Verdrag inzake verkeerstekens

Type Verdrag
Publication 2008-11-08
Laatst bijgewerkt 1968-11-08
State In force
Source BWB
artikelen 51
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

b. Het linkerdeel van symbool A,2a dient in de linkerhoek van het bord te staan en de onderkant dient de hele breedte van het bord te beslaan. Het cijfer op symbolen A,2a en A,2b geeft de hellingshoek aan in percenten uitgedrukt; dit kan worden vervangen door de verhouding (1:10). De Verdragsluitende Partijen mogen echter, met inachtneming voor zover mogelijk van de bepalingen van artikel 5, tweede lid, onder b, bij dit Verdrag, in plaats van symbool A,2a of A,2b, symbool A, 2c gebruiken indien zij teken model Aa hebben aangenomen, en symbool A,2d indien zij teken model Ab hebben aangenomen.

3. Steile opwaartse helling

a. Ten einde te waarschuwen voor een steile opwaartse helling dient symbool A,3a te worden gebruikt, met teken model Aa, of symbool A,3b, met teken model Ab.

b. Het rechterdeel van symbool A,3a dient in de rechterhoek van het bord te staan en de onderkant dient de hele breedte van het bord te beslaan. Het cijfer op de symbolen A,3a en A,3b geeft de hellingshoek aan in percenten uitgedrukt; dit kan worden vervangen door de verhouding (1:10). De Verdragsluitende Partijen die symbool A,2c hebben gekozen als symbool voor een gevaarlijke nederwaartse helling, mogen echter symbool A,3c gebruiken in plaats van A,3a, en Verdragsluitende Partijen die symbool A,2d hebben gekozen, mogen symbool A,3d gebruiken in plaats van A,3b.

4. Versmalling van de rijbaan

De waarschuwing dat de rijbaan verderop smaller wordt, dient te worden gegeven door symbool A,4a of door een symbool dat de begrenzing van de weg duidelijker weergeeft, zoals A,4b.

5. Beweegbare brug

a. De waarschuwing voor een beweegbare brug dient te worden gegeven door symbool A,5.

b. Een rechthoekig bord van model A,29a, beschreven in paragraaf 29 hieronder, kan worden geplaatst onder het gevaarsteken met symbool A,5, mits de borden van model A,29b en A,29c, in die paragraaf beschreven, zijn opgesteld op ongeveer eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken met symbool A,5 en de beweegbare brug.

6. Weg die uitkomt op een kade of rivieroever

De waarschuwing dat de weg even verder uitkomt op een kade of rivieroever dient te worden gegeven door symbool A,6.

7. Ongelijk wegdek

a. De waarschuwing voor uithollingen of kuilen, hoge bruggetjes of richels of voor weggedeelten waar de rijbaan zich in slechte toestand bevindt, dient te worden gegeven door symbool A,7a.

b. Een waarschuwing voor een hoog bruggetje of een richel kan worden gegeven door symbool A,7b in plaats van door symbool A,7a.

c. Een waarschuwing voor een uitholling of kuil kan worden gegeven door symbool A,7c in plaats van door symbool A,7a.

8. Gevaarlijke berm

a. De waarschuwing voor een weggedeelte waar de berm uitzonderlijk gevaarlijk is, dient te worden gegeven door symbool A,8.

b. Het symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

9. Slipgevaar

De waarschuwing dat het komende weggedeelte uitzonderlijk glad kan zijn, dient te worden aangegeven door symbool A,9.

10. Opspattend steenslag

De waarschuwing voor een weggedeelte met opspattend steenslag dient te worden gegeven door symbool A,10a, samen met het teken model Aa, of door symbool A,10b met teken model Ab.

11. Steenval

a. De waarschuwing voor een weggedeelte waar het gevaar bestaat van steenval en als gevolg daarvan de aanwezigheid van stenen op de rijbaan dient te worden aangegeven door symbool A,11a, samen met teken model Aa, of door symbool A,11b, samen met teken model Ab.

b. Het rechterdeel van het symbool dient in beide gevallen in de rechterhoek van het bord te staan.

c. Het symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

12. Voetgangersoversteekplaats

a. De waarschuwing voor een voetgangersoversteekplaats, die is aangegeven door tekens op het wegdek dan wel door tekens E,12, dient te worden gegeven door symbool A,12, waarvan twee modellen bestaan: A,12a en A,12b.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

13. Kinderen

a. De waarschuwing voor een weggedeelte dat veel door kinderen wordt gebruikt, zoals bij de uitgang van een school of speelplaats, dient te worden gegeven door symbool A,13.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

14. Oversteekplaats fietsers

a. De waarschuwing dat men een plaats nadert waar fietsers zich dikwijls op de weg begeven of deze oversteken, dient te worden aangegeven door symbool A,14.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

15. Overstekend vee of wild

a. De waarschuwing voor een weggedeelte waar dieren plegen over te steken, dient te worden aangegeven door een symbool met het silhouet van het dier, vee of wild, dat men daar het veelvuldigst op de weg aantreft, zoals symbool A,15a voor vee en symbool A,15b voor wild.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

16. Werk in uitvoering

De waarschuwing dat op het komende weggedeelte werk in uitvoering is, dient te worden gegeven door symbool A,16.

17. Verkeerslichten

a. Indien het onontbeerlijk wordt geacht het verkeer te waarschuwen dat het een weggedeelte nadert waarop het verkeer door verkeerslichten van het driekleurenstelsel wordt geregeld – omdat weggebruikers een dergelijk weggedeelte niet verwachten – dient symbool A,17 te worden gebruikt. Er zijn drie modellen van symbool A,17, A,17a, A,17b en A,17c, die overeenkomen met de rangschikking van de lichten van het driekleurenstelsel zoals beschreven in artikel 23, vierde tot en met zesde lid, bij dit Verdrag.

b. Dit symbool is in dezelfde drie kleuren als die van de lichten waarvoor het waarschuwt.

18. Kruisingen waar de voorrang is zoals voorgeschreven bij de algemene voorrangsregel

a. De waarschuwing voor een kruising waar de voorrang is zoals voorgeschreven bij de algemene voorrangsregel die in het land van kracht is, dient te worden gegeven door teken Aa met symbool A,18a, of door teken Ab met symbool A,18b.

b. Symbolen A,18a en A,18b mogen worden vervangen door symbolen die de aard van de kruising duidelijker aangeven, zoals A,18c, A,18d, A,18e, A,18f en A,18g.

19. Voorrangskruisingen

a. De waarschuwing voor een voorrangskruising dient te worden gegeven door symbool A,19a.

b. Symbool A,19a mag worden vervangen door symbolen die de aard van de kruising duidelijker aangeven, zoals A,19b en A,19c.

c. Deze symbolen mogen alleen op een weg worden geplaatst indien tekens B,1 of B,2 zijn geplaatst op de weg of wegen waarmee deze weg de kruising vormt en waarvoor de waarschuwing is bedoeld, of indien deze wegen zodanig van aard zijn (bijvoorbeeld paden of onverharde wegen) dat, ingevolge de nationale wetgeving, bestuurders die zich daarop bevinden bij de kruising voorrang moeten verlenen, ook indien dergelijke tekens niet zijn geplaatst. Het gebruik van deze symbolen op wegen waarop teken B,3 is aangebracht, dient tot uitzonderlijke gevallen te worden beperkt.

20. Kruisingen waarop aan de bestuurders op de kruisende weg voorrang moet worden verleend

a. Indien het teken B,1 VOORRANG VERLENEN bij de kruising is geplaatst, dient symbool A,20 te worden gebruikt.

b. Indien het STOP-teken B,2 bij de kruising is geplaatst, dient symbool A,21a of A,21b te worden gebruikt, al naar gelang welk model overeenstemt met het geplaatste teken B,2.

c. In plaats van teken Aa met deze symbolen kan echter ook teken B,1 of B,2 worden gebruikt, overeenkomstig artikel 10, zesde paragraaf, bij dit Verdrag.

21. Verkeersplein

De waarschuwing voor een verkeersplein dient te worden gegeven door symbool A,22.

22. Kruising waarop het verkeer wordt geregeld door verkeerslichten

Indien het verkeer bij een kruising wordt geregeld door verkeerslichten, mag het teken Aa of Ab, met symbool A,17, zoals beschreven in paragraaf 17 hierboven, worden geplaatst ter aanvulling of vervanging van de tekens beschreven in de paragrafen 18 tot en met 21 hierboven.

