en die gebouwen mag echter geen andere bestemming dan die op het gebied van de civiele bescherming worden gegeven zolang zij nodig zijn voor de vervulling van taken op dat gebied, behalve in geval van dwingende militaire noodzaak, tenzij van tevoren voorzieningen zijn getroffen om in voldoende mate in de behoeften van de burgerbevolking te kunnen voorzien.

SECTIE II. HULPVERLENING TEN BEHOEVE VAN DE BURGERBEVOLKING

Artikel 68. Toepassingsgebied

De bepalingen van deze Sectie zijn van toepassing op de burgerbevolking als omschreven in dit Protocol, en vormen een aanvulling op de artikelen 23, 55, 59, 60, 61 en 62 en de andere desbetreffende bepalingen van het Vierde Verdrag.

Artikel 69. Fundamentele behoeften in bezette gebieden

1.

De bezettende mogendheid dient naast haar verplichting betreffende levensmiddelen en geneeskundige benodigdheden, vermeld in artikel 55 van het Vierde Verdrag, met alle haar ten dienste staande middelen en zonder enig nadelig onderscheid, eveneens te verzekeren dat kleding, bedden en beddegoed worden verstrekt, evenals noodonderdak, andere benodigdheden die onmisbaar zijn voor het overleven van de burgerbevolking van het bezette gebied, en goederen die nodig zijn voor de eredienst.

2.

Op hulpverleningsacties ten behoeve van de burgerbevolking van bezette gebieden zijn de artikelen 59, 60, 61, 62, 108, 109, 110 en 111 van het Vierde Verdrag en artikel 71 van dit Protocol van toepassing; deze acties dienen onverwijld te worden uitgevoerd.

Artikel 70. Hulpverleningsacties

1.

Wanneer de burgerbevolking van enig grondgebied, dat door een partij bij het conflict wordt beheerst en dat niet is bezet, niet voldoende is voorzien van de benodigdheden, vermeld in artikel 69, dienen hulpverleningsacties te worden ondernomen, welke humanitair van aard zijn en worden uitgevoerd zonder enig nadelig onderscheid, mits de bij die acties betrokken partijen daarmee instemmen. Aanbiedingen voor zodanige hulp worden niet aangemerkt als inmenging in het gewapende conflict, noch als onvriendschappelijke handelingen. Bij de verdeling van de hulpzendingen moet voorrang worden gegeven aan de personen aan wie krachtens het Vierde Verdrag of dit Protocol een voorkeursbehandeling of een bijzondere bescherming dient te worden verleend, zoals kinderen, aanstaande moeders, kraamvrouwen en zogende moeders.

2.

De partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij, dienen de snelle en ongehinderde doorgang toe te staan en te vergemakkelijken van alle zendingen, uitrusting en personeel voor hulpverlening, ter beschikking gesteld overeenkomstig deze Sectie, zelfs indien zodanige hulp is bestemd voor de burgerbevolking van de tegenpartij.

3.

De partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij die de doorgang van zendingen, uitrusting en personeel voor hulpverlening overeenkomstig het tweede lid toestaat:

  • (a). hebben het recht regelingen van technische aard vast te stellen, daaronder begrepen doorzoeking en fouillering, krachtens welke een dergelijke doorgang is toegestaan;
  • (b). kunnen een zodanige toestemming afhankelijk stellen van de voorwaarde, dat de verdeling van de zendingen geschiedt onder plaatselijk toezicht van een beschermende mogendheid;
  • (c). mogen goederen voor hulpverlening op geen enkele wijze een andere bestemming geven, noch de doorzending daarvan vertragen, behalve in geval van dringende noodzaak in het belang van de betrokken burgerbevolking.
4.

De partijen bij het conflict dienen zendingen voor hulpverlening te beschermen en de snelle verdeling daarvan te vergemakkelijken..

5.

De partijen bij het conflict, alsmede iedere betrokken Hoge Verdragsluitende Partij, dienen doeltreffende internationale coördinatie van de in het eerste lid bedoelde hulpverleningsacties te stimuleren en te vergemakkelijken.

Artikel 71. Personeel, deelnemende aan de hulpverleningsacties

1.

Indien nodig kan de hulp die bij een hulpverleningsactie wordt verschaft mede personeel voor hulpverlening omvatten, in het bijzonder voor het transport en de verdeling van de hulpzendingen; de deelneming van dergelijk personeel is onderworpen aan de toestemming van de partij op het grondgebied waarvan het zijn taken zal vervullen.

2.

Zodanig personeel dient te worden ontzien en beschermd.

3.

Iedere partij die hulpgoederen ontvangt moet het in het eerste lid bedoelde personeel voor hulpverlening zoveel mogelijk bijstand verlenen bij de vervulling van zijn taak op het gebied van de hulpverlening. Alleen in geval van dwingende militaire noodzaak mogen de activiteiten van het personeel voor hulpverlening worden beperkt of mogen op zijn bewegingen tijdelijk beperkingen worden aangebracht.

4.

Het personeel voor hulpverlening mag onder geen enkele omstandigheid de grenzen van zijn taak, als aangegeven door dit Protocol, overschrijden. In het bijzonder dient het rekening te houden met de vereisten in verband met de veiligheid, die gelden voor de partij op het grondgebied waarvan het zijn taak vervult. De opdracht van elk lid van het personeel dat deze voorwaarden niet in acht neemt, kan worden beëindigd.

