← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid

Geldende tekst a fecha 1983-05-01

Hare Majesteit de Koningin der Nederlanden en

de President van de Republiek Turkije,

Bezield door de wens de betrekkingen inzake sociale verzekering tussen de beide Staten te regelen;

Hebben omtrent de volgende bepalingen overeenstemming bereikt:

TITEL I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

Dit Verdrag is van toepassing:

2.

Dit Verdrag is eveneens van toepassing op alle wetten en regelingen waarbij de wettelijke regelingen, genoemd in het eerste lid van dit artikel zijn of worden gewijzigd of aangevuld.

Evenwel is dit Verdrag slechts van toepassing:

Artikel 3
1.

De bepalingen van dit Verdrag zijn van toepassing op de werknemers of met hen gelijkgestelden, op wie de wettelijke regeling van één der Verdragsluitende Partijen van toepassing is of geweest is en die onderdaan zijn van één van die Partijen, alsmede op hun gezinsleden en hun nagelaten betrekkingen.

2.

De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op de diplomatieke en consulaire beroepsambtenaren, kanselarijbeambten daaronder begrepen, noch op personen die tot het overheidspersoneel van een Verdragsluitende Partij behoren en door hun Regering naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij worden gezonden.

Artikel 4

De onderdanen van één der Verdragsluitende Partijen op wie de bepalingen van dit Verdrag van toepassing zijn, zijn onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van de andere Partij onderworpen aan de verplichtingen en gerechtigd tot de voordelen voortvloeiende uit de in artikel 2 genoemde wettelijke regelingen.

Artikel 5
1.

De pensioenen of renten met inbegrip van de bijslagen, verkregen op grond van de wettelijke regelingen van één der Verdragsluitende Partijen, kunnen niet verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard worden op grond van het feit dat de rechthebbende woonachtig is op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij dan die op het grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is zich bevindt.

2.

De sociale verzekeringsuitkeringen van één der Verdragsluitende Partijen worden aan de onderdanen van de andere Verdragsluitende Partij die op het grondgebied van een derde Staat verblijven, onder dezelfde voorwaarden en tot dezelfde omvang uitbetaald als aan de onderdanen van de eerste Partij die op het grondgebied van die derde Staat verblijven.

Artikel 6
1.

Krachtens de bepalingen van dit Verdrag kan geen enkel recht worden uitgeoefend of gehandhaafd om op grond van de wettelijke regelingen van de Verdragsluitende Partijen verschillende uitkeringen van dezelfde aard of verschillende uitkeringen die betrekking hebben op eenzelfde tijdvak van verzekering te genieten, behalve wanneer deze voor zoveel het de ouderdomsverzekering betreft, tot verdeling van de lasten tussen de organen van de beide Verdragsluitende Partijen leiden.

2.

De bepalingen inzake vermindering, schorsing of intrekking, voorzien bij de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij in geval van samenloop met andere uitkeringen van sociale zekerheid of met andere inkomsten zijn op de rechthebbende van toepassing, zelfs indien het uitkeringen betreft welke verschuldigd zijn krachtens een wettelijke regeling van de andere Verdragsluitende Partij of indien het gaat om inkomsten verkregen op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij.

3.

Indien de toepassing van deze regel tot gevolg heeft, dat de uitkeringen verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van beide Verdragsluitende Partijen beide worden verminderd of geschorst, dan kan geen van deze uitkeringen verminderd of geschorst worden met een bedrag dat hoger is dan de helft van het bedrag dat niet uitbetaald zou worden.

4.

Het bepaalde in het vorige lid is evenwel niet van toepassing in de gevallen waarin uitkeringen van dezelfde aard verschuldigd zijn overeenkomstig de artikelen 22 en 23 van dit Verdrag.

5.

