← Geldende tekst · Geschiedenis

Overeenkomst tot oprichting van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, gedaan te Khartoem op 4 augustus 1963, zoals gewijzigd bij Resolutie 05-79 aangenomen door de Raad van Bestuur op 17 mei 1979

Geldende tekst a fecha 2002-07-05

De Regeringen namens wie deze Overeenkomst is ondertekend,

Vastbesloten de Afrikaanse solidariteit te versterken door middel van economische samenwerking tussen Afrikaanse Staten,

Overwegend de noodzaak van een versnelling van de ontplooiing en ontginning van respectievelijk de omvangrijke menselijke hulpbronnen en natuurlijke rijkdommen van Afrika ten einde de economische ontwikkeling en de sociale vooruitgang in dat gebied te stimuleren,

Zich rekenschap gevend van het belang van een coördinatie van nationale plannen voor economische en sociale ontwikkeling voor de bevordering van de harmonische groei van de Afrikaanse economieën in hun geheel en voor de uitbreiding van de Afrikaanse buitenlandse handel en inzonderheid de handel tussen de Afrikaanse landen,

Beseffend dat de oprichting van een financiële instelling voor alle Afrikaanse landen gezamenlijk, zou bijdragen tot de verwezenlijking van deze doeleinden,

Ervan overtuigd dat een deelgenootschap van Afrikaanse en niet-Afrikaanse landen via een zodanige instelling een extra toestroming van internationaal kapitaal zal vergemakkelijken voor de economische ontwikkeling en sociale vooruitgang van het gebied, tot wederzijds voordeel van alle partijen bij deze Overeenkomst,

Zijn overeengekomen hierbij op te richten de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (hierna te noemen „de Bank”), waarop de onderstaande bepalingen van toepassing zijn:

HOOFDSTUK I. DOEL, TAKEN, LIDMAATSCHAP EN STRUCTUUR

Artikel 1. Doel

Het doel van de Bank is bij te dragen tot de duurzame economische ontwikkeling en de sociale vooruitgang van haar regionale leden – afzonderlijk en tezamen.

Artikel 2. Taken
1.

Om aan haar doel te beantwoorden, vervult de Bank de volgende taken:

2.

Bij het vervullen van haar taken streeft de Bank naar samenwerking met nationale, regionale en subregionale ontwikkelingsinstellingen in Afrika. Met hetzelfde oogmerk dient zij samen te werken met andere internationale organisaties die een soortgelijk doel nastreven en met andere instellingen die zich bezig houden met de ontwikkeling van Afrika.

3.

De Bank wordt bij al haar besluiten geleid door het bepaalde in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst.

Artikel 3. Lidmaatschap en geografisch gebied
1.

Elk Afrikaans land dat de status van onafhankelijk land heeft, kan regionaal lid van de Bank worden. Het verwerft het lidmaatschap overeenkomstig artikel 64, eerste of tweede lid, van deze Overeenkomst.

2.

Het geografisch gebied waarover het regionale lidmaatschap en de ontwikkelingsactiviteiten van de Bank zich kunnen uitstrekken (in deze Overeenkomst te noemen „Afrika” of „Afrikaans”, naar gelang het zinsverband vereist), omvat het Afrikaanse continent en de Afrikaanse eilanden.

3.

Niet-regionale landen die lid van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds zijn of worden, of die bijdragen aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds hebben verstrekt of verstrekken op voorwaarden en bedingen die gelijksoortig zijn aan de voorwaarden en bedingen van de Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds, kunnen ook tot de Bank worden toegelaten op tijdstippen en ingevolge algemene regels als door de Raad van Bestuur vast te stellen. Zodanige algemene regels kunnen alleen worden gewijzigd bij besluit van de Raad van Bestuur met een twee derde meerderheid van het totale aantal bestuurders, met inbegrip van twee derde van de bestuurders van niet-regionale leden, die niet minder dan drie vierde van het totale aantal stemmen van de Lid-Staten vertegenwoordigen.

Artikel 4. Structuur

De Bank heeft een Raad van Bestuur, een College van Bewindvoerders, een president, ten minste een vice-president en andere leidinggevende functionarissen en employés die taken zullen verrichten als door de Bank bepaald.

HOOFDSTUK II. KAPITAAL

Artikel 5. Maatschappelijk kapitaal
2.

Het maatschappelijk kapitaal wordt verdeeld in volgestorte aandelen en niet-volgestorte aandelen. De verhouding tussen de volgestorte en de niet-volgestorte aandelen wordt van tijd tot tijd vastgesteld door de Raad van Bestuur. Storting van de niet-volgestorte aandelen kan worden verzocht voor het doel omschreven in artikel 7, vierde lid, onderdeel a, van deze Overeenkomst.

3.

Behoudens het bepaalde in het vierde lid van dit artikel kan het maatschappelijk kapitaal worden verhoogd telkens wanneer de Raad van Bestuur zulks wenselijk acht. Tenzij het kapitaal alleen wordt verhoogd ten behoeve van de aanvankelijke eerste inschrijving van een lid, wordt het besluit van de Raad genomen met een twee derde meerderheid van het totale aantal bestuurders die niet minder dan drie vierde van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigen.

4.

Het maatschappelijk kapitaal en verhogingen daarvan worden voor inschrijving toegewezen aan regionale en niet-regionale leden in een zodanige verhouding dat de onderscheiden groepen voor inschrijving beschikken over een zodanig aantal aandelen dat, indien daarop volledig zou worden ingeschreven, daardoor de regionale leden zestig procent van het totale aantal stemmen zouden hebben en niet-regionale leden veertig procent van het totale aantal stemmen.

Artikel 6. Inschrijving op aandelen
1.

Ieder lid schrijft aanvankelijk in op de aandelen van het kapitaal van de Bank. De aanvankelijke inschrijving van elk lid bestaat uit een gelijk aantal volgestorte en niet-volgestorte aandelen. Het aantal aandelen waarop aanvankelijk dient te worden ingeschreven door een Staat die het lidmaatschap verwerft overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van deze Overeenkomst is het aantal dat voor deze Staat is vastgelegd in bijlage A bij deze Overeenkomst, die een integrerend deel hiervan vormt. Het aantal aandelen waarop aanvankelijk dient te worden ingeschreven door andere leden wordt bepaald door de Raad van Bestuur.

2.

In geval van een verhoging van het kapitaal voor een ander doel dan alleen voor een aanvankelijke inschrijving van een lid, heeft elk lid het recht in te schrijven, op door de Raad van Bestuur vast te stellen eenvormige voorwaarden en bedingen, voor een gedeelte van de verhoging van het kapitaal naar verhouding van het gedeelte dat zijn aandelen waarop hij tot dan heeft ingeschreven vormen in het totale kapitaal van de Bank. De leden zijn echter niet verplicht in te schrijven op een gedeelte van zulk een verhoogd kapitaal.

3.

Een lid kan de Bank verzoeken zijn inschrijving te verhogen op door de Raad van Bestuur vast te stellen voorwaarden en bedingen.

4.

Aandelen in het kapitaal waarop aanvankelijk was ingeschreven door Staten die het lidmaatschap verwerven overeenkomstig artikel 64, eerste lid, van deze Overeenkomst, worden uitgegeven tegen de pari-waarde, tenzij de Raad van Bestuur in bijzondere omstandigheden besluit deze op andere voorwaarden uit te geven.

5.

De aansprakelijkheid uit hoofde van het aandelenbezit is beperkt tot het niet betaalde gedeelte van de prijs van uitgifte.

6.

De aandelen worden op generlei wijze verpand of bezwaard. Zij zijn slechts overdraagbaar aan de Bank.

Artikel 7. Betaling van de inschrijving
2.

De betalingen van de bedragen in het volgestorte kapitaal waarop aanvankelijk door de leden van de Bank is ingeschreven, dienen te worden verricht in convertibele valuta. De Raad van Bestuur stelt de wijze van betaling vast van andere bedragen van het volgestorte kapitaal waarop door de leden is ingeschreven.

3.

De Raad van Bestuur stelt de data vast voor de betaling van bedragen van het volgestorte kapitaal, waarop door de leden van de Bank is ingeschreven, waarop het bepaalde in het eerste lid van dit artikel niet van toepassing is.

5.

De Bank bepaalt de plaats voor betalingen ingevolge dit artikel, met dien verstande dat tot het tijdstip van de eerste vergadering van haar Raad van Bestuur, bepaald in artikel 66 van deze Overeenkomst, de betaling van de eerste termijn, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dient te geschieden aan de Trustee, bedoeld in artikel 66.

Artikel 8. Bijzondere fondsen
1.

