← Geldende tekst · Geschiedenis

Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten

Geldende tekst a fecha 1977-02-11

De Verdragsluitende Staten,

Overtuigd van het belang van de bescherming van kweekprodukten zowel voor de ontwikkeling van de landbouw op hun grondgebied als ter waarborging van de belangen van de kwekers;

Zich bewust van de bijzonder problemen die de erkenning en de bescherming van het recht van de kweker op dit gebied oproepen en in het bijzonder van het feit, dat het algemeen belang beperkingen aan de vrije uitoefening van een dergelijk recht kan opleggen;

Overwegende, dat het zeer wenselijk is, dat deze problemen, waaraan een groot aantal Staten terecht belang hecht, door ieder van hen worden opgelost volgens eenvormige en duidelijk omschreven beginselen;

Er naar strevende op basis van deze beginselen een overeenkomst tot stand te brengen, welke het ook andere Staten, die zich met dezelfde problemen bezig houden, mogelijk zal maken toe te treden;

Zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1

(1). Dit Verdrag strekt ertoe aan de kweker van een nieuw plantenras of aan zijn rechtverkrijgende een recht toe te kennen en te verzekeren, waarvan de inhoud en de wijze van uitoefening hierna zijn omschreven.

(2). De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, hierna genoemd Unie-Staten, vormen tezamen een Unie tot bescherming van kweekprodukten.

(3). De zetel van de Unie en van haar permanente organen is gevestigd te Genève.

Artikel 2

(1). Iedere Unie-Staat kan het recht van de kweker, bedoeld in dit Verdrag, erkennen door verlening van een bijzondere titel van bescherming of van een octrooi. Evenwel mag een Unie-Staat waarvan de nationale wetgeving beide vormen van bescherming toelaat, voor eenzelfde botanisch geslacht of eenzelfde botanische soort slechts voorzien in één van beide vormen.

(2). Het woord ras in de zin van dit Verdrag omvat iedere cultivar, iedere cloon, lijn, stam en hybride, die geteeld kan worden en die voldoet aan de bepalingen van artikel 6, lid (1), onderc) en d).

Artikel 3

(1). De natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of zetel hebben in een van de Unie-Staten, genieten in de andere Unie-Staten voor de toekenning en de bescherming van het recht van de kweker de behandeling die de onderscheidene wetten van die Staten verlenen of in de toekomst zullen verlenen aan hun onderdanen, dit alles onverminderd de in dit Verdrag in het bijzonder bedoelde rechten en onder voorbehoud, dat de voorwaarden en formaliteiten, opgelegd aan de eigen onderdanen, vervuld zijn.

(2). De onderdanen van de Unie-Staten die noch hun woonplaats, noch hun zetel in een van die Staten hebben, genieten eveneens dezelfde rechten, mits zij voldoen aan de verplichtingen die hun kunnen worden opgelegd ten einde het onderzoek van de nieuwe rassen die zij eventueel hebben gekweekt, en het toezicht op de vermeerdering daarvan mogelijk te maken.

Artikel 4

(1). Dit Verdrag is van toepassing op alle botanische geslachten en soorten.

(2). De Unie-Staten verbinden zich alle maatregelen te nemen, die nodig zijn om de bepalingen van dit Verdrag in toenemende mate toe te passen op een zo groot mogelijk aantal botanische geslachten en soorten.

(3). Op het tijdstip van het in werking treden van dit Verdrag op zijn grondgebied past iedere Unie-Staat de bepalingen van dit Verdrag toe op tenminste vijf van de geslachten die voorkomen op de bij dit Verdrag behorende lijst.

Hij verbindt zich voorts deze bepalingen toe te passen op andere geslachten van de lijst binnen de volgende termijnen, met ingang van het tijdstip van het in werking treden van het Verdrag op zijn grondgebied:

(4). Voor de niet op de lijst voorkomende geslachten en soorten staat het iedere Unie-Staat die een van die geslachten of soorten beschermt, vrij ofwel het genot van die bescherming te beperken tot de onderdanen van die Unie-Staten die dat geslacht of die soort beschermen, alsmede tot de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of hun zetel in een van die Staten hebben, ofwel het genot van die bescherming uit te breiden tot de onderdanen van andere Unie-Staten of van de Lid-Staten van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom, alsmede tot de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of zetel in een van die Staten hebben.

(5). Iedere Unie-Staat kan op het tijdstip van de ondertekening van dit Verdrag of van de nederlegging van de akte van bekrachtiging of van toetreding verklaren dat hij voor de bescherming van kweekprodukten de artikelen 2 en 3 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom zal toepassen.