Indien de toepassing van het tweede lid de vermindering of de schorsing tot gevolg heeft van een uitkering welke overeenkomstig de artikelen 22 en 23 is toegekend, wordt voor de vermindering of schorsing slechts een gedeelte van die uitkeringen of inkomsten in aanmerking genomen, dat wordt vastgesteld in verhouding tot de duur van de overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, onder b, van artikel 23 vervulde tijdvakken.

TITEL II. Bepalingen ter vaststelling van de van toepassing zijnde wetgeving

Artikel 7

Onverminderd de bepalingen van deze Titel is op werknemers of met hen gelijkgestelden die werkzaam zijn op het grondgebied van één der Verdragsluitende Partijen, de wetgeving van deze Partij van toepassing, zelfs indien zij geacht worden te wonen op het grondgebied van de andere Partij of indien hun werkgever of de zetel van de onderneming waarbij zij in dienst zijn, zich op het grondgebied van de andere Partij bevindt.

Artikel 8

Op het beginsel vervat in het vorige artikel, gelden de volgende uitzonderingen:

Artikel 9
1.

Onverminderd het bepaalde in het tweede lid van artikel 3, is artikel 7 van toepassing op de werknemers of met hen gelijkgestelden die in de diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen van de Verdragsluitende Partijen werkzaam zijn of in persoonlijke dienst van de ambtenaren dier diensten zijn.

2.

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde werknemers die onderdaan zijn van de Verdragsluitende Partij welke door de desbetreffende diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt vertegenwoordigd, mogen evenwel binnen een termijn van drie maanden na de aanvang van hun werkzaamheid of het in werking treden van dit Verdrag kiezen voor toepassing van de wetgeving van de vertegenwoordigde Staat. De keuze heeft geen terugwerkende kracht.

Artikel 10

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen kunnen voor bepaalde werknemers of groepen werknemers met betrekking tot de toepasselijke wetgeving in gemeen overleg uitzonderingen vaststellen op de bepalingen van de artikelen 7 tot en met 9 van dit Verdrag.

TITEL III. Bijzondere bepalingen

HOOFDSTUK 1. Ziekte - Moederschap

Artikel 11

Wanneer een werknemer of een met hem gelijkgestelde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op prestaties de tijdvakken van verzekering, vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der Verdragsluitende Partijen, voor zover zij niet samenvallen, samengeteld.

Artikel 12
1.

De werknemer of de met hem gelijkgestelde, die tijdvakken van verzekering heeft vervuld krachtens de wettelijke regeling van één der Verdragsluitende Partijen en zich naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij begeeft, heeft voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die zich op dat grondgebied bevinden, recht op prestaties ingevolge de ziekte- en moederschapsverzekering als voorzien in de wettelijke regeling van deze Verdragsluitende Partij, mits hij:

2.

Indien in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde gevallen de werknemer of de met hem gelijkgestelde niet aan de in de letters a), b) en c) van dat lid vermelde voorwaarden voldoet en wanneer bedoelde werknemer nog recht heeft op prestaties ingevolge de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij het laatst verzekerd was voordat hij van woonplaats veranderde, indien hij zich op laatstbedoeld grondgebied bevond, behoudt hij recht op de prestaties. Het orgaan van laatstbedoelde Partij kan het orgaan van de woonplaats verzoeken de verstrekkingen te verlenen overeenkomstig de wettelijke regeling, toegepast door laatstgenoemd orgaan.

Artikel 13
1.

Een werknemer of een met hem gelijkgestelde die aangesloten is bij een orgaan van een der Verdragsluitende Partijen en woonachtig is op het grondgebied van die Partij, heeft recht op prestaties gedurende een tijdelijk verblijf op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, wanneer zijn gezondheidstoestand onmiddellijke geneeskundige behandeling met inbegrip van opname in een ziekenhuis, noodzakelijk maakt.

2.

