Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen
- (f). vrijstelling, ten aanzien van hun aan de krijgsmachten geleverde diensten, van de Duitse wetgeving inzake handelsvergunningen en buitenlandse maatschappijen;
- (g). afgifte van de benodigde deviezenvergunningen om hen in staat te stellen hun functies uit te oefenen en het recht om militaire betalingscoupons in bezit te hebben en te gebruiken.
Indien de werknemers van de organisaties en de ondernemingen bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, ook lid zijn van de krijgsmachten in de zin van lid 7 (b) van artikel 1 van dit Verdrag, kunnen de krijgsmachten de mate waarin de bepalingen van dit Verdrag op zulke werknemers van toepassing zijn, beperken. In dit verband houden zij rekening met de aanbevelingen van de Duitse autoriteiten.
Het aantal werknemers van de organisaties en ondernemingen in dienst van de krijgsmachten mag niet verhoogd worden met meer dan 100 % van het aantal dat bij de inwerkingtreding van dit Verdrag aanwezig is, behalve in overeenstemming met de Duitse autoriteiten.
AFDELING II. — Verzorging
Artikel 37. Omvang der verplichtingen
Voor zover zulks noodzakelijk is om de verdedigingstaak der krijgsmachten te vervullen, neemt de Bondsregering op zich, er voor zorg te dragen, dat de behoeften der krijgsmachten en hun leden binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek, behoudens de bepalingen van dit Verdrag of enig ander daarmede samenhangend verdrag, worden gedekt op de volgende gebieden:
- (a). onroerende goederen (artikel 38);
- (b). goederen, materialen en diensten, daarbij inbegrepen de diensten der openbare nutsbedrijven (artikelen 39 en 40);
- (c). vervoersdiensten (artikel 41);
- (d). verbindingsdiensten (artikel 42);
- (e). andere openbare diensten (artikel 43).
De Bondsrepubliek draagt er zorg voor, dat vakbekwaam burgerpersoneel, dat geschikt is om aan de noodzakelijke behoeften van de krijgsmachten overeenkomstig de militaire behoeften te voldoen, door de bevoegde Duitse instanties aan de krijgsmachten beschikbaar wordt gesteld (artikel 44).
Teneinde de door de Bondsrepubliek in lid 1 van dit artikel aanvaarde verplichtingen te vervullen, vaardigt de Bondsrepubliek wetten uit welke de mogelijkheid scheppen de aanschaffing van goederen, materialen en diensten, de verschaffing van onroerende goederen en de instelling van verboden zones te verzekeren.
Totdat de in lid 3 van dit artikel bedoelde wetten der Bondsregering van kracht worden, worden dergelijke verplichtingen vervuld door middel van de toepassing op de daarvoor passende wijze, binnen het kader van de „Basic Law”, van de bepalingen van de volgende wetten voor zover deze betrekking hebben op de bevoegdheid goederen, materialen en diensten te vorderen, onroerende goederen te verkrijgen en verboden gebieden in te stellen: de Wet inzake goederen en diensten voor projecten ten behoeve van het „Reich” („Reichsleistungsgesetz”) van 1 september 1939; de Wet inzake de verschaffing van land voor de „Wehrmacht” van 29 maart 1935; en de Wet inzake de beperking van grondbezit ten behoeve van de verdediging van het „Reich” („Schutzbereichgesetz”) van 24 januari 1935. De toepassing van de in de eerste zin van dit lid bedoelde wetten van het „Reich” strekt zich niet uit tot de vaststelling van de omvang van vorderingen tot vergoeding en schadeloosstelling, welke krachtens lid 3 van artikel 12 van het Financieel Verdrag worden ingediend.
Artikel 38. Onroerende goederen
De autoriteiten der krijgsmachten geven elk aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek hun behoeften aan onroerende goederen te kennen in de vorm van periodieke programma's en, waar noodzakelijk, van aanvullende programma's. Wanneer van twee of meer Mogendheden de krijgsmachten, welke in hetzelfde gebied zijn of zullen worden gelegerd, met elkaar strijdige belangen hebben wat betreft de onroerende goederen, zullen er gezamenlijke besprekingen tussen hen worden gehouden, met het doel, overeenstemming te bereiken ten aanzien van gemeenschappelijke programma's inzake onroerende goederen. Afzonderlijke verzoeken welke buiten de programma's vallen, worden tot een minimum beperkt.
Door de autoriteiten der krijgsmachten en de autoriteit der Bondsrepubliek overeengekomen programma's en afzonderlijke verzoeken, worden door de bevoegde Duitse autoriteiten uitgevoerd en ingewilligd na overleg met de autoriteiten der krijgsmachten waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met ligging, normen en data van oplevering. In deze programma's worden bijzondere voorzieningen getroffen om eventuele moeilijkheden het hoofd te bieden, welke zich voor de krijgsmachten kunnen voordoen als gevolg van de toepassing van de in de tweede zin van lid 5 van dit artikel vervatte bepalingen. Behoeften van ondergeschikt belang kunnen rechtstreeks tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse gewestelijke autoriteiten worden geregeld.
In geval van verschil van mening tussen ondergeschikte autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse gewestelijke autoriteiten, wordt de zaak naar de autoriteit der Bondsrepubliek verwezen voor verder gemeenschappelijk overleg met de autoriteiten der krijgsmachten.
De krijgsmachten gaan voortdurend hun behoeften aan onroerende goederen na teneinde te verzekeren, dat deze binnen het met de omvang en de werkzaamheden der krijgsmachten overeenkomende minimum blijven. Onroerende goederen, welke niet langer nodig zijn, of waarvoor andere onroerende goederen, welke voor de behoeften van de krijgsmachten voldoende zijn, beschikbaar worden gesteld, worden door de krijgsmachten vrijgegeven.
In het bijzonder wordt gelet op het vrijgeven van onroerende goederen aan particulieren. Woningen in particulier bezit worden vrijgegeven indien zij door de krijgsmachten gedurende een tijdvak van zes opeenvolgende maanden niet zijn gebruikt. De Duitse autoriteiten hebben het recht, de krijgsmachten te verzoeken, de vrijgeving van bepaalde onroerende goederen met hen te bespreken.
Ten tijde van het vrijgeven van een gevorderde woning of een gevorderd hotel worden ook alle zich daarin bevindende gevorderde roerende goederen, waarvoor een gebruiksvergoeding betaald wordt, vrijgegeven. Wanneer andere gevorderde onroerende goederen worden vrijgegeven, zullen de krijgsmachten tegelijkertijd zich daarin bevindende gevorderde roerende goederen, waarvoor een gebruiksvergoeding wordt betaald, vrijgeven, uitgezonderd die gevallen waarin het voortgezet gebruik van die goederen noodzakelijk is voor de uitvoering van de verdedigingsopdracht der krijgsmachten. In dergelijke gevallen plegen de autoriteiten der krijgsmachten overleg met de Duitse autoriteiten. Zodanige roerende goederen worden ook vrijgegeven vóór het vrijgeven van onroerende goederen, mits deze niet meer voor de krijgsmachten nodig zijn of andere goederen, welke voor de behoeften van de krijgsmachten voldoende zijn, door de Duitse autoriteiten beschikbaar worden gesteld. Kunstvoorwerpen en antiquiteiten worden door de krijgsmachten vrijgegeven op overeen te komen wijze.
Bij de tenuitvoerlegging van het eerste programma inzake onroerende goederen hebben de krijgsmachten, indien in hetzelfde gebied geen vergelijkbare andere onroerende goederen beschikbaar zijn, gedurende een periode van zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag voorkeursrecht op die in openbaar bezit zijnde onroerende goederen, begrepen in de in artikel 13 van Hoofdstuk Een van het Verdrag inzake de regeling van vraagstukken voortspruitende uit de oorlog en de bezetting bedoelde eigendommen, welke beschikbaar komen. Dit geldt niet voor onroerende goederen in de Enclave Bonn.
Indien bij de krijgsmachten in gebruik zijnde onroerende goederen zoals schietterreinen, oefenterreinen en vliegvelden, tijdelijk niet door de krijgsmachten worden gebruikt, mogen deze tijdelijk, op haar verzoek, aan de Bondsrepubliek beschikbaar worden gesteld, op voorwaarde dat het weer in gebruiknemen door de krijgsmachten daardoor geen schade ondervindt.
Artikel 39. Goederen, materialen en diensten
De aanschaffing van goederen en materialen op het gebied der Bondsrepubliek voor de krijgsmachten en hun leden tegen Duitse Marken of andere valuta, geschiedt in het kader van periodieke programma's, met dien verstande, dat de op deze wijze aangeschafte hoeveelheden de in deze programma's overeengekomen hoeveelheden met niet meer dan 10 % te boven mogen gaan, tenzij de Duitse autoriteiten hierin toestemmen. Deze periodieke programma's houden rekening met bouwmaterialen, welke zijn vereist voor de tenuitvoerlegging van artikel 40 van dit Verdrag. Onder de programma's vallen niet kleinere aanschaffingen, welke zijn gedaan in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van de krijgsmachten.
Er wordt een Gezamenlijke Verzorgingscommissie ingesteld, samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek. Het is de taak van de Commissie om bij overeenkomst periodieke programma's vast te stellen voor de aanschaffing van de behoeften der krijgsmachten en tevens de moeilijkheden op te lossen welke zich bij de tenuitvoerlegging van deze programma's kunnen voordoen.
De behoeften der krijgsmachten welke moeten worden opgenomen in de periodieke programma's worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de Gezamenlijke Verzorgingscommissie gebracht en tenminste twee maanden vóór het begin van het desbetreffende tijdvak. De autoriteiten der krijgsmachten stellen de Duitse autoriteiten zo spoedig mogelijk van te voren in kennis van alle belangrijke veranderingen in hun behoeften inzake leveringen door de openbare nutsbedrijven (gas, water, electriciteit, riolering).
Bij het opstellen van een programma houdt de Gezamenlijke Verzorgingscommissie rekening met de noodzakelijke behoeften betreffende verdediging en uitvoer, alsmede met burgerlijke behoeften. De Commissie stelt vast aan welke goederen, materialen en diensten er tekort is en stelt hiervan lijsten op. De Commissie mag een gedetailleerde opgave verlangen van producten welke aanzienlijke hoeveelheden vergen van in die lijsten genoemde goederen, materialen en diensten.