Artikel 5

(1). Het aan de kweker van een nieuw ras of aan diens rechtverkrijgende verleende recht houdt in, dat het voortbrengen voor handelsdoeleinden van geslachtelijk of ongeslachtelijk teeltmateriaal als zodanig van dat nieuwe ras, alsmede het te koop aanbieden en het verhandelen van dat teeltmateriaal aan zijn voorafgaande toestemming zijn onderworpen. Tot het ongeslachtelijk teeltmateriaal wordt mede de gehele plant gerekend. Het recht van de kweker strekt zich uit tot sierplanten of delen daarvan, die in de regel verhandeld worden voor andere doeleinden dan voor vermeerdering, indien zij zijn gebruikt als vermeerderingsmateriaal voor de voorbrenging van sierplanten of snijbloemen voor de handel.

(2). De kweker of zijn rechtverkrijgende kan zijn toestemming afhankelijk stellen van door hem te bepalen voorwaarden.

(3). De toestemming van de kweker of zijn rechtverkrijgende is niet vereist voor het gebruik van een nieuw ras als uitgangspunt van variatie voor het kweken van andere nieuwe rassen noch voor het in de handel brengen van deze nieuwe rassen. Daarentegen is deze toestemming wel vereist, wanneer het nieuwe ras telkens gebruikt moet worden voor de voortbrenging van een ander ras voor handelsdoeleinden.

(4). Het staat iedere Unie-Staat vrij hetzij in zijn eigen wetgeving, hetzij in bijzondere overeenkomsten in de zin van artikel 29, voor bepaalde botanische geslachten of soorten aan de kwekers een recht te verlenen, dat verder strekt dan dat omschreven in het eerste lid van dit artikel en dat zich in het bijzonder kan uitstrekken tot het verhandelde eindprodukt. Een Unie-Staat die een dergelijk recht verleent, is bevoegd het genot ervan te beperken tot de onderdanen van die Unie-Staten die een gelijk recht verlenen, alsmede tot de natuurlijke en rechtspersonen die hun woonplaats of zetel in een van die Staten hebben.

Artikel 6

(1). De kweker van een nieuw ras of zijn rechtverkrijgende geniet de bescherming voorzien in dit Verdrag, wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:

(2). De verlening van de bescherming voor een nieuw ras kan niet afhankelijk worden gesteld van andere voorwaarden dan die welke hierboven zijn vermeld, mits de kweker of zijn rechtverkrijgende voldaan heeft aan de formaliteiten die in de nationale wetgeving van elk land zijn voorgeschreven, daaronder begrepen de betaling van rechten.

Artikel 7

(1). De bescherming wordt verleend na een onderzoek van het nieuwe ras met betrekking tot de in artikel 6 omschreven voorwaarden. Dit onderzoek moet zijn aangepast aan ieder botanisch geslacht of iedere botanische soort, rekening houdende met de gebruikelijke wijze van vermeerdering.

(2). Ten behoeve van dit onderzoek kunnen de bevoegde diensten van ieder land alle noodzakelijke inlichtingen, bescheiden, plantgoed of zaaizaad van de kweker of zijn rechtverkrijgende verlangen.

(3). Gedurende de periode tussen de indiening van het verzoek om bescherming van een nieuw ras en de beslissing daarop kan iedere Unie-Staat maatregelen nemen, ten einde de kweker of zijn rechtverkrijgende tegen misbruik door derden te beschermen.

Artikel 8

(1). Het aan de kweker van een nieuw ras of zijn rechtverkrijgende toegekende recht wordt voor een beperkte duur verleend. Deze duur kan niet korter zijn dan vijftien jaren. Voor planten als wijnstokken, vruchtbomen en hun onderstammen, woudbomen en sierbomen wordt deze minimum duur bepaald op achttien jaren.

(2). De duur van de bescherming in een Unie-Staat begint te lopen op het tijdstip van de verlening van de titel van bescherming.

(3). Het staat iedere Unie-Staat vrij een langere beschermingsduur vast te stellen dan hierboven is aangegeven en voor bepaalde groepen gewassen een verschillende beschermingsduur te bepalen, in het bijzonder ten einde rekening te houden met de eisen van de wetgeving inzake de voortbrenging van en die handel in zaaizaad en plantgoed.

Artikel 9

De vrije uitoefening van het aan de kweker of zijn rechtverkrijgende verleend uitsluitende recht kan slechts beperkt worden om redenen van algemeen belang.

Indien een zodanige beperking plaats vindt ten einde verbreiding van de nieuwe rassen te verzekeren, is de Unie-Staat die deze beperking oplegt, gehouden alle noodzakelijke maatregelen te nemen, opdat de kweker of zijn rechtverkrijgende een billijke vergoeding ontvangt.

Artikel 10

(1). Het recht van de kweker wordt, overeenkomstig de bepalingen van de nationale wetgeving van iedere Unie-Staat, nietig verklaard indien blijkt, dat op het tijdstip van de verlening van de titel van bescherming de in artikel 6, lid (1), onder a) en b) vastgestelde voorwaarden in feite niet waren vervuld.

