Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme
Warschau, 16-05-2005
De lidstaten van de Raad van Europa en de andere Staten die dit Verdrag hebben ondertekend,
Overwegend dat het doel van de Raad van Europa is het tot stand brengen van een grotere eenheid tussen zijn leden;
Erkennend de waarde van het versterken van de samenwerking met de andere Partijen bij dit Verdrag;
Geleid door de wens doeltreffende maatregelen te nemen om terrorisme te voorkomen en, in het bijzonder, om het publiekelijk uitlokken van het plegen van terroristische misdrijven en werving en training met een terroristisch oogmerk tegen te gaan;
Zich bewust van de gevoelens van grote ongerustheid die veroorzaakt worden door de toename van terroristische misdrijven en de toenemende terroristische dreiging;
Zich bewust van de onzekere situatie waarin degenen die onder terrorisme te lijden hebben verkeren, en in dit verband opnieuw hun gevoelens van diepe solidariteit bevestigend met de slachtoffers van terrorisme en hun familie;
Erkennend dat terroristische misdrijven en de misdrijven vervat in dit Verdrag, door wie ook gepleegd, onder geen enkele omstandigheid te rechtvaardigen zijn door overwegingen van politieke, filosofische, ideologische, raciale, etnische, religieuze of soortgelijke aard, en herinnerend aan de verplichting van alle Partijen dergelijke misdrijven te voorkomen en, indien zij niet voorkomen worden, te vervolgen en te waarborgen dat er straffen op worden gesteld die rekening houden met de ernst ervan;
Herinnerend aan de noodzaak de strijd tegen het terrorisme te versterken en opnieuw bevestigend dat bij alle maatregelen die genomen worden om terroristische misdrijven te voorkomen of te bestrijden de rechtsstaat en democratische waarden, mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede andere bepalingen van het internationaal recht, met inbegrip van, wanneer van toepassing, het internationaal humanitair recht, dienen te worden geëerbiedigd;
Erkennend dat met dit Verdrag niet beoogd wordt gevestigde beginselen met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging aan te tasten;
In herinnering roepend dat terroristische daden, door hun aard of context, bedoeld zijn een bevolking in ernstige mate te intimideren of een regering of internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen iets te doen of niet te doen of de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen;
Zijn het volgende overeengekomen:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „terroristisch misdrijf” verstaan, elk van de misdrijven vallend onder de reikwijdte van en omschreven in een van de in de Bijlage vermelde verdragen.
Bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding kan een Staat of de Europese Gemeenschap die geen partij is bij een verdrag dat in de Bijlage staat vermeld, verklaren dat, voor de toepassing van dit Verdrag op de desbetreffende Partij, dat verdrag geacht wordt niet te zijn opgenomen in de Bijlage. De verklaring is niet langer van kracht zodra het verdrag in werking treedt voor de Partij die een dergelijke verklaring heeft afgelegd. De Partij stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis van de inwerkingtreding ervan.
Artikel 2. Doelstelling
Het doel van dit Verdrag is het bevorderen van de inspanningen van de Partijen ter voorkoming van terrorisme en van de negatieve gevolgen ervan voor het volledig genot van mensenrechten, in het bijzonder het recht op leven, zowel door het nemen van maatregelen op nationaal niveau als door internationale samenwerking, met zorgvuldige inachtneming van bestaande toepasselijke multilaterale of bilaterale verdragen of overeenkomsten tussen de Partijen.
Artikel 3. Nationaal preventiebeleid
Elke Partij treft passende maatregelen, met name op het gebied van de opleiding van wetshandhavingsautoriteiten en andere instanties, en op het gebied van onderwijs, cultuur, informatie, media en publieksvoorlichting, met het oog op het voorkomen van terroristische misdrijven en hun negatieve gevolgen, met inachtneming van de verplichtingen op het gebied van mensenrechten als vervat in, wanneer van toepassing voor die Partij, het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en andere verplichtingen uit hoofde van het internationale recht.
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig kunnen zijn om de samenwerking tussen nationale autoriteiten te verbeteren en te ontwikkelen met het oog op het voorkomen van terroristische misdrijven en hun negatieve gevolgen door, onder andere:
- a. uitwisseling van informatie;
- b. verbetering van de fysieke bescherming van personen en faciliteiten;
- c. verbetering van trainings- en coördinatieplannen voor civiele noodsituaties.
Elke Partij bevordert tolerantie door het aanmoedigen van de interreligieuze en interculturele dialoog en betrekt daarbij, voorzover relevant, niet-gouvernementele organisaties en andere onderdelen van het maatschappelijk middenveld teneinde spanningen te voorkomen die zouden kunnen bijdragen aan het plegen van terroristische misdrijven.
