← Geldende tekst · Geschiedenis

Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR)

Geldende tekst a fecha 2016-07-05

De Overeenkomstsluitende Partijen,

Verlangende de ontwikkeling en de verbetering van het internationale vervoer van personen en goederen over de weg te bevorderen,

Overtuigd van de noodzaak de veiligheid van het wegverkeer te vergroten, bepaalde arbeidsvoorwaarden in het internationale vervoer over de weg te regelen overeenkomstig de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie en, in gezamenlijk overleg, bepaalde maatregelen vast te stellen om de naleving van een zodanige regeling te verzekeren,

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Definities

In deze Overeenkomst betekent:

Artikel 2. Toepassingsgebied
1.

Deze Overeenkomst is op het grondgebied van elke Overeenkomstsluitende Partij van toepassing op al het internationaal vervoer over de weg dat wordt verricht door een voertuig dat is geregistreerd op het grondgebied van genoemde Overeenkomstsluitende Partij of op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij.

2.

Deze Overeenkomst is, tenzij door de Overeenkomstsluitende Partijen op wier grondgebied het vervoer plaatsvindt anders is overeengekomen, evenwel niet van toepassing op internationaal vervoer over de weg, verricht met:

Artikel 3. Toepassing van een aantal bepalingen van deze Overeenkomst op wegvervoer verricht door voertuigen ingeschreven in de landen die geen Partij zijn bij deze Overeenkomst
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij past ten aanzien van internationaal wegvervoer, verricht door een voertuig dat is ingeschreven op het grondgebied van een land dat geen Partij is bij deze Overeenkomst, op haar grondgebied bepalingen toe die ten minste even streng zijn als die welke zijn neergelegd in de artikelen 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van deze Overeenkomst.

Artikel 4. Algemene beginselen

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan hogere minima of lagere maxima toepassen dan die welke zijn neergelegd in de artikelen 5 tot en met 8. De bepalingen van deze Overeenkomst blijven echter van toepassing op bestuurders die internationaal wegvervoer verrichten met voertuigen die zijn ingeschreven in een ander land dat Partij of geen Partij is bij deze Overeenkomst.

Artikel 5. Bemanning
1.

De minimumleeftijd van de bij het vervoer van goederen betrokken bestuurders bedraagt

2.

Bestuurders die tewerkgesteld zijn bij het vervoer van personen dienen de leeftijd van 21 jaar te hebben bereikt.

Bestuurders die tewerkgesteld zijn bij het vervoer van personen op trajecten buiten een straal van 50 kilometer vanaf de gebruikelijke standplaats van het voertuig dienen tevens aan een van de volgende voorwaarden te voldoen:

Artikel 6. Rijtijden
1.

De dagelijkse rijtijd, als omschreven in artikel 1, onderdeel s, van deze Overeenkomst, mag ten hoogste 9 uren bedragen. Ten hoogste twee maal per week mag de rijtijd worden uitgebreid tot 10 uren.

2.

De wekelijkse rijtijd, als omschreven in artikel 1, onderdeel t, van deze Overeenkomst, mag ten hoogste 56 uren bedragen.

3.

De totale opgetelde rijtijd gedurende twee opeenvolgende weken mag ten hoogste 90 uren bedragen.

4.

Rijtijden omvatten alle rijwerkzaamheden op het grondgebied van Overeenkomstsluitende en niet-Overeenkomstsluitende Partijen.

5.

Een bestuurder dient de tijd doorgebracht als omschreven in artikel 1, onderdeel q, alsmede de tijd gedurende welke een voertuig wordt bestuurd voor commerciële activiteiten die niet onder het toepassingsgebied van deze Overeenkomst vallen, als andere werkzaamheden te registreren en dient alle tijdvakken van beschikbaarheid te registreren, als vermeld in artikel 12, paragraaf 3, onderdeel c, van de Bijlage bij deze Overeenkomst. Deze registratie geschiedt handmatig op een registratieblad of afdruk of door gebruikmaking van de functies voor handmatige invoer van het controle apparaat.

Artikel 7. Onderbrekingen
1.

Na een rijperiode van vier en een half uur neemt een bestuurder een aaneengesloten onderbreking van ten minste vijfenveertig minuten, tenzij hij een rusttijd neemt.

2.

Deze onderbreking, als omschreven in artikel 1, onderdeel n, van deze Overeenkomst, mag worden vervangen door een onderbreking van ten minste 15 minuten, gevolgd door een onderbreking van ten minste 30 minuten die zodanig over de rijperiode of onmiddellijk na deze periode worden verdeeld dat aan de vereisten van het eerste lid wordt voldaan.

3.

Voor de toepassing van dit artikel worden de wachttijd en de tijd die niet aan rijden wordt besteed in een bewegend voertuig, op een veerboot of op een trein niet aangemerkt als „andere werkzaamheden” als omschreven in artikel 1, onderdeel q, van deze Overeenkomst; deze tijd mag als „onderbreking” worden aangemerkt.

4.

De in dit artikel in acht genomen onderbrekingen mogen niet worden aangemerkt als dagelijkse rusttijd.

Artikel 8. Rusttijden
1.

Een bestuurder dient dagelijkse en wekelijkse rusttijden te nemen als omschreven in artikel 1, onderdelen o en p.

2.

Binnen elke periode van 24 uur na het einde van de voorafgaande dagelijkse of wekelijkse rusttijd dient een bestuurder een nieuwe dagelijkse rusttijd genomen te hebben.

Indien het gedeelte van de dagelijkse rusttijd dat binnen die periode van 24 uur valt ten minste 9 doch ten hoogste 11 uren bedraagt, wordt deze dagelijkse rusttijd als een verkorte dagelijkse rusttijd aangemerkt.

3.

In afwijking van het tweede lid geldt dat een bestuurder die deel uitmaakt van een meervoudige bemanning, binnen 30 uur na het einde van een dagelijkse of wekelijkse rusttijd een nieuwe dagelijkse rusttijd van ten minste 9 uren dient te hebben genoten.

4.

Een dagelijkse rusttijd kan worden verlengd om een normale wekelijkse rusttijd of verkorte wekelijkse rusttijd te bereiken.

5.

Tussen twee wekelijkse rusttijden mag een bestuurder ten hoogste drie verkorte dagelijkse rusttijden hebben.

6.

Een wekelijkse rusttijd mag niet later aanvangen dan aan het einde van zes tijdvakken van 24 uur, te rekenen vanaf het einde van de voorgaande wekelijkse rusttijd.

7.

Rust die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd dient aansluitend op een andere rusttijd van ten minste 9 uur te worden genomen.

8.

Wanneer een bestuurder dit verkiest, mogen dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden buiten de standplaats in een voertuig worden doorgebracht indien dit voor iedere bestuurder speciaal aangebrachte slaapfaciliteiten – als voorzien in het ontwerp van de bouwer – biedt en het voertuig stilstaat.

9.

Een wekelijkse rusttijd die in twee weken valt, mag tot één van beide weken gerekend worden, maar niet tot beide.

Artikel 9. Uitzonderingen

Mits de veiligheid van het wegverkeer niet in gevaar wordt gebracht en om hem in staat te stellen een geschikt haltepunt te bereiken, kan de bestuurder afwijken van deze Overeenkomst voor zover zulks noodzakelijk is ter verzekering van de veiligheid van personen, voertuig of lading. Uiterlijk bij aankomst op een geschikte stopplaats vermeldt de bestuurder op het registratieblad, op een afdruk van het controle apparaat of in zijn dienstrooster de aard en de reden van zijn afwijking van deze bepalingen.

Artikel 10. Controleapparaat
1.

De Overeenkomstsluitende Partijen dienen de installatie en het gebruik van een controleapparaat voor te schrijven in op hun grondgebied ingeschreven voertuigen overeenkomstig de voorschriften van deze Overeenkomst en de bijlage en de aanhangsels daarbij.

2.

Het controleapparaat in de zin van deze Overeenkomst dient voor wat betreft constructie, installatie, gebruik en beproeving te voldoen aan de voorschriften van deze Overeenkomst, de bijlage en de aanhangsels daarbij.

3.

Een controleapparaat dat voldoet aan Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 van de Raad voor wat betreft constructie, installatie, gebruik en beproeving wordt aangemerkt als beantwoordend aan de voorwaarden van deze Overeenkomst, de bijlage en de aanhangsels daarbij.

Artikel 11. Controle door de onderneming
1.

De onderneming dient het vervoer over de weg zodanig te organiseren en de leden van de bemanning zodanig te instrueren dat deze kunnen voldoen aan de bepalingen van deze Overeenkomst.

2.

Zij oefent een regelmatige controle uit op de rijtijden en op de aan ander werk bestede uren, en op de rusttijden, waarbij zij zich bedient van alle tot haar beschikking staande documenten, zoals de persoonlijke controleboekjes. Bij constatering van een inbreuk op deze Overeenkomst dient zij hieraan terstond een einde te maken en maatregelen te nemen tegen herhaling bijvoorbeeld door het wijzigen van werkroosters en reisroutes.

3.

Het is verboden aan bestuurders in loondienst betalingen te verrichten, ook niet in de vorm van premies of loontoeslagen, naar gelang de afgelegde afstand en/of de hoeveelheid vervoerde goederen, tenzij deze betalingen naar hun aard de verkeersveiligheid niet in gevaar kunnen brengen of inbreuken op deze Overeenkomst aan te moedigen.

4.

Een vervoersonderneming is aansprakelijk voor inbreuken van de bestuurders van de onderneming, ook wanneer die inbreuken zijn gepleegd op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij of een niet-Overeenkomstsluitende Partij.

Onverminderd het recht van de Overeenkomstsluitende Partijen om vervoersondernemingen volledig aansprakelijk te stellen, kunnen de Overeenkomstsluitende Partijen die aansprakelijkheid afhankelijk stellen van de inbreuk van de onderneming op het eerste of tweede lid. De Overeenkomstsluitende Partijen mogen alle bewijsstukken in aanmerking nemen waarmee aangetoond wordt dat de vervoersonderneming redelijkerwijs niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de gepleegde inbreuk.

5.

Ondernemingen, expediteurs, bevrachters, touroperators, hoofd- en onderaannemers en uitzendbureaus voor bestuurders zorgen ervoor dat contractueel overeengekomen tijdschema's voor het vervoer aan deze Overeenkomst voldoen.

Artikel 12. Maatregelen voor de toepassing van de Overeenkomst
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij neemt alle geëigende maatregelen teneinde de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst te verzekeren, met name door adequate controles langs de weg en ter plaatse in de ondernemingen die jaarlijks een groot en representatief deel van de bestuurders, ondernemingen en voertuigen bestrijken binnen alle vervoerscategorieën die onder deze Overeenkomst vallen.

2.

