Notawisseling tussen de Nederlandse en de Britse Regering inzake de uitoefening van rechten en verplichtingen welke ten aanzien van de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde Nederlandse militaire eenheden voortvloeien uit twee op 26 mei 1952 te Bonn gesloten en op 23 oktober 1954 te Parijs herziene Verdragen
(zoals gewijzigd bij Bijlage 11 bij het Protocol tot beëindiging van het bezettingsregime in de Bondsrepubliek Duitsland, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1954)
De Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland komen het volgende overeen:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
DEEL EEN. – ALGEMEEN
Artikel 1. Definities
In dit Verdrag en de daarbij behorende Bijlagen worden aan de volgende uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht:
-
- Het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland: het gebied waarover de Bondsrepubliek rechtsmacht uitoefent, met inbegrip van zijn wateren en het luchtruim boven dat gebied en die wateren.
-
- De Drie Mogendheden: de Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland en de Franse Republiek.
-
- Andere staat van herkomst: iedere Mogendheid, met uitzondering van de Drie Mogendheden, welke krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden of een van haar, op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag krijgsmachten gestationeerd heeft op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; en iedere andere Mogendheid welke in de toekomst eventueel krijgsmachten gestationeerd zal hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland,
- (a). vóór het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Drie Mogendheden, of een van hen, voor zover die andere Mogendheid niet, met toestemming van de Drie Mogendheden, een afzonderlijke overeenkomst met de Bondsrepubliek Duitsland sluit inzake de rechtspositie van haar krijgsmachten, en
- (b). na het inwerkingtreden van de regelingen betreffende de Duitse Verdedigingsbijdrage: krachtens een overeenkomst met de Bondsrepubliek.
-
- De betrokken Mogendheid: die Mogendheid, welker rechten en verplichtingen bij een bepaald geval zijn betrokken, namelijk:
- (a). in het geval van een van de Drie Mogendheden: die Mogendheid;
- (b). in het geval van een andere staat van herkomst:
- (i). diegene van de Drie Mogendheden, welke genoemd is als de betrokken Mogendheid op basis van een overeenkomst, waarvan mededeling moet worden gedaan aan de Bondsregering, tussen de staat van herkomst en de Drie Mogendheden of een van hen; of
- (ii). de staat van herkomst zelf, voor zover deze, na zich vergewist te hebben van de inzichten van de Bondsregering, bij een met de Drie Mogendheden of een van hen gesloten overeenkomst tegenover de Bondsrepubliek alle of bepaalde rechten en verplichtingen, welke uit dit Verdrag voortvloeien, op zich neemt en de Bondsregering daarvan officieel mededeling doet; ten aanzien van de overige rechten en verplichtingen, een van de Drie Mogendheden, welke ingevolge punt (i) van (b) van dit lid aan de Bondsrepubliek moet worden genoemd.
-
- De krijgsmachten: de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden en van andere staten van herkomst, welke zijn gelegerd op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
-
- De autoriteiten van de krijgsmachten: de autoriteiten van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid.
-
- Leden van de krijgsmachten: De volgende personen worden beschouwd als „leden van de krijgsmachten”: gezinsleden die gehuwd zijn met of kinderen zijn van de onder (a) en (b) van dit lid omschreven personen, of naaste bloedverwanten die door zodanige personen worden ondersteund en voor wie deze personen recht hebben op materiële hulp van de krijgsmachten. De definitie „leden van de krijgsmachten” omvat slechts die Duitsers, die dienst hebben genomen bij, of zijn aangeworven door, of in dienstbetrekking stonden tot de gewapende krijgsmachten van de betrokken Mogendheid op het grondgebied van die Mogendheid en die op dat ogenblik òf aldaar hun vaste verblijfplaats hadden òf aldaar ten minste een jaar hadden gewoond.
- (a). personen die, uit hoofde van hun militair verband, dienen bij de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden of van een andere staat van herkomst, en zich op het grondgebied van de Bondsrepubliek bevinden (militair personeel);
- (b). andere personen die in dienst van zodanige gewapende krijgsmachten zijn of daaraan zijn toegevoegd, met uitzondering van personen die noch onderdanen zijn van een van de Drie Mogendheden noch van een andere staat van herkomst en werkzaam zijn op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland; met dien verstande dat zodanige andere personen die buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek of Berlijn zijn gevestigd, slechts dan als leden van de krijgsmachten worden beschouwd wanneer zij zich uit hoofde van hun functie op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland bevinden („Gefolge”).
-
- Duitsers: Duitsers in de zin van de Duitse wet.
-
- Onroerende goederen: gronden, met inbegrip van alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, en alle gebruiksrechten met betrekking tot gronden, met inbegrip van die eigendommen welke gebruikt worden of zullen worden door de krijgsmachten binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland.
-
- Installaties: gronden, gebouwen, of delen daarvan en alle duurzaam daaraan verbonden eigendommen, welke ingevolge de bepalingen van dit Verdrag worden bestemd voor het uitsluitende gebruik of bezit („im ausschliesslichen Besitz”) van de krijgsmachten. Deze definitie geldt niet voor artikel 20 van dit Verdrag.
Artikel 2. Naleving van de Duitse wetten - Politieke activiteit
De leden van de krijgsmachten nemen de Duitse wetten in acht, en de autoriteiten van de krijgsmachten verplichten zich tot, en nemen de verantwoordelijkheid op zich voor de toepassing van de Duitse wetten op die leden, tenzij in dit opzicht anders wordt bepaald in dit Verdrag of in andere toepasselijke verdragen of overeenkomsten.
De leden van de krijgsmachten onthouden zich van alle activiteiten welke onverenigbaar zijn met de geest van dit Verdrag, en in het bijzonder van alle politieke activiteit.
Artikel 3. Algemene verplichtingen
Bij het gebruik maken van de hun krachtens de bepalingen van dit Verdrag toegekende rechten en immuniteiten, nemen de krijgsmachten de Duitse belangen, openbare zowel als particuliere, naar behoren in acht, in het bijzonder door rekening te houden met het vermogen van de Duitse economie en de noodzakelijke binnenlandse en export-behoeften van de Bondsrepubliek en West-Berlijn.
De Duitse autoriteiten oefenen de bevoegdheden welke zij op het gebied van de wetgeving, het bestuur en de rechtspraak krachtens de “Basic Law” bezitten, op zodanige wijze uit, dat de bescherming en de veiligheid van de krijgsmachten en hun leden en van de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden, alsmede de bevrediging van de behoeften van de krijgsmachten en de nakoming van de verplichtingen van de Bondsrepubliek als bepaald in dit Verdrag worden verzekerd.
De bepalingen van Bijlage A bij dit Verdrag treden tezelfder tijd als dit Verdrag in werking. Zij zijn eveneens van toepassing op overtredingen, op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland begaan tegen de gewapende krijgsmachten van de Drie Mogendheden, welke zijn gelegerd in Berlijn. De Bondsrepubliek zal de wettelijke bescherming welke krachtens de bepalingen van deze Bijlage wordt toegekend niet verminderen.
De Duitse autoriteiten onderwerpen de krijgsmachten en hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden niet aan een nadelige of minder gunstige behandeling dan die welke, in overeenstemming met het internationaal recht en de internationale practijk, met betrekking tot vreemdelingen die hun gebruikelijke verblijfplaats op het grondgebied van de Bondsrepubliek hebben, bij de wet is vastgesteld, noch zullen zij binnen het kader van hun bevoegdheden toestaan, dat de krijgsmachten en hun leden aan een dergelijke behandeling worden onderworpen.
Artikel 4. Wederzijdse bijstand en veiligheid
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten werken volledig samen en verlenen elkaar volledige bijstand om de veiligheid van iedere betrokken Mogendheid en van de Bondsrepubliek alsook van de op het grondgebied van de Bondsrepubliek gelegerde krijgsmachten en hun leden, en van de eigendommen van de krijgsmachten en hun leden te bevorderen en te waarborgen.
Deze samenwerking en bijstand zal zich uitstrekken tot het verzamelen, uitwisselen en beveiligen van alle ter zake dienende gegevens, op een wijze welke zal worden geregeld tussen de bevoegde autoriteiten.
Artikel 5. Liaison
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten nemen maatregelen welke er toe strekken een nauwe en wederzijdse liaison te verzekeren.
DEEL TWEE. — RECHTSPRAAK
AFDELING I. — Strafrechtelijke procedures
Artikel 6. Strafbare feiten: rechtspraak en toepasselijke wet
Tenzij in dit Verdrag anders is bepaald, oefenen de autoriteiten van de krijgsmachten bij uitsluiting rechtsmacht op strafrechtelijk gebied uit over de leden van de krijgsmachten. Op het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland wordt geen doodvonnis ten uitvoer gelegd, zolang de Duitse wet een dergelijke straf niet kent.
Indien, volgens de wet van de betrokken Mogendheid, de militaire rechtbanken niet bevoegd zijn tot het uitoefenen van rechtsmacht op strafrechtelijk gebied over een lid van de krijgsmachten, kunnen de Duitse rechtbanken en autoriteiten rechtsmacht over hem uitoefenen met betrekking tot een feit dat strafbaar is volgens de Duitse wet en gepleegd is tegen Duitse belangen in overeenstemming met de hiernavolgende bepalingen:
- (a). Geen strafprocedure, met uitzondering van die bedoeld in artikel 7 van dit Verdrag of van een dringend, zo mogelijk na overleg met de autoriteiten van de krijgsmachten uit te voeren vooronderzoek, wordt door de Duitse rechtbanken of autoriteiten ingesteld dan nadat de bevoegde Duitse autoriteiten overleg hebben gepleegd met de autoriteiten van de krijgsmachten en laatstgenoemden in de gelegenheid zijn gesteld binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling inzake de betreffende feiten, protest aan te tekenen of aanbevelingen te doen ten aanzien van de invloed van een dergelijke strafprocedure op de veiligheid van de krijgsmachten; de Duitse rechtbanken of autoriteiten zullen deze protesten en aanbevelingen naar behoren in aanmerking nemen. Een dergelijk overleg is echter niet vereist indien volgens de Duitse wet de straf voor het ten laste gelegde strafbare feit slechts hechtenis van ten hoogste zes weken of een boete van ten hoogste DM 150 bedraagt („Übertretung”), tenzij de Duitse autoriteiten van mening zijn dat in het betreffende geval de veiligheid van de krijgsmachten in het geding komt of zou kunnen komen.
- (b). de Duitse rechtbanken en autoriteiten zullen binnen de hun door de Duitse wet toegekende vrijheid van handelen afzien van een vervolging in ieder geval waarin
- (i). dit volgens de Duitse wet geoorloofd is; of
- (ii). de dader voldoende is gestraft door middel van disciplinaire maatregelen vanwege de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (c). de Duitse rechtbanken en autoriteiten nemen beslissingen ten aanzien van kwesties betreffende arrestatie, hechtenis en uitvoering van straffen overeenkomstig de bepalingen van de Duitse wet. De autoriteiten van de krijgsmachten zullen alle bevelen tot arrestatie en inhechtenisneming uitvoeren. Een beschuldigde die op deze wijze in hechtenis is genomen door de autoriteiten van de krijgsmachten, blijft onder hun bewaking tot hij op grond van een rechterlijke eindbeslissing („rechtskraftige richterliche Entscheidung”) wordt vrijgelaten of veroordeeld. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen maatregelen welke er toe strekken om te voorkomen, dat het rechtsverloop op enigerlei wijze nadelig wordt beïnvloed („Verdunkelungsgefahr”). Zij houden een op deze wijze in hechtenis genomen beschuldigde ter beschikking van de Duitse rechtbanken en autoriteiten, verlenen de Duitse rechtbanken en autoriteiten te allen tijde toegang tot hem en geleiden hem op verzoek voor de Duitse rechter en autoriteiten in verband met het onderzoek, het proces en het ondergaan van het vonnis dat hem eventueel wordt opgelegd. Indien een beschuldigde niet in hechtenis wordt genomen, nemen de autoriteiten van de krijgsmachten maatregelen om te verzekeren, dat hij voor de bovengenoemde doeleinden ter beschikking staat van de Duitse rechtbanken of autoriteiten.
- (d). iedere opgelegde vrijheidsstraf wordt in een Duitse strafinrichting ondergaan.
In dit lid wordt onder de uitdrukking „een feit, strafbaar volgens de Duitse wet en gepleegd tegen Duitse belangen” verstaan ieder volgens de Duitse wet strafbaar feit dat niet is een strafbaar feit gericht tegen de krijgsmachten, hun leden of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden.
De bevoegdheid van de Duitse autoriteiten om bij uitsluiting rechtsmacht uit te oefenen over personen die onderworpen zijn aan de Duitse strafrechtspraak, omvat mede die gevallen waarin het strafbare feit is gericht tegen de krijgsmachten, hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden.
Met toestemming van de Duitse autoriteiten kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten bepaalde groepen van gevallen, of speciale gevallen, ten aanzien waarvan zij krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel bij uitsluiting bevoegd zijn aan de Duitse rechtbanken of autoriteiten voor onderzoek, behandeling en beslissing overdragen.
Met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten kunnen de Duitse autoriteiten aan de autoriteiten van de krijgsmachten voor onderzoek, behandeling en beslissing bepaalde gevallen overdragen van de in lid 3 van dit artikel omschreven aard, waarin de verdachte geen Duitser is.
In de gevallen, bedoeld in de leden 1 en 5 van dit artikel, passen de autoriteiten van de krijgsmachten hun eigen wet toe. Indien het bij dergelijke gevallen gaat om daden welke strafbaar zijn volgens de Duitse wet doch niet volgens de wet van de betrokken Mogendheid, is de Duitse wet van toepassing.
In de gevallen, bedoeld in de leden 3 en 4 van dit artikel, is de Duitse wet van toepassing.
Artikel 7. Arrestatie, fouillering, huiszoeking en inbeslagneming
Leden van de krijgsmachten, die zich behoorlijk legitimeren door middel van een hun krachtens artikel 24 van dit Verdrag uitgereikt identiteitspapier, kunnen niet door de Duitse autoriteiten in arrest worden gesteld.
De Duitse autoriteiten kunnen echter een lid van de krijgsmachten in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen onmiddellijk aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten over te geven
- (a). indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (b). in de volgende gevallen, waarin de autoriteiten van de krijgsmachten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
- (i). bij betrapping op heterdaad
- (1). bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat ernstige schade voor personen of eigendommen, of een ernstige inbreuk op andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) tot gevolg heeft of zou kunnen hebben; of
- (2). voor zover dit noodzakelijk blijkt om een einde te maken aan een reeds bestaande ernstige verstoring van de openbare orde;
- (ii). indien er gevaar van ontvluchting bestaat, bij het plegen of bij poging tot het plegen van spionage ten nadele van de Bondsrepubliek.
- (a). De Duitse autoriteiten kunnen een lid van de krijgsmachten fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
- (i). indien zulks wordt verzocht door de autoriteiten van de krijgsmachten;
- (ii). indien hij overeenkomstig lid 2 van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring is gesteld, in beslag te nemen.
- (b). De bepalingen van de vierde zin van lid 5 van artikel 35 van dit Verdrag worden niet aangetast.
- (c). Het kwartier van een lid van de krijgsmachten of, bij gebreke daarvan, de woonruimte welke hij met toestemming van de autoriteiten van de krijgsmachten in gebruik heeft, mogen niet door de Duitse autoriteiten worden doorzocht, behalve op verzoek van de autoriteiten van de krijgsmachten. Indien een dergelijke woonruimte van het lid van de krijgsmachten geen installatie is, is ofwel zijn toestemming, ofwel die van de autoriteiten van de krijgsmachten tot het doorzoeken voldoende.
De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten op de hoogte van de arrestatie van iedere persoon, die in dienst is bij de krijgsmachten.
De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen
- (a). leden van de krijgsmachten in arrest stellen;
- (b). een persoon die onderworpen is aan de Duitse strafrechtspraak in verzekerde bewaring stellen zonder hem te onderwerpen aan de gebruikelijke formaliteiten van arrestatie, teneinde hem met eventueel in beslag genomen wapens of voorwerpen aan de dichtstbijzijnde bevoegde Duitse autoriteiten over te geven:
- (i). indien zulks wordt verzocht door de Duitse autoriteiten;
- (ii). in de volgende gevallen, waarin de Duitse autoriteiten niet in staat zijn met de nodige snelheid op te treden:
- (1). bij betrapping op heterdaad bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit, dat gericht is tegen de krijgsmachten, hun leden, of de veiligheid, eigendommen of andere wettelijk beschermde rechten („Rechtsgüter”) van de krijgsmachten of van hun leden; of
- (2). indien er gevaar bestaat voor ontvluchting bij het plegen of bij poging tot het plegen van een strafbaar feit in de zin van de Afdelingen 1 tot en met 9 van Bijlage A bij dit Verdrag;
- (iii). binnen een installatie, wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen („dringender Verdacht”) dat hij zich daar onbevoegd ophoudt of dat hij binnen die installatie een strafbaar feit heeft gepleegd.
Wanneer de autoriteiten van de krijgsmachten van mening zijn, dat een aan de Duitse rechtspraak onderworpen persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit in de zin van de Afdelingen 1 tot en met 11 van Bijlage A van dit Verdrag, zijn de volgende speciale bepalingen van toepassing:
- (a). indien de verdachte door de Duitse autoriteiten moet worden gearresteerd, zal daarvan, indien zulks uitvoerbaar is, tijdig mededeling worden gedaan aan de autoriteiten van de krijgsmachten, en dezen mogen met het onderzoek personen belasten om bij de arrestatie aanwezig te zijn. Deze personen mogen ook aanwezig zijn bij fouilleringen, huiszoekingen of inbeslagnemingen welke in verband met het onderzoek plaats vinden. De autoriteiten van de krijgsmachten hebben bij uitsluiting gedurende een periode van ten hoogste een en twintig dagen, volgend op de arrestatie, het recht de verdachte te ondervragen over de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht en daarmee in verband staande aangelegenheden. Te dien einde hebben de door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen te allen tijde toegang tot de verdachte. Een door de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit aangewezen ambtenaar mag bij die ondervraging aanwezig zijn en aan bedoelde Duitse autoriteit zal tijdig mededeling worden gedaan van de voorgenomen ondervraging. De met het onderzoek belaste Duitse autoriteit neemt passende maatregelen om te voorkomen, dat het rechtsverloop op enigerlei wijze nadelig wordt beïnvloed („Verdunkelungsgefahr”) en onthoudt zich van ieder eigen onderzoek, tenzij de door de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen om een dergelijk onderzoek verzoeken. Tijdens de ondervraging vanwege de door de autoriteiten van de krijgsmachten voor het onderzoek aangewezen personen zal de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit op hun verzoek de in het Duitse Wetboek van Strafvordering bedoelde formaliteiten vervullen, maatregelen nemen en er op toezien, dat gerechtelijke beslissingen, welke er toe kunnen bijdragen het onderzoek te vergemakkelijken, worden uitgevaardigd en dat de bij die beslissingen genomen maatregelen ten uitvoer worden gelegd. Na de beëindiging van het onderzoek der door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen, in ieder geval niet later dan een en twintig dagen na de arrestatie, worden de ondervragingen en het overige onderzoek voortgezet door de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit. De door de autoriteiten van de krijgsmachten met het onderzoek belaste personen geven aan de met het onderzoek belaste Duitse autoriteit al het in de loop van het onderzoek verzamelde bewijsmateriaal over, tenzij veiligheidsoverwegingen zich daartegen verzetten.
- (b). indien de verdachte geen Duitser is, gelden de bepalingen van lid 6 (a) van dit artikel met inachtneming van het volgende voorbehoud: De bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten kunnen de verdachte zelf in verzekerde bewaring stellen en houden gedurende een periode van ten hoogste een en twintig dagen en kunnen zelf alle ondervragingen en andere onderzoekingen verrichten. Voor de gerechtelijke maatregelen welke gedurende deze periode noodzakelijk zijn, wordt een lid van de krijgsmachten, bevoegd tot het uitoefenen van gerechtelijke functies toegevoegd aan de bevoegde Duitse rechtbank als assessor die geen stemrecht heeft.
De autoriteiten van de krijgsmachten kunnen een aan de Duitse rechtspraak onderworpen persoon fouilleren of de voorwerpen die hij bij zich draagt doorzoeken
- (a). indien zulks wordt verzocht door de Duitse autoriteiten;
- (b). indien hij overeenkomstig lid 5 (b) van dit artikel in verzekerde bewaring wordt gesteld, voor zover fouillering of doorzoeking nodig is om hem te ontwapenen of om bewijsstukken van het strafbare feit waarvoor hij in verzekerde bewaring wordt gesteld, in beslag te nemen.
De grondwettelijke immuniteiten van de Bondspresident en van de leden der wetgevende lichamen van de Duitse Bond en van de „Länder” worden door de bepalingen van dit artikel niet aangetast.
Artikel 8. Werkwijze en samenwerking in strafprocedures
De autoriteiten van de krijgsmachten nemen tegen leden van de krijgsmachten, die strafbare feiten hebben gepleegd tegen Duitse belangen die maatregelen, welke zij zouden hebben genomen indien zodanige feiten waren gepleegd tegen de betrokken Mogendheid, de krijgsmachten of hun leden, of hun eigendommen.
De Duitse autoriteiten nemen tegen aan hun rechtsmacht onderworpen personen wegens strafbare feiten welke zijn begaan ten aanzien van de krijgsmachten, hun leden, of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden die maatregelen welke zij zouden hebben genomen indien zodanige feiten waren gepleegd tegen de Bondsrepubliek, haar „Länder” of haar onderdanen, of hun eigendommen.
- (a). De autoriteiten van de krijgsmachten doen op verzoek aan de Duitse autoriteiten mededeling van de arrestatie van ieder persoon wegens een strafbaar feit in de zin van lid 1 van dit artikel.
