Administratieve Schikking voor de toepassing van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien)

Type Verdrag
Publication 2007-02-23
Laatst bijgewerkt 1987-12-01
State In force
Source BWB
artikelen 93
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
3.

Wanneer het orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene laatstelijk werkzaamheden heeft verricht, waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, vaststelt dat de getroffene of zijn nagelaten betrekkingen niet voldoen aan de voorwaarden van deze wetgeving, rekening houdende met artikel 44, tweede, derde en vierde lid van het Verdrag

  • a). zendt bedoeld orgaan de aangifte en alle daarbij gevoegde stukken met inbegrip van de bevindingen en verslagen van het geneeskundig onderzoek dat door het eerste orgaan is verricht, alsmede een afschrift van de in de volgende alinea bedoelde beslissing, onverwijld door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene voordien werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan;
  • b). stelt bedoeld orgaan de belanghebbende gelijktijdig in kennis van zijn beslissing, onder vermelding van de redenen tot weigering van de uitkeringen, de rechtsmiddelen en beroepstermijnen, alsmede de datum waarop het dossier aan het in de vorige alinea bedoelde orgaan werd doorgezonden.
4.

Eventueel kan volgens dezelfde procedure verder worden teruggegaan tot aan het overeenkomstige orgaan van de Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene het eerst werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan.

Artikel 54. Uitwisseling van inlichtingen tussen organen en beroep tegen een afwijzende beslissing - betaling van voorschotten bij een dergelijk beroep
1.

Indien beroep wordt ingesteld tegen een afwijzende beslissing van het orgaan van een Verdragsluitende Partij onder de wetgeving waarvan de getroffene werkzaamheden heeft verricht waardoor de betreffende beroepsziekte kon ontstaan, is dit orgaan verplicht het orgaan waaraan de aangifte volgens de procedure van artikel 53, derde lid van deze Schikking werd doorgezonden hiervan in kennis te stellen en het later op de hoogte te stellen van de definitieve beslissing.

2.

Indien krachtens de wetgeving, toegepast door het orgaan waaraan de aangifte volgens de procedure van artikel 53, derde lid van deze Schikking werd doorgezonden, met inachtneming van artikel 44, tweede, derde en vierde lid van het Verdrag, recht op uitkeringen is ingegaan, betaalt dit orgaan de belanghebbende voorschotten waarvan de hoogte wordt vastgesteld in overleg met het orgaan tegen de beslissing waarvan beroep werd ingesteld. Indien het ingestelde beroep tot gevolg heeft dat laatstbedoeld orgaan de uitkeringen moet verlenen, stort dit het bedrag der betaalde voorschotten terug aan eerstbedoeld orgaan en houdt een gelijk bedrag in op de aan de belanghebbende verschuldigde uitkeringen.

Toepassing van artikel 45 van het Verdrag

Artikel 55. Verergering van een beroepsziekte

In het in artikel 45 van het Verdrag bedoelde geval is de rijnvarende verplicht aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij, waarbij hij aanspraak op uitkeringen maakt, alle inlichtingen te verstrekken omtrent vroeger voor de betreffende beroepsziekte toegekende uitkeringen en door hem sedert het genot van deze uitkeringen verrichte beroepswerkzaamheden. Dit orgaan kan zich, ter verkrijging van de inlichtingen welke het nodig acht, wenden tot elk ander orgaan dat vroeger bevoegd is geweest.

Toepassing van artikel 46, tweede lid van het Verdrag

Artikel 56. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 46, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het voor de ziekteverzekering bevoegde orgaan van de woonplaats van deze gezinsleden of door een ander orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze gezinsleden wonen. Artikel 18, tweede lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van artikel 48, vijfde lid van het Verdrag

Artikel 57. Beoordeling van de mate van ongeschiktheid bij een eerder voorgekomen arbeidsongeval of beroepsziekte
1.

Voor de beoordeling van de mate van ongeschiktheid in het in artikel 48, vijfde lid van het Verdrag bedoelde geval, verstrekt de rijnvarende aan het bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij, aan de wetgeving waarvan hij was onderworpen toen het arbeidsongeval of de beroepsziekte zich heeft voorgedaan, alle inlichtingen omtrent de arbeidsongevallen of beroepsziekten waardoor hij reeds eerder werd getroffen, terwijl hij aan de wetgeving van enige andere Verdragsluitende partij was onderworpen, ongeacht welke mate van ongeschiktheid door deze vroegere arbeidsongevallen of beroepsziekten is ontstaan.

2.

Het bevoegde orgaan kan zich, ter verkrijging van de inlichtingen welke het nodig acht, wenden tot elk ander orgaan dat vroeger bevoegd is geweest.

Artikel 58. Indiening en behandeling van aanvragen om rente
1.

Wanneer een rijnvarende of diens nagelaten betrekkingen, die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij wonen, in het genot wensen te komen van een krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij toe te kennen rente of uitkering ter aanvulling van een rente, richten zij hun aanvraag voorzover een dergelijke aanvraag vereist is, hetzij tot het bevoegde orgaan, hetzij tot het orgaan van de woonplaats, dat deze aan het bevoegde orgaan doorzendt. Voor het indienen van de aanvraag gelden de volgende regels:

  • a). de aanvraag dient vergezeld te gaan van de vereiste bewijsstukken en te zijn opgesteld volgens de formaliteiten voorzien in de wetgeving van de bevoegde Staat;
  • b). de juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.
2.

