← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernphysisch onderzoek

Geldende tekst a fecha 1971-01-17

De Staten welke partij zijn bij dit Verdrag,

In aanmerking nemende de op 15 februari 1952 te Genève ter ondertekening opengestelde Overeenkomst houdende de instelling van een Raad van Vertegenwoordigers van Europese Staten ter bestudering van de plannen voor een internationaal laboratorium en de organisatie van andere vormen van samenwerking op het gebied van kernfysisch onderzoek;

In aanmerking nemende de op 30 juni 1953 te Parijs ondertekende Aanvullende Overeenkomst tot verlenging van genoemde Overeenkomst; en

Verlangende ingevolge lid 2 van artikel III van genoemde Overeenkomst van 15 februari 1952, een Verdrag te sluiten tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek, met inbegrip van de oprichting van een Internationaal Laboratorium voor de uitvoering van een overeengekomen programma van zuiver wetenschappelijk en fundamenteel onderzoek met betrekking tot deeltjes met grote energieën;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel I. Oprichting van de Organisatie
1.

Hierbij wordt een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek (hierna te noemen „de Organisatie”) opgericht.

2.

De Organisatie is gevestigd te Genève, tenzij de in artikel IV genoemde Raad op een later tijdstip met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten besluit de zetel van de Organisatie te verplaatsen naar de plaats waar een der andere in artikel II, lid 2, onder a bedoelde laboratoria is gevestigd.

Artikel II. Doelstellingen
1.

De Organisatie draagt zorg voor de samenwerking tussen de Europese Staten op het gebied van kernfysisch onderzoek van zuiver wetenschappelijke en fundamentele aard en onderzoekingen welke daar wezenlijk mee in verband staan. De Organisatie houdt zich niet bezig met werk voor militaire behoeften en de resultaten van haar proefondervindelijk en theoretisch werk worden gepubliceerd of op andere wijze voor iedereen toegankelijk gemaakt.

2.

Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde samenwerking beperkt de Organisatie haar werkzaamheden tot de hieronder genoemde:

3.

De programma's van de Organisatie omvatten:

4.

De in lid 3, onder c en d , bedoelde programma's dienen door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, te worden goedgekeurd. Tegelijk met het geven van zijn goedkeuring, geeft de Raad een omschrijving van het programma; in deze omschrijving worden de administratieve, financiële en andere bepalingen genoemd die voor een juiste uitvoering van het programma van node zijn.

5.

Elke wijziging in de omschrijving van een programma dient door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, te worden goedgekeurd.

6.

Tot het tijdstip waarop de in lid 3, onder c, hierboven, bedoelde versneller in bedrijf zal worden gesteld, welk tijdstip door de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, wordt vastgesteld, geldt het in dat lid, onder a, bedoelde programma als het basisprogramma van de Organisatie. Van bedoeld tijdstip af vormt het onder c bedoelde programma ook een onderdeel van het basisprogramma. De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, beslissen dat het onder a bedoelde programma niet langer een onderdeel vormt van het basisprogramma, tenzij een aan dit programma deelnemende Lidstaat tegenstemt.

7.

De Laboratoria zullen op zo groot mogelijke schaal samenwerken met laboratoria en instellingen op het grondgebied van de Lidstaten binnen het kader van hun programma's.

Voor zover zulks in overeenstemming is met de doelstellingen van de Organisatie, trachten de Laboratoria dubbel werk te vermijden ten aanzien van de onderzoekingen welke in bedoelde laboratoria of instellingen worden verricht.

Artikel III. Voorwaarden voor het lidmaatschap
1.

Staten welke partij zijn bij de in de Preambule van dit Verdrag bedoelde Overeenkomst van 15 februari 1952, of welke in geld of in natura hebben bijgedragen tot de bij die Overeenkomst ingestelde Raad en daadwerkelijk aan het werk van de Raad hebben deelgenomen, hebben het recht lid te worden van de Organisatie door partij te worden bij dit Verdrag in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen XV, XVI en XVII.

3.

Elke Lidstaat verstrekt de President van de Raad schriftelijk een opgave van de programma's waaraan hij wenst deel te nemen. Geen enkele Staat heeft het recht lid van de Organisatie te worden, of te blijven, indien hij niet aan ten minste één van de programma's die een onderdeel van het basisprogramma vormen, deelneemt.