(2). De kweker of zijn rechtverkrijgende wordt van zijn recht vervallen verklaard, indien hij niet in staat is aan de bevoegde autoriteit het teeltmateriaal te verschaffen, waaruit het nieuwe ras met zijn morfologische en fysiologische eigenschappen, zoals deze bij de verlening van het recht zijn vastgesteld, kan worden verkregen.

(3). De kweker of zijn rechtverkrijgende kan van zijn recht worden vervallen verklaard:

(4). Het recht van de kweker kan niet worden nietig verklaard en de kweker of zijn rechtverkrijgende kan van dat recht niet worden vervallen verklaard op andere gronden dan die vermeld in dit artikel.

Artikel 11

(1). De kweker of zijn rechtverkrijgende heeft de vrijheid de Unie-Staat te kiezen waar hij voor de eerste maal de bescherming van zijn recht op een nieuw ras vraagt.

(2). De kweker of zijn rechtverkrijgende kan aan andere Unie-Staten de bescherming van zijn recht vragen zonder te wachten tot hem door de Unie-Staat waar de eerste aanvraag is gedaan, een titel van bescherming is verleend.

(3). De bescherming, gevraagd in verschillende Unie-Staten door natuurlijke of rechtspersonen die de voordelen van dit Verdrag deelachtig kunnen worden, is onafhankelijk van de bescherming die voor hetzelfde nieuwe ras is verkregen in andere Staten, al dan niet behorende tot de Unie.

Artikel 12

(1). De kweker of zijn rechtverkrijgende, die in een van de Unie-Staten overeenkomstig de voorschriften een aanvraag tot verkrijging van bescherming voor een nieuw ras heeft ingediend, geniet voor de indiening van een aanvraag in de andere Unie-Staten een recht van voorrang gedurende een termijn van twaalf maanden. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van indiening van de eerste aanvraag. De dag van indiening is niet in deze termijn begrepen.

(2). Om in aanmerking te komen voor toepassing van de bepalingen van het vorige lid moet de nieuwe aanvraag bevatten een verzoek tot bescherming van het kweekprodukt, een beroep op de voorrang van de eerste aanvraag en, binnen een termijn van drie maanden, een afschrift van de bescheiden, waaruit de eerste aanvraag bestond, voor eensluitend gewaarmerkt door de dienst die deze heeft ontvangen.

(3). De kweker of zijn rechtverkrijgende geniet een termijn van vier jaren na het verstrijken van de voorrangstermijn om aan de Unie-Staat waar hij met inachtneming van de bepalingen van lid (2) een verzoek om bescherming heeft ingediend, de aanvullende bescheiden en het materiaal te verschaffen, zoals door de wetten en overige voorschriften van die Staat wordt geëist.

(4). Aan de indiening van een aanvraag, gedaan met inachtneming van hetgeen hiervoor is bepaald, kunnen niet worden tegengeworpen de feiten die zich binnen de in lid (1) bepaalde termijn hebben voorgedaan, zoals de indiening van een andere aanvraag, de bekendmaking van het voorwerp van de aanvraag of de exploitatie ervan. Deze feiten kunnen geen enkel recht ten gunste van derden noch een recht van voorgebruik doen ontstaan.

Artikel 13

(1). Een nieuw ras moet worden aangeduid door een benaming.

(2). Deze benaming moet de identificatie van het nieuwe ras mogelijk maken; zij mag in het bijzonder niet uitsluitend uit cijfers bestaan.

De benaming mag niet zodanig zijn, dat zij tot vergissing aanleiding kan geven of verwarring zou kunnen stichten omtrent de karakteristieke eigenschappen, de waarde of de identiteit van het nieuwe ras of omtrent de identiteit van de kweker. Zij moet in het bijzonder verschillen van iedere benaming die in enige Unie-Staat een reeds bestaand ras van dezelfde of van een verwante botanische soort aanduidt.

(3). Het is aan de kweker of zijn rechtverkrijgende niet toegestaan als benaming van een nieuw ras een aanduiding te deponeren, voor welke hij in een Unie-Staat bescherming als fabrieks- of handelsmerk geniet, en die gelijke of gelijksoortige waren in de zin van de wetgeving op de merken dekt, noch een aanduiding die verwarring met dat merk zou kunnen stichten, tenzij hij zich verbindt afstand te doen van zijn merkrecht, wanneer tot inschrijving van de benaming van het nieuwe ras wordt overgegaan.

Indien de kweker of zijn rechtverkrijgende toch tot deponering van de benaming overgaat, kan hij zich, zodra deze is ingeschreven, voor de hiervoorbedoelde waren niet langer op zijn recht op het fabrieks- of handelsmerk beroepen.