23. Tweerichtingverkeer

a. De waarschuwing dat op een weggedeelte het verkeer zich tijdelijk of permanent in beide richtingen voortbeweegt op dezelfde rijbaan, terwijl op het daarvóór gelegen weggedeelte het verkeer zich in slechts één richting voortbewoog dan wel de weg bestond uit verscheidene rijbanen, elk bestemd voor het verkeer in één richting, dient te worden gegeven door symbool A,23.

b. Het teken met dit symbool dient te worden herhaald bij het begin van dit weggedeelte en tevens langs dit weggedeelte zo dikwijls als nodig wordt geacht.

24. Files

a. De waarschuwing dat op het komende weggedeelte mogelijk een file staat, dient te worden gegeven door symbool A,24.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

25. Bewaakte spoorwegovergangen

De waarschuwing voor overwegen met bomen of halve bomen die schuin tegenover elkaar aan elke zijde van de spoorlijn zijn geplaatst, dient te worden gegeven door symbool A,25.

26. Andere overwegen

Andere overwegen dienen, afhankelijk van het geval, te worden aangegeven door symbool A,26a, A,26b of A,27.

27. Kruising met een tramlijn

De waarschuwing voor een kruising met een tramlijn mag, mits een dergelijke kruising geen overweg is als bedoeld in artikel 1 bij dit Verdrag, worden gegeven door symbool A,27.

Noot – Indien het noodzakelijk wordt geacht te waarschuwen voor een kruising van een weg en een spoorbaan waarover het spoorwegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt, en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die de railvoertuigen begeleidt en met de hand de noodzakelijke tekens geeft, dient teken A,32 te worden gebruikt, zoals beschreven in paragraaf 32 hieronder.

28. Tekens die nabij overwegen dienen te worden geplaatst

a. Er zijn drie modellen van teken A,28 zoals bedoeld in artikel 35, tweede paragraaf, bij dit Verdrag: A,28a, A,28b en A,28c.

b. Modellen A,28a en A,28b dienen een wit of geel vlak te hebben met een rode of zwarte rand; model A,28c dient een wit of geel vlak te hebben met een zwarte rand; het opschrift op model A,28c dient met zwarte letters te zijn aangebracht. Model A,28b dient uitsluitend te worden gebruikt indien de spoorlijn uit ten minste twee sporen bestaat; bij het model A,28c mag alleen een onderbord worden gebruikt wanneer de spoorlijn uit ten minste twee sporen bestaat, in welk geval het teken het aantal sporen dient aan te geven.

c. De normale lengte van de balken van het kruis dient ten minste 1,20 m te zijn. Indien er niet voldoende ruimte is, mag het teken ook worden geplaatst met de punten van de balken naar boven en naar beneden.

29. Aanvullende tekens bij toegangswegen tot overwegen of beweegbare bruggen

a. De borden genoemd in artikel 9, vijfde paragraaf, bij dit Verdrag zijn de tekens A,29a, A,29b en A,29c. De banen dienen schuin naar beneden te lopen in de richting van de rijbaan.

b. Het gevaarsteken voor overwegen of beweegbare bruggen mag boven de tekens A,29b en A,29c worden geplaatst op dezelfde wijze als het boven het teken A,29a dient te worden geplaatst.

30. Vliegveld

a. De waarschuwing voor laag vliegende vliegtuigen boven een weg, die bezig zijn te landen op, of op te stijgen van een vliegveld, dient te worden gegeven door symbool A,30.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

31. Zijwind

a. De waarschuwing dat op een bepaald weggedeelte dikwijls sterke zijwind voorkomt, dient te worden aangegeven door symbool A,31.

b. Dit symbool mag in spiegelbeeld worden aangebracht.

32. Andere gevaren

a. De waarschuwing voor een weggedeelte met gevaren van andere aard dan die welke zijn genoemd in de paragrafen 1 tot en met 31 of in Deel B van deze Bijlage, kan worden gegeven door symbool A,32.

b. De Verdragsluitende Partijen kunnen echter ook symbolen gebruiken overeenkomstig de bepalingen van artikel 3, eerste paragraaf, onder a) (ii), bij dit Verdrag.

c. Symbool A,32 kan met name worden gebruikt om te waarschuwen voor kruisingen met een spoorbaan waarover het spoorwegverkeer zich zeer langzaam voortbeweegt en waar het wegverkeer wordt geregeld door een spoorwegemployé die de railvoertuigen begeleidt en met de hand de noodzakelijke tekens geeft.

DEEL B. Voorrangstekens

1. Het teken VOORRANG VERLENEN

a. Het teken VOORRANG VERLENEN dient het teken B,1 te zijn. Dit dient te bestaan uit een gelijkzijdige driehoek, waarvan één zijde horizontaal en met de daartegenover liggende hoek er onder. Het vlak dient wit of geel te zijn en de rand rood. Op dit teken mag geen symbool worden aangebracht.

b. De zijde van dit teken van het normale formaat dient ongeveer 90 cm lang te zijn; de zijde van het teken van het kleine formaat dient ten minste 60 cm lang te zijn.

2. Het STOP-teken

a. Het STOP-teken dient teken B,2 te zijn, waarvan twee modellen bestaan:

  • (i). Model B,2a is een achthoek met een rood vlak met daarop in het wit het woord STOP in het Engels of in de taal van de desbetreffende Staat; de hoogte van dit woord dient ten minste een derde te zijn van de hoogte van het bord;
  • (ii). Model B,2b is rond met een wit of geel vlak en een rode rand; daarbinnen staat het teken B,1 zonder enig opschrift, en bovenaan met grote letters het woord STOP in zwart of donkerblauw, in het Engels of in de taal van de desbetreffende Staat.

b. De hoogte van het normale formaat van teken B,2a en de diameter van het normale formaat van teken B,2b dienen ongeveer 90 cm te zijn; dezelfde afmetingen van deze tekens van het kleine formaat dienen ten minste 60 cm te zijn.

c. Wat betreft de keuze tussen modellen B,2a en B,2b, zie artikel 5, tweede paragraaf, en artikel 10, derde paragraaf, van dit Verdrag.

3. Het teken VOORRANGSWEG

a. Het teken VOORRANGSWEG dient teken B,3 te zijn. Het dient te bestaan uit een vierkant waarvan één diagonaal verticaal staat. De buitenste rand van het teken dient zwart te zijn; het teken dient in het midden een geel of oranje vierkant te tonen met een zwarte omlijsting. De ruimte tussen de beide vierkanten dient wit te zijn.

b. De zijde van dit teken van het normale formaat dient ongeveer 50 cm te zijn; de zijde van het teken van het kleine formaat dient ten minste 35 cm te zijn.

4. Het teken EINDE VOORRANGSWEG

Het teken EINDE VOORRANGSWEG dient teken B,4 te zijn. Dit dient te bestaan uit teken B,3, als hierboven beschreven, waarop in het midden een zwarte of grijze band is aangebracht, die loodrecht staat op de zijden linksonder en rechtsboven van het vierkant, dan wel parallel lopende zwarte of grijze lijnen die een zodanige band vormen.

5. Teken dat aanduidt dat tegemoetkomend verkeer voorrang heeft

a. Indien op een smal weggedeelte, waar voorbijgaan moeilijk of onmogelijk is, het verkeer wordt geregeld, en indien, omdat bestuurders dat hele weggedeelte 's nachts en overdag duidelijk kunnen zien, de regeling van het verkeer bestaat uit voorrang verlenen aan verkeer in één richting, en niet door het plaatsen van verkeerslichten, dient het teken B,5 VOORRANG VOOR TEGEMOETKOMEND VERKEER te worden geplaatst met de voorzijde naar het verkeer dat geen voorrang heeft. Dit teken geeft aan dat het verboden is zich op het smalle weggedeelte te begeven zolang het niet mogelijk is tot het eind van dit weggedeelte te rijden zonder tegemoetkomende voertuigen tot stoppen te dwingen.

b. Dit teken dient rond te zijn, met een wit of geel vlak en een rode rand; de pijl die aangeeft welke rijrichting voorrang heeft, dient zwart te zijn en de pijl die de andere rijrichting aangeeft, rood.