- (b). De Duitse autoriteiten doen op verzoek aan de autoriteiten van de krijgsmachten mededeling van de arrestatie van ieder persoon wegens een strafbaar feit in de zin van lid 2 van dit artikel.
De berechting van een lid van de krijgsmachten wegens een strafbaar feit in de zin van lid 1 van dit artikel, begaan op het grondgebied van de Bondsrepubliek, vindt plaats op dat grondgebied, behalve wanneer de militaire noodzaak zich daartegen verzet. Indien militaire noodzaak gebiedt dat de berechting van zodanig strafbaar feit zal plaats vinden buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek, doen de autoriteiten van de krijgsmachten daarvan mededeling aan de Duitse autoriteiten onder opgave van bijzonderheden ten aanzien van tijd en plaats van de terechtzitting. De Duitse autoriteiten hebben het recht, zich door waarnemers te doen vertegenwoordigen tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten, en zij worden van het resultaat van de berechting op de hoogte gesteld.
De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten werken wederzijds samen bij de vervolging van de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten. Tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten, staan zij vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten toe, bij de terechtzitting aanwezig te zijn en stellen hen, binnen het kader van de toepasselijke voorschriften, in de gelegenheid hun zienswijze ten aanzien van kwesties van feitelijke en juridische aard kenbaar te maken. Behalve de gevallen waarin daarin wordt voorzien door het Duitse strafprocesrecht, hebben de krijgsmachten of hun leden eveneens het recht als mede-aanklagers („Nebenkläger”) op te treden voor Duitse gerechten voor zover het strafbare feit gericht is tegen de veiligheid of de eigendommen van de krijgsmachten of hun leden of voorkomt in de opsomming van strafbare feiten in Bijlage A bij dit Verdrag. De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten doen elkaar op verzoek mededeling van hun voornemen een straf- of tuchtrechtelijke vervolging in te stellen, daarvan af te zien dan wel deze te onderbreken, alsmede van de beslissing.
AFDELING II. — Niet-strafrechtelijke procedures
Artikel 9. Rechtsmacht en rechtspleging in niet-strafrechtelijke procedures
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van iedere andere toepasselijke overeenkomst, oefenen de Duitse rechter en autoriteiten rechtsmacht uit over de leden van de krijgsmachten in niet-strafrechtelijke procedures.
Tenzij een niet-strafrechtelijke procedure is ingesteld op verzoek van een lid van de krijgsmachten, betekenen de Duitse rechter en autoriteiten aan het betrokken lid de schriftelijke stukken of de gerechtelijke beschikking waarbij de procedure aanhangig wordt gemaakt, ook indien een dergelijke betekening niet vereist is krachtens de Duitse wet en voorschriften.
De Duitse rechter en autoriteiten geven de leden van de krijgsmachten voldoende gelegenheid hun rechten te waarborgen. Indien een lid van de krijgsmachten ten gevolge van de uitoefening van zijn dienst of geoorloofde afwezigheid, niet in staat is zijn belangen te behartigen in een niet-strafrechtelijke procedure waarbij hij partij is, schort de Duitse rechter of autoriteit op zijn verzoek de behandeling op tot het ogenblik waarop de verhindering een einde heeft genomen, echter voor niet langer dan 6 maanden. Het bestaan van de verhindering dient aannemelijk te worden gemaakt („glaubhaft machen”) door het lid van de krijgsmachten. Een door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid afgegeven schriftelijke verklaring van de reden en duur van de verhindering zal door de rechter of autoriteit naar behoren in aanmerking worden genomen. De behandeling behoeft niet te worden opgeschort indien de belangen van het lid van de krijgsmachten op voldoende wijze kunnen worden behartigd door een persoon die gemachtigd is, hem in rechten te vertegenwoordigen, of door een andere vertegenwoordiger, die bevoegd is zijn rechten te beschermen.
Wat betreft kosteloze rechtskundige bijstand („Armenrecht”) genieten de leden van de krijgsmachten dezelfde rechten als de Duitsers. Zij zijn niet verplicht zekerheid te stellen voor kosten, van welke aard ook, in gevallen waarin Duitsers niet aan een dergelijke verplichting zijn onderworpen. De voor het vaststellen van het recht op kosteloze rechtskundige bijstand vereiste schriftelijke verklaringen worden afgegeven door de bevoegde consulaire autoriteiten nadat deze de nodige onderzoekingen hebben verricht.
Artikel 10. Tenuitvoerlegging van vonnissen, gerechtelijke beschikkingen en bevelen
De autoriteiten van de krijgsmachten nemen, voor zover de dienstvoorschriften zulks toelaten, alle passende maatregelen om behulpzaam te zijn bij de tenuitvoerlegging van vonnissen, gerechtelijke beschikkingen en bevelen („vollstreckbare Titel”) van Duitse rechters en autoriteiten in niet-strafrechtelijke procedures.
Indien de tenuitvoerlegging van zulk een vonnis, beschikking of bevel dient te geschieden binnen een installatie van de krijgsmachten, verzoekt de Duitse rechter of autoriteit aan de autoriteit van de krijgsmachten die verantwoordelijk is voor het beheer van de installatie, om het vonnis, de beschikking of het bevel ten uitvoer te leggen of toestemming te geven tot de tenuitvoerlegging. Indien mogelijk voldoen de autoriteiten van de krijgsmachten aan het verzoek. De autoriteiten van de krijgsmachten dragen aan de bevoegde Duitse autoriteit de eigendommen over welke zij in bezit hebben genomen voor de tenuitvoerlegging van het vonnis, de beschikking of het bevel.
Eigendommen van een lid van de krijgsmachten waarvan door de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten is verklaard dat hij deze nodig heeft voor de uitvoering van zijn dienst, zijn vrijgesteld van inbeslagneming voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, beslissing of beschikking, evenals andere eigendommen, stoffelijke zowel als onstoffelijke, welke volgens de Duitse wet niet daaraan zijn onderworpen.
De persoonlijke vrijheid van een lid van de krijgsmachten wordt door een Duitse rechter of autoriteit in een niet-strafrechtelijke procedure niet aangetast, noch voor de tenuitvoerlegging van een vonnis, beschikking of bevel, voor het verplichten tot een onthulling onder ede, noch om enige andere reden.
Betalingen welke door zijn Regering verschuldigd zijn aan een lid van de krijgsmachten zijn, behalve voor zover zulks toegestaan is volgens de wet en voorschriften van de betrokken Mogendheid, niet onderworpen aan enige vorm van door een Duitse rechter of autoriteit bevolen beslag of andere vorm van tenuitvoerlegging.
AFDELING III. — Bepalingen welke zowel voor strafrechtelijke als voor niet-strafrechtelijke procedures gelden
Artikel 11. Het verschijnen voor de rechter. Getuigen. Betekening der dagvaarding
Tenzij de militaire noodzaak zich daartegen verzet, dragen de autoriteiten van de krijgsmachten ervoor zorg, dat de leden van de krijgsmachten wier tegenwoordigheid door een Duitse rechter of autoriteit nodig wordt geoordeeld, aanwezig zijn indien een dergelijke aanwezigheid volgens de Duitse wet verplicht is. Indien de militaire noodzaak zich tegen een dergelijke aanwezigheid verzet, geven de autoriteiten van de krijgsmachten een schriftelijke verklaring af, waarin de reden en de duur van de verhindering worden aangegeven.
De Duitse rechter en autoriteiten dragen, in overeenstemming met de bepalingen der Duitse wet, ervoor zorg dat personen wier tegenwoordigheid als getuigen of deskundigen door een militair rechtscollege of een andere autoriteit van de krijgsmachten nodig wordt geoordeeld, aanwezig zijn.
De bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op alle procedures waarin bewijsmiddelen moeten worden overgelegd.
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag of enige andere toepasselijke overeenkomst zijn de voorrechten en immuniteiten van getuigen en deskundigen voor Duitse rechtbanken of autoriteiten, en militaire rechtscolleges of autoriteiten van de krijgsmachten, dezelfde als die welke worden toegekend door de wet van de betrokken rechtbanken, rechtscolleges of autoriteiten. Daarbij wordt ook op voldoende wijze rekening gehouden met de voorrechten en immuniteiten, welke getuigen en deskundigen, als zij geen lid van de krijgsmachten zijn, voor een Duitse rechtbank, en als zij wel lid van de krijgsmachten zijn, voor een militair rechtscollege van de betrokken Mogendheid, zouden hebben.
De autoriteiten van de krijgsmachten verlenen toestemming tot het betekenen der dagvaarding aan ieder persoon binnen een installatie en van leden van de krijgsmachten, of verrichten deze betekening zelf. In alle andere gevallen wordt de betekening verricht of toegestaan door de bevoegde Duitse rechter of autoriteiten.
De betekening van de dagvaarding aan leden van de krijgsmachten door de Duitse rechtbanken en autoriteiten geschiedt niet door middel van openbare kennisgevingen.
Artikel 12. Belemmering van de rechtspraak
Meineed, pogingen de rechtspraak te belemmeren en alle andere strafbare feiten en beledigingen begaan in tegenwoordigheid van of tegen een Duitse rechtbank of autoriteit of een militair rechtscollege of autoriteit van de krijgsmachten, en het niet voldoen aan de in overeenstemming met artikel 11 van dit Verdrag behoorlijk betekende dagvaarding, worden door de rechtbank, het rechtscollege of autoriteit welke strafrechtelijke of krijgstuchtelijke bevoegdheid over de betrokken persoon bezit, berecht in overeenstemming met de eigen wetten van de rechtbank of de autoriteit alsof de daad was gepleegd voor of tegen de eigen rechtbanken, rechtscolleges of autoriteiten.
Artikel 13. Advocaten
Onderdanen van iedere betrokken Mogendheid en Duitse advocaten worden niet verhinderd als verdediger op te treden voor militaire rechtscolleges in overeenstemming met de regels en bepalingen, welke voor dergelijke colleges gelden.
Een persoon, die is toegelaten om als advocaat op te treden in het land van een der betrokken Mogendheden kan, in procedures waarbij een lid van de krijgsmachten is betrokken, in samenwerking met een Duits advocaat die gemachtigd is het lid van de krijgsmachten in dergelijke procedures te vertegenwoordigen, voor de Duitse rechter verschijnen om verklaringen af te leggen („Ausführungen”).
Onder voorbehoud van de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel mogen buitenlandse onderdanen slechts in overeenstemming met de bepalingen van de Duitse wet op het grondgebied van de Bondsrepubliek als rechtskundige adviseurs optreden en voor Duitse rechters verschijnen.
Artikel 14. Gesloten deuren. Verwijzing
De bepalingen van artikel 172 van de Duitse Wet op de Rechterlijke Organisatie betreffende verhoren met gesloten deuren bij strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke procedures, en van artikel 15 van het Duitse Wetboek van Strafrecht betreffende de verwijzing van een strafrechtelijke procedure naar een rechter van een ander district, worden mutatis mutandis toegepast in rechtszaken voor Duitse rechtbanken of autoriteiten wanneer er gevaar bestaat voor de veiligheid van de krijgsmachten en hun leden.
Artikel 15. Het openbaar maken van inlichtingen
Behoudens de bepalingen van lid 3 van dit artikel
- (a). mag een Duitse rechtbank of autoriteit in een hangende procedure niet van een persoon eisen, noch hem toestaan, inlichtingen openbaar te maken, welke de veiligheid van de krijgsmachten of de betrokken Mogendheid in gevaar zouden of zouden kunnen brengen, behalve met toestemming van de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten of van de betrokken Mogendheid;
- (b). mag een rechtbank of autoriteit van de krijgsmachten in een hangende procedure niet van een persoon eisen, noch hem toestaan, Duitse staats- of ambtsgeheimen openbaar te maken, behalve met toestemming van de bevoegde Duitse autoriteit.
Indien het in de loop van een procedure blijkt, dat het openbaar maken van dergelijke inlichtingen of geheimen zich zou kunnen voordoen, dient de rechtbank of autoriteit, tenzij besloten wordt van de openbaarmaking af te zien, alvorens de inlichtingen of geheimen aan te horen of te behandelen, een schriftelijke beslissing te vragen aan de bevoegde autoriteit ten aanzien van de vraag of de krachtens de bepalingen van lid 1 van dit artikel vereiste toestemming zal worden gegeven. De toestemming zal niet worden geweigerd, indien, krachtens de voorwaarden van dit Verdrag of enige andere tussen de partijen bestaande overeenkomst, het verstrekken van inlichtingen aan de bevoegde rechters of autoriteiten verplicht is.
De bepalingen van dit artikel worden niet op zodanige wijze toegepast, dat de grondwettelijke rechten van een partij bij een procedure om getuigenverklaringen af te leggen of uit eigen naam verklaringen af te leggen ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden worden beperkt.
Artikel 16. Diensthandelingen
Indien in de loop van een strafrechtelijke of een niet-strafrechtelijke procedure voor een Duitse rechtbank of autoriteit een beslissing dient te worden genomen ten aanzien van de vraag of een handeling of nalaten welke het onderwerp is van de procedure heeft plaats gevonden in de uitoefening door de betrokken persoon van de dienst ten behoeve van de krijgsmachten, schorst de Duitse rechter of autoriteit de behandeling en doet onmiddellijk mededeling aan de autoriteiten van de krijgsmachten onder opgave van de betreffende feiten. De bevoegde autoriteit van de krijgsmachten onderzoekt de zaak en doet, binnen een en twintig dagen na ontvangst van de mededeling, de Duitse rechtbank of autoriteit een verklaring toekomen, waarin de omvang van de dienst van de betrokken persoon op bedoeld tijdstip en op de bedoelde plaats wordt omschreven. De verklaring wordt ondertekend door de hoogste vertegenwoordiger van de krijgsmachten, die persoonlijk kennis draagt van de zaak. De autoriteiten van de krijgsmachten nemen, teneinde te verzekeren dat de verklaring op zorgvuldige wijze wordt opgesteld zowel wat vorm als inhoud betreft daartoe passende maatregelen. Na ontvangst van de verklaring, doch niet later dan een en twintig dagen nadat de mededeling is ontvangen door de autoriteiten van de krijgsmachten, wordt de procedure voortgezet.
De autoriteiten van de krijgsmachten kunnen een dergelijke verklaring eveneens overleggen aan een Duitse rechtbank of autoriteit zonder dat zij van die rechtbank of autoriteit een mededeling hebben ontvangen.
Een dergelijke verklaring geldt slechts als bewijs voor de omvang van de dienst van de betrokken persoon en is in dat opzicht beslissend. De persoon, die een dergelijke verklaring heeft afgegeven, kan echter als getuige worden opgeroepen om de inhoud van de verklaring te verduidelijken of aan te vullen; verder geldt, dat de bepalingen van dit lid niet op zodanige wijze worden toegepast dat de grondwettelijke rechten van een partij bij een procedure om getuigenverklaringen af te leggen of uit eigen naam verklaringen af te leggen ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden, worden beperkt. Het Duitse rechtscollege of de autoriteit kent aan het feit dat de handeling of het nalaten uit de uitoefening van de dienst voortvloeide, een zodanig wettelijk gewicht en uitwerking toe als volgens de bepalingen van het Duitse recht mogelijk is.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de gevallen bedoeld in artikel 8 van het Financieel Verdrag.
DEEL DRIE. — ADMINISTRATIE EN VERZORGING
AFDELING I. — Rechten en verplichtingen
Artikel 17. Verkeer
De krijgsmachten en hun leden hebben zonder beperking behalve voor zover zulks in dit Verdrag is overeengekomen het recht het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland binnen te komen, zich daarbinnen te verplaatsen, er boven te vliegen, en eruit te vertrekken met voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen welke haar eigendom zijn of door hen of ten behoeve van hen worden gebruikt. De Bondsrepubliek garandeert aan de krijgsmachten en hun leden het gebruik van alle Duitse openbare wegen en waterwegen alsmede het recht te vliegen in het luchtruim boven het gebied van de Bondsrepubliek en van de aan de krijgsmachten ter beschikking staande vliegvelden te vertrekken, er te landen en er gebruik van te maken. De krijgsmachten hebben het recht een zodanig gebruik van het luchtruim en van de vliegvelden op het grondgebied van de Bondsrepubliek te maken als nodig is in het belang van de veiligheid van de krijgsmachten of voor oefening van die krijgsmachten, mits voor het gebruik van burgervliegvelden voor oefeningsdoeleinden een verzoek tot de Duitse autoriteiten wordt gericht, welk verzoek moet zijn goedgekeurd door het hoogste hoofdkwartier van de Luchtmacht van de betrokken krijgsmachten.
De exploitatierechten van de Duitse Spoorwegen blijven onaangetast. Rollend materieel dat het eigendom is van, gehuurd is door, of in uitsluitend gebruik is bij de krijgsmachten kan het grondgebied van de Bondsrepubliek worden binnengebracht of daaruit worden weggevoerd. Het wordt tot het verkeer op de Duitse Spoorwegen toegelaten, indien, het in het algemeen gebruikt kan worden overeenkomstig de bedrijfsmethoden van de Duitse Spoorwegen.
Tenzij in dit Verdrag of in enige andere toepasselijke overeenkomst anders is bepaald, zijn de Duitse verkeerswetten, -verordeningen en -voorschriften van toepassing op de krijgsmachten en hun leden. Het is de krijgsmachten toegestaan in gevallen van militaire noodzaak af te wijken van de Duitse verkeersvoorschriften; daarbij dient voldoende rekening te worden gehouden met de openbare veiligheid en orde. Voor het spoorwegverkeer zijn dergelijke afwijkingen alleen toegestaan indien daaromtrent overeenstemming bestaat tussen de krijgsmachten en de bevoegde spoorwegdirectie.
Voor de voertuigen, zeeschepen en luchtvaartuigen van de krijgsmachten of hun leden kunnen door de autoriteiten van de krijgsmachten vergunningen worden verleend of ze kunnen worden geregistreerd en worden door die autoriteiten voorzien van een nummerplaat of een ander daarvoor in aanmerking komend herkenningsteken. Behoudens de in elk afzonderlijk geval toepasselijke internationale voorschriften, gelden dezelfde bepalingen ten aanzien van de binnenschepen van de krijgsmachten of hun leden met uitzondering van binnenschepen welke het eigendom zijn van leden van de krijgsmachten en welke een laadvermogen hebben van 15 ton of meer. In geval de vergunning wordt verleend door de Duitse autoriteiten kunnen deze autoriteiten de normale leges heffen, waarin geen enkele vorm van belastingheffing begrepen mag zijn. De autoriteiten van de betrokken Mogendheid treffen passende veiligheidsmaatregelen ten aanzien van, en verzekeren het technische toezicht op, de voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen, voor welke zij een vergunning hebben verleend en zij verstrekken, in de gevallen waarin zulks nodig is, op verzoek van de Duitse autoriteit, de naam en het adres van de eigenaar van een voertuig, vaartuig of vliegtuig, waarvoor zij een vergunning hebben verleend.
Voor wat hun voertuigen betreft, zijn de krijgsmachten vrijgesteld van alle Duitse voorschriften welke een beperking inhouden ten aanzien van de asbelasting of het totale gewicht van de voertuigen. Voertuigen welke het eigendom zijn van of gebruikt worden door de krijgsmachten of door hun leden, zijn vrijgesteld van de bepalingen van de Duitse wetten, voorschriften of politiemaatregelen volgens welke veranderingen van of toevoegingen aan de constructie, het ontwerp of de uitrusting van de voertuigen noodzakelijk zouden zijn, zoals herkenningstekens, waarschuwingssignalen, remmen, verlichting en richtingaanwijzers.
Door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid aan een lid van de krijgsmachten uitgereikte documenten, welke laatstgenoemde machtigen tot het besturen van voertuigen, zeeschepen of luchtvaartuigen, zijn geldig op het grondgebied van de Bondsrepubliek. De machtiging tot het besturen van binnenvaartuigen, waarvoor door de krijgsmachten een vergunning is verleend, is onderworpen aan de voorschriften van de krijgsmachten welke op voldoende wijze rekening moeten houden met de Duitse en, waar zulks van toepassing is, internationale binnenscheepvaartvoorschriften.
De leden van de krijgsmachten zullen aan hen behorende particuliere voertuigen en luchtvaartuigen alleen op het grondgebied van de Bondsrepubliek gebruiken, of toestemming geven tot gebruik, indien die voertuigen of luchtvaartuigen verzekerd zijn tegen de aansprakelijkheid welke uit dit gebruik voortvloeit. De vereiste dekking, zowel wat de soort verzekering als wat het verzekerd bedrag betreft wordt vastgesteld in overeenstemming met de Duitse wet. Deze verzekering kan echter worden afgesloten bij elke verzekeringsmaatschappij die het recht heeft dergelijke werkzaamheden uit te oefenen op het grondgebied van de betrokken Mogendheid en die blijkens een verklaring van de betrokken Mogendheid volgens de centrale deviezenvoorschriften in staat is, schadevergoedingen uit te keren op het grondgebied van de Bondsrepubliek en in de valuta van de Bondsrepubliek.
Er wordt een permanente commissie ingesteld, welke zal bestaan uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de autoriteiten van de Bondsrepubliek. Het is de taak van deze commissie een doeltreffende coördinatie tussen de burgerlijke en militaire luchtvaart te verzekeren.
Alle luchtverkeerscontrôlesystemen en daarmede in verband staande verbindingssystemen, welke worden ontwikkeld en gebruikt door de autoriteiten van de Bondsrepubliek en door de krijgsmachten worden zowel technisch als administratief gecoördineerd voor zover dat noodzakelijk is voor de verzekering van de veiligheid van het luchtverkeer en de gemeenschappelijke verdediging.
Onverminderd een veiligheidscontrôle, te effectueren door de autoriteiten van de krijgsmachten, geven de Duitse autoriteiten toestemming tot het nemen van luchtfoto's door particulieren of burgerlijke instanties en tot de vervaardiging en verspreiding van afdrukken en negatieven van zodanige foto's. De wijze waarop deze contrôle wordt geëffectueerd wordt vastgesteld door de Permanente Commissie.
