Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 2002
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In dit Verdrag hebben de volgende begripsomschrijvingen de betekenis die hieraan bij dezen wordt toegekend:
- 1.
- a. „vervoerder” betekent een persoon door of namens welke een vervoersovereenkomst is gesloten, ongeacht of het vervoer feitelijk door deze persoon of door een feitelijke vervoerder wordt verzorgd;
- b. „feitelijke vervoerder” betekent een andere persoon dan de vervoerder, zijnde de eigenaar, bevrachter of exploitant van een schip, die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht; en
- c. „vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht” betekent de feitelijke vervoerder, of, voor zover de vervoerder zelf het vervoer verricht, de vervoerder.
-
- „vervoersovereenkomst” betekent een door of namens een vervoerder gesloten overeenkomst, voor het vervoer over zee van een passagier of, in voorkomende gevallen, van een passagier en zijn bagage;
-
- „schip” betekent uitsluitend een zeeschip, met uitzondering van luchtkussenvaartuigen;
-
- „passagier” betekent iedere persoon die op een schip wordt vervoerd,
- a. krachtens een vervoersovereenkomst; of
- b. die, met toestemming van de vervoerder, een voertuig of levende dieren begeleidt, die het voorwerp zijn van een vervoersovereenkomst voor goederen die niet onder dit Verdrag valt;
-
- „bagage” betekent elk voorwerp of voertuig dat door de vervoerder krachtens een vervoersovereenkomst wordt vervoerd, met uitzondering van:
- a. goederen of voertuigen vervoerd krachtens een charterpartij, een cognossement of een andere overeenkomst die hoofdzakelijk het vervoer van goederen betreft, en
- b. levende dieren;
-
- „hutbagage” betekent de bagage van de passagier die zich in zijn hut bevindt of die hij anderszins in zijn bezit heeft of onder zijn hoede of toezicht heeft. Behalve voor de toepassing van het achtste lid van dit artikel en van artikel 8 wordt onder hutbagage mede verstaan de bagage die de passagier in of op zijn voertuig heeft;
-
- „verlies of beschadiging van bagage”, omvat eveneens de materiële schade voortvloeiende uit het feit dat de bagage niet binnen een redelijke periode, te rekenen vanaf de aankomst van het schip waarop de bagage is vervoerd of had moeten worden vervoerd, aan de passagier werd terugbezorgd, maar omvat niet de vertraging voortvloeiende uit arbeidsconflicten;
-
- „vervoer” heeft betrekking op de volgende periodes:
- a. wat de passagier en zijn hutbagage betreft, de periode gedurende welke de passagier en/of zijn hutbagage zich aan boord van het schip bevinden, gedurende het in- en ontschepen en de periode tijdens welke de passagier en zijn hutbagage over het water worden vervoerd van de kade naar het schip of omgekeerd indien de prijs van dit vervoer begrepen is in die van het biljet of indien het vaartuig dat voor dat bijkomend vervoer wordt gebruikt, door de vervoerder ter beschikking van de passagier werd gesteld. Het vervoer omvat wat de passagier betreft echter niet de periode gedurende welke deze zich in een zeeterminal of op een kade of in een andere haveninstallatie bevindt;
- b. wat de hutbagage betreft, tevens de periode gedurende welke de passagier zich in een zeeterminal of op een kade of in een andere haveninstallatie bevindt indien deze bagage door de vervoerder of diens hulppersonen werd overgenomen en nog niet aan de passagier werd terugbezorgd;
- c. wat andere bagage dan hutbagage betreft, de periode gelegen tussen het tijdstip waarop de vervoerder of diens hulppersonen de bagage te land of aan boord heeft overgenomen en het tijdstip waarop ze door de vervoerder of diens hulppersonen werd terugbezorgd;
-
- „internationaal vervoer” is elk vervoer waarvan volgens de vervoersovereenkomst de plaats van vertrek en die van bestemming in twee verschillende staten liggen of in één enkele staat indien er volgens de vervoersovereenkomst of het voorziene vaarplan een tussenliggende aanloophaven in een andere staat is;
-
- onder „Organisatie” wordt verstaan de Internationale Maritieme Organisatie.
-
- „Secretaris-Generaal” betekent de Secretaris-Generaal van de Organisatie.
Artikel 1bis. Bijlage
De aan dit Verdrag gehechte Bijlage maakt een integrerend onderdeel uit van het Verdrag.
Artikel 2. Toepassing
Dit Verdrag is van toepassing op elk internationaal vervoer indien:
- a. het schip de vlag voert van een staat die partij is bij dit Verdrag of indien het in een dergelijke staat is geregistreerd, of
- b. de vervoersovereenkomst werd opgesteld in een staat die partij is bij dit Verdrag, of
- c. volgens de vervoersovereenkomst de plaats van vertrek of bestemming gelegen is in een staat die partij is bij dit Verdrag.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste lid van dit artikel is dit Verdrag niet van toepassing als het vervoer onderworpen is aan een aansprakelijkheidsregeling waarin is voorzien door bepalingen van een ander verdrag betreffende het vervoer van reizigers of bagage met een ander vervoermiddel en voor zover die bepalingen op het zeevervoer dwingend van toepassing zijn.
Artikel 3. Aansprakelijkheid van de vervoerder
Bij schade geleden als gevolg van het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier veroorzaakt door een scheepvaartincident, is de vervoerder in zoverre aansprakelijk dat een dergelijk verlies met betrekking tot die passagier voor elk afzonderlijk geval niet meer dan 250.000 rekeneenheden bedraagt, tenzij de vervoerder bewijst dat het incident:
- a. het gevolg is van een oorlogshandeling, vijandelijkheden, burgeroorlog, opstand of een natuurverschijnsel van uitzonderlijke, onvermijdelijke en onbedwingbare aard; of
- b. volledig is veroorzaakt door een handelen of nalaten door een derde met het oogmerk het incident te veroorzaken.
Indien en voor zover de schade bovengenoemde grens te boven gaat, is de vervoerder verder aansprakelijk, tenzij de vervoerder bewijst dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is.
Bij schade geleden als gevolg van het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier niet veroorzaakt door een scheepvaartincident, is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is. De bewijslast dat er sprake is van schuld of nalatigheid berust bij de eiser.