Een werknemer of een met hem gelijkgestelde, die recht op prestaties heeft verkregen ten laste van een orgaan van een der Verdragsluitende Partijen en die op het grondgebied van die Partij woonachtig is, behoudt dat recht indien hij zijn woonplaats naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij overbrengt; vóór de overbrenging moet de werknemer echter toestemming hebben van het bevoegde orgaan dat deze slechts kan weigeren op advies van een geneeskundige van dit orgaan die vastgesteld heeft dat de gezondheidstoestand van de werknemer de overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij verhindert.

3.

Wanneer een werknemer of een met hem gelijkgestelde overeenkomstig de bepalingen van de vorige leden recht heeft op prestaties, worden de verstrekkingen gedaan door het orgaan van zijn verblijfplaats of van zijn nieuwe woonplaats overeenkomstig de bepalingen van de wettelijke regeling welke door dat orgaan wordt toegepast, in het bijzonder wat betreft de omvang en de wijze van de verstrekking; de periode gedurende welke deze verstrekkingen worden verleend is evenwel gelijk aan die voorzien in de wettelijke regeling van het bevoegde land.

4.

In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, worden prothesen, kunstmiddelen van grotere omvang en andere belangrijke verstrekkingen, behalve in onmiskenbare spoedgevallen, slechts verschaft als het bevoegde Orgaan daartoe machtiging heeft verleend.

5.

In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, worden de uitkeringen overeenkomstig de wettelijke regeling van het bevoegde land verleend.

Deze uitkeringen kunnen, volgens in een administratief akkoord te stellen regelen, voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van het andere land worden uitbetaald.

6.

De bepalingen van de vorige leden zijn van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden, wanneer zij tijdelijk op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij verblijven of wanneer zij hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, nadat zij ziek of zwanger zijn geworden.

Artikel 14
1.

De gezinsleden van een werknemer of een met hem gelijkgestelde die is aangesloten bij een orgaan van een der Verdragsluitende Partijen genieten, indien zij woonachtig zijn op het grondgebied van de andere Partij, verstrekkingen, alsof de werknemer bij het orgaan van hun woonplaats was aangesloten. De omvang, de duur en de wijze van verlening van bedoelde verstrekkingen worden vastgesteld volgens de bepalingen van de wettelijke regeling welke het orgaan van de woonplaats toepast.

2.

Wanneer de gezinsleden hun woonplaats overbrengen naar het grondgebied van het bevoegde land, genieten zij de verstrekkingen overeenkomstig de bepalingen van de wettelijke regelingen van dat land. Deze bepaling is eveneens van toepassing, wanneer de gezinsleden voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap reeds verstrekkingen hebben genoten van de organen van de Verdragsluitende Partij, op het grondgebied waarvan zij vóór hun verhuizing hebben gewoond; indien de wettelijke regeling, welke door het bevoegde orgaan wordt toegepast, voorziet in een maximumduur voor de toekenning van uitkeringen en verstrekkingen, wordt met het tijdvak, waarover onmiddellijk vóór de overbrenging van de woonplaats uitkeringen of verstrekkingen zijn verleend, rekening gehouden.

3.

Wanneer de gezinsleden als bedoeld in het eerste lid van dit artikel in het land van hun woonplaats beroepswerkzaamheden uitoefenen of een pensioen of rente genieten op grond waarvan zij aanspraak op verstrekkingen kunnen maken, zijn de bepalingen van dit artikel niet op hen van toepassing.

Artikel 14bis

De werklozen die, eventueel met inachtneming van artikel 11, voldoen aan de voorwaarden voor het recht op verstrekkingen van de wettelijke regeling van de Verdragsluitende Partij ten laste waarvan de werkloosheidsuitkeringen komen, hebben, evenals hun gezinsleden, recht op verstrekkingen, wanneer zij op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Party wonen. In dit geval worden de verstrekkingen verleend door het orgaan van de woonplaats volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof de betrokkene krachtens deze wettelijke regeling recht op die verstrekkingen had; deze verstrekkingen komen echter voor rekening van het bevoegde orgaan van eerstbedoelde Partij.

