Aanvullende Overeenkomst bij het Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantische Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten, met betrekking tot de in de Bondsrepubliek Duitsland gestationeerde buitenlandse krijgsmachten

Type Verdrag
Publication 1998-06-05
State In force
Source BWB
artikelen 89
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Artikel 45

1.

Voor zover een krijgsmacht haar oefenprogramma niet kan uitvoeren op de haar voor uitsluitend gebruik ter beschikking gestelde onroerende goederen, zonder aan de oefeningsdoeleinden afbreuk te doen, heeft de krijgsmacht op grond van dit artikel het recht, onder voorbehoud van toestemming van de Bondsminister van Defensie, buiten deze onroerende goederen manoeuvres en andere oefeningen uit te voeren in de mate die nodig is ter vervulling van haar verdedigingstaak. De beslissing van de Bondsminister van Defensie wordt genomen nadat naar behoren rekening is gehouden met alle aspecten die voortvloeien uit multilaterale of bilaterale overeenkomsten waarbij de Bondsrepubliek en één of meer Staten van herkomst partij zijn, met inbegrip van de door de Geallieerde Opperbevelhebber in Europa of andere autoriteiten van de Noordatlantische Verdragsorganisatie of de bevoegde Europese autoriteiten vastgestelde oefeningseisen. Voor het uitvoeren van of de deelneming aan manoeuvres of andere oefeningen in overeenstemming met dit artikel door onderdelen van de krijgsmacht die voor dit doel naar de Bondsrepubliek komen, is de toestemming van de bevoegde Duitse autoriteiten vereist. De procedures voor kennisgeving, coördinering en goedkeuring van manoeuvres en andere oefeningen worden geregeld in een afzonderlijke overeenkomst.

2.

Op het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel zijn de desbetreffende bepalingen van de Duitse wetgeving van toepassing, in het bijzonder de Bondswet inzake rekwisitie (Bundesleistungsgesetz) van 27 september 1961, zoals gewijzigd. Op verzoek van de autoriteiten van een krijgsmacht verstrekken de Duitse militaire autoriteiten informatie over deze bepalingen of doen zij deze verstrekken. De bevoegde Duitse autoriteiten voeren tijdig besprekingen met de autoriteiten van de Staten van herkomst over verwachte fundamentele wijzigingen in Duitse wettelijke bepalingen die wezenlijk afbreuk kunnen doen aan het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen.

Artikel 46

1.

Een krijgsmacht heeft op grond van dit artikel het recht, onder voorbehoud van toestemming van de bevoegde Duitse autoriteiten, in het luchtruim van de Bondsrepubliek manoeuvres en andere oefeningen uit te voeren in de mate die nodig is ter vervulling van haar verdedigingstaak. De beslissing van de bevoegde Duitse autoriteiten wordt genomen nadat naar behoren rekening is gehouden met alle aspecten die voortvloeien uit multilaterale of bilaterale overeenkomsten waarbij de Bondsrepubliek en één of meer Staten van herkomst partij zijn, met inbegrip van de door de Geallieerde Opperbevelhebber in Europa of andere autoriteiten van de Noordatlantische Verdragsorganisatie of de bevoegde Europese autoriteiten vastgestelde oefeningseisen.

2.

Op het uitvoeren van manoeuvres en andere oefeningen in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel zijn de Duitse voorschriften inzake het binnenvliegen en het gebruik van het Duitse luchtruim en inzake het gebruik van luchtvaartinstallaties en -inrichtingen die vallen binnen het kader van de Normen en Aanbevolen Werkwijzen van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie van toepassing, alsmede de toepasselijke procedures betreffende kennisgeving, goedkeuring en coördinering als vervat in de desbetreffende wetten, voorschriften en bekendmakingen. De bevoegde Duitse autoriteiten voeren tijdig besprekingen met de autoriteiten van de Staten van herkomst over verwachte wijzigingen in Duitse voorschriften of administratieve bepalingen betreffende het binnenvliegen en het gebruik van het Duitse luchtruim en het gebruik van luchtvaartinstallaties en -inrichtingen. De Overeenkomstsluitende Partijen wenden zich tot de op dit terrein bevoegde organisaties om die wijzigingen te bespreken.

3.

Vervallen.

4.