(4). De benaming van het nieuwe ras wordt door de kweker of zijn rechtverkrijgende gedeponeerd bij de dienst, bedoeld in artikel 30. Indien blijkt, dat die benaming niet beantwoordt aan de in de vorige leden gestelde eisen, weigert de dienst de inschrijving en verlangt hij van de kweker of zijn rechtverkrijgende dat deze binnen een bepaalde termijn een andere benaming voorstelt. De benaming wordt ingeschreven te zelfder tijd, dat de titel van bescherming overeenkomstig de bepalingen van artikel 7 wordt verleend.

(5). Voor een nieuw ras kan in de Unie-Staten slechts éénzelfde benaming worden gedeponeerd. De dienst die in iedere Staat bevoegd is de titel van bescherming te verlenen, is gehouden de aldus gedeponeerde benaming in te schrijven, tenzij hij vaststelt, dat die benaming voor gebruik in die Staat ongeschikt is. In dat geval kan hij verlangen, dat de kweker of zijn rechtverkrijgende een vertaling van de oorspronkelijke benaming of een andere passende benaming voorstelt.

(6). Wanneer de benaming van een nieuw ras bij de bevoegde dienst van een der Unie-Staten wordt gedeponeerd, doet deze daarvan mededeling aan het in artikel 15 bedoelde Bureau van de Unie, dat de bevoegde diensten van de andere Unie-Staten daarvan in kennis stelt ledere Unie-Staat kan door bemiddeling van genoemd Bureau zijn eventuele bezwaren aan de Staat die die mededeling heeft gedaan, kenbaar maken.

De bevoegde dienst van iedere Unie-Staat geeft van iedere inschrijving van de benaming van een nieuw ras en van iedere weigering tot inschrijving kennis aan het Bureau van de Unie, dat daarvan mededeling doet aan de bevoegde diensten van de andere Unie-Staten De inschrijvingen worden door het Bureau eveneens ter kennis gebracht aan de Lid-Staten van de Unie van Parijs tot bescherming van de Industriële Eigendom.

(7). Hij die in een der Unie-Staten geslachtelijk en ongeslachtelijk teeltmateriaal van een nieuw ras ten verkoop aanbiedt of verhandelt, is gehouden de benaming van dat nieuwe ras te gebruiken, zelfs na afloop van de bescherming van dat ras, voor zover oudere rechten, overeenkomstig die bepalingen van lid (10), zich tegen dat gebruik niet verzetten.

(8). Met ingang van de dag waarop een kweker of zijn rechtverkrijgende in een Unie-Staat een titel van bescherming is verleend:

(9). Het is toegestaan voor dezelfde waar aan de benaming van een nieuw ras een fabrieks- of handelsmerk toe te voegen.

(10). Geen inbreuk wordt gemaakt op oudere rechten van derden ten aanzien van tekens die dienen om hun waren of hun onderneming te onderscheiden. Indien op grond van een ouder recht het gebruik van de benaming van een nieuw ras wordt verboden aan iemand die overeenkomstig de bepalingen van lid (7) verplicht is die benaming te gebruiken, eist de bevoegde dienst in voorkomend geval dat de kweker of zijn rechtverkrijgende een andere benaming voor het nieuwe ras voorstelt.

Artikel 14

(1). Het aan de kweker overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag toegekende recht is onafhankelijk van de maatregelen in iedere Unie-Staat genomen ter regeling van de voortbrenging van, de controle op en het verhandelen van zaaizaad en plantgoed.

(2). Evenwel zal bij laatstbedoelde maatregelen zoveel mogelijk moeten worden vermeden, dat zij een belemmering vormen voor de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 15

De permanente organen van de Unie zijn:

Artikel 16

(1). De Raad is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de Unie-Staten. Iedere Unie-Staat benoemt één vertegenwoordiger in de Raad en één plaatsvervanger.

(2). De vertegenwoordigers of plaatsvervangers kunnen zich doen vergezellen door assistenten en adviseurs.

(3). Iedere Unie-Staat heeft één stem in de Raad.

Artikel 17

(1). De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, maar nog niet bekrachtigd, worden als waarnemer tot de vergaderingen van de Raad uitgenodigd. Hun vertegenwoordigers hebben een raadgevende stem.

(2). Tot deze vergaderingen kunnen ook andere waarnemers of deskundigen worden uitgenodigd.

Artikel 18

(1). De Raad kiest uit zijn midden een voorzitter en een eerste vice-voorzitter. Hij kan andere vice-voorzitters kiezen. De eerste vice-voorzitter vervangt de voorzitter van rechtswege ingeval van diens verhindering.

(2). De duur van het voorzitterschap bedraagt drie jaren.

