← Geldende tekst · Geschiedenis

Europees Verdrag betreffende de sociale zekerheid van arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De Regeringen van de Staten, die dit Verdrag hebben ondertekend,

Gezien het op 27 juli 1950 te Parijs onder de auspiciën van de Internationale Arbeidsorganisatie ondertekende Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, welk Verdrag op 1 juni 1953 in werking is getreden;

Gezien de Algemene Overeenkomst houdende economische voorschriften nopens het internationale wegvervoer en het daarbij gevoegde Vervoerreglement, alsmede het Aanvullend Protocol en het Protocol van ondertekening, ondertekend te Genève op 17 maart 1954;

Overwegende, dat de huidige ontwikkeling van het internationaal vervoer tussen hun landen over land, door de lucht en over de binnenwateren een multilaterale regeling noodzakelijk maakt, teneinde een afdoende bescherming te waarborgen van de arbeiders, werkzaam bij genoemd vervoer, wanneer zij uitkeringen uit hoofde der sociale zekerheid behoeven in geval van ziekte, moederschap, bedrijfsongeval of beroepsziekte, of overlijden, op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan het land aan welks wetgeving deze arbeiders onderworpen zijn;

Bevestigende, met betrekking tot de arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer en met betrekking tot de vorenbedoelde uitkeringen, het beginsel van gelijkheid van behandeling der onderdanen van elk der Verdragsluitende Partijen voor de toepassing van de nationale wettelijke regelingen op het gebied der sociale zekerheid, welk beginsel reeds is vastgelegd in internationale Arbeidsverdragen;

Overwegende, dat de uitkeringen uit hoofde der sociale zekerheid, verleend in de vorenbedoelde gevallen, in beginsel ten laste zouden moeten komen van het orgaan der Verdragsluitende Partij aan wier wetgeving de betrokken arbeider onderworpen is;

Zijn de volgende bepalingen overeengekomen:

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van dit Verdrag:

Artikel 2
1.

De arbeiders zijn slechts aan de wetgeving van één Verdragsluitende Partij onderworpen.

2.

De toepasselijke wetgeving is die van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied de onderneming waarbij de arbeiders werkzaam zijn, is gevestigd.

3.

Indien echter de onderneming op het grondgebied van één of meer der andere Verdragsluitende Partijen dan die waar haar hoofdzetel is gevestigd een filiaal of een duurzame vertegenwoordiging heeft, zijn de daarbij werkzame arbeiders onderworpen aan de wetgeving van de Verdragsluitende Partij op wier grondgebied het filiaal of de duurzame vertegenwoordiging is gevestigd.

4.

Ingeval de arbeider uitsluitend of hoofdzakelijk werkzaam is op het grondgebied van een Verdragsluitende Partij en zich daar heeft gevestigd, is, niettegenstaande het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel, de wetgeving van genoemde Partij van toepassing, ook al heeft de onderneming waarbij hij in dienst is noch haar hoofdzetel, noch een filiaal, noch een duurzame vertegenwoordiging op dat grondgebied.

5.

De bevoegde autoriteiten van twee of meer Verdragsluitende Partijen kunnen voor bepaalde arbeiders of groepen arbeiders, indien dat in het belang van deze arbeiders is, in gemeen overleg uitzonderingen vaststellen op de voorgaande bepalingen van dit artikel met betrekking tot de toepasselijke wetgeving, daarbij aangevende aan welke andere wetgeving van een Verdragsluitende Partij dan de normaal toepasselijke deze arbeiders onderworpen zijn.

Titel II. Bepalingen betreffende de uitkeringen op het gebied der sociale zekerheid

Artikel 3
1.

Een arbeider die zich bevindt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die waarvan de wetgeving op hem van toepassing is gezien de in artikel 1, onder h), van dit Verdrag omschreven werkzaamheden, en wiens toestand het verlenen van uitkeringen wegens ziekte of moederschap noodzakelijk maakt, heeft recht op bedoelde uitkeringen alsof hij zich bevond op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarvan de wetgeving op hem van toepassing is.

