← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883, zoals herzien te Brussel op 14 december 1900, te Washington op 2 juni 1911, te 's-Gravenhage op 6 november 1925, te Londen op 2 juni 1934, te Lissabon op 31 oktober 1958 en te Stockholm op 14 juli 1967 en zoals gewijzigd te Stockholm op 28 september 1979

Geldende tekst a fecha 1984-06-03
Artikel 1

1). De landen, voor welke dit Verdrag geldt, vormen een Unie tot bescherming van de industriële eigendom.

2). De bescherming van de industriële eigendom omvat de octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de tekeningen of modellen van nijverheid, de fabrieks- of handelsmerken, de dienstmerken, de handelsnaam en de aanduidingen van herkomst of benamingen van oorsprong, zomede de bestrijding van de oneerlijke mededinging.

3). Onder industriële eigendom wordt verstaan de ruimste opvatting daarvan; hij heeft niet alleen betrekking op nijverheid en handel in eigenlijke zin, maar evenzeer op het gebied der landbouw- en mijnbouwnijverheid en op alle vervaardigde of natuurlijke voortbrengselen, bij voorbeeld: wijnen, granen, tabaksbladeren, vruchten, vee, mineralen, minerale wateren, bieren, bloemen, meel.

4). Onder de octrooien van uitvinding zijn begrepen de verschillende soorten van octrooien van nijverheid, welke door de wetgevingen van de landen der Unie erkend zijn, zoals octrooien van invoer, verbeteringsoctrooien, aanvullingsoctrooien en -certificaten, enz.

Artikel 2

1). De onderdanen van elk van de landen der Unie zullen in alle andere landen der Unie, wat betreft de bescherming van de industriële eigendom, de voordelen genieten, welke de onderscheidene wetten op dit ogenblik aan de nationalen toekennen, dit alles onverminderd de rechten, welke door dit Verdrag in het bijzonder worden toegekend. Dientengevolge zullen zij dezelfde bescherming hebben als dezen en hetzelfde wettelijk verhaal tegen elke inbreuk op hun rechten, mits zij de voorwaarden en formaliteiten nakomen, aan de nationalen opgelegd.

2). Echter kan voor het genot van geen der rechten van industriële eigendom van hen, die tot de Unie behoren, geëist worden, dat zij een woonplaats of inrichting hebben in het land, waar op de bescherming aanspraak wordt gemaakt.

3). De bepalingen der wetgeving van elk van de landen der Unie met betrekking tot de rechterlijke of administratieve procesgang en de bevoegdheid, benevens tot de keuze van domicilie of het stellen van een gemachtigde, indien de wetten op de industriële eigendom zulks zouden vorderen, worden uitdrukkelijk voorbehouden.

Artikel 3

Met de onderdanen van de landen der Unie worden gelijkgesteld de onderdanen van de landen, welke niet deel uitmaken der Unie, die op het grondgebied van een der landen van de Unie woonplaats hebben of aldaar daadwerkelijke en wezenlijke inrichtingen van nijverheid of handel bezitten.

Artikel 4

B. Dientengevolge zal het vóór het verstrijken dier termijnen in een van de andere landen der Unie later verrichte depot niet krachteloos kunnen worden gemaakt door feiten, die in de tussentijd hebben plaatsgehad, en wel met name door een ander depot, door het openbaar bekendmaken van de uitvinding of door haar toepassing, door het te koop stellen van exemplaren van de tekening of van het model, door het gebruik van het merk, en deze feiten zullen geen enkel recht van derden kunnen doen ontstaan, noch enig persoonlijk bezit. De rechten, die door derden zijn verkregen vóór de dag van de eerste aanvrage, die tot grondslag strekt voor het recht van voorrang, zijn voorbehouden door de binnenlandse wetgeving van ieder land der Unie.

F. Geen land der Unie zal een voorrang of een octrooiaanvrage kunnen weigeren op grond van het feit dat de aanvrager een beroep doet op meer dan één voorrang, zelfs wanneer die uit verschillende landen afkomstig zijn, of op grond van het feit dat een aanvrage, waarin op één of meer dan één voorrang een beroep wordt gedaan, één of meer elementen bevat, die niet voorkwamen in de aanvrage of de aanvragen, waarop het beroep op voorrang steunt, mits er in beide gevallen eenheid van uitvinding is in de zin der wet van het land.