Vervallen.

5.

Vervallen.

6.

De bepalingen van artikel 45 zijn zowel van toepassing op landingen buiten de luchtvaartterreinen als op parachutesprongen of het afwerpen van voorwerpen per parachute op terreinen die niet voor permanent gebruik ter beschikking van een krijgsmacht zijn gesteld.

Artikel 47

1.

Terzake van de levering van goederen en diensten doet de Bondsrepubliek aan een krijgsmacht en aan een civiele dienst een behandeling ten deel vallen die niet minder gunstig is dan die welke de Duitse strijdkrachten ontvangen.

2.

Met het oog op de maatregelen die eventueel ingevolge het bepaalde in artikel IX van het N.A.V.O.-Status Verdrag, tweede lid, tweede volzin, noodzakelijk blijken, delen de autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst aan de Duitse autoriteiten - indien deze dit verzoeken - hun behoeften op bepaalde gebieden van de bevoorrading mede.

3.

Een krijgsmacht of een civiele dienst kan zich de goederen en diensten die zij c.q. hij nodig heeft hetzij rechtstreeks, hetzij – na voorafgaande afspraak – door bemiddeling van de bevoegde Duitse autoriteiten verschaffen. De uitvoering van vervoersdiensten is geregeld in artikel 57 van deze Overeenkomst.

4.

Indien de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst zich rechtstreeks goederen en diensten verschaffen,

5.

Indien de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst zich goederen en diensten verschaffen door bemiddeling van de Duitse autoriteiten

Artikel 48

2.

De Bondsrepubliek waarborgt dat de aan een krijgsmacht of civiele dienst binnen het kader van de bepalingen van het Krijgsmachtenverdrag voor haar gebruik ter beschikking gestelde onroerende goederen die bij de inwerkingtreding van dit Verdrag nog in haar bezit zijn, ter beschikking blijven van de krijgsmacht of de civiele dienst totdat deze goederen op grond van het vijfde lid onder a en b van dit artikel dienen te worden teruggegeven. Het vorenstaande is niet van toepassing op onroerende goederen bestemd voor openbaar vervoer of voor de hiervoor gebruikte bevoorradingsinrichtingen of voor de posterijen en de telecommunicatiedienst; deze onroerende goederen worden teruggegeven voorzover niet anders is overeengekomen tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht,

4.

Een krijgsmacht of een civiele dienst is verantwoordelijk voor de uitvoering van de herstel- en onderhoudswerkzaamheden die nodig zijn om de ter beschikking gestelde goederen in goede staat van onderhoud te houden, tenzij met betrekking tot de tegen betaling ter beschikking gestelde onroerende goederen in de overeenkomsten gesloten ingevolge het derde lid onder a, anders is bepaald.

5.

De volgende bepalingen zijn van toepassing op de teruggave van onroerende goederen door een krijgsmacht of een civiele dienst.

Artikel 49

1.

De programma's betreffende de bouwplannen die noodzakelijk zijn om in de behoeften van een krijgsmacht of een civiele dienst te voorzien, worden door de autoriteiten van de krijgsmacht of civiele dienst toegezonden aan de inzake het Bondsbouwprogramma bevoegde Duitse autoriteiten.

2.

De bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd door de inzake het Bondsbouwprogramma bevoegde Duitse autoriteiten overeenkomstig de geldende Duitse wettelijke bepalingen en administratieve voorschriften en overeenkomstig bijzondere administratieve overeenkomsten.

3.

In afwijking van de bepalingen van het tweede lid van dit artikel kunnen de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst, overeenkomstig bijzondere administratieve overeenkomsten die bij de inwerkingtreding van deze Overeenkomst bestaan of die daarna worden gesloten of gewijzigd, in overleg met de Duitse autoriteiten:

4.

Vervallen.

5.

De vorm en de omvang van het in het derde lid van dit artikel bedoelde overleg worden overeengekomen tussen de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst en de Duitse autoriteiten.

6.

Indien de in het tweede lid van dit artikel bedoelde werkzaamheden ten behoeve van een krijgsmacht of van een civiele dienst worden uitgevoerd door de Duitse autoriteiten,

Artikel 50

Tot de inrichting en inboedel behorende goederen die eigendom zijn van de Bondsrepubliek kunnen binnen het grondgebied van de Bondsrepubliek van een bij een krijgsmacht of een civiele dienst in gebruik zijnd onroerend goed naar een ander worden overgebracht, met inachtneming van de volgende beperkingen:

Artikel 51

1.