Artikel 19

(1). De Raad vergadert op uitnodiging van de voorzitter.

(2). Hij houdt eenmaal per jaar een gewone zitting. Voor het overige kan de voorzitter de Raad bijeenroepen, zo dikwijls hij daartoe aanleiding vindt; hij is gehouden de Raad bijeen te roepen binnen een termijn van drie maanden, wanneer tenminste een derde van de Unie-Staten dit verzoekt.

Artikel 20

(1). De Raad stelt zijn reglement van orde vast.

(2). De Raad stelt, gehoord de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, het administratief en financieel reglement van de Unie vast. De Regering van de Zwitserse Bondsstaat draagt zorg voor de uitvoering van dit reglement.

(3). Deze reglementen en hun eventuele wijzigingen moeten worden aangenomen met een meerderheid van drie vierden van de Unie-Staten.

Artikel 21

De taken van de Raad zijn de volgende:

Artikel 22

De beslissingen van de Raad worden genomen met een eenvoudige meerderheid der aanwezige leden, behalve in de gevallen voorzien in de artikelen 20, 27, 28 en 32, evenals in geval van stemming over de begroting, de vaststelling van de bijdrage van iedere Unie-Staat, de in artikel 26, vijfde lid, voorziene mogelijkheid tot betaling van de helft van de met klasse V overeenkomende bijdrage en alle beslissingen ingevolge artikel 26, zesde lid, ter zake van het stemrecht. In de laatste vier gevallen is een meerderheid vereist van drie vierden van de aanwezige leden.

Artikel 23

(1). Het Bureau van de Unie is belast met de uitvoering van alle opdrachten en taken die hem door de Raad worden toevertrouwd. Het wordt geleid door de Secretaris-Generaal.

(2). De Secretaris-Generaal is verantwoordelijk tegenover de Raad; hij draagt zorg voor de uitvoering van de beslissingen van de Raad.

Hij legt de begroting aan de Raad ter goedkeuring voor en draagt zorg voor de uitvoering ervan. Hij legt jaarlijks tegenover de Raad rekening en verantwoording af van zijn beleid en legt de Raad een verslag van de werkzaamheden en van de financiële toestand van de Unie voor.

(3). De Secretaris-Generaal en het hogere personeel worden, op voorstel van de Raad, benoemd door de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, die de voorwaarden van hun aanstelling vaststelt.

Het statuut en de bezoldiging van het overige personeel van het Bureau van de Unie worden geregeld in het administratief en financieel reglement.

Artikel 24

De Regering van de Zwitserse Bondsstaat houdt toezicht op de uitgaven van het Bureau van de internationale Unie tot bescherming van kweekprodukten, alsmede op de rekeningen van het Bureau. Zij biedt de Raad een jaarlijks verslag van haar bevindingen bij de controle aan.

Artikel 25

De wijze van technische en administratieve samenwerking tussen de Unie tot bescherming van kweekprodukten en de Unies die beheerd worden door de Verenigde Internationale Bureaus tot bescherming van de industriële, litteraire en artistieke eigendom, zullen worden geregeld bij een reglement, vastgesteld door de Regering van de Zwitserse Bondsstaat in overeenstemming met de belanghebbende Unies.

Artikel 26

(1). De uitgaven van de Unie worden gedekt door:

(2). Tot bepaling van het bedrag van hun jaarlijkse bijdrage worden de Unie-Staten verdeeld in vijf klassen:

klasse I ......................................... vijf eenheden
klasse II ......................................... vier eenheden
klasse III ......................................... drie eenheden
klasse IV ......................................... twee eenheden
klasse V ......................................... één eenheid

Iedere Unie-Staat draagt bij in verhouding tot het aantal eenheden van de klasse waartoe hij behoort.

(3). De waarde van een eenheid van deelneming wordt verkregen door voor de betreffende begrotingsperiode het totale bedrag der uitgaven, die door de bijdragen der Staten moeten worden gedekt, te delen door het totale aantal eenheden.

(4). Iedere Unie-Staat geeft op het ogenblik van zijn toetreding aan in welke klasse hij wenst te worden ingedeeld. Evenwel kan iedere Unie-Staat later verklaren, dat hij in een andere klasse wil worden ondergebracht.

Deze verklaring moet tenminste zes maanden voor het einde van het dienstjaar voorafgaande aan dat waarvoor de verandering van klasse ingaat, worden ingediend.

(5). De Raad kan op verzoek van een Unie-Staat of van een Staat die overeenkomstig artikel 32 om toetreding tot het Verdrag verzoekt en de wens te kennen geeft in klasse V te worden ingedeeld, deze Staat toestaan slechts de helft te betalen van de met klasse V overeenkomende bijdrage teneinde rekening te houden met buitengewone omstandigheden. Deze beslissing blijft van toepassing tot het tijdstip waarop hetzij de betrokken Staat afziet van de verleende mogelijkheid of verklaart ingedeeld te willen worden in een andere klasse, hetzij de Raad zijn beslissing herroept.