Artikel 18. Verbindingen
De krijgsmachten hebben het recht, militaire postkantoren in te stellen en te doen functioneren voor de behandeling van post- en telegraafzaken van de krijgsmachten en hun leden onderling, met militaire postkantoren in andere landen en met het moederland. Er kunnen uitwisselingskantoren worden ingesteld tussen de militaire postkantoren en de postkantoren van de Bondsrepubliek. De plaats van deze kantoren wordt vastgesteld in overeenstemming tussen de bevoegde autoriteiten van de Bondsrepubliek en van de krijgsmachten.
Bovendien hebben de krijgsmachten het recht hun eigen verbindingen (met inbegrip van verreberichtgevings- en radiofaciliteiten), en radiozenders voor de leden van de krijgsmachten binnen hun installaties en in hun militaire voertuigen, vaartuigen en vliegtuigen aan te brengen, te doen functionneren en te onderhouden voor zover dit voor militaire doeleinden noodzakelijk is.
Buiten hun installaties maken de krijgsmachten als regel gebruik van de Duitse openbare verreberichtgevingsfaciliteiten. De krijgsmachten kunnen echter buiten hun installaties hun eigen verbindingsfaciliteiten oprichten, doen functionneren en onderhouden:
- (a). voor zover dit absoluut noodzakelijk is uit hoofde van militaire veiligheid;
- (b). voor zover en voor zolang de Duitse autoriteiten niet in staat zijn de nodige faciliteiten op te richten of in overleg met de krijgsmachten van de oprichting afzien;
- (c). tijdelijk voor militaire oefeningen.
De autoriteiten van de krijgsmachten maken van de hun krachtens de tweede zin van dit lid verleende rechten slechts gebruik, in de gevallen bedoeld onder (a) na behoorlijk overleg, en in de gevallen bedoeld onder (b) in overeenstemming met de Duitse autoriteiten.
De door de krijgsmachten zelf opgerichte en gebruikte faciliteiten kunnen worden aangesloten op het openbare net van de Bondsrepubliek indien zulks technisch en bedrijfsmatig mogelijk is. De plaatsen waar deze aansluiting tot stand wordt gebracht, worden in wederzijds overleg vastgesteld.
De in Bijlage B bij dit Verdrag vervatte bepalingen zijn van toepassing op de frequenties gebruikt door de radiostations welke in bedrijf zijn bij en gebruikt worden door de krijgsmachten. Deze bepalingen worden van kracht terzelfder tijd als dit Verdrag.
De leden van de krijgsmachten kunnen zonder betaling van rechten en zonder persoonlijke machtiging een radio-ontvangtoestel installeren en gebruiken.
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid oefenen volledig toezicht uit over de met FK-12 en FK-41 aangeduide kabels welke binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland liggen, met inbegrip van de daaraan verbonden installaties.
Artikel 19. Manoeuvres en oefeningen
De krijgsmachten hebben het recht in het gehele gebied van de Bondsrepubliek manoeuvres en andere oefeningen te houden. Indien dergelijke manoeuvres of andere oefeningen gehouden worden buiten hun installaties, doen de krijgsmachten de bevoegde Duitse autoriteiten hiervan tijdig voor het begin van die manoeuvres en oefeningen mededeling. Alle administratieve maatregelen welke noodzakelijk zijn voor een bevredigende uitvoering van dergelijke manoeuvres of oefeningen worden, op verzoek van de krijgsmachten, door de Duitse autoriteiten genomen na behoorlijk voorafgaand overleg, mits de krijgsmachten kunnen medewerken aan de tenuitvoerlegging van dergelijke maatregelen.
De door de Duitse autoriteiten genomen administratieve maatregelen dienen er voldoende ruimte voor te laten, dat de krijgsmachten zelf in staat zijn al die bijzondere maatregelen te nemen welke nodig zijn voor het bereiken van de militaire doelstellingen van de manoeuvres of oefeningen.
Artikel 20. Verdedigingswerken en verdedigingsmaatregelen
Installaties en werken welke direct gericht zijn op verdedigingsdoeleinden, alsmede veiligheidsinrichtingen, worden door de Bondsrepubliek in die hoeveelheden, gebieden en soorten opgericht of aangepast als nodig is voor de gemeenschappelijke verdediging. Indien speciale behoefte bestaat aan geheimhouding of veiligheid, kunnen de krijgsmachten dergelijke installaties of werken zelf oprichten of aanpassen onder voorwaarde, dat hieraan overleg met de Bondsregering voorafgaat.
De Bondsregering werkt met de krijgsmachten samen teneinde te verzekeren dat de militaire en burgerlijke beschermingsmaatregelen welke noodzakelijk zijn om aan bepaalde veiligheidsbehoeften te voldoen, op doeltreffende wijze en zonder vertraging door de krijgsmachten en door de Duitse autoriteiten ten uitvoer kunnen worden gelegd. Zij draagt er zorg voor dat de voor de tenuitvoerlegging van dergelijke beschermingsmaatregelen noodzakelijke voorbereidingen tijdig en op voldoende schaal worden getroffen.
De krachtens dit artikel genomen maatregelen zijn onderworpen aan de rechtsmacht van het in artikel 9 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland bedoelde Scheidsrechterlijk Tribunaal indien openbare of particuliere eigendommen daardoor ernstig zijn of zullen worden beschadigd. Artikel 12 van het Statuut van het Scheidsrechterlijk Tribunaal is op dergelijke maatregelen van toepassing indien daardoor aan goederen van grote waarde onherstelbare schade kan worden toegebracht.
Artikel 21. Rechten van de krijgsmachten met betrekking tot installaties
Binnen en boven hun installaties kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten alle maatregelen nemen welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun opdracht onder voorwaarde dat zij de Duitse voorschriften op het gebied van de openbare gezondheid en veiligheid in acht nemen tenzij hun eigen voorschriften op die gebieden gelijke of hogere normen voorschrijven. Voor zover hun eigen voorschriften op het gebied van de openbare gezondheid en veiligheid alsmede op andere gebieden niet zodanige normen voorschrijven, kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten, behalve indien anders is bepaald in dit Verdrag of in enige andere toepasselijke overeenkomst, hun eigen voorschriften toepassen, mits zij daardoor de openbare gezondheid, veiligheid en orde buiten de installaties niet in gevaar brengen. Zij stellen de Duitse autoriteiten tijdig op de hoogte van de mate waarin zij van de Duitse voorschriften op het gebied van de openbare gezondheid en veiligheid afwijken.
Voor zover de autoriteiten van de krijgsmachten niet zelf van plan zijn, binnen hun installaties toepasselijke Duitse voorschriften ten uitvoer te leggen, dienen zij overeenkomsten aan te gaan met de bevoegde Duitse autoriteiten, die zowel rekening houden met de militaire behoeften als met de behoeften van het Duitse bestuur.
Indien gebouwen gedeeltelijk bezet zijn („im Besitz”) door de krijgsmachten, worden de op deze wijze bezette delen voor de toepassing van dit artikel niet beschouwd als installaties indien zij gebruikt worden voor de huisvesting van leden van de krijgsmachten.
Op verzoek van de krijgsmachten houden de Duitse autoriteiten toezicht op, of beperken bouwwerkzaamheden en het verkeer van personen, dieren, alle soorten voertuigen, vaartuigen, luchtvaartuigen en ballons in de nabijheid van installaties voor zover dit, in het belang van de gemeenschappelijke verdediging, noodzakelijk is voor een doeltreffende werking van die installaties en hun veiligheid.
Artikel 22. Installaties, archieven, documenten, eigendommen en postzendingen
Installaties, archieven, documenten en, onder voorbehoud van de bepalingen van de leden 2 en 3 van artikel 7 van dit Verdrag, eigendommen van de krijgsmachten, alsmede postzendingen van de krijgsmachten welke als zodanig herkenbaar zijn, en postzendingen van de leden van de krijgsmachten welke door middel van de postdienst van de krijgsmachten worden verzonden, zijn niet onderworpen aan het recht van toegang, onderzoek, inbeslagname en censuur door de Duitse autoriteiten tenzij in een bepaald geval of groep van gevallen de autoriteiten van de krijgsmachten van deze immuniteit afstand hebben gedaan.
Artikel 23. Politie der krijgsmachten
De bevoegde organen van de krijgsmachten hebben het recht op openbare wegen, in openbare gelegenheden en in openbare verkeersmiddelen binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek te patrouilleren, en ten aanzien van de leden van de krijgsmachten op te treden teneinde orde en tucht te handhaven.
Hun bevoegdheden ten aanzien van personen welke onderworpen zijn aan de Duitse rechtsmacht worden bepaald in overeenstemming met de bepalingen van artikel 7 van dit Verdrag.
Artikel 24. Vaststelling der identiteit van leden der krijgsmachten
De leden van de krijgsmachten worden door de daartoe bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid voorzien van identiteitspapieren welke de naam, de geboortedatum en de rang van de houder aangeven en een volgnummer dragen en, tenzij de houder een uniform draagt, een foto.
Gezinsleden worden als zodanig in hun identiteitspapieren aangegeven.
Leden der krijgsmachten moeten op verzoek van de bevoegde Duitse autoriteiten hun identiteit bewijzen.
Behoudens de bepalingen van artikel 25 van dit Verdrag, vormen overeenkomstig lid 1 van dit artikel verstrekte identiteitspapieren afdoend bewijs van identiteit.
Wanneer leden der krijgsmachten in groepsverband reizen onder orders en militair bevel, zijn hun uniformen afdoend bewijs van hun identiteit.
Waar noodzakelijk, vormt een verklaring van de bevoegde autoriteiten van de betrokken Mogendheid dat een persoon lid is van de krijgsmachten in de zin van de definitie van artikel 1 van dit Verdrag, hiervan afdoend bewijs.
Artikel 25. Grenscontrôle en toezicht op vreemdelingen
Leden der krijgsmachten, met uitzondering van gezinsleden, die zich overeenkomstig artikel 24 van dit Verdrag behoorlijk legitimeren, hebben onbeperkt recht op toegang tot, en vertrek uit, het grondgebied van de Bondsrepubliek. Gezinsleden hebben recht op een zodanige toegang en een zodanig vertrek indien zij een geldig paspoort tonen waarop zij als zodanig zijn aangegeven.
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid kunnen op door hun aangewezen plaatsen langs de grens deelnemen aan de contrôle van reispapieren van leden der krijgsmachten.
Leden van de krijgsmachten zijn niet onderworpen aan de Duitse wetgeving betreffende de registratie van en het toezicht op vreemdelingen.
Leden van de krijgsmachten verwerven niet het recht op duurzaam verblijf of op woonplaats op het grondgebied der Bondsrepubliek. Indien een persoon ophoudt lid te zijn van de krijgsmachten doch op het grondgebied der Bondsrepubliek blijft vertoeven, delen de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten dit zo spoedig mogelijk aan de Duitse autoriteiten mede. De algemene politieverordeningen betreffende vreemdelingen zijn van toepassing op zulke personen.
Artikel 26. Binnenkomst en vertrek
De Duitse autoriteiten werken, binnen het kader van de „Basic Law” en de internationale overeenkomsten inzake het reizen, met de autoriteiten van de Drie Mogendheden samen, om de binnenkomst van, of het vertrek uit, het grondgebied van de Bondsrepubliek van personen wier binnenkomst of vertrek door de autoriteiten van één of meer der Drie Mogendheden nadelig voor de veiligheid van de krijgsmachten wordt geacht te verhinderen. Ten aanzien van de Duitse wetten en regelingen betreffende binnenkomst in, en vertrek uit, het grondgebied van de Bondsrepubliek, wordt de veiligheid van de Bondsrepubliek geacht mede te omvatten de veiligheid der krijgsmachten.
Artikel 27. Uitlevering
De betrokken Mogendheid beslist over verzoeken om uitlevering van leden der krijgsmachten.
De Duitse autoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten der Drie Mogendheden schriftelijk in kennis van een ontvangen verzoek om uitlevering wanneer dit afkomstig is van een Regering van een andere dan één der Drie Mogendheden, tenzij zulk een uitlevering bij de Duitse wet is verboden.
Binnen een en twintig dagen na ontvangst van een kennisgeving krachtens lid 2 van dit artikel, kunnen de autoriteiten van één of meer der Drie Mogendheden de Duitse autoriteiten mededelen dat zij op grond van veiligheidsoverwegingen bezwaar tegen de uitlevering hebben.
Indien de Duitse autoriteiten niettemin van plan zijn een dergelijke uitlevering uit te voeren, wordt de zaak voor een beslissing ten aanzien van de gegrondheid van de krachtens lid 3 van dit artikel gemaakte bezwaren aan een arbiter voorgelegd, die niet de nationaliteit bezit van een der partijen bij het geschil of van de Staat welke het verzoek om uitlevering deed en die benoemd wordt door de President of de Vice-President van het in artikel 9 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland bedoelde Scheidsrechterlijk Tribunaal. Zijn beslissing is voor alle partijen bindend en is niet onderworpen aan herziening.
Totdat het in lid 3 van dit artikel bedoelde tijdvak van een en twintig dagen is verstreken en totdat de arbiter ten aanzien van het geschil een uitspraak heeft gedaan, voeren de Duitse autoriteiten de uitlevering niet uit zonder toestemming van de autoriteiten der bezwaarmakende Mogendheid of Mogendheden.
Artikel 28. Recht van aanwezigheid op het grondgebied der Bondsrepubliek
De betrokken Mogendheid heeft bij uitsluiting het recht leden der krijgsmachten van het grondgebied der Bondsrepubliek te verwijderen.
Indien de autoriteiten der Drie Mogendheden van mening zijn, dat de aanwezigheid van een persoon op het grondgebied der Bondsrepubliek hun veiligheid in gevaar brengt, kunnen zij de Duitse autoriteiten aanbevelen met betrekking tot zijn aanwezigheid die maatregelen te nemen, welke door de „Basic Law” zijn toegestaan.
Artikel 29. Het dragen van wapenen
De autoriteiten van de krijgsmachten hebben het recht, de voorwaarden vast te stellen, waarop personen die in dienst zijn van de krijgsmachten wapens mogen dragen en gebruiken binnen een installatie of voor zover hun werkzaamheden het dragen van wapens noodzakelijk maken. De bepalingen betreffende het gebruik van wapens worden aangepast aan de Duitse wetgeving inzake zelfverdediging („Notwehr”).
De in lid 1 van dit artikel bedoelde personen moeten in het bezit zijn van een door de autoriteiten van de krijgsmachten afgegeven vergunning tot het dragen van vuurwapenen. Vergunningen tot het dragen van vuurwapenen mogen slechts worden afgegeven aan personen ten aanzien van wier betrouwbaarheid geen ernstige twijfel bestaat. Een desbetreffend identiteitsbewijs, waarop een aantekening is gesteld, wordt eveneens als een vergunning tot het dragen van vuurwapenen beschouwd.
Artikel 30. Gezondheid en hygiëne
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten verlenen elkaar de grootst mogelijke medewerking op het gebied van de gezondheid en de hygiëne, vooral waar het betreft het toezicht op besmettelijke ziekten; deze samenwerking strekt zich ook uit tot de uitwisseling van gegevens en statistieken.
In de nabijheid van installaties der krijgsmachten nemen de Duitse autoriteiten, op verzoek van de autoriteiten der krijgsmachten, die maatregelen ten aanzien van de gezondheid en de hygiëne welke noodzakelijk zijn voor de bescherming van de gezondheid der krijgsmachten. Wanneer de Duitse autoriteiten niet in staat zijn voldoende maatregelen te treffen om te voldoen aan de militaire behoeften ten aanzien van afvoer van afval, bestrijding van insecten en ander ongedierte, dan wel de zuivering van water in gebieden welke buiten de steden zijn gelegen, kunnen de krijgsmachten zelf die maatregelen nemen. In steden waar krijgsmachten gelegerd zijn, stellen de autoriteiten der krijgsmachten en de stedelijke autoriteiten in overleg de maatstaven vast welke moeten worden aangelegd met betrekking tot de zuivering van water, om aan de krijgsmachten een watervoorziening te garanderen welke vrij is van verontreiniging.
Artikel 31. Overlijden en begrafenissen
Behoudens de bepalingen van enigerlei bijzondere overeenkomst, hebben de krijgsmachten het recht begraafplaatsen aan te leggen en te onderhouden en maatregelen te treffen voor het begraven, opgraven en vervoer van de stoffelijke overschotten van leden van de krijgsmachten overeenkomstig door de krijgsmachten zelf vast te stellen passende hygiënische voorschriften.
De autoriteiten der betrokken Mogendheid mogen het stoffelijk overschot van een lid van de krijgsmachten dat op het grondgebied der Bondsrepubliek overleden is in beslag nemen en er over beschikken en mogen over zijn persoonlijke eigendommen beschikken nadat de door de overledene op het grondgebied der Bondsrepubliek gemaakte schulden aan personen die geen leden zijn van de krijgsmachten zijn voldaan. Deze bepaling is niet van toepassing indien de overledene zijn hoofdverblijf op het grondgebied der Bondsrepubliek had.
Artikel 32. Deviezen
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid hebben het recht, niet-Duitse valuta of in de munteenheid van een betrokken Mogendheid gestelde geldswaardige papieren of militaire betalingscoupons in te voeren, uit te voeren, in bezit te hebben en deze, met inachtneming van de bepalingen van lid 2 van dit artikel, aan de leden der krijgsmachten uit te reiken.
De autoriteiten van de betrokken Mogendheid mogen hun leden betalen met in de munteenheid van de betrokken Mogendheid gestelde geldswaardige papieren of militaire betalingscertificaten, of met Duits geld, of met hun eigen munteenheid; zij voeren echter een betalingsstelsel in hun eigen munteenheid niet in dan na hierover met de Bondsregering overleg te hebben gepleegd.
Teneinde te voorkomen dat de Duitse deviezenbelangen worden geschaad, nemen de autoriteiten der betrokken Mogendheid, in samenwerking met de Bondsregering, passende maatregelen tegen elk misbruik van de bepalingen van de leden 1 en 2 van dit artikel.
De leden der krijgsmachten zijn niet onderworpen aan de Duitse deviezenwetgeving, mits de autoriteiten der krijgsmachten in samenwerking met de Duitse autoriteiten in voorkomend geval op grond van de op zeker ogenblik van kracht zijnde Duitse deviezenwetgeving passende maatregelen nemen teneinde de Duitse deviezenbelangen te waarborgen.
Artikel 33. Belastingen
- (a). Goederen welke onderworpen zijn aan accijnzen, zijn hiervan vrijgesteld indien zij door de krijgsmachten rechtstreeks van een Duitse fabrikant worden betrokken. Deze bepaling is niet van toepassing op accijnzen op tabak, koffie, thee, suiker, alcohol, mousserende wijnen en benzine, en evenmin op de op steenkool geheven belasting ter subsidiëring van huizenbouw ten behoeve van de mijnwerkers. De vrijstelling geldt alleen indien de goederen worden betrokken door de officiële inkoopbureaus van de krijgsmachten voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden.
- (b). Wanneer de krijgsmachten aan accijns onderworpen goederen aanschaffen ten aanzien waarvan zij overeenkomstig (a) van dit lid aanspraak maken op vrijstelling van belasting, geven de krijgsmachten een verklaring af dat de goederen, welke nauwkeurig naar soort en hoeveelheid dienen te worden omschreven, uitsluitend bestemd zijn voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden.
- (c). Vervallen.
- (a). Goederen geleverd aan en diensten verricht voor de krijgsmachten welke worden betrokken of verkregen door de officiële inkoopbureaux der krijgsmachten zijn vrijgesteld van omzetbelasting, mits zulke goederen of diensten bestemd zijn voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden. De leveranciers laten de omzetbelasting bij de berekening van de prijzen van die goederen of diensten buiten beschouwing.
- (b). Waar, in het geval van in (a) van dit lid bedoelde goederen en diensten, de betaling geschiedt in de valuta van de betrokken Mogendheid, heeft de leverancier, wanneer hij hiertoe een verzoek doet, recht op terugbetaling van de reeds op de goederen betaalde omzetbelasting ten bedrage van de export-terugbetalingen krachtens lid 16 (2) van de Wet op de Omzetbelasting naar de tekst van 1 september 1951, evenals op de vrijstelling toegestaan overeenkomstig (a). Deze terugbetaling wordt op de prijs van de goederen of diensten in mindering gebracht.
- (c). Waar op vrijstelling of terugbetaling van omzetbelasting krachtens (a) of (b) van dit lid aanspraak wordt gemaakt, verklaart het officiële inkoopbureau der krijgsmachten aan de verkoper dat de goederen of de diensten uitsluitend zijn bestemd voor gebruik of verbruik door de krijgsmachten of hun leden.
- (d). Leveringen aan de krijgsmachten worden geacht leveringen aan groothandelaren te zijn.
- (a). De belasting van de krijgsmachten en hun leden wordt, voor zover hiervoor geen voorziening is getroffen in dit Verdrag, geregeld door de op 26 mei 1952 te Bonn ondertekende Overeenkomst inzake de belastingregeling voor de krijgsmachten en hun leden, zoals gewijzigd bij het op 26 juli 1952 te Bonn ondertekende Protocol.
- (b). Vervallen.
Artikel 34. Douaneregelingen voor de krijgsmachten
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van enige andere overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden of één van hen, zijn de krijgsmachten in beginsel vrijgesteld van de bepalingen van de Duitse douanewetgeving en het douanetoezicht en de Duitse regelingen welke gelden voor het vervoer van goederen naar of van het gebied der Bondsrepubliek.