De Bank kan overgaan tot het instellen, of worden belast met het beheer, van Bijzondere Fondsen, waarvan de bedoeling is, dat zij bijdragen tot de verwezenlijking van haar doelstellingen die binnen haar arbeidsterrein vallen. Zij kan de middelen behorend tot zodanige Bijzondere Fondsen ontvangen, bezitten, gebruiken, vastleggen of op andere wijze daarover beschikken.

2.

De middelen van zodanige Bijzondere Fondsen dienen afzonderlijk en gescheiden te worden gehouden van de gewone kapitaalmiddelen van de Bank overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van deze Overeenkomst.

3.

De Bank stelt de bijzondere regels en voorschriften vast die nodig zijn voor het beheer en het gebruik van elk Bijzonder Fonds, altijd met dien verstande dat:

Artikel 9. Gewone kapitaalmiddelen

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder de uitdrukking „gewone kapitaalmiddelen” van de Bank mede verstaan:

Artikel 10. Bijzondere middelen
1.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt met de uitdrukking „bijzondere middelen” bedoeld de middelen van de Bijzondere Fondsen en wordt daaronder mede verstaan:

2.

Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder de uitdrukking „bijzondere middelen toebehorend aan een Bijzonder Fonds” mede verstaan de middelen, fondsen en inkomsten die in het voorgaande lid worden bedoeld en die - naar gelang het geval - worden bijgedragen aan, geleend of ontvangen door, zijn toegekomen aan of ter beschikking staan van het desbetreffende Bijzondere Fonds overeenkomstig de regels en voorschriften die op dat Bijzondere Fonds van toepassing zijn.

Artikel 11. Scheiding van middelen
1.

De gewone kapitaalmiddelen en de bijzondere middelen van de Bank worden te allen tijde en in alle opzichten volledig van elkaar gescheiden gehouden, gebruikt, belast, belegd of anderszins aangewend. Elk Bijzonder Fonds, de middelen en rekeningen daarvan worden volledig gescheiden gehouden van andere Bijzondere Fondsen en de middelen en rekeningen daarvan.

2.

De gewone kapitaalmiddelen van de Bank mogen in geen geval worden belast met, of gebruikt worden tot betaling van verliezen of verplichtingen, voortvloeiend uit werkzaamheden of andere activiteiten van een Bijzonder Fonds. Bijzondere middelen, behorend tot een Bijzonder Fonds mogen in geen geval worden belast met of gebruikt worden tot betaling van verliezen of verplichtingen voortvloeiend uit werkzaamheden of andere activiteiten van de Bank, gefinancierd uit haar gewone kapitaalmiddelen of uit bijzondere middelen die aan een ander Bijzonder Fonds toebehoren.

3.

Bij de werkzaamheden en andere activiteiten van een Bijzonder Fonds wordt de aansprakelijkheid van de Bank beperkt tot de bijzondere middelen, toebehorend aan dat Bijzondere Fonds, die de Bank ter beschikking staan.

HOOFDSTUK III. WERKZAAMHEDEN

Artikel 12. Gebruik der middelen

De middelen en faciliteiten van de Bank worden uitsluitend gebruikt om het doel te bereiken en de taken te vervullen, geregeld in de artikelen 1 en 2 van deze Overeenkomst.

Artikel 13. Gewone en bijzondere werkzaamheden
1.

De werkzaamheden van de Bank bestaan uit gewone werkzaamheden en bijzondere werkzaamheden.

2.

De gewone werkzaamheden zijn die welke worden gefinancierd uit de gewone kapitaalmiddelen van de Bank.

3.

De bijzondere werkzaamheden zijn die welke worden gefinancierd uit de bijzondere middelen.

4.

In de financiële verslagen van de Bank worden de gewone en de bijzondere werkzaamheden van de Bank gescheiden opgenomen. De Bank stelt de andere regels en voorschriften vast die nodig kunnen zijn om de feitelijke scheiding van de twee soorten werkzaamheden te verzekeren.

5.

Uitgaven die rechtstreeks verband houden met de gewone werkzaamheden worden ten laste gebracht van de gewone kapitaalmiddelen van de Bank; uitgaven die rechtstreeks verband houden met bijzondere werkzaamheden worden ten laste gebracht van de desbetreffende bijzondere middelen. Andere uitgaven worden verantwoord op door de Bank te bepalen wijze.

Artikel 14. Ontvangers en werkwijzen
1.

Bij haar werkzaamheden kan de Bank zorgen voor of bemiddeling verlenen bij het verschaffen van gelden aan een regionaal lid, een staatkundig onderdeel of orgaan daarvan of aan een instelling of onderneming op het grondgebied van een regionaal lid, alsmede aan internationale of regionale organen of instellingen die zich bezighouden met de ontwikkeling van Afrika. Onder voorbehoud van de bepalingen van dit hoofdstuk kan de Bank haar werkzaamheden uitvoeren op de volgende wijzen:

2.

De bepalingen van deze Overeenkomst die van toepassing zijn op rechtstreekse leningen die de Bank kan verstrekken ingevolge letter a of b van het voorgaande lid zijn ook van toepassing op haar deelneming in een rechtstreekse lening aangegaan ingevolge een van deze letters. De bepalingen van deze Overeenkomst die van toepassing zijn op ingevolge letter d van het voorgaande lid door de Bank gegeven garanties van leningen zijn eveneens van toepassing wanneer de Bank slechts een gedeelte van een zodanige lening garandeert.

Artikel 15. Beperkingen ten aanzien van de werkzaamheden
1.

Het totale uitstaande bedrag met betrekking tot de gewone werkzaamheden van de Bank mag nooit groter zijn dan het totale bedrag van haar onbezwaarde geplaatste kapitaal, reserves en overschotten begrepen in haar gewone kapitaalmiddelen.

2.

Het totale uitstaande bedrag met betrekking tot de bijzondere werkzaamheden van de Bank in verband met een Bijzonder Fonds mag nooit groter zijn dan het totale bedrag van de tot dat Bijzondere Fonds behorende onbezwaarde bijzondere middelen.

3.

Met betrekking tot leningen die worden verstrekt uit door de Bank geleende fondsen en waarop de verplichting gevolg te geven aan de in artikel 7, vierde lid, letter a, van deze Overeenkomst geregelde verzoeken om betaling van toepassing is, mag het totale bedrag van de hoofdsom dat uitstaat en betaalbaar is aan de Bank in een bepaalde valuta nooit hoger zijn dan het totale bedrag van de hoofdsom dat uitstaat ten aanzien van door de Bank geleende fondsen die in dezelfde valuta betaalbaar zijn.

Artikel 16. Beschikbaarstelling van valuta's voor rechtstreekse leningen

Bij het verstrekken van rechtstreekse leningen verschaft de Bank de leningnemer andere valuta's dan de valuta van het lid op het grondgebied waarvan het desbetreffende project moet worden uitgevoerd (deze laatste valuta te noemen „lokale valuta”) die nodig zijn om de uitgaven in deviezen van dat project te dekken; altijd met dien verstande dat de Bank, bij het verstrekken van rechtstreekse leningen, gelden ter beschikking kan stellen teneinde lokale uitgaven voor het desbetreffende project te dekken:

Artikel 17. Beginselen welke bij de werkzaamheden in acht dienen te worden genomen
1.

De Bank laat zich bij de uitvoering van haar werkzaamheden door de volgende beginselen leiden:

2.

De Bank stelt de regels en voorschriften vast die nodig zijn voor de bestudering van aan haar voorgelegde projecten.

Artikel 18. Voorwaarden voor rechtstreekse leningen en garanties
1.

In geval van rechtstreekse leningen die door de Bank worden verstrekt;

2.

In het geval van door de Bank gegarandeerde leningen:

3.

In geval van rechtstreekse leningen die door de Bank worden verstrekt:

Artikel 19. Provisie en vergoedingen

Vervallen

Artikel 20. Bijzondere reserve

Vervallen

Artikel 21. Wijzen waarop de Bank haar verplichtingen nakomt (Gewone werkzaamheden)
1.

Steeds wanneer dit nodig is om de contractuele betalingen van rente, andere lasten of aflossing op door de Bank opgenomen leningen te betalen of haar verplichtingen na te komen met betrekking tot overeenkomstige bepalingen ten aanzien van leningen die door de Bank zijn gegarandeerd en die ten laste komen van de gewone kapitaalmiddelen van de Bank, kan de Bank krachtens artikel 7, vierde lid, van deze Overeenkomst betaling verzoeken van een passend deel van het niet betaalde, ingeschreven, niet-volgestorte kapitaal.

2.