Het aanschaffen van goederen, materialen en diensten, met inbegrip van diensten op het gebied van de bouwnijverheid, binnen het kader van lid 1 van dit artikel, wordt verricht òf rechtstreeks door de autoriteiten der betrokken Mogendheid overeenkomstig hun gebruikelijke werkwijze bij het aangaan van zulke contracten òf, op hun verzoek, door de Duitse autoriteiten. De Bondsrepubliek stemt er in toe de nodige maatregelen te nemen teneinde te verzekeren dat aan deze behoeften die voorrang wordt verleend boven binnenlandse behoeften en exportbehoeften welke niet op de verdediging betrekking hebben, als noodzakelijk en passend is om te waarborgen, dat zij tijdig aan de strijdkrachten worden geleverd.
Wanneer de autoriteiten van de betrokken Mogendheid voornemens zijn orders te plaatsen, binnen het kader der overeengekomen programma's, door middel van rechtstreekse aanschaffing van goederen, materialen of diensten, waaraan volgens de in lid 4 van dit artikel genoemde lijsten tekort is, delen zij dit aan de Duitse autoriteiten mede. Indien de Duitse autoriteiten van mening mochten zijn dat om redenen van verzorging of productiecapaciteit bepaalde firma's dienen te worden uitgenodigd om een offerte te maken, wijzen zij deze firma's uiterlijk binnen twee weken aan. De autoriteiten van de betrokken Mogendheid houden met deze aanbevelingen naar behoren rekening bij het bepalen van hun uiteindelijke keus inzake de leveranciers.
Aan de Duitse autoriteiten worden informatie-copieën gezonden van alle rechtstreeks door de autoriteiten der betrokken Mogendheid binnen het kader der overeengekomen programma's geplaatste orders.
Wanneer de behoeften der krijgsmachten aan goederen, materialen en diensten worden gedekt door middel van aanschaffing door de Duitse autoriteiten, hebben de autoriteiten van de betrokken Mogendheid het recht, hun behoeften in elk opzicht nauwkeurig uiteen te zetten, met inbegrip van nauwkeurige bijzonderheden betreffende het verlangde artikel, levertijden en alle andere noodzakelijke voorwaarden. De Duitse autoriteiten dragen er in samenwerking met de autoriteiten der betrokken Mogendheid zorg voor, dat aan deze voorwaarden wordt voldaan tot tevredenheid van de krijgsmachten. De autoriteiten der betrokken Mogendheid kunnen iedere offerte om geldige en dwingende redenen van de hand wijzen. De Duitse autoriteiten worden van deze redenen in kennis gesteld. De Duitse autoriteiten houden toezicht op de fabricage; vertegenwoordigers der betrokken Mogendheid hebben het recht aan inspecties deel te nemen. De Duitse autoriteiten verlenen de leverancier slechts décharge met de schriftelijke toestemming van de autoriteiten der betrokken Mogendheid.
De krijgsmachten en hun leden mogen, behoudens de bepalingen van lid 1 van dit artikel, plaatselijk goederen en diensten aanschaffen voor hun eigen gebruik onder voorwaarden, welke niet minder gunstig zijn dan die welke in het algemeen gelden voor inwoners der Bondsrepubliek.
Alle periodieke programma's inzake behoeften aan goederen, materialen en diensten voor de verzorging der krijgsmachten welke door de autoriteiten der betrokken Mogendheid vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn aanhangig gemaakt en ten aanzien waarvan nog prestaties uitstaan, die op die datum nog niet zijn voltooid, blijven gelden en zijn van kracht als door de Gezamenlijke Verzorgingscommissie vastgestelde programma's.
Goederen welke zijn aangeschaft (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten, of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland, of ten laste van dat deel van de bijdrage aan de verdediging van de Bondsrepubliek dat dient om de krijgsmachten te verzorgen, worden niet uit het grondgebied der Bondsrepubliek weggevoerd, tenzij deze voor militaire doeleinden voor de verzorging der krijgsmachten vereist zijn, of tenzij het zulke militaire uitrustingsstukken betreft welke militaire eenheden gewoonlijk bij verplaatsing met zich mede nemen. In die gevallen waarin de autoriteiten der krijgsmachten besluiten, dat zij deze goederen niet langer nodig hebben, worden zij aan de Duitse autoriteiten overgedragen, tenzij in dit opzicht een andere regeling tussen hen wordt getroffen.
Artikel 40. Diensten op het gebied van de bouwnijverheid
Wanneer is overeengekomen dat een gedeelte van de krachtens artikel 38 van dit Verdrag overgelegde programma's inzake onroerende goederen zal worden uitgevoerd door middel van nieuwbouw, stellen de autoriteiten der krijgsmachten de bevoegde Duitse autoriteiten, met tussenpozen welke corresponderen met de programma's krachtens artikel 39, van hun bouwprogramma's in kennis en verschaffen, indien dit mogelijk is, bijzonderheden over de aard, omvang, ligging en de vereiste datum van oplevering van elk project, alsmede, voor zover dit noodzakelijk wordt, aanvullende bijzonderheden en doen zij mededeling van wijzigingen. De Duitse autoriteiten doen onverwijld hun opmerkingen aan de autoriteiten der krijgsmachten toekomen. Indien noodzakelijk heeft daarop gezamenlijk overleg plaats teneinde tot een vergelijk te komen dat de krijgsmachten in staat zal stellen hun verdedigingsopdracht te vervullen.
De tenuitvoerlegging van de bouwprojecten welke uit de Duitse verdedigingsbijdragen zullen worden gefinancierd, wordt door de Duitse bouw-autoriteiten overeenkomstig de Duitse wettelijke voorschriften en vastgestelde bouwverordeningen uitgevoerd. De autoriteiten der krijgsmachten stellen hun behoeften inzake het bestek vast en delen deze aan de Duitse autoriteiten mede, nemen deel aan de ontwerpwerkzaamheden, de aanbesteding en het verlenen van uitbestedingen en mogen om goede en dwingende redenen, welke aan de Duitse autoriteiten worden medegedeeld, elke inschrijving afwijzen. De autoriteiten der krijgsmachten mogen zich te allen tijde op de hoogte stellen van de vorderingen der bouwwerkzaamheden, documenten de bouw betreffende, inzien en inlichtingen eisen. De autoriteiten der krijgsmachten mogen te allen tijde de bouwwerkzaamheden inspecteren doch oefenen toezicht op het project uit door tussenkomst van de Duitse bouw-autoriteiten. In de gevallen waarin de autoriteiten der krijgsmachten later afwijking van het onder contract overeengekomene nodig achten, delen zij haar behoeften schriftelijk aan de Duitse autoriteiten mede. De Duitse autoriteiten aanvaarden de oplevering van het project door de aannemer slechts met de schriftelijke toestemming van de autoriteiten der krijgsmachten.
Reparaties en onderhoudswerkzaamheden worden verricht door de Duitse autoriteiten indien dit door de autoriteiten der krijgsmachten overeenkomstig wederzijdse overeenkomsten wordt verzocht. De bepalingen van lid 2 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op kleinere bouwprojecten, op bouworders welke zijn geplaatst vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag of op bouworders ten aanzien waarvan bijzondere overeenkomsten zijn getroffen. De omschrijving van kleinere bouwprojecten wordt door middel van bilaterale overeenkomsten vastgelegd.
Artikel 41. Vervoersdiensten
De krijgsmachten hebben het recht Duitse vervoermiddelen op de weg, de spoorwegen, waterwegen en in de lucht te gebruiken voor het vervoer van personen, dieren en materialen naar, door en uit het gebied van de Bondsrepubliek. Daarbij genieten de krijgsmachten een zodanige voorkeursbehandeling als noodzakelijk is voor de bevredigende vervulling van hun verdedigingsopdracht en als verenigbaar is met een redelijk evenwicht tussen de daaruit voortvloeiende behoeften en de noodzakelijke burgerlijke en verdedigingsbehoeften van de Bondsrepubliek. Zij hebben het recht met transportondernemingen contracten af te sluiten voor vervoersdiensten.
Indien de van de openbare vervoersondernemingen gevraagde diensten uitgaan boven die welke vrij verkrijgbaar zijn krachtens de algemeen geldende vervoersvoorschriften, zal voor zulke diensten door de autoriteiten van de krijgsmachten die op het gebied van vervoerszaken bevoegd zijn in een van de grotere districten een verzoek worden gericht aan de Duitse autoriteiten. Hetzelfde is van toepassing op vervoersdiensten welke worden gevraagd van niet openbare vervoersondernemingen indien deze diensten, hetzij uitgaan boven de gebruikelijke door de onderneming verrichte diensten, hetzij gevraagd worden gedurende perioden waarin een tekort aan transportmiddelen bestaat; een dergelijk tekort wordt geacht te zijn bewezen, wanneer er beperkende bepalingen van kracht zijn ten aanzien van het beschikbaar stellen van transportdiensten aan de civiele sector. Bijzonderheden en werkwijze worden geregeld bij speciale overeenkomsten.
De bepalingen van de volgende technische overeenkomsten en arbeidsregelingen, met inbegrip van administratieve behandeling tussen de krijgsmachten en de Duitse vervoersautoriteiten, als met wederzijdse overeenstemming gewijzigd, blijven van toepassing tot het tijdstip waarop zij aflopen:
- (a). de drie tarieven- en arbeidsregelingen tussen de Duitse Bondsspoorwegen en de Amerikaanse, Britse en Franse krijgsmachten, onderscheidenlijk van 31 maart 1950, 1 april 1950 en 1 september 1950;
- (b). de twee overeenkomsten tussen de Amerikaanse en Britse legers en de „Deutsche Schlafwagen- und Speisewagen-Gesellschaft” onderscheidenlijk van 30 april 1950 en 19 december 1950;
- (c). de overeenkomsten tussen de geallieerde krijgsmachten en de „Vereinigte Tanklager und Transportmittel G.m.b.H.” en de Bondsministeries voor Verkeer en Financiën van 13 september 1951, 17 december 1951 en 27 februari 1952.