Artikel 15

Indien bij de toepassing van dit hoofdstuk een werknemer of een met hem gelijkgestelde of een lid van zijn gezin op grond van de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen recht op moederschapsuitkeringen zou kunnen doen gelden, is van toepassing de wettelijke regeling welke van kracht is op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waar de geboorte heeft plaatsgevonden, waarbij voor zover noodzakelijk rekening wordt gehouden met de samentelling van tijdvakken, als bedoeld in artikel 11 van dit Verdrag.

Artikel 16
1.

Wanneer de rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens zowel de wettelijke regeling van de ene als die van de andere Verdragsluitende Partij, woonachtig is op het grondgebied van één dier Partijen en hij volgens de wettelijke regeling van deze Partij recht op verstrekkingen heeft, worden deze aan hemzelf en aan zijn gezinsleden verleend door het orgaan van zijn woonplaats, alsof hij in het genot was van een pensioen of rente, uitsluitend verschuldigd op grond van de wettelijke regeling van het land van zijn woonplaats. Genoemde verstrekkingen komen ten laste van het orgaan van de woonplaats.

2.

Wanneer de rechthebbende op een pensioen of een rente, enkel verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een der Verdragsluitende Partijen, woonachtig is op het grondgebied van de andere Partij, worden de verstrekkingen, waarop hij krachtens de wettelijke regeling van eerstgenoemde Partij recht heeft, aan hemzelf en aan zijn gezinsleden verleend door het orgaan van zijn woonplaats.

3.

Indien, ter dekking van de verstrekkingen, de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij voorziet in premie-inhoudingen ten laste van degene die een pensioen of rente geniet, is het orgaan dat het pensioen of de rente verschuldigd is en tot welks last de verstrekkingen komen, gemachtigd in de in dit artikel bedoelde gevallen tot die inhouding over te gaan.

Artikel 17
1.

De verstrekkingen verleend krachtens artikel 12, lid 2, artikel 13, de leden 1, 2 en 6, artikel 14, lid 1 en artikel 16, lid 2, van dit Verdrag worden door de bevoegde organen vergoed aan de organen welke deze hebben verleend.

2.

De vergoeding wordt vastgesteld en vindt plaats overeenkomstig de in een door de bevoegde autoriteiten te sluiten administratief akkoord vast te stellen regelen; de vergoeding kan betaald worden door middel van vaste bedragen.

HOOFDSTUK 2. Invaliditeit

Artikel 18

Wanneer een verzekerde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen bij invaliditeit de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der Verdragsluitende Partijen, voorzover zij niet samenvallen, samengeteld.

Artikel 19

Wanneer een werknemer of een met hem gelijkgestelde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, kan hij uitsluitend aanspraak maken op de uitkeringen ingevolge de wettelijke regeling waaraan hij onderworpen was op het tijdstip waarop de arbeidsongeschiktheid, gevolgd door invaliditeit, is ingetreden, waarbij in voorkomend geval met de bepalingen van artikel 18 rekening gehouden wordt.

Artikel 20
1.

Indien de verzekerde na schorsing van het invaliditeitspensioen of de invaliditeitsuitkering zijn recht herkrijgt, hervat het orgaan dat het oorspronkelijk toegekende pensioen of de oorspronkelijk toegekende schadeloosstelling verschuldigd was, de uitbetaling, indien de invaliditeit te wijten is aan de ziekte die geleid heeft tot toekenning van het pensioen of de uitkering.

2.

Indien de toestand van de verzekerde, na intrekking van het invaliditeitspensioen of de invaliditeitsuitkering, de toekenning van een pensioen of een uitkering rechtvaardigt, wordt deze verleend overeenkomstig de regelen van artikel 19.

Artikel 21

Het tijdvak gedurende hetwelk de belanghebbende schadeloosstelling in geld krachtens de ziekteverzekering, voorafgaande aan de toekenning van het invaliditeitspensioen of de invaliditeitsuitkering, moet hebben ontvangen, is voor de opening van het recht op het invaliditeitspensioen of de invaliditeitsuitkering in ieder geval dat hetwelk is voorzien in de wettelijke regeling welke van toepassing is op het tijdstip waarop de ziekte of het ongeval welke de invaliditeit ten gevolge had zich heeft voorgedaan.