Elke Partij streeft ernaar de publieke bewustwording van het bestaan, de oorzaken en de ernst van en de bedreiging gevormd door terroristische misdrijven en de misdrijven vervat in dit Verdrag te bevorderen en overweegt het publiek aan te moedigen feitelijke, specifieke hulp, die zou kunnen bijdragen aan het voorkomen van terroristische misdrijven en misdrijven vervat in dit Verdrag, aan haar bevoegde autoriteiten te bieden.
Artikel 4. Internationale samenwerking bij preventie
Voorzover relevant en met inachtneming van hun mogelijkheden, helpen en ondersteunen de Partijen elkaar teneinde hun vermogen om het plegen van terroristische misdrijven te voorkomen te vergroten, onder andere door het uitwisselen van informatie en beste praktijken alsmede door training en andere gezamenlijke inspanningen met een preventief karakter.
Artikel 5. Publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf”, de verspreiding, of het op andere wijze beschikbaar maken, van een boodschap aan het publiek met het oogmerk aan te zetten tot het plegen van een terroristisch misdrijf, wanneer een dergelijke gedraging, ongeacht of terroristische misdrijven al dan niet rechtstreeks worden bepleit, het gevaar oplevert dat een of meer van dergelijke misdrijven zouden kunnen worden gepleegd.
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf, als omschreven in het eerste lid, wanneer dit wederrechtelijk en opzettelijk geschiedt, als strafbaar feit aan te merken volgens haar nationale recht.
Artikel 6. Werving voor terrorisme
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt onder „werving voor terrorisme” verstaan, het aansporen van een andere persoon een terroristisch misdrijf te plegen of daaraan deel te nemen, of zich aan te sluiten bij een organisatie of groep met het doel bij te dragen aan het plegen van een of meer terroristische misdrijven door de organisatie of de groep.
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om werving voor terrorisme, als omschreven in het eerste lid, wanneer dit wederrechtelijk en opzettelijk geschiedt, als strafbaar feit aan te merken volgens haar nationale recht.
Artikel 7. Training voor terrorisme
Voor de toepassing van dit Verdrag wordt verstaan onder „training voor terrorisme”, het geven van instructie voor het vervaardigen of gebruiken van explosieven, vuurwapens of andere wapens of schadelijke of gevaarlijke stoffen, of voor andere specifieke methoden of technieken, met als doel het plegen van of bijdragen aan het plegen van een terroristisch misdrijf, in de wetenschap dat beoogd wordt de verstrekte vaardigheden daarvoor in te zetten.
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om training voor terrorisme, als omschreven in het eerste lid, wanneer dit wederrechtelijk en opzettelijk geschiedt, als strafbaar feit aan te merken volgens haar nationale recht.
Artikel 8. Irrelevantie van het plegen van een terroristisch misdrijf
Om een handeling een strafbaar feit te doen zijn als vervat in de artikelen 5 tot en met 7 van dit Verdrag, is het niet noodzakelijk dat een terroristisch misdrijf feitelijk wordt gepleegd.
Artikel 9. Bijkomende strafbare feiten
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om in haar nationale recht als strafbare feiten aan te merken:
- a. het als medeplichtige deelnemen aan een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 van dit Verdrag;
- b. het organiseren van het plegen van een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 van dit Verdrag, of anderen opdracht geven tot het plegen daarvan;
- c. het bijdragen tot het plegen van een of meer strafbare feiten als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 van dit Verdrag door een groep personen die optreden met een gemeenschappelijk doel. Deze bijdrage dient opzettelijk te zijn en dient te worden geleverd:
- i. hetzij met het oog op de bevordering van de criminele activiteit of het criminele doel van de groep, wanneer een dergelijke activiteit of het doel het plegen van een strafbaar feit inhoudt als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 van dit Verdrag; of
- ii. hetzij met de wetenschap van de bedoeling van de groep een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 van dit Verdrag te plegen.
Elke Partij neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om overeenkomstig, en in overeenstemming met, haar nationale recht als strafbaar feit aan te merken, pogingen tot het plegen van een strafbaar feit als omschreven in de artikelen 6 en 7 van dit Verdrag.
Artikel 10. Aansprakelijkheid van rechtspersonen
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om, in overeenstemming met haar rechtsbeginselen, de aansprakelijkheid te vestigen van rechtspersonen voor deelneming aan de strafbare feiten als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag.
Met inachtneming van de rechtsbeginselen van de Partij, kan deze aansprakelijkheid van rechtspersonen strafrechtelijk, civielrechtelijk of bestuursrechtelijk zijn.
Deze aansprakelijkheid geldt onverminderd de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de natuurlijke personen die de strafbare feiten hebben gepleegd.
Artikel 11. Sancties en maatregelen
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om op de strafbare feiten als omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag doeltreffende, evenredige en afschrikkende straffen te stellen.