In het kader van de wederzijdse bijstand verstrekken de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar regelmatig alle beschikbare informatie over:

– de overtredingen van deze Overeenkomst begaan door niet-ingezetenen en de hiervoor opgelegde sancties;

– de door een Overeenkomstsluitende Partij aan op haar grondgebied woonachtige personen opgelegde sancties vanwege dergelijke op het grondgebied van andere Overeenkomstsluitende Partijen begane overtredingen.

In het geval van ernstige overtredingen moet deze informatie de opgelegde sanctie omvatten.

3.

Indien tijdens een controle langs de weg van de bestuurder van een voertuig dat op het grondgebied van een andere Overeenkomstsluitende Partij is ingeschreven de constateringen aanleiding geven tot de veronderstelling dat deze persoon overtredingen heeft begaan die tijdens de controle niet kunnen worden opgespoord wegens het ontbreken van de noodzakelijke gegevens, verlenen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen elkaar bijstand om de situatie op te helderen. Wanneer de bevoegde Overeenkomstsluitende Partij hiertoe een controle verricht ter plaatse in de onderneming, wordt het resultaat van deze controle ter kennis gebracht van de andere betrokken Partij.

4.

De Overeenkomstsluitende Partijen werken samen bij het organiseren van gezamenlijke controles langs de weg.

5.

De Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties publiceert elke twee jaar een rapport over de toepassing door de Overeenkomstsluitende Partijen van het eerste lid van dit artikel.

6.

Bij wijze van uitzondering vindt de oplegging van sancties, wanneer een inbreuk wordt geconstateerd die is gepleegd door een onderneming gevestigd in een andere Overeenkomstsluitende Partij of in een niet-Overeenkomstsluitende Partij, plaats overeenkomstig de procedure die is voorzien in de bilaterale wegvervoersovereenkomst tussen de betrokken Partijen.

Vanaf 2011 zullen de Overeenkomstsluitende Partijen de mogelijkheid bestuderen de in het zesde lid, onderdeel b, bedoelde uitzondering op te heffen zodra alle Overeenkomstsluitende Partijen hiertoe bereid zijn.

7.

Telkens wanneer een Overeenkomstsluitende Partij voor een specifieke inbreuk vervolging instelt of een boete oplegt, verstrekt zij de bestuurder hiervan naar behoren schriftelijke bewijsstukken.

8.

De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen dat een stelsel van proportionele straffen, waaronder financiële sancties, van kracht is voor inbreuken op deze Overeenkomst door ondernemingen of geassocieerde expediteurs, bevrachters, touroperators, hoofd- en onderaannemers en uitzendbureaus voor bestuurders.

Artikel 13. Overgangsbepalingen
1.

Alle nieuwe bepalingen van deze Overeenkomst, met inbegrip van zijn bijlage en de aanhangsels 1B en 2, die betrekking hebben op de invoering van een digitaal controleapparaat, worden verbindend voor landen die Overeenkomstsluitende Partij zijn bij deze Overeenkomst uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende wijzigingen die voortvloeien uit de in artikel 21 omschreven procedure. Bijgevolg dienen alle voertuigen waarop deze Overeenkomst van toepassing is en die na het verstrijken van deze termijn voor het eerst in bedrijf zijn genomen, te zijn uitgerust met een controleapparaat dat voldoet aan deze nieuwe voorwaarden. Gedurende deze termijn van vier jaar laten de Overeenkomstsluitende Partijen die deze wijzigingen nog niet in hun landen hebben geïmplementeerd in een andere Overeenkomstsluitende Partij bij deze Overeenkomst ingeschreven voortuigen die reeds zijn uitgerust met een dergelijk digitaal controleapparaat tot hun grondgebied toe en controleren deze.

3.

Elke akte van bekrachtiging of toetreding nedergelegd door een Staat na het van kracht worden van de in het eerste lid bedoelde wijzigingen wordt geacht van toepassing te zijn op de Overeenkomst zoals gewijzigd, met inbegrip van de termijn voor de implementatie omschreven in het eerste lid.

Indien de toetreding minder dan twee jaar voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn plaatsvindt, stelt de Staat de depositaris bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding in kennis van de datum waarop het digitale controleapparaat feitelijk in gebruik zal worden genomen op zijn grondgebied. Een dergelijke Staat kan gebruik maken van een overgangstermijn van ten hoogste twee jaar vanaf de datum waarop de Overeenkomst voor de Staat in werking treedt. De depositaris stelt alle Overeenkomstsluitende Partijen daarvan in kennis.

De bepalingen van het voorgaande lid zijn eveneens van toepassing bij toetreding door een Staat na het verstrijken van de termijn van vier jaar voor de in het eerste lid bedoelde implementatie.

Artikel 14. Slotbepalingen
1.

Deze Overeenkomst staat tot 31 maart 1971 open voor ondertekening en, na deze datum, voor toetreding door de Lid-Staten van de Economische Commissie voor Europa, alsmede door de Staten die overeenkomstig paragraaf 8 of 11 van het mandaat van deze Commissie met adviserende bevoegdheid tot haar werkzaamheden zijn toegelaten. Toetredingen overeenkomstig paragraaf 11 van het mandaat van deze Commissie zijn beperkt tot de volgende Staten: Algerije, Jordanië, Marokko en Tunesië.

2.

Deze Overeenkomst moet worden bekrachtigd.

3.

De akten van bekrachtiging of toetreding worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties.

4.

Deze Overeenkomst treedt in werking op de honderdtachtigste dag na de nederlegging van de achtste akte van bekrachtiging of toetreding.

5.

Voor elke Staat die deze Overeenkomst bekrachtigt of daartoe toetreedt na de nederlegging van de achtste akte van bekrachtiging of toetreding, bedoeld in het vierde lid van dit artikel, treedt deze Overeenkomst in werking honderdtachtig dagen na de nederlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of toetreding.

Artikel 15
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan deze Overeenkomst opzeggen door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving.

2.

De opzegging wordt van kracht zes maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving van opzegging door de Secretaris-Generaal.

Artikel 16

Deze Overeenkomst zal ophouden van kracht te zijn indien na haar inwerkingtreding het aantal Overeenkomstsluitende Partijen gedurende een tijdvak van twaalf opeenvolgende maanden minder is dan drie.

Artikel 17
1.

Elke Staat kan, bij de ondertekening van deze Overeenkomst bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding of te eniger tijd daarna, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving verklaren, dat de toepasselijkheid van deze Overeenkomst wordt uitgebreid tot alle of enkele van de gebieden voor welker internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is. Deze Overeenkomst is ten aanzien van het gebied of de gebieden in de kennisgeving vermeld van toepassing met ingang van de honderdtachtigste dag na ontvangst van die kennisgeving door de Secretaris-Generaal of wel, indien deze Overeenkomst op die dag nog niet in werking is getreden, met ingang van de datum van haar inwerkingtreding.

2.

Elke Staat die overeenkomstig het voorgaande lid een verklaring heeft afgelegd waardoor deze Overeenkomst van toepassing wordt op een gebied voor welker internationale betrekkingen hij verantwoordelijk is, kan deze Overeenkomst met betrekking tot dit gebied afzonderlijk opzeggen overeenkomstig de bepalingen van artikel 15.

Artikel 18
1.

Elk geschil tussen twee of meer Overeenkomstsluitende Partijen ten aanzien van de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst wordt, voor zoveel mogelijk, beslecht door middel van onderhandelingen tussen de Partijen waartussen geschil is gerezen.

2.

Elk geschil dat niet is beslecht door onderhandelingen wordt aan een scheidsrechterlijke uitspraak onderworpen indien één der Overeenkomstsluitende Partijen waartussen geschil is gerezen, zulks verzoekt, en zal dienovereenkomstig worden verwezen naar een of meer scheidsrechters die door de Partijen waartussen geschil is gerezen in gemeenschappelijk overleg zijn gekozen. Indien binnen drie maanden na de datum van het verzoek om een scheidsrechterlijke uitspraak de Partijen waartussen geschil is gerezen niet tot overeenstemming zijn gekomen omtrent de keuze van een of meer scheidsrechters, kan ieder van die Partijen de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties verzoeken één scheidsrechter te benoemen naar wie het geschil ter beslechting zal worden verwezen.

3.

De uitspraak van de overeenkomstig het vorig lid benoemde scheidsrechter of scheidsrechters zal de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen binden.

Artikel 19
1.

Elke Staat kan, op het tijdstip waarop hij deze Overeenkomst ondertekent of bekrachtigt of ertoe toetreedt, verklaren dat hij zich niet gebonden acht aan het tweede en het derde lid van artikel 18. De andere Overeenkomstsluitende Partijen zijn niet gebonden door deze leden tegenover elke Overeenkomstsluitende Partij die een zodanig voorbehoud heeft gemaakt.

2.

Indien een Staat bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of toetreding een ander voorbehoud formuleert dan dat bedoeld in het eerste lid van dit artikel, deelt de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties dit voorbehoud mede aan de Staten die hun akte van bekrachtiging of toetreding reeds hebben nedergelegd en deze Overeenkomst daarna niet hebben opgezegd. Het voorbehoud wordt geacht te zijn aanvaard, indien binnen zes maanden na de datum van deze mededeling geen van deze Staten zich tegen de aanvaarding ervan heeft verzet. In het tegenovergestelde geval wordt het voorbehoud niet toegelaten, en indien de Staat die het voorbehoud heeft geformuleerd dit niet intrekt, zal zijn nederlegging van de akte van bekrachtiging of toetreding geen gevolg hebben. Voor de toepassing van dit lid zal geen rekening worden gehouden met het verzet van de Staten waarvan toetreding of bekrachtiging krachtens dit lid geen effect heeft ten gevolge van het voorbehoud dat zij hebben geformuleerd.

3.

Elke Overeenkomstsluitende Partij die bij het Protocol van ondertekening van deze Overeenkomst een voorbehoud heeft gemaakt of een voorbehoud heeft geformuleerd, dat overeenkomstig het eerste en tweede lid van dit artikel is aanvaard, kan dit voorbehoud te allen tijde intrekken door een aan de Secretaris-Generaal gerichte kennisgeving.

Artikel 20
1.

Nadat deze Overeenkomst gedurende drie jaren van kracht is geweest, kan elke Overeenkomstsluitende Partij door een aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties gerichte kennisgeving de bijeenroeping van een conferentie verzoeken ten einde deze Overeenkomst te herzien. De Secretaris-Generaal doet van dit verzoek mededeling aan alle Overeenkomstsluitende Partijen en roept een herzieningsconferentie bijeen, indien binnen vier maanden na de datum van de door hem gedane mededeling ten minste een derde van de Overeenkomstsluitende Partijen hem hun instemming met dit verzoek hebben kenbaar gemaakt.

2.