In geval van in gebreke blijven der debiteuren ten aanzien van een lening die door de Bank ais deel van haar gewone werkzaamheden is verstrekt uitgeleende fondsen of is gegarandeerd, kan de Bank, indien zij van mening is dat betaling lange tijd kan uitblijven, betaling vorderen van een extra bedrag van dat niet-volgestorte kapitaal, dat echter in een bepaald jaar niet meer dan één procent van het totaal der inschrijvingen van de leden op dat kapitaal mag bedragen, ten einde:

Artikel 22. Wijzen waarop de verplichtingen worden nagekomen met betrekking tot leningen voor Bijzondere Fondsen

Betalingen om te voldoen aan verplichtingen met betrekking tot leningen van fondsen ter opneming in de bijzondere middelen die aan een Bijzonder Fonds toebehoren, komen ten laste van:

HOOFDSTUK IV. BEVOEGDHEID TOT HET AANGAAN VAN LENINGEN EN ANDERE BIJKOMENDE BEVOEGDHEDEN

Artikel 23. Algemene bevoegdheden

Naast de elders in deze Overeenkomst bepaalde bevoegdheden, is de Bank bevoegd:

Artikel 24. Bevoegdheid inzake bijzondere leningen
1.

De Bank kan een regionaal lid verzoeken bedragen van zijn valuta aan de Bank te lenen ter financiering van uitgaven voor goederen of diensten, geproduceerd in het grondgebied van dat lid ten behoeve van een in het grondgebied van een ander lid uit te voeren project.

2.

Tenzij het betrokken regionale lid aanvoert dat het van oordeel is dat naar het zich laat aanzien economische en financiële moeilijkheden zullen ontstaan of bestaande zullen toenemen door het verstrekken van een zodanige lening aan de Bank, voldoet dat lid aan het verzoek van de Bank. De lening wordt verstrekt voor een met de Bank overeen te komen tijdvak, dat in verhouding staat tot de duur van het project dat met de opbrengst van de lening zal worden gefinancierd.

3.

Tenzij het regionale lid anders overeenkomt, mag het totale uitstaande bedrag van zijn aan de Bank ingevolge dit artikel verstrekte leningen nooit groter zijn dan de tegenwaarde van het bedrag van zijn inschrijving op het kapitaal van de Bank.

4.

Over ingevolge dit artikel aan de Bank verstrekte leningen is rente verschuldigd, die door de Bank aan het leningverstrekkende lid moet worden betaald, volgens een rentevoet die overeenkomt met de gemiddelde door de Bank betaalde rentevoet voor door haar opgenomen leningen voor Bijzondere Fondsen gedurende een tijdvak van een jaar, voorafgaand aan de sluiting van de leningsovereenkomst. Deze rentevoet mag in geen geval hoger zijn dan een maximum dat de Raad van Bestuur van tijd tot tijd vaststelt.

5.

De Bank betaalt de lening terug en betaalt de verschuldigde rente in de valuta van het lid dat de lening heeft verstrekt of in een voor dat lid aanvaardbare valuta.

6.

Alle middelen die de Bank verkrijgt uit hoofde van het bepaalde in dit artikel vormen een Bijzonder Fonds.

Artikel 25. Waarschuwing die dient te worden geplaatst op de waardepapieren

Ieder waardepapier dat door de Bank is uitgegeven of gegarandeerd draagt op de voorzijde duidelijk zichtbaar een verklaring inhoudende dat het geen schuldverplichting van enige Regering is, tenzij dit wel het geval is, in welk geval het dient te worden vermeld.

Artikel 26. Waardebepaling van valuta's en vaststelling convertibiliteit

Telkens wanneer het ingevolge deze Overeenkomst nodig is:

wordt een dergelijke bepaling of vaststelling op redelijke wijze verricht door de Bank na overleg met het Internationaal Monetair Fonds.

Artikel 27. Gebruik van valuta’s
1.

Leden mogen geen beperkingen handhaven of opleggen aan het houden of gebruiken door de Bank of door een gemachtigde van de Bank, voor betalingen in enig land van:

2.

Leden mogen geen beperkingen handhaven of opleggen aan het houden of gebruiken door de Bank of door enige gemachtigde van de Bank, voor betaling in enig land, van valuta van een lid die door de Bank is ontvangen en niet valt onder de bepalingen van het vorige lid, tenzij:

3.

De leden mogen geen beperkingen handhaven of opleggen aan het houden of het gebruik door de Bank ter betaling van aflossingen of voor het doen van vervroegde betalingen of voor het - geheel of ten dele - terugkopen van haar schuldverplichtingen, van valuta's die de Bank heeft ontvangen als terugbetaling van uit haar gewone kapitaalmiddelen verstrekte rechtstreekse leningen.

4.

De Bank gebruikt geen valuta's waarvan zij houdster is voor de aankoop van andere valuta's van haar leden, behalve:

Artikel 28. Handhaving van de waarde van de valuta die de Bank onder haar berusting heeft
1.

Steeds wanneer de pari-waarde van de valuta van een lid wordt verminderd in verhouding tot de rekeneenheid omschreven in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van deze Overeenkomst, of haar buitenlandse waarde naar de mening van de Bank in aanmerkelijke mate is gedeprecieerd, betaalt dat lid binnen een redelijke termijn een bedrag van zijn valuta aan de Bank, vereist om de waarde te handhaven van de valuta die de Bank onder haar berusting heeft op grond van zijn inschrijving.

2.

Steeds wanneer de pari-waarde van de valuta van een lid wordt verhoogd in verhouding tot de genoemde rekeneenheid of haar buitenlandse waarde naar de mening van de Bank in aanmerkelijke mate is gestegen, betaalt de Bank binnen een redelijke termijn een bedrag van die valuta aan dat lid, vereist om de waarde aan te passen van de valuta die de Bank onder haar berusting heeft op grond van zijn inschrijving.

3.

De Bank, in het geval voorzien in het eerste lid, of het lid, in het geval voorzien in het tweede lid, kan afstand doen van haar respectievelijk zijn rechten uit hoofde van dit artikel.

HOOFDSTUK V. ORGANISATIE EN BESTUUR

Artikel 29. Raad van Bestuur: bevoegdheden
1.

Alle bevoegdheden van de Bank berusten bij de Raad van Bestuur. De Raad geeft met name algemene richtlijnen inzake het kredietbeleid van de Bank.

2.

De Raad van Bestuur kan aan het College van Bewindvoerders al zijn bevoegdheden overdragen, met uitzondering van de bevoegdheid:

3.

De Raad van Bestuur behoudt de volledige bevoegdheid gezag uit te oefenen over aangelegenheden die ingevolge het bepaalde in het tweede lid van dit artikel zijn overgedragen aan het College van Bewindvoerders.

Artikel 30. Raad van Bestuur: samenstelling
1.

Ieder lid is vertegenwoordigd in de Raad van Bestuur en benoemt een bestuurder en een plaatsvervanger. Dezen dienen hoogst bekwame personen te zijn met een ruime ervaring in economische en financiële aangelegenheden en dienen onderdaan van de Lidstaten te zijn. Elke bestuurder en plaatsvervanger bekleedt zijn functie vijf jaar, behoudens beëindiging van de aanstelling te eniger tijd, of herbenoeming, indien het lid dat hem heeft benoemd daartoe besluit. Een plaatsvervanger heeft geen stemrecht, behalve bij afwezigheid van zijn principaal. Op de jaarvergadering benoemt de Raad van Bestuur een van zijn leden tot voorzitter. De Voorzitter bekleedt zijn functie tot de verkiezing van de volgende voorzitter op de volgende jaarvergadering van de Raad, tenzij de Raad van Bestuur anders besluit.

2.

Bestuurders en plaatsvervangers bekleden hun functies zonder beloning van de Bank, doch de Bank kan hun een redelijke vergoeding geven voor de kosten, gemaakt in verband met het bijwonen van de vergaderingen.

Artikel 31. Raad van Bestuur: procedure
1.

De Raad van Bestuur houdt een jaarvergadering en alle andere vergaderingen die de Raad nodig acht of door het College van Bewindvoerders worden bijeengeroepen. Vergaderingen van de Raad van Bestuur worden door het College van Bewindvoerders bijeengeroepen, wanneer daarom door vijf leden van de Bank, of door leden die een vierde van het totaal aantal stemmen van de leden bezitten, wordt verzocht. De jaarvergaderingen van de Raad van Bestuur worden gehouden in regionale en niet-regionale lidstaten.

2.

Een quorum voor een vergadering van de Raad van Bestuur wordt gevormd door een meerderheid van het totale aantal bestuurders of hun plaatsvervangers, die ten minste zeventig procent van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigt.

3.

De Raad van Bestuur kan volgens een nader te bepalen regeling een procedure vaststellen, waarbij het College van Bewindvoerders, wanneer het dit raadzaam acht, een beslissing van de bestuurders ten aanzien van een bepaald vraagstuk kan verkrijgen zonder een vergadering van de Raad bijeen te roepen.