De krijgsmachten mogen hun goederen en de voor hun gebruik of voor gebruik van hun leden bestemde goederen naar het grondgebied van de Bondsrepubliek overbrengen en hieruit wegvoeren zonder betaling van enigerlei in- of uitvoerrechten of andere belastingen der Bondsrepubliek en zonder dat dit op enigerlei wijze beperkt of verboden kan worden. Door de krijgsmachten tegen betaling in hun eigen valuta op het grondgebied van de Bondsrepubliek aangekochte goederen worden, in de zin van dit artikel, behandeld als te zijn uitgevoerd uit het grondgebied der Bondsrepubliek en door de krijgsmachten ingevoerd. De krijgsmachten houden zich aan de Duitse voorschriften inzake de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.
De krijgsmachten geven officiële machtigingen af betreffende hun in- en uit te voeren goederen. De vorm van deze machtigingen wordt in overleg met de Bondsregering vastgesteld.
Zendingen der krijgsmachten welke door hun officiële vervoermiddelen worden vervoerd zijn onderworpen aan douane-onderzoek door de autoriteiten der krijgsmachten. Deze laatsten dragen er zorg voor, dat een dergelijk onderzoek plaats vindt en wel op doeltreffende wijze, alsmede dat deze zendingen behouden op de plaats van bestemming aankomen. De autoriteiten der krijgsmachten delen de Duitse douane-autoriteiten mede welke maatregelen zijn genomen om de bepalingen van dit lid ten uitvoer te leggen.
Zendingen der krijgsmachten welke in andere dan hun officiële vervoermiddelen worden vervoerd, zijn onderworpen aan het normale Duitse douane-onderzoek, doch mogen daardoor geen vertraging ondervinden. Door de autoriteiten der krijgsmachten of door een douane-instantie verzegelde zendingen zijn echter vrij van inwendig onderzoek; deze bepaling mag niet geacht worden de Duitse douane-beambten te verhinderen deze zegels aan een onderzoek te onderwerpen en er eventueel Duitse zegels aan toe te voegen. Als gevolg van deze contrôle aan het licht gekomen onregelmatigheden worden ter kennis gebracht van de autoriteiten der krijgsmachten.
Behalve de in artikel 35 vervatte vrijstellingen, zijn officiële koeriers van de krijgsmachten vrijgesteld van onderzoek door Duitse douane-autoriteiten waar het hun koeriersbagage betreft. Zij genieten een voorkeursbehandeling om te verzekeren dat zij geen vertraging ondervinden.
Militaire eenheden welke voor operationele doeleinden en onder orders de grenzen van het grondgebied der Bondsrepubliek overschrijden zijn vrijgesteld van onderzoek door Duitse douane-autoriteiten, mits de bevelvoerende officier schriftelijk verklaart dat alle uitvoerbare maatregelen zijn getroffen om te verzekeren dat noch de eenheid, noch de leden ervan goederen vervoeren in strijd met de bepalingen van dit artikel of van artikel 35 van dit Verdrag. Indien zulks uitvoerbaar is, worden de bevoegde Duitse douane-autoriteiten van te voren door de autoriteiten der krijgsmachten op de hoogte gebracht van troepenbewegingen. Deze bepalingen gelden niet voor grensoverschrijdingen welke plaats vinden tijdens militaire oefeningen of manoeuvres.
In- en uitvoer van goederen in vliegtuigen welke het eigendom zijn van de krijgsmachten of door hen of ten behoeve van hen worden gebruikt, welke landen op of opstijgen van een militair vliegveld zijn onderworpen aan douane-onderzoek door de autoriteiten der krijgsmachten. Indien zulke vliegtuigen op een burgerluchtvaartterrein landen, zijn zij onderworpen aan douane-onderzoek door de autoriteiten der krijgsmachten; de Duitse douane-autoriteiten verwittigen onverwijld de autoriteiten der krijgsmachten. Indien burgerluchtvaartuigen landen op een militair vliegveld, worden de Duitse douane-instanties door de autoriteiten der krijgsmachten verwittigd. De autoriteiten der krijgsmachten nemen alle maatregelen welke noodzakelijk zijn om te verzekeren dat alle zo vervoerde goederen niet in het Duitse economische proces worden opgenomen voordat de Duitse douane-autoriteiten de gelegenheid gehad hebben ze in te klaren.
Met uitzondering van de in lid 11 van artikel 39 van dit Verdrag bedoelde goederen, kunnen de autoriteiten der krijgsmachten beschikken over de roerende goederen van de krijgsmachten op het gebied der Bondsrepubliek. Voor export aan een niet op het grondgebied der Bondsrepubliek verblijvende koper verkochte goederen zijn niet onderworpen aan Duitse uitvoerbeperkingen of uitvoerrechten. De voorwaarden waaronder de in dit lid bedoelde goederen worden verkocht, worden in onderling overleg tussen de bevoegde autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse autoriteiten vastgesteld.
Artikel 35. Douaneregelingen voor de leden der krijgsmachten
Behoudens de bepalingen van dit Verdrag en van elke andere van toepassing zijnde overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden of één van hen, zijn leden van de krijgsmachten in beginsel aan de Duitse douanewetgeving onderworpen.
Gerechtelijke vervolging van douane-overtredingen, met inbegrip van het recht tot verbeurdverklaring van goederen behoort uitsluitend tot de strafrechtelijke bevoegdheden van de autoriteiten der krijgsmachten. De Duitse rechtsregels betreffende het opleggen van boeten door de administratie met betrekking tot douane-overtredingen gelden niet voor leden der krijgsmachten. De Duitse douane-autoriteiten hebben recht op door de krijgsmachten, als gevolg van douane-overtredingen van hun leden, verbeurd verklaarde goederen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het verhalen van belastingschulden op zulke goederen, welke het gevolg zijn van een burgerlijke rechtsvordering.
Leden van de krijgsmachten zijn vrijgesteld van de bepalingen van de Duitse wetgeving betreffende het gebruik van vuurwapenen door Duitse douane-ambtenaren.
Behoudens de volgende bepalingen, zijn leden van de krijgsmachten vrijgesteld van Duitse in- en uitvoerbeperkingen en -verboden en van de betaling van douane-rechten en andere belastingen der Bondsrepubliek op door hen, voor persoonlijk of huiselijk gebruik of verbruik, naar of uit het grondgebied der Bondsrepubliek vervoerde goederen:
- (a). het recht goederen in te voeren door middel van verzending door leden van de krijgsmachten geldt niet voor die gerantsoeneerde goederen welke de krijgsmachten aan hun leden verkopen of uitreiken;
- (b). de autoriteiten der krijgsmachten beperken kwantitatief de invoer van die gerantsoeneerde goederen welke zij aan hun leden verkopen of uitreiken, voor zover zulke goederen door de leden van de krijgsmachten in hun bagage worden meegevoerd;
- (c). invoer van niet-gerantsoeneerde goederen, al dan niet vergezeld door het lid der krijgsmachten dat ze invoert, wordt door de autoriteiten der krijgsmachten kwantitatief beperkt wanneer deze vaststellen, nadat zij de aanbevelingen van de Duitse autoriteiten hebben bestudeerd, dat deze goederen in het bijzonder het onderwerp vormen van douane-overtredingen;
- (d). om aan de Duitse douane-autoriteiten aan te tonen dat door leden van de krijgsmachten langs commerciële weg, door middel van de Duitse posterijen of in door hen meegevoerde bagage ingevoerde niet-gerantsoeneerde goederen voor persoonlijk of huiselijk gebruik of verbruik bestemd zijn, kunnen de leden der krijgsmachten bij de autoriteiten der krijgsmachten verklaringen verkrijgen welke als machtiging om overeenkomstig het bepaalde in dit artikel goederen in te voeren, worden erkend;
- (e). de leden der krijgsmachten houden zich aan de Duitse voorschriften betreffende de bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.
Voor de douane-contrôle op leden der krijgsmachten, kunnen de autoriteiten van de krijgsmachten zorgen voor ambtenaren bij grensovergangen waar aanzienlijke aantallen leden van de krijgsmachten de grens overschrijden. De autoriteiten stellen deze plaatsen vast in overleg met de Bondsregering. Op deze plaatsen voeren de ambtenaren der krijgsmachten in samenwerking met de Duitse douane-autoriteiten douane-contrôle uit op leden der krijgsmachten en hun goederen. Op alle andere grensoverschrijdingsplaatsen zijn leden der krijgsmachten onderworpen aan de normale door de Duitse autoriteiten uitgevoerde douane-contrôle. De bepalingen van dit lid gelden ook voor bewegingen van leden der krijgsmachten tussen het gebied der Bondsrepubliek en Berlijn.
De douane-contrôle op aan of door de leden der krijgsmachten door middel van de post- of vrachtdiensten der krijgsmachten verzonden goederen, wordt door de autoriteiten der krijgsmachten uitgeoefend op door hen zelf vastgestelde plaatsen. Duitse douane-ambtenaren kunnen bij dit onderzoek aanwezig zijn.
Krachtens de bepalingen van dit Verdrag vrij van invoerrechten ingevoerde goederen mogen op het grondgebied der Bondsrepubliek door de leden der krijgsmachten aan een persoon die hiervan geen lid is slechts worden verkocht na voorafgaande kennisgeving aan en met de goedkeuring van de bevoegde Duitse autoriteiten; deze bepaling geldt echter niet voor gewone geschenken van persoonlijke of huiselijke aard in hoeveelheden, welke te gering zijn voor handelsdoeleinden.
De autoriteiten der krijgsmachten nemen binnen het kader van dit Verdrag maatregelen welke erop gericht zijn hun leden ervan te weerhouden overtredingen te begaan tegen de fiscale, douane- en in- en uitvoerbepalingen van de Bondsrepubliek. Zij nemen deze factoren in acht - daarbij de aanbevelingen der Bondsregering in aanmerking nemend - waar het betreft de rantsoenering van in het bijzonder aan dergelijke overtredingen onderhevige goederen. De door de autoriteiten der krijgsmachten vastgestelde rantsoenen overtreffen niet de redelijkerwijs voor persoonlijk verbruik benodigde hoeveelheden. De autoriteiten der krijgsmachten werken nauw samen met de Duitse douane-ambtenaren en opsporingsinstanties bij het bestrijden van douane-overtredingen.
De autoriteiten der krijgsmachten stellen de Duitse douane-autoriteiten van alle overtredingen op de hoogte om, indien noodzakelijk, het instellen van een civiele vordering tegen de overtreders mogelijk te maken. Van hun kant stellen de Duitse douane-autoriteiten de autoriteiten der krijgsmachten in kennis van alle douane-overtredingen waarbij hun leden zijn betrokken. De Duitse douane-autoriteiten stellen de autoriteiten van de krijgsmachten in kennis van van hun leden in beslag genomen goederen of valuta, en deze eigendommen of valuta worden aan de autoriteiten der krijgsmachten overgedragen. De Duitse douane-autoriteiten geven een ontvangstbewijs af aan de leden der krijgsmachten voor alle aangehaalde goederen of valuta.
Motorvoertuigen van leden der krijgsmachten welke bestemd zijn voor hun persoonlijk gebruik mogen het grondgebied der Bondsrepubliek binnengaan of verlaten zonder betaling van douane-rechten en zonder beperkingen, op vertoon van het registratiebewijs of een ander door de autoriteiten der krijgsmachten afgegeven bewijs waarin wordt verklaard dat het motorvoertuig het eigendom is van een lid der krijgsmachten en bestemd is voor zijn persoonlijk gebruik. Op verzoek van de Duitse douane-autoriteiten verstrekken de autoriteiten der krijgsmachten inlichtingen over zulke voertuigen. Voertuigen bestemd voor handelsdoeleinden vallen niet onder deze voorkeursbehandeling.
De invoer door leden der krijgsmachten van goederen welke voor liefdadige doeleinden op het grondgebied der Bondsrepubliek zullen worden gebruikt wordt geregeld in onderling overleg tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse autoriteiten.
Artikel 36. Organisaties en ondernemingen in dienst van de krijgsmachten
Behoudens de bepalingen van dit artikel
- (a). kunnen niet-Duitse organisaties van niet-commerciële aard welke door de krijgsmachten of de betrokken Mogendheid zijn georganiseerd ten behoeve van de leden der krijgsmachten of welke het welzijn van de krijgsmachten dienen, in hun geheel of ten dele met de krijgsmachten worden gelijkgesteld nadat de Duitse autoriteiten hiervan in kennis zijn gesteld, in welke kennisgeving wordt verklaard, dat zodanige organisaties in dienst zijn van de krijgsmachten;
- (b). kan zulk een organisatie, indien zij een vereniging of een club is, slechts worden gelijkgesteld voor zover zij een deel vormt van de verzorgings- of sportorganen van de krijgsmachten.
De krijgsmachten kunnen gebruik maken van niet-Duitse commerciële ondernemingen mits hun militaire behoeften niet door Duitse ondernemingen kunnen worden gedekt. Zulke ondernemingen kunnen met de krijgsmachten worden gelijkgesteld,
- (a). na kennisgeving aan de Duitse autoriteiten indien zij technische diensten aan de krijgsmachten leveren onder contract, en
- (b). in alle andere gevallen na overleg met de Duitse autoriteiten.
Werknemers van de in lid 1 van dit artikel bedoelde organisaties en van de onder (a) van lid 2 van dit artikel bedoelde ondernemingen (met uitzondering van Duitsers en personen die geen onderdaan zijn van één der Drie Mogendheden, noch van een andere staat van herkomst en op het grondgebied van de Bondsrepubliek in dienst zijn genomen) kunnen eveneens met leden der krijgsmachten worden gelijkgesteld.
Gelijkstelling met de krijgsmachten en hun leden is slechts toegestaan voor zover de organisaties, ondernemingen of werknemers uitsluitend in dienst zijn van de krijgsmachten en voor zover deze gelijkstelling noodzakelijk is voor hun bijdrage aan de vervulling van de verdedigingstaak van de krijgsmachten. De omvang van deze gelijkstelling wordt vastgesteld in de kennisgeving of tijdens het overleg. Zij kan door verdere afspraken tot de noodzakelijke omvang worden beperkt. De organisaties, ondernemingen en werknemers mogen geen particuliere commerciële handelingen verrichten. De autoriteiten der krijgsmachten werken met de Bondsregering samen bij het nemen van maatregelen welke zijn gericht tegen misbruik van deze rechten.
De gelijkstelling van de onder (b) van lid 2 van dit artikel bedoelde commerciële ondernemingen is tot het volgende beperkt:
- (a). het verlenen van vergunningen en het registreren van motorvoertuigen overeenkomstig artikel 17 van dit Verdrag;
- (b). huisvesting overeenkomstig artikel 38;
- (c). het recht om krachtens artikel 34 aan de krijgsmachten te verkopen of ter beschikking te stellen goederen vrij van invoerrechten en andere belastingen van de Bondsrepubliek het gebied van de Bondsrepubliek binnen te brengen;
- (d). vrijstelling van belastingen krachtens de leden 1 en 2 van artikel 33 van dit Verdrag voor zover het betreft leveringen aan en het verrichten van andere diensten door zulke ondernemingen voor de krijgsmachten; in elk ander opzicht wordt de belasting geregeld door de in artikel 33 bedoelde Overeenkomst;
- (e). het gebruik van transport- en verbindingsfaciliteiten der krijgsmachten overeenkomstig de artikelen 17 en 18;
- (f). vrijstelling, ten aanzien van hun aan de krijgsmachten geleverde diensten, van de Duitse wetgeving inzake handelsvergunningen en buitenlandse maatschappijen;
- (g). afgifte van de benodigde deviezenvergunningen om hen in staat te stellen hun functies uit te oefenen en het recht om militaire betalingscoupons in bezit te hebben en te gebruiken.
Indien de werknemers van de organisaties en de ondernemingen bedoeld in de leden 1 en 2 van dit artikel, ook lid zijn van de krijgsmachten in de zin van lid 7 (b) van artikel 1 van dit Verdrag, kunnen de krijgsmachten de mate waarin de bepalingen van dit Verdrag op zulke werknemers van toepassing zijn, beperken. In dit verband houden zij rekening met de aanbevelingen van de Duitse autoriteiten.
Het aantal werknemers van de organisaties en ondernemingen in dienst van de krijgsmachten mag niet verhoogd worden met meer dan 100 % van het aantal dat bij de inwerkingtreding van dit Verdrag aanwezig is, behalve in overeenstemming met de Duitse autoriteiten.
AFDELING II. — Verzorging
Artikel 37. Omvang der verplichtingen
Voor zover zulks noodzakelijk is om de verdedigingstaak der krijgsmachten te vervullen, neemt de Bondsregering op zich, er voor zorg te dragen, dat de behoeften der krijgsmachten en hun leden binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek, behoudens de bepalingen van dit Verdrag of enig ander daarmede samenhangend verdrag, worden gedekt op de volgende gebieden:
- (a). onroerende goederen (artikel 38);
- (b). goederen, materialen en diensten, daarbij inbegrepen de diensten der openbare nutsbedrijven (artikelen 39 en 40);
- (c). vervoersdiensten (artikel 41);
- (d). verbindingsdiensten (artikel 42);
- (e). andere openbare diensten (artikel 43).
De Bondsrepubliek draagt er zorg voor, dat vakbekwaam burgerpersoneel, dat geschikt is om aan de noodzakelijke behoeften van de krijgsmachten overeenkomstig de militaire behoeften te voldoen, door de bevoegde Duitse instanties aan de krijgsmachten beschikbaar wordt gesteld (artikel 44).
Teneinde de door de Bondsrepubliek in lid 1 van dit artikel aanvaarde verplichtingen te vervullen, vaardigt de Bondsrepubliek wetten uit welke de mogelijkheid scheppen de aanschaffing van goederen, materialen en diensten, de verschaffing van onroerende goederen en de instelling van verboden zones te verzekeren.
Totdat de in lid 3 van dit artikel bedoelde wetten der Bondsregering van kracht worden, worden dergelijke verplichtingen vervuld door middel van de toepassing op de daarvoor passende wijze, binnen het kader van de „Basic Law”, van de bepalingen van de volgende wetten voor zover deze betrekking hebben op de bevoegdheid goederen, materialen en diensten te vorderen, onroerende goederen te verkrijgen en verboden gebieden in te stellen: de Wet inzake goederen en diensten voor projecten ten behoeve van het „Reich” („Reichsleistungsgesetz”) van 1 september 1939; de Wet inzake de verschaffing van land voor de „Wehrmacht” van 29 maart 1935; en de Wet inzake de beperking van grondbezit ten behoeve van de verdediging van het „Reich” („Schutzbereichgesetz”) van 24 januari 1935. De toepassing van de in de eerste zin van dit lid bedoelde wetten van het „Reich” strekt zich niet uit tot de vaststelling van de omvang van vorderingen tot vergoeding en schadeloosstelling, welke krachtens lid 3 van artikel 12 van het Financieel Verdrag worden ingediend.
Artikel 38. Onroerende goederen
De autoriteiten der krijgsmachten geven elk aan de bevoegde autoriteit van de Bondsrepubliek hun behoeften aan onroerende goederen te kennen in de vorm van periodieke programma's en, waar noodzakelijk, van aanvullende programma's. Wanneer van twee of meer Mogendheden de krijgsmachten, welke in hetzelfde gebied zijn of zullen worden gelegerd, met elkaar strijdige belangen hebben wat betreft de onroerende goederen, zullen er gezamenlijke besprekingen tussen hen worden gehouden, met het doel, overeenstemming te bereiken ten aanzien van gemeenschappelijke programma's inzake onroerende goederen. Afzonderlijke verzoeken welke buiten de programma's vallen, worden tot een minimum beperkt.
Door de autoriteiten der krijgsmachten en de autoriteit der Bondsrepubliek overeengekomen programma's en afzonderlijke verzoeken, worden door de bevoegde Duitse autoriteiten uitgevoerd en ingewilligd na overleg met de autoriteiten der krijgsmachten waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met ligging, normen en data van oplevering. In deze programma's worden bijzondere voorzieningen getroffen om eventuele moeilijkheden het hoofd te bieden, welke zich voor de krijgsmachten kunnen voordoen als gevolg van de toepassing van de in de tweede zin van lid 5 van dit artikel vervatte bepalingen. Behoeften van ondergeschikt belang kunnen rechtstreeks tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de bevoegde Duitse gewestelijke autoriteiten worden geregeld.
In geval van verschil van mening tussen ondergeschikte autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse gewestelijke autoriteiten, wordt de zaak naar de autoriteit der Bondsrepubliek verwezen voor verder gemeenschappelijk overleg met de autoriteiten der krijgsmachten.
De krijgsmachten gaan voortdurend hun behoeften aan onroerende goederen na teneinde te verzekeren, dat deze binnen het met de omvang en de werkzaamheden der krijgsmachten overeenkomende minimum blijven. Onroerende goederen, welke niet langer nodig zijn, of waarvoor andere onroerende goederen, welke voor de behoeften van de krijgsmachten voldoende zijn, beschikbaar worden gesteld, worden door de krijgsmachten vrijgegeven.
In het bijzonder wordt gelet op het vrijgeven van onroerende goederen aan particulieren. Woningen in particulier bezit worden vrijgegeven indien zij door de krijgsmachten gedurende een tijdvak van zes opeenvolgende maanden niet zijn gebruikt. De Duitse autoriteiten hebben het recht, de krijgsmachten te verzoeken, de vrijgeving van bepaalde onroerende goederen met hen te bespreken.
Ten tijde van het vrijgeven van een gevorderde woning of een gevorderd hotel worden ook alle zich daarin bevindende gevorderde roerende goederen, waarvoor een gebruiksvergoeding betaald wordt, vrijgegeven. Wanneer andere gevorderde onroerende goederen worden vrijgegeven, zullen de krijgsmachten tegelijkertijd zich daarin bevindende gevorderde roerende goederen, waarvoor een gebruiksvergoeding wordt betaald, vrijgeven, uitgezonderd die gevallen waarin het voortgezet gebruik van die goederen noodzakelijk is voor de uitvoering van de verdedigingsopdracht der krijgsmachten. In dergelijke gevallen plegen de autoriteiten der krijgsmachten overleg met de Duitse autoriteiten. Zodanige roerende goederen worden ook vrijgegeven vóór het vrijgeven van onroerende goederen, mits deze niet meer voor de krijgsmachten nodig zijn of andere goederen, welke voor de behoeften van de krijgsmachten voldoende zijn, door de Duitse autoriteiten beschikbaar worden gesteld. Kunstvoorwerpen en antiquiteiten worden door de krijgsmachten vrijgegeven op overeen te komen wijze.