4.

De Raad kan, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, tegelijk met het tijdvak waarvoor ten minste aan enig programma moet worden deelgenomen, de grens vaststellen die de aan bedoeld programma gedurende dat tijdvak ten koste te leggen bedragen niet mogen overschrijden. Zijn dit tijdvak van deelneming en deze kostengrens aldus eenmaal vastgesteld, dan kan de Raad, met dezelfde meerderheid, zowel het een als de andere wijzigen, tenzij een aan dat programma deelnemende Lidstaat tegenstemt. Een Lidstaat kan, met inachtneming van een minimumtijdvak als hierboven bedoeld, de President van de Raad er te allen tijde schriftelijk van in kennis stellen dat hij zich uit een programma wil terugtrekken; zodanige uittreding gaat in aan het eind van het boekjaar volgend op dat waarin de uittreding is aangekondigd, of op een daarvoor door de Lidstaat voorgesteld later tijdstip.

5.

In het geval dat een programma wordt beëindigd, is de Raad voor de afwikkeling daarvan verantwoordelijk, met inachtneming van eventuele overeenkomsten die de Lidstaten die aan dat programma deelnemen op dat ogenblik met elkaar kunnen aangaan, en tevens met inachtneming van de ter zake dienende voorwaarden van enige overeenkomst die van kracht is tussen de Organisatie en de Staten op wier grondgebied het programma wordt uitgevoerd. Een eventueel overschot wordt onder de Lidstaten die, op het ogenblik waarop het programma wordt beëindigd, daaraan deelnemen, verdeeld op basis van de door hen in verband met bedoeld programma betaalde bijdragen. Indien er een tekort is, dan wordt dit door dezelfde Lidstaten bijgepast, waarbij hun voor het dan lopende boekjaar vastgestelde bijdragen in verband met bedoeld programma, als verdeelsleutel worden aangehouden.

6.

Ten aanzien van de werkzaamheden van de Organisatie bevorderen de Lidstaten de uitwisseling van personen en van ter zake dienende wetenschappelijke en technische inlichtingen, onder voorwaarde dat geen enkele bepaling van dit lid

Artikel IV. Organen

De Organisatie bestaat uit een Raad en, voor elk der Laboratoria, een Directeur-Generaal, die wordt bijgestaan door een staf.

Artikel V. De Raad
1.

Van iedere Staat welke lid is van de Organisatie hebben niet meer dan twee afgevaardigden zitting in de Raad; tijdens zittingen van de Raad kunnen deze afgevaardigden zich doen vergezellen van adviseurs.

2.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag zal de Raad

3.

De Raad komt minstens eenmaal per jaar bijeen en wel daar waar de Raad zelf zal beslissen.

4.

Elke Staat welke lid is van de Organisatie brengt één stem uit in de Raad.

5.

De beslissingen van de Raad worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen van de Lidstaten welke vertegenwoordigd zijn en welke hun stem uitbrengen, behalve indien hieromtrent in dit Verdrag anders wordt bepaald.

6.

Waar in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat een bepaalde aangelegenheid met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten door de Raad dient te worden goedgekeurd, en indien deze aangelegenheid rechtstreeks met een bepaald programma verband houdt, dient deze meerderheid tevens een twee derde meerderheid van alle aan dat programma deelnemende Lidstaten te vertegenwoordigen.

7.

Behalve wanneer in dit Verdrag of in het daaraan gehechte Financiële Protocol wordt bepaald dat voor een bepaalde aangelegenheid de met algemene stemmen verleende goedkeuring van de Raad is vereist of dat de bedoelde aangelegenheid de goedkeuring behoeft van een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, heeft geen enkele Lidstaat het recht zijn stem uit te brengen met betrekking tot een aangelegenheid die binnen de krachtens artikel II door de Raad vastgestelde grenzen van een programma valt, wanneer hij niet aan dat programma deelneemt of indien de bedoelde aangelegenheid niet rechtstreeks verband houdt met een programma waaraan hij wel deelneemt.

8.