4.

De Raad van Bestuur en, voor zover het daartoe is gemachtigd, het College van Bewindvoerders, kunnen de filialen instellen en de regels en voorschriften vaststellen, die nodig of dienstig zijn voor de uitoefening door de Bank van haar werkzaamheden.

Artikel 32. College van Bewindvoerders: bevoegdheden

Onverminderd de bevoegdheden van de Raad van Bestuur, bepaald in artikel 29 van deze Overeenkomst, is het College van Bewindvoerders verantwoordelijk voor de uitvoering van de algemene werkzaamheden van de Bank en dient daartoe, naast de bevoegdheden die uitdrukkelijk in deze Overeenkomst aan dit College zijn voorbehouden, alle bevoegdheden uit te oefenen die door de Raad van Bestuur daaraan zijn overgedragen, en in het bijzonder:

Artikel 33. College van Bewindvoerders: samenstelling
1.

Het College van Bewindvoerders bestaat uit achttien leden, die geen bestuurder of plaatsvervanger mogen zijn. Twaalf leden worden gekozen door de bestuurders van de regionale leden en zes leden worden gekozen door de bestuurders van de niet-regionale leden. Zij worden door de Raad van Bestuur gekozen overeenkomstig Bijlage B bij deze Overeenkomst. Bij de verkiezing van het College van Bewindvoerders houdt de Raad van Bestuur terdege rekening met de hoge mate van bekwaamheid in economische en financiële aangelegenheden die voor de functie is vereist. De Raad van Bestuur kan slechts besluiten tot wijziging van het aantal leden van het College van Bewindvoerders met een drie vierde meerderheid van het totale aantal stemmen van de lidlanden, die, met betrekking tot bepalingen die uitsluitend betrekking hebben op het aantal en de verkiezing van bewindvoerders door regionale lid-landen, een twee derde meerderheid van de bestuurders van de regionale leden omvat, en met betrekking tot de bepalingen die uitsluitend betrekking hebben op het aantal en de verkiezing van bewindvoerders door niet-regionale lid-landen, een twee derde meerderheid - van de bestuurders van de niet-regionale leden omvat.

2.

Iedere bewindvoerder wijst een plaatsvervanger aan, die voor hem optreedt wanneer hij niet aanwezig is. De bewindvoerders en hun plaatsvervangers dienen onderdanen van Lid-Staten te zijn, doch een plaatsvervanger echter mag niet dezelfde nationaliteit hebben als zijn principaal. Een plaatsvervanger mag deelnemen aan vergaderingen van het College, maar mag alleen zijn stem uitbrengen wanneer hij optreedt in de plaats van zijn principaal.

3.

De bewindvoerders worden gekozen voor een termijn van drie jaar en kunnen, met inachtneming van de beperkingen vervat in het vierde lid van dit artikel, worden herkozen. Zij blijven in functie totdat hun opvolger is gekozen. Indien de functie van een bewindvoerder meer dan 180 dagen voor het einde van zijn ambtsperiode openvalt, wordt door de Raad van Bestuur op zijn volgende vergadering overeenkomstig Bijlage B bij deze Overeenkomst een opvolger gekozen voor het resterende deel van de ambtstermijn. Zolang de functie onvervuld blijft, oefent de plaatsvervanger van de vorige bewindvoerder de rechten van de laatste uit, behalve het recht een plaatsvervanger te benoemen.

4.

Bewindvoerders mogen ten hoogste twee ambtstermijnen van elk drie jaar zitting nemen in het College van Bewindvoerders. Een bewindvoerder wiens ambtstermijn aanvangt tussen twee algemene verkiezingen komt in aanmerking te worden gekozen voor een termijn van in totaal ten hoogste zes jaar te rekenen vanaf de datum van zijn eerste verkiezing; hierbij geldt te allen tijde dat een bewindvoerder die ten tijde van zijn verkiezing twee ambtstermijnen van elk drie jaar heeft vervuld als plaatsvervangend bewindvoerder niet in aanmerking komt voor herverkiezing.

Artikel 34. College van Bewindvoerders: procedure
1.

Het College van Bewindvoerders is in permanente zitting bijeen op het hoofdkantoor van de Bank en vergadert zo vaak als de werkzaamheden van de Bank dit vereisen.

2.

Een quorum voor een vergadering van het College van Bewindvoerders wordt gevormd door een meerderheid van het totale aantal bewindvoerders die ten minste zeventig procent van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigt.

3.

De Raad van Bestuur stelt regels vast volgens welke een lid, indien er geen bewindvoerder van zijn nationaliteit is, vertegenwoordigd kan zijn op een vergadering van het College van Bewindvoerders wanneer wordt beraadslaagd over een verzoek gedaan door dat lid, of over een vraagstuk waarbij dat lid ten nauwste is betrokken.

Artikel 35. Stemrecht
1.

Ieder lid heeft 625 stemmen en daarnaast één stem voor elk aandeel van dat lid in het kapitaal van de Bank, met dien verstande evenwel dat in verband met een verhoging van het maatschappelijk kapitaal de Raad van Bestuur kan bepalen dat aan het maatschappelijk kapitaal van een zodanige verhoging geen stemrecht verbonden is en dat een zodanige verhoging van het kapitaal niet is onderworpen aan de rechten van voorkoop vastgelegd in artikel 6, tweede lid, van deze Overeenkomst.

2.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in deze Overeenkomst, geschieden stemmingen in de Raad van Bestuur als omschreven in dit artikel. Elke bestuurder is gerechtigd de stemmen uit te brengen van het lid dat hij vertegenwoordigt. Alle besluiten van de Raad van Bestuur worden over het algemeen genomen met een meerderheid van zesenzestig tweederde procent van het totale aantal stemmen van de leden die vertegenwoordigd zijn tijdens de vergadering, met dien verstande dat over een aangelegenheid waarvan een lid heeft verklaard dat deze van groot belang is en een substantieel belang van dat lid betreft, op verzoek van dat lid met een meerderheid van zeventig procent van het totale aantal stemmen wordt besloten.

3.

Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in deze Overeenkomst, geschieden stemmingen in het College van Bewindvoerders als omschreven in dit artikel. Iedere bewindvoerder is gerechtigd het aantal stemmen uit te brengen dat hij bij zijn verkiezing op zich heeft verenigd; deze stemmen dienen als een eenheid te worden uitgebracht. Alle besluiten van het College van Bewindvoerders worden over het algemeen genomen met een meerderheid van zesenzestig tweederde procent van het totale aantal stemmen van de leden die vertegenwoordigd zijn tijdens de vergadering, met dien verstande dat over een aangelegenheid waarvan een lid heeft verklaard dat deze van groot belang is en een substantieel belang van dat lid betreft, op verzoek van dat lid met een meerderheid van zeventig procent van het totale aantal stemmen wordt besloten.

Artikel 36. De president: benoeming
1.

De Raad van Bestuur kiest met een meerderheid van het totale aantal stemmen van de leden, met inbegrip van een meerderheid van het totale aantal stemmen van de regionale leden, de president van de Bank. Hij dient een hoogst bekwaam persoon te zijn in aangelegenheden betreffende de activiteiten, het beheer en bestuur van de Bank en hij dient een onderdaan van een regionale lidstaat te zijn. Gedurende zijn ambtstermijn mag hij noch bestuurder, noch bewindvoerder noch plaatsvervanger van dezen zijn. De ambtstermijn van de president is vijf jaar. Deze termijn kan worden verlengd, met dien verstande dat geen enkele persoon mag worden gekozen of optreden als president gedurende meer dan twee opeenvolgende termijnen van elk vijf jaar. De president wordt geschorst in zijn functie of uit zijn ambt ontzet indien de Raad van Bestuur daartoe besluit met een meerderheid van het totale aantal stemmen van de leden, met inbegrip van een meerderheid van het totale aantal stemmen van de regionale leden. Nadat de president is geschorst of uit zijn ambt is ontzet, benoemt de Raad van Bestuur een president ad interim, of kiest, naar gelang van het geval, een nieuwe president.

2.

Na overleg met het Bureau roept de voorzitter van de Raad van Bestuur een vergadering van de Raad van Bestuur bijeen teneinde de schorsing van de president naar aanleiding van de schriftelijke verzoeken van ten minste vijf bestuurders die ten minste vijf kiesdistricten vertegenwoordigen in overweging te nemen.

Artikel 37. De functie van de president
1.

De president is voorzitter van het College van Bewindvoerders maar heeft, behoudens een beslissende stem in geval van staking der stemmen, geen stemrecht. Hij mag deelnemen aan vergaderingen van de Raad van Bestuur, maar heeft geen stemrecht.

2.