Bij schade geleden als gevolg van het verlies of de beschadiging van hutbagage is de vervoerder aansprakelijk indien het incident dat de schade heeft veroorzaakt aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is. Schuld of nalatigheid van de vervoerder wordt verondersteld bij schade veroorzaakt door een scheepvaartincident.
Bij schade geleden als gevolg van het verlies of beschadiging van andere bagage dan hutbagage is de vervoerder aansprakelijk, tenzij de vervoerder bewijst dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt niet aan de schuld of nalatigheid van de vervoerder te wijten is.
Voor de toepassing van dit artikel:
- a. wordt verstaan onder „scheepvaartincident”, schipbreuk, kapseizen, aanvaring of stranden van het schip, explosie of brand aan boord van het schip of defect aan het schip;
- b. wordt onder „schuld of nalatigheid van de vervoerder” mede verstaan de schuld of nalatigheid van de hulppersonen van de vervoerder die handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden;
- c. wordt verstaan onder „defect aan het schip”, ieder niet of gebrekkig functioneren of elk geval van niet-voldoen aan toepasselijke veiligheidsvoorschriften van enig deel van het schip of zijn uitrusting wanneer deze worden gebruikt voor ontsnapping, evacuatie, inscheping en ontscheping van passagiers; of wanneer deze worden gebruikt voor aandrijving, besturing, veilig navigeren, afmeren, ankeren, voor aankomen op of vertrekken van een aanleg- of ankerplaats, of voor schadebeheersing na vollopen van het schip; of wanneer deze worden gebruikt voor het te water laten van de reddingsuitrusting; en
- d. worden onder „schade” niet verstaan schadeloosstellingen met een punitief of een afschrikwekkend karakter.
De aansprakelijkheid van de vervoerder krachtens dit artikel heeft uitsluitend betrekking op schade als gevolg van incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan. De bewijslast dat het incident dat de schade heeft veroorzaakt zich tijdens het vervoer heeft voorgedaan, en omtrent de omvang van de schade berust bij de eiser.
Niets in dit Verdrag doet afbreuk aan een recht van verhaal dat de vervoerder tegen een derde zou kunnen hebben, of aan een verweer gebaseerd op de nalatigheid van een medeverantwoordelijke passagier op grond van artikel 6 van dit Verdrag. Niets in dit artikel doet afbreuk aan een uit de artikelen 7 of 8 van dit Verdrag voortvloeiend recht op het stellen van grenzen aan de aansprakelijkheid.
Enig vermoeden van schuld of nalatigheid van een partij of de toewijzing van de bewijslast aan een partij heeft niet tot gevolg dat bewijzen ten gunste van die partij niet in overweging worden genomen.
Artikel 4. Feitelijke vervoerder
Indien het vervoer geheel of gedeeltelijk aan een feitelijke vervoerder wordt toevertrouwd, blijft de vervoerder niettemin aansprakelijk voor het volledige vervoer overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag. Daarnaast is de feitelijke vervoerder onderworpen aan de bepalingen van dit Verdrag en kan hij zich erop beroepen voor het gedeelte van het vervoer dat door hem is verricht.
De vervoerder is met betrekking tot het door de feitelijke vervoerder verrichte vervoer aansprakelijk voor het handelen of nalaten van de feitelijk vervoerder en van diens hulppersonen die handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden.
Elke bijzondere overeenkomst krachtens welke de vervoerder verplichtingen op zich neemt die niet bij dit Verdrag worden opgelegd of afstand doet van rechten die dit Verdrag hem toekent, is voor de feitelijke vervoerder slechts bindend wanneer hij daar uitdrukkelijk en schriftelijk mee instemt.
Wanneer en voor zover zowel de vervoerder als de feitelijke vervoerder aansprakelijk zijn, zijn zij beide hoofdelijk aansprakelijk.
Geen enkele bepaling van dit artikel doet afbreuk aan enig recht van verhaal tussen de vervoerder en de feitelijke vervoerder.
Artikel 4bis. Verplichte verzekering
Wanneer passagiers worden vervoerd aan boord van een in een staat die partij is geregistreerd schip dat vergunning heeft voor het vervoeren van meer dan twaalf passagiers, en dit Verdrag van toepassing is, dient een vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht, te zorgen voor een verzekering of een andere financiële zekerheid, zoals een borgstelling van een bank of soortgelijke financiële instelling, ter dekking van de uit dit Verdrag voortvloeiende aansprakelijkheid bij overlijden of persoonlijk letsel van passagiers. Het minimumbedrag van deze verplichte verzekering of andere financiële zekerheid bedraagt niet minder dan 250.000 rekeneenheden per passagier per afzonderlijk geval.
Een certificaat waaruit blijkt dat er, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, een verzekering of andere financiële zekerheid is voorzien, wordt voor ieder schip verleend, nadat de bevoegde autoriteit van een staat die partij is heeft vastgesteld dat aan de vereisten van het eerste lid is voldaan. Met betrekking tot een schip geregistreerd in een staat die partij is wordt een dergelijk certificaat afgegeven of gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van de staat waar het schip geregistreerd is; met betrekking tot een schip dat niet in een staat die partij is geregistreerd is, kan het worden afgegeven of gewaarmerkt door de bevoegde autoriteit van elke staat die partij is. Het certificaat heeft de vorm van het model vervat in de bijlage bij dit Verdrag en bevat de volgende gegevens:
- a. naam van het schip, onderscheidingsnummer of -letters en haven van registratie;
- b. naam en adres van het hoofdkantoor van het bedrijf van de vervoerder die het vervoer feitelijk geheel of gedeeltelijk verricht;
- c. IMO-scheepsidentificatienummer;
- d. aard en duur van de zekerheid;
- e. naam en adres van het hoofdkantoor van de verzekeraar of een andere persoon die de financiële zekerheid stelt en, waar nodig, het adres van het kantoor waar de verzekering is gesloten of de zekerheid is gesteld; en
- f. geldigheidsduur van het certificaat, die niet langer kan zijn dan de geldigheidsduur van de verzekering of andere financiële zekerheid.
- a. Een staat die partij is mag een door hem erkende instelling of organisatie tot afgifte van het certificaat machtigen. Deze instelling of organisatie stelt die staat in kennis van de afgifte van ieder certificaat. In alle gevallen waarborgt de staat die partij is onverkort de volledigheid en juistheid van het aldus afgegeven certificaat en verbindt hij zich ertoe de nodige regelingen te treffen om deze verplichting na te komen.