Het bevoegde orgaan geeft de aanvrager rechtstreeks of door bemiddeling van het verbindingsorgaan van de bevoegde Staat kennis van zijn beslissing; het zendt een afschrift van deze kennisgeving aan het verbindingsorgaan van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan de aanvrager woont.

Artikel 59. Administratieve en medische controle

Wanneer een rechthebbende op een rente op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat verblijft of woont, worden de administratieve en medische controle, alsmede de medische onderzoeken welke nodig zijn bij herziening van renten, op verzoek van het bevoegde orgaan verricht door het orgaan van de of verblijf- of woonplaats, op de wijze als bepaald in de door laatstbedoeld orgaan toegepaste wetgeving. Het bevoegde orgaan blijft evenwel bevoegd de rechthebbende voor eigen rekening te laten onderzoeken door een arts naar eigen keuze.

Artikel 60. Betaling van renten

Met betrekking tot de betaling van de renten welke door het orgaan van een Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn aan rechthebbenden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij wonen, zijn de artikelen 42 en 43 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 4. OVERLIJDEN (UITKERINGEN)

Toepassing van de artikelen 50, 51 en 52 van het Verdrag

Artikel 61. Indiening van de aanvraag

Wanneer een persoon die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont, in aanmerking wenst te komen voor een uitkering bij overlijden krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, richt hij zijn aanvraag ofwel tot het bevoegde orgaan, ofwel tot het orgaan van de woonplaats, vergezeld van de bewijsstukken welke in de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving vereist worden. De juistheid van de door de aanvrager verstrekte gegevens moet worden aangetoond door bij de aanvraag gevoegde officiële stukken of worden bevestigd door de bevoegde instanties van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan hij woont.

Artikel 62. Bewijs betreffende tijdvakken van verzekering
1.

Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 50 van het Verdrag, legt de aanvrager aan het bevoegde orgaan een bewijs over waarin de tijdvakken van verzekering zijn vermeld welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de overleden rijnvarende tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de aanvrager verstrekt, naar gelang het geval, door het ter zake van ziekte, arbeidsongevallen, beroepsziekten of ouderdom bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de overleden rijnvarende tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest. Indien de aanvrager dit bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan laatstbedoeld orgaan daarom.

3.

Indien het nodig is met de vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 5. WERKLOOSHEID

Toepassing van artikel 55 van het Verdrag

Artikel 63. Bewijs betreffende tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking
1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 55, eerste of tweede lid van het Verdrag, legt de werkloos geworden rijnvarende aan het bevoegde orgaan een bewijs over, waarin de tijdvakken van verzekering of dienstbetrekking zijn vermeld, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt, hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan hij tevoren en laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan hierom aan het orgaan dat bevoegd is het bewijs af te geven. Het bevoegde orgaan kan eveneens een bewijs accepteren dat is afgegeven door de laatste werkgever van de belanghebbende.

3.

Indien het nodig is met vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van verzekering of dienstbetrekking rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van artikel 57 van het Verdrag

Artikel 64. Bevoegd orgaan voor de toepassing van artikel 63 van deze schikking

In de gevallen bedoeld in artikel 57 van het Verdrag wordt het orgaan van de woonplaats beschouwd als het voor de toepassing van artikel 63 van deze Schikking bevoegde orgaan.

Toepassing van artikel 58 van het Verdrag

Artikel 65. Bewijs betreffende tijdvakken van verzekering of van dienstbetrekking - vermelding van de duur van reeds verleende uitkeringen -

Voor de toepassing van artikel 58 van het Verdrag, vermeldt het in artikel 63, tweede lid van deze Schikking bedoelde orgaan, in voorkomend geval, de duur waarover reeds uitkeringen zijn verleend, nadat het recht op uitkeringen voor de laatste maal werd vastgesteld.

Toepassing van artikel 59 van het Verdrag

Artikel 66. Verklaring voor de berekening van de uitkeringen

Voor de berekening van de uitkeringen welke ten laste komen van een in artikel 59, eerste lid van het Verdrag bedoeld orgaan in de gevallen waarin de belanghebbende zijn laatste werkzaamheden niet gedurende ten minste vier weken heeft uitgeoefend onder de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan dit orgaan is gevestigd, legt hij aan dit orgaan een verklaring over welke de aard vermeldt van de laatstelijk door hem onder de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij gedurende ten minste vier weken verrichte werkzaamheden, alsmede de bedrijfstak waarin deze werkzaamheden werden uitgeoefend. Indien de belanghebbende deze verklaring niet overlegt, verzoekt bedoeld orgaan daarom hetzij aan het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Partij, hetzij aan een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Het bevoegde orgaan kan eveneens een bewijs accepteren dat is afgegeven door de laatste werkgever van de belanghebbende.