Bij de tenuitvoerlegging van het eerste programma inzake onroerende goederen hebben de krijgsmachten, indien in hetzelfde gebied geen vergelijkbare andere onroerende goederen beschikbaar zijn, gedurende een periode van zes maanden na de inwerkingtreding van dit Verdrag voorkeursrecht op die in openbaar bezit zijnde onroerende goederen, begrepen in de in artikel 13 van Hoofdstuk Een van het Verdrag inzake de regeling van vraagstukken voortspruitende uit de oorlog en de bezetting bedoelde eigendommen, welke beschikbaar komen. Dit geldt niet voor onroerende goederen in de Enclave Bonn.
Indien bij de krijgsmachten in gebruik zijnde onroerende goederen zoals schietterreinen, oefenterreinen en vliegvelden, tijdelijk niet door de krijgsmachten worden gebruikt, mogen deze tijdelijk, op haar verzoek, aan de Bondsrepubliek beschikbaar worden gesteld, op voorwaarde dat het weer in gebruiknemen door de krijgsmachten daardoor geen schade ondervindt.
Artikel 39. Goederen, materialen en diensten
De aanschaffing van goederen en materialen op het gebied der Bondsrepubliek voor de krijgsmachten en hun leden tegen Duitse Marken of andere valuta, geschiedt in het kader van periodieke programma's, met dien verstande, dat de op deze wijze aangeschafte hoeveelheden de in deze programma's overeengekomen hoeveelheden met niet meer dan 10 % te boven mogen gaan, tenzij de Duitse autoriteiten hierin toestemmen. Deze periodieke programma's houden rekening met bouwmaterialen, welke zijn vereist voor de tenuitvoerlegging van artikel 40 van dit Verdrag. Onder de programma's vallen niet kleinere aanschaffingen, welke zijn gedaan in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften van de krijgsmachten.
Er wordt een Gezamenlijke Verzorgingscommissie ingesteld, samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek. Het is de taak van de Commissie om bij overeenkomst periodieke programma's vast te stellen voor de aanschaffing van de behoeften der krijgsmachten en tevens de moeilijkheden op te lossen welke zich bij de tenuitvoerlegging van deze programma's kunnen voordoen.
De behoeften der krijgsmachten welke moeten worden opgenomen in de periodieke programma's worden zo spoedig mogelijk ter kennis van de Gezamenlijke Verzorgingscommissie gebracht en tenminste twee maanden vóór het begin van het desbetreffende tijdvak. De autoriteiten der krijgsmachten stellen de Duitse autoriteiten zo spoedig mogelijk van te voren in kennis van alle belangrijke veranderingen in hun behoeften inzake leveringen door de openbare nutsbedrijven (gas, water, electriciteit, riolering).
Bij het opstellen van een programma houdt de Gezamenlijke Verzorgingscommissie rekening met de noodzakelijke behoeften betreffende verdediging en uitvoer, alsmede met burgerlijke behoeften. De Commissie stelt vast aan welke goederen, materialen en diensten er tekort is en stelt hiervan lijsten op. De Commissie mag een gedetailleerde opgave verlangen van producten welke aanzienlijke hoeveelheden vergen van in die lijsten genoemde goederen, materialen en diensten.
Het aanschaffen van goederen, materialen en diensten, met inbegrip van diensten op het gebied van de bouwnijverheid, binnen het kader van lid 1 van dit artikel, wordt verricht òf rechtstreeks door de autoriteiten der betrokken Mogendheid overeenkomstig hun gebruikelijke werkwijze bij het aangaan van zulke contracten òf, op hun verzoek, door de Duitse autoriteiten. De Bondsrepubliek stemt er in toe de nodige maatregelen te nemen teneinde te verzekeren dat aan deze behoeften die voorrang wordt verleend boven binnenlandse behoeften en exportbehoeften welke niet op de verdediging betrekking hebben, als noodzakelijk en passend is om te waarborgen, dat zij tijdig aan de strijdkrachten worden geleverd.
Wanneer de autoriteiten van de betrokken Mogendheid voornemens zijn orders te plaatsen, binnen het kader der overeengekomen programma's, door middel van rechtstreekse aanschaffing van goederen, materialen of diensten, waaraan volgens de in lid 4 van dit artikel genoemde lijsten tekort is, delen zij dit aan de Duitse autoriteiten mede. Indien de Duitse autoriteiten van mening mochten zijn dat om redenen van verzorging of productiecapaciteit bepaalde firma's dienen te worden uitgenodigd om een offerte te maken, wijzen zij deze firma's uiterlijk binnen twee weken aan. De autoriteiten van de betrokken Mogendheid houden met deze aanbevelingen naar behoren rekening bij het bepalen van hun uiteindelijke keus inzake de leveranciers.
Aan de Duitse autoriteiten worden informatie-copieën gezonden van alle rechtstreeks door de autoriteiten der betrokken Mogendheid binnen het kader der overeengekomen programma's geplaatste orders.
Wanneer de behoeften der krijgsmachten aan goederen, materialen en diensten worden gedekt door middel van aanschaffing door de Duitse autoriteiten, hebben de autoriteiten van de betrokken Mogendheid het recht, hun behoeften in elk opzicht nauwkeurig uiteen te zetten, met inbegrip van nauwkeurige bijzonderheden betreffende het verlangde artikel, levertijden en alle andere noodzakelijke voorwaarden. De Duitse autoriteiten dragen er in samenwerking met de autoriteiten der betrokken Mogendheid zorg voor, dat aan deze voorwaarden wordt voldaan tot tevredenheid van de krijgsmachten. De autoriteiten der betrokken Mogendheid kunnen iedere offerte om geldige en dwingende redenen van de hand wijzen. De Duitse autoriteiten worden van deze redenen in kennis gesteld. De Duitse autoriteiten houden toezicht op de fabricage; vertegenwoordigers der betrokken Mogendheid hebben het recht aan inspecties deel te nemen. De Duitse autoriteiten verlenen de leverancier slechts décharge met de schriftelijke toestemming van de autoriteiten der betrokken Mogendheid.
De krijgsmachten en hun leden mogen, behoudens de bepalingen van lid 1 van dit artikel, plaatselijk goederen en diensten aanschaffen voor hun eigen gebruik onder voorwaarden, welke niet minder gunstig zijn dan die welke in het algemeen gelden voor inwoners der Bondsrepubliek.
Alle periodieke programma's inzake behoeften aan goederen, materialen en diensten voor de verzorging der krijgsmachten welke door de autoriteiten der betrokken Mogendheid vóór de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag zijn aanhangig gemaakt en ten aanzien waarvan nog prestaties uitstaan, die op die datum nog niet zijn voltooid, blijven gelden en zijn van kracht als door de Gezamenlijke Verzorgingscommissie vastgestelde programma's.
Goederen welke zijn aangeschaft (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten, of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland, of ten laste van dat deel van de bijdrage aan de verdediging van de Bondsrepubliek dat dient om de krijgsmachten te verzorgen, worden niet uit het grondgebied der Bondsrepubliek weggevoerd, tenzij deze voor militaire doeleinden voor de verzorging der krijgsmachten vereist zijn, of tenzij het zulke militaire uitrustingsstukken betreft welke militaire eenheden gewoonlijk bij verplaatsing met zich mede nemen. In die gevallen waarin de autoriteiten der krijgsmachten besluiten, dat zij deze goederen niet langer nodig hebben, worden zij aan de Duitse autoriteiten overgedragen, tenzij in dit opzicht een andere regeling tussen hen wordt getroffen.
Artikel 40. Diensten op het gebied van de bouwnijverheid
Wanneer is overeengekomen dat een gedeelte van de krachtens artikel 38 van dit Verdrag overgelegde programma's inzake onroerende goederen zal worden uitgevoerd door middel van nieuwbouw, stellen de autoriteiten der krijgsmachten de bevoegde Duitse autoriteiten, met tussenpozen welke corresponderen met de programma's krachtens artikel 39, van hun bouwprogramma's in kennis en verschaffen, indien dit mogelijk is, bijzonderheden over de aard, omvang, ligging en de vereiste datum van oplevering van elk project, alsmede, voor zover dit noodzakelijk wordt, aanvullende bijzonderheden en doen zij mededeling van wijzigingen. De Duitse autoriteiten doen onverwijld hun opmerkingen aan de autoriteiten der krijgsmachten toekomen. Indien noodzakelijk heeft daarop gezamenlijk overleg plaats teneinde tot een vergelijk te komen dat de krijgsmachten in staat zal stellen hun verdedigingsopdracht te vervullen.
De tenuitvoerlegging van de bouwprojecten welke uit de Duitse verdedigingsbijdragen zullen worden gefinancierd, wordt door de Duitse bouw-autoriteiten overeenkomstig de Duitse wettelijke voorschriften en vastgestelde bouwverordeningen uitgevoerd. De autoriteiten der krijgsmachten stellen hun behoeften inzake het bestek vast en delen deze aan de Duitse autoriteiten mede, nemen deel aan de ontwerpwerkzaamheden, de aanbesteding en het verlenen van uitbestedingen en mogen om goede en dwingende redenen, welke aan de Duitse autoriteiten worden medegedeeld, elke inschrijving afwijzen. De autoriteiten der krijgsmachten mogen zich te allen tijde op de hoogte stellen van de vorderingen der bouwwerkzaamheden, documenten de bouw betreffende, inzien en inlichtingen eisen. De autoriteiten der krijgsmachten mogen te allen tijde de bouwwerkzaamheden inspecteren doch oefenen toezicht op het project uit door tussenkomst van de Duitse bouw-autoriteiten. In de gevallen waarin de autoriteiten der krijgsmachten later afwijking van het onder contract overeengekomene nodig achten, delen zij haar behoeften schriftelijk aan de Duitse autoriteiten mede. De Duitse autoriteiten aanvaarden de oplevering van het project door de aannemer slechts met de schriftelijke toestemming van de autoriteiten der krijgsmachten.
Reparaties en onderhoudswerkzaamheden worden verricht door de Duitse autoriteiten indien dit door de autoriteiten der krijgsmachten overeenkomstig wederzijdse overeenkomsten wordt verzocht. De bepalingen van lid 2 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op kleinere bouwprojecten, op bouworders welke zijn geplaatst vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag of op bouworders ten aanzien waarvan bijzondere overeenkomsten zijn getroffen. De omschrijving van kleinere bouwprojecten wordt door middel van bilaterale overeenkomsten vastgelegd.
Artikel 41. Vervoersdiensten
De krijgsmachten hebben het recht Duitse vervoermiddelen op de weg, de spoorwegen, waterwegen en in de lucht te gebruiken voor het vervoer van personen, dieren en materialen naar, door en uit het gebied van de Bondsrepubliek. Daarbij genieten de krijgsmachten een zodanige voorkeursbehandeling als noodzakelijk is voor de bevredigende vervulling van hun verdedigingsopdracht en als verenigbaar is met een redelijk evenwicht tussen de daaruit voortvloeiende behoeften en de noodzakelijke burgerlijke en verdedigingsbehoeften van de Bondsrepubliek. Zij hebben het recht met transportondernemingen contracten af te sluiten voor vervoersdiensten.
Indien de van de openbare vervoersondernemingen gevraagde diensten uitgaan boven die welke vrij verkrijgbaar zijn krachtens de algemeen geldende vervoersvoorschriften, zal voor zulke diensten door de autoriteiten van de krijgsmachten die op het gebied van vervoerszaken bevoegd zijn in een van de grotere districten een verzoek worden gericht aan de Duitse autoriteiten. Hetzelfde is van toepassing op vervoersdiensten welke worden gevraagd van niet openbare vervoersondernemingen indien deze diensten, hetzij uitgaan boven de gebruikelijke door de onderneming verrichte diensten, hetzij gevraagd worden gedurende perioden waarin een tekort aan transportmiddelen bestaat; een dergelijk tekort wordt geacht te zijn bewezen, wanneer er beperkende bepalingen van kracht zijn ten aanzien van het beschikbaar stellen van transportdiensten aan de civiele sector. Bijzonderheden en werkwijze worden geregeld bij speciale overeenkomsten.
De bepalingen van de volgende technische overeenkomsten en arbeidsregelingen, met inbegrip van administratieve behandeling tussen de krijgsmachten en de Duitse vervoersautoriteiten, als met wederzijdse overeenstemming gewijzigd, blijven van toepassing tot het tijdstip waarop zij aflopen:
- (a). de drie tarieven- en arbeidsregelingen tussen de Duitse Bondsspoorwegen en de Amerikaanse, Britse en Franse krijgsmachten, onderscheidenlijk van 31 maart 1950, 1 april 1950 en 1 september 1950;
- (b). de twee overeenkomsten tussen de Amerikaanse en Britse legers en de „Deutsche Schlafwagen- und Speisewagen-Gesellschaft” onderscheidenlijk van 30 april 1950 en 19 december 1950;
- (c). de overeenkomsten tussen de geallieerde krijgsmachten en de „Vereinigte Tanklager und Transportmittel G.m.b.H.” en de Bondsministeries voor Verkeer en Financiën van 13 september 1951, 17 december 1951 en 27 februari 1952.
De bepalingen van deze overeenkomsten zijn vóór de datum waarop zij aflopen, onderworpen aan herziening en wijziging, hetzij op verzoek van de Bondsrepubliek hetzij van de Drie Mogendheden, indien die bepalingen onverenigbaar zijn met dit Verdrag. Indien een van deze overeenkomsten niet met wederzijds goedvinden wordt verlengd na afloop van de huidige geldigheidsduur, dient tijdig overeenstemming te worden bereikt ten aanzien van de verschillende voorwaarden waaronder de diensten zullen worden verricht, welke voorwaarden na afloop van de overeenkomst zullen gelden en welke verenigbaar dienen te zijn met de behoeften van de krijgsmachten en de dienstpositie van hun leden bij de uitvoering van de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten.
De krijgsmachten doen de Duitse vervoersautoriteiten zo vroegtijdig mogelijk van tevoren mededeling van de behoeften van hun militair vervoer.
Bij het inwerkingtreden van dit Verdrag hebben de krijgsmachten het recht alle transportmiddelen en inlichtingen, welke tot op dat ogenblik voor hun gebruik waren gereserveerd, te behouden onder voorbehoud van een gemeenschappelijk nieuw onderzoek van een dergelijk gebruik in overeenstemming met de beginselen van dit Verdrag.
Leden van de krijgsmachten hebben het recht van Duitse vervoersmiddelen gebruik te maken binnen het kader van de algemeen geldende verkeersvoorschriften.
Indien de bestaande vervoersmiddelen en inrichtingen welke beschikbaar zijn, niet voldoende zijn om aan de behoeften van de krijgsmachten te voldoen, zullen de Duitse autoriteiten op een door het hoogste hoofdkwartier van de betrokken strijdkrachten goedgekeurd verzoek, de reeds bestaande en beschikbare middelen of inrichtingen uitbreiden of wijzigen of nieuwe middelen of inrichtingen vervaardigen of bouwen in die mate als noodzakelijk is. Lid 4 van dit artikel is mutatis mutandis van toepassing.
De krijgsmachten hebben het recht binnen hun installaties vervoersmiddelen te vervaardigen voor zover de openbare veiligheid en orde buiten die installaties daardoor niet worden aangetast. Vóór de uitvoering van een dergelijk werk wordt behoorlijk overleg gepleegd met de Duitse autoriteiten.
De krijgsmachten kunnen overeenkomsten sluiten met de hoogste bevoegde autoriteiten in de Bondsrepubliek voor het officiële gebruik door de autoriteiten van de krijgsmachten die verantwoordelijk zijn voor de regeling van het militaire verkeer, van gespecialiseerde Duitse verreberichtgevingssystemen, mits een dergelijk gebruik de goede functionering van die systemen niet nadelig beïnvloedt.
Artikel 42. Verbindingsdiensten
De openbare diensten van de post en het verreberichtgevingssysteem van de Bondsrepubliek staan ter beschikking van de krijgsmachten en hun leden. Daarbij genieten de krijgsmachten een zodanige voorkeursbehandeling als noodzakelijk is voor de bevredigende vervulling van hun verdedigingsopdracht en als verenigbaar is met een redelijk evenwicht tussen de daaruit voortvloeiende behoefte en de noodzakelijke burgerlijke en verdedigingsbehoeften van de Bondsrepubliek. De ten aanzien van de dienst geldende voorwaarden bij de inwerkingtreding van dit Verdrag blijven van kracht. Deze voorwaarden kunnen op verzoek van een van de ondertekenende staten worden herzien en gewijzigd indien zij onverenigbaar zijn met dit Verdrag. In het geval van een dergelijke herziening dienen de vast te leggen dienstvoorwaarden in overeenstemming te zijn met de behoeften van de krijgsmachten en de dienstvoorwaarden van hun leden bij de uitvoering van de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten.
Op verzoek ontvangen de krijgsmachten voor permanente of tijdelijke doeleinden verreberichtgevingsstroomkringen voor hun uitsluitend gebruik onder de in lid 1 van dit artikel vermelde voorwaarden.
Indien de Duitse openbare post en verreberichtgevingsfaciliteiten niet voldoende zijn om aan de behoeften van de krijgsmachten te voldoen, zullen de Duitse autoriteiten, op verzoek van gemachtigde vertegenwoordigers van de hoogste bevelvoerende officieren van de krijgsmachten, de bestaande faciliteiten uitbreiden of nieuwe faciliteiten oprichten in de mate waarin zulks noodzakelijk is. De krijgsmachten stellen de Duitse autoriteiten zo vroegtijdig mogelijk van deze behoeften in kennis. Dergelijke faciliteiten worden beheerd door de Bondsrepubliek tenzij onderling anders is overeengekomen.
De bepalingen van artikel 48 van dit Verdrag zijn mutatis mutandis van toepassing op verbindingsfaciliteiten en -inrichtingen welke tot nu toe gebruikt werden door de krijgsmachten.
Verbindingsfaciliteiten binnen Duitsland welke aan de krijgsmachten toebehoren, kunnen ter beschikking van de Bondsrepubliek Duitsland worden gesteld, wanneer de krijgsmachten bepalen dat zodanige faciliteiten beschikbaar zijn. De dienstvoorwaarden bedoeld in lid 1 van dit artikel zijn mutatis mutandis van toepassing op zodanige faciliteiten.
Artikel 43. Andere openbare diensten
De krijgsmachten en hun leden hebben het recht Duitse openbare en administratieve diensten te gebruiken of te ontvangen, welke niet elders in dit Verdrag met name worden genoemd, voor zover deze noodzakelijk zijn voor de verdedigingsopdracht van de krijgsmachten of normaal ontvangen worden door de inwoners van de Bondsrepubliek.
De autoriteiten van de krijgsmachten en de Duitse autoriteiten werken samen op meteorologisch en cartografisch gebied teneinde aan de verdedigingsbehoeften van de krijgsmachten te voldoen.
Artikel 44. Arbeidskrachten
De krijgsmachten brengen de bevoegde Duitse autoriteiten zo spoedig mogelijk op de hoogte van hun behoeften aan burgerpersoneel en verkrijgen arbeidskrachten als regel door bemiddeling van deze autoriteiten. De diensten van de bevoegde Duitse autoriteiten worden aan de leden van de krijgsmachten ter beschikking gesteld voor het aantrekken van geschikte burgerarbeidskrachten.
Duitsers die in dienst van de krijgsmachten werken, zijn onderworpen aan alle verplichtingen welke voortvloeien uit de regelingen voortvloeiende uit de Duitse verdedigingsbijdrage. Zij zullen alleen worden gebruikt in functies van non-combattanten met inbegrip van burgerbewakingsdiensten.
De Duitse arbeidswetgeving zoals die geldt voor de autoriteiten van de Bondsrepubliek, geldt met uitzondering van de tariefregelingen, voor werkzaamheden bij de krijgsmachten tenzij in dit artikel anders is bepaald. Waar noodzakelijk onderzoekt een krachtens lid 10 van dit artikel ingestelde Gemengde Commissie op verzoek van de hoogste autoriteiten der krijgsmachten of, en in welke mate, zekere bepalingen van de Duitse arbeidswetgeving onverenigbaar zijn met de militaire behoeften der krijgsmachten. De bevoegde Duitse autoriteiten houden overeenkomstig artikel 3 van dit Verdrag behoorlijk rekening met de bevindingen van deze Commissie.
Het verrichten van werkzaamheden bij de krijgsmachten wordt niet beschouwd als tewerkstelling in de Duitse openbare dienst.
De Duitse autoriteiten stellen in overeenstemming met de autoriteiten der krijgsmachten vast
- (a). de arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van lonen, salarissen en indeling in beroepengroepen (hetgeen dient als grondslag voor afzonderlijke arbeidsovereenkomsten) en mogen tariefovereenkomsten afsluiten;
- (b). de wijze van uitbetaling.
De autoriteiten der krijgsmachten hebben met betrekking tot de in dit artikel bedoelde arbeidskrachten recht van indienstneming, plaatsing, opleiding, overplaatsing met toestemming van de werknemer, ontslag en aanvaarding van ontslagindiening.