HOOFDSTUK 3. Ouderdom en overlijden (pensioenen)

AFDELING 1. Algemene bepalingen

Artikel 22
1.

Wanneer een verzekerde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regelingen van beide Verdragsluitende Partijen onderworpen is geweest, worden met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de wettelijke regeling van elk der Verdragsluitende Partijen, voorzover zij niet samenvallen, samengeteld.

2.

Wanneer de wettelijke regeling van een van de Verdragsluitende Partijen de toekenning van bepaalde uitkeringen afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de tijdvakken van verzekering zijn vervuld in een aan een bijzondere regeling onderworpen beroep, dan worden om voor deze uitkeringen in aanmerking te komen alleen de tijdvakken welke vervuld zijn krachtens de overeenkomstige regelingen van de andere Verdragsluitende Partij en de tijdvakken welke in hetzelfde beroep krachtens andere regelingen van deze Verdragsluitende Partij zijn verveld, voor zover zij niet samenvallen, samengeteld. Indien de verzekerde ondanks de samentelling van genoemde tijdvakken niet voldoet aan de voorwaarden om deze uitkeringen te kunnen genieten, worden de desbetreffende tijdvakken eveneens samengeteld om in aanmerking te komen voor de uitkeringen volgens het algemene stelsel van de Verdragsluitende Partijen.

3.

Indien de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij, welke voor het verkrijgen en het vaststellen van het recht op uitkeringen generlei eisen stelt omtrent de duur van de verzekering, de toekenning ervan afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de werknemer op het tijdstip waarop de verzekerde gebeurtenis zich heeft voorgedaan verzekerd was ingevolge deze wettelijke regeling, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan indien de werknemer op dit tijdstip ingevolge de wettelijke regeling van de andere Partij verzekerd was.

Artikel 23
1.

De uitkeringen waarop de belanghebbende aanspraak kan maken worden op de volgende wijze vastgesteld:

2.

Indien het bedrag van de uitkering waarop de belanghebbende, zonder toepassing van artikel 22, uitsluitend op grond van de krachtens de wettelijke regeling van één Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering aanspraak kan maken, hoger is dan het totaalbedrag van de uit de toepassing van het vorige lid voortvloeiende uitkeringen, heeft hij van de zijde van het orgaan van deze Partij recht op een aanvulling, gelijk aan het verschil.

3.

Onverminderd het bepaalde in alinea c van het eerste lid van dit artikel en in artikel 26 kunnen de belanghebbenden die zich op de bepalingen van dit hoofdstuk kunnen beroepen, geen aanspraak doen gelden op een pensioen uitsluitend krachtens de bepalingen van de wettelijke regeling van één Verdragsluitende Partij.

AFDELING 2. Bijzondere bepalingen

Artikel 24

De in Turkije wonende echtgenote, beneden de leeftijd van 65 jaar, van een verzekerde ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling inzake ouderdomsverzekering is eveneens verzekerd, behoudens, al naar gelang het geval, over het tijdvak:

Artikel 25

De Nederlandse organen berekenen de ouderdomspensioenen rechtstreeks en uitsluitend op basis van de tijdvakken van verzekering vervuld krachtens de betreffende wettelijke regeling.

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27
1.

De in de Nederlandse wettelijke regeling inzake de ouderdomsverzekering bedoelde overgangspensioenen voor personen die op 1 januari 1957 de 65-jarige leeftijd reeds bereikt hadden, worden aan Turkse onderdanen onder dezelfde voorwaarden toegekend als aan Nederlandse onderdanen.

2.