De president is het hoofd van het personeel van de Bank en leidt de lopende zaken volgens de aanwijzingen van het College van Bewindvoerders. Hij is verantwoordelijk voor de organisatie van het leidinggevend en ander personeel van de Bank, met inbegrip van de vice-presidenten, dat hij benoemt en ontslaat en wier arbeidsvoorwaarden hij vaststelt overeenkomstig de door de Bank gestelde voorschriften en regels, mits hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheden ten aanzien van de benoeming en het ontslag van vice-presidenten handelt in overleg met het College van Bewindvoerders.

3.

De president is de vertegenwoordiger van de Bank in rechten.

4.

De Bank stelt voorschriften vast, waarin wordt bepaald wie de Bank in rechten vertegenwoordigt en de andere taken van de president vervult ingeval deze afwezig is of zijn functie zou openvallen.

5.

Bij het aanstellen van leidinggevend en ander personeel is de allereerste overweging van de president dat hij de waarborging van een zo hoog mogelijk peil van doelmatigheid, technische bekwaamheid en integriteit verzekert; hij werft dit personeel aan op een zo breed mogelijke geografische basis, terdege rekening houdend met het regionale karakter van de Bank alsook met de deelneming van niet-regionale Staten.

Artikel 38. Verbod van politieke activiteit: het internationale karakter van de Bank
1.

De Bank aanvaardt geen leningen of bijstand die in enigerlei opzicht haar doeleinden of taken zouden schaden, beperken, daarvan zouden afwijken of deze anderszins zouden veranderen.

2.

De Bank, haar president, vice-presidenten, leidinggevend personeel en ander personeel dienen zich niet in de politieke aangelegenheden van een lid te mengen, noch zich bij hun beslissingen door het politieke karakter van het betrokken lid te beïnvloeden. Bij het nemen van hun beslissingen mogen zij zich uitsluitend door economische overwegingen laten leiden. Deze overwegingen worden onpartijdig tegen elkaar afgewogen, ten einde zodoende de doeleinden en de functies van de Bank te verwezenlijken.

3.

De president, vice-presidenten, leidinggevend personeel en ander personeel van de Bank staan bij het uitoefenen van hun functies uitsluitend in dienst van de Bank en stellen hun diensten aan geen enkele andere autoriteit ter beschikking. Ieder lid van de Bank eerbiedigt het internationale karakter van deze dienstbetrekking en onderneemt geen enkele poging een van hen in de uitoefening van zijn functie te beïnvloeden.

Artikel 39. Vestiging van de Bank
1.

Het hoofdkantoor van de Bank is gevestigd op het grondgebied van een regionale Lid-Staat. De keuze van de vestiging van het hoofdkantoor van de Bank geschiedt door de Raad van Bestuur tijdens zijn eerste vergadering, met inachtneming van de beschikbaarheid van voorzieningen voor de goede functionering van de Bank.

2.

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 35 van deze Overeenkomst wordt de keuze van de plaats van vestiging van het hoofdkantoor van de Bank door de Raad van Bestuur verricht overeenkomstig de voorwaarden van toepassing bij de aanvaarding van deze Overeenkomst.

3.

De Bank kan elders bijkantoren of agentschappen vestigen.

Artikel 40. Verbindingen met de Bank, plaatsen van bewaargeving
1.

Ieder lid wijst een bevoegde autoriteit aan, waarmee de Bank in verbinding kan treden over aangelegenheden die voortvloeien uit deze Overeenkomst.

2.

Ieder lid wijst zijn centrale bank, of een andere instelling waarmede de Bank instemt, aan als depot, waar de Bank haar bezit aan valuta van dat lid alsmede andere activa van de Bank kan bewaren.

3.

De Bank kan haar activa bewaren bij door het College van Bewindvoerders te bepalen plaatsen van bewaargeving.

Artikel 41. Publikatie van de Overeenkomst, voertalen, verstrekking van informatie en verslagen
1.

De Bank streeft ernaar de tekst van deze Overeenkomst en al haar belangrijke documenten beschikbaar te doen zijn in de voornaamste in Afrika gebruikte talen. Indien mogelijk zijn de voertalen van de Bank Afrikaanse talen, de Engelse en de Franse taal.

2.

De leden verstrekken de Bank alle informatie waarom zij deze verzoekt ten einde de vervulling van haar taken te vergemakkelijken.

3.

De Bank publiceert en doet aan haar leden toekomen een jaarverslag, bevattend een door accountants gecertifieerde balans en verlies- en winstrekening. Zij doet haar leden voorts ieder kwartaal een beknopt overzicht van haar financiële positie toekomen, alsmede een opgave van de winst en het verlies, waaruit het resultaat van haar werkzaamheden blijkt. Het jaarverslag en de kwartaaloverzichten worden opgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, vierde lid, van deze Overeenkomst.

4.

De Bank kan ook andere verslagen publiceren die zij voor de vervulling van haar doel en functies wenselijk acht. Deze verslagen worden aan de leden van de Bank toegezonden.

Artikel 42. Verdeling van het netto inkomen
1.

De Raad van Bestuur stelt jaarlijks vast welk deel van het netto bedrijfsresultaat van de Bank, inclusief het netto bedrijfsresultaat van haar Bijzondere Fondsen - na voorziening van de bijzondere reserves, wordt toegevoegd aan de algemene reserves en welk deel eventueel wordt uitgekeerd.

2.

De in het voorgaande lid bedoelde uitkering vindt plaats in verhouding tot het aantal aandelen dat ieder lid in zijn bezit heeft.

3.

De Raad van Bestuur bepaalt op welke wijze en in welke valuta de betalingen worden verricht.

HOOFDSTUK VI. OPZEGGING VAN HET LIDMAATSCHAP EN SCHORSING VAN LEDEN, TIJDELIJKE OPSCHORTING EN BEËINDIGING VAN DE WERKZAAMHEDEN VAN DE BANK

Artikel 43. Opzegging
1.

Ieder lid kan te allen tijde uit de Bank treden door middel van een aan het hoofdkantoor van de Bank gerichte schriftelijk kennisgeving van opzegging.

2.

De uittreding van een lid gaat in op de datum, vermeld in de kennisgeving, maar in geen geval eerder dan zes maanden na het tijdstip waarop de kennisgeving door de Bank is ontvangen.

Artikel 44. Schorsing
1.

Indien een lid zijn verplichtingen uit hoofde van deze Overeenkomst of een andere verplichting tegenover de Bank die voortvloeit uit haar werkzaamheden uit hoofde van deze Overeenkomst niet nakomt, kan de Raad van Bestuur besluiten dat lid te schorsen waarbij ten minste 70 procent van het totale aantal stemmen van de leden vertegenwoordigd is. De Raad van Bestuur kan in plaats van schorsing van het lidmaatschap, besluiten tot schorsing van het stemrecht van het desbetreffende lid onder de voorwaarden vast te stellen door de Raad van Bestuur, overeenkomstig de regels aangenomen krachtens het vierde lid van dit artikel.

2.

Een lid waarvan het lidmaatschap op deze wijze geschorst is, houdt een (1) jaar na de datum van de schorsing automatisch op lid te zijn, tenzij de Raad van Bestuur tijdens deze periode van een jaar met dezelfde meerderheid die nodig is voor schorsing besluit het lid in ere te herstellen.

3.

Zolang de schorsing duurt, is een lid niet bevoegd enig recht ingevolge deze Overeenkomst uit te oefenen, behalve het recht van opzegging, doch het blijft gebonden aan al zijn verplichtingen.

4.

De Raad van Bestuur neemt regels aan die nodig mochten zijn voor de uitvoering van dit artikel.

Artikel 45. Vereffening van rekeningen
1.

Na het tijdstip waarop een Staat ophoudt lid te zijn (hierna in dit artikel de „beëindigingsdatum” te noemen), blijft het lid aansprakelijk voor zijn directe en indirecte verplichtingen jegens de Bank, zolang enig deel van de leningen en garanties die werden verstrekt voor de beëindigingsdatum nog uitstaat; maar hij houdt op betrokken te zijn bij verplichtingen ten aanzien van leningen en garanties die daarna door de Bank worden verstrekt, noch deelt hij in de winsten of de onkosten van de Bank.

2.

Op het tijdstip waarop een Staat ophoudt lid te zijn, treft de Bank als onderdeel van de vereffening van de rekeningen met die Staat maatregelen voor de terugkoop van zijn aandelen overeenkomstig het bepaalde in het derde en het vierde lid van dit artikel. Voor dit doel is de prijs waarvoor de aandelen worden teruggekocht gelijk aan de waarde die is aangegeven in de boeken van de Bank op de beëindigingsdatum.

3.

De betaling van aandelen die krachtens dit artikel door de Bank zijn teruggekocht is aan de volgende voorwaarden gebonden:

4.