Roerende goederen die zijn aangeschaft ten laste van de middelen ter bestrijding van de bezettingskosten, van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland of van middelen ter bestrijding van onderhoudskosten worden, wanneer de autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst vaststellen dat zij die goederen niet meer nodig hebben, overgedragen aan de Duitse autoriteiten, te hunner beschikking.

2.

In afwijking van het gestelde in het eerste lid kunnen overeenkomsten worden gesloten met betrekking tot de verkoop of andere wijzen van tegeldemaking van deze roerende goederen. De nettoopbrengsten van deze tegeldemaking komen ten bate van de Bondsrepubliek.

3.

Roerende goederen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts uit het grondgebied van de Bondsrepubliek worden verwijderd indien zulks noodzakelijk is in verband met de vervulling van de verdedigingstaak van de Noordatlantische Verdragsorganisatie. Onder voorbehoud van het gestelde in het vierde lid wordt de verwijdering beheerst door de volgende bepalingen:

4.

Elke verwijdering van goederen bedoeld in het eerste lid in verband met de verplaatsing van onderdelen van een krijgsmacht, die tot doel heeft de krijgsmacht te verkleinen of geheel terug te trekken wordt geregeld in een bijzondere overeenkomst.

5.

Het eerste en tweede lid van dit artikel blijven van kracht in de gevallen dat verwijdering uit het grondgebied van de Bondsrepubliek plaatsvindt; zij zijn eveneens van toepassing wanneer de roerende goederen bedoeld in het eerste lid niet meer noodzakelijk zijn voor de vervulling van de verdedigingstaak van de N.A.V.O.

6.

Tot de inrichting en inboedel behorende goederen die deel uitmaken van onroerende goederen en zijn aangeschaft ten laste van de middelen ter bestrijding van de bezettingskosten of van de begroting van de Bondsrepubliek Duitsland of van middelen ter bestrijding van onderhoudskosten, worden niet uit het grondgebied van de Bondsrepubliek verwijderd.

7.

De bijzonderheden worden bij administratieve overeenkomsten geregeld.

Artikel 52

1.

Indien een staat van herkomst voornemens is onroerende goederen of andere vermogensbestanddelen die rechtens eigendom zijn van de Bondsrepubliek of van een Land (rechtlich im Eigentum des Bundes oder eines Landes stehend) en die de krijgsmacht of de civiele dienst voor gebruik ter beschikking zijn gesteld, geheel of gedeeltelijk terug te geven, wordt een overeenkomst gesloten tussen de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst en de Duitse autoriteiten met betrekking tot de eventuele op het tijdstip van teruggave bestaande restwaarde van verbeteringen welke de staat van herkomst ten laste van eigen fondsen heeft aangebracht. De Bondsrepubliek betaalt de overeengekomen restwaarde aan de staat van herkomst terug. Het gestelde in de eerste en tweede volzin is eveneens van toepassing op uitrusting en voorraden die de staat van herkomst uit eigen middelen heeft aangeschaft en die ingevolge overeenkomst bij deze onroerende goederen moeten achterblijven.

2.

Betaling ingevolge het eerste lid wordt niet verricht tot het bedrag waarvoor ingevolge artikel 41 schadevergoeding voor schade door de staat van herkomst toegebracht aan onroerende goederen of andere vermogensbestanddelen moet worden betaald of zou moeten zijn betaald, indien geen afstand van de vordering tot schadevergoeding was gedaan dan wel indien de staat van herkomst niet van haar aansprakelijkheid voor zodanige vorderingen ingevolge genoemd artikel was bevrijd.

3.

Een staat van herkomst is niet verplicht aangebrachte verbeteringen, uitrustingsgoederen of voorraden van onroerende goederen of andere voorwerpen die rechtens eigendom zijn van de Bondsrepubliek of van een Land (rechtlich im Eigentum des Bundes oder eines Landes stehend) te verwijderen. Indien de onroerende goederen of andere voorwerpen rechtens eigendom zijn van een Land, vrijwaart de Bondsrepubliek de staat van herkomst voor de aansprakelijkheid voor alle vorderingen die aan het Land ingevolge de Duitse wetgeving, op grond van de omstandigheid dat deze verwijdering niet plaatsvindt, toekomen.