6. Teken dat aanduidt dat men voorrang heeft op tegemoetkomend verkeer

a. Om bestuurders kenbaar te maken dat zij op een smal weggedeelte voorrang hebben op tegemoetkomende voertuigen, dient teken B,6 te worden gebruikt.

b. Dit teken dient rechthoekig te zijn met een blauw vlak; de naar boven wijzende pijl dient wit te zijn, de andere rood.

c. Indien teken B,6 wordt gebruikt, dient teken B,5 op de weg te worden geplaatst aan het andere eind van het smalle weggedeelte, voor het verkeer in tegengestelde richting.

DEEL C. Verbodstekens of beperkende tekens

I. Algemene kenmerken en symbolen

1

Verbodstekens en beperkende tekens dienen rond te zijn; hun diameter dient ten minste 60 cm te zijn buiten de bebouwde kom en ten minste 40 cm binnen de bebouwde kom.

2

Tenzij bij de beschrijving van de tekens anders is aangegeven, dienen verbodstekens en beperkende tekens een wit of geel vlak te hebben of, bij tekens die een verbod of beperking inhouden voor stilstaan of parkeren, een blauw vlak met een brede rode rand; de symbolen en eventueel nodige opschriften dienen zwart of donkerblauw te zijn en indien er schuine banen op voorkomen, dienen deze rood te zijn en te lopen van links boven naar rechts beneden.

II. Beschrijvingen

1. Algeheel en beperkt inrijverbod

a. De aanduiding dat het voor alle voertuigen verboden is een weg in te rijden, dient te worden gegeven door het teken C,1 VERBODEN IN TE RIJDEN, waarvan twee modellen zijn: C,1a en C,1b.

b. De aanduiding dat alle verkeer met voertuigen in beide richtingen is verboden, dient te worden gegeven door teken C,2 GESLOTEN VOOR ALLE VOERTUIGEN IN BEIDE RICHTINGEN.

c. De aanduiding dat het slechts voor een bepaalde categorie voertuigen of weggebruikers verboden is een weg in te rijden, dient te worden gegeven door een teken met als symbool een silhouet van het soort voertuig of weggebruiker dat hier niet mag inrijden. Tekens C,3a, C,3b, C,3c, C,3d, C,3e, C,3f, C,3g, C,3h, C,3i, C,3j, C,3k en C,3l hebben de volgende betekenis:

C,3a VERBODEN VOOR GEMOTORISEERDE VOERTUIGEN BEHALVE VOOR MOTORFIETSEN ZONDER ZIJSPANWAGEN

C,3b VERBODEN VOOR MOTORFIETSEN

C,3c VERBODEN VOOR FIETSEN

C,3d VERBODEN VOOR BROMFIETSEN

C,3e VERBODEN VOOR VRACHTVOERTUIGEN.

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van het voertuig, hetzij overeenkomstig artikel 8, vierde paragraaf, van dit Verdrag, op een onderbord dat onder teken C,3e is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van het voertuig of het samenstel van voertuigen dit cijfer te boven gaat.

C,3f VERBODEN VOOR ALLE GEMOTORISEERDE VOERTUIGEN MET AANHANGWAGEN(S), MET UITZONDERING VAN EEN OPLEGGER OF VAN EEN EENASSIGE AANHANGWAGEN

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van de aanhangwagen, hetzij overeenkomstig artikel 8, vierde paragraaf, bij dit Verdrag, op een onderbord dat onder teken C,3f is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen dit cijfer te boven gaat.

De Verdragsluitende Partijen kunnen, in gevallen waarin zij zulks nodig achten, op het symbool het silhouet van de achterzijde van de vrachtauto vervangen door het achterste deel van een personenauto, en het silhouet van de aanhangwagen door dat van een aanhangwagen die aan een personenauto kan worden gekoppeld.

C,3g VERBODEN TOEGANG VOOR ALLE GEMOTORISEERDE VOERTUIGEN MET AANHANGWAGEN(S)

Een opschrift met een tonnagecijfer, hetzij in lichte kleur op het silhouet van de aanhangwagen, hetzij overeenkomstig artikel 8, vierde paragraaf, van dit Verdrag, op een onderbord dat onder teken C,3g is aangebracht, betekent dat het verbod alleen geldt indien de toegestane maximum massa van de aanhangwagen dit cijfer te boven gaat.

C,3h VERBODEN TOEGANG VOOR VOERTUIGEN MET GEVAARLIJKE STOFFEN WAARVOOR EEN SPECIALE SIGNALERING IS VOORGESCHREVEN

Voor de aanduiding dat inrijden voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen is verboden, kan teken C,3h worden gebruikt, indien nodig voorzien van een onderbord. De informatie op dit onderbord geeft aan dat dit verbod alleen geldt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen zoals beschreven in de nationale wetgeving.

C,3i VERBODEN VOOR VOETGANGERS

C,3j VERBODEN VOOR BESPANNEN WAGENS

C,3k VERBODEN VOOR HANDKARREN

C,3l VERBODEN VOOR GEMOTORISEERDE LANDBOUWVOERTUIGEN

Noot – De Verdragsluitende Partijen kunnen op tekens C,3a tot en met C,3l de schuine rode balk, die van links boven naar rechts onder loopt, weglaten, of, mits zulks het niet moeilijker maakt het symbool te zien en te begrijpen, deze balk niet onderbreken waar deze door het symbool heen loopt.

d. De aanduiding dat inrijden voor verschillende soorten voertuigen of weggebruikers is verboden, mag worden gegeven, hetzij door evenveel verbodstekens te plaatsen als er verboden soorten zijn, dan wel door één enkel verbodsteken dat de silhouetten toont van de verschillende soorten voertuigen of weggebruikers voor wie dit inrijverbod geldt. De tekens C,4a VERBODEN VOOR ALLE GEMOTORISEERDE VOERTUIGEN; en C,4b VERBODEN VOOR ALLE GEMOTORISEERDE VOERTUIGEN EN ALLE BESPANNEN WAGENS zijn voorbeelden hiervan.

Tekens met meer dan twee silhouetten mogen niet buiten de bebouwde kom worden geplaatst, en tekens met meer dan drie silhouetten mogen niet binnen de bebouwde kom worden geplaatst.

e. De aanduiding dat inrijden is verboden voor voertuigen waarvan de massa of de afmetingen bepaalde maxima te boven gaan, dient met de volgende tekens te worden gegeven:

C,5 VERBODEN VOOR VOERTUIGEN WAARVAN DE GROOTSTE BREEDTE .. METER TE BOVEN GAAT

C,6 VERBODEN VOOR VOERTUIGEN WAARVAN DE GROOTSTE HOOGTE .. METER TE BOVEN GAAT

C,7 VERBODEN VOOR VOERTUIGEN WAARVAN DE TOTALE MASSA .. TON TE BOVEN GAAT

C,8 VERBODEN VOOR VOERTUIGEN WAARVAN DE ASDRUK .. TON TE BOVEN GAAT

C,9 VERBODEN VOOR VOERTUIGEN OF SAMENSTELLEN VAN VOERTUIGEN DIE EEN LENGTE VAN .. METER TE BOVEN GAAN.

f. De aanduiding dat voertuigen niet dichter achter elkaar mogen rijden dan de op het teken aangeduide afstand, wordt gegeven door het teken C,10 HET IS VERBODEN MET VOERTUIGEN MINDER DAN .. METER AFSTAND TE HOUDEN.

2. Verbod om af te slaan

De aanduiding dat het verboden is links of rechts af te slaan, al naar gelang de richting van de pijl, dient te worden gegeven door teken C,11a LINKSAF VERBODEN, of door teken C,11b RECHTSAF VERBODEN.

3. Verbod om te keren

a. De aanduiding dat het verboden is te keren, dient te worden gegeven door teken C,12 KEREN VERBODEN.

b. Indien van toepassing mag het symbool in spiegelbeeld worden aangebracht.

4. Inhaalverbod

a. De aanduiding dat, als aanvulling op de algemene regels die met betrekking tot inhalen van kracht zijn, het inhalen door gemotoriseerde voertuigen, met uitzondering van tweewielige bromfietsen en tweewielige motorfietsen zonder zijspanwagen, op een bepaalde weg is verboden, dient te worden gegeven door teken C,13a INHALEN VERBODEN.

Er zijn twee modellen van dit teken: C,13aa en C,13ab.

b. De aanduiding dat inhalen alleen is verboden voor vrachtvoertuigen met een toegestane maximum massa die 3,5 ton te boven gaat, dient te worden gegeven door teken C,13b INHALEN DOOR VRACHTVOERTUIGEN VERBODEN.