Indien de Bank in overeenstemming met artikel 47 van deze Overeenkomst haar werkzaamheden staakt binnen zes maanden na de beëindigingsdatum worden alle rechten van de desbetreffende Staat vastgesteld in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47 tot en met 49 van deze Overeenkomst.

Artikel 46. Tijdelijke staking der werkzaamheden

In geval van onvoorziene omstandigheden kan de Raad van Bewindvoerders tijdelijk de werkzaamheden ten aanzien van nieuwe leningen en garanties opschorten, in afwachting van een gelegenheid tot verder overleg en handelen door de Raad van Bestuur.

Artikel 47. Beëindiging der werkzaamheden
1.

De Bank kan bij besluit van de Raad van Bestuur, genomen met een meerderheid van vijfenzeventig procent van het totale aantal stemmen van de leden, haar werkzaamheden ten aanzien van nieuwe leningen, garanties en beleggingen in aandelen beëindigen.

2.

Na haar werkzaamheden aldus te hebben beëindigd, houdt de Bank op staande voet op met alle werkzaamheden, behalve die welke nodig zijn voor het naar behoren te gelde maken, het in stand houden en het beschermen van haar activa en het vereffenen van haar schulden.

Artikel 48. Verplichtingen van leden en betaling van vorderingen
1.

In geval van beëindiging van de werkzaamheden van de Bank blijft de aansprakelijkheid van alle leden uit hoofde van niet-volgestorte inschrijvingen op het aandelenkapitaal van de Bank en ten aanzien van de waardevermindering van hun valuta's bestaan, totdat alle vorderingen der crediteuren, met inbegrip van alle voorwaardelijke vorderingen, zijn voldaan.

2.

Alle crediteuren die directe vorderingen hebben, worden eerst betaald uit de activa van de Bank en vervolgens uit de aan de Bank verrichte betalingen waar de Bank om heeft verzocht ter voldoening van niet-betaalde inschrijvingen. Voordat betalingen aan crediteuren, die directe vorderingen hebben, plaats vinden, treft het College van Bewindvoerders de naar zijn mening nodige maatregelen ter verzekering van een verdeling pro rata onder de houders van directe en voorwaardelijke vorderingen.

Artikel 49. Verdeling der activa
1.

In geval van beëindiging van de werkzaamheden van de Bank vindt er geen verdeling van activa aan de leden uit hoofde van hun inschrijving op het aandelenkapitaal plaats voordat

2.

Nadat overeenkomstig het voorgaande lid een besluit is genomen om tot verdeling over te gaan, kan de Raad van Bestuur besluiten achtereenvolgende verdelingen van de activa van de Bank aan de leden te verrichten, totdat alle activa zijn verdeeld. Deze verdeling is afhankelijk van de voorafgaande vereffening van alle uitstaande vorderingen van de Bank jegens elk lid.

3.

Alvorens tot een verdeling van activa wordt overgegaan, stelt de Raad van Bestuur het aandeel van elk lid vast naar verhouding van zijn aandelenbezit tot het totale geplaatste kapitaal van de Bank.

4.

De Raad van Bestuur bepaalt de waarde van de te verdelen activa op de datum van verdeling en gaat dan op de volgende wijze over tot verdeling:

5.

Elk lid dat overeenkomstig het voorgaande lid door de Bank verdeelde activa ontvangt, geniet ten aanzien van deze activa dezelfde rechten als de Bank vóór de verdeling daarvan genoot.

HOOFDSTUK VII. RECHTSPOSITIE, IMMUNITEITEN, VRIJSTELLINGEN EN VOORRECHTEN

Artikel 50. Rechtspositie

Ten einde haar in staat te stellen haar doeleinden te bereiken en de haar opgelegde taken te vervullen, bezit de Bank onverkorte internationale rechtspersoonlijkheid. Zo kan zij overeenkomsten sluiten met leden, niet-Lid-Staten en andere internationale organisaties. Met hetzelfde doel worden in het grondgebied van elk lid aan de Bank de in dit Hoofdstuk vermelde rechtspositie, immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten toegekend.

Artikel 51. Rechtspositie in lid-landen

Op het grondgebied van elk lid bezit de Bank onverkorte rechtspersoonlijkheid en in het bijzonder de bevoegdheid:

Artikel 52. Rechtshandelingen
1.

De Bank geniet immuniteit van iedere vorm van rechtsvordering behalve in gevallen voortvloeiend uit haar bevoegdheid te lenen, wanneer alleen een geding tegen haar kan worden aangespannen voor een bevoegde rechter op het grondgebied van een lid waar de Bank haar hoofdkantoor heeft, of op het grondgebied van een lid of een niet-Lid-Staat waar zij een vertegenwoordiger heeft aangesteld voor het aannemen van gerechtelijke aanzeggingen, of waardepapieren heeft uitgegeven of gegarandeerd. De Bank mag evenwel geen proces worden aangedaan door leden of personen die optreden voor of vorderingen hebben op leden.

2.

Eigendommen en activa van de Bank zijn vrij van iedere vorm van inbeslagneming, beslaglegging of executie vóór het uitspreken van een eindvonnis tegen de Bank, onverschillig waar zij zich bevinden en wie daarvan de houder is.

Artikel 53. Immuniteit der activa en archieven
1.

Eigendommen en activa van de Bank zijn vrij van onderzoek, vordering, inbeslagneming, onteigening of andere vormen van beslaglegging of uitsluiting op last van de uitvoerende of wetgevende macht, onverschillig waar zij zich bevinden en wie daarvan de houder is.

2.

De archieven van de bank en, in het algemeen, alle documenten die zij bezit, of die bij haar berusten, zijn onschendbaar, waar zij zich ook bevinden.

Artikel 54. Vrijstelling der activa van beperkende bepalingen

Voor zover voor de uitvoering der doeleinden en functies van de Bank nodig is, en behoudens de bepalingen van deze Overeenkomst, zijn alle eigendommen en andere activa van de Bank vrijgesteld van beperkingen, regelingen, controles en moratoria van welke aard ook.

Artikel 55. Geprivilegieerde behandeling van mededelingen van de Bank

Officiële mededelingen van de Bank worden door de leden op dezelfde wijze behandeld als officiële mededelingen van enig ander lid.

Artikel 56. Persoonlijke immuniteiten en voorrechten

Alle bestuurders, bewindvoerders, plaatsvervangers, het leidinggevend en ander personeel van de Bank alsmede deskundigen en adviseurs die een missie voor de Bank vervullen:

Artikel 57. Vrijstelling van belasting
1.

De Bank, haar bezittingen, andere activa, inkomsten en haar werkzaamheden en transacties zijn vrijgesteld van alle belastingen en douanerechten. De Bank is eveneens vrijgesteld van iedere verplichting betreffende de betaling, inhouding of inning van belastingen of heffingen.

2.

Er wordt geen belasting geheven op of ten aanzien van salarissen en emolumenten betaald door de Bank aan bewindvoerders, plaatsvervangers, leidinggevend of ander hoger personeel van de Bank.

3.

Er wordt geen belasting geheven van welke aard ook op door de Bank uitgegeven schuldbekentenissen of waardepapieren, met inbegrip van de dividenden en interesten daarvan, onverschillig wie daarvan de houder is:

4.

Er wordt geen belasting van welke aard ook geheven op door de Bank gegarandeerde schuldbekentenissen of waardepapieren met in begrip van de dividenden en interesten daarvan, onverschillig wie daarvan de houder is:

Artikel 58. Kennisgeving van toepassing

Ieder lid geeft de Bank terstond kennis van de stappen die het speciaal heeft ondernomen om op zijn grondgebied aan de bepalingen van dit hoofdstuk uitvoering te geven.

Artikel 59. Toepassing van immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten

De in dit hoofdstuk genoemde immuniteiten, vrijstellingen en voorrechten worden verleend in het belang van de Bank. Het College van Bewindvoerders kan, in de mate en op de voorwaarden door dit College te bepalen, de in de artikelen 52, 54, 56 en 57 van deze Overeenkomst genoemde immuniteiten en vrijstellingen niet van kracht verklaren, wanneer zulks naar zijn mening in het belang van de Bank zou zijn. De president van de Bank heeft het recht en de plicht afstand te doen van de immuniteit van een personeelslid in gevallen waarin naar zijn mening deze immuniteit de rechtsgang zou belemmeren en er afstand van kan worden gedaan zonder het belang van de Bank te schaden.

HOOFDSTUK VIII. WIJZIGINGEN, INTERPRETATIE, ARBITRAGE

Artikel 60. Wijzigingen
1.