SECTIE III. BEHANDELING VAN PERSONEN IN DE MACHT VAN EEN PARTIJ BIJ HET CONFLICT

Hoofdstuk I. TOEPASSINGSGEBIED EN BESCHERMING VAN PERSONEN EN OBJECTEN

Artikel 72. Toepassingsgebied

De bepalingen van deze Sectie vormen een aanvulling op de regels betreffende de humanitaire bescherming van de zich in de macht van een partij bij het conflict bevindende burgers en burgerobjecten, neergelegd in het Vierde Verdrag, in het bijzonder in de Delen I en III daarvan, evenals op de andere toepasselijke regels van het volkenrecht betreffende de bescherming van de fundamentele rechten van de mens gedurende internationale gewapende conflicten.

Artikel 73. Vluchtelingen en staatlozen

Personen die vóór de aanvang van de vijandelijkheden werden beschouwd als staatlozen of als vluchtelingen krachtens de desbetreffende door de betrokken partijen aanvaarde internationale akten of krachtens de nationale wetgeving van de Staat die hen heeft opgenomen of waar zij verblijven, zijn beschermde personen in de zin van de Delen I en III van het Vierde Verdrag, onder alle omstandigheden en zonder enig nadelig onderscheid.

Artikel 74. Gezinshereniging

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen op alle mogelijke wijzen de hereniging te vergemakkelijken van gezinnen die ten gevolge van gewapende conflicten zijn uiteengeraakt en dienen in het bijzonder het werk te bevorderen van de humanitaire organisaties die deze taak vervullen, overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol en overeenkomstig hun onderscheiden veiligheidsvoorschriften.

Artikel 75. Fundamentele waarborgen

1.

Personen die zich in de macht van een partij bij het conflict bevinden en die niet een gunstiger behandeling genieten krachtens de Verdragen of dit Protocol dienen, voor zover zij zijn betrokken bij een situatie als bedoeld in artikel 1 van dit Protocol, onder alle omstandigheden menselijk te worden behandeld en dienen tenminste de door dit artikel verleende bescherming te ontvangen zonder enig nadelig onderscheid, gebaseerd op ras, huidkleur, geslacht, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, rijkdom, geboorte of andere status, of op enig ander soortgelijk criterium. Iedere partij dient de persoon, de eer, de overtuigingen en de godsdienstige gebruiken van zodanige personen te eerbiedigen.

2.

De volgende daden zijn en blijven te allen tijde en op iedere plaats verboden, of zij nu door personen in burger- of militaire functie worden begaan:

  • (a). geweld, gericht tegen het leven, de gezondheid, of het lichamelijke of geestelijke welzijn van personen, in het bijzonder:
  • (i). moord;
  • (ii). marteling van elke aard, hetzij lichamelijk of geestelijk;
  • (iii). lijfstraffen; en
  • (iv). verminking;
  • (b). aanslagen op de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, gedwongen prostitutie en iedere vorm van aanranding van de eerbaarheid;
  • (c). het nemen van gijzelaars;
  • (d). collectieve straffen, en
  • (e). het dreigen om een van de bovengenoemde daden te begaan.
3.

Ieder die wordt gearresteerd, gevangen gehouden of geïnterneerd wegens handelingen in verband met het gewapende conflict, dient onverwijld, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gebracht van de redenen, waarom die maatregelen zijn genomen. Behalve in het geval van arrestatie of gevangenhouding wegens strafbare feiten dienen zodanige personen op zo kort mogelijke termijn te worden vrijgelaten en in ieder geval zodra de omstandigheden die de arrestatie, de gevangenhouding of de internering rechtvaardigen, hebben opgehouden te bestaan.

4.

Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig is bevonden aan een strafbaar feit verband houdende met het gewapende conflict, dan krachtens voorafgaand vonnis, gewezen door een onpartijdige en op regelmatige wijze samengestelde rechtbank die de algemeen erkende beginselen van behoorlijk procesrecht in acht neemt, welke mede het volgende inhouden:

  • (a). de procedure dient erin te voorzien, dat een verdachte onverwijld op de hoogte wordt gebracht van de bijzonderheden van het strafbare feit dat hem ten laste wordt gelegd, en dient deze verdachte voor en tijdens het proces alle nodige rechten en middelen voor zijn verdediging te verschaffen;
  • (b). niemand mag worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;
  • (c). niemand kan worden vervolgd of veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat rechtens geen strafbaar feit opleverde naar het nationale of internationale recht dat op hem van toepassing was ten tijde dat dit handelen of nalaten geschiedde; evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke van toepassing was ten tijde van dit handelen of nalaten; indien de wet na het begaan van het strafbare feit in de oplegging van een lichtere straf mocht voorzien, dient de overtreder daarvan te profiteren;
  • (d). ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen;
  • (e). ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft het recht in zijn tegenwoordigheid te worden berecht;
  • (f). niemand mag worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen;
  • (g). ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft het recht, de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en ondervragen van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als geschiedt ten aanzien van de getuigen à charge;
  • (h). niemand mag door dezelfde partij worden vervolgd of gestraft wegens een strafbaar feit met betrekking waartoe eerder op grond van bepalingen van formeel en materieel strafrecht een onherroepelijk vonnis is gewezen, waarbij die persoon werd vrijgesproken of veroordeeld;
  • (i). ieder die wordt vervolgd wegens een strafbaar feit heeft er recht op, dat het vonnis in het openbaar wordt uitgesproken;
  • (j). een veroordeelde dient bij zijn veroordeling op de hoogte te worden gesteld van de rechtsmiddelen en andere middelen die hem ter beschikking staan en van de termijnen waarbinnen die moeten worden aangewend.
5.

