← Geldende tekst · Geschiedenis

Verdrag nopens de rechtspositie van de Westeuropese Unie, van de nationale vertegenwoordigers bij haar organen en van haar internationale staf

Geldende tekst a fecha 1970-01-02

De Staten die dit Verdrag ondertekenen,

Overwegende dat het voor de Westeuropese Unie, haar internationale staf en de vertegenwoordigers van Staten-Leden, die vergaderingen bijwonen van de Westeuropese Unie, noodzakelijk is een status te hebben welke de uitoefening van hun functies en de vervulling van hun zending vergemakkelijkt,

Zijn overeengekomen als volgt:

TITEL I. — ALGEMEEN

Artikel 1

In dit Verdrag,

Artikel 2

De Organisatie en de Staten-Leden zullen te allen tijde samenwerken teneinde de juiste rechtsbedeling te vergemakkelijken, de inachtneming van politiemaatregelen te verzekeren en elk misbruik in verband met de immuniteiten en voorrechten, vermeld in dit Verdrag te voorkomen. Indien een Staat, welke lid is van de Organisatie, van mening is dat er misbruik is gemaakt van enige immuniteit of enig voorrecht verleend door dit Verdrag, zal er tussen die Staat en de Organisatie, of tussen de betreffende Staten, overleg worden gepleegd, teneinde te beslissen of zodanig misbruik heeft plaatsgevonden en in het bevestigende geval, te trachten te verzekeren dat geen herhaling zal plaatsvinden. Niettegenstaande het voorgaande of enige andere bepaling van dit Verdrag kan een Staat, lid van de Organisatie, welke van mening is dat een persoon zijn voorrecht van woonplaats of een ander voorrecht of andere immuniteit, hem krachtens dit Verdrag verleend, misbruikt heeft, eisen dat deze persoon zijn grondgebied verlaat.

TITEL II. — DE ORGANISATIE

Artikel 3

De Organisatie bezit rechtspersoonlijkheid; zij heeft de bevoegdheid overeenkomsten aan te gaan, roerende en onroerende goederen te verwerven en te vervreemden, en in rechte te verschijnen.

Artikel 4

De Organisatie, haar eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, zijn vrijgesteld van rechtsvervolging, behoudens voor zover de Secretaris-Generaal optredende namens de Organisatie uitdrukkelijk kan machtigen tot het afstand doen van deze immuniteit. Er wordt echter overeengekomen, dat afstand van immuniteit zich niet uitstrekt tot maatregelen van tenuitvoerlegging of detentie.

Artikel 5

De gebouwen van de Organisatie zijn onschendbaar. Haar eigendommen en bezittingen, waar deze ook gelegen zijn en wie deze ook onder zich heeft, zijn vrijgesteld van onderzoek, vordering, confiscatie, onteigening of van iedere andere vorm van ingrijpen.

Artikel 6

Het archief van de Organisatie en in het algemeen alle documenten, welke de Organisatie toebehoren of die zij onder zich heeft, zijn onschendbaar, waar deze zich ook bevinden.

Artikel 7
1.

Zonder beperkt te worden door financiële voorschriften, regelingen of moratoria van enigerlei aard:

2.

Bij de uitoefening van de rechten krachtens bovenstaand lid 1, zal de Organisatie de nodige aandacht schenken aan vertogen van enige Staat, lid van de Organisatie en zal vrij aan zodanige vertogen gevolg geven voor zover zulks uitvoerbaar is.

Artikel 8

De Organisatie, haar bezittingen, inkomsten en andere eigendommen zullen zijn vrijgesteld:

Artikel 9

Terwijl de Organisatie in de regel geen vrijstelling zal eisen van accijnzen en van belastingen op de verkoop van roerende en onroerende goederen, welke deel uitmaken van de te betalen prijs, zullen niettemin de Staten-Leden wanneer de Organisatie voor officieel gebruik belangrijke aankopen verricht van goederen, waarop zulke accijnzen en belastingen geheven zijn of worden, indien mogelijk, passende administratieve maatregelen treffen voor de kwijtschelding of teruggave van het bedrag van de accijns of belasting.

Artikel 10
1.

Geen censuur zal worden toegepast op de officiële correspondentie en andere officiële communicatiemiddelen van de Organisatie.

2.

De Organisatie zal het recht hebben codes te gebruiken en correspondentie te verzenden en te ontvangen per koerier of in verzegelde valiezen, welke dezelfde immuniteiten en voorrechten zullen genieten als diplomatieke koeriers en valiezen.

3.

Niets in dit artikel zal zo worden uitgelegd, dat het een belemmering vormt voor het nemen van gepaste veiligheidsmaatregelen, vast te stellen in overleg tussen een Staat, die lid is van de Organisatie, en de Raad optredend in naam van de Organisatie.