Elk voorstel tot wijziging van deze Overeenkomst, afkomstig van een lid, een bestuurder of het College van Bewindvoerders, wordt medegedeeld aan de Voorzitter van de Raad van Bestuur, die het voorstel voorlegt aan deze Raad. Indien de voorgestelde wijziging door de Raad wordt goedgekeurd, vraagt de Bank door middel van een rondschrijven, per fax of per telegram de leden of zij de voorgestelde wijziging aanvaarden. Wanneer tweederde van de leden met driekwart van het totale aantal stemmen van de leden, met inbegrip van tweederde van de regionale leden die driekwart van het totale aantal stemmen van de regionale leden bezitten, de voorgestelde wijziging hebben aanvaard, legt de Bank dit feit onverwijld vast in een aan de leden gerichte officiële mededeling.

2.

Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit artikel kunnen de in artikel 3, derde lid, bepaalde meerderheden van stemmen slechts worden gewijzigd bij de aldaar vermelde meerderheden van stemmen.

3.

Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit artikel is aanvaarding door alle leden vereist voor elke wijziging in:

4.

Wijzigingen treden voor alle leden drie maanden na de datum van de officiële mededeling bedoeld in het eerste lid van dit artikel in werking, tenzij de Raad van Bestuur een andere termijn vaststelt.

5.

Niettegenstaande het bepaalde in het eerste lid van dit artikel wordt uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze Overeenkomst en in het licht van de ervaring van de Bank, de regel volgens welke ieder lid één stem heeft, aan een onderzoek onderworpen door de Raad van Bestuur of door een bijeenkomst van de Staatshoofden van de lid-landen overeenkomstig de voorwaarden van toepassing bij de aanvaarding van deze Overeenkomst.

Artikel 61. Interpretatie
1.

De Engelse en de Franse tekst van deze Overeenkomst worden als gelijkelijk authentiek beschouwd.

2.

Meningsverschillen omtrent de interpretatie van de bepalingen van deze Overeenkomst die rijzen tussen een lid en de Bank, of tussen leden van de Bank onderling, worden voorgelegd aan het College van Bewindvoerders. Indien een lid dat niet in de Raad is vertegenwoordigd door een Bewindvoerder van zijn eigen nationaliteit in bijzondere mate bij het desbetreffende meningsverschil is betrokken, is het gerechtigd zich in zulke gevallen rechtstreeks te doen vertegenwoordigen. Zodanige rechten van vertegenwoordiging worden geregeld door de Raad van Bestuur.

3.

In elk geval waarin het College van Bewindvoerders volgens het tweede lid van dit artikel een beslissing heeft genomen, kan een lid verzoeken de zaak te verwijzen naar de Raad van Bestuur, aan wie - volgens een overeenkomstig artikel 31, derde lid, van deze Overeenkomst te bepalen procedure - binnen drie maanden een beslissing wordt gevraagd. Deze beslissing is definitief.

Artikel 62. Arbitrage

Wanneer er een geschil is tussen de Bank en een voormalig lid, of tussen de Bank en een lid bij de beëindiging van de werkzaamheden van de Bank, wordt een dergelijk geschil onderworpen aan arbitrage door een tribunaal van drie scheidsmannen. Elke partij benoemt een scheidsman en de twee aldus benoemde scheidsmannen benoemen een derde scheidsman die tevens voorzitter zal zijn. Indien binnen dertig dagen na het verzoek om arbitrage een van de partijen geen scheidsman heeft benoemd, of indien binnen vijftien dagen na de benoeming van de twee scheidsmannen geen derde is benoemd, kan elk van beide partijen de Voorzitter van het Internationaal Gerechtshof of een andere overeenkomstig door de Raad van Bestuur aangenomen regels voorgeschreven autoriteit verzoeken een scheidsman te benoemen. De procedure wordt vastgesteld door de scheidsmannen. De derde scheidsman is evenwel volledig bevoegd alle procedurele kwesties te regelen in geval van meningsverschillen daaromtrent. Een meerderheid van stemmen van de scheidsmannen volstaat om tot een onherroepelijke en voor de partijen bindende beslissing te komen.

HOOFDSTUK IX. SLOTBEPALINGEN

Artikel 63. Ondertekening en nederlegging
1.

Deze Overeenkomst, nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties (hierna te noemen de „Depositaris”) blijft tot 31 december 1963 openstaan voor ondertekening door de Regeringen van de Staten wier naam is vermeld in Bijlage A bij deze Overeenkomst.

2.

De Depositaris doet alle ondertekenaars een gewaarmerkt afschrift van deze Overeenkomst toekomen.

Artikel 64. Bekrachtiging, aanvaarding, toetreding en verwerving van lidmaatschap
2.

Regionale Staten die niet overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van dit artikel het lidmaatschap van de Bank verwerven, kunnen - nadat de Overeenkomst in werking is getreden - lid worden door toetreding daartoe op door de Raad van Bestuur te bepalen voorwaarden. De Regering van een dergelijke Staat legt, op of voor de door de Raad vastgestelde datum, een akte van toetreding neder bij de Depositaris, die de Bank en de Partijen bij deze Overeenkomst in kennis stelt van deze nederlegging en van de datum waarop deze is geschied. Op het tijdstip van de nederlegging wordt de Staat lid van de Bank op de vastgestelde datum.

3.

Bij nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of aanvaarding kan een lid verklaren dat het voor zichzelf en zijn politieke onderdelen het recht voorbehoudt belasting te heffen op de door de Bank aan onderdanen of ingezetenen van dat lid betaalde salarissen en emolumenten.

Artikel 65. Inwerkingtreding

Deze Overeenkomst treedt in werking na nederlegging van akten van bekrachtiging of aanvaarding door twaalf ondertekenende Regeringen wier aanvankelijke inschrijvingen, zoals vervat in Bijlage A bij deze Overeenkomst, te zamen niet minder dan vijenzestig procent van het maatschappelijk kapitaal van de Bank omvatten; met dien verstande evenwel dat 1 januari 1964 de vroegste datum is waarop deze Overeenkomst in werking kan treden overeenkomstig het bepaalde in dit artikel.

Artikel 66. Begin van de werkzaamheden
1.

Zodra deze Overeenkomst in werking is getreden, benoemt elk lid een bestuurder en de hiertoe en voor het doel vermeld in artikel 7, vijfde lid, benoemde Trustee belegt de eerste vergadering van de Raad van Bestuur.

2.

Op zijn eerste vergadering

3.

De Bank stelt de leden in kennis van de datum waarop zij haar werkzaamheden zal aanvangen.

1. Ondeelbare stem

Bij de verkiezing van bewindvoerders brengt iedere bestuurder alle stemmen van het lid dat hij vertegenwoordigt op één enkele persoon uit.

2. Regionale Bewindvoerders

a. De twaalf personen die het hoogste aantal stemmen op zich verenigen van de bestuurders die de regionale leden vertegenwoordigen, zijn tot bewindvoerder verkozen, met die uitzondering dat degene die minder dan acht procent van het totale aantal stemmen van de regionale leden op zich heeft verenigd, niet als gekozen wordt beschouwd.

b. Indien bij de eerste stemming geen twaalf personen worden gekozen, vindt een tweede stemming plaats, waarbij degene die het kleinste aantal stemmen in de voorafgaande stemming op zich verenigde niet meer voor verkiezing in aanmerking komt en waarbij slechts stemmen worden uitgebracht door:

d. Indien na de tweede stemming geen 12 personen zijn gekozen, worden verdere stemmingen gehouden in overeenstemming met de beginselen neergelegd in deze Bijlage behalve dat nadat 11 personen zijn gekozen, de twaalfde - niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 2a van deze Bijlage - bij enkelvoudige meerderheid van de overgebleven stemmen kan worden gekozen. Al zulke overblijvende stemmen worden geacht te hebben geteld voor de verkiezing van de twaalfde bewindvoerder.

3. Niet-regionale Bewindvoerders

a. De zes personen die het hoogste aantal stemmen op zich verenigen van de bestuurders die de niet-regionale leden vertegenwoordigen, zijn tot bewindvoerder gekozen, behalve dat degene die minder dan veertien procent van het totale aantal stemmen van de niet-regionale leden op zich heeft verenigd, niet als gekozen wordt beschouwd.

b. Indien bij de eerste stemming geen zes personen worden gekozen, vindt een tweede stemming plaats, waarbij degene die het kleinste aantal stemmen in de voorafgaande stemming op zich heeft verenigd niet meer voor verkiezing in aanmerking komt en waarbij slechts stemmen worden uitgebracht door:

d. Indien na de tweede stemming geen zes personen zijn gekozen, worden verdere stemmingen gehouden in overeenstemming met de beginselen neergelegd in deze Bijlage, behalve dat, nadat vijf personen zijn verkozen, de zesde - niettegenstaande de bepalingen van paragraaf 3(a) van deze Bijlage - bij enkelvoudige meerderheid van de overgebleven stemmen kan worden gekozen. Al zulke overblijvende stemmen worden geacht te hebben geteld voor de verkiezing van de zesde bewindvoerder.