2.

De terstond noodzakelijke uitkeringen in natura worden echter verstrekt door het orgaan van de verblijfplaats; wat betreft de omvang, de duur en de wijze der verstrekkingen worden deze uitkeringen verstrekt volgens de wetgeving van het land waar dat orgaan zich bevindt. Indien er ingevolge die wetgeving verschillende stelsels voor de toekenning van uitkeringen bij ziekte en moederschap bestaan, zijn de bepalingen, geldende voor arbeiders in dienst van een vervoersonderneming, welke vergelijkbaar is met die waarbij de betrokken arbeider werkzaam is, op deze laatste van toepassing. Voor zover de omvang of de duur van de uitkeringen in natura overeenkomstig de wetgeving, toegepast door het bevoegd orgaan, gunstiger is dan die overeenkomstig de wetgeving, toegepast door het orgaan van de verblijfplaats, dienen deze uitkeringen voor zover zulks in zijn vermogen ligt te worden verstrekt door het laatstgenoemde orgaan op verzoek van het bevoegde orgaan.

3.

Het recht van een arbeider op uitkeringen in natura ingevolge de wetgeving, waaraan hij onderworpen is, blijft gehandhaafd voor zover dat recht nog bestaat nadat de uitkeringen overeenkomstig het bepaalde in het vorige lid zijn toegekend. Indien genoemde wetgeving voorziet in een maximum uitkeringsduur wordt het tijdvak, waarover overeenkomstig het bepaalde in het voorgaande lid uitkeringen zijn verleend, door het bevoegde orgaan in aanmerking genomen indien de toestand van de arbeider na zijn terugkeer in het land waar dit orgaan gevestigd is het genot van een uitkering voor hetzelfde geval van ziekte of moederschap noodzakelijk maakt, teneinde vast te stellen of de maximum duur is bereikt.

4.

Het verschaffen van prothesen, hulpmiddelen van grotere omvang en andere uitkeringen in natura van groot belang, welke in gemeen overleg door de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen worden aangewezen, geschiedt onder voorwaarde, dat het bevoegde orgaan daartoe machtiging verleent.

5.

De uitkeringen in geld worden verstrekt ingevolge de wetgeving, welke wordt toegepast door het bevoegde orgaan. Op verzoek van dit orgaan kan de uitbetaling voor zijn rekening geschieden door het orgaan van de verblijfplaats.

6.

Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op de gezinsleden van een arbeider werkzaam aan boord van een binnenvaartuig, die met hem op dat vaartuig wonen.

Artikel 4
1.

Een arbeider die op het grondgebied van een der Verdragsluitende Partijen het slachtoffer wordt van een bedrijfsongeval of van een beroepsziekte en zich bevindt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die, waarvan de wetgeving op hem van toepassing is gezien de in artikel 1, onder h), van dit Verdrag omschreven werkzaamheden, heeft recht op uitkeringen in natura en op periodieke uitkeringen in geld anders dan renten, alsof het ongeval of de beroepsziekte ware voorgevallen op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarvan de wetgeving op hem van toepassing is.

2.

Ten aanzien van de uitkeringen in natura zijn de leden 2, 3 en 4 van artikel 3 van dit Verdrag van overeenkomstige toepassing.

3.

Indien een verzekering tegen bedrijfsongevallen of beroepsziekten niet bestaat op het grondgebied van de Verdragsluitende Partij, waarop de arbeider zich bevindt, of indien zodanige verzekering bestaat, doch niet voorziet in organen voor het verstrekken van uitkeringen in natura, worden deze verstrekt door het orgaan van de verblijfplaats, dat bevoegd is voor de toekenning van uitkeringen in natura ingeval van ziekte.

4.

Indien een wetgeving het geheel kosteloos verstrekken van uitkeringen in natura afhankelijk stelt van het gebruik dat de betrokkene maakt van een door de werkgever ingestelde geneeskundige dienst, worden de uitkeringen in natura, toegekend overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, beschouwd als te zijn verleend door die geneeskundige dienst.