- b. Een staat die partij is stelt de Secretaris-Generaal in kennis van: Een machtiging wordt niet eerder van kracht dan drie maanden na de datum waarop daarvan kennisgeving is gedaan aan de Secretaris-Generaal.
- i. de specifieke verantwoordelijkheden en voorwaarden van de machtiging die hij aan een door hem erkende instelling of organisatie verleent;
- ii. de intrekking van een dergelijke machtiging; en
- iii. de datum waarop een dergelijke machtiging of intrekking van een dergelijke machtiging van kracht wordt.
- c. De instelling of organisatie die in overeenstemming met dit lid gemachtigd is certificaten af te geven, dient ten minste bevoegd te zijn deze certificaten in te trekken als niet wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder zij zijn afgegeven. In alle gevallen meldt de instelling of organisatie een dergelijke intrekking aan de staat namens welke het certificaat werd afgegeven.
Het certificaat wordt gesteld in de officiële taal of de officiële talen van de staat waar het wordt afgegeven. Indien de gebruikte taal van het certificaat niet de Engelse, de Franse of de Spaanse is, bevat de tekst tevens een vertaling in een van deze talen en kan, indien de staat daartoe besluit, de officiële taal van de staat achterwege blijven.
Het certificaat moet zich aan boord van het schip bevinden en een afschrift moet worden nedergelegd bij de autoriteiten die het register beheren waarin het schip is geregistreerd, of indien het schip niet geregistreerd is in een staat die partij is, bij de autoriteit van de staat die de certificaten afgeeft of waarmerkt.
Een verzekering of andere financiële zekerheid voldoet niet aan de eisen van dit artikel indien deze om andere redenen dan het verstrijken van de geldigheidsduur van de verzekering of de zekerheid zoals vermeld in het certificaat kan vervallen voordat drie maanden zijn verlopen na de datum waarop aan de autoriteiten bedoeld in het vijfde lid mededeling is gedaan van beëindiging, tenzij het certificaat bij deze autoriteiten is ingeleverd of binnen deze termijn een nieuw certificaat is afgegeven. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op elke wijziging die ertoe leidt dat de verzekering of andere financiële zekerheid niet langer voldoet aan de eisen van dit artikel.
De staat waar het schip is geregistreerd stelt, met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, de voorwaarden vast voor de afgifte en geldigheid van het certificaat.
Niets in dit Verdrag kan zo worden uitgelegd dat het een staat die partij is belet zich te verlaten op informatie verkregen van andere staten of van de Organisatie of van andere internationale organisaties met betrekking tot de financiële positie van verzekeraars of van andere personen die de financiële zekerheid stellen voor de toepassing van dit Verdrag. In dergelijke gevallen wordt de staat die partij is die zich op dergelijke informatie verlaat niet ontheven van zijn verantwoordelijkheid als staat die het certificaat afgeeft.
Certificaten afgegeven of gewaarmerkt onder het gezag van een staat die partij is worden voor de toepassing van dit Verdrag aanvaard door andere staten die partij en worden door andere staten die partij zijn beschouwd als zijnde van gelijke waarde als door henzelf afgegeven of gewaarmerkte certificaten, zelfs als het gaat om een schip dat niet in een staat die partij is geregistreerd is. Een staat die partij is kan te allen tijde verzoeken om overleg met de staat die het certificaat heeft afgegeven of gewaarmerkt indien hij meent dat de in het verzekeringscertificaat genoemde verzekeraar of degene die zekerheid heeft gesteld financieel niet in staat is te voldoen aan de bij dit Verdrag opgelegde verplichtingen.
Vorderingen tot schadeloosstelling die krachtens dit artikel door een verzekering of andere financiële zekerheid worden gedekt, kunnen rechtstreeks worden ingesteld tegen de verzekeraar of een andere persoon die financiële zekerheid stelt. In een dergelijk geval geldt het in het eerste lid genoemde bedrag als de aansprakelijkheidsgrens van de verzekeraar of andere persoon die de financiële zekerheid stelt, zelfs als de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen recht heeft op beperking van de aansprakelijkheid. De verweerder kan voorts gebruik maken van de verweergronden (anders dan faillissement of bedrijfsbeëindiging) die de in het eerste lid bedoelde vervoerder overeenkomstig dit Verdrag had mogen inroepen. De verweerder kan voorts het verweer inroepen dat de geleden schade het gevolg was van opzettelijk wangedrag van de verzekerde; maar de verweerder kan geen ander verweermiddel inroepen dat de verweerder zou hebben kunnen aanvoeren in een door de verzekerde tegen de verweerder ingesteld rechtsgeding. De verweerder is evenwel gerechtigd te vorderen dat de vervoerder en feitelijke vervoerder zich voegen in het geding.
Geldbedragen die door de verzekeraar of door de verstrekker van een andere overeenkomstig het eerste lid gestelde financiële zekerheid ter beschikking worden gesteld dienen uitsluitend ter voldoening van uit hoofde van dit Verdrag ingestelde vorderingen, en enige uitbetaling van deze bedragen heeft tot gevolg dat de aansprakelijkheid uit hoofde van dit Verdrag met een bedrag ten belope van de uitgekeerde bedragen wordt verminderd.
Een staat die partij is staat niet toe dat een schip dat onder zijn vlag vaart en waarop dit artikel van toepassing is op enig tijdstip in bedrijf is, tenzij een certificaat is afgegeven ingevolge het tweede of vijftiende lid.
Met inachtneming van de bepalingen van dit artikel, zorgt elke staat die partij is ervoor dat ingevolge zijn nationale wetgeving een verzekering of een andere financiële zekerheid tot de in het eerste lid genoemde omvang van kracht is voor elk schip dat vergunning heeft om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, waar ook geregistreerd, dat een haven op zijn grondgebied binnenloopt of verlaat, voor zover dit Verdrag van toepassing is.
Niettegenstaande de bepalingen van het vijfde lid, kan een staat die partij is de Secretaris-Generaal in kennis stellen dat voor de toepassing van het dertiende lid schepen het ingevolge het tweede lid vereiste certificaat niet aan boord behoeven te hebben, noch behoeven te overleggen, wanneer die schepen een haven op zijn grondgebied binnenlopen of verlaten, op voorwaarde dat de staat die partij is die het vereiste certificaat afgeeft de Secretaris-Generaal ervan in kennis heeft gesteld dat hij elektronische registers bijhoudt die voor alle staten die partij zijn toegankelijk zijn, waaruit blijkt dat het certificaat bestaat en die de staten die partij zijn in staat stellen hun verplichtingen ingevolge het dertiende lid na te komen.