Wat betreft de elementen, die niet voorkwamen in de aanvrage of de aanvragen, waarop het beroep op voorrang steunt, doet het depot van de latere aanvrage onder de gewone voorwaarden een recht van voorrang ontstaan.

H. De voorrang kan niet worden geweigerd wegens het ontbreken, onder de aanspraken, geformuleerd in de aanvrage in het land van oorsprong, van sommige bestanddelen van de uitvinding, waarvoor men de voorrang opeist, mits het geheel der stukken van de aanvrage deze bestanddelen nauwkeurig aanwijst.

Artikel 4bis

1). De octrooien, aangevraagd in de verschillende landen der Unie door onderdanen der Unie-landen, zullen onafhankelijk zijn van de octrooien, verkregen voor dezelfde uitvinding in de andere landen, onverschillig of deze al dan niet tot de Unie zijn toegetreden.

2). Deze bepaling moet volstrekt worden opgevat, met name in deze zin, dat de octrooien aangevraagd gedurende de termijn van voorrang onafhankelijk zijn, zowel uit een oogpunt van gronden van nietigheid en verval, als uit een oogpunt van gewone duur.

3). Zij is van toepassing op alle octrooien, bestaande op het tijdstip, waarop zij in werking treedt.

4). Dezelfde regel geldt, in geval van toetreding van nieuwe landen, voor de octrooien, over en weer bestaande op het ogenblik der toetreding.

5). De octrooien, verkregen met het genot van het recht van voorrang, zullen in de verschillende landen der Unie een duur genieten gelijk aan die, welke zij zouden genieten, indien zij waren aangevraagd of verleend zonder het genot van het recht van voorrang.

Artikel 4ter

De uitvinder heeft het recht als zodanig in het octrooi te worden vermeld.

Artikel 4quater

De verlening van een octrooi zal niet kunnen worden geweigerd en een octrooi zal niet kunnen worden nietig verklaard op grond van het feit, dat de verkoop van het geoctrooieerde voortbrengsel of van het voortbrengsel dat is verkregen door toepassing van een geoctrooieerde werkwijze, uit hoofde van de nationale wetgeving onderworpen is aan belemmeringen of beperkingen.

Artikel 5

B. De bescherming der tekeningen en modellen van nijverheid kan niet worden getroffen door enig verval, hetzij op grond van niet-toepassing, hetzij op grond van invoer van voorwerpen gelijk aan die, welke beschermd zijn.

D. Generlei teken of vermelding van het octrooi, van het gebruiksmodel, van de inschrijving van het fabrieks- of handelsmerk of van het depot van de tekening of het model van nijverheid zal, voor de erkenning van het recht, op de waar worden geëist.

Artikel 5bis

1). Een termijn van uitstel, die tenminste zes maanden zal moeten zijn, zal worden toegestaan voor de voldoening van de taksen, bepaald voor het behoud van de rechten van industriële eigendom, met betaling van een verhoogde taks, indien de nationale wetgeving deze oplegt.

2). De landen der Unie hebben de bevoegdheid het herstel te regelen van octrooien van uitvinding, die wegens niet-betaling der taksen vervallen zijn.

Artikel 5ter

In elk van de landen der Unie zal niet als inbreuk op de rechten van de octrooihouder worden aangemerkt:

Artikel 5quater

Indien een voortbrengsel wordt ingevoerd in een land der Unie, waar een octrooi bestaat, dat de werkwijze om dit voortbrengsel te vervaardigen beschermt, zal de octrooihouder ten opzichte van het ingevoerde voortbrengsel alle rechten kunnen uitoefenen, welke de wetgeving van het land van invoer hem, op grond van het octrooi voor de werkwijze, ten opzichte van in het betrokken land vervaardigde voortbrengselen toekent.

Artikel 5quinquies

Tekeningen en modellen van nijverheid zullen in alle landen der Unie beschermd worden.

Artikel 6

1). De voorwaarden voor het depot en de inschrijving van fabrieks- of handelsmerken zullen in elk van de landen der Unie door zijn nationale wetgeving worden vastgesteld.

2). Echter zal een merk, dat door een onderdaan van een land der Unie in welk land der Unie dan ook wordt gedeponeerd, niet geweigerd of nietig verklaard kunnen worden op grond van het feit dat het niet is gedeponeerd, ingeschreven of vernieuwd in het land van oorsprong.