De bepalingen van deze overeenkomsten zijn vóór de datum waarop zij aflopen, onderworpen aan herziening en wijziging, hetzij op verzoek van de Bondsrepubliek hetzij van de Drie Mogendheden, indien die bepalingen onverenigbaar zijn met dit Verdrag. Indien een van deze overeenkomsten niet met wederzijds goedvinden wordt verlengd na afloop van de huidige geldigheidsduur, dient tijdig overeenstemming te worden bereikt ten aanzien van de verschillende voorwaarden waaronder de diensten zullen worden verricht, welke voorwaarden na afloop van de overeenkomst zullen gelden en welke verenigbaar dienen te zijn met de behoeften van de krijgsmachten en de dienstpositie van hun leden bij de uitvoering van de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten.
De krijgsmachten doen de Duitse vervoersautoriteiten zo vroegtijdig mogelijk van tevoren mededeling van de behoeften van hun militair vervoer.
Bij het inwerkingtreden van dit Verdrag hebben de krijgsmachten het recht alle transportmiddelen en inlichtingen, welke tot op dat ogenblik voor hun gebruik waren gereserveerd, te behouden onder voorbehoud van een gemeenschappelijk nieuw onderzoek van een dergelijk gebruik in overeenstemming met de beginselen van dit Verdrag.
Leden van de krijgsmachten hebben het recht van Duitse vervoersmiddelen gebruik te maken binnen het kader van de algemeen geldende verkeersvoorschriften.
Indien de bestaande vervoersmiddelen en inrichtingen welke beschikbaar zijn, niet voldoende zijn om aan de behoeften van de krijgsmachten te voldoen, zullen de Duitse autoriteiten op een door het hoogste hoofdkwartier van de betrokken strijdkrachten goedgekeurd verzoek, de reeds bestaande en beschikbare middelen of inrichtingen uitbreiden of wijzigen of nieuwe middelen of inrichtingen vervaardigen of bouwen in die mate als noodzakelijk is. Lid 4 van dit artikel is mutatis mutandis van toepassing.
De krijgsmachten hebben het recht binnen hun installaties vervoersmiddelen te vervaardigen voor zover de openbare veiligheid en orde buiten die installaties daardoor niet worden aangetast. Vóór de uitvoering van een dergelijk werk wordt behoorlijk overleg gepleegd met de Duitse autoriteiten.
De krijgsmachten kunnen overeenkomsten sluiten met de hoogste bevoegde autoriteiten in de Bondsrepubliek voor het officiële gebruik door de autoriteiten van de krijgsmachten die verantwoordelijk zijn voor de regeling van het militaire verkeer, van gespecialiseerde Duitse verreberichtgevingssystemen, mits een dergelijk gebruik de goede functionering van die systemen niet nadelig beïnvloedt.
Artikel 42. Verbindingsdiensten
De openbare diensten van de post en het verreberichtgevingssysteem van de Bondsrepubliek staan ter beschikking van de krijgsmachten en hun leden. Daarbij genieten de krijgsmachten een zodanige voorkeursbehandeling als noodzakelijk is voor de bevredigende vervulling van hun verdedigingsopdracht en als verenigbaar is met een redelijk evenwicht tussen de daaruit voortvloeiende behoefte en de noodzakelijke burgerlijke en verdedigingsbehoeften van de Bondsrepubliek. De ten aanzien van de dienst geldende voorwaarden bij de inwerkingtreding van dit Verdrag blijven van kracht. Deze voorwaarden kunnen op verzoek van een van de ondertekenende staten worden herzien en gewijzigd indien zij onverenigbaar zijn met dit Verdrag. In het geval van een dergelijke herziening dienen de vast te leggen dienstvoorwaarden in overeenstemming te zijn met de behoeften van de krijgsmachten en de dienstvoorwaarden van hun leden bij de uitvoering van de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten.
Op verzoek ontvangen de krijgsmachten voor permanente of tijdelijke doeleinden verreberichtgevingsstroomkringen voor hun uitsluitend gebruik onder de in lid 1 van dit artikel vermelde voorwaarden.
Indien de Duitse openbare post en verreberichtgevingsfaciliteiten niet voldoende zijn om aan de behoeften van de krijgsmachten te voldoen, zullen de Duitse autoriteiten, op verzoek van gemachtigde vertegenwoordigers van de hoogste bevelvoerende officieren van de krijgsmachten, de bestaande faciliteiten uitbreiden of nieuwe faciliteiten oprichten in de mate waarin zulks noodzakelijk is. De krijgsmachten stellen de Duitse autoriteiten zo vroegtijdig mogelijk van deze behoeften in kennis. Dergelijke faciliteiten worden beheerd door de Bondsrepubliek tenzij onderling anders is overeengekomen.
De bepalingen van artikel 48 van dit Verdrag zijn mutatis mutandis van toepassing op verbindingsfaciliteiten en -inrichtingen welke tot nu toe gebruikt werden door de krijgsmachten.
Verbindingsfaciliteiten binnen Duitsland welke aan de krijgsmachten toebehoren, kunnen ter beschikking van de Bondsrepubliek Duitsland worden gesteld, wanneer de krijgsmachten bepalen dat zodanige faciliteiten beschikbaar zijn. De dienstvoorwaarden bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op zodanige faciliteiten.
Artikel 43. Andere openbare diensten
De krijgsmachten en hun leden hebben het recht Duitse openbare en administratieve diensten te gebruiken of te ontvangen, welke niet elders in dit Verdrag met name worden genoemd, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten of normaal ontvangen worden door de inwoners van de Bondsrepubliek.
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten werken samen op meteorologisch en cartografisch gebied teneinde aan de verdedigingsbehoeften van de krijgsmachten te voldoen.
Artikel 44. Arbeidskrachten
De krijgsmachten brengen de bevoegde Duitse autoriteiten zo spoedig mogelijk op de hoogte van hun behoeften aan burgerpersoneel en verkrijgen arbeidskrachten als regel door bemiddeling van deze autoriteiten. De diensten van de bevoegde Duitse autoriteiten worden aan de leden van de krijgsmachten ter beschikking gesteld voor het aantrekken van geschikte burgerarbeidskrachten.
Duitsers die in dienst van de krijgsmachten werken, zijn onderworpen aan alle verplichtingen welke voortvloeien uit de regelingen voortvloeiende uit de Duitse verdedigingsbijdrage. Zij zullen alleen worden gebruikt in functies van non-combattanten met inbegrip van burgerbewakingsdiensten.
De Duitse arbeidswetgeving zoals die geldt voor de autoriteiten van de Bondsrepubliek, geldt met uitzondering van de tariefregelingen, voor werkzaamheden bij de krijgsmachten tenzij in dit artikel anders is bepaald. Waar noodzakelijk onderzoekt een krachtens lid 10 van dit artikel ingestelde Gemengde Commissie op verzoek van de hoogste autoriteiten der krijgsmachten of, en in welke mate, zekere bepalingen van de Duitse arbeidswetgeving onverenigbaar zijn met de militaire behoeften der krijgsmachten. De bevoegde Duitse autoriteiten houden overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag behoorlijk rekening met de bevindingen van deze Commissie.
Het verrichten van werkzaamheden bij de krijgsmachten wordt niet beschouwd als tewerkstelling in de Duitse openbare dienst.
De Duitse autoriteiten stellen in overeenstemming met de autoriteiten der krijgsmachten vast
- (a). de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van lonen, salarissen en indeling in beroepengroepen (hetgeen dient als grondslag voor afzonderlijke arbeidsovereenkomsten) en mogen tariefovereenkomsten afsluiten;
- (b). de wijze van uitbetaling.
De autoriteiten der krijgsmachten hebben met betrekking tot de in dit artikel bedoelde arbeidskrachten recht van indienstneming, plaatsing, opleiding, overplaatsing met toestemming van de werknemer, ontslag en aanvaarding van ontslagindiening.
De autoriteiten der krijgsmachten stellen het aantal en de aard der benodigde arbeidsplaatsen vast en delen die arbeidsplaatsen in overeenkomstig de krachtens (a) van lid 5 van dit artikel vastgestelde beroepengroepen. De personen, die zulke betrekkingen zullen vervullen, worden door de autoriteiten der krijgsmachten voorlopig ingedeeld in de overeenkomstige loon- en salarisgroepen. De laatstgenoemde classificatie is onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde Duitse autoriteiten. Een dergelijke goedkeuring zal geacht worden te zijn gegeven indien de Duitse autoriteiten niet binnen twee weken na de datum van ontvangst van de kennisgeving der voorlopige classificatie hun bezwaren kenbaar hebben gemaakt. In dergelijke gevallen wordt de juiste indeling door middel van overleg tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse autoriteiten vastgesteld. De beloning over de periode waarover de voorlopige classificatie geldt, wordt betaald overeenkomstig de uiteindelijke classificatie. Dit wordt ten tijde van de voorlopige classificatie aan de werknemer medegedeeld.
Aanspraken van individuele werknemers welke voortvloeien uit werkzaamheden verricht bij de krijgsmachten, worden ingediend bij de Bondsrepubliek Duitsland. Zij zijn onderworpen aan de Duitse rechtsmacht in arbeidszaken. In geschillen welke voortvloeien uit ontslag om veiligheidsredenen zal echter, op verzoek van de hiertoe aangewezen autoriteiten van de krijgsmachten, een krachtens lid 10 van dit artikel ingestelde Gemengde Commissie beslissen of het ontslag met of zonder opzegging gerechtvaardigd was; de beslissing is bindend voor de Duitse rechter in arbeidszaken. Een dergelijk verzoek dient onverwijld te worden gedaan, doch uiterlijk binnen een maand nadat de autoriteiten van de krijgsmachten op de hoogte zijn gesteld van de instelling van de vordering. De betrokken persoon heeft het recht een verklaring ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden af te leggen voor de Commissie.
Voor de behartiging van hun belangen kunnen zij die bij de krijgsmachten werken bedrijfsraden instellen die tot taak zullen hebben voorstellen te doen en bezwaren en klachten voor te brengen bij de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten. Dergelijke raden hebben het recht door de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten te worden gehoord. Bezwaren of klachten welke op deze wijze niet worden opgelost, kunnen worden verwezen naar de bevoegde Duitse autoriteiten voor overleg met de autoriteiten van de krijgsmachten.
De in de leden 3 en 8 van dit artikel bedoelde Gemengde Commissies bestaan in gelijk aantal uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek. Zij nemen beslissingen bij meerderheid van stemmen; zij stellen hun eigen procedureregelingen vast waarin bepalingen kunnen worden opgenomen ten aanzien van de instelling van sub-commissies. Indien een Commissie of sub-commissie niet tot een beslissing kan komen met meerderheid van stemmen, benoemen de betrokken Mogendheid of Mogendheden en de Bondsrepubliek een persoon die als lid van de Commissie of sub-commissie aan het bereiken van een beslissing zal medewerken.