Artikel 67. Bewijs betreffende de gezinsleden die in aanmerking moeten worden genomen

Om in aanmerking te komen voor de toepassing van artikel 59, tweede lid van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over met betrekking tot zijn gezinsleden die op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat wonen. Dit bewijs wordt afgegeven door het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waar deze gezinsleden wonen. Hierin moet worden bevestigd dat de gezinsleden niet reeds in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de werkloosheidsuitkeringen die aan een rechthebbende van dezelfde familie krachtens de wetgeving van de genoemde Verdragsluitende Partij verschuldigd zijn. Bovendien is artikel 18, tweede lid van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK 6. GEZINSBIJSLAGEN

Toepassing van artikel 60 van het Verdrag

Artikel 68. Bewijs betreffende tijdvakken van dienstbetrekking of beroepsarbeid
1.

Om in aanmerking te komen voor toepassing van artikel 60 van het Verdrag legt de belanghebbende aan het bevoegde orgaan een bewijs over waarin de tijdvakken van dienstbetrekking of beroepsarbeid zijn vermeld, welke zijn vervuld krachtens de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest en verstrekt hij alle verdere inlichtingen welke op grond van de door dit orgaan toegepaste wetgeving vereist zijn.

2.

Het in het vorige lid bedoelde bewijs wordt op verzoek van de belanghebbende verstrekt, hetzij door het voor gezinsuitkeringen bevoegde orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waaraan de rijnvarende laatstelijk onderworpen is geweest, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Partij aangewezen orgaan. Indien de belanghebbende genoemd bewijs niet overlegt, verzoekt het bevoegde orgaan hierom aan het orgaan dat bevoegd is het bewijs af te geven.

3.

Indien het nodig is met vroeger krachtens de wetgeving van enige andere Verdragsluitende Partij vervulde tijdvakken van dienstbetrekking of beroepsarbeid rekening te houden om aan de in de wetgeving van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden te voldoen, zijn de voorgaande leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van artikel 62 van het Verdrag

Artikel 69. Toepassing van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, vermeld in bijlage VII(1) van het Verdrag - aanvraag om gezinsbijslagen -
1.

Om in aanmerking te komen voor gezinsbijslagen krachtens artikel 62, eerste lid, sub b) van het Verdrag, richt de belanghebbende een aanvraag tot het bevoegde orgaan, dat hem een verklaring afgeeft waarin het recht op deze bijslagen wordt bevestigd en waarin wordt aangegeven vanaf welke datum ze zijn verschuldigd. Bovendien, laten de gezinsleden zich inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, onder overlegging van de bewijsstukken welke krachtens de door dit orgaan toegepaste wetgeving gewoonlijk vereist worden voor de toekenning van gezinsbijslagen, alsmede van genoemd bewijs. Indien de gezinsleden dit bewijs niet overleggen verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.

2.

Het in het vorige lid genoemde bewijs blijft geldig zolang het orgaan van de woonplaats geen kennisgeving van intrekking heeft ontvangen.

3.

Het bevoegde orgaan stelt het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden onmiddellijk in kennis van de datum met ingang waarvan de rijnvarende niet langer recht op bijslagen heeft of zijn woonplaats van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij overbrengt. Het orgaan van de woonplaats van de gezinsleden kan te allen tijde aan het bevoegde orgaan verzoeken alle inlichtingen te verstrekken omtrent het recht van de rijnvarende op bijslagen.

4.

De gezinsleden zijn verplicht het orgaan van hun woonplaats in kennis te stellen van elke verandering in hun omstandigheden waardoor het recht op bijslagen kan worden gewijzigd, met name van elke overbrenging van hun woonplaats. Het orgaan van de woonplaats deelt deze inlichtingen mede aan het bevoegde orgaan.

Toepassing van artikel 63 van het Verdrag

Artikel 70. Aanvraag om gezinsbijslagen door de werkloos geworden rijnvarende
1.

Artikel 69 van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 63, eerste lid van het Verdrag bedoelde werkloos geworden rijnvarende.

2.

In geval dat het bevoegde orgaan een wetgeving toepast krachtens welke het recht op gezinsbijslagen afhankelijk gesteld wordt van het recht op werkloosheidsuitkeringen, richt de werkloos geworden rijnvarende, om in aanmerking te komen voor gezinsbijslagen krachtens artikel 63, eerste lid van het Verdrag, een aanvraag tot het bevoegde orgaan, dat hem een bewijs afgeeft waarin wordt bevestigd dat hij werkloosheidsuitkeringen geniet krachtens de wetgeving die zij toepast en dat hij recht zou hebben op gezinsbijslagen indien hij met zijn gezinsleden op het grondgebied van de bevoegde Staat woonde. Dit bewijs wordt afgegeven hetzij door het voor werkloosheid bevoegde orgaan van laatstbedoelde Staat, hetzij door een ander door de bevoegde autoriteit van deze Staat aangewezen orgaan. Als de gezinsleden dit bewijs niet overleggen, verzoekt het orgaan van de woonplaats het bevoegde orgaan daarom.

3.

In het in het vorige lid genoemde geval zijn artikel 69, tweede, derde en vierde lid en artikel 72, eerste en derde lid van deze Schikking, van overeenkomstige toepassing.