Vrouwen die van hun vrijheid zijn beroofd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, dienen te worden ondergebracht in verblijven die zijn gescheiden van die van de mannen. Zij dienen onder rechtstreeks toezicht van vrouwen te worden geplaatst. Niettemin moeten gezinnen, wanneer deze gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd, zoveel mogelijk op dezelfde plaats en in gezinsverband worden gehuisvest.

6.

Personen die zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, dienen de door dit artikel verleende bescherming te genieten tot hun definitieve invrijheidstelling, repatriëring of nieuwe vestiging, ook na het einde van het gewapende conflict.

7.

Ten einde iedere onzekerheid weg te nemen met betrekking tot de vervolging en berechting van personen, beschuldigd van oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid, gelden de volgende beginselen:

  • (a). personen die worden beschuldigd van zodanige misdrijven dienen gerechtelijk te worden vervolgd en berecht overeenkomstig de regels van het toepasselijke volkenrecht;
  • (b). aan een ieder die niet een gunstiger behandeling krachtens de Verdragen of dit Protocol geniet, dient de in dit artikel verleende behandeling te worden toegekend, ongeacht of de misdrijven waarvan hij wordt beschuldigd ernstige inbreuken van de Verdragen of dit Protocol opleveren.
8.

Geen enkele bepaling van dit artikel mag worden uitgelegd als een beperking of een aantasting van enige andere, gunstiger bepaling die een ruimere bescherming krachtens de regels van het toepasselijke volkenrecht toekent aan de personen, op wie het eerste lid van toepassing is.

Hoofdstuk II. MAATREGELEN TEN BEHOEVE VAN VROUWEN EN KINDEREN

Artikel 76. Bescherming van vrouwen

1.

Vrouwen dienen in het bijzonder te worden ontzien en met name te worden beschermd tegen verkrachting, gedwongen prostitutie en iedere andere vorm van aanranding van de eerbaarheid.

2.

Zwangere vrouwen, en met de zorg voor kleine kinderen belaste moeders die zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, hebben er aanspraak op dat hun geval met de hoogste prioriteit wordt behandeld.

3.

De partijen bij het conflict moeten voor zover naar omstandigheden mogelijk is, trachten te vermijden, dat doodvonnissen worden uitgesproken ten aanzien van zwangere vrouwen, of met de zorg voor kleine kinderen belaste moeders, wegens een strafbaar feit dat verband houdt met het gewapende conflict. De doodstraf voor zodanige strafbare feiten mag aan die vrouwen niet worden voltrokken.

Artikel 77. Bescherming van kinderen

1.

Kinderen dienen in het bijzonder te worden ontzien en beschermd tegen iedere vorm van aanranding van de eerbaarheid. De partijen bij het conflict dienen hun de zorg en hulp te geven die zij nodig hebben, hetzij wegens hun leeftijd of om welke andere reden ook.

2.

De partijen bij het conflict dienen alle praktisch uitvoerbare maatregelen te nemen opdat kinderen, die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen en zij dienen zich in het bijzonder ervan te onthouden, hen bij hun krijgsmacht in dienst te nemen. De partijen bij het conflict moeten, wanneer zij personen onder de wapenen roepen die wel de leeftijd van vijftien, maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt, trachten voorrang aan de oudsten te geven.

3.

Wanneer in uitzonderlijke gevallen ondanks de bepalingen van het tweede lid kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen en in handen van een tegenpartij vallen, blijven zij de voordelen genieten van de door dit artikel verleende bijzondere bescherming, ongeacht of zij krijgsgevangenen zijn of niet.

4.

Wanneer kinderen zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, dienen zij te worden ondergebracht in verblijven die zijn gescheiden van die van de volwassenen, behalve in gevallen waarin gezinnen in gezinsverband zijn gehuisvest als bepaald in artikel 75, vijfde lid.

5.

De doodstraf wegens een strafbaar feit, verband houdende met het gewapende conflict, mag niet worden voltrokken aan personen, die ten tijde dat het strafbare feit werd begaan de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt.

Artikel 78. Evacuatie van kinderen

1.

Geen enkele partij bij het conflict mag maatregelen treffen voor de evacuatie naar een ander land van kinderen die geen onderdaan zijn van die partij, met uitzondering van tijdelijke evacuatie, indien dwingende redenen verband houdende met hun gezondheid of de geneeskundige behandeling van de kinderen of, behalve in bezet gebied, hun veiligheid dat vereisen. Indien de ouders of voogden kunnen worden bereikt, is hun schriftelijke toestemming voor de evacuatie vereist. Indien deze personen niet kunnen worden bereikt, is de schriftelijke toestemming voor zodanige evacuatie vereist van de personen die krachtens wet of gewoonte in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de kinderen. Iedere zodanige evacuatie dient onder toezicht te staan van de beschermende mogendheid, in overeenstemming met de betrokken partijen, te weten de partij die de maatregelen voor de evacuatie treft, de partij die de kinderen opneemt en alle partijen wier onderdanen worden geëvacueerd. Te allen tijde dienen alle partijen bij het conflict alle praktisch uitvoerbare maatregelen te nemen, ten einde te voorkomen dat de evacuatie in gevaar wordt gebracht.

2.