(6). In geval van achterstalligheid in de betaling van zijn bijdragen kan een Unie-Staat zijn stemrecht in de Raad niet uitoefenen indien het bedrag van zijn achterstalligheid gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van door hem verschuldigde bijdragen over de laatste twee voorafgaande volledig verstreken jaren, zonder echter van zijn uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen ontslagen te zijn en zonder uit zijn andere uit dit Verdrag voortvloeiende rechten te worden ontzet.

De Raad kan echter, zolang hij van mening is dat de achterstalligheid het gevolg is van buitengewone en onvermijdbare omstandigheden een betrokken Staat toestaan zijn stemrecht te blijven uitoefenen.

Artikel 27

(1). Dit Verdrag wordt onderworpen aan periodieke herzieningen ten einde daarin de verbeteringen aan te brengen, die kunnen strekken tot vervolmaking van het stelsel van de Unie.

(2). Te dien einde vindt om de vijf jaar een Conferentie plaats tenzij de Raad met een meerderheid van vijf zesden der aanwezige leden oordeelt, dat een dergelijke Conferentie eerder of later moet worden gehouden.

(3). De Conferentie kan slechts geldig beraadslagen en besluiten, indien tenminste de helft van de Lid-Staten van de Unie aanwezig is.

Voor herziening van het Verdrag is nodig, dat de herziene tekst een meerderheid van vijf zesden van de ter Conferentie vertegenwoordigde Lid-Staten van de Unie verwerft.

(4). De herziene tekst treedt voor de Unie-Staten die deze hebben bekrachtigid in werking, wanneer hij door vijf zesden van die Unie-Staten is bekrachtigd. Het tijdstip van inwerkingtreding is dertig dagen na de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging. Indien evenwel die meerderheid van vijf zesden van de ter Conferentie vertegenwoordigde Unie-Staten van oordeel is, dat de herziene tekst zodanig wijzigingen bevat, dat deze voor de Unie-Staten die deze tekst niet zouden bekrachtigen, de mogelijkheid uitsluiten jegens de andere Unie-Staten gebonden te blijven door de oude tekst, treedt de herziene tekst in werking twee jaar na de nederlegging van de laatste akte van bekrachtiging. In een dergelijk geval zijn te rekenen van deze inwerkingtreding af die Staten die de herziene tekst hebben bekrachtigd, niet langer door de oude tekst gebonden.

Artikel 28

(1). Bij de vervulling van zijn taken gebruikt het Bureau van de Unie de Franse, die Duitse en de Engelse taal.

(2). De vergaderingen van de Raad en de herzieningsconferenties worden gehouden in die drie talen.

(3). De Raad kan, voor zoveel nodig, met een meerderheid van drie vierden der aanwezige leden beslissen, dat andere talen zullen worden gebruikt.

Artikel 29

De Unie-Staten behouden zich het recht voor, onderling bijzondere overeenkomsten te sluiten voor de bescherming van kweekprodukten, voor zover deze niet in strijd zijn met de bepalingen van dit Verdrag. De Unie-Staten die niet hebben deelgenomen aan een dergelijke overeenkomst, worden op hun verzoek in de gelegenheid gesteld om toe te treden.

Artikel 30

(1). Iedere Unie-Staat verbindt zich alle maatregelen te nemen, die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit Verdrag.

Hij verbindt zich in het bijzonder:

(2). Er kunnen tussen de Unie-Staten eveneens bijzondere overeenkomsten worden gesloten met het oog op een eventueel gemeenschappelijk gebruik van diensten, belast met het in artikel 7 bedoelde onderzoek van nieuwe rassen en met het bijeenbrengen van de noodzakelijke vergelijkingscollecties en -bescheiden.

(3). Er bestaat overeenstemming over, dat iedere Staat ten tijde van de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of van zijn toetreding in staat moet zijn, overeenkomstig zijn nationale wetgeving uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag.

Artikel 31

(1). Dit Verdrag staat tot twee december negentienhonderd tweeënzestig open voor ondertekening door de Staten die vertegenwoordigd waren op de Conferentie van Parijs voor de bescherming van kweekprodukten.

(2). Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd; de akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Regering van de Franse Republiek, die daarvan kennis geeft aan de Staten die haar hebben ondertekend.

(3). Zodra het door ten minste drie Staten is bekrachtigd, treedt het Verdrag tussen deze Staten in werking dertig dagen na de nederlegging van de derde akte van bekrachtiging. Ten aanzien van iedere Staat, die het later bekrachtigd, treedt het Verdrag n werking dertig dagen na de nederlegging van de akte van bekrachtiging van die Staat.