Toepassing van de artikelen 64 en 65 van het Verdrag

Artikel 71. Toepassing van de wetgeving van een Verdragsluitende Partij vermeld in bijlage VII(2) van het Verdrag - aanvraag om kinderbijslagen -
1.

Om in aanmerking te komen voor kinderbijslag krachtens artikel 64 van het Verdrag, richt de rijnvarende eventueel door bemiddeling van zijn werkgever een aanvraag tot het bevoegde orgaan.

2.

Ter ondersteuning van zijn aanvraag overlegt de rijnvarende een bewijsstuk betreffende de gezinsleden die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar het bevoegde orgaan gevestigd is. Dit bewijsstuk wordt afgegeven hetzij door de inzake de burgerlijke stand bevoegde autoriteiten van deze Partij, hetzij door het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van deze Partij. Het bewijsstuk moet jaarlijks worden vernieuwd.

3.

Bovendien verstrekt de rijnvarende, eventueel op verzoek van het bevoegde orgaan, de gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld aan wie de kinderbijslag kan worden uitbetaald op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waar de gezinsleden wonen.

4.

De rijnvarende dient, eventueel door bemiddeling van zijn werkgever, het bevoegde orgaan in kennis te stellen van elke verandering in de omstandigheden van zijn gezinsleden waardoor het recht op kinderbijslag kan worden beïnvloed.

5.

De voorgaande leden van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de werkloos geworden rijnvarende bedoeld in artikel 65, eerste lid van het Verdrag.

Algemene bepalingen

Artikel 72. Verlenen van de gezinsbijslagen bij overbrenging van de woonplaats van de gezinsleden
1.

Indien de gezinsleden in de loop van een kalendermaand of kalenderkwartaal hun woonplaats overbrengen van het grondgebied van een Verdragsluitende Partij naar dat van een andere Verdragsluitende Partij, worden de gezinsbijslagen verleend volgens de volgende regels:

  • a). indien beide wetgevingen of indien alleen de wetgeving van de eerste Verdragsluitende Partij voorziet in toekenning van maandelijkse of driemaandelijkse bijslagen, gaat het orgaan, belast met het verlenen van bijslagen aan het begin van de maand of van het kwartaal, door met het verlenen hiervan tot het einde van de periode waarom het gaat. Het orgaan van de nieuwe woonplaats begint de gezinsbijslagen te verlenen vanaf het begin van de kalendermaand of het kalenderkwartaal daaropvolgend, naar gelang het geval;
  • b). indien de wetgeving van de eerste Verdragsluitende Partij voorziet in toekenning van gezinsbijslagen per dag, worden de bijslagen achtereenvolgens verleend krachtens de wetgeving van elk van deze Verdragsluitende Partijen, naar verhouding van de duur van het wonen van deze gezinsleden op het grondgebied van de betrokken Verdragsluitende Partij gedurende de betreffende maand of het betreffende kwartaal.
2.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen van gezinsbijslagen aan de in artikel 62, eerste lid, sub a) van het Verdrag bedoelde gezinsleden, indien zij het vaartuig aan boord waarvan zij zich met de rijnvarende bevonden, verlaten om hun woonplaats te vestigen op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde Staat.

3.

Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij de gezinsbijslagen heeft verleend voor een periode, terwijl deze bijslagen voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kwamen, zullen de door het eerste orgaan ten onrechte verleende bijslagen worden vergoed.

Artikel 73. Verlenen van de gezinsbijslagen bij wijziging van het bevoegde orgaan
1.

Indien de rijnvarende in de loop van een kalendermaand of kalenderkwartaal achtereenvolgens onderworpen is geweest aan de wetgeving van twee Verdragsluitende Partijen, wordt de toekenning van gezinsbijslagen waarop hij aanspraak kan maken krachtens de wetgeving van elk van deze Partijen volgens de volgende regels vastgesteld:

  • a). indien een van deze Verdragsluitende Partijen wordt vermeld in Bijlage VII, afdeling 2, van het Verdrag of indien zij, hoewel zij vermeld wordt in afdeling 1 van genoemde bijlage, de gezinsbijslagen per dag toekent worden de gezinsbijslagen die ten laste komen van het bevoegde orgaan van de andere Verdragsluitende Partij vastgesteld naar verhouding van de duur gedurende welke de rijnvarende aan de wetgeving van die Verdragsluitende Partij onderworpen is geweest ten opzichte van de door bedoelde wetgeving voorziene duur van de maandelijkse of driemaandelijkse periode;
  • b). in alle andere gevallen blijven de gezinsbijslagen voor de duur van de maand of het kwartaal voor rekening van het bevoegde orgaan ten laste waarvan de gezinsbijslagen aan het begin van de betreffende maand of het betreffende kwartaal kwamen, naar gelang de wetgeving die door genoemd orgaan wordt toegepast voor de toekenning van gezinsbijslagen in een maandelijkse dan wel in een drie-maandelijkse periode voorziet.
2.

Indien het orgaan van een Verdragsluitende Partij de gezinsbijslagen heeft verleend voor een periode, terwijl deze bijslagen voor rekening van het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij kwamen, zullen de door het eerste orgaan ten onrechte verleende bijslagen worden vergoed.