Artikel 45. Burgerlijke diensteenheden
De krijgsmachten hebben het recht burgerlijke dienstorganisaties te onderhouden welke bestaan uit personen van niet-Duitse nationaliteit.
De bestaande burgerlijke dienstorganisaties welke uit Duitsers bestaan, worden
- (a). in samenwerking met de bevoegde autoriteiten der Bondsrepubliek ontbonden niet later dan na afloop van het tijdvak van 2 jaar beginnend op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag. De Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek openen voor het einde van dit tijdvak besprekingen teneinde maatregelen te treffen om te verzekeren, dat de sterkte en de gevechtswaarde van de krijgsmachten niet nadelig worden beïnvloed als gevolg van deze ontbinding;
- (b). niet gebruikt voor diensten buiten het gebied der Bondsrepubliek.
Artikel 44 van dit Verdrag is van toepassing tenzij in dit artikel anders is bepaald.
Leden van de burgerlijke dienstorganisaties kunnen kost en inwoning ontvangen als deel van hun salaris of loon. Tijdens hun werk kan van hen worden geëist, dat zij, waar dit passend is, uniforme werkkleding dragen.
De arbeidsvoorwaarden in de zin van lid 5, sub a, van artikel 44 van dit Verdrag welke bij de inwerkingtreding van dit Verdrag van kracht zijn, worden zo spoedig mogelijk herzien en in grote trekken geüniformeerd op grond van verkregen overeenstemming tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse autoriteiten.
De autoriteiten der krijgsmachten verrichten de classificatie van de leden van de burgerlijke dienstorganisaties; zij stellen de bevoegde Duitse autoriteiten van die classificatie op de hoogte en houden in voldoende mate rekening met alle door laatstgenoemden gedane wijzigingsvoorstellen.
Artikel 46. Jacht en visserij
De Bondsrepubliek neemt binnen het kader van haar bevoegdheid maatregelen teneinde aan de leden der krijgsmachten bijzondere jacht- en visserij voorrechten te verlenen en te doen verlenen op terreinen van de Bondsrepubliek. Zij verleent haar goede diensten bij de „Länder” en alle Duitse autoriteiten en publiekrechtelijke lichamen, opdat laatstgenoemden met betrekking tot andere openbare terreinen hetzelfde doen. Bij het verlenen van zulke bijzondere voorrechten worden de volgende algemene richtlijnen in acht genomen.
De leden der krijgsmachten
- (a). nemen de Duitse jacht- en visserijvoorschriften in acht, in het bijzonder wat betreft de juiste methoden van jagen en vissen;
- (b). houden zich aan de Duitse jachtplannen („Abschusspläne”);
- (c). moeten bij de jacht op tweehoevig wild („Schalenwild”) altijd vergezeld zijn van een jager in het bezit van een jachtakte, of van een boswachter, voor wiens diensten een redelijke vergoeding moet worden betaald;
- (d). betalen jaarlijks een bedrag ineens als jachtgeld welk bedrag in overeenstemming met de autoriteiten van de Bondsrepubliek of van de „Länder” wordt vastgesteld. Een dergelijk jachtgeld treedt in de plaats van alle andere terzake dienende belastingen, vergoedingen, heffingen en onkosten. Bij het vaststellen van een dergelijk jachtgeld dient voldoende rekening te worden gehouden met de omstandigheden waaronder de leden van de krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek leven;
- (e). betalen op dezelfde wijze een redelijke vergoeding voor visrechten.
De krijgsmachten hebben het recht, jacht- en visvergunningen af te geven, doch alleen aan leden van de krijgsmachten die bekend zijn met de Duitse jacht- en viswetten, en, in het geval van een jachtvergunning, met het gebruik van jachtwapens. De leden van de krijgsmachten eerbiedigen particuliere eigendomsrechten.
De autoriteiten van de Bondsrepubliek nemen alle maatregelen waartoe zij in staat zijn om, voor zover het particuliere eigendomsrechten betreft, het aangaan van vrijwillige regelingen met leden van de krijgsmachten te bevorderen, en zij moedigen uitnodigingen aan van de zijde van eigenaars of pachters van particuliere jacht- en visterreinen of van de zijde van houders van overeenkomstige rechten aan de leden van de krijgsmachten.
Overeenkomsten met betrekking tot jacht- en visrechten welke bij het inwerkingtreden van dit Verdrag van kracht zijn, blijven gelden indien zodanige contracten overeenkomstig de bepalingen der Duitse wetten vrijwillig zijn aangegaan en voorzien in de betaling voor zodanige rechten tegen de op dat ogenblik geldende prijs. Alle andere op de jacht en visserij betrekking hebbende rechten welke op een vroeger tijdstip zijn gevorderd of voorbehouden, lopen niet later dan een maand na de inwerkingtreding van dit Verdrag af.
De rechten en verplichtingen van de krijgsmachten op dit gebied kunnen in bijzondere overeenkomsten tussen de krijgsmachten en de autoriteiten van de Bondsrepubliek of die van de „Länder” nader worden bepaald.
Artikel 47. Berlijn
Goederen, materialen en diensten welke op grond van de bepalingen van dit Verdrag ter beschikking worden gesteld, kunnen ook worden gebruikt en genoten door de in Berlijn gestationeerde gewapende strijdkrachten van elk der betrokken Mogendheden.
Vervallen.
Artikel 48. Voortzetting van de bestaande verzorging
Indien goederen, materialen, diensten of onroerende goederen zijn gevorderd door de autoriteiten van de betrokken Mogendheid of verworpen zijn ten laste van de bezettingskosten of ten laste van de „Auftragsausgabenhaushalt” vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna nog nodig blijven voor de krijgsmachten, worden zij beschouwd met wettelijk bindende kracht te zijn gevorderd voor een periode van een jaar te rekenen van die datum af krachtens de bepalingen van de in de leden 3 en 4 van artikel 37 van dit Verdrag bedoelde toepasselijke wetgeving.
Indien de vordering van goederen, materialen, diensten of onroerende goederen nodig is geweest voor de doeleinden van de krijgsmachten of hun leden na de in lid 1 van dit artikel genoemde periode, verzekert de Bondsrepubliek Duitsland dat zij ook daarna ter beschikking zullen blijven overeenkomstig de procedure van de toepasselijke wetgeving van de Bondsrepubliek.
DEEL VIER. — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 49
Vervallen
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51. Herziening
Onverminderd de bepalingen van artikel 10 van het Verdrag nopens de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland, kan dit Verdrag op verzoek van een der ondertekenende staten na verloop van een periode van 2 jaar na zijn inwerkingtreding, te allen tijde worden gewijzigd.
Strafbepalingen ter bescherming van de Drie Mogendheden, hun krijgsmachten en de leden van de krijgsmachten
HOOFDSTUK I. — VERRAAD IN MILITAIRE AANGELEGENHEDEN
Afdeling 1
1
In dit hoofdstuk worden onder de uitdrukking „militaire geheimen” verstaan feiten, voorwerpen, conclusies en ontdekkingen, in het bijzonder schriftelijke stukken, tekeningen, modellen of formules met inbegrip van codes, of daarop betrekking hebbende inlichtingen, welke geheim worden gehouden in het belang van de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten, als omschreven in artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en hun leden in de Bondsrepubliek Duitsland.
2
In de zin van dit hoofdstuk wordt geacht verraad te hebben gepleegd ieder, die opzettelijk een militair geheim in handen laat komen van een onbevoegde of een zodanig geheim openbaar maakt en daardoor de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten in gevaar brengt.
Afdeling 2
1
Hij die een militair geheim verraadt, wordt gestraft met tuchthuisstraf („Zuchthaus”).
2
Hij die zich in het bezit stelt van een militair geheim met het oogmerk het te verraden, wordt gestraft met tuchthuisstraf („Zuchthaus”) voor ten hoogste 10 jaar.
3
Hij die zonder daartoe bevoegd te zijn zich in het bezit stelt of tracht zich in het bezit te stellen van een militair geheim, of die, wanneer hij op andere wijze, zonder daartoe bevoegd te zijn, een dergelijk geheim in zijn bezit gekregen heeft, dit niet onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten mededeelt dan wel, indien het een voorwerp betreft, dit niet op een daartoe strekkend verzoek overhandigt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
4
Paragraaf 3 van artikel 100 van het Wetboek van Strafrecht, als gewijzigd bij de Wet van 30 augustus 1951 („Bundesgesetzblatt Teil I Seite 739”), is niet van toepassing op militaire geheimen.
Afdeling 3
1
Hij die opzettelijk een militair geheim in handen laat komen van een onbevoegde of een dergelijk geheim openbaar maakt en daardoor, door nalatigheid, de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
Hij die, door nalatigheid, een militair geheim, waartoe hij zelf uit hoofde van zijn functie of positie in de dienst of uit hoofde van een hem door een officieel orgaan verstrekte opdracht toegang had, in handen laat komen van een onbevoegde, en daardoor de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar. Het delict wordt alleen vervolgd met machtiging van die betrokken Mogendheid of van die krijgsmachten wier veiligheid in gevaar is gebracht.
Afdeling 4
1
Hij die met het oogmerk nadeel toe te brengen aan de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten, zich in het bezit stelt van inlichtingen betreffende militaire aangelegenheden van de krijgsmachten, deze verzamelt, openbaar maakt of aan een ander mededeelt, dan wel met dat oogmerk een inlichtingendienst doet functioneren of anderen in dienst neemt om zich daarmede bezig te houden, of een dergelijke activiteit ondersteunt, wordt gestraft met gevangenisstraf. Ook de poging is strafbaar.
2
In bijzonder ernstige gevallen bestaat de straf uit tuchthuisstraf („Zuchthaus”) voor ten hoogste 5 jaar.