Raad van Bestuur

Resolutie No. 06-79

Betreffende de algemene verhoging van het kapitaal van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank en inschrijvingen daarop in verband met de toelating van niet-regionale lid-landen

(Aangenomen tijdens de vijfde plenaire zitting van de vijftiende jaarvergadering op 17 mei 1979)

De Raad van Bestuur

Gelet op de artikelen 5, 6, 7 en 29 van de Overeenkomst tot oprichting van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (hierna te noemen de „Overeenkomst”);

Herinnerend aan zijn Resolutie No. 05-79, waarbij hij wijzigingen heeft aangenomen op de Overeenkomst ten einde niet-Afrikaanse Staten in staat te stellen lid van de Bank te worden;

Erkennend de noodzaak het maatschappelijk kapitaal van de Bank te verhogen ten einde aandelen in het kapitaal te kunnen toewijzen aan de niet-Afrikaanse Staten die lid van de Bank wensen te worden in overeenstemming met de Overeenkomst, zoals gewijzigd;

Voorts erkennend de noodzaak dat de huidige leden van de Bank een deel van de nieuwe verhoging van het kapitaal aanvaarden dat toereikend is om het Afrikaanse karakter van de Bank te kunnen handhaven overeenkomstig de letter en de geest van hun Resolutie No. 02-78, aangenomen op 4 mei 1978 te Libreville;

Besluit als volgt:

Artikel 1. Voorwaarden voor niet-regionaal lidmaatschap

Niet-regionale landen die lid van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds zijn of worden of die bijdragen leveren of hebben geleverd aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds op voorwaarden die soortgelijk zijn aan de voorwaarden van de Overeenkomst tot oprichting van het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds, kunnen oorspronkelijke niet-regionale leden van de Bank worden, mits op 1 januari 1981, of op een door het College van Bewindvoerders te bepalen latere datum, aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Artikel 2. Inschrijvingen op het kapitaal

a. De in het hieraan gehechte Aanhangsel I opgesomde niet-regionale landen kunnen inschrijven tot een totaal van 175.000 aandelen in het kapitaal;

b. Elk land kan ermede instemmen in te schrijven tot het aantal in Aanhangsel laan dat land toegewezen aandelen en elk inschrijvend land dient tegenover de Bank aan te tonen dat het alle nodige stappen heeft ondernomen om zijn inschrijving te doen goedkeuren en dient de Bank op haar verzoek alle informatie daaromtrent te verstrekken. In een uitzonderingsgeval, wanneer een land niet met inschrijving kan instemmen ingevolge zijn wetgeving, kan de Bank een instemming met inschrijving aanvaarden, onder voorbehoud van begrotingstoewijzingen;

c. De inschrijving van elk land op het volgestorte kapitaal geschiedt op de onderstaande voorwaarden:

d. De inschrijving van elk land op het niet-volgestorte kapitaal geschiedt op de onderstaande voorwaarden:

e. Elk land is gerechtigd de stemmen uit te brengen die het totale aantal aandelen vertegenwoordigen waarop dat land heeft ingeschreven, met dien verstande evenwel dat in het geval van een gedeeltelijk of geheel te kort schieten in de betaling van een termijn van de inschrijving voor het volgestorte kapitaal, het aantal stemmen dat zulk een lid gerechtigd is uit te brengen, wordt verminderd naar verhouding van het tekort tot de totale inschrijving op het volgestorte kapitaal, tot het tijdstip waarop het tekort is aangezuiverd.

Artikel 3. Vereisten voor niet-regionaal lidmaatschap

Een niet-regionaal land wordt lid van de Bank wanneer:

Artikel 4. Andere niet-regionale landen

Andere niet-regionale landen die niet zijn opgesomd in Aanhangsel I kunnen niet-regionaal lid van de Bank worden overeenkomstig door de Raad van Bestuur vast te stellen voorwaarden. De inschrijvingen van deze andere niet-regionale landen en hun onderscheiden bijdragen aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds dienen te zijn het aantal aandelen in het volgestorte en niet-volgestorte kapitaal en de bijdragen aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds, zoals door de Raad van Bestuur vast te stellen met inachtneming van de voorwaarden voor de inschrijvingen en bijdragen van de niet-regionale landen, opgesomd in Aanhangsel I.

Artikel 5. Kapitaal waarop niet is ingeschreven

Op kapitaal, zoals bedoeld in artikel 2, letter a, van deze Algemene Regels waarop niet binnen twee jaar te rekenen van de datum waarop deze Algemene Regels in werking zijn getreden, is ingeschreven door de in Aanhangsel I opgesomde niet-regionale landen of door andere niet-regionale landen zoals bedoeld in artikel 4, kan worden ingeschreven door de niet-regionale Lid-Staten die op dat tijdstip lid zijn. Elk niet-regionaal lid heeft het recht in te schrijven op een deel van de beschikbare aandelen dat gelijk is aan de verhouding waarin de aandelen waarvoor het reeds heeft ingeschreven staan tot het totale geplaatste kapitaal van de niet-regionale leden. Bij elke inschrijving dient de verhouding van volgestort tot niet-volgestort kapitaal te worden gehandhaafd, alsook een billijke verhouding tussen de bijdragen aan het Afrikaanse Ontwikkelingsfonds en de in deze Algemene Regels vastgelegde inschrijving op het maatschappelijk kapitaal.

Artikel 6. Bijzonder quorum, aantal stemmen en vertegenwoordiging

a. De goedkeuring van een meerderheid van het totale aantal Bestuurders van niet-regionale leden die niet minder dan drie vierde van het totale aantal stemmen van de niet-regionale lid-landen vertegenwoordigen, is vereist voor de goedkeuring van een wijziging van de Overeenkomst waarbij wordt gewijzigd:

b. Het deel van het aantal stemhebbende aandelen waarop door de niet-regionale leden kan worden ingeschreven mag niet groter zijn dan 33 1/3 procent van het totale aantal stemmen van de lid-landen, met dien verstande dat, niettegenstaande het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van de Overeenkomst, in elke resolutie van de Raad van Bestuur ter verhoging van het maatschappelijk kapitaal van de Bank dient te zijn aangegeven dat:

c. In de Algemene Statuten of het Huishoudelijk Reglement van het College van Bewindvoerders dient te worden voorzien in de benoeming van een tijdelijke Bewindvoerder die voor de Bewindvoerder kan optreden wanneer de Bewindvoerder en zijn plaatsvervanger niet beschikbaar zijn om een vergadering van het College van Bewindvoerders bij te wonen.

Artikel 7. Handhaving van de waarde1)Bij de bepaling van de tegenwaarde in Rekeneenheden van de Bank van de verschillende valuta's waarin de inschrijvingen ingevolge deze Regels worden verricht, worden de nationale valuta's omgerekend tegen de op 17 mei 1979 geldende koers, zoals vastgesteld door het Internationale Monetaire Fonds en aan deze Regels gehecht, en dan omgezet in Rekeneenheden van de Bank tegen de omrekeningskoers van 1 Rekeneenheid van de Bank = US $ 1,20635.

Indien de wijziging waarbij het Bijzondere Trekkingsrecht (SDR) de waarde-eenheid voor de Afrikaanse Ontwikkelingsbank wordt (Resolutie 06-78) niet voor 19 mei 1979 wordt bekrachtigd, wordt de bekrachtigingsprocedure uitgesteld voor twee jaar, te rekenen van de datum waarop deze Algemene Regels in werking zijn getreden. Er zal geen verplichting bestaan tot handhaving van de waarde ten aanzien van volgestort of niet-volgestort kapitaal tot het tijdstip waarop het College van Bewindvoerders van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank vaststelt dat het SDR definitief wordt toegepast als waarde-eenheid die van toepassing is op inschrijvingen van leden in de Wereldbank (IBRD) ten behoeve van de bepalingen in het Statuut van de IBRD inzake de handhaving van de waarde. Voor zover de waarde niet wordt gehandhaafd, zal bij de volgende kapitaalverhoging over een aanpassing van de stemmen worden gesproken, niettegenstaande de rechten van voorkoop.

Artikel 8. Inwerkingtreding

Deze Algemene Regels treden eerst in werking nadat het College van Bewindvoerders heeft vastgesteld dat aan alle voorwaarden in artikel 1 van deze Regels is voldaan en nadat de President heeft verklaard dat ten minste tien niet-regionale landen aan alle vereisten in artikel 3, letter c, van deze Regels hebben voldaan.

DONE in Khartoum, this fourth day of August nineteen hundred and sixty-three, in a single copy in the English and French languages.