Toepassing van de artikelen 66 tot 69 van het Verdrag

Artikel 74. Gezins- of kinderbijslagen voor kinderen die ten laste komen van een rechthebbende op een pensioen of rente en voor wezen
1.

Om in aanmerking te komen voor bijslagen krachtens artikel 66, artikel 67 of artikel 68 van het Verdrag richt de belanghebbende een aanvraag tot het bevoegde orgaan. Indien de aanvrager op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij woont dan die waar het bevoegde orgaan gevestigd is, kan hij zijn aanvraag ook richten tot het orgaan van zijn woonplaats, dat de aanvraag aan het bevoegde orgaan doorzendt onder opgave van de datum waarop de aanvraag werd ingediend. Deze datum wordt beschouwd als de datum waarop de aanvraag bij het bevoegde orgaan werd ingediend.

2.

Ter ondersteuning van zijn aanvraag overlegt de belanghebbende een bewijsstuk betreffende de gezinsleden die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar het bevoegde orgaan zich bevindt. Dit bewijsstuk wordt afgegeven hetzij door de inzake burgerlijke stand bevoegde autoriteiten van deze Partij, hetzij door een orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van genoemde Partij. Het bewijsstuk moet jaarlijks worden vernieuwd.

3.

Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing op wezen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waar het bevoegde orgaan zich bevindt.

4.

In de gevallen genoemd in artikel 66, derde lid, sub b) of artikel 67, derde lid, sub b) van het Verdrag, zendt het orgaan van de woonplaats de aanvraag vergezeld van alle noodzakelijke stukken en gegevens onverwijld door aan het orgaan van de Verdragsluitende Partij, aan de wetgeving waarvan de rechthebbende op een pensioen of rente of de overleden rijnvarende het langst onderworpen is geweest. Er moet, onder dezelfde voorwaarden, eventueel worden teruggegaan tot het orgaan van de Verdragsluitende Partij aan de wetgeving waarvan de rechthebbende op een pensioen of rente of overleden rijnvarende het kortst onderworpen is geweest.

Artikel 75. Het op verzoek van het bevoegde orgaan verstrekken van gegevens

De belanghebbende verstrekt, eventueel op verzoek van het bevoegde orgaan, gegevens aan de hand waarvan kan worden vastgesteld aan wie de kinderbijslagen kunnen worden uitbetaald op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij waarop de kinderen of de wezen wonen.

Artikel 76. Betaling van de bijslagen
1.

Voor de betaling van de krachtens de artikelen 66, 67 of 68 van het Verdrag verschuldigde bijslagen is artikel 42 van deze Schikking van overeenkomstige toepassing.

2.

Zonodig wijzen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen het voor het betalen van de krachtens de artikelen 66, 67 of 68 van het Verdrag verschuldigde bijslagen bevoegde orgaan aan.

Artikel 77. Inlichtingen over wijzigingen die zich in de omstandigheden voordoen

Een ieder aan wie krachtens de artikelen 66, 67 of 68 van het Verdrag bijslagen worden betaald voor de gezinsleden van een rechthebbende op een pensioen of rente of voor wezen, is verplicht het orgaan dat deze bijslagen verschuldigd is in kennis te stellen van iedere verandering in de omstandigheden van de gezinsleden of de wezen waardoor het recht op bijslagen kan worden gewijzigd.

TITEL V. FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 78. Vergoeding van prestaties
1.

Onverminderd het bepaalde in artikel 23, vierde lid, artikel 49, vierde lid en artikel 70, derde lid van het Verdrag worden de vergoedingen bedoeld in artikel 23, derde lid, artikel 49, derde lid en artikel 70, tweede lid van het Verdrag vastgesteld en vinden zij plaats krachtens de volgende bepalingen:

  • a). het werkelijke bedrag van de door het orgaan van de woon- of verblijfplaats verleende prestaties wordt vergoed door het bevoegde orgaan, zoals dit bedrag blijkt uit de boekhouding van het eerste orgaan;
  • b). indien het werkelijke bedrag der prestaties niet blijkt uit de boekhouding van het orgaan dat deze heeft verleend, wordt het te vergoeden bedrag bepaald op basis van een vast bedrag dat wordt vastgesteld volgens berekeningswijzen die in onderlinge overeenstemming tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten worden vastgesteld;
  • c). de vergoedingen vinden per kalender-halfjaar door tussenkomst van de verbindingsorganen plaats;
  • d). de schuldvorderingen, die op de laatste dag van het betreffende halfjaar zijn vastgesteld in de munteenheid van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan het orgaan dat de vordering heeft zich bevindt, moeten voor het einde van het volgende kwartaal betaald worden volgens de op de dag, waarop de gelden worden overgemaakt, geldende wisselkoers.
2.

Twee Verdragsluitende Partijen kunnen in onderlinge overeenstemming de toepassing van de regels betreffende vergoedingen op basis van vaste bedragen en van toepassing zijnde tussen hen op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Verdrag, uitbreiden tot de vergoedingen op basis van vaste bedragen bedoeld in artikel 23, derde lid, artikel 49, derde lid en artikel 70, tweede lid van het Verdrag, onder kennisgeving hiervan aan het Administratief Centrum. Hetzelfde geldt voor de regels betreffende het afzien van vergoedingen.