Indien overeenkomstig het vorige lid een conferentie wordt bijeengeroepen, zal de Secretaris-Generaal alle Overeenkomstsluitende Partijen daarvan in kennis stellen en hen uitnodigen, binnen drie maanden voorstellen in te dienen waarvan zij behandeling door de conferentie wensen. De Secretaris-Generaal doet niet korter dan drie maanden vóór de aanvang van de conferentie alle Overeenkomstsluitende Partijen mededeling van de voorlopige agenda voor de conferentie, alsmede van de tekst van de ingediende voorstellen.

3.

De Secretaris-Generaal nodigt alle in het eerste lid van artikel 14 van deze Overeenkomst bedoelde Staten uit tot bijwoning van elke conferentie die overeenkomstig dit artikel wordt bijeengeroepen.

Artikel 21
1.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan één of meer wijzigingen van deze Overeenkomst voorstellen. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt medegedeeld aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die deze tekst zal mededelen aan alle Overeenkomstsluitende Partijen en ter kennis brengen van de overige Staten, bedoeld in het eerste lid van artikel 14 van deze Overeenkomst.

2.

Binnen zes maanden na de datum waarop de Secretaris-Generaal mededeling heeft gedaan van het wijzigingsvoorstel, kan iedere Overeenkomstsluitende Partij aan de Secretaris-Generaal mededelen:

3.

Zolang een Overeenkomstsluitende Partij die een mededeling bedoeld in het tweede lid, letter b), heeft gedaan, tot de Secretaris-Generaal geen kennisgeving van aanvaarding heeft gericht, kan zij gedurende negen maanden na het verstrijken van het door deze mededeling voorziene tijdvak van zes maanden, bezwaar maken tegen de voorgestelde wijziging.

4.

Indien tegen de voorgestelde wijziging bezwaar wordt ingebracht, overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt de voorgestelde wijziging geacht niet te zijn aanvaard en geen effect te hebben.

5.

Indien geen bezwaar wordt ingebracht tegen de voorgestelde wijziging overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel wordt de wijziging geacht te zijn aanvaard op het volgende tijdstip:

5 bis. Indien een land tussen het tijdstip van kennisgeving van een ontwerpwijziging en het tijdstip waarop deze geacht wordt te zijn aanvaard, Overeenkomstsluitende Partij wordt bij deze Overeenkomst, stelt het secretariaat van de Subcommissie voor het wegvervoer van de Economische Commissie van Europa de nieuwe Staat die Partij is geworden zo spoedig mogelijk in kennis van de ontwerpwijziging. De laatste kan de Secretaris-Generaal voor het verstrijken van de termijn van zes maanden vanaf de datum van toezending van de oorspronkelijke wijziging aan alle Overeenkomstsluitende Partijen in kennis stellen van enig bezwaar.

6.

Elke wijziging die wordt geacht te zijn aanvaard treedt in werking drie maanden na de dag waarop zij geacht wordt te zijn aanvaard.

7.

De Secretaris-Generaal richt zo spoedig mogelijk een kennisgeving aan alle Overeenkomstsluitende Partijen om hun te doen weten of overeenkomstig het tweede lid, letter a), van dit artikel een bezwaar is ingebracht tegen de voorgestelde wijziging en of hij van een of meer Overeenkomstsluitende Partijen een kennisgeving heeft ontvangen overeenkomstig het tweede lid, letter b). Indien hij van een of meer Overeenkomstsluitende Partijen een zodanige kennisgeving heeft ontvangen, zal hij daarna aan alle Overeenkomstsluitende Partijen mededelen of de desbetreffende Overeenkomstsluitende Partij(en) bezwaar maakt (maken) tegen de voorgestelde wijziging dan wel deze aanvaardt (aanvaarden).

8.

Onafhankelijk van de in het eerste tot en met het zesde lid van dit artikel vastgestelde wijzigingsprocedure, kan de bijlage bij deze Overeenkomst worden gewijzigd bij overeenkomst tussen de bevoegde administraties van alle Overeenkomstsluitende Partijen; indien de bevoegde administratie van een Overeenkomstsluitende Partij heeft verklaard, dat haar nationale recht haar verplicht haar toestemming te laten afhangen van de verkrijging van een speciale machtiging daartoe ofwel van de goedkeuring van een wetgevend orgaan, zal de toestemming van de bevoegde administratie van de desbetreffende Overeenkomstsluitende Partij ten aanzien van de wijziging van de bijlage worden geacht te zijn gegeven op het tijdstip waarop die bevoegde administratie aan de Secretaris-Generaal heeft verklaard dat de vereiste machtiging of goedkeuring is verkregen. In de overeenkomst tussen de bevoegde administraties wordt de datum vastgesteld waarop de gewijzigde bijlage in werking treedt; er kan tevens in worden bepaald dat gedurende een overgangstermijn de oude bijlage geheel of gedeeltelijk naast de gewijzigde bijlage van kracht zal zijn.

Artikel 22
1.

De aanhangsels 1 en 2 bij de bijlage bij deze Overeenkomst kunnen worden gewijzigd overeenkomstig de in dit artikel bepaalde procedure.

2.

Op verzoek van een Overeenkomstsluitende Partij wordt elke door deze Partij voorgestelde wijziging van de aanhangsels 1 en 2 bij de bijlage bij deze Overeenkomst bestudeerd door de hoofdwerkgroep wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa.

3.

Indien zij wordt aangenomen door de meerderheid van de aanwezige leden die hun stem uitbrengen en indien deze meerderheid de meerderheid omvat van de aanwezige Overeenkomstsluitende Partijen die hun stem uitbrengen, wordt de wijziging door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van de bevoegde administraties van alle Overeenkomstsluitende Partijen ter aanvaarding.

4.

De wijziging is aanvaard indien, binnen zes maanden volgend op de datum van deze kennisgeving, minder dan een derde van de bevoegde administraties van de Overeenkomstsluitende Partijen de Secretaris-Generaal in kennis stelt van hun bezwaar tegen de wijziging.

4 bis. Indien een land tussen het tijdstip van kennisgeving van een ontwerpwijziging en het tijdstip waarop deze geacht wordt te zijn aanvaard, Partij wordt bij deze Overeenkomst, stelt het secretariaat van de Subcommissie voor het wegvervoer van de Economische Commissie van Europa de nieuwe Staat die Partij is geworden zo spoedig mogelijk in kennis van de ontwerpwijziging. De laatste kan de Secretaris-Generaal voor het verstrijken van de termijn van zes maanden vanaf de datum van verzending van de oorspronkelijke wijziging aan alle Overeenkomstsluitende Partijen in kennis stellen van enig bezwaar.

5.

Elke aanvaarde wijziging wordt door de Secretaris-Generaal ter kennis gebracht van alle Overeenkomstsluitende Partijen en treedt drie maanden na de datum van deze kennisgeving in werking.

Artikel 23

Naast de in de artikelen 20 en 21 van deze Overeenkomst bedoelde kennisgevingen doet de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties aan de in het eerste lid van artikel 14 van deze Overeenkomst bedoelde Staten mededeling van:

Artikel 24

Het Protocol van ondertekening bij deze Overeenkomst heeft dezelfde kracht, geldigheidsduur en hetzelfde gevolg als de Overeenkomst zelve, waarvan het geacht wordt een integrerend deel uit te maken.

Artikel 25

Na 31 maart 1971 wordt het origineel van deze Overeenkomst nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die aan alle landen, bedoeld in het eerste lid van artikel 14 van deze Overeenkomst, gewaarmerkte afschriften zal doen toekomen.

I. GOEDKEURING

Artikel 1

Elk verzoek om goedkeuring voor een model van een controle-apparaat of een registratieblad wordt, vergezeld van de vereiste beschrijvende documenten, door de fabrikant of zijn gevolmachtigde ingediend bij een Overeenkomstsluitende Partij. Voor een zelfde model van een controleapparaat of registratieblad kan slechts bij één Overeenkomstsluitende Partij een verzoek worden ingediend.

Artikel 2

Elke Overeenkomstsluitende Partij verleent goedkeuring voor ieder model van een controle-apparaat of ieder model van een registratieblad, indien deze overeenstemmen met de voorschriften, als vastgelegd in aanhangsel 1 bij deze Bijlage en indien de Overeenkomstsluitende Partij in de gelegenheid is erop toe te zien dat de geproduceerde apparaten of registratiebladen overeenkomen met het goedgekeurde model.

De wijzigingen of aanvullingen op een goedgekeurd model moeten de goedkeuring voor een aanvullend model verkrijgen van de Overeenkomstsluitende Partij die de goedkeuring voor het oorspronkelijke model heeft verleend.

Artikel 3

De Overeenkomstsluitende Partijen kennen voor elk model van een controle-apparaat of van een registratieblad dat zij krachtens artikel 2 goedkeuren, de aanvrager een goedkeuringsmerk toe, overeenkomstig het in aanhangsel 2 weergegeven model.

Artikel 4

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij die een verzoek om goedkeuring heeft ontvangen, zenden dezelfde autoriteiten van de overige Overeenkomstsluitende Partijen binnen een maand, voor elk model van een controle-apparaat of van een registratieblad dat zij goedkeuren of waarvan zij de goedkeuring weigeren, een kopie van het goedkeuringscertificaat met een kopie van de vereiste beschrijvende documenten, dan wel stellen deze in kennis van de weigering tot goedkeuring; bij weigering delen zij de redenen voor hun beslissing mede.

Artikel 5
1.

Indien de Overeenkomstsluitende Partij die de in artikel 2 bedoelde goedkeuring heeft verleend, vaststelt dat apparaten of registratiebladen, voorzien van het door haar toegekende goedkeuringsmerk, niet overeenstemmen met het door haar goedgekeurde model, neemt zij de nodige maatregelen ten einde te bewerkstelligen dat de produktie overeenstemt met het goedgekeurde model. Deze kunnen eventueel gaan tot de intrekking van de goedkeuring.

2.

De Overeenkomstsluitende Partij die goedkeuring heeft verleend, moet deze intrekken indien het controle-apparaat of het registratieblad dat is goedgekeurd niet overeenstemt met deze bijlage of de daarbij behorende aanhangsels of in het gebruik een algemeen gebrek vertoont dat het ongeschikt maakt voor het doel waarvoor het is bestemd.

3.

Indien de Overeenkomstsluitende Partij die de goedkeuring heeft verleend door een andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis wordt gesteld van een van de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen, neemt zij eveneens, na overleg met de laatstgenoemde Partij, de in die leden voorziene maatregelen, behoudens het vijfde lid.

4.

De Overeenkomstsluitende Partij die heeft vastgesteld dat sprake is van een van de in het tweede lid bedoelde gevallen, kan tot nader order het in de handel brengen en het in gebruik stellen van de controleapparaten of van de registratiebladen doen staken. Dit geldt ook voor de in het eerste lid genoemde gevallen met betrekking tot controle-apparaten en registratiebladen die zijn vrijgesteld van de eerste ijking, indien de fabrikant, na een waarschuwing, ze niet in overeenstemming brengt met het goedgekeurde model of met de in deze bijlage genoemde eisen.