Een Lidstaat heeft niet het recht zijn stem in de Raad uit te brengen, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan de Organisatie hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. Evenmin heeft hij het recht zijn stem in de Raad uit te brengen met betrekking tot een bepaald programma, indien het bedrag van zijn achterstallige bijdragen aan dat programma hoger is dan het bedrag van de verschuldigde bijdragen voor het lopende boekjaar en het onmiddellijk daaraan voorafgaande boekjaar. De Raad kan niettemin met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten beslissen dat een zodanige Staat zijn stem toch mag uitbrengen indien de Raad ervan overtuigd is dat de niet-betaling te wijten is aan omstandigheden waarop de betreffende Staat geen invloed kan uitoefenen.

9.

Voor het in discussie brengen in de Raad van welke aangelegenheid ook is, om een quorum te kunnen vormen, de tegenwoordigheid van de afgevaardigden van een meerderheid van de Lidstaten, die gerechtigd moeten zijn ter zake van de desbetreffende aangelegenheid hun stem uit te brengen, noodzakelijk.

10.

Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag stelt de Raad zijn eigen huishoudelijk reglement vast.

11.

De Raad kiest een President en twee Vice-Presidenten die een jaar in functie blijven en die ten hoogste bij twee opeenvolgende gelegenheden herkozen mogen worden.

12.

De Raad roept, behalve een Commissie voor het Wetenschappelijk beleid en een Financiële Commissie, die andere hulporganen in het leven waaraan in het belang van de Organisatie, en met name met het oog op de uitvoering en coördinatie van haar verschillende programma's behoefte zou kunnen bestaan. De oprichting en de opdrachten van zodanige organen worden vastgesteld door de Raad met een twee derde meerderheid van stemmen van alle Lidstaten. Met inachtneming van de bepalingen van dit Verdrag en van het daaraan gehechte Financiële Protocol, stellen de bedoelde hulporganen hun eigen huishoudelijk reglement vast.

13.

In afwachting van de nederlegging van de akten van bekrachtiging of van toetreding kunnen de in lid 1 van artikel III bedoelde Staten zich doen vertegenwoordigen op de bijeenkomsten van de Raad en deelnemen aan het werk van de Raad tot 31 december 1954. Dit recht omvat niet het stemrecht tenzij de betreffende Staat tot de Organisatie heeft bijgedragen in overeenstemming met de bepalingen van lid 1 van artikel 4 van het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol.

Artikel VI. Directeuren-Generaal en personeel
2.

Elk der Directeuren-Generaal wordt bijgestaan door zodanig wetenschappelijk, technisch en administratief personeel als nodig zal worden geoordeeld en zal worden goedgekeurd door de Raad.

3.

Alle leden van het personeel worden benoemd en kunnen worden ontslagen door de Raad op voordracht van de desbetreffende Directeur-Generaal. Voor benoemingen en ontslagen door de Raad is een twee derde meerderheid van alle Lidstaten noodzakelijk. Met eenzelfde meerderheid kan de Raad bevoegdheden ten aanzien van benoemingen en ontslagen overdragen aan krachtens het bepaalde in lid 12 van artikel V in het leven geroepen hulporganen, alsmede aan de Directeuren-Generaal. Elke zodanige benoeming en elk ontslag dient in overeenstemming te zijn met de personeelsvoorschriften die zullen worden aangenomen door de Raad met eenzelfde twee derde meerderheid. Eenieder die geen deel uitmaakt van de staf en die door of namens de Raad wordt uitgenodigd op een der Laboratoria te komen werken, is onderworpen aan het gezag van de desbetreffende Directeur-Generaal en aan zodanige algemene bepalingen als door de Raad zullen worden goedgekeurd.

4.

De verantwoordelijkheden van de Directeuren-Generaal, de staf en het personeel voor secretariaatswerkzaamheden ten aanzien van de Organisatie zullen uitsluitend van internationale aard zijn. Bij het uitoefenen van hun functie zullen zij geen instructies vragen aan, noch instructies ontvangen van, een bepaalde regering of een niet bij de Organisatie betrokken instantie. Alle Lid-staten zullen de internationale aard van de verantwoordelijkheden van de Directeuren-Generaal en de staf eerbiedigen, en niet trachten hen in de uitoefening van hun functie te beïnvloeden.

Artikel VII. Financiële bijdragen
1.