3). Een merk, dat op regelmatige wijze is ingeschreven in een land der Unie, wordt beschouwd als onafhankelijk van de merken, die in de andere landen der Unie, waaronder het land van oorsprong begrepen, zijn ingeschreven.

Artikel 6bis

1). De landen der Unie verbinden zich om, hetzij ambtshalve, indien de wetgeving van het land dit toelaat, hetzij op verzoek van de belanghebbende, de inschrijving te weigeren of nietig te verklaren en het gebruik te verbieden van een fabrieks- of handelsmerk, dat de reproduktie, nabootsing of vertaling vormt, welke verwarring kunnen wekken, van een merk, dat naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van het land van inschrijving of van gebruik aldaar algemeen bekend is als zijnde reeds het merk van iemand, gerechtigd tot het genieten van de voordelen van dit Verdrag, en gebruikt voor gelijke of soortgelijke waren. Hetzelfde zal gelden, wanneer het kenmerkend gedeelte van het merk de reproduktie vormt van een dergelijk algemeen bekend merk of een nabootsing, welke verwarring daarmede kan verwekken.

2). Een termijn van tenminste vijf jaar te rekenen van de datum van inschrijving zou moeten worden toegestaan om de doorhaling van een zodanig merk te vorderen. De landen der Unie hebben de bevoegdheid te voorzien in een termijn, binnen welke een verbod van gebruik kan worden gevorderd.

3). Er zal geen termijn worden vastgesteld om de doorhaling of het verbod van gebruik te vorderen van die merken, welke te kwader trouw zijn ingeschreven of worden gebruikt.

Artikel 6ter

2). Het verbod van officiële controle- en waarborgtekens en -stempels zal alleen toepasselijk zijn in de gevallen, waarin de merken, die deze bevatten, bestemd zijn om gebruikt te worden op gelijke of gelijksoortige waren.

4). Elk land der Unie zal binnen een termijn van twaalf maanden van de ontvangst der kennisgeving af, door bemiddeling van het Internationaal Bureau, aan het betrokken land of aan de desbetreffende internationale intergouvernementele organisatie zijn eventuele bezwaren kunnen doen overbrengen.

5). Ten aanzien van staatsvlaggen zullen de maatregelen, bedoeld in lid 1, alleen worden toegepast op de merken, ingeschreven na de zesde november 1925.

6). Ten aanzien van de staatsemblemen, andere dan vlaggen, ten aanzien van officiële tekens en stempels van de landen der Unie en ten aanzien van wapens, vlaggen en andere emblemen, initialen of benamingen van internationale intergouvernementele organisaties, zullen deze bepalingen slechts toepasselijk zijn op de merken, ingeschreven meer dan twee maanden na ontvangst van de kennisgeving, in lid 3 hierboven bedoeld.

7). In geval van kwade trouw zullen de landen de bevoegdheid hebben om zelfs de merken, welke vóór de zesde november 1925 zijn ingeschreven en staatsemblemen, tekens en stempels bevatten, te doen doorhalen.

8). De onderdanen van elk land die gerechtigd mochten zijn om gebruik te maken van de staatsemblemen, tekens en stempels van hun land, zullen deze mogen bezigen, zelfs indien er gelijkenis ware met die van een ander land.

9). De landen der Unie verbinden zich het gebruik in de handel, zonder verkregen toestemming, van de staatswapens van de andere landen der Unie te verbieden, wanneer door dit gebruik omtrent de oorsprong der waren verwarring zal kunnen ontstaan.

10). De voorafgaande bepalingen verhinderen niet het gebruik maken, door de landen, van de bevoegdheid om door toepassing van artikel 6quinquies, letter B, onder 3°, de merken, welke zonder verkregen toestemming wapens, vlaggen en andere staatsemblemen of officiële tekens en stempels, aangenomen door een land der Unie, bevatten, alsmede de in het eerste lid genoemde onderscheidingstekens van de internationale intergouvernementele organisaties, te weigeren of nietig te verklaren.

Artikel 6quater

1). Wanneer, volgens de wetgeving van een land der Unie, de overdracht van een merk slechts geldig is, indien zij plaatsheeft tegelijk met de overdracht van de onderneming of handelszaak, waaraan het merk toebehoort, zal het, om deze geldigheid te doen erkennen, voldoende zijn, dat het gedeelte van de onderneming of handelszaak, hetwelk in dat land gelegen is, aan de verkrijger is overgedragen, met het uitsluitend recht om de waren, die het overgedragen merk dragen, daar te lande te vervaardigen of te verkopen.