De in de Nederlandse wettelijke regeling inzake de ouderdomsverzekering bedoelde overgangsvoordelen voor personen die op 1 januari 1957 tussen 15 en 65 jaar oud waren, worden aan Turkse onderdanen onder dezelfde voorwaarden toegekend als aan Nederlandse onderdanen.

Artikel 28

De uit de overgangsbepalingen van de Nederlandse wettelijke regeling inzake de weduwen- en wezenverzekering voortvloeiende voordelen op grond van een overlijden dat plaatsvond vóór 1 oktober 1959, worden aan Turkse onderdanen onder dezelfde voorwaarden toegekend als aan Nederlandse onderdanen.

Artikel 29

Voor de toepassing van de Turkse wettelijke regelingen inzake verzekeringen betreffende invaliditeit, ouderdom en overlijden, wordt, indien een werknemer aan een Nederlandse pensioenregeling onderworpen is geweest, voordat de Turkse ouderdomsverzekering op hem van toepassing wordt, de aanvang van de verzekering bij bedoelde Nederlandse regeling tevens beschouwd als de aanvang van de verzekering krachtens de Turkse wettelijke regeling.

HOOFDSTUK 4. Arbeidsongevallen en beroepsziekten

Artikel 30
1.

Een werknemer of een met hem gelijkgestelde die verzekerd is krachtens de Turkse wettelijke regelingen en tijdelijk op Nederlands grondgebied werkzaam is overeenkomstig de bepalingen van artikel 8, en die slachtoffer wordt van een arbeidsongeval of een beroepsziekte of die, terwijl hij in het genot is van de prestaties van de Turkse wettelijke regelingen, zijn woonplaats overbrengt naar Nederlands grondgebied, geniet de verstrekkingen door de zorgen van het orgaan van de verblijfplaats of de woonplaats voor tekening van het bevoegde orgaan.

2.

De bepalingen van artikel 13, leden 3 en 4, zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de omvang, de duur en de wijze van de verstrekkingen.

3.

De uitkeringen worden in de gevallen, bedoeld in dit artikel verleend overeenkomstig de bepalingen van artikel 13, vijfde lid.

Artikel 31

Indien de werknemer of de met hem gelijkgestelde die recht op prestaties heeft verkregen ten laste van het Turkse orgaan, zijn woonplaats overbrengt, moet hij vóór de overbrenging toestemming hebben van dit orgaan, dat deze slechts kan weigeren op advies van een geneeskundige van dit orgaan, die vastgesteld heeft dat de gezondheidstoestand van de werknemer de overbrenging van de woonplaats naar het Nederlandse grondgebied verhindert.

Artikel 32

De verstrekkingen verleend in de gevallen, bedoeld in artikel 30 worden vergoed aan de Nederlandse organen overeenkomstig de bepalingen van artikel 17.

HOOFDSTUK 5. Kinderbijslag

Artikel 33
1.

Turkse werknemers die werkzaam zijn in Nederland en waarvan de kinderen in Turkije verblijven of worden opgevoed, hebben recht op kinderbijslag op dezelfde voorwaarden als Nederlandse werknemers.

2.

Indien de persoon aan wie de kinderbijslagen moeten worden verleend, deze niet voor het onderhoud van de gezinsleden besteedt, betaalt het Nederlandse orgaan, op verzoek en door tussenkomst van het te dien einde door de Turkse bevoegde autoriteit aangewezen orgaan deze kinderbijslagen uit aan de natuurlijke persoon of de rechtspersoon ten laste waarvan de gezinsleden in feite komen, hetgeen volledige kwijting inhoudt.

HOOFDSTUK 6. Werkloosheid

Artikel 34

Met het oog op het verkrijgen van werkloosheidsuitkeringen krachtens de Nederlandse wettelijke regelingen worden de tijdvakken van arbeid in Turkije en de tijdvakken van arbeid in Nederland samengeteld.

Artikel 34bis

De Turkse werknemer die zich naar Nederland heeft begeven, heeft zolang hij zich in dit land bevindt, recht op werkloosheidsuitkeringen ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling, mits hij:

TITEL IV. Diverse bepalingen

Artikel 35

De bevoegde autoriteiten:

Artikel 36
1.