Is met betrekking tot een schip dat in eigendom toebehoort aan een staat die partij is geen verzekering afgesloten of andere financiële zekerheid gesteld, dan zijn de desbetreffende bepalingen van dit artikel op dat schip niet van toepassing, maar dient het schip wel te zijn voorzien van een certificaat, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de staat waar het is geregistreerd, houdende verklaring dat het schip eigendom is van die staat en dat de aansprakelijkheid voor het schip gedekt is binnen de overeenkomstig het eerste lid voorgeschreven grenzen. Een dergelijk certificaat wordt zoveel mogelijk opgesteld volgens het in het tweede lid voorgeschreven model.
Artikel 5. Waardevolle voorwerpen
De vervoerder is niet aansprakelijk voor verlies of beschadiging van geld, verhandelbare effecten, goud, zilverwerk, juwelen, bijouterieën, kunstvoorwerpen of andere waardevolle voorwerpen, tenzij dergelijke waardevolle voorwerpen volgens afspraak bij de vervoerder in veilige bewaring zijn gegeven in welk geval de aansprakelijkheid van de vervoerder beperkt is tot het bedrag voorzien in artikel 8, derde lid, tenzij een hogere aansprakelijkheidsgrens wordt overeengekomen in overeenstemming met artikel 10, eerste lid.
Artikel 6. Medeschuld
Indien de vervoerder bewijst dat het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier of het verlies of de beschadiging van zijn bagage te wijten of mede te wijten is aan de schuld of nalatigheid van de passagier, kan de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, overeenkomstig de bepalingen van zijn nationale wet de vervoerder geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheffen.
Artikel 7. Aansprakelijkheidsgrens bij overlijden en persoonlijk letsel
De aansprakelijkheid van de vervoerder voor het overlijden of het persoonlijk letsel van een passagier ingevolge artikel 3 is in geen geval hoger dan een bedrag van 400.000 rekeneenheden per passagier, per afzonderlijk geval. Indien de schadevergoeding volgens het recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt wordt verleend in de vorm van periodieke betalingen, mag de kapitaalwaarde van deze betalingen deze limiet niet overschrijden.
Een staat die partij is kan de in het eerste lid voorgeschreven aansprakelijkheidsgrens regelen bij specifieke bepalingen van nationaal recht, mits de nationale aansprakelijkheidsgrens, voor zover aanwezig, niet lager is dan die welke in het eerste lid wordt voorgeschreven. Een staat die partij is die gebruik maakt van de in dit lid voorziene mogelijkheid, stelt de Secretaris-Generaal in kennis van de vastgestelde aansprakelijkheidsgrens, dan wel van het feit dat deze ontbreekt.
Artikel 8. Aansprakelijkheidsgrens bij verlies of beschadiging van bagage en voertuigen
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van hutbagage bedraagt ten hoogste 2.250 rekeneenheden per passagier, per vervoer.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van voertuigen, met inbegrip van alle in of op het voertuig vervoerde bagage bedraagt ten hoogste 12.700 rekeneenheden per voertuig, per vervoer.
De aansprakelijkheid van de vervoerder bij verlies of beschadiging van andere dan de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde bagage, bedraagt ten hoogste 3.375 rekeneenheden per passagier, per vervoer.
De vervoerder en de passagier kunnen overeenkomen dat de aansprakelijkheid van de vervoerder met ten hoogste 330 rekeneenheden kan worden verminderd in het geval van schade aan een voertuig en met ten hoogste 149 rekeneenheden per passagier in het geval van verlies of beschadiging van andere bagage, waarbij dit bedrag van het geleden verlies of de geleden schade wordt afgetrokken.
Artikel 9. Rekeneenheid en omrekening
De rekeneenheid bedoeld in dit Verdrag is het Bijzondere Trekkingsrecht zoals dit is omschreven door het Internationale Monetaire Fonds. De in artikel 3, eerste lid, artikel 4bis, eerste lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 genoemde bedragen worden omgerekend in de nationale munteenheid van de staat van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, overeenkomstig de waarde van de desbetreffende munteenheid ten opzichte van het Bijzondere Trekkingsrecht op de datum van de uitspraak of op de door de partijen overeengekomen datum. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in Bijzondere Trekkingsrechten, van een staat die partij is die lid is van het Internationale Monetaire Fonds, wordt berekend overeenkomstig de waarderingsmethode die door het Internationale Monetaire Fonds op de desbetreffende datum wordt toegepast voor zijn eigen verrichtingen en transacties. De waarde van de nationale munteenheid, uitgedrukt in Bijzondere Trekkingsrechten, van een staat die partij is die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds, wordt berekend op een door die staat die partij is vastgestelde wijze.
Niettemin kan een staat die geen lid is van het Internationale Monetaire Fonds en wiens wet de toepassing van de bepalingen van het eerste lid niet toelaat, op het tijdstip van bekrachtiging, aanvaarding goedkeuring van dan wel toetreding tot dit Verdrag of op enig tijdstip daarna, verklaren dat de in het eerste lid bedoelde rekeneenheid gelijk zal zijn aan 15 goudfranken. De in dit lid bedoelde goudfrank komt overeen met vijfenzestig en een halve milligram goud van een gehalte van negenhonderdduizendste fijn. De omrekening van de goudfrank in de nationale munteenheid geschiedt volgens de wet van de betrokken staat.
De in de laatste zin van het eerste lid genoemde berekening en de in het tweede lid genoemde omrekening geschieden op zodanige wijze dat in de nationale munteenheden van de staten die partij zijn zo veel mogelijk dezelfde reële waarde voor de bedragen in artikel 3, eerste lid, artikel 4bis, eerste lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 wordt uitgedrukt als zou volgen uit de toepassing van de eerste drie zinnen van het eerste lid. De staten doen de Secretaris-Generaal mededeling van de wijze van berekening overeenkomstig het eerste lid, of van het resultaat van de omrekening in het tweede lid, naargelang van het geval, wanneer zij een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring van, of van toetreding tot dit Verdrag nederleggen, en telkens wanneer zich in deze berekening of omrekening een wijziging voordoet.