2). Deze bepaling legt aan de landen der Unie niet de verplichting op om de overdracht van die merken als geldig te beschouwen, waarvan het gebruik door de verkrijger inderdaad bij het publiek verwarring zou kunnen wekken, met name voor wat betreft de herkomst, de aard of de kenmerkende eigenschappen der waren waarvoor het merk wordt gebruikt.

Artikel 6quinquies

B. Fabrieks- en handelsmerken, als in dit artikel bedoeld, zullen slechts in de volgende gevallen ter inschrijving geweigerd of nietig verklaard kunnen worden:

D. Niemand zal door de bepalingen van dit artikel begunstigd kunnen worden indien het merk, waarvan hij de bescherming vordert, niet is ingeschreven in het land van oorsprong.

E. Evenwel zal in geen geval de vernieuwing van de inschrijving van een merk in het land van oorsprong de verplichting met zich brengen, de inschrijving in de andere landen der Unie, waar het merk zal zijn ingeschreven, te vernieuwen.

F. Het genot van het recht van voorrang blijft behouden voor het depot van merken, verricht binnen de termijn van artikel 4, zelfs wanneer de inschrijving in het land van oorsprong eerst na het verstrijken van die termijn tot stand komt.

Artikel 6sexies

De landen van de Unie verbinden zich ertoe dienstmerken te beschermen. Zij zijn niet gehouden de inschrijving van deze merken te regelen.

Artikel 6septies

1). Indien de agent of de vertegenwoordiger van de houder van een merk in een der landen van de Unie, zonder de toestemming van deze houder de inschrijving van dat merk op eigen naam in één of meer van die landen vraagt, zal de houder het recht hebben om zich te verzetten tegen de gevraagde inschrijving, of om de doorhaling te vorderen, ofwel, indien de wet van het land dit toestaat, om de overdracht van de inschrijving te zijnen behoeve te vorderen, tenzij de agent of vertegenwoordiger zijn handelingen rechtvaardigt.

2). De merkhouder heeft, onder voorbehoud van het bepaalde in het eerste lid, het recht zich te verzetten tegen het gebruik van zijn merk door zijn agent of vertegenwoordiger, indien hij met dit gebruik niet heeft ingestemd.

3). De nationale wetgevingen hebben de bevoegdheid te voorzien in een redelijke termijn, waarbinnen de merkhouder zijn in dit artikel voorziene rechten zal moeten uitoefenen.

Artikel 7

De aard van de waar, waarop het fabrieks- of handelsmerk moet worden aangebracht, kan in geen geval een beletsel vormen voor de inschrijving van het merk.

Artikel 7bis

1). De landen der Unie verbinden zich tot het depot toe te laten en te beschermen de collectieve merken, die aan gemeenschappen toebehoren, welker bestaan niet strijdig is met de wet van het land van oorsprong, zelfs al bezitten die gemeenschappen niet een inrichting van nijverheid of handel.

2). Elk land zal vrij zijn in het stellen van bijzondere voorwaarden waaronder een collectief merk zal worden beschermd, en het zal de bescherming kunnen weigeren, indien dit merk strijdig is met het algemeen belang.

3). Intussen zal de bescherming van deze merken niet kunnen worden geweigerd aan een gemeenschap, welker bestaan niet strijdig is met de wet van het land van oorsprong, op grond van het feit, dat zij niet gevestigd is in het land, waar de bescherming wordt gevraagd, of dat zij niet is opgericht overeenkomstig de wetgeving van dit land.

Artikel 8

De handelsnaam zal in alle landen der Unie, zonder verplichting van depot of inschrijving, beschermd worden, onverschillig of hij al dan niet deel uitmaakt van een fabrieks- of handelsmerk.

Artikel 9

1). Elke waar, die onrechtmatig van een fabrieks- of handelsmerk of van een handelsnaam voorzien is, zal in beslag genomen worden bij de invoer in die landen der Unie, waar dat merk of die handelsnaam recht heeft op wettelijke bescherming.

2). De inbeslagneming zal eveneens plaatshebben in het land waar de waar op ongeoorloofde wijze van een merk of een handelsnaam is voorzien of waar zij werd ingevoerd.