4.

Een staat van herkomst dient geen vordering in met betrekking tot de restwaarde van verbeteringen aangebracht aan goederen bedoeld in het eerste lid of met betrekking tot verbeteringen van goederen die voor het gebruik van de krijgsmacht of de civiele dienst om niet ter beschikking zijn gesteld en die eigendom zijn van rechtspersonen waarin de Bondsrepubliek of een Land financieel deelnemen, indien de verbeteringen zijn bekostigd uit middelen die door de Bondsrepubliek of een Land aan de staat van herkomst ter beschikking zijn gesteld. Het vorenstaande tast de verrekening van de restwaarde van die verbeteringen met de schadeloosstelling voor schade toegebracht tijdens het gebruik van deze goederen door de krijgsmacht of de civiele dienst of bij de verwijdering van deze verbeteringen, niet aan.

Artikel 53

1.

Een krijgsmacht en een civiele dienst kunnen binnen hun voor uitsluitend gebruik ter beschikking gestelde onroerende goederen alle noodzakelijke maatregelen nemen ten behoeve van een genoegzame vervulling van hun verdedigingsverplichtingen. Op het gebruik van die onroerende goederen is het Duitse recht van toepassing, tenzij in deze Overeenkomst en in andere internationale overeenkomsten anders is bepaald en voor zover het niet de organisatie, het interne functioneren en de leiding van de krijgsmacht en zijn civiele dienst, de leden daarvan en hun gezinsleden, en andere interne aangelegenheden die geen voorzienbare gevolgen hebben voor rechten van derden, naburige gemeenschappen of het algemeen belang, betreft. De bevoegde Duitse autoriteiten en de autoriteiten van een krijgsmacht plegen overleg en werken samen om eventuele verschillen van mening bij te leggen.

2.

De eerste volzin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op maatregelen met betrekking tot het luchtruim boven de onroerende goederen, mits de maatregelen die het luchtverkeer zouden kunnen hinderen slechts worden genomen in overleg met de Duitse autoriteiten.

De bepalingen van artikel 57, zevende lid blijven van kracht.

2bis. Het gebruik van militaire oefenterreinen, lokale militaire oefenterreinen en schietbanen door eenheden die voor oefen- en opleidingsdoeleinden naar de Bondsrepubliek zijn overgebracht dient vooraf te worden aangekondigd ter goedkeuring door de bevoegde Duitse autoriteiten. Het gebruik wordt geacht te zijn goedgekeurd indien de Duitse autoriteiten daartegen geen bezwaar maken binnen 45 dagen na de ontvangst van de aankondiging. Voor eenheden van een aankondigende Staat met een personeelssterkte tot 200 man die organiek behoren tot een in de Bondsrepubliek gestationeerde eenheid, of die zijn bedoeld ter versterking van in de Bondsrepubliek gestationeerde eenheden, is enkel de aankondiging voldoende. Voor de toepassing van dit artikel kan worden volstaan met een aankondiging aan Duitse autoriteiten tijdens planningsconferenties. Er kunnen aanvullende akkoorden worden gesloten.

2ter. Bijzonderheden betreffende het gebruik van militaire oefenterreinen, luchtverdedigingsterreinen, lokale militaire oefenterreinen en schietbanen, alsmede de in lid 2bis bedoelde aankondiging en goedkeuring, worden geregeld in op federaal niveau te sluiten administratieve overeenkomsten.

3.

De krijgsmacht of de civiele dienst draagt er bij de uitvoering van de maatregelen bedoeld in het eerste lid zorg voor, dat de Duitse autoriteiten binnen de onroerende goederen de noodzakelijke maatregelen kunnen nemen teneinde de Duitse belangen te waarborgen.

4.

De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst werken samen teneinde een soepele toepassing van de maatregelen bedoeld in het eerste, tweede en derde lid te verzekeren.

De bijzonderheden van deze samenwerking zijn uitgewerkt in het vijfde tot en met het zevende lid van het op dit artikel betrekking hebbende onderdeel van het Protocol van ondertekening,

5.