Alle Lidstaten dragen bij in de kapitaalsuitgaven en in lopende bedrijfsonkosten van de Organisatie

2.

Indien de deelneming door de Organisatie aan een nationaal of multi-nationaal project een programma van de Organisatie vormt, zijn de bepalingen van lid 1 hierboven van toepassing, tenzij de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, anders bepaalt.

3.

De krachtens lid 1 van dit artikel door een Staat welke lid is van de Organisatie te betalen bijdragen zullen worden berekend ten aanzien van, en uitsluitend worden aangewend voor, de programma's waaraan deze Lidstaat deelneemt.

5.

De krachtens de bepalingen van dit artikel verschuldigde bijdragen worden betaald overeenkomstig het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol.

6.

Binnen de krachtens het bepaalde onder a van lid 1 van artikel VI aan hem overgedragen bevoegdheid, en met inachtneming van eventueel door de Raad te geven aanwijzingen, kan een Directeur-Generaal voor de Organisatie bestemde giften en legaten aanvaarden mits aan zodanige giften en legaten geen voorwaarden verbonden zijn welke onverenigbaar zijn met de doelstellingen van de Organisatie.

Artikel VIII. Samenwerking met de UNESCO en met andere organisaties

De Organisatie werkt samen met de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur. Zij kan, na een met een meerderheid van twee derde van alle Lidstaten genomen beslissing van de Raad, ook samenwerken met andere organisaties en instellingen.

Artikel IX. Status

De Organisatie bezit rechtspersoonlijkheid op het grondgebied van het moederland van alle Lidstaten. Aan de Organisatie en de vertegenwoordigers van Lidstaten in de Raad, de leden van de krachtens lid 12 van artikel V ingestelde hulporganen, de Directeuren-Generaal en de leden van het personeel van de Organisatie worden op het grondgebied van het moederland van de Lidstaten krachtens tussen de Organisatie en elke betreffende Staat welke lid is van de Organisatie te sluiten overeenkomsten, eventueel die voorrechten en immuniteiten toegekend welke naar hun mening nodig zijn voor de uitoefening van de functies van de Organisatie. De overeenkomsten te sluiten tussen de Organisatie en de Lidstaten op wier grondgebied de Laboratoria van de Organisatie gevestigd zullen zijn, zullen behalve bepalingen betreffende voorrechten en immuniteiten, eveneens bepalingen bevatten ter regeling van de speciale verhoudingen tussen de Organisatie en die Lidstaten.

Artikel X. Wijzigingen
1.

De Raad kan aan de Lidstaten wijzigingen aanbevelen van dit Verdrag. Iedere Staat welke lid is van de Organisatie en welke een wijziging wil voorstellen, doet daarvan mededeling aan de President van de Raad. Uiterlijk drie maanden voor een zodanig voorstel door de Raad wordt besproken, stelt de President alle Lidstaten in kennis van de hem meegedeelde wijziging.

2.

Voor iedere door de Raad aanbevolen wijziging van dit Verdrag is de schriftelijke aanvaarding nodig door alle Lidstaten. Zij wordt van kracht dertig dagen nadat de President van alle Lidstaten mededeling van aanvaarding heeft ontvangen. De President deelt alle Lidstaten, alsmede de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, mede op welke datum de wijziging van kracht wordt.

3.

De Raad kan met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten het aan dit Verdrag gehechte Financieel Protocol wijzigen mits een zodanige wijziging niet strijdig is met het Verdrag. Elke zodanige wijziging wordt van kracht op een door de Raad met dezelfde meerderheid van stemmen te bepalen datum. De President van de Raad stelt alle Lidstaten, alsmede de Directeur-Generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, van een zodanige wijziging in kennis alsmede van de datum waarop zij van kracht wordt.

Artikel XI. Geschillen

Ieder geschil tussen twee of meer Lidstaten betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag dat niet beslecht wordt door de goede diensten van de Raad, wordt voorgelegd aan het Internationale Gerechtshof, tenzij de betrokken Lidstaten overeenstemming bereiken over een andere wijze van beslechting.