3). De inbeslagneming zal plaatshebben ten verzoeke óf van het openbaar ministerie, óf van elke andere bevoegde macht, óf van de belanghebbende partij, hetzij natuurlijke of rechtspersoon, overeenkomstig de binnenlandse wetgeving van elk land.

4). De autoriteiten zullen niet gehouden zijn tot inbeslagneming over te gaan in geval van doorvoer.

5). Indien de wetgeving van een land de inbeslagneming bij de invoer niet toelaat, zal de inbeslagneming worden vervangen door een verbod van invoer of door inbeslagneming in het land zelf.

6). Indien de wetgeving van een land noch de inbeslagneming bij de invoer, noch een verbod van invoer, noch de inbeslagneming in het land zelf toelaat, zullen deze maatregelen, in afwachting dat die wetgeving dienovereenkomstig mocht worden gewijzigd, worden vervangen door de rechtsvorderingen en middelen, welke de wet van dat land in een dergelijk geval aan de onderdanen verzekert.

Artikel 10

1). De bepalingen van het voorgaande artikel zullen van toepassing zijn in geval van direct of indirect gebruik van een valse aanduiding betreffende de herkomst van het produkt of de identiteit van de producent, de fabrikant of de handelaar.

2). In elk geval zal als belanghebbende partij, onverschillig of deze is een natuurlijke of rechtspersoon, worden erkend iedere producent, fabrikant of handelaar, die zich met de voortbrenging of vervaardiging van die waar of de handel daarin bezighoudt en gevestigd is, hetzij in de plaats, welke valselijk als plaats van herkomst is opgegeven, hetzij in de landstreek, waarin die plaats is gelegen, hetzij in het valselijk opgegeven land, hetzij in het land, waar de valse aanduiding van herkomst is gebruikt.

Artikel 10bis

1). De landen der Unie zijn gehouden aan hen, die tot de Unie behoren, een daadwerkelijke bescherming te verlenen tegen de oneerlijke mededinging.

2). Elke daad van mededinging, strijdig met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel, levert een daad van oneerlijke mededinging op.

3). Met name zullen moeten worden verboden:

Artikel 10ter

1). De landen der Unie verbinden zich om aan de onderdanen van de andere Unie-landen wettelijk verhaal te verzekeren, geschikt om alle handelingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 10bis, met kracht tegen te gaan.

2). Zij verbinden zich bovendien, maatregelen te treffen om aan syndicaten en verenigingen, welke de belanghebbende fabrikanten, producenten of kooplieden vertegenwoordigen en welker bestaan niet strijdig is met de wetten van hun land, toe te staan in rechte of bij administratieve autoriteiten op te treden ter bestrijding van de handelingen, bedoeld in de artikelen 9, 10 en 10bis, voor zover de wet van het land, waarin de bescherming wordt gevraagd, zulks toestaat aan de syndicaten en verenigingen van dat land.

Artikel 11

1). De landen der Unie zullen, overeenkomstig hun nationale wetgeving, een tijdelijke bescherming verlenen aan de voor octrooi vatbare uitvindingen, de gebruiksmodellen, de tekeningen of modellen van nijverheid, alsmede aan de fabrieks- of handelsmerken, voor de waren, welke op de officiële of officieel erkende internationale tentoonstellingen, in een dier landen gehouden, zullen worden tentoongesteld.

2). Deze tijdelijke bescherming zal de termijnen, genoemd in artikel 4, niet verlengen. Indien later het recht van voorrang wordt ingeroepen, zal de Administratie van elk land de termijn kunnen doen beginnen van de datum af, waarop de waar ter tentoonstelling is aangebracht.

3). Elk land zal als bewijs van de identiteit van het tentoongestelde voorwerp en van de datum, waarop het ter tentoonstelling is aangebracht, de bewijsstukken kunnen eisen, welke het nodig zal achten.

Artikel 12

1). Elk van de landen der Unie verbindt zich tot het inrichten van een bijzondere dienst van de industriële eigendom en van een centrale bewaarplaats, ten einde openbare mededeling te doen van de octrooien van uitvinding, de gebruiksmodellen, de tekeningen of modellen van nijverheid en de fabrieks- of handelsmerken.