In elk geval lichten de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen elkaar wederzijds binnen een maand in omtrent het intrekken van een verleende goedkeuring en omtrent andere maatregelen die overeenkomstig het eerste, tweede en derde lid zijn genomen, alsmede omtrent de redenen die tot deze maatregelen hebben geleid.

5.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die goedkeuring heeft verleend, betwist dat sprake is van de in het eerste en tweede lid genoemde gevallen, waarvan zij in kennis is gesteld, trachten de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen het geschil bij te leggen.

Artikel 6
1.

De aanvrager van een goedkeuring voor een model van een registratieblad moet op zijn aanvrage het (de) model(len) van de controleapparaten waarop dit registratieblad zal worden gebruikt aangeven en moet voor het beproeven van het blad een geschikt apparaat beschikbaar stellen van een dergelijk model of van dergelijke modellen.

2.

De bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij geven op het goedkeuringscertificaat van het model van een registratieblad het (de) model(len) aan van de controle-apparaten waarop dit model van een registratieblad kan worden gebruikt.

Artikel 7

De Overeenkomstsluitende Partijen mogen de inschrijving niet weigeren en het in het verkeer brengen of het gebruik van voertuigen, voorzien van het controle-apparaat, niet verbieden om redenen welke verband houden met een dergelijk apparaat, indien het apparaat is voorzien van het goedkeuringsmerk, bedoeld in artikel 3 en van het installatieplaatje, bedoeld in artikel 9.

Artikel 8

Ieder besluit tot weigering of intrekking van een goedkeuring van een model van een controle-apparaat of een registratieblad, dat uit hoofde van deze bijlage wordt genomen, wordt nauwkeurig gemotiveerd. Het wordt ter kennis van de betrokkene gebracht, onder vermelding van de rechtsmiddelen op basis van de wetgeving van de Overeenkomstsluitende Partijen en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden ingesteld.

II. INSTALLATIE EN CONTROLE

Artikel 9
1.

Het installeren en herstellen van de controle-apparaten is slechts toegestaan aan installateurs of werkplaatsen die tot dit doel door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen zijn erkend, nadat dezen, indien zij dit wensen, het advies van de betrokken fabrikanten hebben ingewonnen.

2.

De erkende installateur of werkplaats brengt een bijzonder merk aan op de door hem aangebrachte verzegelingen. De bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij houden een register van de gebruikte merken bij.

3.

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen zenden elkaar de lijst van erkende installateurs of werkplaatsen toe, alsmede kopieën van de gebruikte merken.

4.

Het installatieplaatje, aangebracht overeenkomstig aanhangsel 1, levert het bewijs dat het controle-apparaat is geïnstalleerd in overeenstemming met de voorschriften van deze bijlage.

III. BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN HET GEBRUIK

Artikel 10

De werkgever en de bestuurders zien toe op de juiste werking en op het juiste gebruik van het apparaat.

Artikel 11
1.

De bestuurders gebruiken geen vuile of beschadigde registratiebladen. Met het oog daarop moeten de bladen op juiste wijze worden beschermd.

Indien een blad waarop gegevens zijn geregistreerd, is beschadigd, moeten de bestuurders het beschadigde blad voegen bij het reserveblad dat als vervanging wordt gebruikt.

2.

De bestuurders moeten voor elke dag dat zij rijden registratiebladen gebruiken vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Het registratieblad wordt niet uit het apparaat genomen vóór het einde van de dagelijkse werktijd, tenzij dit anderszins is toegestaan. Een registratieblad mag niet worden gebruikt voor een langere periode dan waarvoor het is bedoeld.

Wanneer de bestuurders van het voertuig verwijderd zijn en daardoor het op het voertuig bevestigde apparaat niet kunnen bedienen, moeten de tijdgroepen met de hand, automatisch of anderszins leesbaar op het registratieblad worden opgetekend, zonder dat het blad wordt bevuild.

De bestuurders brengen op de registratiebladen de noodzakelijke wijzigingen aan voor het geval zich meer dan één bestuurder op het voertuig bevindt, zodanig dat de in aanhangsel 1, hoofdstuk II, onderdelen 1 tot en met 3, bedoelde gegevens worden geregistreerd op het blad van de bestuurder die het voertuig daadwerkelijk bestuurt.

3.

Het apparaat moet zodanig zijn ontworpen dat de met de controle belaste ambtenaren, eventueel na opening van het apparaat, de gegevens die zijn geregistreerd tijdens de negen uur voorafgaand aan het tijdstip van de controle, kunnen aflezen zonder het registratieblad blijvend te vervormen, te beschadigen of vuil te maken.

Het apparaat moet bovendien zo zijn ontworpen dat zonder opening van de kast kan worden gecontroleerd of de registraties plaatsvinden.

4.

De bestuurder moet steeds in staat zijn, op verzoek van de met de controle belaste ambtenaren, de registratiebladen van de lopende week te tonen en, in elk geval, het registratieblad van de laatste dag van de week voorafgaande aan de week waarin hij het voertuig heeft bestuurd.

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Agreement.

DONE at Geneva, this first day of July nineteen hundred and seventy, in a single copy, in the English and French languages, the two texts being equally authentic.

Artikel 22 bis. Procedure voor het wijzigen van aanhangsel 1B
1.

Aanhangsel 1B van de bijlage bij deze Overeenkomst wordt gewijzigd overeenkomstig de in dit artikel omschreven procedure.

2.

Elk voorstel tot wijziging van de inleidende artikelen van aanhangsel 1B wordt aangenomen door de Subcommissie voor het wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa met een meerderheid van de aanwezige Overeenkomstsluitende Partijen die hun stem uitbrengen. Elke aldus aangenomen wijziging wordt door het secretariaat van de Subcommissie voor het wegvervoer toegezonden aan de Secretaris-Generaal voor kennisgeving aan alle Overeenkomstsluitende Partijen. De wijziging treedt in werking drie maanden na de datum van de kennisgeving aan de Overeenkomstsluitende Partijen.

3.

Aanhangsel 1B is een aanpassing ten behoeve van deze Overeenkomst van bijlage IB1)Zoals laatstelijk gewijzigd bij de Verordeningen van de Commissie (EG) Nr. 1360/2002 van 13 juni 2002 (PB L 207 van 5 augustus 2002 (Rectificatie PB L 77 van 13 maart 2004)) en nr. 432/2004 van 5 maart 2004 (PB L 71 van 10 maart 2004).van Verordening (EEG) 3821/85 zoals aangehaald in artikel 10 van deze Overeenkomst en rechtstreeks afhankelijk van de door de Europese Unie in deze bijlage geïntroduceerde ontwikkelingen; bijgevolg is elke wijziging van deze bijlage onder de volgende voorwaarden van toepassing op aanhangsel 1B:

4.

Indien een voorstel tot wijziging van de bijlage bij deze Overeenkomst tevens wijziging van aanhangsel 1B inhoudt, mogen de wijzigingen betreffende het aanhangsel niet eerder van kracht worden dan de wijzigingen die de bijlage betreffen. Indien in dit kader tegelijkertijd met wijzigingen van de bijlage wijzigingen van aanhangsel 1B worden gepresenteerd, wordt de datum waarop zij van kracht worden bepaald door de datum die voortvloeit uit de toepassing van de procedures omschreven in artikel 21.

HOOFDSTUK I. TYPEGOEDKEURING

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder „controleapparaat” „controleapparaat of zijn componenten”.

Aanvragen voor de goedkeuring van een type controleapparaat of een model van een registratieblad of een geheugenkaart worden, vergezeld van de desbetreffende specificaties door de fabrikant of zijn vertegenwoordiger ingediend bij een Overeenkomstsluitende Partij. Ter zake van een type controleapparaat, registratieblad- of een geheugenkaartmodel mag een aanvraag worden ingediend bij ten hoogste één Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 2

Een Overeenkomstsluitende Partij verleent haar typegoedkeuring aan elk type controleapparaat, aan elk registratieblad- of elk geheugenkaartmodel dat voldoet aan de in aanhangsel 1 of 1B bij deze bijlage neergelegde voorschriften, mits de Overeenkomstsluitende Partij in staat is te controleren of de productiemodellen voldoen aan het goedgekeurde prototype.

Voor het in aanhangsel 1B bedoelde controleapparaat mag geen typegoedkeuring worden verleend voordat aangetoond is dat het gehele systeem (het controleapparaat zelf, de bestuurderskaart en de elektrische verbindingen met de versnellingsbak) bestand is tegen pogingen tot manipulatie of wijziging van de gegevens omtrent de rijtijden. De benodigde beproevingen om dit vast te stellen worden uitgevoerd door deskundigen die vertrouwd zijn met de nieuwste manipulatietechnieken.

Voor wijzigingen van of toevoegingen aan een goedgekeurd model is een aanvullende typegoedkeuring vereist van de Overeenkomstsluitende Partij die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend.

Artikel 3

De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen de aanvrager een goedkeuringsmerk, dat voldoet aan het model vervat in aanhangsel 2, voor elk type controleapparaat of registratieblad- of geheugenkaartmodel dat zij ingevolge artikel 2 goedkeuren.

Artikel 4

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waarbij een aanvraag om typegoedkeuring is ingediend, zenden ter zake van elk type controleapparaat of registratieblad- of geheugenkaartmodel dat zij goedkeuren of weigeren goed te keuren, binnen één maand de autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partijen een afschrift toe van het goedkeuringscertificaat vergezeld van afschriften van de desbetreffende specificaties, of stellen indien zulks het geval is deze autoriteiten ervan in kennis dat de goedkeuring is geweigerd; in geval van weigering vermelden zij de redenen voor hun besluit.

Artikel 5
1.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring als voorzien in artikel 2 heeft verleend, vaststelt dat een bepaald controleapparaat, registratieblad- of geheugenkaartmodel voorzien van een goedkeuringsmerk dat zij heeft afgegeven niet voldoet aan het door haar goedgekeurde prototype, neemt zij de nodige stappen om te waarborgen dat de productiemodellen voldoen aan het goedgekeurde prototype. De genomen maatregelen kunnen zo nodig leiden tot intrekking van de typegoedkeuring.

2.

Een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring heeft verleend, trekt een dergelijke goedkeuring in, indien het goedgekeurde controleapparaat, het registratieblad- of geheugenkaartmodel niet voldoet aan deze bijlage of de aanhangsels daarbij of bij het gebruik ervan algemene defecten vertoont die het ongeschikt maken voor het doel waarvoor het beoogd is.

3.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring heeft verleend door een andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis wordt gesteld van een van de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt zij, na overleg met laatstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij, de in die leden neergelegde maatregelen met inachtneming van het vijfde lid.

4.