Artikel 32

(1). Dit Verdrag staat open voor toetreding door de Staten, die het niet hebben ondertekend, op de voorwaarden voorzien in de leden (3) en (4) van dit artikel.

(2). De verzoeken om toetreding worden gericht aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, die deze ter kennis brengt van de Unie-Staten.

(3). De verzoeken om toetreding worden onderzocht door de Raad, die daarbij in het bijzonder rekening houdt met de bepalingen van artikel 30.

Gelet op de aard van de te nemen beslissing en op het verschil met de regel, vastgesteld voor de herzieningsconferenties, komt de toetreding van een Staat die niet ondertekend heeft, tot stand, indien zijn verzoek met een meerderheid van vier vijfden der aanwezige leden wordt aanvaard.

Op het ogenblik van de stemming moeten drie vierden van de Unie-Staten vertegenwoordigd zijn.

(4). In geval van een gunstige beslissing wordt de akte van toetreding nedergelegd bij de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, die daarvan kennis geeft aan de Unie-Staten.

De toetreding wordt van kracht dertig dagen na de nederlegging van die akte.

Artikel 33

(1). Iedere Staat deelt bij de bekrachtiging van het Verdrag, wanneer het gaat om een Staat die ondertekend heeft, of bij de indiening van het verzoek om toetreding, wanneer het gaat om een andere Staat, in het eerste geval aan de Regering van de Franse Republiek, in het tweede geval aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat, de lijst van geslachten en soorten mede, voor welke hij zich verbindt de bepalingen van dit Verdrag met inachtneming van de bepalingen van artikel 4 toe te passen. Hij geeft daarbij voorts aan, ingeval zich daaronder geslachten of soorten bevinden, bedoeld in lid (4) van dat artikel, of hij voornemens is gebruik te maken van de in die bepaling geboden bevoegdheid tot beperking.

(2). Iedere Unie-Staat die later besluit de bepalingen van het Verdrag toe te passen op andere geslachten of soorten, doet dezelfde mededelingen als die voorzien in lid (1) van dit artikel aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat en aan het Bureau van de Unie, ten minste dertig dagen voordat zijn beslissing van kracht wordt.

(3). De Regering van de Franse Republiek of in voorkomend geval, de Regering van de Zwitserse Bondsstaat brengt de mededelingen, bedoeld in de leden (1) en (2) van dit artikel, onmiddellijk ter kennis van alle Unie-Staten.

Artikel 34

(1). Iedere Unie-Staat verklaart bij zijn ondertekening, bekrachtiging of toetreding, of het Verdrag van toepassing zal zijn op zijn gehele grondgebied of op een deel ervan, of op één of meer of op alle Staten of gebieden, waarvoor hij bevoegd is verbintenissen aan te gaan.

Hij kan deze verklaring later op elk moment door middel van een kennisgeving aan de Regering van de Zwitserse Bondsstaat aanvullen. Deze kennisgeving wordt van kracht dertig dagen na de ontvangst door de laatstgenoemde Regering.

(2). De Regering die de verklaringen of kennisgevingen, vermeld in lid (1) van dit artikel, heeft ontvangen, geeft daarvan kennis aan alle Unie-Staten.

Artikel 35

In afwijking van de bepalingen van artikel 6 is iedere Unie-Staat bevoegd, zonder dat daaruit enige verplichting voortvloeit voor de andere Unie-Staten, de in genoemd artikel bedoelde eis van nieuwheid te beperken voor wat betreft rassen die op het tijdstip waarop dit Verdrag ten aanzien van de betreffende Staat in werking treedt, reeds bestaan, doch welke korte tijd daarvoor zijn gewonnen.

Artikel 36

(1). Indien op het tijdstip waarop dit Verdrag ten aanzien van een Unie-Staat in werking treedt, de kweker van een in die Staat beschermd nieuw ras of zijn rechtverkrijgende voor de benaming van dat ras in die Staat de bescherming geniet bij wege van fabrieks- of handelsmerk voor gelijke of gelijksoortige waren in de zin van de wetgeving op de merken, heeft hij de keus om ofwel afstand te doen van de bescherming bij wege van fabrieks- of handelsmerk, ofwel een nieuwe benaming voor het ras in de plaats van de bestaande te deponeren. Indien binnen een termijn van zes maanden geen nieuwe benaming is gedeponeerd, kan de kweker of zijn rechtverkrijgende zich voor de hiervoor bedoelde waren niet langer op zijn recht op het fabrieks- of handelsmerk beroepen.

(2). Indien een nieuwe benaming voor het ras is ingeschreven kan de kweker of zijn rechtverkrijgende aan personen die voor het in werking treden van dit Verdrag gehouden waren de oude benaming te gebruiken, dit gebruik eerst verbieden na verloop van een termijn van één jaar te rekenen van de bekendmaking van de inschrijving van de nieuwe benaming af.