Eerdere definitieve veroordelingen die in andere Staten zijn uitgesproken wegens strafbare feiten als vervat in dit Verdrag, mogen, voorzover dit is toegestaan volgens het nationale recht, in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de straf in overeenstemming met het nationale recht.
Elke Partij verzekert dat rechtspersonen die aansprakelijk worden gesteld overeenkomstig artikel 10 onderworpen worden aan doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties, met inbegrip van geldelijke sancties.
Artikel 12. Voorwaarden en waarborgen
Elke Partij waarborgt dat de vaststelling, uitvoering en toepassing van de strafbaarstelling ingevolge de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag, plaatsvindt met inachtneming van de verplichtingen op het gebied van mensenrechten, met name het recht op vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vereniging en vrijheid van godsdienst, als vervat in, wanneer van kracht voor die Partij, het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en andere verplichtingen uit hoofde van het internationale recht.
Ten aanzien van de vaststelling, uitvoering en toepassing van de strafbaarstelling ingevolge de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag dient voorts het evenredigheidsbeginsel te gelden wat betreft de legitieme doelen die worden nagestreefd en de noodzaak daarvan in een democratische maatschappij, waarbij elke vorm van willekeur of discriminatoire of racistische behandeling wordt uitgesloten.
Artikel 13. Bescherming, schadeloosstelling en steun voor slachtoffers van terrorisme
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om de slachtoffers van terroristische daden die gepleegd zijn op haar eigen grondgebied, te beschermen en te steunen. Deze maatregelen kunnen onder andere financiële ondersteuning en schadeloosstelling van slachtoffers van terrorisme en hun naaste familie omvatten, via toepasselijke nationale regelingen en met inachtneming van de nationale wetgeving.
Artikel 14. Rechtsmacht
Elke Partij neemt de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in dit Verdrag vervatte strafbare feiten, wanneer:
- a. het strafbare feit is gepleegd op het grondgebied van die Partij;
- b. het strafbare feit is gepleegd aan boord van een schip dat onder de vlag van die Partij vaart, of aan boord van een luchtvaartuig dat overeenkomstig de wetgeving van die Partij staat ingeschreven;
- c. het strafbare feit is gepleegd door een onderdaan van die Partij.
Elke Partij kan haar rechtsmacht met betrekking tot de in dit Verdrag vervatte strafbare feiten tevens vestigen wanneer:
- a. het strafbare feit gericht was op of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1 van dit Verdrag, op het grondgebied of tegen een onderdaan van die Partij;
- b. het strafbare feit gericht was op of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1 van dit Verdrag, tegen een in het buitenland gevestigde staats- of regeringsvoorziening van die Partij, met inbegrip van diplomatieke of consulaire gebouwen van die Partij;
- c. het strafbare feit gericht was op, of heeft geleid tot het plegen van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1 van dit Verdrag, in een poging die Partij te dwingen iets te doen of na te laten;
- d. het strafbare feit is gepleegd door een staatloze die op het grondgebied van die Partij zijn of haar vaste verblijfplaats heeft; of
- e. het strafbare feit is gepleegd aan boord van een luchtvaartuig dat door de Regering van die Partij wordt gebruikt.
Elke Partij neemt tevens de maatregelen die nodig zijn om haar rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de in dit Verdrag vervatte strafbare feiten in gevallen waarin de vermoedelijke dader zich op haar grondgebied bevindt en zij deze persoon niet uitlevert aan een Partij wier rechtsmacht gebaseerd is op een bevoegdheidsregel die eveneens in de wetgeving van de aangezochte Partij bestaat.
Dit Verdrag sluit geen rechtsmacht in strafrechtelijke aangelegenheden uit die wordt uitgeoefend in overeenstemming met het nationale recht.
Wanneer meer dan een Partij aanspraak maakt op rechtsmacht met betrekking tot een in dit Verdrag vervat vermeend strafbaar feit, raadplegen de betrokken Partijen elkaar, voorzover relevant, teneinde te bepalen welke rechtsmacht het meest geëigend is ten behoeve van strafvervolging.
Artikel 15. Onderzoeksverplichting
Indien een Partij informatie verkrijgt dat de pleger of vermoedelijke pleger van een in dit Verdrag omschreven strafbaar feit zich mogelijk op haar grondgebied bevindt, neemt de desbetreffende Partij de maatregelen die krachtens haar nationale recht nodig zijn voor een onderzoek naar de in de verstrekte informatie opgenomen feiten.
Een Partij op wier grondgebied de dader of vermoedelijke dader zich bevindt neemt, indien zij ervan overtuigd is dat de omstandigheden dit rechtvaardigen, in overeenstemming met haar nationale recht de passende maatregelen ter verzekering van de aanwezigheid van die persoon ten behoeve van strafvervolging of uitlevering.