Artikel 10. Aanvullende bepalingen inzake aansprakelijkheidsgrenzen
De vervoerder en de passagier kunnen uitdrukkelijk en schriftelijk hogere aansprakelijkheidsgrenzen overeenkomen dan de bij de artikelen 7 en 8 bepaalde.
Rente en proceskosten zijn niet begrepen in de bij de artikelen 7 en 8 bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen.
Artikel 11. Verweermiddelen en grenzen waarop hulppersonen van de vervoerder zich kunnen beroepen
Indien een rechtsvordering tegen een hulppersoon van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder wordt ingesteld wegens in dit Verdrag bedoelde schade, kan die hulppersoon, indien hij bewijst dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft gehandeld, zich beroepen op de verweermiddelen en aansprakelijkheidsgrenzen waarop de vervoerder of de feitelijke vervoerder zich krachtens dit Verdrag kunnen beroepen.
Artikel 12. Samentelling van vorderingen
Wanneer de in de artikelen 7 en 8 vastgestelde aansprakelijkheidsgrenzen van toepassing zijn, zijn zij van toepassing op de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen in het kader van alle vorderingen die worden ingesteld in geval van dood of persoonlijk letsel van een passagier of verlies of beschadiging van zijn bagage.
Voor het vervoer verricht door een feitelijke vervoerder kan de totale som van de schadevergoeding die kan worden gevorderd van de vervoerder en van de feitelijke vervoerder, alsmede van hun hulppersonen die handelen in de uitoefening van hun werkzaamheden, niet hoger zijn dan de hoogste vergoeding die de vervoerder of de feitelijke vervoerder krachtens dit Verdrag kan worden opgelegd, met dien verstande dat geen van de vermelde personen aansprakelijk kan worden gesteld voor een hoger bedrag dan de grens die voor hem van toepassing is.
In elk geval waarin een hulppersoon van de vervoerder of van de feitelijke vervoerder zich krachtens artikel 11 van dit Verdrag kan beroepen op de in de artikelen 7 en 8 bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen, mag de totale som van de schadevergoeding die kan worden verkregen van de vervoerder of, in voorkomende gevallen, van de feitelijke vervoerder en van deze hulppersoon, die grenzen niet overschrijden.
Artikel 13. Verlies van het recht tot beperking van aansprakelijkheid
Het voordeel van de in de artikelen 7 en 8 en in het eerste lid van artikel 10 bepaalde aansprakelijkheidsgrenzen vervalt voor de vervoerder indien is bewezen dat de schade voortvloeit uit een handelen of nalaten van de vervoerder, hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en in de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Het voordeel van de aansprakelijkheidsgrenzen vervalt voor de hulppersoon van de vervoerder of feitelijke vervoerder indien is bewezen dat de schade voortvloeit uit een handelen of nalaten van deze hulppersoon, hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en in de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.
Artikel 14. Grondslag voor vorderingen
In geval van overlijden of persoonlijk letsel van een passagier of van verlies of beschadiging van bagage kan tegen de vervoerder of de feitelijke vervoerder geen vordering tot schadevergoeding worden ingesteld anders dan op grond van dit Verdrag.
Artikel 15. Kennisgeving van verlies of beschadiging van bagage
De passagier dient de vervoerder of zijn vertegenwoordiger schriftelijk in kennis te stellen:
- a. in het geval van zichtbare beschadiging van bagage:
- i. wat betreft hutbagage, vóór of op het tijdstip van ontscheping van de passagier;
- ii. wat betreft alle andere bagage, vóór of op het tijdstip van teruggave;
- b. in het geval van niet-zichtbare beschadiging van bagage, of verlies van bagage, binnen 15 dagen na de datum van ontscheping of van teruggave of na de datum waarop die teruggave had moeten plaatsvinden.
Indien de passagier de bepalingen van dit artikel niet naleeft, wordt hij – tenzij het tegendeel wordt bewezen – verondersteld zijn bagage in goede staat te hebben ontvangen.
Een schriftelijke kennisgeving hoeft niet te worden gedaan indien de staat van de bagage bij het in ontvangst nemen ervan gezamenlijk is vastgesteld of onderzocht.
Artikel 16. Verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding
Elke vordering tot vergoeding van de schade voortvloeiende uit het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier, of uit verlies of beschadiging van de bagage, verjaart na een termijn van twee jaar.
De verjaringstermijn wordt als volgt berekend:
- a. in het geval van persoonlijk letsel, vanaf de datum van ontscheping van de passagier;
- b. in het geval van overlijden tijdens het vervoer, vanaf de datum waarop de passagier had moeten ontschepen en, in het geval van een tijdens het vervoer ontstaan persoonlijk letsel dat het overlijden van de passagier na zijn ontscheping tot gevolg heeft, vanaf de datum van het overlijden; de verjaringstermijn mag evenwel niet langer zijn dan 3 jaar te rekenen vanaf de datum van ontscheping;
- c. in het geval van verlies of beschadiging van bagage, vanaf de datum van ontscheping of de datum waarop deze had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen.
Het recht van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, bepaalt de gronden voor schorsing en stuiting van de verjaring, maar in geen geval kan een vordering uit hoofde van dit Verdrag worden ingesteld na afloop van een van de volgende termijnen:
- a. een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de ontscheping van de passagier of vanaf de datum waarop ontscheping had moeten plaatsvinden, waarbij de laatste van die twee data in aanmerking wordt genomen, dan wel, indien het aflopen van onderstaande termijn zich eerder voordoet,
- b. een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de eiser op de hoogte was van het door het incident veroorzaakte letsel of verlies of de veroorzaakte schade of hiervan redelijkerwijze op de hoogte had moeten zijn.
Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid van dit artikel kan de verjaringstermijn worden verlengd door middel van een verklaring van de vervoerder of een overeenkomst die tussen de partijen wordt gesloten nadat de grond voor de vordering is ontstaan. De verklaring of de overeenkomst dient op schrift te staan.