De autoriteiten der krijgsmachten stellen het aantal en de aard der benodigde arbeidsplaatsen vast en delen die arbeidsplaatsen in overeenkomstig de krachtens (a) van lid 5 van dit artikel vastgestelde beroepengroepen. De personen, die zulke betrekkingen zullen vervullen, worden door de autoriteiten der krijgsmachten voorlopig ingedeeld in de overeenkomstige loon- en salarisgroepen. De laatstgenoemde classificatie is onderworpen aan de goedkeuring van de bevoegde Duitse autoriteiten. Een dergelijke goedkeuring zal geacht worden te zijn gegeven indien de Duitse autoriteiten niet binnen twee weken na de datum van ontvangst van de kennisgeving der voorlopige classificatie hun bezwaren kenbaar hebben gemaakt. In dergelijke gevallen wordt de juiste indeling door middel van overleg tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse autoriteiten vastgesteld. De beloning over de periode waarover de voorlopige classificatie geldt, wordt betaald overeenkomstig de uiteindelijke classificatie. Dit wordt ten tijde van de voorlopige classificatie aan de werknemer medegedeeld.
Aanspraken van individuele werknemers welke voortvloeien uit werkzaamheden verricht bij de krijgsmachten, worden ingediend bij de Bondsrepubliek Duitsland. Zij zijn onderworpen aan de Duitse rechtsmacht in arbeidszaken. In geschillen welke voortvloeien uit ontslag om veiligheidsredenen zal echter, op verzoek van de hiertoe aangewezen autoriteiten van de krijgsmachten, een krachtens lid 10 van dit artikel ingestelde Gemengde Commissie beslissen of het ontslag met of zonder opzegging gerechtvaardigd was; de beslissing is bindend voor de Duitse rechter in arbeidszaken. Een dergelijk verzoek dient onverwijld te worden gedaan, doch uiterlijk binnen een maand nadat de autoriteiten van de krijgsmachten op de hoogte zijn gesteld van de instelling van de vordering. De betrokken persoon heeft het recht een verklaring ten aanzien van feitelijke of juridische aangelegenheden af te leggen voor de Commissie.
Voor de behartiging van hun belangen kunnen zij die bij de krijgsmachten werken bedrijfsraden instellen die tot taak zullen hebben voorstellen te doen en bezwaren en klachten voor te brengen bij de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten. Dergelijke raden hebben het recht door de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten te worden gehoord. Bezwaren of klachten welke op deze wijze niet worden opgelost, kunnen worden verwezen naar de bevoegde Duitse autoriteiten voor overleg met de autoriteiten van de krijgsmachten.
De in de leden 3 en 8 van dit artikel bedoelde Gemengde Commissies bestaan in gelijk aantal uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek. Zij nemen beslissingen bij meerderheid van stemmen; zij stellen hun eigen procedureregelingen vast waarin bepalingen kunnen worden opgenomen ten aanzien van de instelling van sub-commissies. Indien een Commissie of sub-commissie niet tot een beslissing kan komen met meerderheid van stemmen, benoemen de betrokken Mogendheid of Mogendheden en de Bondsrepubliek een persoon die als lid van de Commissie of sub-commissie aan het bereiken van een beslissing zal medewerken.
Artikel 45. Burgerlijke diensteenheden
De krijgsmachten hebben het recht burgerlijke dienstorganisaties te onderhouden welke bestaan uit personen van niet-Duitse nationaliteit.
De bestaande burgerlijke dienstorganisaties welke uit Duitsers bestaan, worden
- (a). in samenwerking met de bevoegde autoriteiten der Bondsrepubliek ontbonden niet later dan na afloop van het tijdvak van 2 jaar beginnend op de datum van de inwerkingtreding van dit Verdrag. De Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek openen voor het einde van dit tijdvak besprekingen teneinde maatregelen te treffen om te verzekeren, dat de sterkte en de gevechtswaarde van de krijgsmachten niet nadelig worden beïnvloed als gevolg van deze ontbinding;
- (b). niet gebruikt voor diensten buiten het gebied der Bondsrepubliek.
Artikel 44 van dit Verdrag is van toepassing tenzij in dit artikel anders is bepaald.
Leden van de burgerlijke dienstorganisaties kunnen kost en inwoning ontvangen als deel van hun salaris of loon. Tijdens hun werk kan van hen worden geëist, dat zij, waar dit passend is, uniforme werkkleding dragen.
De arbeidsvoorwaarden in de zin van lid 5, sub a, van artikel 44 van dit Verdrag welke bij de inwerkingtreding van dit Verdrag van kracht zijn, worden zo spoedig mogelijk herzien en in grote trekken geüniformeerd op grond van verkregen overeenstemming tussen de autoriteiten der krijgsmachten en de Duitse autoriteiten.
De autoriteiten der krijgsmachten verrichten de classificatie van de leden van de burgerlijke dienstorganisaties; zij stellen de bevoegde Duitse autoriteiten van die classificatie op de hoogte en houden in voldoende mate rekening met alle door laatstgenoemden gedane wijzigingsvoorstellen.
Artikel 46. Jacht en visserij
De Bondsrepubliek neemt binnen het kader van haar bevoegdheid maatregelen teneinde aan de leden der krijgsmachten bijzondere jacht- en visserij voorrechten te verlenen en te doen verlenen op terreinen van de Bondsrepubliek. Zij verleent haar goede diensten bij de „Länder” en alle Duitse autoriteiten en publiekrechtelijke lichamen, opdat laatstgenoemden met betrekking tot andere openbare terreinen hetzelfde doen. Bij het verlenen van zulke bijzondere voorrechten worden de volgende algemene richtlijnen in acht genomen.
De leden der krijgsmachten
- (a). nemen de Duitse jacht- en visserijvoorschriften in acht, in het bijzonder wat betreft de juiste methoden van jagen en vissen;
- (b). houden zich aan de Duitse jachtplannen („Abschusspläne”);
- (c). moeten bij de jacht op tweehoevig wild („Schalenwild”) altijd vergezeld zijn van een jager in het bezit van een jachtakte, of van een boswachter, voor wiens diensten een redelijke vergoeding moet worden betaald;
- (d). betalen jaarlijks een bedrag ineens als jachtgeld welk bedrag in overeenstemming met de autoriteiten van de Bondsrepubliek of van de „Länder” wordt vastgesteld. Een dergelijk jachtgeld treedt in de plaats van alle andere terzake dienende belastingen, vergoedingen, heffingen en onkosten. Bij het vaststellen van een dergelijk jachtgeld dient voldoende rekening te worden gehouden met de omstandigheden waaronder de leden van de krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek leven;
- (e). betalen op dezelfde wijze een redelijke vergoeding voor visrechten.
De krijgsmachten hebben het recht, jacht- en visvergunningen af te geven, doch alleen aan leden van de krijgsmachten die bekend zijn met de Duitse jacht- en viswetten, en, in het geval van een jachtvergunning, met het gebruik van jachtwapens. De leden van de krijgsmachten eerbiedigen particuliere eigendomsrechten.
De autoriteiten van de Bondsrepubliek nemen alle maatregelen waartoe zij in staat zijn om, voor zover het particuliere eigendomsrechten betreft, het aangaan van vrijwillige regelingen met leden van de krijgsmachten te bevorderen, en zij moedigen uitnodigingen aan van de zijde van eigenaars of pachters van particuliere jacht- en visterreinen of van de zijde van houders van overeenkomstige rechten aan de leden van de krijgsmachten.
Overeenkomsten met betrekking tot jacht- en visrechten welke bij het inwerkingtreden van dit Verdrag van kracht zijn, blijven gelden indien zodanige contracten overeenkomstig de bepalingen der Duitse wetten vrijwillig zijn aangegaan en voorzien in de betaling voor zodanige rechten tegen de op dat ogenblik geldende prijs. Alle andere op de jacht en visserij betrekking hebbende rechten welke op een vroeger tijdstip zijn gevorderd of voorbehouden, lopen niet later dan een maand na de inwerkingtreding van dit Verdrag af.
De rechten en verplichtingen van de krijgsmachten op dit gebied kunnen in bijzondere overeenkomsten tussen de krijgsmachten en de autoriteiten van de Bondsrepubliek of die van de „Länder” nader worden bepaald.
Artikel 47. Berlijn
Goederen, materialen en diensten welke op grond van de bepalingen van dit Verdrag ter beschikking worden gesteld, kunnen ook worden gebruikt en genoten door de in Berlijn gestationeerde gewapende strijdkrachten van elk der betrokken Mogendheden.
Vervallen.
Artikel 48. Voortzetting van de bestaande verzorging
Indien goederen, materialen, diensten of onroerende goederen zijn gevorderd door de autoriteiten van de betrokken Mogendheid of verworpen zijn ten laste van de bezettingskosten of ten laste van de „Auftragsausgabenhaushalt” vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag, en daarna nog nodig blijven voor de krijgsmachten, worden zij beschouwd met wettelijk bindende kracht te zijn gevorderd voor een periode van een jaar te rekenen van die datum af krachtens de bepalingen van de in de leden 3 en 4 van artikel 37 van dit Verdrag bedoelde toepasselijke wetgeving.
Indien de vordering van goederen, materialen, diensten of onroerende goederen nodig is geweest voor de doeleinden van de krijgsmachten of hun leden na de in lid 1 van dit artikel genoemde periode, verzekert de Bondsrepubliek Duitsland dat zij ook daarna ter beschikking zullen blijven overeenkomstig de procedure van de toepasselijke wetgeving van de Bondsrepubliek.
DEEL VIER. — OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 49
Vervallen
Artikel 50
Vervallen
Artikel 51. Herziening
Onverminderd de bepalingen van artikel 10 van het Verdrag nopens de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland, kan dit Verdrag op verzoek van een der ondertekenende staten na verloop van een periode van 2 jaar na zijn inwerkingtreding, te allen tijde worden gewijzigd.
Strafbepalingen ter bescherming van de Drie Mogendheden, hun krijgsmachten en de leden van de krijgsmachten
HOOFDSTUK I. — VERRAAD IN MILITAIRE AANGELEGENHEDEN
Afdeling 1
1
In dit hoofdstuk worden onder de uitdrukking „militaire geheimen” verstaan feiten, voorwerpen, conclusies en ontdekkingen, in het bijzonder schriftelijke stukken, tekeningen, modellen of formules met inbegrip van codes, of daarop betrekking hebbende inlichtingen, welke geheim worden gehouden in het belang van de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten, als omschreven in artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en hun leden in de Bondsrepubliek Duitsland.
2
In de zin van dit hoofdstuk wordt geacht verraad te hebben gepleegd ieder, die opzettelijk een militair geheim in handen laat komen van een onbevoegde of een zodanig geheim openbaar maakt en daardoor de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten in gevaar brengt.
Afdeling 2
1
Hij die een militair geheim verraadt, wordt gestraft met tuchthuisstraf („Zuchthaus”).
2
Hij die zich in het bezit stelt van een militair geheim met het oogmerk het te verraden, wordt gestraft met tuchthuisstraf („Zuchthaus”) voor ten hoogste 10 jaar.
3
Hij die zonder daartoe bevoegd te zijn zich in het bezit stelt of tracht zich in het bezit te stellen van een militair geheim, of die, wanneer hij op andere wijze, zonder daartoe bevoegd te zijn, een dergelijk geheim in zijn bezit gekregen heeft, dit niet onmiddellijk aan de bevoegde autoriteit van de krijgsmachten mededeelt dan wel, indien het een voorwerp betreft, dit niet op een daartoe strekkend verzoek overhandigt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
4
Paragraaf 3 van artikel 100 van het Wetboek van Strafrecht, als gewijzigd bij de Wet van 30 augustus 1951 („Bundesgesetzblatt Teil I Seite 739”), is niet van toepassing op militaire geheimen.
Afdeling 3
1
Hij die opzettelijk een militair geheim in handen laat komen van een onbevoegde of een dergelijk geheim openbaar maakt en daardoor, door nalatigheid, de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
Hij die, door nalatigheid, een militair geheim, waartoe hij zelf uit hoofde van zijn functie of positie in de dienst of uit hoofde van een hem door een officieel orgaan verstrekte opdracht toegang had, in handen laat komen van een onbevoegde, en daardoor de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar. Het delict wordt alleen vervolgd met machtiging van die betrokken Mogendheid of van die krijgsmachten wier veiligheid in gevaar is gebracht.
Afdeling 4
1
Hij die met het oogmerk nadeel toe te brengen aan de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten, zich in het bezit stelt van inlichtingen betreffende militaire aangelegenheden van de krijgsmachten, deze verzamelt, openbaar maakt of aan een ander mededeelt, dan wel met dat oogmerk een inlichtingendienst doet functioneren of anderen in dienst neemt om zich daarmede bezig te houden, of een dergelijke activiteit ondersteunt, wordt gestraft met gevangenisstraf. Ook de poging is strafbaar.
2
In bijzonder ernstige gevallen bestaat de straf uit tuchthuisstraf („Zuchthaus”) voor ten hoogste 5 jaar.
Afdeling 5
1
Hij die met het oogmerk zich onbevoegd in het bezit te stellen van een militair geheim of inlichtingen inzake militaire aangelegenheden te verzamelen met het doel nadeel toe te brengen aan de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten (lid 2 en lid 3, van Afdeling 2; Afdeling 4) militaire installaties, oorlogsschepen of vliegtuigen van de krijgsmachten betreedt of zich in de omgeving daarvan ophoudt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
De uitdrukking „militaire installaties” omvat, doch is niet beperkt tot, gebieden welke door middel van een officiële kennisgeving uit veiligheidsoverwegingen tot verboden gebieden zijn verklaard, en industriële instellingen waar voorraden ten behoeve van de krijgsmachten worden vervaardigd, hersteld of opgeslagen.
Afdeling 6
Afdeling 7
1
Hij die met een regering, een partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek en Berlijn (West), of met een persoon die voor een zodanige regering, partij, vereniging of instelling werkt, betrekkingen aanknoopt of onderhoudt, welke betrekkingen ten doel hebben inlichtingen te verstrekken in de zin van de Afdelingen 1 en 4, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
Hij die werkende voor een regering, een partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en Berlijn (West) met een ander betrekkingen aanknoopt van de soort, omschreven in lid 1 van deze Afdeling, of zodanige betrekkingen onderhoudt, wordt op dezelfde wijze gestraft.
Afdeling 8
1
Hij die met het oogmerk een oorlog, een gewapende onderneming of dwangmaatregelen tegen een van de Drie Mogendheden of de krijgsmachten teweeg te brengen of te bevorderen, betrekkingen aanknoopt of onderhoudt met een regering, een partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en Berlijn (West), of met een persoon, die voor een zodanige regering, partij, vereniging of instelling werkt, wordt gestraft met eenzame opsluiting („Zuchthaus”).
2
Indien de dader handelt met het oogmerk andere maatregelen of plannen van een regering, partij, enige andere vereniging of instelling buiten het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland en Berlijn (West), welke erop zijn gericht nadeel toe te brengen aan de veiligheid van een van de Drie Mogendheden of van de krijgsmachten, teweeg te brengen of te bevorderen, bestaat de straf uit gevangenisstraf. Ook de poging is strafbaar.
3
Hij die met het oogmerk een van de in de leden 1 en 2 van deze Afdeling aangegeven maatregelen of plannen teweeg te brengen of te bevorderen, verklaringen welke onwaar zijn of welke een grove verdraaiing van de feiten inhouden, aflegt of in omloop brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf. Ook de poging is strafbaar.
4
In bijzonder ernstige gevallen kan de straf, in de gevallen bedoeld in lid 1 van deze Afdeling, bestaan uit levenslange tuchthuisstraf („Zuchthaus”); in bijzonder ernstige gevallen kan de straf in de gevallen bedoeld in de leden 2 en 3 van deze Afdeling, bestaan uit tuchthuisstraf („Zuchthaus”).
Afdeling 9
1
Voor daden welke krachtens dit Hoofdstuk strafbaar zijn, kan worden opgelegd:
- boven de straffen uit hoofde van Afdeling 2 en van Afdeling 8 lid 1: een geldboete tot een onbeperkt bedrag;
- boven de straffen uit hoofde van de Afdelingen 3, 4 en 7 en Afdeling 8, leden 2 en 3: een geldboete;
- boven een veroordeling tot gevangenisstraf van tenminste 3 maanden, opgelegd ter zake van een opzettelijk gepleegd delict: het verbod om een openbaar ambt te bekleden, het verlies van het actieve en passieve kiesrecht alsmede het verlies van de op grond van openbare verkiezingen verkregen rechten, voor een periode van 1 tot 5 jaar;
- boven iedere vrijheidsstraf, opgelegd op grond van de Afdelingen 2, 4, 5, 7 en 8: de machtiging om de veroordeelde onder politietoezicht te stellen.
2
Artikel 86 van het Wetboek van Strafrecht als gewijzigd bij de Wet van 30 augustus 1951 is van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK II. — SABOTAGE
Afdeling 10
1
Hij die opzettelijk militaire uitrustingsstukken van de krijgsmachten, of een installatie ten dienste van de verdediging in de zin van artikel 4 van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland, beschadigt, vernielt, onbruikbaar maakt of aan haar rechtmatige bestemming onttrekt, en daardoor opzettelijk de veiligheid van de krijgsmachten of hun paraatheid in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van tenminste 3 maanden. In ernstige gevallen kan tuchthuisstraf („Zuchthaus”) worden opgelegd.
2
Hij die opzettelijk militaire uitrustingsstukken of een verdedigingsinstallatie of voor de verdediging bestemde grondstoffen in gebrekkige staat vervaardigt of aflevert en daardoor opzettelijk de veiligheid van de krijgsmachten of hun paraatheid in gevaar brengt, wordt op dezelfde wijze gestraft.
3
Ook de poging is strafbaar.
4
Hij die zich schuldig maakt aan grove nalatigheid en door die nalatigheid de veiligheid van de krijgsmachten of hun paraatheid in gevaar brengt, wordt gestraft met gevangenisstraf.
Afdeling 11
HOOFDSTUK III. — ONDERMIJNING VAN DE BEREIDHEID TOT VERVULLING VAN DE DIENST, EN VAN DE TUCHT- IN DE KRIJGSMACHTEN
Afdeling 12
1
Hij die invloed uitoefent op de leden van de krijgsmachten met het oogmerk hun bereidheid tot vervulling van hun dienst bij de krijgsmachten te ondermijnen, wordt gestraft met gevangenisstraf.
2
Ook de poging is strafbaar.
3
In bijzonder ernstige gevallen kan tuchthuisstraf („Zuchthaus”) van ten hoogste 5 jaar worden opgelegd.
Afdeling 13
1
Hij die een lid van de krijgsmachten overhaalt tot desertie of de desertie van een lid van de krijgsmachten vergemakkelijkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten minste 3 maanden.
2
Ook de poging is strafbaar.
3
In bijzonder ernstige gevallen kan tuchthuisstraf („Zuchthaus”) van ten hoogste 10 jaar worden opgelegd.
Afdeling 14
HOOFDSTUK IV. — BESCHIMPING VAN DE KRIJGSMACHTEN
Afdeling 15
HOOFDSTUK V. — TOEPASSING VAN BEPALINGEN VAN HET DUITSE WETBOEK VAN STRAFRECHT TEN GUNSTE VAN DE KRIJGSMACHTEN
Afdeling 16
Bepalingen inzake radiofrequenties
1
In deze bepalingen
- (a). wordt de uitdrukking „radiostation” bepaald door artikel 1 van hoofdstuk II van het Reglement betreffende de radioberichtgeving, bijlage bij het Internationale Verdrag betreffende de Verreberichtgeving, Atlantic City, 1947;
- (b). zijn „security frequencies” die frequenties, welke uitsluitend door de krijgsmachten voor militaire en daarmede in verband staande doeleinden worden gebruikt, met inbegrip van radiouitzendingen voor de leden van de krijgsmachten, doch niet voor propagandadoeleinden;
- (c). zijn „security bands” die frequentie-bereiken van het radiospectrum, welke uitsluitend door de krijgsmachten worden gebruikt voor militaire en daarmede in verband staande doeleinden, met inbegrip van radiouitzendingen voor leden van de krijgsmachten, doch niet voor propagandadoeleinden;
- (d). zijn „mixed bands” die delen van het radiospectrum, welke door de krijgsmachten worden gebruikt voor militaire en daarmede in verband staande doeleinden, met inbegrip van radiouitzendingen voor leden van de krijgsmachten, doch niet voor propagandadoeleinden en welke onder bepaalde voorwaarden eveneens kunnen worden gebruikt door civiele radiostations.
2
De radiostations van de krijgsmachten maken alleen gebruik van de frequenties genoemd in de punten (b) tot en met (d) van lid 1 van deze bepalingen en in overeenstemming met de bepalingen van artikel 47 van het Internationale Verdrag betreffende de Verreberichtgeving, Atlantic City, 1947, of zodanige bepalingen als daarvoor in de plaats mochten worden gesteld.
3
Er wordt een Frequentiecommissie ingesteld, welke is samengesteld uit vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten van de Drie Mogendheden en uit vertegenwoordigers van de Bondsrepubliek. De Frequentiecommissie neemt haar besluiten met eenparigheid van stemmen.
4
„Security frequencies”, „security bands” en „mixed bands” met inbegrip van de overeenkomstig lid 1 (d) van deze bepalingen in de „mixed bands” vast te leggen technische voorwaarden, welke nodig zijn voor de radiostations van de krijgsmachten en de wijzigingen van de frequenties welke aan de krijgsmachten bij het in werking treden van dit Verdrag zijn toegekend of toegewezen, worden vastgesteld door de Frequentiecommissie. De leden van de Frequentiecommissie coördineren alle frequentietoewijzingen voor zover zulks ter vermijding van storingen noodzakelijk is. De Frequentiecommissie heeft de beschikking over de luisterdiensten. Luisterrapporten, welke inlichtingen bevatten betreffende de in lid 1 (b) tot en met (d) bedoelde frequenties, worden alleen met toestemming van de Frequentiecommissie aan internationale lichamen doorgegeven. Inlichtingen betreffende civiele frequenties worden aan de Frequentiecommissie ter beschikking gesteld. Er zullen geen frequentietoewijzingen plaats vinden en er zullen geen radiobedrijven worden toegelaten, welke een storende invloed kunnen uitoefenen, hetzij op de frequentietoewijzingen, welke van kracht zijn op het ogenblik van inwerkingtreding van dit Verdrag, hetzij op de frequentietoewijzingen, welke door de Frequentiecommissie overeenkomstig de bepalingen van dit lid worden verricht.