Een ieder tegen wie de in het tweede lid genoemde maatregelen worden genomen heeft het recht:
- a. zich onverwijld in verbinding te stellen met de dichtstbijzijnde daarvoor in aanmerking komende vertegenwoordiger van de Staat waarvan hij onderdaan is of die anderszins gerechtigd is de rechten van deze persoon te beschermen, of, indien het een staatloze betreft, de Staat op het grondgebied waarvan die persoon zijn vaste verblijfplaats heeft;
- b. te worden bezocht door een vertegenwoordiger van die Staat;
- c. te worden geïnformeerd over zijn rechten op grond van de onderdelen a en b.
De in het derde lid bedoelde rechten worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetten en voorschriften van de Partij op het grondgebied waarvan de dader of vermoedelijke dader zich bevindt, met dien verstande dat de genoemde wetten en voorschriften het mogelijk maken dat de doeleinden die met de krachtens het derde lid verleende rechten worden beoogd, volledig worden verwezenlijkt.
De bepalingen van het derde en vierde lid gelden onverminderd het recht van een Partij die zich beroept op haar rechtsmacht overeenkomstig artikel 14, eerste lid, onderdeel c, of tweede lid, onderdeel d, het Internationale Comité van het Rode Kruis te verzoeken zich in verbinding te stellen met de vermoedelijke dader en deze te bezoeken.
Artikel 16. Niet-toepasselijkheid van het Verdrag
Dit Verdrag is niet van toepassing indien een van de in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 omschreven strafbare feiten is gepleegd binnen één Staat, de vermoedelijke dader een onderdaan is van die Staat en zich bevindt op het grondgebied van die Staat en geen andere Staat een grond heeft krachtens artikel 14, eerste of tweede lid van dit Verdrag, tot uitoefening van rechtsmacht, met dien verstande dat de bepalingen van artikel 17 en de artikelen 20 tot en met 22 van dit Verdrag, voorzover deze zich daartoe lenen, in dergelijke gevallen van toepassing zijn.
Artikel 17. Internationale samenwerking in strafzaken
De Partijen verlenen elkaar de ruimst mogelijke rechtshulp bij strafrechtelijke onderzoeken, bij strafzaken en bij uitleveringsprocedures ter zake van de in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag omschreven strafbare feiten, met inbegrip van rechtshulp ter verkrijging van bewijs in hun bezit dat nodig is voor de procedure.
De Partijen komen hun verplichtingen uit hoofde van het eerste lid na in overeenstemming met de verdragen en regelingen inzake wederzijdse rechtshulp die tussen hen bestaan. Indien dergelijke verdragen of regelingen ontbreken, verlenen de Partijen elkaar rechtshulp overeenkomstig hun nationale recht.
De Partijen werken samen in de ruimst mogelijke mate krachtens de relevante wetten, verdragen, overeenkomsten en regelingen van de aangezochte Partij met betrekking tot strafrechtelijke onderzoeken of strafzaken ter zake van de strafbare feiten waarvoor een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld overeenkomstig artikel 10 van dit Verdrag in de verzoekende Partij.
Elke Partij kan overwegen aanvullende mechanismen in te stellen om andere Partijen deelgenoot te maken van inlichtingen of bewijs benodigd om straf-, civiel- of bestuursrechtelijke aansprakelijkheid vast te stellen uit hoofde van artikel 10.
Artikel 18. Uitleveren of vervolgen
De Partij op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader zich bevindt, is, wanneer zij rechtsmacht heeft in overeenstemming met artikel 14, indien zij deze persoon niet uitlevert, zonder enige uitzondering en ongeacht of het strafbare feit op haar grondgebied is gepleegd of niet, verplicht de zaak zonder onnodige vertraging over te dragen aan haar bevoegde autoriteiten voor vervolging door middel van een procedure overeenkomstig het recht van die Partij. Deze autoriteiten nemen hun beslissing op dezelfde wijze als in geval van elk ander misdrijf krachtens de wetgeving van die Partij.
Wanneer het een Partij op grond van haar nationale wetgeving alleen is toegestaan een onderdaan uit te leveren of op andere wijze over te leveren op voorwaarde dat deze wordt teruggezonden naar die Partij om de straf te ondergaan die is opgelegd als gevolg van het proces of de procedure waarvoor de uitlevering of overgave van de persoon werd verzocht, en deze Partij en de Partij die verzoekt om uitlevering van de persoon instemmen met deze mogelijkheid en andere voorwaarden die zij gepast achten, is een dergelijke voorwaardelijke uitlevering of overgave voldoende voor ontheffing van de in het eerste lid omschreven verplichting.