TITEL III. — PERMANENTE VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE ORGANISATIE

Artikel 11

Ieder persoon, door een Staat, welke lid is van de Organisatie, aangewezen als zijn voornaamste vertegenwoordiger in de Organisatie op het grondgebied van een andere Staat, welke lid is van de Organisatie, en die leden van haar officiële staf, welke in dat gebied zullen verblijven, als overeengekomen tussen de Staat, welke hem heeft aangewezen en de Secretaris-Generaal van de Organisatie, en tussen de Secretaris-Generaal en de Staat in welke zij zullen wonen, zullen de voorrechten en immuniteiten genieten als worden verleend aan diplomatieke vertegenwoordigers en hun officiële staf van overeenkomstige rang.

TITEL IV. — VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE RAAD EN BIJ ZIJN HULPORGANEN

Artikel 12
1.

Iedere vertegenwoordiger van een Staat, welke lid is van de Organisatie, bij de Raad of een van zijn hulporganen, die niet valt onder artikel 11, zal, zolang hij voor de uitoefening van zijn functie verblijft in het gebied van een andere Staat, welke lid is van de Organisatie, de volgende voorrechten en immuniteiten genieten:

2.

In die gevallen, waarin de wettige verschuldigdheid tot enige vorm van belasting afhangt van verblijf, wordt een periode, gedurende welke een vertegenwoordiger op wie dit artikel van toepassing is, aanwezig is op het grondgebied van een andere Staat, welke lid is van de Organisatie, voor de uitoefening van zijn functie, niet geacht een periode van verblijf te zijn. Hij is door de Regering van het land van verblijf en gedurende zulke perioden in het bijzonder vrijgesteld van belasting op zijn officiële salaris en zijn emolumenten.

3.

In dit artikel zal „vertegenwoordiger” geacht worden te omvatten alle vertegenwoordigers, adviseurs en technische deskundigen van delegaties. Elke Staat, lid van de Organisatie, deelt desgewenst aan de andere desbetreffende Staten-Leden de namen mede van zijn vertegenwoordigers op wie dit artikel van toepassing is en de waarschijnlijke duur van hun verblijf op het grondgebied van zodanige andere Staten-Leden.

Artikel 13

Aan officieel administratief personeel dat een vertegenwoordiger van een Staat, lid van de Organisatie, vergezelt en dat niet valt onder artikel 11 of 12 zullen gedurende zijn verblijf op het grondgebied van een andere Staat, lid van de Organisatie, voor de uitoefening van zijn functie, de voorrechten en immuniteiten worden toegekend als genoemd in lid 1 (b), (c), (e), (f), (h) en (i) en in lid 2 van artikel 12.

Artikel 14

Voorrechten en immuniteiten worden aan de vertegenwoordigers van Staten-Leden en hun staf niet toegekend voor het persoonlijk voordeel van de individuele vertegenwoordigers of Leden van de staf, doch teneinde de onafhankelijke uitoefening van hun functies in verband met de West-Europese Unie te verzekeren. Derhalve heeft een Staat, welke lid is van de Organisatie, niet alleen het recht maar tevens de plicht de immuniteit van zijn vertegenwoordigers en de leden van hun staf op te heffen, telkens wanneer, naar zijn oordeel, de immuniteit aan de loop van de gerechtigheid in de weg zou staan en van de immuniteit afstand kan worden gedaan, zonder dat inbreuk wordt gemaakt op het doel, waarvoor de immuniteit wordt verleend.

Artikel 15

De bepalingen van de bovenstaande artikelen 11 tot 13 zullen geen Staat verplichten enige van de voorrechten en immuniteiten als daarin bedoeld te verlenen aan enig persoon die een onderdaan is van die Staat, of vertegenwoordiger van die Staat, of lid van de staf van een dergelijk vertegenwoordiger.

TITEL V. — VERTEGENWOORDIGERS BIJ DE VERGADERING

Artikel 16

Geen administratieve of andere beperkingen ten aanzien van bewegingsvrijheid worden opgelegd aan vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers bij de Vergadering gedurende de reis naar en van de plaats waar de Vergadering gehouden wordt.

De Vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers genieten ten aanzien van douanerechten en deviezenbepalingen:

Artikel 17

De Vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers bij de Vergadering genieten immuniteit van opsporing, arrestatie of rechtsvervolging met betrekking tot door hen geuite meningen of uitgebrachte stemmen in de uitoefening van hun functie.

Artikel 18

Tijdens de duur van de zittingen der Vergadering en wanneer de vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers bij de Vergadering deelnemen aan een bijeenkomst van een der Commissies of Subcommissies van de Vergadering, hetzij de Vergadering al dan niet in zitting is, hetzij de vertegenwoordigers of hun plaatsvervangers al dan niet parlementsleden zijn, genieten zij:

Zij genieten eveneens immuniteit gedurende de reis naar en van de plaats van bijeenkomst van de Vergadering en van de Commissies of Subcommissies. Deze immuniteit is evenwel niet van toepassing wanneer de vertegenwoordigers of hun plaatsvervangers op heterdaad betrapt worden bij het plegen van een misdrijf of de poging daartoe dan wel wanneer het misdrijf gepleegd is, en evenmin in gevallen waar de Vergadering de immuniteit heeft opgeheven.