5
Indien tijdens internationale conferenties problemen ter sprake komen welke vallen onder de bevoegdheid van de Frequentiecommissie, houden de Duitse vertegenwoordigers in voldoende mate rekening met de eventueel door de Frequentiecommissie genomen beslissingen, en gebruiken al hun invloed om de frequentiegebieden en de frequenties welke onder de bevoegdheid van de Frequentiecommissie vallen, te beschermen.
De Verenigde Staten van Amerika, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland, de Franse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland komen overeen als volgt:
Voor inwerkingtreding zie ook Trb. 1957/229.
Artikel 1
Tenzij uit het zinsverband anders blijkt, hebben de volgende uitdrukkingen dezelfde betekenis als die welke daaraan is gegeven in artikel 1 van het Verdrag inzake de rechten en verplichtingen van buitenlandse krijgsmachten en haar leden in de Bondsrepubliek Duitsland (hierna te noemen „het Verdrag inzake de krijgsmachten”):
- het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland;
- de Drie Mogendheden;
- andere staat van herkomst;
- de betrokken Mogendheid;
- de krijgsmachten;
- autoriteiten van de krijgsmachten;
- leden van de krijgsmachten;
- onroerende goederen.
In dit Verdrag worden aan de volgende nieuwe uitdrukkingen de hierna vermelde betekenissen gehecht:
- (a). autoriteiten van de betrokken Mogendheid: De autoriteiten van de betrokken Mogendheid met inbegrip van de autoriteiten van haar krijgsmachten.
- (b). vervallen.
- (c). middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten: middelen van de Bondsrepubliek welke overeenkomstig lid 1 tot 3 van artikel 4 van dit Verdrag ter beschikking worden gesteld van de betrokken Mogendheden als bijdrage in de kosten van de op het grondgebied van de Bondsrepubliek gestationeerde krijgsmachten en hun leden.
Artikel 2
De autoriteiten van de betrokken Mogendheden en de Duitse autoriteiten werken volledig samen en verlenen elkaar volledige bijstand bij de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag; zij wisselen alle inlichtingen uit waarover zij beschikken en welke noodzakelijk kunnen zijn voor de tenuitvoerlegging van dit Verdrag; tevens stellen zij elkaar de diensten van hun onderscheidene instanties ter beschikking teneinde mede te werken aan een bevredigende tenuitvoerlegging van dit Verdrag.
Artikel 3
Vervallen
Artikel 4
- (a). Van de inwerkingtreding van dit Verdrag af tot aan de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage, stelt de Bondsregering een gemiddelde maandelijkse bijdrage van 600.000.000,- DM ter beschikking voor het onderhoud van de krijgsmachten.
- (b). Van het in lid 1 (a) bedoelde bedrag van 600.000.000,- DM wordt maandelijks een bedrag van 100.000.000,- DM bestemd voor speciale gezamenlijk tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek overeengekomen verdedigingsmaatregelen; dit laatste bedrag omvat tevens uitgaven voor het NAVO infrastructuurprogramma. Betalingen van vergoedingen voor bezettingsschade kunnen er eveneens onder worden begrepen.
- (c). De bepalingen van lid 1 (a) en 1 (b) gelden in ieder geval slechts tot 30 juni 1955. Indien de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage na die datum van kracht worden, vinden onderhandelingen plaats tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden over de bijdrage van de Bondsrepubliek tot het onderhoud van de krijgsmachten gedurende de periode van 30 juni 1955 tot aan de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage.
Gedurende de eerste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage, stelt de Bondsrepubliek als bijdrage tot het onderhoud van de krijgsmachten een totaal-bedrag van 3.200.000.000,- DM beschikbaar. Deze middelen worden als volgt ter beschikking gesteld:
- 400.000.000 DM per maand gedurende de eerste twee maanden;
- 300.000.000 DM per maand gedurende de volgende vier maanden;
- 200.000.000 DM per maand gedurende de laatste zes maanden.
Indien de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage na 30 juni 1955 in werking treden, zijn deze bepalingen niet van toepassing en vinden onderhandelingen plaats tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden betreffende de bijdrage van de Bondsrepubliek in het onderhoud van de krijgsmachten gedurende een periode van ten hoogste twaalf maanden na de inwerkingtreding van de regelingen voor de Duitse Verdedigingsbijdrage.
De Drie Mogendheden erkennen het recht van de Bondsrepubliek voor te stellen dat de bepalingen van lid 2 van dit artikel opnieuw in overweging worden genomen indien zij van mening mocht zijn dat zulks wordt gerechtvaardigd door de last welke ontstaat als gevolg van de opbouw van de overeengekomen Duitse strijdkrachten. In dat geval onderzoeken de ondertekenende staten alle ter zake dienende factoren en, indien zij tot de slotsom komen dat zulks noodzakelijk is, stemmen zij erin toe bovenstaande bepalingen ten aanzien van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten te wijzigen.
Overeenkomstig de geest van artikel 3 van het Noordatlantisch Verdrag is de Bondsrepubliek bereid, na afloop van de in lid 2 van dit artikel genoemde periode, met de andere Regeringen van de landen welke lid zijn van de Noordatlantische Verdrags Organisatie en welke strijdkrachten gestationeerd hebben op het grondgebied van de Bondsrepubliek, te onderhandelen over aangelegenheden met betrekking tot het onderhoud (bijvoorbeeld, goederen en diensten) van die strijdkrachten waarbij de behoeften van de strijdkrachten van de Bondsrepubliek in aanmerking worden genomen.
Middelen welke overeenkomstig de leden 1 tot 3 van dit artikel beschikbaar worden gesteld voor de ene periode kunnen, overeenkomstig de bepalingen van lid 6 van dit artikel, gedurende andere perioden worden gebruikt. De Drie Mogendheden hebben tot taak, na overleg met de Bondsrepubliek, de in overeenstemming met dit artikel ter beschikking gestelde bedragen onder de betrokken Mogendheden te verdelen of te herverdelen. De bepalingen van artikel 5 van dit Verdrag zijn van toepassing op de uitgave van deze middelen behalve voor zover die middelen worden uitgegeven in overeenstemming met de bepalingen van lid 6 (a) van dit artikel.
De enige uitgaven welke ten laste kunnen worden gebracht van de in overeenstemming met de leden 1 tot 3 van dit artikel voor het onderhoud van de krijgsmachten ter beschikking gestelde middelen zijn:
- (a). bedragen welke zijn uitgegeven uit hoofde van betalingsmachtigingen afgegeven na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor het voldoen aan geldelijke verplichtingen in verband met onroerende goederen, goederen, materialen of diensten welke zijn aangeschaft of besteld door de autoriteiten van de betrokken Mogendheden vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten voor zover zodanige bedragen niet gedekt worden door niet-uitgegeven middelen op de begroting inzake de bezettingskosten en de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland welke middelen voor dit doel ter beschikking blijven van de Drie Mogendheden na de inwerkingtreding van dit Verdrag;
- (b). bedragen welke zijn uitgegeven uit hoofde van betalingsmachtigingen afgegeven vóór het einde van de in lid 2 van dit artikel genoemde periode binnen het kader van de overeenkomstig artikel 5 van dit Verdrag vastgestelde D.M. begrotingen van de betrokken Mogendheden. Voor zover de in lid 1 van dit artikel genoemde middelen niet volledig zijn gebruikt ter dekking van de betalingsmachtigingen afgegeven voor het einde van de in dat lid genoemde periode, blijven zij gedurende een periode van achttien maanden ter beschikking van de krijgsmachten voor de afwikkeling van verplichtingen waaraan op dat ogenblik nog niet is voldaan en welke ten laste komen van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten. Een overeenkomstige werkwijze wordt toegepast bij de middelen welke overeenkomstig lid 2 van dit artikel ter beschikking zijn gesteld; deze laatste middelen blijven echter nog twaalf maanden na afloop van de betreffende periode ter beschikking van de krijgsmachten; en
- (c). bedragen uitgegeven voor andere doeleinden waaromtrent tussen de Bondsrepubliek en de Drie Mogendheden overeenstemming is bereikt.
De Drie Mogendheden verplichten zich, voortdurend pogingen in het werk te stellen om te verzekeren dat het saldo van de niet gebruikte middelen niet toeneemt en zo spoedig mogelijk aanzienlijk wordt verminderd. De autoriteiten van de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek werken te dien einde volledig samen en verlenen elkaar bijstand door het uitwisselen van terzake dienende inlichtingen en op alle andere in aanmerking komende wijzen. Onder het saldo van niet gebruikte middelen wordt in dit lid verstaan dat gedeelte van de door de Bondsrepubliek ter beschikking gestelde middelen voor bezettingskosten en begrotingsuitgaven dat niet is uitgegeven met dat deel van de overeenkomstig lid 1 van dit artikel ter beschikking gestelde middelen dat eveneens niet is uitgegeven.
Artikel 5
Middelen welke zijn bestemd voor het onderhoud van de krijgsmachten worden uitsluitend voor dat doel gebruikt. De Drie Mogendheden verplichten zich, de ten laste van deze middelen komende kosten zo laag te houden als verenigbaar is met de militaire doeltreffendheid van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheden, en de middelen doeltreffend en zuinig te gebruiken.
Door ieder der betrokken Mogendheden worden begrotingen opgesteld en de uitgaven van middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten dienen in overeenstemming te zijn met de hoofdstukken en de bedragen welke zijn vastgesteld in de door de betrokken Mogendheden vastgestelde ramingen ten tijde van het bereiken van overeenstemming ten aanzien van het krachtens dit Verdrag ter beschikking te stellen bedrag. Ieder der betrokken Mogendheden mag vrijelijk bedragen overmaken van het ene begrotingshoofdstuk naar het andere mits de door deze overmakingen veroorzaakte verandering niet meer dan tien procent bedraagt van de oorspronkelijk voor de voornaamste hoofdstukken vastgestelde bedragen. Overmakingen welke een verandering van meer dan tien procent ten gevolge hebben kunnen worden verricht na bereikte overeenstemming tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek.
De betrokken Mogendheden en de Bondsrepubliek kunnen bij bijzondere overeenkomst in een bijzondere begroting de bedragen vastleggen voor de bouw van
- (a). onroerende goederen voor de krijgsmachten van de betrokken Mogendheden of voor de strijdkrachten van Duitse oorsprong,
- (b). de in artikel 20 van het Verdrag inzake de krijgsmachten bedoelde installaties en werken,
alsmede de uitgaven voor het verwerven van de voor de bouw benodigde terreinen.
Artikel 6
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 4 van dit Verdrag, neemt de Bondsrepubliek alle maatregelen welke noodzakelijk zijn voor het, naar behoefte, ter beschikking stellen van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten.
Behoudens de tegengestelde bepalingen van lid 4 van dit artikel, worden deze middelen betaald door de bevoegde Duitse betalingsinstanties tegen betalingsmachtigingen welke door de bevoegde autoriteiten van de krijgsmachten worden afgegeven. In deze betalingsmachtigingen wordt verklaard dat betaling binnen het kader van het betreffende hoofdstuk van de begroting van de betrokken Mogendheid toegestaan is in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, en er zullen behoorlijke bewijsstukken van de verleende diensten worden bijgevoegd. De bevoegde Duitse betalingsinstanties betalen, na overlegging van de betalingsmachtiging, het op de machtiging aangegeven bedrag uit. De gemachtigde vertegenwoordigers van de betrokken Mogendheid kunnen de Duitse boekhouding met betrekking tot de door de bevoegde Duitse betalingsinstanties verrichte betalingen onderzoeken.
Door iedere betrokken Mogendheid, enerzijds, en door de Bondsrepubliek, anderzijds, worden rekeningen bijgehouden van ontvangsten en uitgaven volgens een door de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek overeengekomen gelijkluidende nomenclatuur. Indien de rekeningen van de Bondsrepubliek en die van een der Mogendheden niet met elkaar in overeenstemming mochten zijn, nadat zij elk zijn gecontroleerd overeenkomstig de krachtens de Duitse wetten of voorschriften of krachtens de wetten of voorschriften van de betrokken Mogendheid geldende werkwijzen, al naar het geval zich voordoet, worden de rekeningen met elkaar in overeenstemming gebracht op een door een ingevolge artikel 14 van dit Verdrag in te stellen Coördineringscommissie vast te stellen wijze. Aan de Coördineringscommissie wordt periodiek verslag uitgebracht ten aanzien van ontvangsten en uitgaven.
De betrokken Mogendheden kunnen van de Duitse betalingsinstanties middelen verkrijgen om door middel van haar eigen instanties betalingen te verrichten voor
- (a). kleinere uitgaven in overeenstemming met de voorschriften van de betrokken Mogendheid, of
- (b). iedere andere uitgave ten aanzien waarvan overeenstemming bestaat dat een dergelijke werkwijze noodzakelijk is.
Ten aanzien van deze uitgaven dienen de machtigingen en bewijsstukken welke overeenkomstig lid 2 van dit artikel noodzakelijk zijn, aanwezig te zijn.
Artikel 7
De volgende soorten faciliteiten en diensten worden door de krijgsmachten, zowel voor henzelf als voor hun leden, gratis gebruikt of genoten:
- (a). administratieve diensten of bijstand van Duitse openbare instanties tenzij er overeenstemming over bestaat dat deze diensten of bijstand van een bijzondere aard zijn welke een betaling rechtvaardigen;
- (b). wegen, hoofdverkeerswegen, bruggen;
- (c). bevaarbare wateren, tenzij de op een bepaald ogenblik op militaire gebruikers toepasselijke Duitse voorschriften de betaling van rechten voor verleende diensten noodzakelijk maken;
- (d). Duitse politie, openbare gezondheids- en brandweerdiensten, tenzij er overeenstemming over bestaat dat deze diensten van een bijzondere aard zijn welke een betaling rechtvaardigen;
- (e). andere openbare diensten en faciliteiten welke gewoonlijk door de inwoners van het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland worden genoten zonder betaling van een bepaalde heffing;
- (f). meteorologische, topografische en cartografische faciliteiten en diensten, tenzij er overeenstemming over bestaat dat deze faciliteiten of diensten van een bijzondere aard zijn welke een betaling rechtvaardigen;
- (g). de volgende eigendommen behalve ten aanzien van reparaties en onderhoud:
- (i). eigendommen welke behoren aan de Bondsrepubliek en niet beheerd worden door de Duitse Bondsspoorwegen of de Bondsposterijen, tenzij overeengekomen wordt dat een uitzondering behoort te worden gemaakt in het geval van eigendommen welke worden verworven na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor niet-verdedigingsdoeleinden;
- (ii). eigendommen welke eertijds behoorden aan het vroegere Reich en welke onderworpen zijn aan het beheer van de Bondsrepubliek in overeenstemming met de Wet inzake een voorlopige regeling van de wettelijke positie van de eigendommen van het Reich en de Pruisische aandelen van 21 juli 1951 (Bundesgesetzblatt Teil I Seite 467) en de verordening inzake de tenuitvoerlegging van artikel 6 van die Wet van 26 juli 1951 (Bundesgesetzblatt Teil I Seite 471), en welke niet worden beheerd door de Duitse Bondsspoorwegen of Bondsposterijen;
- (iii). eigendommen welke zijn opgericht of aangeschaft door middel van uitgaven ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland of uit middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten, met de volgende uitzonderingen:
- (1). indien het eigendommen betreft — afgezien van eigendommen welke overeenkomstig lid 1 (g) (i) en (ii) gratis worden gebruikt — welke uit zodanige middelen wederopgebouwd zijn, wordt huur betaald tot een bedrag dat in dezelfde verhouding zal worden verminderd als die waarin de kosten van wederopbouw staan ten opzichte van de totale waarde van het eigendom; en
- (2). grondpacht wordt betaald voor terreinen welke niet het eigendom zijn van de Bondsrepubliek.
Indien eigendommen van een van de „Länder” door de krijgsmachten worden gebruikt, hetzij voor henzelf of voor hun leden, verplicht de Bondsrepubliek zich erop toe te zien, dat de krijgsmachten worden gevrijwaard voor alle aanspraken van het betrokken „Land” op vergoeding krachtens het Duitse recht voor een dergelijk gebruik.
Ten aanzien van eigendommen welke gratis worden gebruikt overeenkomstig lid 1 (g) en eigendommen bedoeld in lid 2 van dit artikel, vervult de Bondsrepubliek de eventuele verplichting van de eigenaar tot het betalen van grondbelasting overeenkomstig het Duitse recht.
Leden van de krijgsmachten ontvangen of genieten gratis voor henzelf zodanige diensten of faciliteiten welke gewoonlijk door andere personen op het grondgebied van de Bondsrepubliek gratis worden genoten.
Militaire vliegtuigen van enige betrokken Mogendheid (met inbegrip van vliegtuigen welke worden geëxploiteerd onder toezicht van de krijgsmachten van zodanige Mogendheid) betalen geen vergoeding voor het landen op, of het vertrekken van burgervliegvelden op het grondgebied van de Bondsrepubliek, tenzij, in het geval van vliegvelden welke niet het eigendom zijn van of welke niet worden beheerd door de Bondsrepubliek, een vergoeding betaald dient te worden uit hoofde van de op een gegeven ogenblik op militaire gebruikers van toepassing zijnde voorschriften. Bij noodlandingen wordt geen vergoeding in rekening gebracht.
In het algemeen worden de kosten welke zijn verbonden aan de bouw, het herstel en het onderhoud van vervoers- en verbindingsfaciliteiten, -installaties en -uitrusting, en openbare nutsbedrijven waarvan zowel door burgers als militairen gebruik wordt gemaakt, niet ten laste gebracht van de verdedigingsbijdrage van de Bondsrepubliek. Indien deze faciliteiten echter geen winst afwerpen en er door burgers slechts weinig gebruik van wordt gemaakt of indien andere omstandigheden een afwijking van de algemene regels rechtvaardigen, zullen de extra kosten welke het gevolg zijn van het feit dat de faciliteiten thans ook door militairen worden gebruikt, na voorafgaande bijzondere overeenstemming, al naar het geval zich voordoet, geheel of gedeeltelijk door de krijgsmachten worden betaald.
Artikel 8
Met inachtneming van de bepalingen van artikel 9 van dit Verdrag worden eisen tot schadevergoeding in verband met verlies of schade welke na de inwerkingtreding van dit Verdrag is veroorzaakt door een handelen of nalaten van de krijgsmachten op het grondgebied van de Bondsrepubliek, behandeld in overeenstemming met de bepalingen van dit artikel en kunnen slechts in overeenstemming met die bepalingen geldend worden gemaakt.
Het volgende wordt geacht een handelen of een nalaten van de krijgsmachten te zijn:
- (a). een handelen of nalaten van een lid van of werknemer bij de krijgsmachten, of van een persoon die overeenkomstig artikel 44 of 45 van het Verdrag inzake de krijgsmachten voor de krijgsmachten werkt, bij de uitoefening van de dienst;
- (b). werkzaamheden der krijgsmachten;
- (c). een handelen of nalaten dat schade veroorzaakt, uitgaande boven de normale slijtage, aan voor gebruik door de krijgsmachten overeenkomstig het Verdrag inzake de krijgsmachten beschikbaar gestelde onroerende of roerende goederen, in gevallen waar dergelijke schade ontstaat tijdens een zodanig gebruik;
- (d). een handelen of nalaten van een lid van de krijgsmachten dat deelneemt aan oefeningen van de krijgsmachten, welk handelen of nalaten schade veroorzaakt aan onroerende goederen.
Aan voor gebruik door de krijgsmachten beschikbaar gestelde onroerende of roerende goederen toegebrachte schade wordt geacht te zijn toegebracht op de datum waarop zij door de krijgsmachten worden vrijgegeven en de eis tot schadevergoeding wordt geacht voor het eerst op die datum te zijn ontstaan.
Bij het vaststellen of en tot op welke hoogte schadevergoeding betaald wordt voor verlies of schade welke wordt veroorzaakt door een handelen of nalaten van de krijgsmachten, houden de bevoegde instanties van de krijgsmachten op behoorlijke wijze rekening met de bepalingen van het Duitse recht welke de aansprakelijkheid van de Bondsrepubliek onder soortgelijke omstandigheden zouden bepalen. Eisen tot schadevergoeding worden vastgelegd ongeacht de vrijstelling van de Duitse verkeersvoorschriften waarop de krijgsmachten krachtens lid 3 en 5 van artikel 17 van het Verdrag inzake de krijgsmachten recht hebben.
In het kader van dit artikel worden niet behandeld aanspraken wegens
- (a). schade aan openbare wegen, hoofdwegen, bruggen, bevaarbare waterwegen en andere verkeersfaciliteiten welke voortvloeit uit het gebruik daarvan door de krijgsmachten, haar leden of werknemers voor normale verkeersdoeleinden;
- (b). verlies van, of schade aan, enigerlei door de krijgsmachten krachtens (g) (iii) van lid 1 van artikel 7 van dit Verdrag gratis gebruikte eigendommen;
- (c). verlies of schade voortvloeiend uit contracten of rechtsverhoudingen van semi-contractuele aard.
Een eiser wordt geacht afstand te hebben gedaan van zijn eis tegenover de krijgsmachten indien hij deze niet indient binnen een tijdvak van negentig dagen nadat hij heeft kennis gekregen van het verlies of de schade, tenzij er voor zijn nalaten om de eis tot schadevergoeding in te dienen een redelijke grond aanwezig was, inzonderheid indien het hem niet bekend was tegen wie de eis moest worden gericht. Enigerlei niet door de instantie der krijgsmachten binnen een jaar na de datum van het voorval dat het verlies of de schade veroorzaakte ontvangen eis tot schadevergoeding of in het geval van in (c) van lid 2 van dit artikel bedoeld verlies of bedoelde schade binnen een jaar na het vrijgeven van de goederen, wordt niet in behandeling genomen.