Een Overeenkomstsluitende Partij die vaststelt dat zich een van de in het tweede lid bedoelde gevallen voordoet, kan tot nader bericht het op de markt brengen en in bedrijf stellen van het controleapparaat, registratieblad of de geheugenkaart verbieden. Hetzelfde geldt in de gevallen genoemd in het eerste lid met betrekking tot controleapparaten, registratiebladen of geheugenkaarten die zijn uitgesloten van de eerste verificatie, indien de fabrikant, na voldoende te zijn gewaarschuwd, nalaat de apparatuur in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde model of met de vereisten van deze bijlage.

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen stellen elkaar in elk geval binnen één maand in kennis van elke intrekking van een typegoedkeuring of van andere maatregelen die zijn getroffen uit hoofde van het eerste, tweede en derde lid, en vermelden de redenen voor een dergelijke maatregel.

5.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring heeft verleend, het bestaan van een van de in het eerste of tweede lid omschreven gevallen ter zake waarvan zij een kennisgeving heeft ontvangen bestrijdt, trachten de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen het geschil te beslechten.

Artikel 6
1.

Een aanvrager van een typegoedkeuring van een registratiebladmodel vermeldt op zijn aanvraag het type of de typen controleapparaat waarvoor het blad in kwestie is ontworpen en verschaft een geschikt apparaat van dat type of die typen ten behoeve van het beproeven van het blad.

2.

De bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij vermelden op het goedkeuringscertificaat voor het registratiebladmodel het type of de typen controleapparaat waarmee dat bladmodel kan worden gebruikt.

Artikel 7

Een Overeenkomstsluitende Partij kan niet weigeren een voertuig uitgerust met een controleapparaat in te schrijven of het in het verkeer brengen of het gebruik van een dergelijk voertuig verbieden om redenen die verband houden met het feit dat het voertuig met een dergelijk apparaat is uitgerust, indien het controleapparaat is voorzien van het goedkeuringsmerk bedoeld in artikel 3 en het installatieplaatje bedoeld in artikel 9.

Artikel 8

In alle besluiten uit hoofde van deze bijlage tot het weigeren of intrekken van de goedkeuring van een type controleapparaat, een registratieblad- of geheugenkaartmodel worden de redenen waarop zij gebaseerd zijn gedetailleerd beschreven. Besluiten worden aan de betrokken partij gezonden, die tegelijkertijd wordt geïnformeerd over de openstaande rechtsmiddelen krachtens de wetten van de Verdragsluitende Partij en de termijnen voor het instellen van die rechtsmiddelen.

HOOFDSTUK II. INSTALLATIE EN INSPECTIE

Artikel 9
1.

Het controleapparaat kan uitsluitend worden geïnstalleerd of gerepareerd door installateurs of werkplaatsen die daartoe zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen, nadat laatstbedoelde indien zij dat wensen, de opvattingen van de betrokken fabrikanten hebben vernomen.

De termijn van de administratieve geldigheid van de goedgekeurde werkplaats- en installateurskaarten mag niet langer zijn dan één jaar.

Indien een aan een goedgekeurde werkplaats of installateur afgegeven kaart moet worden verlengd, beschadigd is, slecht functioneert, verloren is of ontvreemd, verstrekt de autoriteit binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een gedetailleerd verzoek daartoe een vervangende kaart.

Indien een nieuwe kaart wordt afgegeven ter vervanging van een oude, wordt de nieuwe kaart voorzien van hetzelfde werkplaatskaartnummer, maar het indexnummer wordt met één verhoogd. De autoriteit die de kaart afgeeft, houdt een register bij van verloren, gestolen of defecte kaarten.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de kaarten voor erkende installateurs en werkplaatsen worden vervalst.

2.

De erkende installateur of werkplaats brengt een bijzonder merk aan op de door hem aangebrachte verzegelingen en vult voor een controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B de elektronische beveiligingsgegevens in ten behoeve van het uitvoeren van de authenticatiecontroles. De bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij houden een register bij van de gebruikte merken en elektronische beveiligingsgegevens en van de kaarten afgegeven aan erkende werkplaatsen en installateurs.

3.

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen zenden elkaar hun lijsten toe van de erkende installateurs en werkplaatsen en van de aan hen afgegeven kaarten alsmede kopieën van de merken en van de nodige informatie die betrekking heeft op de gebruikte elektronische beveiligingsgegevens.

4.

Teneinde te certificeren dat het controleapparaat is geïnstalleerd in overeenstemming met de voorschriften van deze bijlage, wordt een installatieplaatje aangebracht zoals voorzien in aanhangsel 1 of 1B.

5.

Verzegelingen kunnen door de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het bepaalde in het eerste lid van dit artikel erkende installateurs of werkplaatsen of in de omstandigheden omschreven in aanhangsel 1 of 1B van deze bijlage worden verwijderd.

HOOFDSTUK III. GEBRUIK VAN APPARATUUR

Artikel 10

De werkgever en de bestuurders zorgen voor het correct functioneren en juiste gebruik van enerzijds het controleapparaat en anderzijds de bestuurderskaart indien een bestuurder een met een controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B uitgerust voertuig dient te besturen.

Artikel 11
1.

De werkgever geeft een voldoende aantal registratiebladen af aan de bestuurders van voertuigen die uitgerust zijn met het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1, daarbij rekening houdend met het feit dat deze bladen persoonsgebonden zijn, de duur van het gebruik alsmede met de mogelijkheid dat bladen beschadigd raken of worden ingenomen door een inspecteur en dat deze moeten worden vervangen. De werkgever geeft aan de bestuurders alleen bladen van een goedgekeurd model af die geschikt zijn voor gebruik in het in het voertuig geïnstalleerde controleapparaat.

Indien het voertuig uitgerust is met een controleapparaat overeenkomstig aanhangsel 1B, zorgen de werkgever en de bestuurder ervoor dat, rekening houdend met de duur van het gebruik, het afdrukken op verzoek bedoeld in aanhangsel 1B correct kan geschieden bij een inspectie.

2.

De onderneming bewaart de registratiebladen op de juiste wijze gedurende ten minste een jaar nadat zij zijn gebruikt en overhandigt afschriften ervan aan de betrokken bestuurders die daar om verzoeken. De bladen worden getoond of overgelegd op verzoek van een bevoegde functionaris die belast is met de inspectie.

3.

De bestuurderskaart zoals omschreven in aanhangsel 1B wordt, op verzoek van de bestuurder, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de bestuurder zijn normale woonplaats heeft.

Een Overeenkomstsluitende Partij kan van elke bestuurder op wie de bepalingen van de Overeenkomst van toepassing zijn en die zijn normale woonplaats op haar grondgebied heeft verlangen dat hij een bestuurderskaart bezit.

5.

De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen dat de gegevens die nodig zijn om de naleving van deze Overeenkomst te volgen en die vastgelegd en opgeslagen kunnen worden door het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B bij deze bijlage gedurende 365 dagen na de datum van vastlegging kunnen worden opgeslagen en toegankelijk gemaakt kunnen worden onder voorwaarden die de veiligheid en juistheid van de gegevens waarborgen.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het doorverkopen of uitschakelen van een controleapparaat niet ten koste kan gaan van de correcte toepassing van dit lid.

Artikel 12
1.

De bestuurders gebruiken geen vuile of beschadigde registratiebladen of bestuurderskaarten. De bladen of bestuurderskaarten worden daartoe op de juiste wijze beschermd.

Bij beschadiging van een blad of bestuurderskaart waarop gegevens zijn geregistreerd, voegen de bestuurders het beschadigde blad of de beschadigde kaart bij een reserveblad of een tijdelijk blad dat ter vervanging wordt gebruikt.

Indien de bestuurderskaart beschadigd is, slecht functioneert of verloren of ontvreemd is, verzoekt de bestuurder de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij zijn normale woonplaats heeft binnen zeven kalenderdagen om een vervangend exemplaar.

Indien een bestuurder zijn bestuurderskaart wenst te verlengen, dient hij uiterlijk 15 werkdagen voor het verstrijken van de geldigheid van de kaart een verzoek in bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waarin hij zijn normale woonplaats heeft.

2.

Bestuurders gebruiken de registratiebladen of de bestuurderskaart iedere dag waarop zij rijden vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen. Het registratieblad of de bestuurderskaart mag niet worden verwijderd voor het eind van de dagelijkse werktijd, tenzij dit anderszins is toegestaan. Registratiebladen of bestuurderskaarten mogen echter niet worden gebruikt voor een langere periode dan waarvoor zij bedoeld zijn.

Wanneer een bestuurder van het voertuig verwijderd is en geen gebruik kan maken van het in het voertuig geïnstalleerde controleapparaat, moeten de termijnen bedoeld in het derde lid, tweede streepje, onderdelen b, c en d, hieronder hetzij met de hand, hetzij via automatische registratie hetzij op andere wijze leesbaar en zonder het te bevuilen worden vastgelegd op het blad.

De bestuurders brengen op de registratiebladen de noodzakelijke wijzigingen aan indien er aan boord van het voertuig meer dan één bestuurder is en wel zodanig dat de in het derde lid, tweede streepje, onderdelen b, c en d, bedoelde informatie wordt geregistreerd op het blad van de bestuurder die daadwerkelijk rijdt.

3.

De bestuurders:

4.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan toestaan dat alle in het derde lid, tweede streepje, onderdelen b en c, bedoelde tijden op de in de op haar grondgebied ingeschreven voertuigen gebruikte registratiebladen onder het teken

worden geregistreerd.

5.

Elk lid van de betrokken bemanning registreert de volgende informatie op zijn registratieblad:

5 bis. De bestuurder voert in het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B de symbolen in van de landen waarin hij zijn dagelijkse werktijd begint en eindigt.

Het invoeren van de bovengenoemde gegevens wordt geactiveerd door de bestuurder en kan geheel handmatig of automatisch geschieden, indien het controleapparaat gekoppeld is aan een satellietvolgsysteem.

6.

Het controleapparaat omschreven in aanhangsel 1 wordt zodanig vormgegeven dat het voor een bevoegde functionaris die belast is met de inspectie mogelijk is zo nodig na het openen van de apparatuur het geen geregistreerd is met betrekking tot de negen aan de inspectie voorgaande uren af te lezen zonder het blad permanent te vervormen, beschadigen of vuil te maken.

Het apparaat is voorts zodanig vormgegeven dat het zonder de behuizing te openen mogelijk is te controleren of er registratie plaatsvindt.

8.

Het is verboden gegevens te vervalsen, uit te wissen of te vernietigen, die zijn vastgelegd op het registratieblad, opgeslagen in het controleapparaat of op de bestuurderskaart of op afdrukken van het controleapparaat zoals omschreven in aanhangsel 1B. Hetzelfde geldt voor elke manipulatie met het controleapparaat, het registratieblad of de bestuurderskaart die kan leiden tot vervalsing, achterwege laten of vernietiging van gegevens en/of afgedrukte informatie. Er mag geen enkel apparaat in het voertuig aanwezig zijn dat gebruikt zou kunnen worden voor de genoemde vormen van manipulatie.