Afdeling 5
1
Hij die met het oogmerk zich onbevoegd in het bezit te stellen van een militair geheim of inlichtingen inzake militaire aangelegenheden te verzamelen met het doel nadeel toe te brengen aan de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten (lid 2 en lid 3, van Afdeling 2; Afdeling 4) militaire installaties, oorlogsschepen of vliegtuigen van de krijgsmachten betreedt of zich in de omgeving daarvan ophoudt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
De uitdrukking „militaire installaties” omvat, doch is niet beperkt tot, gebieden welke door middel van een officiële kennisgeving uit veiligheidsoverwegingen tot verboden gebieden zijn verklaard, en industriële instellingen waar voorraden ten behoeve van de krijgsmachten worden vervaardigd, hersteld of opgeslagen.
Afdeling 6
Afdeling 7
1
Hij die met een regering, een partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek en Berlijn (West), of met een persoon die voor een zodanige regering, partij, vereniging of instelling werkt, betrekkingen aanknoopt of onderhoudt, welke betrekkingen ten doel hebben inlichtingen te verstrekken in de zin van de Afdelingen 1 en 4, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
Hij die werkende voor een regering, een partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en Berlijn (West) met een ander betrekkingen aanknoopt van de soort, omschreven in lid 1 van deze Afdeling, of zodanige betrekkingen onderhoudt, wordt op dezelfde wijze gestraft.
Afdeling 8
1
Hij die met het oogmerk een oorlog, een gewapende onderneming of dwangmaatregelen tegen een van de Drie Mogendheden of de krijgsmachten teweeg te brengen of te bevorderen, betrekkingen aanknoopt of onderhoudt met een regering, een partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en Berlijn (West), of met een persoon, die voor een zodanige regering, partij, vereniging of instelling werkt, wordt gestraft met eenzame opsluiting („Zuchthaus”).
2
Indien de dader handelt met het oogmerk andere maatregelen of plannen van een regering, partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en Berlijn (West), welke erop zijn gericht nadeel toe te brengen aan de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten, teweeg te brengen of te bevorderen, bestaat de straf uit gevangenisstraf. Ook de poging is strafbaar.
3
Hij die met het oogmerk een van de in de leden 1 en 2 van deze Afdeling aangegeven maatregelen of plannen teweeg te brengen of te bevorderen, verklaringen welke onwaar zijn of welke een grove verdraaiing van de feiten inhouden, aflegt of in omloop brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf. Ook de poging is strafbaar.
4
In bijzonder ernstige gevallen kan de straf, in de gevallen bedoeld in lid 1 van deze Afdeling, bestaan uit levenslange tuchthuisstraf („Zuchthaus”); in bijzonder ernstige gevallen kan de straf in de gevallen bedoeld in de leden 2 en 3 van deze Afdeling, bestaan uit tuchthuisstraf („Zuchthaus”).
Afdeling 9
1
Voor daden welke krachtens dit Hoofdstuk strafbaar zijn, kan worden opgelegd:
- boven de straffen uit hoofde van Afdeling 2 en van Afdeling 8 lid 1: een geldboete tot een onbeperkt bedrag;
- boven de straffen uit hoofde van de Afdelingen 3, 4 en 7 en Afdeling 8, leden 2 en 3: een geldboete;
- boven een veroordeling tot gevangenisstraf van tenminste 3 maanden, opgelegd ter zake van een opzettelijk gepleegd delict: het verbod om een openbaar ambt te bekleden, het verlies van het actieve en passieve kiesrecht alsmede het verlies van de op grond van openbare verkiezingen verkregen rechten, voor een periode van 1 tot 5 jaar;
- boven iedere vrijheidsstraf, opgelegd op grond van de Afdelingen 2, 4, 5, 7 en 8: de machtiging om de veroordeelde onder politietoezicht te stellen.
2
Artikel 86 van het Wetboek van Strafrecht als gewijzigd bij de Wet van 30 augustus 1951 is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK II. — SABOTAGE
Afdeling 10
1
Hij die opzettelijk militaire uitrustingsstukken van de krijgsmachten, of een installatie ten dienste van de verdediging in de zin van artikel 4 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland, beschadigt, vernielt, onbruikbaar maakt of aan haar rechtmatige bestemming onttrekt, en daardoor opzettelijk de veiligheid van de krijgsmachten of hun paraatheid in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van tenminste 3 maanden. In ernstige gevallen kan tuchthuisstraf („Zuchthaus”) worden opgelegd.
2
Hij die opzettelijk militaire uitrustingsstukken of een verdedigingsinstallatie of voor de verdediging bestemde grondstoffen in gebrekkige staat vervaardigt of aflevert en daardoor opzettelijk de veiligheid van de krijgsmachten of hun paraatheid in gevaar brengt, wordt op dezelfde wijze gestraft.
3
Ook de poging is strafbaar.
4
Hij die zich schuldig maakt aan grove nalatigheid en door die nalatigheid de veiligheid van de krijgsmachten of hun paraatheid in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
Afdeling 11
HOOFDSTUK III. — ONDERMIJNING VAN DE BEREIDHEID TOT VERVULLING VAN DE DIENST, EN VAN DE TUCHT- IN DE KRIJGSMACHTEN
Afdeling 12
1
Hij die invloed uitoefent op de leden van de krijgsmachten met het oogmerk hun bereidheid tot vervulling van hun dienst bij de krijgsmachten te ondermijnen, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
Ook de poging is strafbaar.
3
In bijzonder ernstige gevallen kan tuchthuisstraf („Zuchthaus”) van ten hoogste 5 jaar worden opgelegd.
Afdeling 13
1
Hij die een lid van de krijgsmachten overhaalt tot desertie of de desertie van een lid van de krijgsmachten vergemakkelijkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten minste 3 maanden.
2
Ook de poging is strafbaar.
3
In bijzonder ernstige gevallen kan tuchthuisstraf („Zuchthaus”) van ten hoogste 10 jaar worden opgelegd.
Afdeling 14
HOOFDSTUK IV. — BESCHIMPING VAN DE KRIJGSMACHTEN
Afdeling 15
HOOFDSTUK V. — TOEPASSING VAN BEPALINGEN VAN HET DUITSE WETBOEK VAN STRAFRECHT TEN GUNSTE VAN DE KRIJGSMACHTEN
Afdeling 16
Bepalingen inzake radiofrequenties
1
In deze bepalingen
- (a). wordt de uitdrukking „radiostation” bepaald door artikel 1 van hoofdstuk II van het Reglement betreffende de radioberichtgeving, bijlage bij het Internationale Verdrag betreffende de Verreberichtgeving, Atlantic City, 1947;
- (b). zijn „security frequencies” die frequenties, welke uitsluitend door de krijgsmachten voor militaire en daarmede in verband staande doeleinden worden gebruikt, met inbegrip van radiouitzendingen voor de leden van de krijgsmachten, doch niet voor propagandadoeleinden;
- (c). zijn „security bands” die frequentie-bereiken van het radiospectrum, welke uitsluitend door de krijgsmachten worden gebruikt voor militaire en daarmede in verband staande doeleinden, met inbegrip van radiouitzendingen voor leden van de krijgsmachten, doch niet voor propagandadoeleinden;
- (d). zijn „mixed bands” die delen van het radiospectrum, welke door de krijgsmachten worden gebruikt voor militaire en daarmede in verband staande doeleinden, met inbegrip van radiouitzendingen voor leden van de krijgsmachten, doch niet voor propagandadoeleinden en welke onder bepaalde voorwaarden eveneens kunnen worden gebruikt door civiele radiostations.
2
De radiostations van de krijgsmachten maken alleen gebruik van de frequenties genoemd in de punten (b) tot en met (d) van lid 1 van deze bepalingen en in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47 van het Internationale Verdrag betreffende de Verreberichtgeving, Atlantic City, 1947, of zodanige bepalingen als daarvoor in de plaats mochten worden gesteld.
3
Er wordt een Frequentiecommissie ingesteld, welke is samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek. De Frequentiecommissie neemt haar besluiten met eenparigheid van stemmen.
4
„Security frequencies”, „security bands” en „mixed bands” met inbegrip van de overeenkomstig lid 1 (d) van deze bepalingen in de „mixed bands” vast te leggen technische voorwaarden, welke nodig zijn voor de radiostations van de krijgsmachten en de wijzigingen van de frequenties welke aan de krijgsmachten bij het in werking treden van dit Verdrag zijn toegekend of toegewezen, worden vastgesteld door de Frequentiecommissie. De leden van de Frequentiecommissie coördineren alle frequentietoewijzingen voor zover zulks ter vermijding van storingen noodzakelijk is. De Frequentiecommissie heeft de beschikking over de luisterdiensten. Luisterrapporten, welke inlichtingen bevatten betreffende de in lid 1 (b) tot en met (d) bedoelde frequenties, worden alleen met toestemming van de Frequentiecommissie aan internationale lichamen doorgegeven. Inlichtingen betreffende civiele frequenties worden aan de Frequentiecommissie ter beschikking gesteld. Er zullen geen frequentietoewijzingen plaats vinden en er zullen geen radiobedrijven worden toegelaten, welke een storende invloed kunnen uitoefenen, hetzij op de frequentietoewijzingen, welke van kracht zijn op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag, hetzij op de frequentietoewijzingen, welke door de Frequentiecommissie overeenkomstig de bepalingen van dit lid worden verricht.
5
Indien tijdens internationale conferenties problemen ter sprake komen welke vallen onder de bevoegdheid van de Frequentiecommissie, houden de Duitse vertegenwoordigers in voldoende mate rekening met de eventueel door de Frequentiecommissie genomen beslissingen, en gebruiken al hun invloed om de frequentiegebieden en de frequenties welke onder de bevoegdheid van de Frequentiecommissie vallen, te beschermen.
De Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland komen overeen als volgt:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
Artikel 1
Tenzij uit het zinsverband anders blijkt, hebben de volgende uitdrukkingen dezelfde betekenis als die welke daaraan is gegeven in artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en haar leden in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna te noemen „het Verdrag inzake de krijgsmachten”):
- het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland;
- de Drie Mogendheden;
- andere staat van herkomst;
- de betrokken Mogendheid;
- de krijgsmachten;
- autoriteiten van de krijgsmachten;
- leden van de krijgsmachten;
- onroerende goederen.
In dit Verdrag worden aan de volgende nieuwe uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht:
- (a). autoriteiten van de betrokken Mogendheid: De autoriteiten van de betrokken Mogendheid met inbegrip van de autoriteiten van haar krijgsmachten.
- (b). vervallen.