Artikel 19. Uitlevering
De artikelen 5 tot en met 7 en 9 omschreven strafbare feiten worden in alle voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit Verdrag tussen de Partijen bestaande uitleveringsverdragen geacht te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Partijen verplichten zich ertoe bedoelde strafbare feiten op te nemen als uitleveringsdelicten in ieder uitleveringsverdrag dat vervolgens tussen hen wordt gesloten.
Indien een Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag, een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Partij, indien zij dit verkiest, dit Verdrag beschouwen als een juridische grondslag voor uitlevering op grond van de in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag omschreven strafbare feiten. De uitlevering is onderworpen aan de overige voorwaarden voorzien in het recht van de aangezochte Partij.
Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 omschreven strafbare feiten onderling als uitleveringsdelicten, onderworpen aan de voorwaarden voorzien in het recht van de aangezochte Partij.
Voor uitlevering tussen Partijen worden de in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag omschreven strafbare feiten, indien nodig, beschouwd als niet alleen begaan op de plaats waar zij zijn gepleegd, maar ook op het grondgebied van de Partijen die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 14.
De bepalingen van alle uitleveringsverdragen en -regelingen die tussen de Partijen bestaan met betrekking tot de strafbare feiten omschreven in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag, worden geacht tussen die Partijen te zijn gewijzigd voor zover zij niet verenigbaar zijn met dit Verdrag.
Artikel 20. Uitsluiting van de politieke uitzonderingsclausule
Geen van de in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 van dit Verdrag omschreven strafbare feiten wordt, ten behoeve van uitlevering of wederzijdse rechtshulp, beschouwd als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven. Dienovereenkomstig mag een verzoek om uitlevering of wederzijdse rechtshulp op basis van een dergelijk delict niet worden geweigerd met als enige reden dat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend delict of een delict ingegeven door politieke motieven betreft.
Onverminderd de toepassing van de artikelen 19 tot en met 23 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 op de andere artikelen van dit Verdrag, kan iedere Staat, op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, verklaren dat hij of zij zich het recht voorbehoudt het eerste lid van dit artikel niet toe te passen ter zake van een strafbaar feit als vervat in dit Verdrag. De Partij verplicht zich dit voorbehoud per geval toe te passen, op basis van een naar behoren onderbouwde beslissing.
Elke Partij kan een krachtens het tweede lid gemaakt voorbehoud geheel of gedeeltelijk intrekken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, welke van kracht wordt op de datum van ontvangst ervan.
Een Partij die een voorbehoud heeft gemaakt krachtens het tweede lid van dit artikel kan geen aanspraak maken op de toepassing van het eerste lid van dit artikel door een andere Partij; zij kan echter, indien haar voorbehoud gedeeltelijk of voorwaardelijk is, op de toepassing van dit artikel aanspraak maken voor zover zij dit zelf heeft aanvaard.
Het voorbehoud is drie jaar geldig, gerekend vanaf de eerste dag van de inwerkingtreding van dit Verdrag ten aanzien van de betrokken Partij. Een dergelijk voorbehoud kan evenwel worden verlengd met tijdvakken van dezelfde duur.
Twaalf maanden voor de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van het voorbehoud stelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa de betrokken Partij in kennis van dat verstrijken. Uiterlijk drie maanden voor de datum van het verstrijken stelt de Partij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis van haar besluit het voorbehoud te handhaven, te wijzigen of in te trekken. Wanneer een Partij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis stelt van haar besluit het voorbehoud te handhaven, geeft zij uitleg ten aanzien van de redenen die handhaving van het voorbehoud rechtvaardigen. Bij gebreke van een kennisgeving van de betrokken Partij deelt de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa die Partij mede dat haar voorbehoud geacht wordt automatisch te zijn verlengd voor een tijdvak van zes maanden. Indien de betrokken Partij voor het verstrijken van dat tijdvak geen kennisgeving doet van haar voornemen het voorbehoud te handhaven of te wijzigen, vervalt het voorbehoud.
Wanneer een Partij, op grond van dit voorbehoud, een persoon niet uitlevert na ontvangst van een verzoek om uitlevering van een andere Partij, legt zij de zaak, zonder enige uitzondering en zonder onnodige vertraging, voor aan haar bevoegde autoriteiten ten behoeve van vervolging, tenzij de verzoekende Partij en de aangezochte Partij anderszins overeenkomen. De bevoegde autoriteiten nemen ten behoeve van vervolging in de aangezochte Partij hun beslissing op dezelfde wijze als in het geval van een misdrijf krachtens de wet van die Partij. De aangezochte Partij deelt, zonder onnodige vertraging, de uitkomst van de procedure mede aan de verzoekende Partij en aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die deze zal toezenden aan de in artikel 30 voorziene Vergadering van de Partijen.