3.

Verstrekkingen die zijn verleend krachtens artikel 21, vierde lid, tweede volzin en zevende lid van het Verdrag komen slechts ten laste van het orgaan van de woonplaats indien tussen dit orgaan en het bevoegde orgaan een overeenkomst inzake vergoeding op basis van vaste bedragen dan wel inzake het afzien van vergoedingen bestaat. Indien een zodanige overeenkomst niet bestaat, dan komen deze verstrekkingen ten laste van het bevoegde orgaan.

4.

Voor de toepassing van artikel 70, eerste lid van het Verdrag worden de gezinsbijslagen, voorzien in de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, beschouwd als overeenkomend met de bijslagen die worden voorzien in de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, wanneer de gezinsbijslagen die worden voorzien door elk der beide wetgevingen hetzij kinderbijslagen zijn, hetzij zwangerschapsuitkeringen, hetzij uitkeringen bij geboorte, hetzij uitkeringen voor gebrekkige of gehandicapte kinderen, hetzij wezenuitkeringen, hetzij andere uitkeringen van dezelfde aard die zouden worden voorzien door de wetgevingen van tenminste twee Verdragsluitende Partijen.

Artikel 79. Vergoeding van ten onrechte verleende verstrekkingen
1.

Ingeval het recht op verstrekkingen niet door het als bevoegd aangeduide orgaan wordt erkend, worden, rekening houdend met het bepaalde in artikel 9, tweede en derde lid of artikel 44, tweede en derde lid van deze Schikking, de verstrekkingen welke door het orgaan van de verblijfplaats werden verleend, op grond van de in artikel 9, eerste lid of artikel 44, eerste lid van deze Schikking bedoelde veronderstelling, door eerstbedoeld orgaan of door het orgaan dat door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen, vergoed.

2.

De door het orgaan van de verblijfplaats of door het orgaan van de woonplaats verrichte uitgaven voor krachtens artikel 52, eerste lid van deze Schikking, verleende verstrekkingen, terwijl de belanghebbende geen recht op verstrekkingen heeft, worden vergoed door het orgaan dat door de bevoegde autoriteit van de betrokken Verdragsluitende Partij is aangewezen.

3.

Het orgaan dat de ten onrechte verleende verstrekkingen heeft vergoed krachtens het eerste of het tweede lid van dit artikel, behoudt op de persoon die verstrekkingen heeft genoten een schuldvordering welke gelijk is aan de waarde van de ten onrechte verleende verstrekkingen.

Artikel 80. Regels voor omrekening, toe te passen door de organen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen en door de Zwitserse organen

De inkomsten, beloningen en uitkeringen welke voor de toepassing van de artikelen 37, 73 en 74 van het Verdrag, en van artikel 40, tweede lid van deze Schikking alsmede voor de betaling van uitkeringen voorzien in artikel 13, achtste lid en in artikel 47, achtste lid van genoemde Schikking in aanmerking dienen te worden genomen en in de munteenheid van een andere Verdragsluitende Partij luiden, worden als volgt omgerekend:

  • a). door de organen van de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen
  • i). wanneer het gaat om bedragen die luiden in de munteenheid van een van deze Lid-Staten volgens de regels van de Europese Gemeenschappen;
  • ii). wanneer het gaat om bedragen die luiden in de munteenheid van een andere Verdragsluitende Partij, op basis van de gemiddelde maandelijkse koers waarop deze munteenheid stond genoteerd op een valutabeurs van de betrokken Lid-Staat; de referentieperiode is in de eerste maand van het kalenderkwartaal voorafgaande aan het begin van het in aanmerking nemen;
  • b). voor de Zwitserse organen
  • i). onder overeenkomstige toepassing van alinea a)ii) en de koersen welke op een Zwitserse valutabeurs stonden genoteerd;
  • ii). wanneer het gaat om de betaling van uitkeringen bedoeld in artikel 13, achtste lid en in artikel 47, achtste lid van deze Schikking, op basis van de officiële wisselkoers welke geldig is op de dag waarop de betreffende uitkeringen worden betaald.
Artikel 81. Kosten van administratieve en medische controle
1.

De kosten die voortvloeien uit de administratieve controle en uit medisch onderzoek, observaties, reizen van artsen en allerlei verificaties, nodig voor de toekenning en verlening van de prestaties of voor herziening daarvan, worden door het orgaan voor rekening waarvan zij zijn verricht, vergoed aan het daarmee belaste orgaan op basis van het door dit orgaan toegepaste tarief.

2.

Twee of meer Verdragsluitende Partijen of hun bevoegde autoriteiten kunnen in onderlinge overeenstemming vaststellen dat vergoeding op andere wijze zal geschieden, met name tegen vaste bedragen, of dat van elke vergoeding tussen organen, afhankelijk van hun bevoegdheid, wordt afgezien.

3.

Artikel 78, tweede lid van deze Schikking is van overeenkomstige toepassing.