2). Deze dienst zal een regelmatig verschijnend officieel blad uitgeven. Hij zal geregeld bekendmaken:

Artikel 13

6). De Unie-landen die geen lid zijn van de Algemene Vergadering, kunnen haar vergaderingen bijwonen als waarnemers.

8). De Algemene Vergadering stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 14

1). De Algemene Vergadering heeft een Uitvoerende Commissie.

3). Het aantal landen dat lid is van de Uitvoerende Commissie is gelijk aan een/vierde van het aantal landen dat lid is van de Algemene Vergadering. Bij de berekening van het aantal zetels wordt het overschot na deling van het aantal door vier buiten beschouwing gelaten.

4). Bij de verkiezing van de leden van de Uitvoerende Commissie houdt de Algemene Vergadering rekening met een billijke geografische verdeling en met het vereiste dat landen, die partij zijn bij de bijzondere overeenkomsten, aangegaan in verband met de Unie, voorkomen onder de landen die de Uitvoerende Commissie vormen.

9). De Unie-landen die geen lid zijn van de Uitvoerende Commissie kunnen haar vergaderingen bijwonen als waarnemers.

10). De Uitvoerende Commissie stelt haar reglement van orde vast.

Artikel 15

2). Het Internationale Bureau verzamelt en publiceert de gegevens betreffende de bescherming van de industriële eigendom. Elk land van de Unie stelt het Internationale Bureau zo spoedig mogelijk in kennis van de tekst van alle nieuwe wetten alsmede van alle officiële teksten betreffende de bescherming van de industriële eigendom. Bovendien verstrekt het aan het Internationale Bureau alle bekendmakingen van zijn op het gebied van de industriële eigendom bevoegde diensten die rechtstreeks de bescherming van de industriële eigendom betreffen en die naar het oordeel van het Internationale Bureau van belang zijn voor zijn werkzaamheden.

3). Het Internationale Bureau geeft een maandelijks verschijnend blad uit.

4). Op verzoek verstrekt het Internationale Bureau aan elk land van de Unie inlichtingen inzake vraagstukken betreffende de bescherming van de industriële eigendom.

5). Het Internationale Bureau verricht studies en verleent diensten ter bevordering van de bescherming van de industriële eigendom.

6). De Directeur-Generaal en ieder door hem aangewezen lid van het personeel nemen zonder stemrecht deel aan alle bijeenkomsten van de Algemene Vergadering, van de Uitvoerende Commissie en van alle andere commissies van deskundigen of werkgroepen. De Directeur-Generaal of een door hem aangewezen lid van het personeel is ambtshalve secretaris van die organen.

4). Het Internationale Bureau voert alle overige aan hem opgedragen taken uit.

Artikel 16

2). De begroting van de Unie wordt vastgesteld met inachtneming van de vereisten tot coördinatie met de begrotingen van de andere door de Organisatie beheerde Unies.

3). De begroting van de Unie wordt gefinancierd uit de volgende bronnen van inkomsten:

Klasse I Klasse II Klasse III Klasse IV Klasse V Klasse VI Klasse VII 25 20 15 10 5 3 1

5). Het bedrag der taksen en der gelden verschuldigd voor door het Internationale Bureau namens de Unie verleende diensten wordt vastgesteld door de Directeur-Generaal, die daarover verslag uitbrengt aan de Algemene Vergadering en de Uitvoerende Commissie.

8). Het nazien der rekeningen wordt verricht, op de wijze voorzien in het financiële reglement, door één of meer Unielanden of door onafhankelijke controleurs, die, met hun instemming, zijn aangewezen door de Algemene Vergadering.

Artikel 17

1). Voorstellen tot wijziging van de artikelen 13, 14, 15, 16 en van dit artikel kunnen worden ingediend door ieder land dat lid is van de Algemene Vergadering, door de Uitvoerende Commissie of door de Directeur-Generaal. Deze voorstellen worden door laatstgenoemde ten minste zes maanden voor zij aan het onderzoek der Algemene Vergadering worden ontworpen, medegedeeld aan de landen die lid zijn van de Algemene Vergadering.

2). De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden door de Algemene Vergadering aangenomen. Voor deze aanneming is drie/vierde van de uitgebrachte stemmen vereist; voor de wijziging van artikel 13 en van dit lid is evenwel vier/vijfde van de uitgebrachte stemmen vereist.