5.

Ten aanzien van de periodieke uitkeringen in geld, anders dan renten, is artikel 3, lid 5, van dit Verdrag van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5

In de gevallen, bedoeld in de artikelen 3 en 4, is het bevoegde orgaan gehouden het werkelijke bedrag van de uitkeringen in natura terug te betalen aan het orgaan dat de uitkeringen heeft verleend. De betrokken bevoegde autoriteiten kunnen echter overeenkomen, dat terugbetaling zal geschieden door middel van een vaste vergoeding; zij kunnen eveneens, vooral met het oog op vereenvoudiging, overeenkomen, dat terugbetaling in het geheel niet zal geschieden.

Artikel 6

Indien de wetgeving van een Verdragsluitende Partij voorziet in het verlenen van uitkeringen in natura aan elke zich op het grondgebied van deze Partij bevindende arbeider ongeacht nationaliteit of sociale verzekering en, hetzij in het algemeen dan wel onder voorbehoud van wederkerigheidsovereenkomsten, ongeacht zijn woonplaats,

Artikel 7
1.

Wanneer een arbeider die onderworpen is aan de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen overlijdt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij, waar hij zich bevindt voor arbeid als omschreven in artikel 1, onder h), van dit Verdrag, wordt het overlijden geacht te hebben plaatsgevonden op het grondgebied van eerstgenoemde Partij voor wat betreft het vaststellen van het recht op de uitkering bij overlijden ten aanzien van de wetgeving van deze Partij. De uitkering bij overlijden kan de aanvrager niet geweigerd worden op grond van het feit dat hij zich niet op bedoeld grondgebied bevond, maar op dat van een andere Verdragsluitende Partij.

2.

Het bepaalde in het voorgaande lid is van overeenkomstige toepassing wanneer een gezinslid, bedoeld in artikel 3, lid 6, van dit Verdrag, overlijdt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die, waar het bevoegde orgaan is gevestigd.

Artikel 8
1.

Voor de toepassing van de artikelen 3, 4 en 7 van dit Verdrag zijn de arbeiders onderworpen aan de verplichtingen en genieten zij de uitkeringen ingevolge de wetgeving van een Verdragsluitende Partij, waarvan zij de nationaliteit niet bezitten, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Partij.

2.

De in dit Verdrag bedoelde uitkeringen in geld kunnen geen enkele korting ondergaan, noch worden gewijzigd, opgeschort of vervallen verklaard op grond van het feit, dat de arbeider zich voor arbeid als omschreven in artikel 1 onder h), bevindt op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan het land waar het bevoegde orgaan is gevestigd.

Titel III. Diverse bepalingen

Artikel 9

In de in artikel 2, lid 4, van dit Verdrag bedoelde gevallen is de werkgever gehouden tot nakoming van de verplichtingen welke voortvloeien uit de door het bevoegde orgaan toegepaste wetgeving.

Artikel 10
1.

De bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen:

2.

Voor de toepassing van het onder a) en b) van het voorgaande lid gestelde kan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau op verzoek van of na overleg met de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen vergaderingen van vertegenwoordigers van genoemde autoriteiten beleggen.

Artikel 11
1.

Voor de toepassing van dit Verdrag verlenen de autoriteiten en de organen van de Verdragsluitende Partijen elkaar wederzijdse bijstand; zij handelen als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. De wederzijdse administratieve bijstand van genoemde autoriteiten en organen geschiedt in beginsel kosteloos; na overleg met de belanghebbende organen kunnen de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen echter overeenkomen bepaalde kosten terug te betalen.

2.

De organen en de autoriteiten van alle Verdragsluitende Partijen kunnen voor de toepassing van dit Verdrag rechtstreeks met elkaar in verbinding treden, alsmede met de belanghebbende personen of hun gemachtigden.

Artikel 12
1.