Wanneer onroerende goederen gezamenlijk worden gebruikt door een krijgsmacht of een civiele dienst en de Duitse strijdkrachten of Duitse civiele diensten worden de met betrekking tot dit gebruik nodige regelingen vastgelegd in administratieve overeenkomsten of bijzondere overeenkomsten waarbij zowel met de positie van de Bondsrepubliek als ontvangende Staat als met de verdedigingsverplichtingen van de krijgsmacht naar behoren rekening wordt gehouden.

6.

Teneinde een krijgsmacht of een civiele dienst in staat te stellen hun verdedigingsverplichtingen op genoegzame wijze te vervullen, nemen de Duitse autoriteiten op verzoek van de krijgsmacht passende maatregelen

Artikel 53A

1.

Voor zover het Duitse recht van toepassing is in verband met het gebruik van de in artikel 53 van deze Overeenkomst bedoelde onroerende goederen, en dit voorschrijft dat een bijzondere vergunning, machtiging of enige andere vorm van officiële toestemming moet worden verkregen, dienen de Duitse autoriteiten, in samenwerking en in overleg met de autoriteiten van een krijgsmacht, de benodigde aanvragen in en voeren zij de desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures namens de krijgsmacht.

2.

Het eerste lid van dit artikel is ook van toepassing wanneer de beslissing wordt aangevochten door een derde, wanneer van maatregelen of voorzieningen melding moet worden gedaan, en ingeval de procedures ambtshalve worden ingesteld, in het bijzonder om de openbare veiligheid en orde te waarborgen, of ingeval deze op aandringen van een derde worden ingesteld. In deze gevallen dienen de Duitse federale autoriteiten die namens de krijgsmacht handelen, de belangen van de krijgsmacht te verdedigen. Indien een ingevolge het eerste lid van dit artikel aangevraagde vergunning wordt afgewezen of op een later tijdstip wordt gewijzigd of ongeldig verklaard overeenkomstig het Duitse recht, plegen de autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse autoriteiten overleg om op een andere wijze in de behoeften van de krijgsmacht te voorzien die verenigbaar is met de vereisten van het Duitse recht.

3.

De autoriteiten van de krijgsmacht nemen strikt de voorwaarden en vereisten in acht van een rechtskracht hebbende beslissing die is gegeven in overeenstemming met het eerste en tweede lid van dit artikel. Zij werken nauw samen met de Duitse autoriteiten om te verzekeren dat deze verplichting wordt nagekomen. Bedoelde beslissing kan niet het voorwerp vormen van executie.

Artikel 54

1.

Voor zover in dit lid niet anders is bepaald, zijn de Duitse voorschriften en procedures ter voorkoming en bestrijding van besmettelijke ziekten bij mensen, dieren en planten, alsmede ter voorkoming van de verbreiding en ter bestrijding van voor planten schadelijke insekten, van toepassing op een krijgsmacht of een civiele dienst. Een krijgsmacht mag op de in de vorige volzin bedoelde gebieden haar eigen voorschriften en procedures toepassen binnen de onroerende goederen die haar voor gebruik ter beschikking zijn gesteld, of aan haar leden, leden van haar civiele dienst en gezinsleden, mits noch de volksgezondheid (öffentliche Gesundheit), noch de plantenteelt daardoor in gevaar worden gebracht.

2.

De autoriteiten van een krijgsmacht en de Duitse autoriteiten delen elkander terstond mede het uitbreken of vermoedelijk uitbreken, de ontwikkeling en de afloop van een besmettelijke ziekte, alsmede de genomen maatregelen.

3.

Indien de autoriteiten van een krijgsmacht het noodzakelijk achten om ten behoeve van de bescherming van de gezondheid maatregelen te treffen in de omgeving van voor haar gebruik ter beschikking gestelde onroerende goederen, sluiten zij terzake van de uitvoering van deze maatregelen overeenkomsten met de Duitse autoriteiten.

4.

Indien de Duitse wetgeving de invoer van bepaalde artikelen verbiedt, kunnen deze artikelen met goedkeuring van de Duitse autoriteiten en mits noch de volksgezondheid noch de plantenteelt daardoor in gevaar wordt gebracht, door de autoriteiten van een krijgsmacht worden ingevoerd.