- (c). middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten: middelen van de Bondsrepubliek welke overeenkomstig lid 1 tot 3 van artikel 4 van dit Verdrag ter beschikking worden gesteld van de betrokken Mogendheden als bijdrage in de kosten van de op het grondgebied van de Bondsrepubliek gestationeerde krijgsmachten en hun leden.
Artikel 2
De autoriteiten van de betrokken Mogendheden en de Duitse autoriteiten werken volledig samen en verlenen elkaar volledige bijstand bij de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag; zij wisselen alle inlichtingen uit waarover zij beschikken en welke noodzakelijk kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag; tevens stellen zij elkaar de diensten van hun onderscheidene instanties ter beschikking teneinde mede te werken aan een bevredigende tenuitvoerlegging van dit Verdrag.
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
- (a). Van de inwerkingtreding van dit Verdrag af tot aan de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage, stelt de Bondsregering een gemiddelde maandelijkse bijdrage van 600.000.000,- DM ter beschikking voor het onderhoud van de krijgsmachten.
- (b). Van het in lid 1 (a) bedoelde bedrag van 600.000.000,- DM wordt maandelijks een bedrag van 100.000.000,- DM bestemd voor speciale gezamenlijk tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek overeengekomen verdedigingsmaatregelen; dit laatste bedrag omvat tevens uitgaven voor het NAVO infrastructuurprogramma. Betalingen van vergoedingen voor bezettingsschade kunnen er eveneens onder worden begrepen.
- (c). De bepalingen van lid 1 (a) en 1 (b) gelden in ieder geval slechts tot 30 juni 1955. Indien de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage na die datum van kracht worden, vinden onderhandelingen plaats tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden over de bijdrage van de Bondsrepubliek tot het onderhoud van de krijgsmachten gedurende de periode van 30 juni 1955 tot aan de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage.
Gedurende de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage, stelt de Bondsrepubliek als bijdrage tot het onderhoud van de krijgsmachten een totaal-bedrag van 3.200.000.000,- DM beschikbaar. Deze middelen worden als volgt ter beschikking gesteld:
- 400.000.000 DM per maand gedurende de eerste twee maanden;
- 300.000.000 DM per maand gedurende de volgende vier maanden;
- 200.000.000 DM per maand gedurende de laatste zes maanden.
Indien de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage na 30 juni 1955 in werking treden, zijn deze bepalingen niet van toepassing en vinden onderhandelingen plaats tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden betreffende de bijdrage van de Bondsrepubliek in het onderhoud van de krijgsmachten gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage.
De Drie Mogendheden erkennen het recht van de Bondsrepubliek voor te stellen dat de bepalingen van lid 2 van dit artikel opnieuw in overweging worden genomen indien zij van mening mocht zijn dat zulks wordt gerechtvaardigd door de last welke ontstaat als gevolg van de opbouw van de overeengekomen Duitse strijdkrachten. In dat geval onderzoeken de ondertekenende staten alle ter zake dienende factoren en, indien zij tot de slotsom komen dat zulks noodzakelijk is, stemmen zij erin toe bovenstaande bepalingen ten aanzien van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten te wijzigen.
Overeenkomstig de geest van artikel 3 van het Noordatlantisch Verdrag is de Bondsrepubliek bereid, na afloop van de in lid 2 van dit artikel genoemde periode, met de andere Regeringen van de landen welke lid zijn van de Noordatlantische Verdrags Organisatie en welke strijdkrachten gestationeerd hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek, te onderhandelen over aangelegenheden met betrekking tot het onderhoud (bijvoorbeeld, goederen en diensten) van die strijdkrachten waarbij de behoeften van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek in aanmerking worden genomen.
Middelen welke overeenkomstig de leden 1 tot 3 van dit artikel beschikbaar worden gesteld voor de ene periode kunnen, overeenkomstig de bepalingen van lid 6 van dit artikel, gedurende andere perioden worden gebruikt. De Drie Mogendheden hebben tot taak, na overleg met de Bondsrepubliek, de in overeenstemming met dit artikel ter beschikking gestelde bedragen onder de betrokken Mogendheden te verdelen of te herverdelen. De bepalingen van artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op de uitgave van deze middelen behalve voor zover die middelen worden uitgegeven in overeenstemming met de bepalingen van lid 6 (a) van dit artikel.
De enige uitgaven welke ten laste kunnen worden gebracht van de in overeenstemming met de leden 1 tot 3 van dit artikel voor het onderhoud van de krijgsmachten ter beschikking gestelde middelen zijn:
- (a). bedragen welke zijn uitgegeven uit hoofde van betalingsmachtigingen afgegeven na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor het voldoen aan geldelijke verplichtingen in verband met onroerende goederen, goederen, materialen of diensten welke zijn aangeschaft of besteld door de autoriteiten van de betrokken Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten voor zover zodanige bedragen niet gedekt worden door niet-uitgegeven middelen op de begroting inzake de bezettingskosten en de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland welke middelen voor dit doel ter beschikking blijven van de Drie Mogendheden na de inwerkingtreding van dit Verdrag;
- (b). bedragen welke zijn uitgegeven uit hoofde van betalingsmachtigingen afgegeven vóór het einde van de in lid 2 van dit artikel genoemde periode binnen het kader van de overeenkomstig artikel 5 van dit Verdrag vastgestelde D.M. begrotingen van de betrokken Mogendheden. Voor zover de in lid 1 van dit artikel genoemde middelen niet volledig zijn gebruikt ter dekking van de betalingsmachtigingen afgegeven voor het einde van de in dat lid genoemde periode, blijven zij gedurende een periode van achttien maanden ter beschikking van de krijgsmachten voor de afwikkeling van verplichtingen waaraan op dat ogenblik nog niet is voldaan en welke ten laste komen van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten. Een overeenkomstige werkwijze wordt toegepast bij de middelen welke overeenkomstig lid 2 van dit artikel ter beschikking zijn gesteld; deze laatste middelen blijven echter nog twaalf maanden na afloop van de betreffende periode ter beschikking van de krijgsmachten; en
- (c). bedragen uitgegeven voor andere doeleinden waaromtrent tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden overeenstemming is bereikt.
De Drie Mogendheden verplichten zich, voortdurend pogingen in het werk te stellen om te verzekeren dat het saldo van de niet gebruikte middelen niet toeneemt en zo spoedig mogelijk aanzienlijk wordt verminderd. De autoriteiten van de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek werken te dien einde volledig samen en verlenen elkaar bijstand door het uitwisselen van terzake dienende inlichtingen en op alle andere in aanmerking komende wijzen. Onder het saldo van niet gebruikte middelen wordt in dit lid verstaan dat gedeelte van de door de Bondsrepubliek ter beschikking gestelde middelen voor bezettingskosten en begrotingsuitgaven dat niet is uitgegeven met dat deel van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel ter beschikking gestelde middelen dat eveneens niet is uitgegeven.
Artikel 5
Middelen welke zijn bestemd voor het onderhoud van de krijgsmachten worden uitsluitend voor dat doel gebruikt. De Drie Mogendheden verplichten zich, de ten laste van deze middelen komende kosten zo laag te houden als verenigbaar is met de militaire doeltreffendheid van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheden, en de middelen doeltreffend en zuinig te gebruiken.
Door ieder der betrokken Mogendheden worden begrotingen opgesteld en de uitgaven van middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten dienen in overeenstemming te zijn met de hoofdstukken en de bedragen welke zijn vastgesteld in de door de betrokken Mogendheden vastgestelde ramingen ten tijde van het bereiken van overeenstemming ten aanzien van het krachtens dit Verdrag ter beschikking te stellen bedrag. Ieder der betrokken Mogendheden mag vrijelijk bedragen overmaken van het ene begrotingshoofdstuk naar het andere mits de door deze overmakingen veroorzaakte verandering niet meer dan tien procent bedraagt van de oorspronkelijk voor de voornaamste hoofdstukken vastgestelde bedragen. Overmakingen welke een verandering van meer dan tien procent ten gevolge hebben kunnen worden verricht na bereikte overeenstemming tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek.
De betrokken Mogendheden en de Bondsrepubliek kunnen bij bijzondere overeenkomst in een bijzondere begroting de bedragen vastleggen voor de bouw van
- (a). onroerende goederen voor de krijgsmachten van de betrokken Mogendheden of voor de strijdkrachten van Duitse oorsprong,
- (b). de in artikel 20 van het Verdrag inzake de krijgsmachten bedoelde installaties en werken,
alsmede de uitgaven voor het verwerven van de voor de bouw benodigde terreinen.
Artikel 6
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van dit Verdrag, neemt de Bondsrepubliek alle maatregelen welke noodzakelijk zijn voor het, naar behoefte, ter beschikking stellen van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten.
Behoudens de tegengestelde bepalingen van lid 4 van dit artikel, worden deze middelen betaald door de bevoegde Duitse betalingsinstanties tegen betalingsmachtigingen welke door de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten worden afgegeven. In deze betalingsmachtigingen wordt verklaard dat betaling binnen het kader van het betreffende hoofdstuk van de begroting van de betrokken Mogendheid toegestaan is in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, en er zullen behoorlijke bewijsstukken van de verleende diensten worden bijgevoegd. De bevoegde Duitse betalingsinstanties betalen, na overlegging van de betalingsmachtiging, het op de machtiging aangegeven bedrag uit. De gemachtigde vertegenwoordigers van de betrokken Mogendheid kunnen de Duitse boekhouding met betrekking tot de door de bevoegde Duitse betalingsinstanties verrichte betalingen onderzoeken.
Door iedere betrokken Mogendheid, enerzijds, en door de Bondsrepubliek, anderzijds, worden rekeningen bijgehouden van ontvangsten en uitgaven volgens een door de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek overeengekomen gelijkluidende nomenclatuur. Indien de rekeningen van de Bondsrepubliek en die van een der Mogendheden niet met elkaar in overeenstemming mochten zijn, nadat zij elk zijn gecontroleerd overeenkomstig de krachtens de Duitse wetten of voorschriften of krachtens de wetten of voorschriften van de betrokken Mogendheid geldende werkwijzen, al naar het geval zich voordoet, worden de rekeningen met elkaar in overeenstemming gebracht op een door een ingevolge artikel 14 van dit Verdrag in te stellen Coördineringscommissie vast te stellen wijze. Aan de Coördineringscommissie wordt periodiek verslag uitgebracht ten aanzien van ontvangsten en uitgaven.