3). De wijzigingen van de in het eerste lid genoemde artikelen worden van kracht één maand na ontvangst door de Directeur-Generaal van de schriftelijke verklaringen van aanvaarding, verricht overeenkomstig hun onderscheiden constitutionele procedures, door drie/vierde van de landen, die lid waren van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging werd aangenomen. Een aldus aanvaarde wijziging van de genoemde artikelen bindt alle landen die lid zijn van de Algemene Vergadering op het tijdstip waarop de wijziging van kracht wordt of die op een latere datum lid worden; wijzigingen die de financiële verplichtingen van de landen verzwaren, binden evenwel slechts die landen, die te kennen hebben gegeven deze wijzigingen te aanvaarden.

Artikel 18

1). Dit Verdrag wordt onderworpen aan herzieningen ten einde daarin de verbeteringen aan te brengen die kunnen strekken tot vervolmaking van het stelsel der Unie.

2). Te dien einde zullen achtereenvolgens in een van de landen van de Unie conferenties van afgevaardigden van die landen plaatshebben.

3). Wijzigingen in de artikelen 13 tot en met 17 vinden plaats ingevolge het bepaalde in artikel 17.

Artikel 19

Het is wel verstaan, dat de landen der Unie zich het recht voorbehouden afzonderlijk onderling bijzondere overeenkomsten te treffen tot bescherming van de industriële eigendom, voor zover deze overeenkomsten niet in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 20

3). Voor elk Unie-land, dat een akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt, treden de artikelen 18 tot en met 30 in werking op de eerste datum waarop een van de beide groepen artikelen bedoeld in het eerste lid onder letter b), voor dit land in werking treedt overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid onder letter a), b) of c).

Artikel 21

1). Landen die geen lid zijn van de Unie kunnen tot deze akte toetreden en worden daardoor lid van de Unie. De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal.

3). Voor elk land dat geen lid is van de Unie en dat zijn akte van toetreding heeft nedergelegd na de inwerkingtreding van de Akte in haar geheel of tenminste een maand voor deze datum, treedt deze Akte in werking drie maanden na de datum waarop van de toetreding van dat land door de Directeur-Generaal kennis is gegeven, tenzij in de akte van toetreding een latere datum is vermeld. In dat laatste geval treedt deze Akte voor dit land in werking op de aldus aangegeven datum.

Artikel 22

Onverminderd de mogelijke uitzonderingen bedoeld in de artikelen 20, eerste lid, letter b) en 28, tweede lid, houdt bekrachtiging of toetreding van rechtswege in toetreding tot alle bepalingen en toelating tot alle voordelen in deze Akte vastgelegd.

Artikel 23

Na de inwerkingtreding van deze Akte in haar geheel kan een land niet toetreden tot vroegere Akten van dit Verdrag.

Artikel 24

1). Elk land kan in zijn akte van bekrachtiging of toetreding verklaren of op ieder later tijdstip, de Directeur-Generaal schriftelijk mededelen dat dit Verdrag van toepassing is op alle of een gedeelte van de gebieden, aangegeven in de verklaring of kennisgeving, voor de buitenlandse betrekkingen waarvan dat land verantwoordelijk is.

2). Elk land dat een zodanige verklaring heeft afgelegd of een zodanige mededeling heeft gedaan, kan op ieder tijdstip de Directeur-Generaal ervan in kennis stellen dat dit Verdrag niet langer van toepassing is op alle of een gedeelte van deze gebieden.

Artikel 25

1). Ieder land, partij bij dit Verdrag, verbindt zich overeenkomstig zijn grondwet de nodige maatregelen te treffen om de toepassing van dit Verdrag te verzekeren.

2). Het is wel verstaan, dat op het ogenblik waarop een land zijn akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt, het overeenkomstig zijn binnenlandse wetgeving in staat is aan de bepalingen van dit Verdrag uitvoering te geven.

Artikel 26

1). Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht.

2). Elk land kan deze Akte opzeggen door een aan de Directeur-Generaal te richten schriftelijke kennisgeving. Deze opzegging houdt tevens in opzegging van alle vroegere Akten en werkt slechts voor het land dat haar heeft gedaan; het Verdrag blijft van kracht en van toepassing ten aanzien van de andere Unie-landen.

3). De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de Directeur-Generaal de kennisgeving heeft ontvangen.