De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht sluiten overeenkomsten inzake de categorieën artikelen waarvan de invoer door de Duitse autoriteiten in de zin van dit artikel is goedgekeurd.

5.

De autoriteiten van een krijgsmacht kunnen met goedkeuring van de Duitse autoriteiten, het onderzoek en de controle van de door hen ingevoerde artikelen uitvoeren.

Zij dragen er zorg voor dat noch de volksgezondheid noch de plantenteelt als gevolg van de invoer van die artikelen in gevaar wordt gebracht.

Artikel 54A

1.

De Staten van herkomst beseffen en erkennen het belang van milieubescherming in verband met alle activiteiten van hun krijgsmachten in de Bondsrepubliek.

2.

Onverminderd de inachtneming en toepassing van het Duitse recht op grond van deze Overeenkomst, toetsen de autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst zo spoedig mogelijk de milieuvriendelijkheid van alle plannen. In dit verband inventariseren, analyseren en evalueren zij de mogelijke effecten van voor het milieu ingrijpende plannen op mensen, dieren, planten, bodem, water, lucht, klimaat en landschap, met inbegrip van hun onderlinge wisselwerking, alsmede op het cultureel erfgoed en andere zaken. Deze toetsing heeft tot doel belasting van het milieu te vermijden en, indien schadelijke effecten onvermijdelijk zijn, deze te compenseren met passende (herstel)maatregelen. In dit verband kunnen de autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst de hulp inroepen van Duitse civiele en militaire autoriteiten.

Artikel 54B

De autoriteiten van een krijgsmacht en van een civiele dienst dragen er zorg voor dat voor de aandrijving van luchtvaartuigen, vaartuigen en motorrijtuigen slechts brandstoffen, smeermiddelen en additieven worden gebruikt die volgens de Duitse milieuvoorschriften in geringe mate vervuilend zijn, voor zover dit gebruik verenigbaar is met de technische vereisten van die luchtvaartuigen, vaartuigen en motorrijtuigen. Voorts dragen zij er zorg voor dat ten aanzien van personen- en bedrijfsvoertuigen, met name bij nieuwe, de Duitse voorschriften inzake de beperking van geluidshinder en de emissie van uitlaatgassen in acht worden genomen, voor zover zulks niet onevenredig bezwarend is. De bevoegde Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht of van de civiele dienst plegen overleg en werken nauw samen bij de toepassing van deze bepalingen en het toezicht daarop.

Artikel 55

1.

Indien echter een bijzondere noodzaak voor geheimhouding of beveiliging aanwezig is, heeft de krijgsmacht het recht, na passend overleg en op plaatsen waarover met de autoriteiten van de Bondsrepubliek overeenstemming is bereikt, deze werken met eigen personeel of met niet-Duitse deskundigen uit te voeren.

2.

De autoriteiten van de Bondsrepubliek en de autoriteiten van een krijgsmacht werken samen om te verzekeren dat de maatregelen die nodig zijn om te voldoen aan de verdedigingsbehoefte op een bevredigende wijze en tijdig worden voorbereid en uitgevoerd.

Artikel 56

3.

De Duitse wetgeving betreffende de sociale verzekering, met inbegrip van ongevallenverzekering, werkloosheidsverzekering en kindertoelage, is van toepassing op werknemers in dienst van een krijgsmacht of een civiele dienst.

De Bondsrepubliek is de verzekeraar voor wat de ongevallenverzekering betreft.

4.

Duitse burgerwerknemers in dienst van een krijgsmacht of van een civiele dienst worden alleen toegelaten in functies van niet-militaire aard, met inbegrip van burgerbewakingsdiensten.

5.

De Duitse autoriteiten stellen in overeenstemming met de autoriteiten van een krijgsmacht of een civiele dienst vast:

6.

De autoriteiten van een krijgsmacht of van een civiele dienst hebben, met betrekking tot de arbeidskrachten, met inbegrip van de leden van civiele dienstorganisaties, het recht van indienstneming, plaatsing, opleiding, overplaatsing, ontslag en aanvaarding van dienstopzeggingen.

8.