Bij de toepassing van dit Verdrag zullen de autoriteiten en de organen die belast zijn met de uitvoering van dit Verdrag elkaar behulpzaam zijn; zij zullen handelen als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving.

2.

Voor de toepassing van dit Verdrag kunnen de organen en de autoriteiten van elke Verdragsluitende Partij rechtstreeks met elkaar in verbinding treden, alsook met de belanghebbenden of hun gemachtigden.

3.

Voor de toepassing van de bepalingen inzake de schatting van de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid, voorzien in de Turkse wettelijke regelingen, worden de geneeskundige rapporten, uitgebracht door een Nederlands orgaan, beschouwd als rapporten, uitgebracht door Turkse organen.

Artikel 37
1.

De vrijstelling of verlaging van rechten, zegelrechten, griffie- of registratierechten, geregeld bij de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de bescheiden of documenten welke ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij moeten worden overgelegd, wordt uitgebreid tot de overeenkomstige bescheiden en documenten welke dienen te worden overgelegd ter uitvoering van de wetgeving van de andere Verdragsluitende Partij of van dit Verdrag.

2.

Alle akten, documenten en bescheiden van welke aard dan ook, welke dienen te worden overgelegd voor de uitvoering van dit Verdrag, zijn vrijgesteld van legalisatie door diplomatieke of consulaire autoriteiten en van kanselarijrechten.

Artikel 38
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag voeren de organen rechtstreeks briefwisseling met elkaar in de Franse of de Engelse taal.

2.

De organen en autoriteiten van een der Verdragsluitende Partijen mogen de verzoekschriften of andere documenten welke tot hen worden gericht, niet afwijzen op grond van het feit dat zij zijn gesteld in de officiële taal van de andere Verdragsluitende Partij.

Artikel 39

Aanvragen, verklaringen of beroepschriften welke voor de uitvoering van de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, een orgaan of een ander lichaam van die Partij, zijn ontvankelijk, indien zij binnen dezelfde termijn bij een overeenkomstige autoriteit, orgaan, of ander lichaam van de andere Partij worden ingediend. In dat geval zal een aldus benaderde autoriteit, orgaan of lichaam onverwijld deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften doen toekomen aan de gevoegde autoriteit, het bevoegde orgaan of het bevoegde lichaam van eerstbedoelde Partij, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 40
1.

De organen van een Verdragsluitende Partij welke uit hoofde van dit Verdrag uitkeringen in geld verschuldigd zijn aan rechthebbenden die zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevinden, kunnen het verschuldigde rechtens voldoen in de munt van eerstbedoelde Partij; wanneer zij gelden verschuldigd zijn aan organen die zich op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij bevinden, moeten zij die gelden betalen in de munt van deze Partij.

2.

De overmaking van gelden, voortvloeiende uit de toepassing van dit Verdrag, heeft plaats krachtens de overeenkomsten en regelen welke terzake op het tijdstip van de overmaking tussen de beide Verdragsluitende Partijen van kracht zijn.

Artikel 41
1.

Over elk geschil tussen de Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de uitlegging of toepassing van dit Verdrag zal rechtstreeks tussen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen worden onderhandeld.

2.

Indien het geschil op deze wijze niet binnen een termijn van zes maanden te rekenen van de aanvang van de onderhandelingen opgelost kan worden, wordt het voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie, waarvan de samenstelling en de procedure in een overeenkomst tussen de regeringen van de Verdragsluitende Partijen worden vastgelegd.

De scheidsrechterlijke commissie moet het geschil oplossen volgens de grondbeginselen en de geest van dit Verdrag. Haar beslissingen zijn bindend en niet vatbaar voor beroep.

Artikel 42
1.