De betrokken Mogendheden kunnen van de Duitse betalingsinstanties middelen verkrijgen om door middel van haar eigen instanties betalingen te verrichten voor
- (a). kleinere uitgaven in overeenstemming met de voorschriften van de betrokken Mogendheid, of
- (b). iedere andere uitgave ten aanzien waarvan overeenstemming bestaat dat een dergelijke werkwijze noodzakelijk is.
Ten aanzien van deze uitgaven dienen de machtigingen en bewijsstukken welke overeenkomstig lid 2 van dit artikel noodzakelijk zijn, aanwezig te zijn.
Artikel 7
De volgende soorten faciliteiten en diensten worden door de krijgsmachten, zowel voor henzelf als voor hun leden, gratis gebruikt of genoten:
- (a). administratieve diensten of bijstand van Duitse openbare instanties tenzij er overeenstemming over bestaat dat deze diensten of bijstand van een bijzondere aard zijn welke een betaling rechtvaardigen;
- (b). wegen, hoofdverkeerswegen, bruggen;
- (c). bevaarbare wateren, tenzij de op een bepaald ogenblik op militaire gebruikers toepasselijke Duitse voorschriften de betaling van rechten voor verleende diensten noodzakelijk maken;
- (d). Duitse politie, openbare gezondheids- en brandweerdiensten, tenzij er overeenstemming over bestaat dat deze diensten van een bijzondere aard zijn welke een betaling rechtvaardigen;
- (e). andere openbare diensten en faciliteiten welke gewoonlijk door de inwoners van het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland worden genoten zonder betaling van een bepaalde heffing;
- (f). meteorologische, topografische en cartografische faciliteiten en diensten, tenzij er overeenstemming over bestaat dat deze faciliteiten of diensten van een bijzondere aard zijn welke een betaling rechtvaardigen;
- (g). de volgende eigendommen behalve ten aanzien van reparaties en onderhoud:
- (i). eigendommen welke behoren aan de Bondsrepubliek en niet beheerd worden door de Duitse Bondsspoorwegen of de Bondsposterijen, tenzij overeengekomen wordt dat een uitzondering behoort te worden gemaakt in het geval van eigendommen welke worden verworven na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor niet-verdedigingsdoeleinden;
- (ii). eigendommen welke eertijds behoorden aan het vroegere Reich en welke onderworpen zijn aan het beheer van de Bondsrepubliek in overeenstemming met de Wet inzake een voorlopige regeling van de wettelijke positie van de eigendommen van het Reich en de Pruisische aandelen van 21 juli 1951 (Bundesgesetzblatt Teil I Seite 467) en de verordening inzake de tenuitvoerlegging van artikel 6 van die Wet van 26 juli 1951 (Bundesgesetzblatt Teil I Seite 471), en welke niet worden beheerd door de Duitse Bondsspoorwegen of Bondsposterijen;
- (iii). eigendommen welke zijn opgericht of aangeschaft door middel van uitgaven ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland of uit middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten, met de volgende uitzonderingen:
- (1). indien het eigendommen betreft — afgezien van eigendommen welke overeenkomstig lid 1 (g) (i) en (ii) gratis worden gebruikt — welke uit zodanige middelen wederopgebouwd zijn, wordt huur betaald tot een bedrag dat in dezelfde verhouding zal worden verminderd als die waarin de kosten van wederopbouw staan ten opzichte van de totale waarde van het eigendom; en
- (2). grondpacht wordt betaald voor terreinen welke niet het eigendom zijn van de Bondsrepubliek.
Indien eigendommen van een van de „Länder” door de krijgsmachten worden gebruikt, hetzij voor henzelf of voor hun leden, verplicht de Bondsrepubliek zich erop toe te zien, dat de krijgsmachten worden gevrijwaard voor alle aanspraken van het betrokken „Land” op vergoeding krachtens het Duitse recht voor een dergelijk gebruik.
Ten aanzien van eigendommen welke gratis worden gebruikt overeenkomstig lid 1 (g) en eigendommen bedoeld in lid 2 van dit artikel, vervult de Bondsrepubliek de eventuele verplichting van de eigenaar tot het betalen van grondbelasting overeenkomstig het Duitse recht.
Leden van de krijgsmachten ontvangen of genieten gratis voor henzelf zodanige diensten of faciliteiten welke gewoonlijk door andere personen op het grondgebied van de Bondsrepubliek gratis worden genoten.
Militaire vliegtuigen van enige betrokken Mogendheid (met inbegrip van vliegtuigen welke worden geëxploiteerd onder toezicht van de krijgsmachten van zodanige Mogendheid) betalen geen vergoeding voor het landen op, of het vertrekken van burgervliegvelden op het grondgebied van de Bondsrepubliek, tenzij, in het geval van vliegvelden welke niet het eigendom zijn van of welke niet worden beheerd door de Bondsrepubliek, een vergoeding betaald dient te worden uit hoofde van de op een gegeven ogenblik op militaire gebruikers van toepassing zijnde voorschriften. Bij noodlandingen wordt geen vergoeding in rekening gebracht.
In het algemeen worden de kosten welke zijn verbonden aan de bouw, het herstel en het onderhoud van vervoers- en verbindingsfaciliteiten, -installaties en -uitrusting, en openbare nutsbedrijven waarvan zowel door burgers als militairen gebruik wordt gemaakt, niet ten laste gebracht van de verdedigingsbijdrage van de Bondsrepubliek. Indien deze faciliteiten echter geen winst afwerpen en er door burgers slechts weinig gebruik van wordt gemaakt of indien andere omstandigheden een afwijking van de algemene regels rechtvaardigen, zullen de extra kosten welke het gevolg zijn van het feit dat de faciliteiten thans ook door militairen worden gebruikt, na voorafgaande bijzondere overeenstemming, al naar het geval zich voordoet, geheel of gedeeltelijk door de krijgsmachten worden betaald.
Artikel 8
Met inachtneming van de bepalingen van artikel 9 van dit Verdrag worden eisen tot schadevergoeding in verband met verlies of schade welke na de inwerkingtreding van dit Verdrag is veroorzaakt door een handelen of nalaten van de krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek, behandeld in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en kunnen slechts in overeenstemming met die bepalingen geldend worden gemaakt.
Het volgende wordt geacht een handelen of een nalaten van de krijgsmachten te zijn:
- (a). een handelen of nalaten van een lid van of werknemer bij de krijgsmachten, of van een persoon die overeenkomstig artikel 44 of 45 van het Verdrag inzake de krijgsmachten voor de krijgsmachten werkt, bij de uitoefening van de dienst;
- (b). werkzaamheden der krijgsmachten;
- (c). een handelen of nalaten dat schade veroorzaakt, uitgaande boven de normale slijtage, aan voor gebruik door de krijgsmachten overeenkomstig het Verdrag inzake de krijgsmachten beschikbaar gestelde onroerende of roerende goederen, in gevallen waar dergelijke schade ontstaat tijdens een zodanig gebruik;
- (d). een handelen of nalaten van een lid van de krijgsmachten dat deelneemt aan oefeningen van de krijgsmachten, welk handelen of nalaten schade veroorzaakt aan onroerende goederen.
Aan voor gebruik door de krijgsmachten beschikbaar gestelde onroerende of roerende goederen toegebrachte schade wordt geacht te zijn toegebracht op de datum waarop zij door de krijgsmachten worden vrijgegeven en de eis tot schadevergoeding wordt geacht voor het eerst op die datum te zijn ontstaan.
Bij het vaststellen of en tot op welke hoogte schadevergoeding betaald wordt voor verlies of schade welke wordt veroorzaakt door een handelen of nalaten van de krijgsmachten, houden de bevoegde instanties van de krijgsmachten op behoorlijke wijze rekening met de bepalingen van het Duitse recht welke de aansprakelijkheid van de Bondsrepubliek onder soortgelijke omstandigheden zouden bepalen. Eisen tot schadevergoeding worden vastgelegd ongeacht de vrijstelling van de Duitse verkeersvoorschriften waarop de krijgsmachten krachtens lid 3 en 5 van artikel 17 van het Verdrag inzake de krijgsmachten recht hebben.
In het kader van dit artikel worden niet behandeld aanspraken wegens
- (a). schade aan openbare wegen, hoofdwegen, bruggen, bevaarbare waterwegen en andere verkeersfaciliteiten welke voortvloeit uit het gebruik daarvan door de krijgsmachten, haar leden of werknemers voor normale verkeersdoeleinden;
- (b). verlies van, of schade aan, enigerlei door de krijgsmachten krachtens (g) (iii) van lid 1 van artikel 7 van dit Verdrag gratis gebruikte eigendommen;
- (c). verlies of schade voortvloeiend uit contracten of rechtsverhoudingen van semi-contractuele aard.
Een eiser wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn eis tegenover de krijgsmachten indien hij deze niet indient binnen een tijdvak van negentig dagen nadat hij heeft kennis gekregen van het verlies of de schade, tenzij er voor zijn nalaten om de eis tot schadevergoeding in te dienen een redelijke grond aanwezig was, inzonderheid indien het hem niet bekend was tegen wie de eis moest worden gericht. Enigerlei niet door de instantie der krijgsmachten binnen een jaar na de datum van het voorval dat het verlies of de schade veroorzaakte ontvangen eis tot schadevergoeding of in het geval van in (c) van lid 2 van dit artikel bedoeld verlies of bedoelde schade binnen een jaar na het vrijgeven van de goederen, wordt niet in behandeling genomen.
De eisen tot schadevergoeding worden bij de bevoegde Duitse instanties ingediend in een tussen de Duitse autoriteiten en de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid overeen te komen vorm.
De Duitse instantie moet
- (a). onmiddellijk aan de bevoegde instantie van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid die bijzonderheden betreffende de eis tot schadevergoeding doen toekomen welke die instantie nodig kan hebben; en
- (b). de eis binnen redelijke tijd onderzoeken en terzake een met redenen omklede aanbeveling doen bij de instantie der krijgsmachten.
De instantie van de krijgsmachten gaat na of en tot op welke hoogte schadevergoeding voor de geleden schade dient te worden betaald. Zij stelt de eiser en de Duitse instantie op de hoogte van haar beslissing. Indien de eiser het door de instantie der krijgsmachten als schadevergoeding toegekende bedrag als volledige vergoeding voor zijn eis aanvaardt, wordt de betaling verricht volgens tussen de Bondsautoriteiten en de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid overeen te komen procedures.