Steeds wanneer een evacuatie in overeenstemming met het eerste lid plaatsvindt, dient ervoor te worden gezorgd, dat de opvoeding van het kind tijdens zijn afwezigheid, daaronder begrepen zijn godsdienstige en morele opvoeding zoals zijn ouders die wensen, zoveel mogelijk ononderbroken wordt voortgezet.

3.

Ten einde de krachtens dit artikel geëvacueerde kinderen de terugkeer naar hun familie en hun land te vergemakkelijken, dienen de autoriteiten van de partij die de maatregelen voor de evacuatie treft en, in het voorkomende geval, de autoriteiten van het ontvangende land van ieder kind een kaart samen te stellen, met foto’s, die zij aan het Centrale Opsporingsbureau van het Internationale Comité van het Rode Kruis dienen te zenden. Op iedere kaart dienen, voor zover dat mogelijk is en daarvan geen schadelijke gevolgen voor het kind zijn te vrezen, de volgende gegevens te zijn vermeld:

  • (a). naam (namen) van het kind;
  • (b). voornaam (-namen) van het kind;
  • (c). geslacht van het kind;
  • (d). plaats en datum van geboorte (of, indien die datum niet bekend is, de vermoedelijke leeftijd);
  • (e). volledige naam van de vader;
  • (f). volledige naam en eventueel eigennaam van de moeder;
  • (g). naaste bloedverwanten van het kind;
  • (h). nationaliteit van het kind;
  • (i). moedertaal van het kind en iedere andere taal die het spreekt;
  • (j). adres van het gezin waaruit het kind afkomstig is;
  • (k). ieder nummer dat aan het kind ter identificatie is gegeven;
  • (l). gezondheidstoestand van het kind;
  • (m). bloedgroep van het kind;
  • (n). eventuele bijzondere kentekenen;
  • (o). de datum waarop en de plaats waar het kind werd gevonden;
  • (p). de datum waarop en de plaats waar vandaan het kind het land heeft verlaten;
  • (q). eventuele godsdienst van het kind;
  • (r). huidig adres van het kind in het ontvangende land;
  • (s). ingeval het kind mocht overlijden vóór zijn terugkeer, de datum waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het is overleden, alsmede de plaats waar het is begraven.

Hoofdstuk III. JOURNALISTEN

Artikel 79. Maatregelen ter bescherming van journalisten

1.

Journalisten die gevaarlijke beroepswerkzaamheden verrichten in gebieden waar zich gewapende conflicten voordoen, dienen te worden aangemerkt als burgers in de zin van het eerste lid van artikel 50.

2.

Zij dienen als zodanig te worden beschermd krachtens de Verdragen en dit Protocol, mits zij geen acties ondernemen die een aantasting vormen van hun status als burger, en onverminderd het recht van oorlogscorrespondenten die zijn geaccrediteerd bij de strijdkrachten op de in artikel 4, letter A, punt 4, van het Derde Verdrag verleende status.

3.

Zij kunnen een identiteitskaart verkrijgen, overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage II bij dit Protocol. Deze kaart, die wordt uitgegeven door de regering van de Staat waarvan de journalist onderdaan is, op wiens grondgebied hij woont of waar het medium van informatie waarbij hij in dienst is, zich bevindt, dient als blijk van zijn status van journalist.

DEEL V. TENUITVOERLEGGING VAN DE VERDRAGEN EN DIT PROTOCOL

SECTIE I. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 80. Maatregelen voor de tenuitvoerlegging

1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen onverwijld alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor de nakoming van hun verplichtingen krachtens de Verdragen en dit Protocol.

2.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen opdrachten en instructies te geven om de naleving van de Verdragen en dit Protocol te verzekeren en dienen toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan.

Artikel 81. Werkzaamheden van het Rode Kruis en andere humanitaire organisaties

1.

De partijen bij het conflict dienen het Internationale Comité van het Rode Kruis naar hun vermogen alle faciliteiten te verlenen om dit Comité in staat te stellen de humanitaire taak te vervullen waarmee het door de Verdragen en dit Protocol is belast, ten einde bescherming van en bijstand aan de slachtoffers van conflicten te verzekeren; het Internationale Comité van het Rode Kruis kan tevens alle andere humanitaire werkzaamheden ten behoeve van die slachtoffers verrichten, mits de desbetreffende partyen bij het conflict daarmee instemmen.

2.

De partijen bij het conflict dienen hun onderscheiden Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon)- organisaties de faciliteiten te verlenen die nodig zijn om hun humanitaire werkzaamheden ten behoeve van de slachtoffers van het conflict te verrichten overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol, en overeenkomstig de grondbeginselen van het Rode Kruis, zoals geformuleerd door de Internationale Conferenties van het Rode Kruis.

3.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen op alle mogelijke wijze de bijstand te vergemakkelijken die de Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon)- organisaties en de Liga van Rode-Kruisverenigingen verschaffen aan de slachtoffers van conflicten overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol, en overeenkomstig de grondbeginselen van het Rode Kruis zoals geformuleerd door de Internationale Conferenties van het Rode Kruis.

4.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen zoveel als mogelijk is faciliteiten, gelijk aan die welke in het tweede en het derde lid zijn vermeld, te verlenen aan de andere in de Verdragen en dit Protocol bedoelde humanitaire organisaties, die door de onderscheiden partijen bij het conflict zijn toegelaten en die hun humanitaire werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol vervullen.