Wanneer een orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een voorschot heeft betaald, houdt dit orgaan, of op zijn verzoek, het bevoegde orgaan van de andere Partij het voorschot in op de betalingen waarop de belanghebbende recht heeft.

2.

Wanneer de rechthebbende bijstand heeft genoten van een Verdragsluitende Partij in de loop van een tijdvak waarover hij recht heeft op uitkeringen in geld worden de bedragen van bedoelde uitkeringen ingehouden door het met de betaling daarvan belaste orgaan, zulks op verzoek en voor rekening van het orgaan dat de bijstand heeft verleend, tot het bedrag van de uitkeringen, betaald uit hoofde van de bijstand.

TITEL V. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 43
1.

Dit Verdrag opent geen enkel recht op betaling van uitkeringen voor tijdvakken, gelegen vóór zijn inwerkingtreding.

2.

Voor het vaststellen van het recht op uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag wordt elk tijdvak van verzekering, vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens de wettelijke regeling van één der Verdragsluitende Partijen vervuld, in aanmerking genomen.

3.

Onverminderd de bepalingen van het eerste lid van dit artikel, is krachtens dit Verdrag een pensioen of rente verschuldigd, zelfs indien zij in verband staat met een gebeurtenis vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag. Te dien einde wordt elk pensioen of elke rente welke niet is uitbetaald of waarvan de betaling is geschorst in verband met de nationaliteit van belanghebbende, dan wel in verband met het feit dat hij zijn woonplaats heeft op het grondgebied van de andere Verdragsluitende Partij, op verzoek van de belanghebbende uitbetaald of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, mits de vroeger toegekende rechten niet in de vorm van een afkoopsom zijn vereffend.

4.

Ten aanzien van de uit de toepassing van het vorige lid voortvloeiende rechten, zijn de bepalingen van de Verdragsluitende Partijen met betrekking tot het verlies en de verjaring van rechten niet op de belanghebbende van toepassing, indien het betrokken verzoek binnen een termijn van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag is ingediend. Indien het verzoek na het verstrijken van deze termijn wordt ingediend, wordt het recht op uitkering dat niet vervallen is verklaard of verjaard, verworven met ingang van de datum waarop het verzoek wordt ingediend, tenzij gunstiger bepalingen van de wettelijke regeling van een Verdragsluitende Partij van toepassing zijn.

Artikel 44

Wat het Koninkrijk der Nederlanden betreft, is dit Verdrag alleen van toepassing op het Rijk in Europa.

Artikel 45

Dit Verdrag wordt bekrachtigd en de akten van bekrachtiging worden zo spoedig mogelijk te 's-Gravenhage uitgewisseld.

Artikel 46

Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarin de akten van bekrachtiging zijn uitgewisseld.

Artikel 47

Dit Verdrag wordt gesloten voor onbepaalde tijd. Het kan door elk van de Verdragsluitende Partijen worden opgezegd. De opzegging dient te geschieden ten minste zes maanden vóór het einde van het lopende kalenderjaar.

Het Verdrag houdt dan op van kracht te zijn aan het einde van dat jaar.

Artikel 48
1.

Ingeval van opzegging wordt elk recht dat met toepassing van de bepalingen van dit Verdrag is verkregen, gehandhaafd.

2.

De aanspraken op grond van tijdvakken, vervuld vóór de datum waarop de opzegging van kracht is geworden, worden niet door de opzegging teniet gedaan; het behoud ervan zal voor het tijdvak na de opzegging worden vastgesteld in gemeen overleg of bij gebreke daarvan door de eigen wetgeving van het betrokken orgaan.

EN FOI DE QUOI, les Plénipotentiaires, dûment autorisés à cet effet, ont signé la présente Convention.

FAIT à Ankara le 5 avril 1966 en double exemplaire, en langue française.

Pour le Royaume des Pays-Bas,

(s.) A. R. TAMMENOMS BAKKER

G. M. J. VELDKAMP

Pour la République de Turquie,

(s.) ALÏ NAÏLÎ ERDEM