Er zijn twee modellen van dit teken: C,13ba en C,13bb.

Een opschrift op een onderbord dat onder het teken wordt geplaatst, overeenkomstig artikel 8, vierde paragraaf, van dit Verdrag, kan de toegestane maximum massa waarboven het verbod geldt, wijzigen.

5. Snelheidsbeperking

a. De aanduiding van een snelheidsbeperking dient te worden gegeven door teken C,14 MAXIMUM SNELHEID BEPERKT TOT HET AANGEGEVEN CIJFER. Het cijfer op het teken dient de maximumsnelheid aan te geven in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om er de snelheid van voertuigen in uit te drukken. Achter of onder het cijfer dat de snelheid aangeeft kan bijvoorbeeld ,km’ (kilometer) of ,m’ (mijl) worden toegevoegd.

b. Teneinde een snelheidsbeperking aan te geven voor voertuigen die een toegestane maximum massa te boven gaan, dient het cijfer dat hierop betrekking heeft op een onderbord te worden aangegeven, welk bord onder het teken dient te worden geplaatst, overeenkomstig artikel 8, vierde lid, van dit Verdrag.

6. Verbod om inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken

De aanduiding dat het is verboden inrichtingen voor geluidssignalen te gebruiken, behalve om een ongeval te vermijden, dient te worden gegeven door het teken C,15 VERBODEN INRICHTINGEN VOOR GELUIDSSIGNALEN TE GEBRUIKEN. Indien dit teken niet is geplaatst bij het begin van een bebouwde kom, of kort na een teken dat de bebouwde kom aangeeft, dient het vergezeld te gaan van een onderbord H,2, beschreven in Deel H van deze Bijlage, waarop de afstand is aangegeven waarover het verbod geldt. Het verdient aanbeveling dit teken niet bij het begin van een bebouwde kom te plaatsen indien dit verbod voor alle bebouwde kommen geldt, en ervoor te zorgen dat het teken dat het begin van de bebouwde kom aangeeft, weggebruikers ervan in kennis stelt dat de verkeersregels die in dat land voor de bebouwde kom gelden, van dit punt af van toepassing zijn.

7. Verbod om zonder stoppen door te rijden

a. Bij het naderen van een douanekantoor waar stoppen verplicht is, wordt hiervan kennis gegeven door teken C,16 VERBODEN OM ZONDER STOPPEN DOOR TE RIJDEN. Onverminderd artikel 8 bij dit Verdrag, dient het symbool van dit teken het woord DOUANE te bevatten, bij voorkeur in twee talen; de Verdragsluitende Partijen die het teken C,16 gebruiken, dienen te trachten tot een regionale overeenkomst te komen zodat het woord DOUANE op alle door hen geplaatste tekens in dezelfde taal voorkomt.

b. Dit teken mag ook worden gebruikt om bestuurders ervan in kennis te stellen dat stoppen om andere redenen verplicht is; in dit geval dient het woord DOUANE te worden vervangen door een ander kort opschrift dat de reden voor het verplichte stoppen aangeeft.

8. Einde van verboden of beperkingen

a. Het punt waar alle verboden ophouden die door verbodstekens zijn aangeduid ten aanzien van rijdende voertuigen, dient te worden aangegeven door teken C,17a EINDE VAN ALLE PLAATSELIJKE VERBODEN VOOR RIJDENDE VOERTUIGEN. Dit teken dient rond te zijn met een wit of geel vlak; het mag geen rand hebben ofwel alleen een smalle zwarte lijst en dient een schuine band te tonen, van rechts boven naar links onder, die zwart of grijs mag zijn of die kan bestaan uit zwarte of grijze evenwijdig lopende strepen.

b. Het punt waar een bepaald verbod of een bepaalde beperking voor rijdende voertuigen ophoudt, dient te worden aangegeven door teken C,17b EINDE SNELHEIDSBEPERKING of C,17c EINDE INHAALVERBOD, of C17d EINDE INHAALVERBOD VOOR VRACHTVOERTUIGEN. Deze tekens dienen gelijk te zijn aan C,17a, maar dienen bovendien, in lichtgrijs, het symbool te tonen van het verbod of de beperking waaraan hier een eind is gekomen.

c. Onverminderd de bepalingen van artikel 6, eerste lid, van dit Verdrag, kunnen de tekens bedoeld in deze paragraaf (8) worden aangebracht aan de achterkant van de tekens die het verbod of de beperking aanduiden en die zijn bedoeld voor het verkeer in tegengestelde richting.

9. Verbod of beperking om stil te staan of te parkeren
  • (i). Plaatsen waar parkeren is verboden, dienen te worden aangeduid door teken C,18 PARKEERVERBOD; plaatsen waar stilstaan en parkeren is verboden, dienen te worden aangeduid door teken C,19 STILSTAAN EN PARKEREN VERBODEN.
  • (ii). Teken C,18 kan worden vervangen door een rond teken met een rode rand en een schuine rode baan, met de letter of het beeld dat in de betrokken Staat PARKEREN betekent, en wel in zwart op een wit of geel vlak.
  • (iii). De omvang van het verbod kan worden beperkt door een opschrift op het onderbord dat aangeeft, al naar gelang van het geval:
  • De dagen van de week of van de maand, of de uren van de dag waarvoor het verbod geldt;
  • De tijdsduur waarna parkeren is verboden door teken C,18 of de tijdsduur waarna stilstaan en parkeren is verboden door teken C,19;
  • De uitzonderingen voor bepaalde groepen weggebruikers.
  • (iv). De tijd waarna parkeren of stilstaan is verboden kan ook worden aangegeven op het onderste deel van de rode cirkel van het teken in plaats van op een onderbord.
  • (i). Waar parkeren beurtelings aan een van beide zijden van de weg is toegestaan, dienen tekens C,20a en C,20b BEURTELINGS PARKEREN te worden gebruikt in plaats van teken C,18;
  • (ii). Het parkeerverbod dient van toepassing te zijn aan de zijde van het teken C,20a op de oneven dagen van de maand en aan de zijde van teken C,20b op de even dagen van de maand; het tijdstip waarop van zijde wordt gewisseld, dient door de nationale wetgeving te worden voorgeschreven en behoeft niet middernacht te zijn. De nationale wetgeving kan ook een andere beurtelingse parkeerregeling voorschrijven dan de dagelijkse; in dit geval dienen de cijfers I en II te worden vervangen door de perioden die de beurten aanduiden, bijvoorbeeld 1–15 en 16–31 voor een parkeerwisseling op de eerste en de zestiende van elke maand.
  • (iii). Teken C,18 kan worden gebruikt door Staten die tekens C,19, C20a en C,20b niet hebben aangenomen, met daaraan toegevoegd extra opschriften zoals voorzien in artikel 8 vierde lid, van dit Verdrag.
  • (i). Uitgezonderd in bijzondere gevallen, dienen de tekens zo te worden geplaatst dat het bord haaks staat op de as van de weg, ofwel met een kleine hoek op het vlak dat haaks op die as staat.
  • (ii). Alle parkeerverboden en -beperkingen dienen alleen van toepassing te zijn aan de zijde van de rijbaan waar de tekens zijn geplaatst.
  • (iii). De verbodsbepalingen zijn van toepassing vanaf het punt waar het teken is geplaatst tot het eerstvolgende punt waar een aansluiting van een weg is, behalve wanneer iets anders is aangeduid, hetzij op een onderbord H,2 uit Deel H van deze Bijlage dat de afstand toont waarvoor het verbod van toepassing is, hetzij overeenkomstig (c) (v) van deze paragraaf.
  • (iv). Een onderbord H,3a of H,4a afgebeeld in Deel H van deze Bijlage, kan onder het teken worden geplaatst op het punt waar het verbod begint. Een onderbord H,3b of H,4b afgebeeld in Deel H van deze Bijlage, kan onder de tekens worden geplaatst die het verbod herhalen. Op het punt waar het bord ophoudt van toepassing te zijn kan nogmaals een verbodsteken worden geplaatst, met een onderbord H,3c of H,4c afgebeeld in Deel H van deze Bijlage. De borden H,3 dienen zo te worden geplaatst, dat zij parallel lopen met de as van de weg en de borden H,4 zo, dat zij haaks staan op de as van de weg. Indien afstanden zijn aangegeven op de borden H,3, dienen deze betrekking te hebben op de afstand waarvoor het verbod nog van toepassing is in de richting van de pijl.
  • (v). Indien het bord ophoudt van toepassing te zijn vóór de eerstvolgende aansluiting van een weg, dient het teken zo te worden geplaatst, voorzien van een onderbord waarop het einde van het verbod is aangeduid, als beschreven in c (iv) hierboven. Waar het bord echter slechts over een korte afstand van toepassing is, is het toegestaan slechts één teken te plaatsen: dat in de rode cirkel de afstand aangeeft waarop het van toepassing is, of dat een onderbord H,3 heeft.
  • (vi). Waar parkeermeters zijn geïnstalleerd, wordt hun aanwezigheid geacht aan te geven dat parkeren is toegestaan tegen betaling en dat de duur is beperkt tot die welke de meter aanwijst.