Artikel 82. Juridische adviseurs in de strijdkrachten

De Hoge Verdragsluitende Partijen dienen er altijd, en de partijen bij het conflict dienen er ten tijde van een gewapend conflict zorg voor te dragen, dat juridische adviseurs beschikbaar zijn om wanneer nodig, de militaire commandanten op het daartoe passende niveau raad te geven betreffende de toepassing van de Verdragen en dit Protocol en betreffende het aan de strijdkrachten inzake dit onderwerp te geven, passende onderricht.

Artikel 83. Verspreiding

1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, zowel in vredestijd als ten tijde van een gewapend conflict, de Verdragen en dit Protocol op zo ruim mogelijke schaal in hun onderscheiden landen te verspreiden, en in het bijzonder de bestudering ervan in de programma’s van hun militaire opleiding op te nemen en de bestudering ervan door de burgerbevolking te stimuleren, zodat de strijdkrachten en de burgerbevolking van die akten op de hoogte kunnen zijn.

2.

Alle militaire of burgerlijke autoriteiten die ten tijde van een gewapend conflict verantwoordelijkheid dragen met betrekking tot de toepassing van de Verdragen en dit Protocol dienen een volledige kennis van de tekst ervan te bezitten.

Artikel 84. Regels voor de toepassing

De Hoge Verdragsluitende Partijen dienen elkaar zo spoedig mogelijk door tussenkomst van de depositaris en, in voorkomende gevallen, van de beschermende mogendheden hun officiële vertalingen van dit Protocol mede te delen, evenals de wetten en voorschriften die zij ter verzekering van de toepassing daarvan tot stand mochten brengen.

SECTIE II. HET TEGENGAAN VAN INBREUKEN OP DE VERDRAGEN EN DIT PROTOCOL

Artikel 85. Het tegengaan van inbreuken op dit Protocol

1.

De bepalingen van de Verdragen betreffende het tegengaan van inbreuken en ernstige inbreuken, als aangevuld door deze Sectie, zijn van toepassing op het tegengaan van inbreuken en ernstige inbreuken op dit Protocol.

2.

De handelingen die in de Verdragen als ernstige inbreuken worden omschreven, vormen ernstige inbreuken op dit Protocol, wanneer zij worden begaan tegen zich in de macht van een tegenpartij bevindende personen die worden beschermd door de artikelen 44, 45 en 73 van dit Protocol, tegen de gewonden, zieken en schipbreukelingen van de tegenpartij die door dit Protocol worden beschermd, of tegen het medisch personeel, de geestelijke verzorgers, de medische formaties of de medische vervoermiddelen die zich onder de zeggenschap van de tegenpartij bevinden en door dit Protocol worden beschermd.

3.

Naast de in artikel 11 omschreven ernstige inbreuken worden de volgende handelingen als ernstige inbreuken op dit Protocol beschouwd wanneer zij opzettelijk en in strijd met de desbetreffende bepalingen van dit Protocol worden begaan en de dood of ernstig lichamelijk letsel met zich brengen dan wel de gezondheid in ernstige mate benadelen:

  • (a). het doen van aanvallen op de burgerbevolking of individuele burgers;
  • (b). het uitvoeren van een niet-onderscheidende aanval waardoor de burgerbevolking of burgerobjecten worden getroffen, in de wetenschap dat een zodanige aanval buitensporig verlies van mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan burgerobjecten, als omschreven in artikel 57, tweede lid, letter (a) (iii), zal veroorzaken;
  • (c). het uitvoeren van een aanval tegen werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de wetenschap dat een zodanige aanval buitensporig verlies van mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan burgerobjecten als omschreven in artikel 57, tweede lid, letter (a) (iii), zal veroorzaken;
  • (d). het doen van aanvallen op onverdedigde plaatsen en gedemilitariseerde zones;
  • (e). het doen van aanvallen op een persoon in de wetenschap dat hij buiten gevecht verkeert;
  • (f). het perfide gebruik, in strijd met artikel 37, van het kenteken van het rode kruis, de rode halve maan of de rode leeuw en zon of van andere door de Verdragen en dit Protocol erkende beschermende tekens.
4.

Naast de ernstige inbreuken, omschreven in de voorgaande leden en de Verdragen, worden de volgende feiten als ernstige inbreuken op dit Protocol beschouwd wanneer zij opzettelijk en in strijd met de Verdragen en dit Protocol worden begaan:

  • (a). het overbrengen door de bezettende mogendheid van gedeelten van haar eigen burgerbevolking naar het door haar bezette gebied, of de overbrenging van de gehele bevolking van het bezette gebied of van een deel daarvan binnen of buiten dat gebied in strijd met artikel 49 van het Vierde Verdrag;
  • (b). ongerechtvaardigde vertraging bij de repatriëring van krijgsgevangenen of burgers;
  • (c). praktijken van apartheid en andere onmenselijke en onterende praktijken, die een aanslag op de menselijke waardigheid vormen en zijn gebaseerd op rassendiscriminatie;
  • (d). het doen van aanvallen op duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van godsdienstige verering, die het culturele of geestelijke erfdeel van de volkeren vormen en waaraan bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling, bijvoorbeeld in het kader van een bevoegde internationale organisatie, wanneer daarvan verwoesting op grote schaal het gevolg is, er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van artikel 53, letter b, en wanneer zodanige historische monumenten, kunstwerken en plaatsen waar godsdienstoefeningen worden gehouden niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen;
  • (e). het beroven van een persoon die door de Verdragen wordt beschermd of die wordt bedoeld in het tweede lid van dit artikel, van zijn recht om eerlijk en volgens de toepasselijke regels te worden berecht.
5.