TITEL VI. DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 82. Communicatie tussen de organen onderling en tussen rechthebbenden en organen

Ieder orgaan van een Verdragsluitende Partij, alsmede elke persoon, die op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij woont of verblijft, kan zich rechtstreeks of door bemiddeling van de verbindingsorganen tot het orgaan van een andere Verdragsluitende Partij wenden.

Artikel 83. Administratieve bijstand bij het terugvorderen van onverschuldigde prestaties

Het orgaan van de woonplaats van een persoon die ten onrechte uitkeringen heeft genoten of het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Verdragsluitende Partij op het grondgebied waarvan deze persoon woont, verleent zijn goede diensten aan het orgaan van elke andere Verdragsluitende Partij dat deze uitkeringen heeft verstrekt, indien laatstbedoeld orgaan verhaal op de betrokken persoon wil nemen.

Artikel 84. Terugvordering van hetgeen door de organen onverschuldigd betaald is
1.

Niettegenstaande het bepaalde in artikel 82 van het Verdrag, kan, indien bij de vaststelling of de herziening van de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of overlijden (pensioenen) krachtens Titel III, Hoofdstuk 2 van het Verdrag, het orgaan van een Verdragsluitende Partij aan een rechthebbende op uitkeringen een hoger bedrag heeft uitbetaald dan waarop deze recht heeft, dit orgaan aan het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij dat overeenkomstige uitkeringen aan deze rechthebbende verschuldigd is, verzoeken het te veel betaalde bedrag in te houden op de aan bedoelde rechthebbende verschuldigde achterstallige termijnen voor zover de door dit orgaan toegepaste wetgeving zulks mogelijk maakt. Laatstgenoemd orgaan maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vorderingen heeft.

2.

Wanneer het orgaan van een Verdragsluitende Partij een voorschot op uitkeringen heeft uitbetaald voor een periode gedurende welke de rechthebbende recht had op overeenkomstige uitkeringen krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij, kan dit orgaan het orgaan van de andere Partij verzoeken het bedrag van genoemd voorschot in te houden op de bedragen, welke het orgaan over hetzelfde tijdvak verschuldigd is aan genoemde rechthebbende. Laatstbedoeld orgaan houdt het bedrag in en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan het orgaan dat de vorderingen heeft.

Artikel 85. Verhaal door sociale bijstandsinstellingen

Wanneer een persoon op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij sociale bijstand heeft genoten gedurende een tijdvak waarover hij krachtens de wetgeving van een andere Verdragsluitende Partij recht op uitkeringen had, kan de instelling welke de sociale bijstand heeft verleend, indien deze een wettelijk verhaalsrecht heeft op uitkeringen welke verschuldigd zijn aan personen die sociale bijstand genieten, aan het orgaan van enige andere Verdragsluitende Partij dat uitkeringen aan de betrokken persoon verschuldigd is, verzoeken het bedrag van de over genoemd tijdvak verleende sociale bijstand in te houden op de bedragen welke het aan bedoelde persoon betaalt. Laatstbedoeld orgaan gaat, in voorkomend geval, tot deze inhouding over op de wijze en binnen de grenzen als bepaald bij de wetgeving die door dit orgaan wordt toegepast alsof het door dit orgaan zelf teveel betaalde bedragen betreft en maakt het aldus ingehouden bedrag over aan de instelling welke de vordering heeft.

Artikel 86. Voorlopige betaling van uitkeringen bij geschil over de toepasselijke wetgeving of over het orgaan dat de prestaties moet verlenen

Ingeval tussen de organen of de bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen een geschil bestaat hetzij over de wetgeving welke krachtens Titel II van het Verdrag moet worden toegepast, hetzij over de vaststelling van het orgaan dat prestaties moet verlenen, ontvangt de belanghebbende die aanspraak op prestaties zou kunnen maken indien dit geschil niet bestond, voorlopig de prestaties welke in de door het orgaan van de woonplaats toegepaste wetgeving zijn voorzien of, indien de belanghebbende niet op het grondgebied van een der betrokken Verdragsluitende Partijen woont, de prestaties welke zijn voorzien in de wetgeving van de Verdragsluitende Partij waaraan de belanghebbende laatstelijk onderworpen is geweest. Nadat het geschil is beslecht, komen de prestaties welke voorlopig zijn verleend, voor rekening van het orgaan dat bevoegd is verklaard voor het verlenen van de prestaties.

Artikel 87. Voorschriften voor medisch onderzoek dat op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan de bevoegde staat wordt verricht

Het orgaan van de woon- of verblijfplaats dat krachtens artikel 81 van het Verdrag een medisch onderzoek moet verrichten gaat hiertoe over volgens de voorschriften die zijn gegeven door het bevoegde orgaan of indien geen voorschriften zijn gegeven, volgens de voorschriften die zijn voorzien in de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

Artikel 88. Overgangsbepalingen betreffende pensioenen en renten
1.

Wanneer de datum waarop de verzekerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van het Verdrag ligt en er op grond van de aanvraag om pensioen of rente voor die datum nog geen uitkering werd vastgesteld, dan moeten er voor deze aanvraag twee uitkeringen worden vastgesteld, voor zover naar aanleiding van deze verzekerde gebeurtenis uitkeringen moeten worden gedaan voor het aan laatstbedoelde datum voorafgaande tijdvak:

  • a). voor het aan de toepassingsdatum van het Verdrag voorafgaande tijdvak: een uitkering overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien);
  • b). voor het tijdvak vanaf de toepassingsdatum van het Verdrag: een uitkering overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag.