Artikel 13
1.

Indien het controleapparaat defect raakt of slecht functioneert, laat de werkgever het repareren door een erkende installateur of werkplaats zodra de omstandigheden dat toelaten.

Indien het voertuig niet binnen één week, te rekenen vanaf de datum waarop het apparaat defect raakte of ontdekt werd dat het slecht functioneert, kan terugkeren naar de standplaats, wordt de reparatie onderweg uitgevoerd.

Op basis van door de Overeenkomstsluitende Partijen genomen maatregelen kunnen de bevoegde autoriteiten gemachtigd worden het gebruik van het voertuig te verbieden in gevallen waarin het defecte of slecht functionerende apparaat niet is hersteld zoals voorzien in de voorgaande leden.

2.

Indien het apparaat niet hersteld kan worden of defect is, noteren de bestuurders op het registratieblad of de registratiebladen, dan wel op een bij het registratieblad of de bestuurderskaart te voegen vervangend blad gegevens waarmee zij kunnen worden geïdentificeerd (naam en nummer van het rijbewijs of naam en nummer van de bestuurderskaart), en hun handtekening alsmede alle informatie over de periodes die niet meer zijn geregistreerd of niet meer correct zijn afgedrukt met het controleapparaat.

Indien een bestuurderskaart beschadigd is, niet functioneert, verloren of ontvreemd is, drukt de bestuurder aan het eind van zijn rit de informatie af die betrekking heeft op de met het controleapparaat geregistreerde periodes en vermeldt op dat document de gegevens waarmee hij geïdentificeerd kan worden (naam en nummer van zijn rijbewijs of naam en nummer van zijn bestuurderskaart), alsmede zijn handtekening.

3.

Indien een bestuurderskaart beschadigd is of niet functioneert, doet de bestuurder de kaart toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waarin hij zijn normale woonplaats heeft. Van ontvreemding van de bestuurderskaart wordt formeel aangifte gedaan bij de bevoegde autoriteiten van de Staat waar de ontvreemding heeft plaatsgevonden.

Bij verlies van de bestuurderskaart dient een formele verklaring te worden afgelegd bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij die de kaart hebben afgegeven en bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij zijn normale woonplaats heeft, indien dit een andere Partij betreft.

De bestuurder kan ten hoogste vijftien kalenderdagen zonder bestuurderskaart blijven rijden of langer indien dit nodig is om het voertuig te laten terugkeren naar de standplaats, mits de bestuurder kan aantonen dat het onmogelijk is de kaart in die periode te tonen of te gebruiken.

Indien de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar de bestuurder zijn normale woonplaats heeft niet dezelfde zijn als die welke zijn kaart hebben afgegeven en de laatstbedoelde verzocht worden de bestuurderskaart te verlengen, vervangen of om te wisselen, stellen zij de autoriteiten die de oude kaart hebben afgegeven in kennis van de precieze redenen voor de verlenging, vervanging of omwisseling.

Artikel 14
1.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Overeenkomst, dienen bestuurders die een in een Overeenkomstsluitende Partij ingeschreven voertuig besturen en aan wie de bevoegde autoriteiten nog geen bestuurderskaart hebben kunnen afgeven en die gedurende de overgangsperiode bedoeld in het eerste lid van dit artikel deelnemen aan het internationaal verkeer met een voertuig dat is uitgerust met een digitaal controleapparaat overeenkomstig aanhangsel 1B bij de bijlage, te allen tijde wanneer een functionaris belast met de inspectie daarom verzoekt in staat te zijn de afdrukken en/of registratiebladen te tonen van de lopende week en in elk geval de afdruk en/of het registratieblad van de laatste dag waarop zij reden in de voorafgaande week.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bestuurders van voertuigen die ingeschreven zijn in een land waar een bestuurderskaart verplicht is. De bestuurders tonen evenwel te allen tijde afdrukken indien een functionaris belast met de inspectie daarom verzoekt.

3.

De in het eerste lid bedoelde afdrukken moeten worden voorzien van de gegevens waarmee de bestuurders kunnen worden geïdentificeerd (naam en nummer van het rijbewijs) alsmede hun handtekening.

Artikel 1. Preambule
1.

Aangezien dit aanhangsel een aanpassing vormt van aanhangsel IB van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer1)Zoals laatstelijk gewijzigd bij de Verordening van de Raad (EG) nr. 2135/98 van 24 september 1998 (PB L 274 van 9 oktober 1998 alsmede bij de Verordeningen van de Commissie (EG) nr. 1360/2002 van 13 juni 2002 (PB L 207 van 5 augustus 2002 (Rectificatie PB L 77 van 13 maart 2004)) en nr. 432/2004 van 5 maart 2004 (PB L 71 van 10 maart 2004)., wordt de inhoud van deze bijlage vanwege de omvang en het zeer technische karakter niet opnieuw weergegeven in de AETR. Voor de complete officiële tekst en de achtereenvolgende wijzigingen worden de Overeenkomstsluitende Partijen verwezen naar het Publicatieblad van de Europese Unie.

De inhoud van ditaanhangsel 1B is daarom beperkt tot een inleiding waarin de verwijzingen naar de relevante teksten van de Europese Unie en uit de Publicatiebladen waarin zij zijn gepubliceerd geciteerd, waarbij door middel van kruisverwijzingen de nadruk wordt gelegd op de specifieke punten waarop de bijlage moest worden aangepast aan de context van de AETR.

2.

Teneinde overleg over die bijlage en de ter wille van de AETR doorgevoerde aanpassingen alsmede een algemeen overzicht van de tekst mogelijk te maken zal het secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties een geconsolideerde versie opstellen. Deze versie zal evenwel geen rechtskracht hebben. Deze versie, die is opgesteld in de officiële talen van de VN-ECE, zal wanneer nodig worden geactualiseerd.

Artikel 2. Inleidende bepalingen tot aanhangsel 1B
1.

In overeenstemming met het eerste lid van artikel 1 hierboven, worden de Overeenkomstsluitende Partijen uitgenodigd, ten behoeve van overleg over aanhangsel IB, nota te nemen van de Verordeningen van de Commissie, nr. 1360/2002 van 13 juni 2002 en van nr. 432/2004 van 5 maart 2004 (zie de voetnoot hieronder voor de data van publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie), waarbij Verordening van de Raad (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer respectievelijk voor de zevende en achtste keer wordt aangepast aan de vooruitgang van de techniek.

2.

Voor de toepassing van aanhangsel 1B:

Termen gebruikt in aanhangsel IB vervangen door Termen gebruikt in de AETR
Lidstaten Overeenkomstsluitende Partijen
Lidstaat overeenkomstsluitende staat
bijlage (IB) aanhangsel (1B)
Aanhangsel subaanhangsel
Verordening Overeenkomst of AETR
Gemeenschap VN-ECE
Recording equipment (uitsluitend in de Engelse versie) Control device (uitsluitend in de Engelse versie)
Wet- en regelgeving van de Europese Gemeenschap vervangen door Wetsteksten van de VN-ECE
Verordening van de Raad (EEG) nr. 3821/85 AETR
Richtlijn van de Raad nr. 92/23/EEG ECE-voorschrift 54
Richtlijn van de Commissie nr. 95/54/EG tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniekRichtlijn van de Raad 72/245/EEG ECE-voorschrift 10

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Agreement.

DONE at Geneva, this first day of July nineteen hundred and seventy, in a single copy, in the English and French languages, the two texts being equally authentic.

Artikel 8bis. Afwijkingen van artikel 8
1.

In afwijking van artikel 8 mag, wanneer een bestuurder een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd, en op voorwaarde dat hij een normale dagelijkse rusttijd neemt, die tijd hooguit tweemaal worden onderbroken door andere activiteiten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

Tijdens alle gedeelten van de dagelijkse rusttijd dient de bestuurder te kunnen beschikken over een bed of slaapbank.

2.

Tijd besteed om te reizen naar een plaats om een voertuig te gaan besturen dat onder het toepassingsgebied van deze Overeenkomst valt, of om terug te keren van deze plaats, wanneer het voertuig zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de vestiging van de werkgever waaraan de bestuurder gewoonlijk verbonden is, bevindt, geldt niet als rust of onderbreking, tenzij de bestuurder reist met een veerboot of trein en geschikte slaapvoorzieningen ter beschikking heeft.

3.

Tijd besteed door een bestuurder om met een voertuig dat buiten het toepassingsgebied van deze Overeenkomst valt, te rijden naar of van een voertuig dat onder het toepassingsgebied van deze Overeenkomst valt en dat zich niet in de woonplaats van de bestuurder of in de vestiging van de werkgever waaraan de bestuurder gewoonlijk verbonden is, bevindt, geldt als „andere werkzaamheden”.

Artikel 12bis. Gestandaardiseerde modelformulieren
1.

Ter vergemakkelijking van internationale controles langs de weg worden gestandaardiseerde modelformulieren ingevoerd in de Bijlage bij deze Overeenkomst, die dienovereenkomstig wordt aangevuld met een nieuw Aanhangsel 3; deze formulieren dienen indien nodig te worden gebruikt. Deze formuleren worden ingevoerd of gewijzigd in overeenstemming met de in artikel 22ter vermelde procedure.

2.

De in Aanhangsel 3 getoonde modelformulieren zijn op geen enkele wijze bindend. Indien zij worden gebruikt, dient de inhoud echter te worden gehandhaafd, in het bijzonder de nummering, volgorde en titels van de onderdelen.

3.

De Overeenkomstsluitende Partijen kunnen deze gegevens aanvullen met extra informatie teneinde aan nationale of regionale vereisten te voldoen. Deze aanvullende informatie mag in geen geval worden verlangd voor vervoer afkomstig uit een andere Overeenkomstsluitende Partij of derde land. Voor dit doel dient de informatie op het formulier volledig gescheiden van de gegevens voor internationaal vervoer te worden weergegeven.

4.

Deze formulieren worden aanvaard bij elke controle langs de weg die wordt uitgevoerd op het grondgebied van de Partijen bij deze Overeenkomst.

Artikel 13bis. Overgangsbepalingen

De bepalingen bedoeld aan het einde van artikel 12, paragraaf 7, onderdelen a en b, van de Bijlage bij deze Overeenkomst zijn van toepassing drie maanden nadat de onderhavige wijziging in werking is getreden.

Artikel 22ter. Procedure voor de wijziging van Aanhangsel 3
1.

Aanhangsel 3 bij de Bijlage bij deze Overeenkomst wordt gewijzigd in overeenstemming met de volgende procedure.

2.