Onverminderd de toepassing van de Verdragen en dit Protocol worden ernstige inbreuken op deze akten als oorlogsmisdrijven beschouwd.

Artikel 86. Nalatigheid

1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen ernstige inbreuken op de Verdragen of dit Protocol, die voortkomen uit een nalaten om te handelen terwijl een verplichting om te handelen bestond, tegen te gaan, en dienen maatregelen te nemen om alle andere uit een zodanig nalaten voortkomende inbreuken te doen ophouden.

2.

Het feit dat een inbreuk op de Verdragen of dit Protocol is begaan door een ondergeschikte ontheft zijn meerderen niet van hun strafrechtelijke, onderscheidenlijk disciplinaire verantwoordelijkheid, naar gelang van de omstandigheden, wanneer die meerderen wisten, of over inlichtingen beschikten waardoor zij onder de omstandigheden van dat ogenblik konden begrijpen, dat hij een zodanige inbreuk beging of op het punt stond te begaan, en wanneer zij niet alle praktisch uitvoerbare maatregelen die in hun vermogen lagen, hebben getroffen om de inbreuk te voorkomen of tegen te gaan.

Artikel 87. Verplichtingen van de commandanten

1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partij bij het conflict dienen de militaire commandanten te verplichten om met betrekking tot de leden van de strijdkrachten, die onder hun bevel staan, en andere personen, waarover zij zeggenschap uitoefenen, inbreuken op de Verdragen en dit Protocol te voorkomen, alsmede, indien nodig, deze te doen ophouden en aan de bevoegde autoriteiten te melden.

2.

Ten einde inbreuken te voorkomen en te doen ophouden, dienen de Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict de commandanten te verplichten in overeenstemming met het niveau van hun verantwoordelijkheid, ervoor zorg te dragen dat de leden van de strijdkrachten die onder hun bevel staan hun verplichtingen krachtens de Verdragen en dit Protocol kennen.

3.

De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen iedere commandant die weet dat ondergeschikten of andere personen onder zijn zeggenschap op het punt staan een inbreuk op de Verdragen of dit Protocol te begaan of een dergelijke inbreuk hebben begaan, te verplichten tot het ondernemen van de nodige stappen ter voorkoming van zodanige schendingen van de Verdragen of dit Protocol en, indien daartoe aanleiding is, tot het aanvangen van een disciplinaire of strafrechtelijke procedure tegen degenen die die akten hebben geschonden.

Artikel 88. Wederzijdse rechtshulp in strafzaken

1.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar in zo ruim mogelijke mate rechtshulp in verband met iedere strafrechtelijke procedure, die betrekking heeft op ernstige inbreuken op de Verdragen en dit Protocol.

2.

Met inachtneming van de in de Verdragen en in artikel 85, eerste lid, van dit Protocol neergelegde rechten en verplichtingen en wanneer de omstandigheden zulks toelaten, werken de Hoge Verdragsluitende Partijen samen op het gebied van uitlevering. Zij nemen het verzoek van de Staat, op wiens grondgebied de beweerde inbreuk heeft plaatsgevonden, op passende wijze in overweging.

3.

De wet van de aangezochte Hoge Verdragsluitende Partij is in alle gevallen van toepassing. De bepalingen van de voorgaande leden laten evenwel onverlet de verplichtingen, voortvloeiende uit de bepalingen van enige andere overeenkomst van bilaterale of multilaterale aard, die het terrein van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken geheel of gedeeltelijk beheerst of zal beheersen.

Artikel 89. Samenwerking

In gevallen van ernstige schendingen van de Verdragen of dit Protocol verbinden de Hoge Verdragsluitende Partijen zich, tezamen of afzonderlijk, op te treden in samenwerking met de Verenigde Naties en in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 90. Internationale Commissie voor feitenonderzoek