Indien de eiser de aangeboden schadevergoeding niet aanvaardt of het met het verwerpen van zijn eis niet eens is, kan hij, binnen drie maanden nadat hem de beslissing werd medegedeeld, terzake van zijn eis tot schadevergoeding voor de gewone Duitse gerechtshoven een proces beginnen tegen de Bondsrepubliek.
De bevoegde instanties van de krijgsmachten stellen aan de Duitse autoriteiten op verzoek gegevens en bewijzen ter beschikking welke zich in hun bezit bevinden en welke zouden kunnen bijdragen tot de verdediging in zulk een proces, voor zover zij dit krachtens de regelingen van de betrokken Mogendheid mogen doen.
De bevoegde instantie van de krijgsmachten kan, indien deze dat wenst, deelnemen aan zulk een proces tegen de Bondsrepubliek door
- (a). van de Bondsrepubliek te eisen haar houding in deze te verdedigen of in beroep te gaan, of
- (b). als mede-beklaagde („Nebenintervenient”) te verschijnen overeenkomstig de bepalingen van het Duitse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering.
De bevoegde Duitse instantie stelt de instantie van de krijgsmachten in kennis van de uitspraak in zulk een proces en de daarvoor opgegeven gronden. Mocht de uitspraak van het gerechtshof verschillen van de beslissing van de instantie van de krijgsmachten, dan geldt het volgende:
- (a). indien de autoriteiten van de krijgsmachten deelnamen aan het proces tegen de Bondsrepubliek overeenkomstig lid 12 van dit artikel, wordt de beslissing van de instantie gewijzigd in die zin dat zij in overeenstemming is met de uitspraak; doch
- (b). indien de autoriteiten van de krijgsmachten niet deelnamen aan het proces, herziet de instantie van de krijgsmachten op verzoek van de Duitse autoriteiten haar beslissing, daarbij de uitspraak van het gerechtshof in aanmerking nemend. Indien na zulk een herziening de instantie het voornemen heeft bij haar oorspronkelijke beslissing te blijven, deelt zij dit voornemen aan de Duitse autoriteiten mede en geeft de Duitse autoriteiten de gelegenheid haar gezichtspunten uiteen te zetten.
Elke schadevergoeding welke betaalbaar is bij een definitieve beslissing welke is genomen overeenkomstig dit lid, wordt betaald krachtens de in lid 9 van dit artikel neergelegde procedures.
Krachtens een beslissing van een instantie van de krijgsmachten toegewezen schadevergoeding komt, gedurende de in de leden 1 en 2 van artikel 4 van dit Verdrag bepaalde tijdvakken, ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid, tenzij anders tussen de betrokken Mogendheid en de Bondsrepubliek is overeengekomen. Een overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland ten aanzien van deze kwestie en met betrekking tot de daarbijbehorende procedure is aan dit Verdrag toegevoegd als Bijlage A. Een gelijksoortige overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten van Amerika is aan dit Verdrag toegevoegd als Bijlage B.
Ongeacht de andere bepalingen van dit artikel worden eisen tot schadevergoeding met betrekking tot schade toegebracht aan roerende of onroerende goederen welke voor gebruik door de autoriteiten van de betrokken Mogendheid vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag beschikbaar zijn gesteld en door haar na het einde van het in lid 2 van artikel 4 van dit Verdrag vastgestelde tijdvak zijn vrijgegeven, door de Duitse autoriteiten vastgesteld en komen niet ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten, of ten laste van de betrokken Mogendheid.
Eisen tot schadevergoeding van inwoners van de Bondsrepubliek tegenover personen die lid zijn van de krijgsmachten uit hoofde van een militaire dienstverhouding of tegenover werknemers van de krijgsmachten die onderdaan zijn van de betrokken Mogendheid, welke voortvloeien uit een handeling of nalaten buiten de uitoefening van de dienst voor de krijgsmachten, kunnen geldend worden gemaakt, vastgesteld en voldaan overeenkomstig de leden 6, 7, 8, 9 en 14 van dit artikel. De normale rechtsmiddelen van de eiser tegen de persoon die het verlies of de schade veroorzaakte blijven onaangetast, tenzij de eiser de betaling van een schadeloosstelling aanvaardt welke door een instantie van de krijgsmachten is toegekend bij wijze van definitieve regeling van de eis. De eerste volzin van dit lid geldt niet voor eisen waarvoor de persoon die het verlies of de schade veroorzaakt heeft, gedekt is door een contract van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering of schadevergoeding betaalt uit eigen middelen.
Indien het in enigerlei civiele procedure voor een Duits gerechtshof waarbij een onder dit artikel vallende eis betrokken is, noodzakelijk is te beslissen of een handelen of nalaten al dan niet plaatsvond tijdens de uitoefening van de dienst, wordt van de bevoegde instantie van de krijgsmachten een verklaring over zulk een aangelegenheid gevraagd. Op verzoek van het gerechtshof of de Duitse autoriteiten zal in een speciaal geval de instantie van de krijgsmachten de verklaring herzien. Elke afgegeven verklaring is definitief wat betreft de desbetreffende aangelegenheid.
Artikel 9
Elke betrokken Mogendheid, harerzijds, alsmede de Bondsrepubliek, harerzijds, doet afstand van alle aanspraken jegens de andere partij wegens verlies van, of schade aan, enigerlei in haar bezit zijnde eigendommen op het grondgebied der Bondsrepubliek welke na de inwerkingtreding van dit Verdrag door werkzaamheden, door een handelen of nalaten van instanties of personen voor wier handelen en nalaten de andere partij wettelijk verantwoordelijk is door deze instanties of personen veroorzaakt bij de uitoefening van hun dienst. Dit afstand doen van aanspraken geldt niet voor verlies van, of schade aan, eigendommen van de Duitse Bondsspoorwegen of de Bondsposterijen, of voor verlies of schade waarvoor die organisaties verantwoordelijk zijn.
Met inachtneming van het in lid 1 van dit artikel neergelegde beginsel, worden aanspraken wegens verlies van, of schade aan, door de krijgsmachten krachtens punt (i) en (ii) van (g) van lid 1 van artikel 7 van dit Verdrag vrij van betaling gebruikte eigendommen, en aanspraken welke voortvloeien uit de waardevermeerdering van zulke eigendommen, geacht elkaar op te heffen.
De Bondsrepubliek verbindt zich, er zorg voor te dragen, dat elke betrokken Mogendheid ontheven wordt van de aansprakelijkheid voor eisen tot schadevergoeding van enig „Land” der Bondsrepubliek welke voortvloeien uit een handelen of nalaten van de krijgsmachten als omschreven in lid 2 van artikel 8 van dit Verdrag. Elke betrokken Mogendheid verbindt zich ten gunste van de Bondsrepubliek afstand te doen van alle overeenkomstige aanspraken welke zij jegens enigerlei „Land” van de Bondsrepubliek kan hebben. Elke betrokken Mogendheid verbindt zich verder ten gunste van de Bondsrepubliek afstand te doen van aanspraken met betrekking tot verbeteringen welke leiden tot waardevermeerdering van de in lid 2 van artikel 7 van dit Verdrag bedoelde eigendommen.
Artikel 10
Betalingen door de Bondsrepubliek ter voldoening van enigerlei in artikel 3 van Hoofdstuk Negen van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting bedoelde eisen tot schadevergoeding kunnen slechts ten laste worden gebracht van de voor het onderhoud der krijgsmachten beschikbare fondsen tot een tussen de Bondsrepubliek en de betrokken Mogendheden overeengekomen bedrag.
Alle in lid 1 van dit artikel bedoelde eisen tot schadevergoeding welke de instanties van de betrokken Mogendheid niet hebben vastgesteld vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag worden bij de bevoegde instanties van de Bondsrepubliek ingediend.
Artikel 11
Ontvangsten welke afkomstig zijn uit de volgende bronnen komen ten goede aan de Bondsrepubliek en worden behoorlijk afgerekend:
- (a). de verkoop van roerende goederen welke, voor zover dit na te gaan is, aangekocht waren (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland;
- (b). betalingen door derden van bedragen ter vergoeding van verbeteringen welke leiden tot een waardevermeerdering van hun eigendommen als gevolg van uitgaven (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland;
- (c). aanspraken op terugbetaling jegens derden welke voortvloeien uit teveel-betalingen (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland.
De waarde in Duitse Marken van ontvangsten welke afkomstig zijn uit de volgende bronnen komen ten goede aan de betrokken Mogendheid en worden aangewend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 6 van dit Verdrag op basis van tussen de betrokken Mogendheid en de Bondsrepubliek overeen te komen aanvullende budgetaire voorzieningen in Duitse Marken:
- (a). de verkoop van roerend goed dat aangeschaft is met middelen bestemd voor het onderhoud van de krijgsmachten. Alle bedragen welke krachtens deze alinea worden ontvangen komen overeen met het bedrag dat het betrokken goed opbrengt indien het wordt verkocht, verminderd met de kosten aan het in verkoop brengen verbonden, of, indien het goed niet verkocht wordt, met een door onpartijdige taxatie overeenkomstig de tussen de Bondsrepubliek en de betrokken Mogendheid overeen te komen voorwaarden vastgestelde waarde;
- (b). alle ontvangsten in Duitse Marken of in natura welke voortvloeien uit het gebruik door de krijgsmachten van onroerende goederen, goederen, materialen en diensten welke krachtens dit Verdrag of het Verdrag inzake de krijgsmachten worden verschaft, mits alle in Duitse Marken luidende bedragen ontvangen van personen of instanties welke geen lid van de krijgsmachten zijn als vergoeding voor het gebruik van onroerende goederen in verband met voor de krijgsmachten en hun leden verrichte diensten ten goede komen aan de Bondsrepubliek;
- (c). betalingen door derden van bedragen als vergoeding voor verbeteringen welke hebben geleid tot een waardevermeerdering van hun eigendommen als gevolg van uitgaven gefinancierd uit de middelen bestemd voor het onderhoud der krijgsmachten. Dergelijke betalingen door „Länder” der Bondsrepubliek komen echter ten goede aan de Bondsrepubliek;
- (d). aanspraken op terugbetaling jegens derden welke voortvloeien uit teveel-betalingen uit de middelen bestemd voor het onderhoud der krijgsmachten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)