Artikel 17. Bevoegde rechter
Een vordering ingesteld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van dit Verdrag wordt naar keuze van de eiser aanhangig gemaakt bij een van de hieronder genoemde rechters, op voorwaarde dat deze zitting houdt in een staat die partij is bij dit Verdrag, en overeenkomstig het nationaal recht van elke staat die partij is ten aanzien van de aanwijzing van een bevoegde rechter binnen die staten waar een keuze uit meerdere rechters mogelijk is:
- a. de rechter van de staat waar de verweerder zijn gewone verblijfplaats of hoofdkantoor heeft, of
- b. de rechter van de staat van vertrek of van bestemming, bepaald in de vervoersovereenkomst, of
- c. de rechter van de staat van de woonplaats of van de gewone verblijfplaats van de eiser indien de verweerder aldaar een bedrijfsinrichting heeft en aan de rechtsmacht van die staat onderworpen is, of
- d. de rechter van de staat waar de vervoersovereenkomst is gesloten, indien de verweerder aldaar een bedrijfsinrichting heeft en aan de rechtsmacht van die staat onderworpen is.
Een vordering ingesteld overeenkomstig artikel 4bis van dit Verdrag wordt, naar keuze van de eiser, aanhangig gemaakt bij een van de rechters bij wie overeenkomstig het eerste lid vorderingen kunnen worden ingesteld tegen de vervoerder of feitelijke vervoerder.
Na het plaatsvinden van het incident dat de schade heeft veroorzaakt, kunnen de partijen overeenkomen of de eis tot schadevergoeding aan een rechter of voor arbitrage moet worden voorgelegd.
Artikel 17bis. Erkenning en tenuitvoerlegging
Uitspraken van een uit hoofde van artikel 17 bevoegde rechter die voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn in de staat waarin zij zijn gewezen en waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, worden erkend in elke andere staat die partij is, tenzij
- a. de uitspraak is verkregen door bedrog; of
- b. de verweerder niet binnen een redelijke termijn in kennis is gesteld en op behoorlijke wijze in staat is gesteld zijn of haar zaak uiteen te zetten.
Een uitspraak die ingevolge het eerste lid erkend is, is vatbaar voor tenuitvoerlegging in iedere staat die partij is zodra de in die staat vereiste formaliteiten zijn vervuld. Deze formaliteiten mogen niet leiden tot een hernieuwde materiële toetsing van de zaak.
Een staat die partij is bij dit Protocol kan andere regels toepassen voor de erkenning en tenuitvoerlegging van uitspraken, mits deze ertoe strekken te waarborgen dat uitspraken in ten minste dezelfde mate als ingevolge het eerste en tweede lid worden erkend of ten uitvoer worden gelegd.
Artikel 18. Ongeldigheid van contractuele bedingen
Elk contractueel beding dat is overeengekomen vóór het plaatsvinden van het incident dat het overlijden of persoonlijk letsel van een passagier of het verlies of de beschadiging van zijn bagage heeft veroorzaakt en dat een uit hoofde van dit Verdrag aansprakelijke persoon jegens de passagier van zijn aansprakelijkheid ontheft of voorziet in een lagere aansprakelijkheidsgrens dan is bepaald in dit Verdrag, met uitzondering van het bepaalde in artikel 8, vierde lid, of de bewijslast die op de vervoerder of feitelijke vervoerder rust, omkeert, dan wel tot gevolg heeft dat de in artikel 17, eerste of tweede lid, omschreven keuze wordt beperkt, is nietig, maar de nietigheid van dit beding heeft niet de nietigheid tot gevolg van de vervoersovereenkomst, die onderworpen blijft aan de bepalingen van dit Verdrag.
Artikel 19. Andere verdragen inzake de beperking van aansprakelijkheid
Dit Verdrag laat onverlet de rechten en verplichtingen van de vervoerder, de feitelijke vervoerder en hun hulppersonen zoals voorzien in verdragen betreffende de beperking van de aansprakelijkheid van eigenaren van zeeschepen.
Artikel 20. Kernschade
Er ontstaat ingevolge dit Verdrag geen aansprakelijkheid voor schade voorvloeiend uit een nucleair ongeval:
- a. indien de exploitant van een kerninstallatie aansprakelijk is voor dergelijke schade, hetzij krachtens bepalingen van het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie, zoals gewijzigd bij het Aanvullend Protocol van 28 januari 1964, hetzij krachtens het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade, dan wel krachtens enige van kracht zijnde wijziging hiervan of enig van kracht zijnd protocol hierbij; of
- b. indien de exploitant van een kerninstallatie aansprakelijk is voor dergelijke schade krachtens nationale wetgeving inzake de aansprakelijkheid voor dergelijke schade, op voorwaarde dat die wetgeving ten opzichte van de personen die schade kunnen ondervinden, in elk opzicht even gunstig is als het Verdrag van Parijs of van Wenen of een van kracht zijnde wijziging hiervan of enig van kracht zijnd protocol hierbij.
Artikel 21. Commercieel vervoer door overheidsdiensten
Dit Verdrag is van toepassing op commercieel vervoer verricht door staten of door overheidsdiensten uit hoofde van vervoersovereenkomsten in de zin van artikel 1.
Artikel 22. Verklaring van niet-toepassing
Elke partij kan ten tijde van de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag schriftelijk verklaren dat zij de bepalingen van dit Verdrag niet ten uitvoer zal leggen wanneer de passagier en de vervoerder onderdanen zijn van die partij.
Een uit hoofde van het eerste lid van dit artikel afgelegde verklaring kan te allen tijde door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de Secretaris-Generaal worden ingetrokken.
Artikel 22bis. Slotbepalingen van het Verdrag
De slotbepalingen van dit Verdrag zijn de artikelen 17 tot en met 25 van het Protocol van 2002 bij het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, 1974. Verwijzingen in dit Verdrag naar staten die partij zijn verwijzen naar staten die partij zijn bij dat protocol.
SLOTBEPALINGEN
Artikel 17. Ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring en toetreding
Dit Protocol staat van 1 mei 2003 tot en met 30 april 2004 open voor ondertekening op het hoofdkwartier van de Organisatie en blijft daarna open voor toetreding.
Staten kunnen hun instemming door dit Protocol te worden gebonden tot uitdrukking brengen door:
- a. ondertekening zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- b. ondertekening onder voorbehoud van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, gevolgd door bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring; of
- c. toetreding.
Bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.
Akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding die zijn nedergelegd nadat een wijziging van dit Protocol in werking is getreden ten aanzien van alle staten die partij zijn, of nadat alle maatregelen vereist voor de inwerkingtreding van de wijziging ten aanzien van die staten die partij zijn voltooid zijn, worden geacht van toepassing te zijn op dit Protocol, zoals gewijzigd bij bedoelde wijziging.