De beslissing tot afwijzing van een verzoek om uitlevering op grond van dit voorbehoud wordt onverwijld ter kennis gebracht van de verzoekende Partij. Indien binnen een redelijke termijn geen gerechtelijke beslissing ten principale is genomen in de aangezochte Partij overeenkomstig het zevende lid, kan de verzoekende Partij dit feit mededelen aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, die de zaak zal voorleggen aan de in artikel 30 voorziene Vergadering van de Partijen. Deze Vergadering behandelt de zaak en brengt een advies uit omtrent de conformiteit van de afwijzing met het Verdrag en legt dit voor aan het Comité van Ministers ten behoeve van een verklaring dienaangaande. Bij de uitoefening van zijn functies ingevolge dit lid komt het Comité van Ministers bijeen in zijn tot de Staten die Partij zijn beperkte samenstelling.
Artikel 21. Non-discriminatieclausule
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het verplicht tot uitlevering of tot het verlenen van wederzijdse rechtshulp in gevallen waarin de aangezochte Partij ernstige redenen heeft om te vermoeden dat het verzoek om uitlevering voor in de artikelen 5 tot en met 7 en 9 omschreven strafbare feiten of tot wederzijdse rechtshulp met betrekking tot dergelijke feiten is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging, of dat inwilliging van het verzoek de positie van betrokkene om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering inhoudt, indien de persoon die het voorwerp is van het verzoek om uitlevering het risico loopt aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing te worden blootgesteld.
Niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering inhoudt, indien de persoon die het voorwerp is van het verzoek om uitlevering het risico loopt ter dood te worden veroordeeld of, wanneer het recht van de aangezochte Partij niet voorziet in levenslange gevangenisstraf, tot levenslange gevangenisstraf zonder de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling, tenzij de aangezochte Partij uit hoofde van toepasselijke uitleveringsverdragen verplicht is tot uitlevering indien de verzoekende Partij naar het oordeel van de aangezochte Partij voldoende zekerheid biedt dat de doodstraf niet zal worden opgelegd of, indien hij toch wordt opgelegd, niet zal worden voltrokken, of dat de desbetreffende persoon geen levenslange gevangenisstraf zal worden opgelegd zonder de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling.
Artikel 22. Informatieverstrekking op eigen initiatief
Onverminderd hun eigen onderzoeken of gerechtelijke procedures, kunnen de bevoegde autoriteiten van een Partij, zonder voorafgaand verzoek, de bevoegde autoriteiten van een andere Partij informatie doen toekomen die verkregen is in het kader van hun eigen onderzoeken wanneer zij van mening zijn dat de bekendmaking van dergelijke informatie de ontvangende Partij zou kunnen helpen bij het instellen of uitvoeren van onderzoeken of gerechtelijke procedures of zou kunnen leiden tot een verzoek door die Partij krachtens dit Verdrag.
De Partij die de informatie verschaft kan, op grond van haar nationale recht, voorwaarden verbinden aan het gebruik van dergelijke informatie door de ontvangende Partij.
De Partij die de informatie ontvangt, is door die voorwaarden gebonden.
Elke Partij kan evenwel te allen tijde, door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving, verklaren dat zij zich het recht voorbehoudt niet te worden gebonden door de voorwaarden die worden opgelegd door de Partij die de informatie verstrekt, tenzij zij vooraf in kennis wordt gesteld van de aard van de te verstrekken informatie en instemt met de overdracht.
Artikel 23. Ondertekening en inwerkingtreding
Dit Verdrag staat open voor ondertekening door de lidstaten van de Raad van Europa en door Staten die geen lid van de Raad zijn en die hebben deelgenomen aan de opstelling hiervan.
Dit Verdrag dient te worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd. De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Dit Verdrag treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop zes ondertekenaars, waaronder ten minste vier lidstaten van de Raad van Europa, overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid hun instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking hebben gebracht.
Ten aanzien van elke ondertekenaar die later zijn instemming door dit Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking brengt, treedt het in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum waarop overeenkomstig de bepalingen van het tweede lid zijn instemming door het Verdrag te worden gebonden tot uitdrukking is gebracht.
Artikel 24. Toetreding tot het Verdrag
Na de inwerkingtreding van dit Verdrag, kan het Comité van Ministers van de Raad van Europa, na raadpleging en verkrijging van unanieme instemming van de Partijen bij het Verdrag, iedere Staat die geen lid is van de Raad van Europa en niet heeft deelgenomen aan de opstelling ervan, uitnodigen tot dit Verdrag toe te treden. Het besluit wordt genomen met de meerderheid als voorzien in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa en met algemene stemmen van de vertegenwoordigers van de Partijen die recht hebben op een zetel in het Comité van Ministers.