DEEL D. Gebodstekens

I. Algemene kenmerken en symbolen

1

Gebodstekens dienen rond te zijn, behoudens tekens D,10 zoals beschreven in Titel II, paragraaf 10, van dit Deel, die rechthoekig dienen te zijn; hun diameter dient ten minste 60 cm te zijn buiten de bebouwde kom en ten minste 40 cm binnen de bebouwde kom. Tekens met een diameter van ten minste 30 cm mogen echter wel worden gebruikt samen met verkeerslichten of op verkeerszuilen op verkeerseilanden.

2

Tenzij anders bepaald, dienen deze tekens blauw te zijn met witte symbolen of met symbolen in een lichte kleur, ofwel dienen de tekens wit te zijn met een rode rand en de symbolen zwart.

II. Beschrijvingen

1. Verplichte rijrichting

De richting die voertuigen verplicht zijn te volgen, of de enige richting(en) die zij mogen volgen, dienen te worden aangegeven door model D,1a van teken D,1 VERPLICHTE RIJRICHTING, waarop de pijl of pijlen dienen te staan die in de desbetreffende richting of richtingen wijzen. Onverminderd de bepalingen van Titel I van dit Deel, kan in plaats van teken D,1a echter ook D,1b worden gebruikt. Teken D,1b dient zwart te zijn met een witte rand en een wit symbool.

2. Aan deze zijde passeren

Teken D,2 AAN DEZE ZIJDE PASSEREN, dat, onverminderd de bepalingen van artikel 6, eerste lid, van dit Verdrag, op een verkeerseiland of vóór een belemmering op de rijbaan is geplaatst, betekent dat voertuigen het verkeerseiland of de belemmering moeten passeren aan de zijde die door de pijl is aangegeven.

3. Verplichte rijrichting op verkeersplein

Teken D,3 VERPLICHTE RIJRICHTING OP VERKEERSPLEIN stelt bestuurders ervan in kennis dat zij op het verkeersplein de richting moeten aanhouden die door de pijlen wordt aangegeven. Indien het verkeersplein wordt aangeduid door teken D,3 tezamen met teken B,1 of B,2, dan heeft de bestuurder op het verkeersplein voorrang.

4. Verplicht fietspad

Teken D,4 VERPLICHT FIETSPAD stelt fietsers ervan in kennis dat het fietspad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt bestuurders van andere voertuigen ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het fietspad. Fietsers moeten het verplichte fietspad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, voetpad of ruiterpad ligt en in dezelfde richting voert. Van bestuurders van bromfietsen kan, op dezelfde voorwaarden, echter ook worden verlangd dat zij het fietspad gebruiken indien de nationale wetgeving daarin voorziet of indien deze eis kenbaar is gemaakt door een onderbord met een opschrift of met het symbool van teken C,3d.

5. Verplicht voetpad

Teken D,5 VERPLICHT VOETPAD stelt voetgangers ervan in kennis dat het pad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt andere weggebruikers ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het voetpad. Voetgangers moeten het verplichte voetpad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, fietspad of ruiterpad ligt en in dezelfde richting voert.

6. Verplicht ruiterpad

Teken D,6 VERPLICHT RUITERPAD stelt ruiters ervan in kennis dat het pad aan het begin waarvan het teken is geplaatst voor hen bestemd is, en stelt andere weggebruikers ervan in kennis dat zij geen gebruik mogen maken van het ruiterpad. Ruiters moeten het verplichte ruiterpad gebruiken wanneer dit langs een rijbaan, fietspad of voetpad ligt en in dezelfde richting voert.

7. Verplichte minimumsnelheid

Teken D,7 VERPLICHTE MINIMUMSNELHEID betekent dat voertuigen gebruik makend van de weg aan het begin waarvan het teken is geplaatst niet langzamer mogen rijden dan de snelheid die op het teken is aangegeven; het cijfer op het teken dient de minimumsnelheid uit te drukken in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om er de snelheid van voertuigen in uit te drukken. Achter het cijfer dat de snelheid aangeeft kan bijvoorbeeld ,km’ (kilometer) of ,m’ (mijl) worden toegevoegd.

8. Einde van verplichte minimumsnelheid

Teken D,8 EINDE VERPLICHTE MINIMUMSNELHEID betekent dat de verplichte minimumsnelheid die is voorgeschreven door teken D,7 niet langer van kracht is. Teken D,8 dient gelijk te zijn aan teken D,7, behalve dat er een schuine rode band over dient te lopen, van rechts boven naar links onder.

9. Sneeuwkettingen verplicht

Teken D,9 SNEEUWKETTINGEN VERPLICHT betekent dat op voertuigen aan het begin van de weg waar dit teken is geplaatst sneeuwkettingen dienen te worden aangebracht op ten minste twee van de aangedreven wielen.

10. Verplichte rijrichting voor voertuigen die gevaarlijke stoffen vervoeren

Tekens D,10a, D,10b en D,10c worden gebruikt om aan te geven welke richting voertuigen moeten volgen die gevaarlijke stoffen vervoeren.

11. Opmerking betreffende de combinatie van tekens D,4, D,5 en D,6

a. Om aan te geven dat een pad bestemd is voor het gebruik door twee categorieën weggebruikers en verboden is voor overige weggebruikers, dient een gebodsteken te worden gebruikt waarop de twee symbolen zijn aangebracht voor de weggebruikers die het pad, aan het begin waarvan het teken is geplaatst, mogen gebruiken.

b. In het geval dat de symbolen naast elkaar op het teken zijn geplaatst en zijn gescheiden door een verticale lijn door het midden van het teken, houdt elk symbool voor de desbetreffende categorie in dat het gedeelte van het pad moet worden gebruikt dat voor die categorie is bestemd, en voor de andere weggebruikers dat zij zich hierop niet mogen begeven; de twee gedeelten van het pad dienen duidelijk te worden gescheiden door middel van bebakening of markering.

c. In het geval dat de symbolen onder elkaar zijn geplaatst, houdt het teken voor de desbetreffende categorieën weggebruikers in dat zij het pad gezamenlijk mogen gebruiken. De volgorde van de symbolen is facultatief. In de nationale wetgeving kan indien nodig worden geregeld op welke wijze de gezamenlijke gebruikers met elkaar rekening moeten houden.

Tekens D,11a en D,11b zijn voorbeelden van de combinatie van tekens D,4 en D,5.

DEEL E. Tekens die een bijzonder voorschrift inhouden

I. Algemene kenmerken en symbolen

II. Beschrijving

1. Tekens die een bepaald voorschrift of gevaar inhouden en op een of meer rijstroken van toepassing zijn

Tekens zoals hieronder genoemd geven aan dat een bepaald voorschrift of een waarschuwing voor gevaar slechts geldt voor een of meer rijstroken, aangegeven door een lengtemarkering, op een rijbaan bestaande uit meerdere rijstroken voor verkeer in dezelfde richting. Deze tekens kunnen ook aangeven dat rijstroken worden gebruikt door verkeer in tegengestelde richting. Het teken dat betrekking heeft op het voorschrift of de waarschuwing voor gevaar moet op elk van de gebruikte pijlen worden aangebracht:

  • (i). E,1a VERPLICHTE MINIMUMSNELHEID VOOR VERSCHILLENDE RIJSTROKEN.
  • (ii). E,1b VERPLICHTE MINIMUMSNELHEID VOOR ÉÉN RIJSTROOK. Dit teken kan worden gebruikt voor het creëren van een ,kruipstrook’.
  • (iii). E,1c SNELHEIDSBEPERKINGEN VOOR VERSCHILLENDE RIJSTROKEN. De randen van de cirkels moeten rood zijn en de cijfers zwart.
2. Tekens die een strook voor openbaarvervoerbussen aangeven

Tekens zoals E,2a en E,2b zijn voorbeelden van tekens die de positie van de rijstrook aangeven die is voorbehouden aan bussen, overeenkomstig artikel 26bis, tweede paragraaf.