Een staat dient zijn instemming door dit Protocol te worden gebonden niet tot uitdrukking te brengen, tenzij hij, indien hij hierbij partij is, de volgende instrumenten opzegt:
- a. het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, gedaan te Athene op 13 december 1974;
- b. het Protocol bij het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, gedaan te Londen op 19 november 1976; en
- c. het Protocol van 1990 tot wijziging van het Verdrag van Athene inzake het vervoer van passagiers en hun bagage over zee, gedaan te Londen op 29 maart 1990,
met ingang van het tijdstip waarop dit Protocol voor die staat in werking treedt in overeenstemming met artikel 20.
Artikel 18. Staten met meer dan een rechtsstelsel
Indien een staat twee of meer territoriale eenheden heeft waarin verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn betreffende in dit Protocol geregelde aangelegenheden, kan hij op het tijdstip van ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding verklaren dat dit Protocol op al deze territoriale eenheden of slechts op een of meer daarvan van toepassing is en kan hij te allen tijde deze verklaring wijzigen door een nieuwe verklaring in te dienen.
Van elke verklaring wordt de Secretaris-Generaal in kennis gesteld en daarin worden uitdrukkelijk de territoriale eenheden vermeld waarop dit Protocol van toepassing is.
Met betrekking tot een staat die partij is die een dergelijke verklaring aflegt, geldt het volgende:
- a. verwijzingen naar de staat van registratie van een schip en, in het geval van een certificaat van verplichte verzekering, naar de staat van afgifte of waarmerking, worden uitgelegd als verwijzingen naar de territoriale eenheid waarin het schip is geregistreerd, respectievelijk waarin het certificaat wordt afgegeven of gewaarmerkt;
- b. verwijzingen naar de vereisten van het nationaal recht, de nationale aansprakelijkheidsgrens en de nationale munteenheid worden uitgelegd als verwijzingen naar respectievelijk de vereisten van het recht, de aansprakelijkheidsgrens en de munteenheid van de territoriale eenheid in kwestie; en
- c. verwijzingen naar rechters, en naar uitspraken die in de Staten die Partij zijn dienen te worden erkend, worden uitgelegd als verwijzingen naar respectievelijk rechters van, en uitspraken die dienen te worden erkend in, de territoriale eenheid in kwestie.
Artikel 19. Organisaties voor regionale economische integratie
Een organisatie voor regionale economische integratie samengesteld uit soevereine Staten die bevoegdheden inzake bepaalde aangelegenheden die door dit Protocol worden geregeld aan die organisatie hebben overgedragen, kan dit Protocol ondertekenen, bekrachtigen, aanvaarden, goedkeuren of ertoe toetreden. Een organisatie voor regionale economische integratie die partij is bij dit Protocol heeft de rechten en verplichtingen van een staat die partij is, voor zover deze organisatie bevoegd is ten aanzien van aangelegenheden die door dit Protocol worden geregeld.
Indien een organisatie voor regionale economische integratie haar stemrecht uitoefent in aangelegenheden ten aanzien waarvan zij bevoegd is, krijgt zij een aantal stemmen dat gelijk is aan het aantal van haar lidstaten die partij zijn bij dit Protocol en die bevoegdheid ten aanzien van de aangelegenheid in kwestie aan haar hebben overgedragen. Een organisatie voor regionale economische integratie oefent haar stemrecht niet uit indien haar lidstaten hun stemrecht uitoefenen en vice versa.
Indien het aantal staten die partij zijn relevant is in dit Protocol, met inbegrip van maar niet beperkt tot de artikelen 20 en 23 van dit Protocol, telt de organisatie voor regionale economische integratie niet als een staat die partij is naast haar lidstaten die partij zijn.
Op het tijdstip van de ondertekening, bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding legt de organisatie voor regionale economische integratie een verklaring af aan de Secretaris-Generaal ter aanduiding van de bij dit Protocol geregelde aangelegenheden ten aanzien waarvan bevoegdheden door haar lidstaten die ondertekenaar van of partij zijn bij dit Protocol zijn overgedragen aan die organisatie en van andere relevante beperkingen ten aanzien van de reikwijdte van die bevoegdheden. De organisatie voor regionale economische integratie stelt de Secretaris-Generaal onverwijld in kennis van veranderingen in de verdeling van bevoegdheden, met inbegrip van nieuwe overdrachten van bevoegdheden, als aangeduid in de in dit lid bedoelde verklaring. Dergelijke verklaringen worden, krachtens artikel 24 van dit Protocol, door de Secretaris-Generaal ter beschikking gesteld.
Staten die partij zijn en die lidstaat zijn van een organisatie voor regionale economische integratie die zelf partij is bij dit Protocol, worden geacht bevoegd te zijn ten aanzien van alle bij dit Protocol geregelde aangelegenheden ten aanzien waarvan de overdracht van bevoegdheden aan de organisatie niet uitdrukkelijk overeenkomstig het vierde lid zijn aangeduid of medegedeeld.
Artikel 20. Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking twaalf maanden na de datum waarop tien staten het hebben ondertekend zonder voorbehoud ten aanzien van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring of een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding hebben nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
Voor iedere Staat die dit Protocol bekrachtigt, aanvaardt, goedkeurt of ertoe toetreedt nadat is voldaan aan de voorwaarden voor inwerkingtreding in het eerste lid, treedt dit Protocol in werking drie maanden na de datum van nederlegging door deze Staat van de desbetreffende akte, evenwel niet eerder dan de datum waarop dit Protocol in werking is getreden in overeenstemming met het eerste lid.
Artikel 21. Opzegging
Dit Protocol kan te allen tijde worden opgezegd door een staat die partij is na de datum waarop het voor die staat in werking is getreden.
Opzegging geschiedt door nederlegging van een daartoe strekkende akte bij de Secretaris-Generaal.
Een opzegging wordt van kracht twaalf maanden na nederlegging van de akte van opzegging bij de Secretaris-Generaal of na een langere termijn wanneer zulks in die akte is bepaald.
Tussen de staten die partij zijn bij dit Protocol, wordt de opzegging door een van hen van het Verdrag in overeenstemming met artikel 25 daarvan, onder geen beding uitgelegd als een opzegging van het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol.
Artikel 22. Herziening en wijziging
De Organisatie kan een conferentie tot herziening of wijziging van dit Protocol bijeenroepen.
De Organisatie roept een conferentie van de Partijen bij dit Protocol bijeen ter herziening of wijziging ervan, op verzoek van ten minste een derde van de Staten die Partij zijn.