Artikel XII. Terugtrekking

Nadat dit Verdrag zeven jaar van kracht is geweest, kan een Lidstaat, met inachtneming van het bepaalde in lid 4 van artikel III, de President van de Raad er schriftelijk van in kennis stellen dat hij zich uit de Organisatie terugtrekt; een zodanige terugtrekking wordt van kracht; aan het einde van het boekjaar volgend op dat waarin van de terugtrekking kennis is gegeven, of op een daarvoor door de betrokken Lidstaat voorgesteld later tijdstip.

Artikel XIII. Het niet-voldoen aan verplichtingen

Indien een Staat welke lid is van de Organisatie niet voldoet aan zijn uit dit Verdrag voortvloeiende verplichtingen, houdt hij op lid te zijn van de Organisatie krachtens een besluit van de Raad genomen met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten.

Artikel XIV. Ontbinding

De Organisatie wordt ontbonden indien er op een bepaald ogenblik minder dan vijf Lidstaten zijn. De Organisatie kan te allen tijde worden ontbonden indien daaromtrent overeenstemming wordt bereikt door de Lidstaten. Met inachtneming van een eventuele overeenkomst welke ten tijde van de ontbinding tussen de Lidstaten gesloten kan worden, is de Staat op wiens grondgebied de Organisatie op dat ogenblik is gevestigd, belast met de afwikkeling, en het overschot zal worden verdeeld onder die Staten welke ten tijde van de ontbinding lid van de Organisatie zijn, in de verhouding van de daadwerkelijk door hen betaalde bijdragen vanaf de data waarop zij partij bij dit Verdrag zijn geworden. In het geval dat er een tekort mocht zijn, wordt dit door de Staten welke op dat ogenblik lid zijn van de Organisatie aangevuld, en wel in dezelfde verhouding als die van hun voor het op dat ogenblik lopende boekjaar vastgestelde bijdragen.

Artikel XV. Ondertekening

Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financieel Protocol dat daarvan een integrerend onderdeel is zal ter ondertekening worden opengesteld tot 31 december 1953 voor iedere Staat welke voldoet aan de in lid 1 van artikel III neergelegde voorwaarden.

Artikel XVI. Bekrachtiging
1.

Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financieel Protocol moeten worden bekrachtigd.

2.

De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Artikel XVII. Toetreding
1.

Voor iedere Staat welke dit Verdrag niet heeft ondertekend en welke voldoet aan de in lid 1 of 2 van artikel III neergelegde voorwaarden, is het met ingang van 1 januari 1954 mogelijk, tot dit Verdrag en het Financieel Protocol toe te treden.

2.

De akten van toetreding worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur.

Artikel XVIII. Inwerkingtreding
1.

Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financieel Protocol treden in werking wanneer zeven Staten ze hebben bekrachtigd of er toe zijn toegetreden mits

2.

Dit Verdrag en het daaraan gehechte Financieel Protocol treden ten aanzien van alle andere ondertekenende of toetredende Staten inwerking bij de nederlegging van hun akte van bekrachtiging, respectievelijk toetreding.

Artikel XIX. Mededelingen
1.

De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur doet van de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging of toetreding en het inwerkingtreden van dit Verdrag mededeling aan alle ondertekenende en toetredende Staten en aan alle andere Staten welke hebben deelgenomen aan de in december 1951 te Parijs en in februari 1952 te Genève gehouden Conferentie betreffende de organisatie van studies omtrent de instelling van een Europees Laboratorium voor kernfysisch onderzoek.

2.

De President van de Raad stelt alle Lidstaten en de Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur in kennis van iedere terugtrekking uit de Organisatie of beëindiging van het lidmaatschap.

Artikel XX. Registratie

De Directeur-Generaal van de Organisatie der Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur doet dit Verdrag bij zijn inwerkingtreding registreren bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

De Staten welke partij zijn bij het Verdrag tot oprichting van een Europese Organisatie voor kernfysisch onderzoek (hierna te noemen „het Verdrag”),

Verlangende voorzieningen te treffen voor de financiële administraties van genoemde Organisatie,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1. Begroting
1.

Het boekjaar van de Organisatie loopt van 1 januari tot 31 december.

2.

Uiterlijk op 1 september van elk jaar legt elk der Directeuren-Generaal ter bestudering en goedkeuring gedetailleerde ramingen van de inkomsten en uitgaven voor het volgende boekjaar voor aan de Raad.