Artikel 37

Dit Verdrag maakt geen inbreuk op de rechten die uit hoofde van de nationale wetgevingen van de Unie-Staten of ingevolge tussen die Staten gesloten overeenkomsten waren verkregen.

Artikel 38

(1). Elk geschil tussen twee of meer Unie-Staten, dat betrekking heeft op de uitlegging of toepassing van dit Verdrag en dat niet langs minnelijke weg tot oplossing is gebracht, wordt op verzoek van een van de belanghebbende Staten voorgelegd aan de Raad, die het nodige doet om overeenstemming tussen deze Staten tot stand te brengen.

(2). Indien binnen een termijn van zes maanden na het tijdstip waarop het geschil bij de Raad aanhangig is gemaakt, geen overeenstemming is bereikt, wordt het geschil bij eenvoudig verzoekschrift van een van de belanghebbende Staten aan het oordeel van een Scheidsgerecht onderworpen.

(3). Het Scheidsgerecht bestaat uit drie scheidsmannen. Ingeval twee Staten partij zijn bij het geschil benoemt iedere Staat één scheidsman.

Ingeval meer dan twee Staten partij zijn bij het geschil worden twee van de scheidsmannen benoemd in gemeenschappelijk overleg tussen de belanghebbende Staten.

Indien de belanghebbende Staten binnen een termijn van twee maanden na de datum waarop het verzoek tot instelling van het Scheidsgerecht hen vanwege het Bureau van de Unie heeft bereikt, de scheidsmannen niet hebben benoemd, kan ieder van de belanghebbende Staten de President van het Internationale Gerechtshof verzoeken over te gaan tot de noodzakelijke benoemingen.

De derde scheidsman wordt in alle gevallen door de President van het Internationale Gerechtshof benoemd.

Indien de President onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, gaat de Vice-President tot de hierboven bedoelde benoemingen over, tenzij deze zelf onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil. In het laatste geval valt de taak om tot de benoemingen over te gaan toe aan dat lid van het Hof, dat zelf geen onderdaan is van een van de Staten die partij zijn bij het geschil, en dat daartoe door de President wordt aangewezen.

(4). De beslissing van het Scheidsgerecht is definitief en bindend voor de belanghebbende Staten.

(5). Het Scheidsgerecht bepaalt zelf de rechtsgang, tenzij de belanghebbende Staten anders overeenkomen.

(6). Ieder van de Staten die partij zijn bij het geschil, draagt de kosten van zijn vertegenwoordiging voor het Scheidsgerecht; de overige kosten worden gelijkelijk over alle Staten omgeslagen.

Artikel 39

Bij de ondertekening van dit Verdrag, bij bekrachtiging of bij toetreding mag geen enkel voorbehoud worden gemaakt.

Artikel 40

(1). Dit Verdrag wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

(2). Behoudens de bepalingen van artikel 27, lid (4), wordt, indien een Unie-Staat het Verdrag opzegt, deze opzegging van kracht na verloop van een termijn van een jaar, na de dag waarop de Regering van de Zwitserse Bondsstaat van deze opzegging kennis heeft gegeven aan de andere Unie-Staten.

(3). ledere Unie-Staat kan te allen tijde verklaren, dat het Verdrag niet langer zal gelden voor bepaalde delen van zijn grondgebied of voor bepaalde Staten of gebieden, voor welke hij zich ingevolge de bepalingen van artikel 34 had gebonden. Deze verklaring wordt van kracht na verloop van een termijn van een jaar na de dag waarop de Regering van de Zwitserse Bondsstaat de andere Unie-Staten van deze verklaring in kennis heeft gesteld.

(4). Deze opzeggingen en verklaringen maken geen inbreuk op de rechten die vóór het verstrijken van de in de leden (2) en (3) van dit artikel bepaalde termijnen in het kader van dit Verdrag waren verkregen.

Artikel 41

(1). Dit Verdrag is opgesteld in één exemplaar in de Franse taal, dat in het archief van de Regering van de Franse Republiek wordt nedergelegd.

(2). Een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift wordt door deze Regering aan ieder van de Regeringen van de ondertekenende Staten toegezonden.

(3). Officiële vertalingen van dit Verdrag zullen worden opgesteld in de Duitse, de Engelse, de Spaanse, de Italiaanse en de Nederlandse taal.

EN FOI DE QUOI, les Plénipotentiaires désignés à cette fin, après avoir présenté leurs pleins pouvoirs, reconnus en bonne et due forme, ont signé la présente Convention et l'ont revêtue de leur sceau.

FAIT à Paris, le deux décembre mil neuf cent soixante et un.