Ten aanzien van elke Staat die ingevolge het eerste lid van dit artikel tot dit Verdrag toetreedt, treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van nederlegging van de akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Artikel 25. Territoriale toepassing
Elke Staat of de Europese Gemeenschap kan, op het tijdstip van de ondertekening of bij de nederlegging van zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, het grondgebied of de grondgebieden waarop dit Verdrag van toepassing is nader aanduiden.
Elke Partij kan op een later tijdstip door middel van een verklaring gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, de toepassing van dit Verdrag uitbreiden tot elk ander grondgebied dat in de verklaring wordt genoemd. Ten aanzien van een dergelijk grondgebied treedt het Verdrag in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de verklaring door de Secretaris-Generaal.
Iedere krachtens de twee voorgaande leden gedane verklaring kan, met betrekking tot elk in die verklaring nader aangeduid grondgebied, worden ingetrokken door middel van een aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa gerichte kennisgeving. De intrekking wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 26. Gevolgen van het Verdrag
Dit Verdrag vormt een aanvulling op de tussen de Partijen toepasselijke multilaterale of bilaterale verdragen of overeenkomsten, met inbegrip van de bepalingen van de volgende verdragen van de Raad van Europa:
- –. Europees Verdrag betreffende uitlevering, op 13 december 1957 te Parijs voor ondertekening opengesteld (ETS nr. 24);
- –. Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, op 20 april 1959 te Straatsburg voor ondertekening opengesteld, (ETS nr. 30);
- –. Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, op 27 januari 1977 te Straatsburg voor ondertekening opengesteld (ETS nr. 90);
- –. Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, op 17 maart 1978 te Straatsburg voor ondertekening opengesteld (ETS nr. 99);
- –. Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken, op 8 november 2001 te Straatsburg voor ondertekening opengesteld (ETS nr. 182);
- –. Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, op 15 mei 2003 te Straatsburg voor ondertekening opengesteld (ETS nr. 190);
Indien twee of meer Partijen reeds een overeenkomst of verdrag hebben gesloten met betrekking tot de in dit Verdrag geregelde aangelegenheden of anderszins hun betrekkingen ter zake van deze aangelegenheden hebben geregeld, of dit in de toekomst doen, zijn zij eveneens gerechtigd die overeenkomst of dat verdrag toe te passen of die betrekkingen dienovereenkomstig te regelen. Wanneer de Partijen evenwel hun betrekkingen ten aanzien van de in dit Verdrag geregelde aangelegenheden vaststellen op een andere dan de hier voorziene wijze, doen zij dit op een wijze die niet onverenigbaar is met de doelen en beginselen van het Verdrag.
Partijen die lid zijn van de Europese Unie passen in hun wederzijdse betrekkingen regels van de Gemeenschap en de Europese Unie toe, voor zover op het desbetreffende specifieke onderwerp en in het specifieke geval regels van de Gemeenschap en de Europese Unie van toepassing zijn, onverminderd het onderwerp en het doel van dit Verdrag en onverminderd de volledige toepassing ervan ten opzichte van andere Partijen.
Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan de overige rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden van een Partij en van natuurlijke personen het krachtens internationaal recht, met inbegrip van het internationaal humanitair recht.
De handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als omschreven in en onderworpen aan het internationaal humanitaire recht vallen niet onder dit Verdrag en de activiteiten ontplooid door de strijdkrachten van een Partij bij de uitoefening van hun officiële taken, voorzover onderworpen aan andere bepalingen van het internationaal recht, vallen niet onder dit Verdrag.
Artikel 27. Wijzigingen van het Verdrag
Wijzigingen van dit Verdrag kunnen worden voorgesteld door elke Partij, het Comité van Ministers van de Raad van Europa of de Vergadering van de Partijen.
Ieder voorstel tot wijziging wordt door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa aan de Partijen medegedeeld.
Elke door een Partij of door het Comité van Ministers voorgestelde wijziging wordt meegedeeld aan de Vergadering van de Partijen, die haar oordeel over de voorgestelde wijziging voorlegt aan het Comité van Ministers.
Het Comité van Ministers bestudeert de voorgestelde wijziging en het door de Vergadering van de Partijen voorgelegde oordeel en kan de wijziging goedkeuren.
De tekst van elke door het Comité van Ministers overeenkomstig het vierde lid van dit artikel goedgekeurde wijziging, wordt aan de Partijen ter aanvaarding toegezonden.
Iedere overeenkomstig het vierde lid van dit artikel aangenomen wijziging treedt in werking dertig dagen nadat alle Partijen de Secretaris-Generaal hebben meegedeeld dat zij haar hebben aanvaard.