Elk voorstel tot opneming in Aanhangsel 3 van modelformulieren overeenkomstig artikel 12bis van deze Overeenkomst of tot wijziging van bestaande formulieren wordt, ter aanneming, voorgelegd aan de Subcommissie voor het wegvervoer van de Economische Commissie voor Europa. Het voorstel wordt geacht te zijn aanvaard indien het wordt aangenomen door een meerderheid van de aanwezige Overeenkomstsluitende Partijen die hun stem uitbrengen.

Het secretariaat van de Economische Commissie voor Europa stelt de bevoegde autoriteiten van alle Partijen bij deze Overeenkomst officieel op de hoogte van elke aldus aangenomen wijziging en deelt deze informatie tegelijkertijd mede aan de Secretaris-Generaal, vergezeld van een afschrift van de desbetreffende tekst.

3.

Elk aldus aangenomen modelformulier kan worden gebruikt vanaf drie maanden na de datum waarop de informatie aan de Partijen bij deze Overeenkomst is medegedeeld.

HOOFDSTUK I. TYPEGOEDKEURING

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Hoofdstuk wordt verstaan onder „controleapparaat” „controleapparaat of zijn componenten”.

Aanvragen voor de goedkeuring van een type controleapparaat of een model van een registratieblad of een geheugenkaart worden, vergezeld van de desbetreffende specificaties door de fabrikant of zijn vertegenwoordiger ingediend bij een Overeenkomstsluitende Partij. Ter zake van een type controleapparaat, registratieblad- of een geheugenkaartmodel mag een aanvraag worden ingediend bij ten hoogste één Overeenkomstsluitende Partij.

Artikel 2

Een Overeenkomstsluitende Partij verleent haar typegoedkeuring aan elk type controleapparaat, aan elk registratieblad- of elk geheugenkaartmodel dat voldoet aan de in aanhangsel 1 of 1B bij deze bijlage neergelegde voorschriften, mits de Overeenkomstsluitende Partij in staat is te controleren of de productiemodellen voldoen aan het goedgekeurde prototype.

Voor het in aanhangsel 1B bedoelde controleapparaat mag geen typegoedkeuring worden verleend voordat aangetoond is dat het gehele systeem (het controleapparaat zelf, de bestuurderskaart en de elektrische verbindingen met de versnellingsbak) bestand is tegen pogingen tot manipulatie of wijziging van de gegevens omtrent de rijtijden. De benodigde beproevingen om dit vast te stellen worden uitgevoerd door deskundigen die vertrouwd zijn met de nieuwste manipulatietechnieken.

Voor wijzigingen van of toevoegingen aan een goedgekeurd model is een aanvullende typegoedkeuring vereist van de Overeenkomstsluitende Partij die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend.

Artikel 3

De Overeenkomstsluitende Partijen verlenen de aanvrager een goedkeuringsmerk, dat voldoet aan het model vervat in aanhangsel 2, voor elk type controleapparaat of registratieblad- of geheugenkaartmodel dat zij ingevolge artikel 2 goedkeuren.

Artikel 4

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waarbij een aanvraag om typegoedkeuring is ingediend, zenden ter zake van elk type controleapparaat of registratieblad- of geheugenkaartmodel dat zij goedkeuren of weigeren goed te keuren, binnen één maand de autoriteiten van de andere Overeenkomstsluitende Partijen een afschrift toe van het goedkeuringscertificaat vergezeld van afschriften van de desbetreffende specificaties, of stellen indien zulks het geval is deze autoriteiten ervan in kennis dat de goedkeuring is geweigerd; in geval van weigering vermelden zij de redenen voor hun besluit.

Artikel 5
1.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring als voorzien in artikel 2 heeft verleend, vaststelt dat een bepaald controleapparaat, registratieblad- of geheugenkaartmodel voorzien van een goedkeuringsmerk dat zij heeft afgegeven niet voldoet aan het door haar goedgekeurde prototype, neemt zij de nodige stappen om te waarborgen dat de productiemodellen voldoen aan het goedgekeurde prototype. De genomen maatregelen kunnen zo nodig leiden tot intrekking van de typegoedkeuring.

2.

Een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring heeft verleend, trekt een dergelijke goedkeuring in, indien het goedgekeurde controleapparaat, het registratieblad- of geheugenkaartmodel niet voldoet aan deze bijlage of de aanhangsels daarbij of bij het gebruik ervan algemene defecten vertoont die het ongeschikt maken voor het doel waarvoor het beoogd is.

3.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring heeft verleend door een andere Overeenkomstsluitende Partij in kennis wordt gesteld van een van de gevallen bedoeld in het eerste en tweede lid, neemt zij, na overleg met laatstbedoelde Overeenkomstsluitende Partij, de in die leden neergelegde maatregelen met inachtneming van het vijfde lid.

4.

Een Overeenkomstsluitende Partij die vaststelt dat zich een van de in het tweede lid bedoelde gevallen voordoet, kan tot nader bericht het op de markt brengen en in bedrijf stellen van het controleapparaat, registratieblad of de geheugenkaart verbieden. Hetzelfde geldt in de gevallen genoemd in het eerste lid met betrekking tot controleapparaten, registratiebladen of geheugenkaarten die zijn uitgesloten van de eerste verificatie, indien de fabrikant, na voldoende te zijn gewaarschuwd, nalaat de apparatuur in overeenstemming te brengen met het goedgekeurde model of met de vereisten van deze bijlage.

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen stellen elkaar in elk geval binnen één maand in kennis van elke intrekking van een typegoedkeuring of van andere maatregelen die zijn getroffen uit hoofde van het eerste, tweede en derde lid, en vermelden de redenen voor een dergelijke maatregel.

5.

Indien een Overeenkomstsluitende Partij die een typegoedkeuring heeft verleend, het bestaan van een van de in het eerste of tweede lid omschreven gevallen ter zake waarvan zij een kennisgeving heeft ontvangen bestrijdt, trachten de betrokken Overeenkomstsluitende Partijen het geschil te beslechten.

Artikel 6
1.

Een aanvrager van een typegoedkeuring van een registratiebladmodel vermeldt op zijn aanvraag het type of de typen controleapparaat waarvoor het blad in kwestie is ontworpen en verschaft een geschikt apparaat van dat type of die typen ten behoeve van het beproeven van het blad.

2.

De bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij vermelden op het goedkeuringscertificaat voor het registratiebladmodel het type of de typen controleapparaat waarmee dat bladmodel kan worden gebruikt.

Artikel 7

Een Overeenkomstsluitende Partij kan niet weigeren een voertuig uitgerust met een controleapparaat in te schrijven of het in het verkeer brengen of het gebruik van een dergelijk voertuig verbieden om redenen die verband houden met het feit dat het voertuig met een dergelijk apparaat is uitgerust, indien het controleapparaat is voorzien van het goedkeuringsmerk bedoeld in artikel 3 en het installatieplaatje bedoeld in artikel 9.

Artikel 8

In alle besluiten uit hoofde van deze bijlage tot het weigeren of intrekken van de goedkeuring van een type controleapparaat, een registratieblad- of geheugenkaartmodel worden de redenen waarop zij gebaseerd zijn gedetailleerd beschreven. Besluiten worden aan de betrokken partij gezonden, die tegelijkertijd wordt geïnformeerd over de openstaande rechtsmiddelen krachtens de wetten van de Verdragsluitende Partij en de termijnen voor het instellen van die rechtsmiddelen.

HOOFDSTUK II. INSTALLATIE EN INSPECTIE

Artikel 9
1.

Het controleapparaat kan uitsluitend worden geïnstalleerd of gerepareerd door installateurs of werkplaatsen die daartoe zijn goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen, nadat laatstbedoelde indien zij dat wensen, de opvattingen van de betrokken fabrikanten hebben vernomen.

De termijn van de administratieve geldigheid van de goedgekeurde werkplaats- en installateurskaarten mag niet langer zijn dan één jaar.

Indien een aan een goedgekeurde werkplaats of installateur afgegeven kaart moet worden verlengd, beschadigd is, slecht functioneert, verloren is of ontvreemd, verstrekt de autoriteit binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een gedetailleerd verzoek daartoe een vervangende kaart.

Indien een nieuwe kaart wordt afgegeven ter vervanging van een oude, wordt de nieuwe kaart voorzien van hetzelfde werkplaatskaartnummer, maar het indexnummer wordt met één verhoogd. De autoriteit die de kaart afgeeft, houdt een register bij van verloren, gestolen of defecte kaarten.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om te voorkomen dat de kaarten voor erkende installateurs en werkplaatsen worden vervalst.

2.

De erkende installateur of werkplaats brengt een bijzonder merk aan op de door hem aangebrachte verzegelingen en vult voor een controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B de elektronische beveiligingsgegevens in ten behoeve van het uitvoeren van de authenticatiecontroles. De bevoegde autoriteiten van elke Overeenkomstsluitende Partij houden een register bij van de gebruikte merken en elektronische beveiligingsgegevens en van de kaarten afgegeven aan erkende werkplaatsen en installateurs.

3.

De bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partijen zenden elkaar hun lijsten toe van de erkende installateurs en werkplaatsen en van de aan hen afgegeven kaarten alsmede kopieën van de merken en van de nodige informatie die betrekking heeft op de gebruikte elektronische beveiligingsgegevens.

4.

Teneinde te certificeren dat het controleapparaat is geïnstalleerd in overeenstemming met de voorschriften van deze bijlage, wordt een installatieplaatje aangebracht zoals voorzien in aanhangsel 1 of 1B.

5.

Verzegelingen kunnen door de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het bepaalde in het eerste lid van dit artikel erkende installateurs of werkplaatsen of in de omstandigheden omschreven in aanhangsel 1 of 1B van deze bijlage worden verwijderd.

HOOFDSTUK III. GEBRUIK VAN APPARATUUR

Artikel 10

De werkgever en de bestuurders zorgen voor het correct functioneren en juiste gebruik van enerzijds het controleapparaat en anderzijds de bestuurderskaart indien een bestuurder een met een controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B uitgerust voertuig dient te besturen.

Artikel 11
1.

De werkgever geeft een voldoende aantal registratiebladen af aan de bestuurders van voertuigen die uitgerust zijn met het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1, daarbij rekening houdend met het feit dat deze bladen persoonsgebonden zijn, de duur van het gebruik alsmede met de mogelijkheid dat bladen beschadigd raken of worden ingenomen door een inspecteur en dat deze moeten worden vervangen. De werkgever geeft aan de bestuurders alleen bladen van een goedgekeurd model af die geschikt zijn voor gebruik in het in het voertuig geïnstalleerde controleapparaat.

Indien het voertuig uitgerust is met een controleapparaat overeenkomstig aanhangsel 1B, zorgen de werkgever en de bestuurder ervoor dat, rekening houdend met de duur van het gebruik, het afdrukken op verzoek bedoeld in aanhangsel 1B correct kan geschieden bij een inspectie.