  • (a). Er wordt een Internationale Commissie voor feitenonderzoek (hierna te noemen „de Commissie”) ingesteld, bestaande uit vijftien leden van hoog zedelijk gehalte en erkende onpartijdigheid.
  • (b). De depositaris roept, wanneer ten minste twintig Hoge Verdragsluitende Partijen er mee hebben ingestemd overeenkomstig het tweede lid de bevoegdheid van de Commissie te aanvaarden, en daarna met tussenpozen van vijf jaar, een vergadering bijeen van vertegenwoordigers van die Hoge Verdragsluitende Partijen, ten einde de leden van de Commissie te verkiezen. Op die vergadering kiezen de vertegenwoordigers de leden van de Commissie bij geheime stemming uit een lijst van personen, waarop ieder van die Hoge Verdragsluitende Partijen één persoon mag plaatsen.
  • (c). De leden van de Commissie treden op in hun persoonlijke hoedanigheid en blijven in functie tot de verkiezing van nieuwe leden op de volgende vergadering.
  • (d). Bij de verkiezing dragen de Hoge Verdragsluitende Partijen ervoor zorg, dat de personen die in de Commissie worden gekozen ieder afzonderlijk de vereiste hoedanigheden bezitten, en dat in de Commissie als geheel een evenredige geografische vertegenwoordiging is verzekerd.
  • (e). In het geval van een tussentijdse vacature vervult de Commissie deze zelf, waarbij zij het bepaalde onder de voorgaande letters in acht neemt.
  • (f). De depositaris stelt de Commissie de voor de vervulling van haar taak noodzakelijke administratieve voorzieningen ter beschikking.
  • (a). De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen ten tijde van de ondertekening of de bekrachtiging van dit Protocol, van de toetreding daartoe of op ieder later tijdstip verklaren, dat zij ipso facto en zonder bijzondere overeenkomst met betrekking tot iedere andere Hoge Verdragsluitende Partij, die dezelfde verplichting aanvaardt, de bevoegdheid van de Commissie erkennen om volgens de bepalingen van dit artikel een onderzoek in te stellen naar aanleiding van beschuldigingen van die andere partij.
  • (b). De bovenbedoelde verklaringen dienen te worden nedergelegd bij de depositaris, die afschriften daarvan aan de Hoge Verdragsluitende Partijen doet toekomen.
  • (c). De Commissie is bevoegd:
  • (i). ieder feit te onderzoeken, waarvan wordt beweerd dat het een ernstige inbreuk als omschreven in de Verdragen en dit Protocol of een andere ernstige schending van de Verdragen of dit Protocol oplevert;
  • (ii). door het verlenen van haar goede diensten de terugkeer te bevorderen van een geesteshouding, gericht op eerbiediging van de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol.
  • (d). In andere situaties stelt de Commissie op verzoek van een partij bij het conflict alleen een onderzoek in, wanneer de andere betrokken partij of partijen daarmee instemmen.
  • (a). Tenzij de betrokken partijen anders overeenkomen, worden alle onderzoeken uitgevoerd door een Kamer, bestaande uit zeven leden, die als volgt worden aangewezen:
  • (i). vijf leden van de Commissie, die geen onderdaan mogen zijn van de partijen bij het conflict, en die worden aangewezen door de Voorzitter van de Commissie op basis van een evenredige vertegenwoordiging van de geografische gebieden, na raadpleging van de partijen bij het conflict;
  • (ii). twee leden ad hoc, die geen onderdaan mogen zijn van de partijen bij het conflict, van wie er door ieder van die partijen één wordt aangewezen.
  • (b). Na ontvangst van een verzoek om een onderzoek stelt de Voorzitter van de Commissie een passende termijn vast voor de vorming van een Kamer. Indien één of meer leden ad hoc niet binnen de vastgestelde termijn zijn aangewezen, gaat de Voorzitter terstond over tot aanwijzing van het ontbrekende lid of de ontbrekende leden van de Kamer.
  • (a). De Kamer die krachtens het derde lid is gevormd om een onderzoek uit te voeren, verzoekt de partijen bij het conflict hun medewerking te verlenen en bewijsmateriaal over te leggen. De Kamer kan ook ander bewijsmateriaal, dat zij ter zake dienende acht, trachten te verkrijgen en kan een onderzoek ter plaatse instellen.
  • (b). De partijen moeten van alle bewijsmateriaal op de hoogte worden gebracht; zij hebben het recht opmerkingen daarover te doen toekomen aan de Commissie.
  • (c). Iedere partij heeft het recht het bewijsmateriaal aan te vechten.
  • (a). De Commissie legt aan de partijen een rapport over betreffende de bevindingen van de Kamer, vergezeld van de aanbevelingen die zij passend acht.
  • (b). Indien de Kamer niet in staat is voldoende materiaal te verzamelen om tot feitelijke en onpartijdige conclusies te komen, maakt de Commissie de redenen daarvan bekend.
  • (c). De Commissie maakt haar conclusies niet openbaar, tenzij alle partijen bij het conflict zulks aan de Commissie hebben verzocht.
6.

De Commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast, met inbegrip van de regels betreffende het voorzitterschap van de Commissie en het voorzitterschap van de Kamer. Dit reglement verzekert, dat de taken van de Voorzitter van de Commissie te allen tijde kunnen worden uitgeoefend en dat deze, in het geval van een onderzoek, worden uitgeoefend door iemand die geen onderdaan is van een partij bij het conflict.

7.

De administratieve kosten van de Commissie worden gedekt door contributies van de Hoge Verdragsluitende Partijen die een verklaring krachtens het tweede lid hebben afgelegd, en door vrijwillige contributies. De partij of de partijen bij het conflict die om een onderzoek verzoeken, dienen de nodige gelden voor te schieten voor de kosten, gemaakt door een Kamer; deze gelden worden terugbetaald door de partij of de partijen waartegen de beschuldigingen naar voren zijn gebracht, tot een bedrag van 50% van de kosten van de Kamer. Wanneer voor de Kamer van de andere zijde eveneens beweringen naar voren zijn gebracht, dient iedere partij 50% van de benodigde gelden voor te schieten.

Artikel 91. Aansprakelijkheid

Een partij bij het conflict die de bepalingen van de Verdragen of dit Protocol schendt, is gehouden indien daartoe aanleiding is schadevergoeding te betalen. Zij is aansprakelijk voor alle handelingen, verricht door de personen die deel uitmaken van haar strijdkrachten.

DEEL VI. SLOTBEPALINGEN

Artikel 92. Ondertekening

Dit Protocol staat open voor ondertekening door de partijen bij de Verdragen zes maanden na de ondertekening van de Slotakte en blijft open gedurende een periode van twaalf maanden.

Artikel 93. Bekrachtiging

Dit Protocol dient zo spoedig mogelijk te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden nedergelegd bij de Zwitserse Bondsraad, die depositaris van de Verdragen is.

Artikel 94. Toetreding

Dit Protocol staat open voor toetreding door iedere partij bij de Verdragen, die het niet heeft ondertekend. De akten van toetreding dienen te worden nedergelegd bij de depositaris.