TITEL VI. — INTERNATIONALE STAF EN DESKUNDIGEN UITGEZONDEN VOOR DE ORGANISATIE

Artikel 19

De Raad zal de categorieën functionarissen aanwijzen op wie de bepalingen van de artikelen 20 en 21 van toepassing zijn. De Secretaris-Generaal zal aan de Leden van de Raad mededeling doen van de namen van de functionarissen die onder deze categorieën begrepen zijn.

Artikel 20

De functionarissen van de Organisatie omtrent wie krachtens artikel 19 overeenstemming is bereikt, genieten:

Artikel 21

De functionarissen van de Organisatie bedoeld in artikel 19, zijn, ten bate van de Organisatie, onderworpen aan een belasting op de emolumenten door de Organisatie uitbetaald, met inachtneming van de door de Raad vastgestelde normen en procedure.

Zij zijn vrijgesteld van nationale belasting op die emolumenten.

Artikel 22

Behalve de immuniteiten en voorrechten vermeld in de artikelen 20 en 21 genieten de Secretaris-Generaal, de Adjunct-Secretarissen-Generaal, de Directeur van het Agentschap van de West-Europese Unie voor het toezicht op de bewapening, en alle andere permanente functionarissen van overeenkomstige rang dezelfde voorrechten en immuniteiten als gewoonlijk worden verleend aan diplomatiek personeel van overeenkomstige rang, met inbegrip van vrijstelling of kwijtschelding van belastingen, behalve inkomstenbelasting.

Artikel 23
1.

Aan deskundigen (behalve functionarissen die vallen onder de artikelen 20 tot 22), belast met zendingen namens de Organisatie, zullen de volgende voorrechten en immuniteiten verleend worden, voor zover noodzakelijk voor de doeltreffende uitoefening van hun functies, zolang zij zich voor de vervulling van hun plichten op het grondgebied van een Staat, die lid is van de Organisatie, bevinden:

2.

De Secretaris-Generaal zal aan de betreffende Staten-Leden mededeling doen van de namen van alle deskundigen op wie dit artikel van toepassing is.

Artikel 24

Voorrechten en immuniteiten worden aan functionarissen en deskundigen verleend in het belang van de Organisatie en niet voor het persoonlijk voordeel van de individuele functionarissen en deskundigen. De Secretaris-Generaal, handelend namens de Organisatie, zal niet slechts het recht doch ook de plicht hebben de immuniteit van een functionaris of deskundige, met uitzondering van die bedoeld in artikel 22, op te heffen, telkens wanneer naar zijn oordeel de immuniteit de loop van de gerechtigheid in de weg zou staan en de immuniteit opgeheven kan worden zonder dat schade wordt toegebracht aan de belangen van de Organisatie. Wat de in artikel 22 bedoelde functionarissen betreft berust de beslissing tot opheffing van de immuniteit bij de Raad.

Artikel 25

De bepalingen van de bovenstaande artikelen 20, 22 en 23 zullen geen Staat verplichten enige van de voorrechten of immuniteiten als daarin bedoeld, toe te kennen aan enig persoon die een onderdaan is van die Staat, met uitzondering van:

TITEL VII. — BESLECHTING VAN GESCHILLEN

Artikel 26

De Raad zal regelingen treffen voor passende wijzen van beslechting van:

TITEL VIII. — AANVULLENDE VERDRAGEN

Artikel 27

De Raad, handelend namens de Organisatie, kan met een of meer Staten-Leden aanvullende verdragen sluiten teneinde uitvoering te geven aan de bepalingen van dit Verdrag ten aanzien van die Staat of Staten.

TITEL IX. — SLOTBEPALINGEN

Artikel 28
1.

Dit Verdrag zal bekrachtigd worden. De akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd bij de Belgische Regering, die alle ondertekenende Staten van iedere zodanige nederlegging mededeling zal doen.

2.

Zodra drie ondertekenende Staten hun akte van bekrachtiging hebben nedergelegd, treedt dit Verdrag ten aanzien van die Staten in werking op de datum van inwerkingtreding van de op 23 October 1954 te Parijs ondertekende Protocollen bij het Verdrag van Brussel. Ten aanzien van iedere andere ondertekenende Staat treedt dit Verdrag in werking met ingang van bovenbedoelde datum, bij nederlegging van de akte van bekrachtiging door die Staat.

Artikel 29

Dit Verdrag kan door iedere Verdragsluitende Partij worden opgezegd door een schriftelijke mededeling van opzegging gericht aan de Belgische Regering, die alle ondertekenende Staten van iedere zodanige opzegging mededeling zal doen. De opzegging zal van kracht worden een jaar na de ontvangst van de mededeling van opzegging door de Belgische Regering.

In witness whereof the undersigned plenipotentiaries have signed the present Agreement.

Done in Paris this 11th day of May, 1955, in French and in English, both texts being equally authoritative, in a single copy which shall be deposited in the Archives of the Government of Belgium which will transmit a certified copy to each of the signatory States.