Indien evenwel het bedrag dat is berekend krachtens de sub a) bedoelde bepalingen hoger is dan het bedrag dat is berekend krachtens de sub b) bedoelde bepalingen, blijft betrokkene in aanmerking komen voor het bedrag dat is berekend krachtens de sub a) bedoelde bepalingen.

2.

Indien vanaf de toepassingsdatum van het Verdrag bij een orgaan van een Verdragsluitende Partij een aanvraag om invaliditeitsuitkeringen, ouderdomsuitkeringen of uitkeringen aan nagelaten betrekkingen wordt ingediend, leidt dit, overeenkomstig het bepaalde in het Verdrag ambtshalve tot herziening van de uitkeringen die door het orgaan of de organen van een of meer andere Verdragsluitende Partijen voor deze datum voor hetzelfde geval werden vastgesteld. In geen geval zal een dergelijke herziening mogen leiden tot vermindering van eerdere rechten van belanghebbenden.

Artikel 89. Mededeling aan het Administratief Centrum van bilaterale of multilaterale toepassingsovereenkomsten die tussen Verdragsluitende Partijen zijn gesloten

Van de overeenkomsten welke worden gesloten krachtens artikel 84, derde lid en artikel 85, tweede lid van het Verdrag, alsmede krachtens artikel 81, tweede lid van deze Schikking wordt binnen drie maanden nadat ze in werking zijn getreden mededeling gedaan aan het Administratief Centrum.

Artikel 90. Bijlagen - wijzigingen van de bijlagen
1.

De bijlagen bedoeld in artikel 3 van deze Schikking, zijn daarvan een wezenlijk bestanddeel.

2.

Van elke wijziging van de bijlagen van deze Schikking zal door de bevoegde autoriteit van elke belanghebbende Verdragsluitende Partij kennisgeving worden gedaan aan het Administratief Centrum, die hiervan mededeling zal doen aan andere Verdragsluitende Partij en, aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau en aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

3.

Ter zake van een voorstel tot wijziging van bijlage 5, is de in artikel 88, tweede en derde lid van het Verdrag voorgeschreven procedure van overeenkomstige toepassing.

TITEL VII. SLOTBEPALINGEN

Artikel 91. Inwerkingtreding van de Schikking
1.

Deze Schikking treedt in werking op dezelfde datum als het Verdrag nadat alle Verdragsluitende Partijen het Administratief Centrum ervan in kennis hebben gesteld dat de binnenlandse voorwaarden voor de inwerkingtreding zijn vervuld.

2.

Met ingang van de inwerkingtreding van deze Schikking, houdende bepalingen van het Administratief Akkoord van ter uitvoering van het Verdrag van 13 februari 1961 betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden (herzien) op van kracht te zijn.

Artikel 92. Nederlegging van de teksten en verzending van afschriften
1.

De Duitse, Franse en Nederlandse teksten van deze Schikking zijn gelijkelijk authentiek. Zij worden nedergelegd in de archieven van het Internationaal Arbeidsbureau.

2.

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zendt gewaarmerkte afschriften aan elk van de Verdragsluitende Partijen en aan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart.

I. - Van kracht gebleven internationale overeenkomsten

(Artikel 3, vijfde lid van de Schikking)

In de betrekkingen tussen de Bondsrepubliek Duitsland, België, Frankrijk, Luxemburg en Nederland, zijn de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 574/72 alsmede bijlage 5 van deze verordening van toepassing voor zover zij betrekking hebben op de wijze van vergoeding van prestaties en van kosten van administratieve en medische controle, alsmede van de invordering en premies.

Het Administratief Akkoord van 25 augustus 1978 met betrekking tot de wijze van toepassing van de Overeenkomst inzake sociale zekerheid van 25 februari 1964, zoals gewijzigd en aangevuld door de Aanvullende Overeenkomst van 9 september 1975.

De bepalingen van de Administratieve Regeling van 30 november 1978 betreffende de wijze van toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid van 24 september 1975 betreffende de invaliditeitsverzekering.

De bepalingen van het Administratief Akkoord van 3 december 1976 betreffende de wijze van toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid van 3 juli 1975 betreffende de invaliditeitsverzekering.

De bepalingen van het Administratief Akkoord van 29 mei 1970 en van het Aanvullend Administratief Akkoord van 16 januari/9 februari 1987 met betrekking tot de wijze van toepassing van het Verdrag inzake sociale zekerheid van 27 mei 1970 betreffende de invaliditeitsverzekering.

II. - Van kracht gebleven vroegere overeenkomsten - regels voor de betaling -

(artikel 42, tweede lid en artikel 60 van de Schikking)

De artikelen 17,18,19 en 21 van het eerste technische akkoord van 18 juni 1954 bij het Verdrag van 29 maart 1951 (betaling van pensioenen en renten).

GEDAAN te Straatsburg, in drie exemplaren in de Duitse, de Franse en de Nederlandse taal.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)