3. Teken EENRICHTINGSWEG

a. Er kunnen twee verschillende tekens EENRICHTINGSWEG worden geplaatst wanneer het noodzakelijk wordt geacht aan te geven dat op een weg of rijbaan het verkeer zich in één richting begeeft:

  • (i). Teken E,3a, dat ongeveer haaks op de as van de weg of rijbaan dient te worden geplaatst; dit bord dient vierkant te zijn.
  • (ii). Teken E,3b, dat ongeveer parallel met de as van de rijbaan dient te worden geplaatst; dit bord dient een langwerpige rechthoek te zijn waarvan de lange zijde horizontaal is. Op de pijl van teken E,3b kunnen in de landstaal of in een van de landstalen van het betrokken land de woorden ,één richting’ worden aangebracht.

b. Tekens E,3a en E,3b kunnen worden geplaatst ongeacht of bij het begin van de weg in kwestie verbods- of gebodstekens zijn geplaatst.

4. Voorsorteringsteken

Voorbeeld van een voorsorteringsteken bij een kruising op wegen met verschillende rijstroken: E,4.

5. Tekens die het begin of het einde van een autosnelweg aangeven

a. Teken E,5a AUTOSNELWEG dient te worden geplaatst op het punt waar de bijzondere regels die op een autosnelweg in acht dienen te worden genomen, van toepassing worden.

b. Teken E,5b EINDE AUTOSNELWEG dient te worden geplaatst op het punt waar deze regels niet meer van toepassing zijn.

c. Teken E,5b kan ook worden gebruikt en herhaald om te waarschuwen voor het einde van de autosnelweg; de afstand tussen elk teken dat voor dit doel is geplaatst en het einde van de autosnelweg dient op het onderste deel van het bord te zijn aangegeven.

d. Deze tekens dienen een blauw of groen vlak te hebben.

6. Tekens die het begin of het einde van een weg aangeven waarop dezelfde verkeersregels van toepassing zijn als op een autosnelweg

a. Teken E,6a AUTOWEG dient te worden geplaatst op het punt waar bijzondere verkeersregels van toepassing worden op wegen die geen autosnelwegen zijn, maar die uitsluitend zijn bestemd voor verkeer met motorvoertuigen en waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben. Een onderbord kan onder teken E,6a worden geplaatst om aan te geven dat, als uitzondering, de toegang tot aanliggende percelen voor motorvoertuigen is toegestaan.

b. Teken E,6b EINDE AUTOWEG kan ook worden gebruikt en herhaald om te waarschuwen voor het einde van de weg; de afstand tussen elk teken dat voor dit doel is geplaatst en het einde van de weg dient op het onderste deel van het bord te zijn aangegeven.

c. Deze tekens dienen een blauw of groen vlak te hebben.

7. Tekens die het begin of het einde van een bebouwde kom aangeven

a. Op het teken waarmee het begin van een bebouwde kom wordt aangegeven, dient de naam van de bebouwde kom of het symbool met het silhouet van een bebouwde kom te worden aangebracht, of beide. Tekens E,7a, E,7b, E,7c en E,7d zijn voorbeelden van tekens waarmee het begin van een bebouwde kom wordt aangegeven.

b. Het teken waarmee het einde van een bebouwde kom wordt aangegeven, dient identiek te zijn, behalve dat er een schuine roodgekleurde baan of parallel lopende roodgekleurde lijnen van de hoek rechtsboven naar de hoek linksonder lopen. Tekens E,8a, E,8b, E,8c en E,8d zijn voorbeelden van tekens waarmee het einde van een bebouwde kom wordt aangegeven.

Onverminderd de bepalingen van artikel 6, eerste lid, van dit Verdrag, kunnen deze tekens worden aangebracht op de achterkant van de tekens die het begin van een bebouwde kom aangeven.

c. De in deze paragraaf behandelde tekens dienen te worden gebruikt in overeenstemming met de bepalingen van artikel 13bis, tweede lid, van dit Verdrag.

8. Tekens die zonale geldigheid hebben

a. Begin van een zone

  • (i). Om aan te geven dat een teken van toepassing is op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid), dient het teken te worden weergegeven op een rechthoekig bord met een lichtgekleurd vlak. Het woord ZONE of het equivalent daarvan in de landstaal kan boven of onder het teken op het bord worden aangebracht. Bijzondere details betreffende de beperkingen, verboden of geboden die door het teken worden aangeduid, kunnen onder het teken op het bord of op een onderbord worden aangebracht. Tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid) dienen te worden geplaatst op alle wegen die tot de desbetreffende zone toegang geven. De zone dient bij voorkeur alleen wegen te omvatten die soortgelijke eigenschappen hebben.
  • (ii). Tekens E,9a, E,9b, E,9c en E,9d zijn voorbeelden van tekens die van toepassing zijn op alle wegen in een bepaalde zone (zonale geldigheid): E,9a - Zone waarin parkeren verboden is; E,9b - Zone waarin parkeren op bepaalde tijden verboden is; E,9c - Parkeerzone; E,9d - Zone maximumsnelheid.

b. Einde van een zone

  • (i). Om het einde aan te geven van een zone waarin een teken zonale geldigheid heeft, dient hetzelfde teken op een rechthoekig bord te worden geplaatst als dat welke aan het begin van de zone is geplaatst, maar dan in grijs op een rechthoekig bord met een lichtgekleurd vlak. Een zwarte of donkergrijze diagonale band of parallel lopende grijze of zwarte lijnen die een band vormen, dienen van rechts boven naar links onder over het bord te lopen. Tekens die het einde van een zone aangeven, dienen te worden geplaatst op alle wegen die kunnen worden gebruikt om de zone te verlaten.
  • (ii). Tekens E,10a, E,10b, E,10c en E,10d zijn voorbeelden van tekens die het einde aangeven van een zone waarin een teken op alle wegen van toepassing is (zonale geldigheid): E,10a - Einde zone waarin parkeren verboden is; E,10b - Einde zone waarin parkeren op bepaalde tijden verboden is; E,10c - Einde parkeerzone; E,10d - Einde zone maximumsnelheid.
9. Tekens die het begin of het einde aangeven van een tunnel waarin bijzondere regels van toepassing zijn

a. Teken E,11a TUNNEL duidt een wegtracé aan dat door een tunnel gaat en waarop bijzondere verkeersregels van toepassing zijn. Het teken wordt geplaatst op het punt van waar deze regels van toepassing zijn.

b. Teneinde weggebruikers van tevoren te waarschuwen, kan teken E,11a aanvullend op een geschikte afstand vóór het punt van waar de bijzondere regels van toepassing zijn, worden geplaatst; op een dergelijk teken moet in het onderste gedeelte ervan, of op een onderbord H,1, als omschreven in Deel H van deze Bijlage, de afstand worden vermeld tussen het punt waarop het is geplaatst en het punt van waar deze bijzondere regels van toepassing zijn.

c. Teken E,11b EINDE TUNNEL kan worden geplaatst op het punt van waar de bijzondere regels niet langer van toepassing zijn.

10. Teken VOETGANGERSOVERSTEEKPLAATS

a. Teken E,12a VOETGANGERSOVERSTEEKPLAATS wordt gebruikt om voetgangers en bestuurders de plaats aan te duiden van een voetgangersoversteekplaats. Het bord dient een blauw of zwart vlak te hebben, met een witte of gele driehoek en een zwart of donkerblauw symbool; het symbool dat hiervoor wordt gebruikt dient symbool A,12 te zijn.

b. Teken E,12b, een ongelijkzijdige vijfhoek met een blauw vlak en een wit symbool, of teken E,12c, met een donker vlak en een wit symbool, mag echter ook worden gebruikt.

11. ZIEKENHUIS-teken

a. Dit teken dient te worden gebruikt om bestuurders van voertuigen ervan in kennis te stellen dat zij de nodige voorzorgen dienen te nemen die vereist zijn in de nabijheid van ziekenhuizen, en vooral, dat zij geen onnodig lawaai maken. Van dit teken bestaan twee modellen: E,13a en E,13b.

b. Het rode kruis op teken E,13b kan worden vervangen door een van de symbolen zoals bedoeld in Deel F, Titel II, eerste paragraaf.