3.

Ramingen van inkomsten en uitgaven zullen in algemene hoofdstukken worden verdeeld. Overboekingen binnen de begroting zijn niet toegestaan behalve met machtiging van de Financiële Commissie bedoeld in artikel 3. De nauwkeurige vorm van de ramingen wordt bepaald door de Financiële Commissie op advies van de Directeuren-Generaal.

Artikel 2. Aanvullende begroting

Indien de omstandigheden zulks nodig maken kan de Raad van een Directeur-Generaal verlangen dat deze aanvullende of herziene begrotingen indient. Een voorstel dat extra uitgaven met zich meebrengt, zal niet worden geacht te zijn goedgekeurd door de Raad, tenzij de Raad een door de bevoegde Directeur-Generaal ingediende raming van de extra uitgaven in kwestie heeft goedgekeurd.

Artikel 3. Financiële Commissie
1.

De ingevolge het bepaalde in lid 12 van artikel V van het Verdrag ingestelde Financiële Commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van alle Lidstaten.

2.

Bij het nemen van haar beslissingen volgt de Financiële Commissie de in artikel V van het Verdrag voor de Raad voorgeschreven regels met betrekking tot het stemmen en het vormen van een quorum.

3.

Deze Commissie onderzoekt de begrotingen der Directeuren-Generaal, waarna ze worden doorgezonden aan de Raad, vergezeld van het verslag dat de Commissie daarover heeft uitgebracht.

Artikel 4. Bijdragen
1.

Voor de periode welke eindigt op 31 december 1954 stelt de Raad voorlopige begrotingsregelingen vast, waarvan de kosten bestreden zullen worden uit bijdragen vastgesteld in overeenstemming met lid 1 van de Bijlage bij dit Protocol.

2.

Voor de boekjaren 1955 en 1956 zullen de op de goedgekeurde begroting voorkomende uitgaven bestreden worden uit bijdragen van Lidstaten welke zullen worden vastgesteld in dezelfde verhouding als de percentages vermeld in lid 2 van de Bijlage bij dit Protocol met dien verstande dat de in artikel VII, lid 1 b (i) en (ii) van het Verdrag genoemde voorbehouden van toepassing zijn.

3.

Vanaf 1 januari 1957 zullen de op de goedgekeurde begroting voorkomende uitgaven bestreden worden uit bijdragen van Lidstaten overeenkomstig de bepaling van artikel VII van het Verdrag.

4.

Wanneer een Staat, hetzij bij het aanvaarden van het lidmaatschap van de Organisatie, hetzij later, voor het eerst deelneemt aan een programma, worden de bijdragen van de andere betrokken Lidstaten opnieuw vastgesteld, terwijl de nieuwe schaal in werking treedt te rekenen vanaf het begin van het lopende boekjaar. Indien nodig zullen terugbetalingen plaats vinden teneinde te verzekeren dat de door alle Lidstaten voor dat jaar betaalde bijdragen in overeenstemming zijn met de nieuwe schaal.

Artikel 5. Valuta waarin de bijdragen betaald moeten worden
1.

De begroting van de Organisatie wordt uitgedrukt in de valuta van het land waarin de Organisatie is gevestigd.

2.

De Raad stelt, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, de betalingsregelingen vast, alsmede de valuta of de valuta's waarin de bijdragen van de Lidstaten dienen te worden betaald.

Artikel 6. Bedrijfskapitaalfondsen

De Raad kan bedrijfskapitaalfondsen instellen.

Artikel 7. Financieel Reglement

Na overleg met de Financiële Commissie aanvaardt de Raad, met een twee derde meerderheid van alle Lidstaten, een reglement voor de financiële administratie van de Organisatie, dat het Financieel Reglement zal heten.

Artikel 8. Boekhouding en controle
1.

Elk der Directeuren-Generaal houdt nauwkeurig aantekening van alle ontvangsten en uitgaven.

2.

De Raad benoemt accountants die in eerste instantie gedurende drie jaar dienst doen en die opnieuw benoemd kunnen worden.