De eisen tot schadevergoeding worden bij de bevoegde Duitse instanties ingediend in een tussen de Duitse autoriteiten en de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid overeen te komen vorm.
De Duitse instantie moet
- (a). onmiddellijk aan de bevoegde instantie van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid die bijzonderheden betreffende de eis tot schadevergoeding doen toekomen welke die instantie nodig kan hebben; en
- (b). de eis binnen redelijke tijd onderzoeken en terzake een met redenen omklede aanbeveling doen bij de instantie der krijgsmachten.
De instantie van de krijgsmachten gaat na of en tot op welke hoogte schadevergoeding voor de geleden schade dient te worden betaald. Zij stelt de eiser en de Duitse instantie op de hoogte van haar beslissing. Indien de eiser het door de instantie der krijgsmachten als schadevergoeding toegekende bedrag als volledige vergoeding voor zijn eis aanvaardt, wordt de betaling verricht volgens tussen de Bondsautoriteiten en de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid overeen te komen procedures.
Indien de eiser de aangeboden schadevergoeding niet aanvaardt of het met het verwerpen van zijn eis niet eens is, kan hij, binnen drie maanden nadat hem de beslissing werd medegedeeld, terzake van zijn eis tot schadevergoeding voor de gewone Duitse gerechtshoven een proces beginnen tegen de Bondsrepubliek.
De bevoegde instanties van de krijgsmachten stellen aan de Duitse autoriteiten op verzoek gegevens en bewijzen ter beschikking welke zich in hun bezit bevinden en welke zouden kunnen bijdragen tot de verdediging in zulk een proces, voor zover zij dit krachtens de regelingen van de betrokken Mogendheid mogen doen.
De bevoegde instantie van de krijgsmachten kan, indien deze dat wenst, deelnemen aan zulk een proces tegen de Bondsrepubliek door
- (a). van de Bondsrepubliek te eisen haar houding in deze te verdedigen of in beroep te gaan, of
- (b). als mede-beklaagde („Nebenintervenient”) te verschijnen overeenkomstig de bepalingen van het Duitse Wetboek van burgerlijke rechtsvordering.
De bevoegde Duitse instantie stelt de instantie van de krijgsmachten in kennis van de uitspraak in zulk een proces en de daarvoor opgegeven gronden. Mocht de uitspraak van het gerechtshof verschillen van de beslissing van de instantie van de krijgsmachten, dan geldt het volgende:
- (a). indien de autoriteiten van de krijgsmachten deelnamen aan het proces tegen de Bondsrepubliek overeenkomstig lid 12 van dit artikel, wordt de beslissing van de instantie gewijzigd in die zin dat zij in overeenstemming is met de uitspraak; doch
- (b). indien de autoriteiten van de krijgsmachten niet deelnamen aan het proces, herziet de instantie van de krijgsmachten op verzoek van de Duitse autoriteiten haar beslissing, daarbij de uitspraak van het gerechtshof in aanmerking nemend. Indien na zulk een herziening de instantie het voornemen heeft bij haar oorspronkelijke beslissing te blijven, deelt zij dit voornemen aan de Duitse autoriteiten mede en geeft de Duitse autoriteiten de gelegenheid haar gezichtspunten uiteen te zetten.
Elke schadevergoeding welke betaalbaar is bij een definitieve beslissing welke is genomen overeenkomstig dit lid, wordt betaald krachtens de in lid 9 van dit artikel neergelegde procedures.
Krachtens een beslissing van een instantie van de krijgsmachten toegewezen schadevergoeding komt, gedurende de in de leden 1 en 2 van artikel 4 van dit Verdrag bepaalde tijdvakken, ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten van de betrokken Mogendheid, tenzij anders tussen de betrokken Mogendheid en de Bondsrepubliek is overeengekomen. Een overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Britannië en Noord-Ierland ten aanzien van deze kwestie en met betrekking tot de daarbijbehorende procedure is aan dit Verdrag toegevoegd als Bijlage A. Een gelijksoortige overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de Verenigde Staten van Amerika is aan dit Verdrag toegevoegd als Bijlage B.
Ongeacht de andere bepalingen van dit artikel worden eisen tot schadevergoeding met betrekking tot schade toegebracht aan roerende of onroerende goederen welke voor gebruik door de autoriteiten van de betrokken Mogendheid vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag beschikbaar zijn gesteld en door haar na het einde van het in lid 2 van artikel 4 van dit Verdrag vastgestelde tijdvak zijn vrijgegeven, door de Duitse autoriteiten vastgesteld en komen niet ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten, of ten laste van de betrokken Mogendheid.
Eisen tot schadevergoeding van inwoners van de Bondsrepubliek tegenover personen die lid zijn van de krijgsmachten uit hoofde van een militaire dienstverhouding of tegenover werknemers van de krijgsmachten die onderdaan zijn van de betrokken Mogendheid, welke voortvloeien uit een handeling of nalaten buiten de uitoefening van de dienst voor de krijgsmachten, kunnen geldend worden gemaakt, vastgesteld en voldaan overeenkomstig de leden 6, 7, 8, 9 en 14 van dit artikel. De normale rechtsmiddelen van de eiser tegen de persoon die het verlies of de schade veroorzaakte blijven onaangetast, tenzij de eiser de betaling van een schadeloosstelling aanvaardt welke door een instantie van de krijgsmachten is toegekend bij wijze van definitieve regeling van de eis. De eerste volzin van dit lid geldt niet voor eisen waarvoor de persoon die het verlies of de schade veroorzaakt heeft, gedekt is door een contract van een wettelijke aansprakelijkheidsverzekering of schadevergoeding betaalt uit eigen middelen.
Indien het in enigerlei civiele procedure voor een Duits gerechtshof waarbij een onder dit artikel vallende eis betrokken is, noodzakelijk is te beslissen of een handelen of nalaten al dan niet plaatsvond tijdens de uitoefening van de dienst, wordt van de bevoegde instantie van de krijgsmachten een verklaring over zulk een aangelegenheid gevraagd. Op verzoek van het gerechtshof of de Duitse autoriteiten zal in een speciaal geval de instantie van de krijgsmachten de verklaring herzien. Elke afgegeven verklaring is definitief wat betreft de desbetreffende aangelegenheid.
Artikel 9
Elke betrokken Mogendheid, harerzijds, alsmede de Bondsrepubliek, harerzijds, doet afstand van alle aanspraken jegens de andere partij wegens verlies van, of schade aan, enigerlei in haar bezit zijnde eigendommen op het grondgebied der Bondsrepubliek welke na de inwerkingtreding van dit Verdrag door werkzaamheden, door een handelen of nalaten van instanties of personen voor wier handelen en nalaten de andere partij wettelijk verantwoordelijk is door deze instanties of personen veroorzaakt bij de uitoefening van hun dienst. Dit afstand doen van aanspraken geldt niet voor verlies van, of schade aan, eigendommen van de Duitse Bondsspoorwegen of de Bondsposterijen, of voor verlies of schade waarvoor die organisaties verantwoordelijk zijn.
Met inachtneming van het in lid 1 van dit artikel neergelegde beginsel, worden aanspraken wegens verlies van, of schade aan, door de krijgsmachten krachtens punt (i) en (ii) van (g) van lid 1 van artikel 7 van dit Verdrag vrij van betaling gebruikte eigendommen, en aanspraken welke voortvloeien uit de waardevermeerdering van zulke eigendommen, geacht elkaar op te heffen.
De Bondsrepubliek verbindt zich, er zorg voor te dragen, dat elke betrokken Mogendheid ontheven wordt van de aansprakelijkheid voor eisen tot schadevergoeding van enig „Land” der Bondsrepubliek welke voortvloeien uit een handelen of nalaten van de krijgsmachten als omschreven in lid 2 van artikel 8 van dit Verdrag. Elke betrokken Mogendheid verbindt zich ten gunste van de Bondsrepubliek afstand te doen van alle overeenkomstige aanspraken welke zij jegens enigerlei „Land” van de Bondsrepubliek kan hebben. Elke betrokken Mogendheid verbindt zich verder ten gunste van de Bondsrepubliek afstand te doen van aanspraken met betrekking tot verbeteringen welke leiden tot waardevermeerdering van de in lid 2 van artikel 7 van dit Verdrag bedoelde eigendommen.
Artikel 10
Betalingen door de Bondsrepubliek ter voldoening van enigerlei in artikel 3 van Hoofdstuk Negen van het Verdrag inzake de regeling van aangelegenheden voortspruitende uit de oorlog en de bezetting bedoelde eisen tot schadevergoeding kunnen slechts ten laste worden gebracht van de voor het onderhoud der krijgsmachten beschikbare fondsen tot een tussen de Bondsrepubliek en de betrokken Mogendheden overeengekomen bedrag.
Alle in lid 1 van dit artikel bedoelde eisen tot schadevergoeding welke de instanties van de betrokken Mogendheid niet hebben vastgesteld vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag worden bij de bevoegde instanties van de Bondsrepubliek ingediend.
Artikel 11
Ontvangsten welke afkomstig zijn uit de volgende bronnen komen ten goede aan de Bondsrepubliek en worden behoorlijk afgerekend:
- (a). de verkoop van roerende goederen welke, voor zover dit na te gaan is, aangekocht waren (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland;
- (b). betalingen door derden van bedragen ter vergoeding van verbeteringen welke leiden tot een waardevermeerdering van hun eigendommen als gevolg van uitgaven (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland;
- (c). aanspraken op terugbetaling jegens derden welke voortvloeien uit teveel-betalingen (in Reichsmarken of Duitse Marken) ten laste van de begroting inzake de bezettingskosten of ten laste van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland.
De waarde in Duitse Marken van ontvangsten welke afkomstig zijn uit de volgende bronnen komen ten goede aan de betrokken Mogendheid en worden aangewend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 6 van dit Verdrag op basis van tussen de betrokken Mogendheid en de Bondsrepubliek overeen te komen aanvullende budgetaire voorzieningen in Duitse Marken:
- (a). de verkoop van roerend goed dat aangeschaft is met middelen bestemd voor het onderhoud van de krijgsmachten. Alle bedragen welke krachtens deze alinea worden ontvangen komen overeen met het bedrag dat het betrokken goed opbrengt indien het wordt verkocht, verminderd met de kosten aan het in verkoop brengen verbonden, of, indien het goed niet verkocht wordt, met een door onpartijdige taxatie overeenkomstig de tussen de Bondsrepubliek en de betrokken Mogendheid overeen te komen voorwaarden vastgestelde waarde;
- (b). alle ontvangsten in Duitse Marken of in natura welke voortvloeien uit het gebruik door de krijgsmachten van onroerende goederen, goederen, materialen en diensten welke krachtens dit Verdrag of het Verdrag inzake de krijgsmachten worden verschaft, mits alle in Duitse Marken luidende bedragen ontvangen van personen of instanties welke geen lid van de krijgsmachten zijn als vergoeding voor het gebruik van onroerende goederen in verband met voor de krijgsmachten en hun leden verrichte diensten ten goede komen aan de Bondsrepubliek;
- (c). betalingen door derden van bedragen als vergoeding voor verbeteringen welke hebben geleid tot een waardevermeerdering van hun eigendommen als gevolg van uitgaven gefinancierd uit de middelen bestemd voor het onderhoud der krijgsmachten. Dergelijke betalingen door „Länder” der Bondsrepubliek komen echter ten goede aan de Bondsrepubliek;
- (d). aanspraken op terugbetaling jegens derden welke voortvloeien uit teveel-betalingen uit de middelen bestemd voor het onderhoud der krijgsmachten.
De Bondsrepubliek doet haar best aanspraken te doen gelden en te doen uitvoeren welke krachtens (c) en (d) van lid 2 van dit artikel moeten worden gedaan. De autoriteiten der betrokken Mogendheid kunnen eisen dat zij tijdig worden geraadpleegd vóór het doen gelden van enigerlei aanspraak krachtens (c) van lid 1 of (d) van lid 2.
Artikel 12
Betalingen voor onroerende goederen, goederen, materialen of diensten welke aan de krijgsmachten en hun leden worden verschaft, zijn onderworpen aan de bepalingen van dit artikel.
Behalve wat betreft de in het Verdrag inzake de krijgsmachten of enigerlei andere toepasselijke overeenkomst neergelegde vrijdom van belasting of douanerechten, komen de prijzen welke worden betaald om de behoeften der krijgsmachten te dekken in beginsel overeen met het prijs- en loonpeil dat op dat ogenblik in de Bondsrepubliek geldt, doch de autoriteiten der betrokken Mogendheid kopen tegen voorwaarden welke niet minder gunstig zijn dan die welke aan kopers van een vergelijkbare categorie worden verleend. Wanneer de behoeften der krijgsmachten worden gedekt door middel van aankopen door de Duitse autoriteiten, of wanneer andere uitgaven welke ten laste komen van de middelen voor het onderhoud der krijgsmachten door de Duitse autoriteiten worden gedaan, wordt het te betalen bedrag vastgesteld in overleg met de autoriteiten der betrokken Mogendheid. Uitgezonderd in gevallen waar goederen worden aangeschaft voor verbruik door personen wier gewone verblijfplaats in het gebied der Bondsrepubliek ligt, profiteert de betrokken Mogendheid niet van enigerlei subsidies welke door de Bondsrepubliek worden verleend om de prijs van de goederen te verlagen in het belang van de Duitse consument. De procedures ter uitvoering van het bepaalde in de voorafgaande zin worden vastgelegd door de in artikel 17 van dit Verdrag voorziene aanvullende overeenkomsten.
Vergoeding voor onroerende goederen, goederen, materialen of diensten welke voor de krijgsmachten door vordering krachtens de in lid 3 van artikel 37 van het Verdrag inzake de krijgsmachten vermelde Bondswetgeving zijn verkregen, wordt door de Duitse autoriteiten vastgesteld in overleg met de autoriteiten van de betrokken Mogendheid overeenkomstig de bepalingen van die wetgeving en de in de eerste zin van lid 2 van dit artikel neergelegde beginselen. Tot de inwerkingtreding van een dergelijke wetgeving in de Bondsrepubliek, blijft de bestaande grondslag voor de vaststelling van vergoeding voor onroerende goederen, goederen, materialen en diensten welke ten behoeve van de krijgsmachten zijn gevorderd, van kracht.
De in artikel 44 van het Verdrag inzake de krijgsmachten bedoelde loon- en salarisschalen voor burgerpersoneel worden vastgesteld overeenkomstig lid 5 van dat artikel. De bedragen welke ten laste kunnen komen van de middelen voor het onderhoud der krijgsmachten omvatten de bijdrage van de werkgever in de sociale verzekeringsfondsen en de krachtens de Duitse wet te betalen premies voor de wettelijk voorgeschreven ongevallenverzekering.
De aan de krijgsmachten en hun leden krachtens de in lid 3 van artikel 41 van het Verdrag inzake de krijgsmachten genoemde overeenkomsten verschafte transport-faciliteiten en diensten worden betaald tegen de in die overeenkomsten vastgelegde tarieven. Vóór de bovengenoemde overeenkomsten aflopen, worden andere tariefovereenkomsten gesloten in overeenstemming met de beginselen van lid 2 van dit artikel en van artikel 41 van het Verdrag inzake de krijgsmachten zoals in laatstgenoemd artikel is voorzien.
De aan de krijgsmachten en hun leden krachtens artikel 42 van het Verdrag inzake de krijgsmachten verschafte faciliteiten en diensten der Duitse openbare post- en verre-berichtgevingorganen en alle door de krijgsmachten aan de Duitse autoriteiten krachtens lid 5 van dat artikel beschikbaar gestelde faciliteiten, worden betaald tegen overeenkomstig lid 1 van dat artikel vastgestelde tarieven.
Artikel 13
Uitgezonderd in bijzondere gevallen welke het onderwerp kunnen zijn van overeenstemming tussen de betrokken Mogendheden en de Bondsrepubliek, wordt de uitgave van middelen voor het verrichten van bouwwerkzaamheden overeenkomstig de bepalingen van dit artikel geregeld.
Vóór het einde van het in lid 2 van artikel 4 van dit Verdrag genoemde tijdvak, komen de volgende kosten voor de bouw van onroerende goederen ten laste van de middelen voor het onderhoud der krijgsmachten:
- (a). alle kosten inzake materiaal en arbeidskrachten, alsmede andere bouwkosten, de kosten voor het bouwrijp maken van het terrein inbegrepen;
- (b). de kosten voor de bouw en aanleg van vervoers- en verbindingsfaciliteiten en faciliteiten voor de openbare nutsbedrijven, alsmede installaties op, of faciliteiten voerend naar het terrein, mits deze faciliteiten uitsluitend worden verschaft ten dienste van de betrokken onroerende goederen;
- (c). de kosten van het verplaatsen of het verleggen tot een standaard welke niet hoger is dan te voren reeds bestond, van vervoers- en verbindingsfaciliteiten of van faciliteiten voor de openbare nutsbedrijven en der installaties welke niet langer voor openbaar gebruik beschikbaar zijn wegens de bouw van het betrokken onroerend goed.
Waar het betreft de in (b) en (c) van dit lid bedoelde kosten welke door de Duitse autoriteiten ten behoeve van de krijgsmachten worden gemaakt, wordt het ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten te brengen bedrag in overleg met de autoriteiten der krijgsmachten vastgesteld. In gevallen waar de in (b) en (c) van dit lid bedoelde faciliteiten en installaties inkomsten opleveren, of indien het bij deze faciliteiten en installaties geheel of gedeeltelijk om bouwwerkzaamheden gaat welke deel uit kunnen maken van de in het Duitse ontwikkelingsplan vervatte verbeteringen, komen de kosten daarvan ten laste van de middelen voor het onderhoud der krijgsmachten in de tussen de betrokken Mogendheden en de Bondsrepubliek overeen te komen verhouding.
Gedurende het in lid 1 van artikel 4 van dit Verdrag genoemde tijdvak, komen de kosten der in artikel 20 van het Verdrag inzake de krijgsmachten bedoelde installaties en werken ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten. Gedurende het in lid 2 van artikel 4 van dit Verdrag genoemde tijdvak, worden de kosten der bovengenoemde installaties en werken ten laste gebracht van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten voor zover daartoe is voorzien in de begrotingen van de betrokken Mogendheden en de Bondsrepubliek. Indien installaties of werken mochten worden uitgevoerd waarvoor in deze begrotingen niet is voorzien, wordt de financiering ervan vastgesteld door een voorafgaande overeenkomst tussen de Bondsrepubliek en de betrokken Mogendheden.
Alle uitgaven, uitgezonderd die waarin is voorzien in lid 2 van dit artikel, welke worden gedaan vóór het in lid 2 van artikel 4 van dit Verdrag genoemde tijdvak is verstreken en welke verband houden met het verkrijgen en het ontruimen van onroerende goederen voor de krijgsmachten, komen niet ten laste van de middelen voor het onderhoud van de krijgsmachten of van de betrokken Mogendheden.
Artikel 14
Er wordt een permanente Coördineringscommissie bestaande uit vertegenwoordigers van de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek ingesteld om de haar krachtens dit Verdrag opgedragen taken uit te voeren, de tenuitvoerlegging van dit Verdrag te coördineren en aanbevelingen te overwegen en te doen aan de ondertekenende staten betreffende het wegnemen van twijfel of moeilijkheden welke in verband daarmede mochten ontstaan en welke niet rechtstreeks door middel van overleg tussen de bevoegde autoriteiten en de betrokken diensten tot een oplossing kunnen worden gebracht.
Artikel 15
De betrokken Mogendheden kunnen ook in Berlijn alle hun krachtens dit Verdrag voor de in lid 1 van artikel 5 genoemde doeleinden beschikbaar gestelde middelen uitgeven.
Artikel 16
Op verzoek van een der ondertekenende staten kunnen besprekingen worden geopend met het doel enigerlei artikelen van dit Verdrag te wijzigen of in te trekken.
Artikel 17
De Drie Mogendheden, of enigerlei betrokken Mogendheid, en de Bondsrepubliek zullen, waar zulks noodzakelijk of wenselijk is, aanvullende overeenkomsten sluiten inzake de tenuitvoerlegging van dit Verdrag, inzonderheid de bepalingen van artikel 6.
Het onderhandelen over en het tenuitvoerleggen van deze aanvullende overeenkomsten wordt gecoördineerd door de overeenkomstig artikel 14 van dit Verdrag ingestelde Coördineringscommissie.
Artikel 18
Vervallen.
De bepalingen van dit Verdrag gelden voor de krijgsmachten der andere staten van herkomst en voor de leden van die krijgsmachten, uitgezonderd in gevallen waarin deze bepalingen worden uitgesloten of gewijzigd door een overeenkomst welke wordt getroffen tussen een zodanige andere staat van herkomst en de Bondsrepubliek.
Artikel 19
Het door middel van het Verdrag inzake de betrekkingen tussen de Drie Mogendheden en de Bondsrepubliek Duitsland opgerichte Scheidsrechterlijk Tribunaal heeft geen rechtsbevoegdheid:
- (a). in zaken welke krachtens de leden 1 tot 4 van artikel 4 van dit Verdrag moeten worden beslist door middel van onderhandelingen;
- (b). te beslissen over zaken betreffende de omvang van de bevoegdheid van of de beslissingen te herzien van de Duitse instanties en de in artikel 8 bedoelde instanties der krijgsmachten of van de overeenkomstig artikel 14 van dit Verdrag op te richten Coördineringscommissie.
IN FAITH WHEREOF the undersigned representatives duly authorised thereto by their respective Governments have signed the present Convention, being one of the related Conventions listed in Article 8 of the Convention on Relations between the Three Powers and the Federal Republic of Germany.
Done at Bonn this twenty-sixth day of May, 1952, in three texts, in the English, French and German languages, all being equally authentic.