Artikel 28. Herziening van de Bijlage
Teneinde de lijst met verdragen in de Bijlage te actualiseren, kan elke Partij of het Comité van Ministers voorstellen tot wijziging indienen. Deze voorstellen tot wijziging hebben uitsluitend betrekking op binnen het systeem van de Verenigde Naties gesloten universele verdragen die specifiek betrekking hebben op internationaal terrorisme en die in werking zijn getreden. Zij worden door de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa medegedeeld aan de Partijen.
Na raadpleging van de Partijen die geen lid zijn, kan het Comité van Ministers de wijziging aannemen met de in artikel 20, onderdeel d, van het Statuut van de Raad van Europa voorziene meerderheid. De wijziging treedt in werking na het verstrijken van een tijdvak van een jaar na de datum waarop deze is toegestuurd aan de Partijen. Gedurende dit tijdvak kan elke Partij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis stellen van enig bezwaar tegen het in werking treden van de wijziging ten aanzien van deze Partij.
Indien eenderde van de Partijen de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis stellen van een bezwaar tegen het in werking treden van de wijziging, wordt de wijziging niet van kracht.
Indien minder dan eenderde van de Partijen kennisgeving hebben gedaan van bezwaar, treedt de wijziging in werking voor de Partijen die geen kennisgeving van bezwaar hebben gedaan.
Indien een wijziging overeenkomstig het tweede lid van dit artikel in werking is getreden en een Partij kennis heeft gedaan van een bezwaar ertegen, treedt deze wijziging voor de desbetreffende Partij in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de datum waarop deze Partij de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa in kennis stelt van haar aanvaarding ervan.
Artikel 29. Beslechting van geschillen
In geval van een geschil tussen Partijen over de uitlegging of toepassing van dit Verdrag, trachten zij het geschil op te lossen door middel van onderhandelingen of op iedere andere vreedzame wijze naar hun keuze, met inbegrip van voorlegging van het geschil aan een scheidsgerecht dat beslissingen neemt die voor de partijen bij het geschil bindend zijn, of aan het Internationaal Gerechtshof, zoals tussen de betrokken Partijen overeengekomen.
Artikel 30. Vergadering van de Partijen
De Partijen voeren periodiek overleg teneinde:
- a. voorstellen te doen om de doeltreffende werking en toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken of te verbeteren, met inbegrip van het identificeren van problemen en de gevolgen van verklaringen die uit hoofde van dit Verdrag zijn afgelegd;
- b. een advies te formuleren omtrent de overeenstemming met het Verdrag van een weigering om uit te leveren die aan hen is voorgelegd overeenkomstig artikel 20, achtste lid;
- c. voorstellen te doen tot wijziging van dit Verdrag overeenkomstig artikel 27;
- d. een advies te formuleren omtrent enig voorstel tot wijziging van dit Verdrag dat aan hen is voorgelegd overeenkomstig artikel 27, derde lid;
- e. advies te geven omtrent enige vraag betreffende de toepassing van dit Verdrag en de uitwisseling van informatie over belangrijke juridische, beleidsmatige of technologische ontwikkelingen te vergemakkelijken.
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa roept de Vergadering van de Partijen bijeen wanneer hij dit noodzakelijk acht en in ieder geval waarin een meerderheid van de Partijen of het Comité van Ministers daarom verzoekt.
De Partijen krijgen bij de uitvoering van hun taken ingevolge dit artikel ondersteuning van het Secretariaat van de Raad van Europa.
Artikel 31. Opzegging
Iedere Partij kan dit Verdrag te allen tijde opzeggen door middel van een kennisgeving gericht aan de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa.
Deze opzegging wordt van kracht op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een tijdvak van drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving door de Secretaris-Generaal.
Artikel 32. Kennisgeving
De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa stelt de lidstaten van de Raad van Europa, de Europese Gemeenschap, de niet-lidstaten die hebben deelgenomen aan de opstelling van dit Verdrag alsmede iedere Staat die is toegetreden of is uitgenodigd toe te treden tot dit Verdrag, in kennis van:
- a. elke ondertekening;
- b. de nederlegging van elke akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding;
- c. elke datum van inwerkingtreding van dit Verdrag overeenkomstig artikel 23;
- d. elke verklaring afgelegd ingevolge artikel 1, tweede lid, artikel 22, vierde lid, en artikel 25;
- e. iedere andere akte, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Verdrag.
IN WITNESS whereof the undersigned, being duly authorised thereto, have signed this Convention.
DONE at Warsaw, this 16th day of May 2005, in English and in French, both texts being equally authentic, in a single copy which shall be deposited in the archives of the Council of Europe. The Secretary General of the Council of Europe shall transmit certified copies to each member State of the Council of Europe, to the European Community, to the non-member States which have participated in the elaboration of this Convention, and to any State invited to accede to it.