De accountants controleren de boeken van de Organisatie vooral met het doel na te gaan of de uitgaven gedaan zijn overeenkomstig de in de begroting neergelegde bepalingen, binnen de grenzen bepaald in het genoemde Financieel Reglement. Zij verrichten bovendien al die andere functies welke worden genoemd in bedoeld Financieel Reglement.

3.

Elk der Directeuren-Generaal verschaft de accountants al die inlichtingen en hulp welke zij voor het uitoefenen van hun functie nodig hebben.

(1). Bijdragen voor de periode eindigende 31 December 1954.

(a). De Staten welke partij zijn bij dit Verdrag op de datum van zijn inwerkingtreding en alle andere Staten welke tijdens de periode welke eindigt op 31 December 1954 lid worden van de Organisatie, dragen gezamenlijk het totaal der bedragen bij welke nodig zijn volgens de door de Raad krachtens lid 1 van Artikel 4 vastgestelde voorlopige begrotingsregelingen.

(b). De bijdragen van de Staten, welke lid zijn van de Organisatie op het ogenblik dat de Raad voor het eerst dergelijke voorlopige begrotingsregelingen vaststelt, zullen voorlopig worden vastgesteld op de basis neergelegd in lid (2) van Artikel 4, met inachtneming van de voorbehouden genoemd in Artikel VII, lid 1 (b) (i) en (ii) van het Verdrag, met dien verstande dat in voorbehoud (i) vijf en twintig procent geacht zal worden te zijn vervangen door dertig procent.

(c). De bijdragen van de Staten, welke lid worden van de Organisatie gedurende de periode tussen het ogenblik waarop voor de eerste maal voorlopige begrotingsregelingen worden vastgesteld en 31 December 1954 zullen voorlopig op zodanige wijze worden vastgesteld dat de onderlinge verhouding tussen de voorlopige bijdragen van alle Staten-Leden dezelfde zal zijn als die tussen de percentages vermeld in lid (2) van deze Bijlage. Zodanige bijdragen dienen óf, zoals bepaald onder het hierna volgende punt (d) om een gedeelte van de voorlopige bijdragen welke reeds door de andere Staten-Leden zijn betaald, terug te betalen, óf ter bestrijding van aanvullende begrotingsuitgaven welke door de Raad gedurende die periode zijn goedgekeurd.

(d). De definitieve bijdragen welke voor de periode eindigende op 31 December 1954 verschuldigd zijn door alle Staten welke op die datum lid zijn van de Organisatie, worden na die datum met terugwerkende kracht vastgesteld op basis van de totale begroting voor genoemde periode zodat die bijdragen die grootte hebben welke zij gehad zouden hebben indien al deze Staten partij bij dit Verdrag zouden zijn geworden op de datum van zijn inwerkingtreding. Elk bedrag dat door een Staat welke lid is van de Organisatie betaald is boven zijn aldus achteraf vastgestelde bijdrage, wordt in het credit van die Staat geboekt.

(e). Indien alle Staten genoemd in de in lid (2) van deze Bijlage vermelde schaal, voor 31 December 1954 lid zijn geworden van de Organisatie, zullen hun bijdragen tot de totale begroting voor die periode bepaald worden door in die schaal genoemde percentages.

(2). Schaal welke dient als basis voor de vaststelling van de bijdragen gedurende de periode welke eindigt op 31 December 1956.
Percentage Percentage
België ........................................................................... 4,88
Denemarken ...................................................................... 2,48
Frankrijk ......................................................................... 23,84
Bondsrepubliek Duitsland .......................................................... 17,70
Griekenland ...................................................................... 0,97
Italië ............................................................................ 10,20
Nederland ...................................................................... 3,68
Noorwegen ...................................................................... 1,79
Zweden ....................................................................... 4,98
Zwitserland ...................................................................... 3,71
Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland ................ 23,84
Zuidslavië ...................................................................... 1,93
Totaal ................... 100,00

IN WITNESS WHEREOF, the undersigned representatives, having been duly authorized thereto by their respective Governments, have signed this Convention.

DONE at Paris, this first day of July, 1953, in the English and French languages, both texts being equally authoritative, in a single original, which shall be deposited in the archives of the United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization, the Director-General of which shall transmit a certified copy to all signatory and acceding States and to all other States which took part in the Conference for the organization of studies concerning the establishment of a European Nuclear Research Laboratory.