Artikel 95. Inwerkingtreding

1.

Dit Protocol treedt in werking zes maanden nadat twee akten van bekrachtiging of toetreding zijn nedergelegd.

2.

Ten aanzien van iedere partij bij de Verdragen die dit Protocol daarna bekrachtigt of daartoe toetreedt, treedt het in werking zes maanden nadat die partij haar akte van bekrachtiging of toetreding heeft nedergelegd.

Artikel 96. Verdragsbetrekkingen na de inwerkingtreding van dit Protocol

1.

In het geval dat de partijen bij de Verdragen eveneens partij zijn bij dit Protocol, zijn de Verdragen van toepassing als aangevuld door dit Protocol.

2.

Wanneer één van de partijen bij het conflict niet door dit Protocol is gebonden, blijven de partijen bij dit Protocol daardoor in hun onderlinge betrekkingen gebonden. Zij zijn bovendien door dit Protocol gebonden met betrekking tot ieder van de partijen die daardoor niet is gebonden, indien de laatstbedoelde partij de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast.

3.

De autoriteit die een volk vertegenwoordigt dat met een Hoge Verdragsluitende Partij in een gewapend conflict is gewikkeld als bedoeld in artikel 1, vierde lid, kan zich door middel van een tot de depositaris gerichte verklaring verbinden, de Verdragen en dit Protocol toe te passen met betrekking tot dat conflict. De verklaring heeft, vanaf het ogenblik dat de depositaris haar heeft ontvangen, met betrekking tot dat conflict de volgende gevolgen:

  • (a). de Verdragen en dit Protocol worden ten aanzien van de bovenbedoelde autoriteit als partij bij het conflict onmiddellijk van kracht;
  • (b). de bovenbedoelde autoriteit oefent dezelfde rechten uit en neemt dezelfde verplichtingen op zich als een Hoge Verdragsluitende Partij bij de Verdragen en dit Protocol;
  • (c). de Verdragen en dit Protocol zijn gelijkelijk verbindend voor alle partijen bij het conflict.

Artikel 97. Wijziging

1.

Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan voorstellen doen tot wijziging van dit Protocol. De tekst van elk wijzigingsvoorstel wordt ter kennis gebracht van de depositaris, die na raadpleging van alle Hoge Verdragsluitende Partijen en het Internationale Comité van het Rode Kruis beslist, of een conferentie ter bestudering van het wijzigingsvoorstel bijeen moet worden geroepen.

2.

De depositaris nodigt alle Hoge Verdragsluitende Partijen voor die conferentie uit, evenals de partijen bij de Verdragen, ongeacht of deze ondertekenaar zijn van dit Protocol of niet.

Artikel 98. Herziening van Bijlage I

1.

Uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol en daarna met tussenpozen van ten minste vier jaar, raadpleegt het Internationale Comité van het Rode Kruis de Hoge Verdragsluitende Partijen met betrekking tot Bijlage I bij dit Protocol en kan het, indien het zulks noodzakelijk acht, een voorstel doen tot het houden van een vergadering van technische deskundigen, ten einde Bijlage I opnieuw te bezien en die voorstellen tot wijziging daarvan te doen die wenselijk blijken te zijn. Tenzij binnen zes maanden na de mededeling van een voorstel tot het houden van een zodanige vergadering aan de Hoge Verdragsluitende Partijen één derde van hen bezwaar maakt, roept het Internationale Comité van het Rode Kruis de vergadering bijeen, en nodigt daarbij ook waarnemers uit van de internationale organisaties die daarvoor in aanmerking komen. Een zodanige vergadering wordt door het Internationale Comité van het Rode Kruis eveneens te allen tijde bijeengeroepen wanneer één derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen zulks verzoekt.

2.

De depositaris roept een conferentie van de Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij de Verdragen bijeen, ten einde de door de vergadering van technische deskundigen voorgestelde wijzigingen te bestuderen, indien het Internationale Comité van het Rode Kruis of één derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen zulks na die vergadering verzoekt.

3.

Wijzigingen in Bijlage I kunnen op een zodanige conferentie worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Hoge Verdragsluitende Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen.

4.

De depositaris brengt iedere aldus aangenomen wijziging ter kennis van de Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij de Verdragen. De wijziging wordt geacht te zijn aanvaard na verloop van een periode van een jaar na die kennisgeving, tenzij binnen die periode door ten minste één derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen een verklaring van niet-aanvaarding van de wijziging ter kennis van de depositaris is gebracht.

5.

Een wijziging die is geacht te zijn aanvaard overeenkomstig het vierde lid, treedt drie maanden na de aanvaarding ervan in werking ten aanzien van alle Hoge Verdragsluitende Partijen, behalve ten aanzien van die partijen, die een verklaring van niet-aanvaarding overeenkomstig het genoemde vierde lid hebben afgelegd. Iedere partij die een zodanige verklaring aflegt, kan deze te allen tijde intrekken, in welk geval de wijziging ten aanzien van die partij drie maanden daarna in werking treedt.

6.

De depositaris stelt de Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij de Verdragen in kennis van de inwerkingtreding van iedere wijziging, van de partijen die erdoor zijn gebonden, van de datum van de inwerkingtreding ervan ten aanzien van iedere partij, van overeenkomstig het vierde lid afgelegde verklaringen van niet-aanvaarding en van intrekkingen van zodanige verklaringen.

Artikel 99. Opzegging

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)