De vrijstelling of verlaging van rechten, zegelrechten, griffie- of registratierechten, geregeld bij de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen met betrekking tot de bescheiden of documenten, welke ter uitvoering van de wetgeving van deze Partij dienen te worden overgelegd door of ten aanzien van een arbeider of een lid van zijn gezin, wordt uitgebreid tot de overeenkomstige bescheiden en documenten, welke dienen te worden overgelegd ter uitvoering van de wettelijke regeling van een andere Verdragsluitende Partij of van dit Verdrag.

2.

Alle akten, documenten of bescheiden van welke aard dan ook, welke dienen te worden overgelegd door of ten aanzien van een arbeider of een lid van zijn gezin voor de uitvoering van dit Verdrag zijn vrijgesteld van legalisatie door de diplomatieke en consulaire autoriteiten.

Artikel 13

De aanvragen, verklaringen of beroepschriften, welke voor de uitvoering van de wetgeving van een der Verdragsluitende Partijen binnen een bepaalde termijn moeten worden ingediend bij een autoriteit, orgaan of andere instelling van die Partij, zijn ontvankelijk indien zij binnen dezelfde termijn worden ingediend bij een overeenkomstige autoriteit, orgaan of andere instelling van een andere Verdragsluitende Partij. In dat geval zal een aldus ingeschakelde autoriteit, orgaan of instelling onverwijld deze aanvragen, verklaringen of beroepschriften doen toekomen aan de autoriteit, het orgaan of de instelling van eerstgenoemde Partij, hetzij rechtstreeks, hetzij door bemiddeling van de bevoegde autoriteiten van de Verdragsluitende Partijen.

Artikel 14
1.

De organen van een Verdragsluitende Partij, welke uit hoofde van dit Verdrag gelden verschuldigd zijn aan organen of personen die zich op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij bevinden, kunnen het verschuldigde rechtens voldoen in de munt van eerstgenoemde Partij.

2.

De overmaking van gelden, welke voortvloeit uit de toepassing van dit Verdrag, heeft plaats overeenkomstig de overeenkomsten terzake, welke op het tijdstip van de overmaking van kracht zijn tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen. In de gevallen waarin zodanige overeenkomsten niet van kracht zijn tussen twee Verdragsluitende Partijen treffen de bevoegde autoriteiten van die Partijen of de autoriteiten die bevoegd zijn inzake internationale betalingen in gemeen overleg de voor deze overmaking noodzakelijke maatregelen.

Artikel 15
1.

Elk geschil dat ontstaat tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen betreffende de uitlegging of toepassing van dit Verdrag wordt door rechtstreekse onderhandelingen tussen de bevoegde autoriteiten van de betrokken Verdragsluitende Partijen opgelost. Wanneer het een vraag betreft, welke voor de gezamenlijke Verdragsluitende Partijen van belang is, kan het geschil worden voorgelegd aan een vergadering van vertegenwoordigers der bevoegde autoriteiten van alle Verdragsluitende Partijen, bijeengeroepen overeenkomstig artikel 10, lid 2. Een dergelijke vergadering kan het geschil slechts beslechten met algemene stemmen en in overeenstemming met de grondbeginselen en de geest van dit Verdrag.

2.

Indien het geschil niet op deze wijze kan worden beslecht binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van het begin der onderhandelingen af, wordt het voorgelegd aan een scheidsrechterlijke commissie, waarvan de samenstelling en werkwijze worden vastgesteld bij een overeenkomst tussen de betrokken Verdragsluitende Partijen.

3.

De beslissingen van de scheidsrechterlijke commissie worden in overeenstemming met de grondbeginselen en de geest van dit Verdrag genomen. Zij zijn bindend.

Titel IV. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16
1.

Dit Verdrag opent geen enkel recht op uitkeringen over een vóór het tijdstip van zijn inwerkingtreding gelegen tijdvak.

2.

In geval van opzegging van dit Verdrag blijft elk recht, verkregen ingevolge zijn bepalingen, gehandhaafd.

Artikel 17
1.