2.

Voor de toepassing van deze subparagraaf wordt „overgebracht” uitgelegd in overeenstemming met de definitie vervat in Aanhangsel 1B, Hoofdstuk I, onderdeel s.

3.

De bestuurderskaart zoals omschreven in aanhangsel 1B wordt, op verzoek van de bestuurder, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de Overeenkomstsluitende Partij waar de bestuurder zijn normale woonplaats heeft.

Een Overeenkomstsluitende Partij kan van elke bestuurder op wie de bepalingen van de Overeenkomst van toepassing zijn en die zijn normale woonplaats op haar grondgebied heeft verlangen dat hij een bestuurderskaart bezit.

5.

De Overeenkomstsluitende Partijen waarborgen dat de gegevens die nodig zijn om de naleving van deze Overeenkomst te volgen en die vastgelegd en opgeslagen kunnen worden door het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B bij deze bijlage gedurende 365 dagen na de datum van vastlegging kunnen worden opgeslagen en toegankelijk gemaakt kunnen worden onder voorwaarden die de veiligheid en juistheid van de gegevens waarborgen.

De Overeenkomstsluitende Partijen nemen alle maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat het doorverkopen of uitschakelen van een controleapparaat niet ten koste kan gaan van de correcte toepassing van dit lid.

Artikel 12
1.

De bestuurders gebruiken geen vuile of beschadigde registratiebladen of bestuurderskaarten. De bladen of bestuurderskaarten worden daartoe op de juiste wijze beschermd.

Bij beschadiging van een blad of bestuurderskaart waarop gegevens zijn geregistreerd, voegen de bestuurders het beschadigde blad of de beschadigde kaart bij een reserveblad of een tijdelijk blad dat ter vervanging wordt gebruikt.

Indien de bestuurderskaart beschadigd is, slecht functioneert of verloren of ontvreemd is, verzoekt de bestuurder de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij zijn normale woonplaats heeft binnen zeven kalenderdagen om een vervangend exemplaar.

Indien een bestuurder zijn bestuurderskaart wenst te verlengen, dient hij uiterlijk 15 werkdagen voor het verstrijken van de geldigheid van de kaart een verzoek in bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waarin hij zijn normale woonplaats heeft.

3.

De bestuurders:

4.

Elke Overeenkomstsluitende Partij kan toestaan dat alle in het derde lid, tweede streepje, onderdelen b en c, bedoelde tijden op de in de op haar grondgebied ingeschreven voertuigen gebruikte registratiebladen onder het teken

worden geregistreerd.

5.

Elk lid van de betrokken bemanning registreert de volgende informatie op zijn registratieblad:

5 bis. De bestuurder voert in het controleapparaat in overeenstemming met aanhangsel 1B de symbolen in van de landen waarin hij zijn dagelijkse werktijd begint en eindigt.

Het invoeren van de bovengenoemde gegevens wordt geactiveerd door de bestuurder en kan geheel handmatig of automatisch geschieden, indien het controleapparaat gekoppeld is aan een satellietvolgsysteem.

6.

Het controleapparaat omschreven in aanhangsel 1 wordt zodanig vormgegeven dat het voor een bevoegde functionaris die belast is met de inspectie mogelijk is zo nodig na het openen van de apparatuur het geen geregistreerd is met betrekking tot de negen aan de inspectie voorgaande uren af te lezen zonder het blad permanent te vervormen, beschadigen of vuil te maken.

Het apparaat is voorts zodanig vormgegeven dat het zonder de behuizing te openen mogelijk is te controleren of er registratie plaatsvindt.

8.

Het is verboden gegevens te vervalsen, uit te wissen of te vernietigen, die zijn vastgelegd op het registratieblad, opgeslagen in het controleapparaat of op de bestuurderskaart of op afdrukken van het controleapparaat zoals omschreven in aanhangsel 1B. Hetzelfde geldt voor elke manipulatie met het controleapparaat, het registratieblad of de bestuurderskaart die kan leiden tot vervalsing, achterwege laten of vernietiging van gegevens en/of afgedrukte informatie. Er mag geen enkel apparaat in het voertuig aanwezig zijn dat gebruikt zou kunnen worden voor de genoemde vormen van manipulatie.

Artikel 13
1.

Indien het controleapparaat defect raakt of slecht functioneert, laat de werkgever het repareren door een erkende installateur of werkplaats zodra de omstandigheden dat toelaten.

Indien het voertuig niet binnen één week, te rekenen vanaf de datum waarop het apparaat defect raakte of ontdekt werd dat het slecht functioneert, kan terugkeren naar de standplaats, wordt de reparatie onderweg uitgevoerd.

Op basis van door de Overeenkomstsluitende Partijen genomen maatregelen kunnen de bevoegde autoriteiten gemachtigd worden het gebruik van het voertuig te verbieden in gevallen waarin het defecte of slecht functionerende apparaat niet is hersteld zoals voorzien in de voorgaande leden.

3.

Indien een bestuurderskaart beschadigd is of niet functioneert, doet de bestuurder de kaart toekomen aan de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waarin hij zijn normale woonplaats heeft. Van ontvreemding van de bestuurderskaart wordt formeel aangifte gedaan bij de bevoegde autoriteiten van de Staat waar de ontvreemding heeft plaatsgevonden.

Bij verlies van de bestuurderskaart dient een formele verklaring te worden afgelegd bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij die de kaart hebben afgegeven en bij de bevoegde autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar hij zijn normale woonplaats heeft, indien dit een andere Partij betreft.

De bestuurder kan ten hoogste vijftien kalenderdagen zonder bestuurderskaart blijven rijden of langer indien dit nodig is om het voertuig te laten terugkeren naar de standplaats, mits de bestuurder kan aantonen dat het onmogelijk is de kaart in die periode te tonen of te gebruiken.

Indien de autoriteiten van de Overeenkomstsluitende Partij waar de bestuurder zijn normale woonplaats heeft niet dezelfde zijn als die welke zijn kaart hebben afgegeven en de laatstbedoelde verzocht worden de bestuurderskaart te verlengen, vervangen of om te wisselen, stellen zij de autoriteiten die de oude kaart hebben afgegeven in kennis van de precieze redenen voor de verlenging, vervanging of omwisseling.

Artikel 14
1.

Ingevolge artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van de Overeenkomst, dienen bestuurders die een in een Overeenkomstsluitende Partij ingeschreven voertuig besturen en aan wie de bevoegde autoriteiten nog geen bestuurderskaart hebben kunnen afgeven en die gedurende de overgangsperiode bedoeld in het eerste lid van dit artikel deelnemen aan het internationaal verkeer met een voertuig dat is uitgerust met een digitaal controleapparaat overeenkomstig aanhangsel 1B bij de bijlage, te allen tijde wanneer een functionaris belast met de inspectie daarom verzoekt in staat te zijn de afdrukken en/of registratiebladen te tonen van de lopende week en in elk geval de afdruk en/of het registratieblad van de laatste dag waarop zij reden in de voorafgaande week.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bestuurders van voertuigen die ingeschreven zijn in een land waar een bestuurderskaart verplicht is. De bestuurders tonen evenwel te allen tijde afdrukken indien een functionaris belast met de inspectie daarom verzoekt.

3.

De in het eerste lid bedoelde afdrukken moeten worden voorzien van de gegevens waarmee de bestuurders kunnen worden geïdentificeerd (naam en nummer van het rijbewijs) alsmede hun handtekening.

Artikel 1. Preambule
1.

Aangezien dit aanhangsel een aanpassing vormt van aanhangsel IB van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer1)Zoals laatstelijk gewijzigd bij de Verordening van de Raad (EG) nr. 2135/98 van 24 september 1998 (PB L 274 van 9 oktober 1998 alsmede bij de Verordeningen van de Commissie (EG) nr. 1360/2002 van 13 juni 2002 (PB L 207 van 5 augustus 2002 (Rectificatie PB L 77 van 13 maart 2004)) en nr. 432/2004 van 5 maart 2004 (PB L 71 van 10 maart 2004)., wordt de inhoud van deze bijlage vanwege de omvang en het zeer technische karakter niet opnieuw weergegeven in de AETR. Voor de complete officiële tekst en de achtereenvolgende wijzigingen worden de Overeenkomstsluitende Partijen verwezen naar het Publicatieblad van de Europese Unie.

De inhoud van ditaanhangsel 1B is daarom beperkt tot een inleiding waarin de verwijzingen naar de relevante teksten van de Europese Unie en uit de Publicatiebladen waarin zij zijn gepubliceerd geciteerd, waarbij door middel van kruisverwijzingen de nadruk wordt gelegd op de specifieke punten waarop de bijlage moest worden aangepast aan de context van de AETR.

2.

Teneinde overleg over die bijlage en de ter wille van de AETR doorgevoerde aanpassingen alsmede een algemeen overzicht van de tekst mogelijk te maken zal het secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties een geconsolideerde versie opstellen. Deze versie zal evenwel geen rechtskracht hebben. Deze versie, die is opgesteld in de officiële talen van de VN-ECE, zal wanneer nodig worden geactualiseerd.

Artikel 2. Inleidende bepalingen tot aanhangsel 1B
1.

In overeenstemming met het eerste lid van artikel 1 hierboven, worden de Overeenkomstsluitende Partijen uitgenodigd, ten behoeve van overleg over aanhangsel IB, nota te nemen van de Verordeningen van de Commissie, nr. 1360/2002 van 13 juni 2002 en van nr. 432/2004 van 5 maart 2004 (zie de voetnoot hieronder voor de data van publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie), waarbij Verordening van de Raad (EEG) nr. 3821/85 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer respectievelijk voor de zevende en achtste keer wordt aangepast aan de vooruitgang van de techniek.

2.

Voor de toepassing van aanhangsel 1B:

Termen gebruikt in aanhangsel IB vervangen door Termen gebruikt in de AETR
Lidstaten Overeenkomstsluitende Partijen
Lidstaat overeenkomstsluitende staat
bijlage (IB) aanhangsel (1B)
Aanhangsel subaanhangsel
Verordening Overeenkomst of AETR
Gemeenschap VN-ECE
Recording equipment (uitsluitend in de Engelse versie) Control device (uitsluitend in de Engelse versie)
Wet- en regelgeving van de Europese Gemeenschap vervangen door Wetsteksten van de VN-ECE
Verordening van de Raad (EEG) nr. 3821/85 AETR
Richtlijn van de Raad nr. 92/23/EEG ECE-voorschrift 54
Richtlijn van de Commissie nr. 95/54/EG tot aanpassing aan de vooruitgang van de techniekRichtlijn van de Raad 72/245/EEG ECE-voorschrift 10

IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorized thereto, have signed this Agreement.

DONE at Geneva, this first day of July nineteen hundred and seventy, in a single copy, in the English and French languages, the two texts being equally authentic.