12. Het teken PARKEERGELEGENHEID

a. Teken E,14a PARKEERGELEGENHEID, dat zo kan worden geplaatst dat het bord parallel loopt met de as van de weg, dient de plaatsen aan te geven waar parkeren van voertuigen is toegestaan. Dit bord dient vierkant te zijn. Het dient de letter of het beeld te tonen dat in de betrokken Staat PARKEREN betekent. De ondergrond van dit teken dient blauw te zijn.

b. De richting waarin de parkeergelegenheid ligt of de categorieën voertuigen waarvoor deze is bestemd, mogen op het teken zelf of op een onderbord worden aangegeven. Dergelijke opschriften kunnen ook een beperking aanduiden van de periode waarin parkeren is toegestaan of aangeven dat openbaar vervoer vanaf de parkeergelegenheid bereikbaar is, door middel van een ,+ teken' gevolgd door een indicatie van het type vervoer, in de vorm van woorden of symbolen.

Tekens E,14b en E,14c zijn voorbeelden van tekens die kunnen worden gebruikt om een parkeergelegenheid aan te geven die meer in het bijzonder bedoeld is voor voertuigen waarvan de bestuurders van een openbaar vervoermiddel gebruik wensen te maken.

13. Tekens die een bus- of tramhalte aangeven

E,15 BUSHALTE en E,16 TRAMHALTE.

14. Tekens die een stopplaats in geval van nood of gevaar aangeven

Teken E,17 NOODSTOPPLAATS geeft een plaats aan die uitsluitend door bestuurders mag worden gebruikt om te stoppen of te parkeren in geval van nood of gevaar. Indien deze stopplaats is voorzien van een noodtelefoon en/of brandblusapparaat, is het teken voorzien van symbolen F,14 en/of F,15 in het onderste gedeelte ervan of op een rechthoekig bord onder het teken. Dit teken heeft twee modellen: E,17a en E,17b.

DEEL F. Tekens betreffende informatie, voorzieningen of diensten

I. Algemene kenmerken en symbolen

1

,F’-tekens hebben een blauw of groen vlak; hierop dient een witte of gele rechthoek te zijn aangebracht waarop het symbool dient te worden afgebeeld.

2

Op de blauwe of groene band aan de onderzijde van het teken kan de afstand tot de aangeduide voorziening, of tot het begin van de weg die daarheen leidt, in wit worden aangegeven; op het teken dat symbool F,5 toont, kan het woord HOTEL of MOTEL op dezelfde wijze worden aangegeven. Deze tekens kunnen ook worden geplaatst bij het begin van de weg die naar de voorziening leidt; ze kunnen dan een witte richtingspijl tonen op het blauwe of groene onderste deel van het bord. Het symbool dient zwart of donkerblauw te zijn, behalve symbolen F,1a, F,1b, F,1c en F,15, die rood dienen te zijn. Symbool F,14 mag rood zijn.

II. Beschrijvingen

1. Symbool EERSTEHULPPOST

De symbolen die in de betrokken Staten de eerstehulpposten aanduiden, dienen hiervoor gebruikt te worden. De symbolen dienen rood te zijn. Voorbeelden hiervan zijn F,1a, F,1b en F,1c.

2. Diverse symbolen

F,2 REPARATIEPOST

F,3 TELEFOON

F,4 BENZINEPOMP

F,5 HOTEL of MOTEL

F,6 RESTAURANT

F,7 CAFE of CAFETARIA

F,8 PICKNICKTERREIN

F,9 BEGINPUNT VOOR WANDELINGEN

F,10 KAMPEERTERREIN

F,11 KAMPEERWAGENTERREIN

F,12 KAMPEER- EN KAMPEERWAGENTERREIN

F,13 JEUGDHERBERG

F,14 NOODTELEFOON

F,15 BRANDBLUSAPPARAAT

DEEL G. Tekens die een richting aangeven of een bebakening of aanduiding inhouden

1. Algemene kenmerken en symbolen

1

Informatieve tekens zijn gewoonlijk rechthoekig; richtingstekens kunnen echter de vorm hebben van een langwerpige rechthoek, waarvan de lange zijde horizontaal is en in een pijlpunt uitloopt.

2

Op informatieve tekens dienen de symbolen of opschriften in wit of in een lichte kleur te worden aangebracht op een donker vlak, dan wel in een donkere kleur op een wit of lichtgekleurd vlak; rood mag slechts bij uitzondering worden gebruikt en mag nooit domineren.

3

Op vooraanduidingstekens of richtingstekens die betrekking hebben op autosnelwegen of wegen die als autosnelwegen worden beschouwd, dienen de symbolen of opschriften in wit te worden aangebracht op een blauw of groen vlak. Op dergelijke tekens kunnen de symbolen die worden gebruikt op de tekens E,5a en E,6a op verkleinde schaal worden weergegeven.

4

Tekens die tijdelijke omstandigheden zoals wegwerkzaamheden of omleidingen aanduiden, mogen een oranje of geel vlak hebben met zwarte symbolen en opschriften.

5

Aanbevolen wordt om op de tekens G,1, G,4, G,5, G,6 en G,10 de naam van de aangegeven plaats weer te geven in de taal van het land of het landsdeel waarin genoemde plaats zich bevindt.

II. Vooraanduidingstekens

1. Voor algemeen gebruik

Voorbeelden van vooraanduidingstekens: G,1a, G,1b en G,1c.

2. Bijzondere gevallen

a. Voorbeelden van vooraanduidingstekens voor DOODLOPENDE WEG: G,2a en G,2b.

b. Voorbeeld van een vooraanduidingsteken voor een weg die moet worden gevolgd teneinde links af te slaan, wanneer links afslaan bij het volgende kruispunt verboden is: G,3.

NOOT: Op vooraanduidingstekens G,1 mogen de symbolen worden aangebracht die worden gebruikt op andere tekens die de weggebruiker informatie geven omtrent de kenmerken van de weg of de verkeersomstandigheden (bijvoorbeeld tekens A,2, A,5, C,3e, C,6, E,5a en F,2).

III. Richtingstekens

1

Voorbeelden van tekens die de richting naar een plaats aangeven: G,4a, G,4b, G,4c en G,5.

2

Voorbeelden van tekens die de richting naar een vliegveld aangeven: G,6a, G,6b en G,6c.

3

Teken G,7 geeft de richting aan naar een kampeerterrein.

4

Teken G,8 geeft de richting aan naar een jeugdherberg.

5

Voorbeelden van tekens die de richting naar een parkeergelegenheid aangeven die meer in het bijzonder bedoeld is voor voertuigen waarvan de bestuurders van een openbaar vervoermiddel gebruik wensen te maken: G,9a en G,9b. Het type openbaar vervoer kan door middel van een opschrift of symbool op het teken worden aangegeven.

NOOT: Op richtingstekens G,4, G,5 en G,6 mogen de symbolen worden aangebracht die worden gebruikt op andere tekens die de weggebruiker informatie geven omtrent de kenmerken van de weg of de verkeersomstandigheden (bijvoorbeeld tekens A,2, A,5, C,3e, C,6, E,5a en F,2).

IV. Bevestigingstekens

V. Aanduidingsteken

1. Tekens die het aantal rijstroken en de richting hiervan aanduiden

Tekens als G,11a, G,11b en G,11c dienen te worden gebruikt om bestuurders in kennis te stellen van het aantal rijstroken en de richting hiervan. De tekens moeten hetzelfde aantal pijlen bevatten als het aantal rijstroken dat is bestemd voor verkeer in dezelfde richting; de tekens kunnen ook rijstroken aanduiden die zijn bestemd voor verkeer in de tegengestelde richting.

2. Tekens die aanduiden dat een rijstrook is gesloten

Tekens als G,12a en G,12b wijzen bestuurders erop dat een rijstrook is gesloten.

3. Teken DOODLOPENDE WEG

Teken G,13 DOODLOPENDE WEG, geplaatst aan het begin van een weg, geeft aan dat de weg doodloopt.