De bepalingen van dit Verdrag, met uitzondering van artikel 2, laten onverlet de bepalingen van elke andere bestaande of toekomstige bilaterale of multilaterale overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen, die van toepassing zijn op arbeiders werkzaam bij het internationaal vervoer en voor hen voordeliger zijn.

2.

Indien een overeenkomst wordt gesloten door een Verdragsluitende Partij of door de bevoegde autoriteit van deze Partij met een Staat die of een gebied dat geen Verdragsluitende Partij is, of met de bevoegde autoriteit van deze Staat of dit gebied, en deze overeenkomst bepaalt dat de arbeiders onderworpen zullen zijn aan de wetgeving inzake sociale zekerheid van deze Staat of van dit gebied, laat het bepaalde in artikel 2 de bepalingen van die overeenkomst onverlet.

Artikel 18

De bepalingen van dit Verdrag inzake het verstrekken van uitkeringen behoeven niet te worden toegepast wanneer de arbeider of één van zijn gezinsleden bedoeld in artikel 3, lid 6, en in artikel 7, lid 2, genoemde uitkeringen rechtstreeks geniet op grond van de wetgeving van de Verdragsluitende Partij, welke op hem van toepassing is.

Artikel 19
1.

Dit Verdrag staat open voor ondertekening door elk Europees Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie.

2.

Dit Verdrag zal worden bekrachtigd. Elke akte van bekrachtiging zal worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.

Artikel 20
1.

Na verloop van een termijn van twee jaren, te rekenen van het tijdstip der inwerkingtreding van het Verdrag af, zoals dat is vastgesteld in artikel 21, eerste lid, kan een Europese Staat die geen Lid van de Internationale Arbeidsorganisatie is tot het Verdrag toetreden, mits met de eenstemmige goedkeuring der Verdragsluitende Partijen. De toetreding tot het Verdrag geeft dezelfde rechten en brengt dezelfde verplichtingen met zich mede als de bekrachtiging.

2.

Elke akte van toetreding zal worden nedergelegd bij de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau.

Artikel 21
1.

Dit Verdrag zal in werking treden op de eerste dag van de tweede maand, volgende op die waarin de tweede akte van bekrachtiging wordt nedergelegd.

2.

Voor elke ondertekenende Staat die het Verdrag op een later tijdstip bekrachtigt of ten aanzien van elke Staat die tot het Verdrag toetreedt zal dit Verdrag in werking treden op de eerste dag van de tweede maand, volgende op die, waarin zijn akte van bekrachtiging of van toetreding wordt nedergelegd.

Artikel 22
1.

Dit Verdrag blijft voor onbepaalde tijd van kracht, behoudens het recht van elke Verdragsluitende Partij het op te zeggen door middel van een mededeling aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. De opzegging wordt zes maanden na ontvangst van die mededeling van kracht.

2.

Na het verstrijken van een tijdvak van twee jaren, te rekenen van de inwerkingtreding van dit Verdrag af, kan elke Verdragsluitende Partij aan de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau verzoeken een bijeenkomst van vertegenwoordigers van de Verdragsluitende Partijen te beleggen teneinde na te gaan of het Verdrag eventueel herzien dient te worden.

Artikel 23

De Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau zal aan de ondertekenende Staten en, zo nodig, aan de Staten die tot het Verdrag zijn toegetreden, mededeling doen:

Artikel 24
1.

Zodra dit Verdrag in werking is getreden wordt een gewaarmerkt afschrift overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties door de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau gezonden aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties ter registratie.

2.

Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest der Verenigde Naties bericht de Directeur-Generaal van het Internationaal Arbeidsbureau aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties elke bekrachtiging, toetreding en opzegging, waarvan hem kennis is gegeven, ter registratie.

Artikel 25

De teksten in de Franse en de Engelse taal van dit Verdrag zijn gelijkelijk authentiek.

IN WITNESS THEREOF the undersigned, duly authorised by their respective Governments, have signed this Convention.

Done at Geneva, 9 July 1956, in two original copies in English and French. The Director-General of the International Labour Office shall send certified copies of the text of this Convention to each of the Governments of the Signatory States.