Artikel 23. Wijziging van de aansprakelijkheidsgrenzen
Onverminderd het bepaalde in artikel 22 is de bijzondere procedure van dit artikel uitsluitend van toepassing ten behoeve van het wijzigen van de aansprakelijkheidsgrenzen, zoals deze zijn vastgesteld in artikel 3, eerste lid, artikel 4bis, eerste lid, artikel 7, eerste lid en artikel 8 van het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol.
Op verzoek van ten minste de helft, maar in geen geval minder dan zes van de staten die partij zijn bij dit Protocol wordt een voorstel tot wijziging van de aansprakelijkheidsgrenzen, met inbegrip van de aftrekbare bedragen, zoals aangeduid in artikel 3, eerste lid, artikel 4bis, eerste lid, artikel 7, eerste lid, en artikel 8 van het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol, door de Secretaris-Generaal onder alle leden van de Organisatie en alle staten die partij zijn verspreid.
Elke ingevolge de bovenstaande procedure voorgestelde en verspreide wijziging wordt ter overweging voorgelegd aan de Juridische Commissie van de Organisatie (hierna te noemen „de Juridische Commissie”) op een datum ten minste zes maanden na de datum van toezending.
Alle staten die partij zijn bij het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol, ongeacht of zij lid van de Organisatie zijn, zijn gerechtigd deel te nemen aan de werkzaamheden van de Juridische Commissie ter overweging en aanneming van wijzigingen.
Wijzigingen worden aangenomen met een meerderheid van twee derde van de staten die partij zijn bij het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen in de Juridische Commissie, welke is uitgebreid zoals bepaald in het vierde lid, mits ten minste de helft van de staten die partij zijn bij het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol aanwezig is op het tijdstip van de stemming.
Wanneer zij een voorstel tot wijziging van de aansprakelijkheidsgrenzen bespreekt, houdt de Juridische Commissie rekening met de ervaring opgedaan met incidenten en in het bijzonder met het bedrag van de daaruit voortvloeiende schade alsmede met wijzigingen in geldswaarden en met het effect van de voorgestelde wijziging op de verzekeringskosten.
- a. Geen enkele wijziging van de aansprakelijkheidsgrenzen ingevolge dit artikel mag in overweging worden genomen vóór het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop dit Protocol voor ondertekening werd opengesteld, noch vóór het verstrijken van een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop een eerdere ingevolge dit artikel aangenomen wijziging van kracht is geworden.
- b. Geen enkele aansprakelijkheidsgrens mag worden verhoogd tot boven een bedrag dat overeenkomt met de grens die is vervat in het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol, verhoogd met zes procent per jaar, berekend op samengestelde basis vanaf de datum waarop dit Protocol voor ondertekening werd opengesteld.
- c. Geen enkele aansprakelijkheidsgrens mag zodanig worden verhoogd dat deze een bedrag overschrijdt dat overeenkomt met de grens vervat in het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol vermenigvuldigd met drie.
Elke wijziging aangenomen overeenkomstig het vijfde lid wordt door de Organisatie ter kennis gebracht van alle staten die partij zijn. De wijziging wordt geacht te zijn aanvaard aan het einde van een tijdvak van achttien maanden na de datum van kennisgeving, tenzij binnen dat tijdvak niet minder dan een vierde van de staten die partij waren op het tijdstip van aanneming van de wijziging de Secretaris-Generaal hebben medegedeeld dat zij de wijziging niet aanvaarden, in welk geval de wijziging is verworpen en niet van kracht wordt.
Een wijziging die geacht wordt te zijn aanvaard overeenkomstig het achtste lid, treedt in werking achttien maanden na aanvaarding ervan.
Alle staten die partij zijn worden gebonden door de wijziging, tenzij zij ten minste zes maanden voordat de wijziging in werking treedt dit Protocol opzeggen overeenkomstig artikel 21, eerste en tweede lid. Een dergelijke opzegging wordt van kracht wanneer de wijziging in werking treedt.
Wanneer een wijziging is aangenomen, maar het tijdvak van achttien maanden voor de aanvaarding ervan nog niet is verstreken, is een staat die gedurende dat tijdvak partij wordt, door de wijziging gebonden indien deze in werking treedt. Een staat die na dat tijdvak Partij wordt, is gebonden door een wijziging die overeenkomstig het achtste lid is aanvaard. In de gevallen bedoeld in dit lid wordt een staat gebonden door een wijziging wanneer deze wijziging in werking treedt, of wanneer dit Protocol voor die staat in werking treedt, indien deze datum later valt.
Artikel 24. Depositaris
Dit Protocol en alle ingevolge artikel 23 aangenomen wijzigingen worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal.
De Secretaris-Generaal:
- a. stelt alle staten die dit Protocol hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden in kennis van:
- i. iedere nieuwe ondertekening of nederlegging van een akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, alsmede de datum ervan;
- ii. iedere verklaring en mededeling overeenkomstig artikel 9, tweede en derde lid, artikel 18, eerste lid, en artikel 19, vierde lid, van het Verdrag zoals herzien bij dit Protocol;
- iii. de datum van inwerkingtreding van dit Protocol;
- iv. ieder voorstel tot wijziging van de aansprakelijkheidsgrenzen in overeenstemming met artikel 23, tweede lid, van dit Protocol;
- v. iedere wijziging die is aangenomen overeenkomstig artikel 23, vijfde lid, van dit Protocol;
- vi. iedere wijziging die ingevolge artikel 23, achtste lid, van dit Protocol wordt geacht te zijn aanvaard, alsmede de datum waarop die wijziging in werking treedt overeenkomstig het negende en tiende lid van dat artikel;
- vii. de nederlegging van iedere akte van opzegging van dit Protocol, de datum van nederlegging en de datum waarop deze van kracht wordt;
- viii. iedere mededeling die ingevolge een artikel van dit Protocol vereist is;
- b. doet alle Staten die dit Protocol hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van dit Protocol toekomen.
Zodra dit Protocol in werking treedt, wordt de tekst door de Secretaris-Generaal toegezonden aan het Secretariaat van de Verenigde Naties voor registratie en publicatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.
Artikel 25. Talen
Dit Protocol is opgesteld in één oorspronkelijk exemplaar in de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.
DONE at London this first day of November two thousand and two.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, being duly authorised by their respective Governments for that purpose, have signed this Protocol.