4). De bevoegdheid tot opzegging, bedoeld in dit artikel, kan door een land slechts worden uitgeoefend na afloop van een termijn van vijf jaren te rekenen van de datum waarop dat land lid is geworden van de Unie.

Artikel 27

1). Deze Akte vervangt in de betrekkingen tussen de landen, voor welke zij van toepassing is en voor zover zij van toepassing is, het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 en de daarop gevolgd zijnde Akten van herziening.

3). Landen die geen lid zijn van de Unie, die partij worden bij deze Akte, passen deze toe ten aanzien van elk Unie-land dat geen partij is bij deze Akte of dat, wel partij zijnde, de verklaring bedoeld in artikel 20, eerste lid, onder letter b) sub i), heeft afgelegd. Deze landen stemmen ermede in dat het genoemde Unieland in zijn betrekkingen met hen de bepalingen toepast van de meest recente Akte waarbij dat Unie-land partij is.

Artikel 28

1). Elk geschil tussen twee of meer Unie-landen betreffende de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag dat niet door onderhandelingen kan worden beslecht, kan door een der betrokken landen worden voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof door middel van een verzoek overeenkomstig het Statuut van het Hof, tenzij de betrokken landen een andere wijze ter beslechting van het geschil overeenkomen. Het Internationale Bureau dient door het eisende land in kennis te worden gesteld van het aan het Hof voorgelegde geschil; het Bureau stelt de andere landen hiervan in kennis.

2). Elk land kan op het tijdstip waarop het deze Akte ondertekent of zijn akte van bekrachtiging of toetreding nederlegt, verklaren dat het zich niet gebonden acht door het bepaalde in het eerste lid. Met betrekking tot geschillen tussen een zodanig land en een ander Unie-land zijn de bepalingen van het eerste lid niet van toepassing.

3). Elk land dat een verklaring overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid aflegt, kan deze te allen tijde intrekken door een aan de Directeur-Generaal gerichte kennisgeving.

Artikel 29

2). Deze Akte staat open voor ondertekening te Stockholm tot 13 januari 1968.

3). De Directeur-Generaal verstrekt twee door de Regering van Zweden voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van de ondertekende tekst van deze Akte aan de Regeringen van alle Unielanden en, op verzoek, aan de Regeringen van andere landen.

4). De Directeur-Generaal doet deze Akte registreren bij het Secretariaat van de Organisatie der Verenigde Naties.

5). De Directeur-Generaal brenigt de ondertekeningen, de nederleggingen van akten van bekrachtiging of toetreding en de verklaringen vervat in deze akten, dan wel afgelegd ingevolge artikel 20, eerste lid, onder letter c), de inwerkingtreding van alle bepalingen van deze Akte, de kennisgevingen van opzegging en de mededelingen gedaan ingevolge artikel 24 ter kennis van de Regeringen van alle landen van de Unie.

Artikel 30

1). Tot het tijdstip van ambtsaanvaarding van de eerste Directeur-Generaal worden de verwijzingen in deze Akte naar het Internationale Bureau van de Organisatie of naar de Directeur-Generaal geacht betrekking te hebben op het Bureau van de Unie onderscheidenlijk op zijn Directeur.

2). De Unie-landen die niet zijn gebonden door de artikelen 13 tot en met 17 kunnen, indien zij dit wensen, gedurende vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag tot oprichting van de Organisatie de rechten uitoefenen, als bedoeld in de artikelen 13 tot en met 17 van deze Akte, alsof zij door deze artikelen waren gebonden. Elk land dat deze rechten wenst uit te oefenen richt tot dit doel een schriftelijke kennisgeving aan de Directeur-Generaal, waarvan de rechtsgevolgen ingaan op de datum van ontvangst. Zodanige landen worden geacht lid te zijn van de Algemene Vergadering tot de afloop van de genoemde periode.

3). Zolang niet alle Unie-landen lid van de Organisatie zijn geworden treedt het Internationaal Bureau van de Organisatie tevens op als Bureau van de Unie en de Directeur-Generaal als Directeur van dit Bureau.

4). Wanneer alle Unie-landen lid van de Organisatie zijn geworden gaan de rechten, verplichtingen en goederen van het Bureau van de Unie over op het Internationaal Bureau van de Organisatie.

EN FOI DE QUOI, les soussignés, dûment autorisés à cet effet, ont signé le présent Acte.

FAIT à Stockholm, le 14 juillet 1967.