4. Teken ALGEMENE SNELHEIDSBEPERKINGEN

Teken G,14 ALGEMENE SNELHEIDSBEPERKINGEN dient te worden gebruikt, in het bijzonder bij de landsgrenzen, om de geldende maximumsnelheid in een land of een bestuurlijk onderdeel daarvan aan te duiden. De naam of het onderscheidingsteken van het land, eventueel voorzien van het nationale embleem, dient bovenaan het teken te worden geplaatst. Op het teken dienen de algemene snelheidsbeperkingen die in een land van kracht zijn in de volgende volgorde te worden aangebracht: (1) binnen de bebouwde kom; (2) buiten de bebouwde kom; (3) op autosnelwegen. Indien van toepassing kan het symbool van teken E,6a AUTOWEG worden gebruikt om de algemene snelheidsbeperking aan te geven op wegen voor motorvoertuigen.

De rand van het teken en het bovenste deel daarvan zijn blauw; de landnaam en het vlak van de drie vierkanten zijn wit. De symbolen in het bovenste en middelste vierkant zijn zwart en door het symbool in het middelste vierkant loopt een schuine rode streep.

5. Teken voor WEG GEOPEND OF GESLOTEN

a. Teken G,15 WEG GEOPEND OF GESLOTEN dient te worden gebruikt om aan te duiden of een bergweg, en speciaal een weggedeelte dat over een pas loopt, voor het verkeer is geopend of gesloten; het teken dient te worden geplaatst bij het begin van de weg of wegen die naar het betrokken weggedeelte leidt (leiden).

De naam van het weggedeelte (of van de pas) dient met witte letters te worden aangegeven. Op het voorbeeld is de naam ,Furka’ gebruikt.

De panelen 1, 2 en 3 dienen te kunnen worden verwijderd.

b. Indien het weggedeelte is gesloten, dient paneel 1 rood te zijn en het opschrift GESLOTEN te dragen; indien het weggedeelte open is, dient paneel 1 groen te zijn en het opschrift GEOPEND te dragen. De opschriften dienen met witte letters te zijn aangebracht, en liefst in verschillende talen.

c. De panelen 2 en 3 dienen wit te zijn met zwarte opschriften en symbolen.

Indien het weggedeelte geopend is, dient paneel 3 leeg te blijven en paneel 2 dient, al naar gelang van de toestand van de weg, leeg te zijn dan wel teken D,9 SNEEUWKETTINGEN VERPLICHT of symbool G,16 KETTINGEN OF SNEEUWBANDEN AANBEVOLEN te tonen. Dit symbool dient zwart te zijn.

Indien het weggedeelte geopend is, dient op paneel 3 de naam van de plaats te staan tot waar de weg geopend is en paneel 2 dient, naar gelang de toestand van de weg, het opschrift GEOPEND TOT dan wel symbool G,16 of teken D,9 te tonen.

6. Teken ADVIESNELHEID

Teken G,17 ADVIESSNELHEID dient te worden gebruikt om de geadviseerde snelheid aan te duiden indien de omstandigheden dit toestaan en de bestuurder niet wordt geacht een voor zijn voertuig geldende lagere maximum snelheid aan te houden. Het cijfer of de reeks cijfers op het teken dienen de snelheid aan te geven in de meeteenheid van het stelsel dat in het betrokken land gewoonlijk wordt gebruikt om de snelheid van voertuigen in uit te drukken. De meeteenheid mag op het teken worden aangegeven.

7. Teken dat een aanbevolen route aanduidt voor zware voertuigen

G,18 AANBEVOLEN ROUTE VOOR ZWARE VOERTUIGEN

8. Teken dat een noodspoor aanduidt

Teken G,19 NOODSPOOR dient te worden gebruikt om een noodspoor aan te geven op een steile helling. Dit teken, voorzien van een bord dat de afstand tot het noodspoor aanduidt, dient te worden geplaatst in combinatie met teken A,2 bovenaan de helling, daar waar de gevarenzone begint en bij de ingang van het noodspoor. Al naar gelang van de lengte van de helling dient het teken waar nodig te worden herhaald, en ook hier te worden voorzien van een bord dat de afstand aanduidt.

Het symbool kan variëren overeenkomstig de ligging van het noodspoor in verhouding tot de desbetreffende weg.

9. Tekens die een voetgangersbrug of voetgangerstunnel aanduiden

a. Teken G,20 wordt gebruikt om een voetgangersbrug of voetgangerstunnel aan te duiden.

b. Teken G,21 wordt gebruikt om een brug of tunnel zonder treden aan te duiden. Het teken voor gehandicapten mag op dit teken tevens worden gebruikt.

10. Tekens die een afrit van een autosnelweg aangeven (voorwegwijzers)

Tekens G,22a, G,22b en G,22c zijn voorbeelden van vooraanduidingstekens (voorwegwijzers) om een afrit van een autosnelweg aan te geven. Op deze tekens dient een aanduiding van de afstand tot aan de afrit te staan, overeenkomstig de nationale wetgeving; tekens met respectievelijk een en twee schuine banen worden geplaatst op eenderde en tweederde van de afstand tussen het teken met drie schuine banen en de afrit van de autosnelweg.

11. Tekens die nooduitgangen aanduiden

a. Tekens G,23a en G,23b duiden de plaats van nooduitgangen aan.

b. Tekens G,24a, G,24b en G,24c zijn voorbeelden van tekens voor de aanduiding van de richting en afstand van de dichtstbijzijnde nooduitgangen. In tunnels dienen deze op een afstand van ten hoogste 50 m uit elkaar en op een hoogte van 1 à 1,5 m op de zijmuren te worden aangebracht.

c. Tekens G,23 en G,24 hebben een groene achtergrond en de symbolen, pijlen en afstandsaanduidingen zijn wit of licht van kleur.

DEEL H. Onderborden

1

Deze borden hebben hetzij een wit of geel vlak met een zwarte, donkerblauwe of rode rand, waarbij de afstand of lengte of het symbool in zwart of donkerblauw worden aangebracht, hetzij een zwart of donkerblauw vlak met een witte, gele of rode rand, waarbij de afstand of lengte of het symbool in wit of geel worden aangebracht.

2

a. De onderborden H,1 duiden de afstand aan tussen het teken en het begin van het gevaarlijke weggedeelte of van de zone waarop het voorschrift van toepassing is.

b. De onderborden H,2 duiden de lengte aan van het gevaarlijke weggedeelte of van de zone waarop het voorschrift van toepassing is.

c. De onderborden worden geplaatst onder de tekens. Bij gevaarstekens van model Ab mag de op de onderborden te verstrekken informatie evenwel worden aangebracht op het onderste gedeelte van het teken.

3

De onderborden H,3 en H,4, betreffende parkeerverboden of -beperkingen zijn de modellen H,3a, H,3b en H,4c, respectievelijk H,4a, H,4b en H,4c. (Zie DEEL C, paragraaf 9, onder c, van deze Bijlage).

4

De toepassing van tekens die een bepaald voorschrift inhouden kan worden beperkt tot een specifieke categorie weggebruikers door middel van plaatsing van het symbool van de desbetreffende categorie. Bijvoorbeeld H,5a en H,5b.

Ingeval het teken dat een bepaald voorschrift inhoudt op een bepaalde categorie weggebruikers niet van toepassing is, wordt zulks aangegeven door middel van het symbool van de bedoelde categorie en het woord ,uitgezonderd’, in de taal van het desbetreffende land. Bijvoorbeeld: H6. Indien nodig mag het symbool worden vervangen door een opschrift in de landstaal.

5

Om aan te duiden dat parkeerplaatsen zijn voorbehouden aan gehandicapten, wordt bord H,7 gebruikt in combinatie met tekens C,18 of E,14.

6

Het onderbord H,8 toont een diagram van de kruising waarop brede stroken voorrangswegen aanduiden en smalle stroken de wegen waarlangs tekens B,1 of B,2 zijn geplaatst.

7

Om aan te duiden dat het komende weggedeelte glad is vanwege ijzel of sneeuw, wordt onderbord H,9 gebruikt.

NOOT BETREFFENDE DE GEHELE BIJLAGE I: In landen waar het verkeer links houdt, worden de tekens en/of symbolen naar gebruik in spiegelbeeld aangebracht.

HOOFDSTUK I. Algemeen

HOOFDSTUK II. Tekens in de lengterichting van de weg

HOOFDSTUK III. Tekens dwars op de weg

HOOFDSTUK IV. Andere tekens op het wegdek

DIAGRAMMEN VAN BIJLAGE 8

IN WITNESS WHEREOF the undersigned Plenipotentiaries, being duly authorized by their respective Governments, have signed this Convention.

DONE at Vienna, this eight day of November, one thousand nine hundred and sixty-eight.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)