Geschillen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst of uit sociale verzekering zijn onderworpen aan de Duitse rechtspraak. Acties tegen de werkgever worden ingesteld tegen de Bondsrepubliek. Acties namens de werkgever worden ingesteld door de Bondsrepubliek.

9.

De Duitse wetgeving betreffende personeelsvertegenwoordiging zoals deze geldt voor de burgerwerknemers van de Duitse krijgsmacht zijn van toepassing op de werknemersvertegenwoordiging van burgerwerknemers bij een krijgsmacht of een civiele dienst, tenzij anders is bepaald in het op dit artikel betrekking hebbende onderdeel van het Protocol van Ondertekening.

10.

Indien de Duitse autoriteiten administratief werk verrichten in verband met het in dienst nemen van arbeidskrachten voor een krijgsmacht of een civiele dienst en in verband met hun beloning, worden de feitelijke kosten van dit administratieve werk vergoed door de krijgsmacht. De procedures hiervoor worden geregeld in afzonderlijke overeenkomsten tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van elke krijgsmacht. Bij de verrichting van het administratieve werk worden, in overleg met de desbetreffende autoriteiten van de krijgsmacht, de beginselen van economische efficiëntie in acht genomen.

Artikel 57

2.

De exploitatierechten van de Duitse spoorwegen blijven onaangetast. Het gebruik van eigen goederenwagens en personenrijtuigen van een krijgsmacht, alsmede de toelating van eigen locomotieven van de krijgsmacht, wordt beheerst door contracten inzake gebruik of administratieve overeenkomsten gesloten tussen de autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse spoorwegautoriteiten.

3.

Een krijgsmacht, een civiele dienst, hun leden en gezinsleden nemen, tenzij in deze Overeenkomst anders is bepaald, de Duitse verkeersvoorschriften in acht, met inbegrip van de voorschriften inzake het gedrag op de plaats van een ongeval, alsmede de voorschriften inzake het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op de naleving van deze voorschriften wordt toegezien door de bevoegde autoriteiten. Ten einde de controle op de naleving van deze voorschriften te vergemakkelijken, kan dit toezicht gezamenlijk worden uitgeoefend. De uitoefening van dit toezicht kan worden geregeld in lokale akkoorden. Bestaande akkoorden blijven van kracht, tenzij deze worden herzien.

5.

De autoriteiten van de Staat van herkomst nemen de fundamentele Duitse verkeersveiligheidsvoorschriften in acht. Binnen dit kader kunnen zij hun eigen normen betreffende het ontwerp, de bouw en de uitrusting van voertuigen, aanhangwagens, binnenvaartuigen of luchtvaartuigen toepassen. De Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht werken nauw samen bij de toepassing van deze bepaling.

6.

Een krijgsmacht en een civiele dienst mogen burgerluchtvaartterreinen en andere landingsterreinen, die hun niet voor uitsluitend gebruik ter beschikking zijn gesteld, voor het landen met militaire luchtvaartuigen slechts gebruiken in noodgevallen of in overeenstemming met administratieve of andere overeenkomsten, gesloten met de bevoegde Duitse autoriteiten.

7.

Vervallen.

8.

Het geheel van de door de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmachten ontwikkelde en toegepaste luchtverkeerscontrole en de daarbij behorende verbindingsmedia worden gecoördineerd voor zover dit vereist is ter verzekering van de luchtverkeersveiligheid en de gemeenschappelijke verdediging.

Artikel 58

1.

Een krijgsmacht, een civiele dienst, hun leden en gezinsleden zijn gerechtigd gebruik te maken van Duitse openbare en particuliere vervoermiddelen en vervoersdiensten, die voor het openbare vervoer in de Bondsrepubliek bestemd zijn. Tenzij anders is overeengekomen, is de uitoefening van dit recht onderworpen aan de algemeen voor het verkeer geldende voorschriften.

3.

De Bondsrepubliek neemt verzoeken van een krijgsmacht om oprichting van aanvullende installaties en inrichtingen of verandering in bestaande installaties en inrichtingen in welwillende overweging, indien niet op andere wijze in de behoeften van de krijgsmacht aan vervoer kan worden voorzien.

4.

De Duitse autoriteiten nemen binnen het kader van hun bevoegdheden zo nodig gepaste maatregelen om te verzekeren, dat in de behoeften van een krijgsmacht aan ketelwagens en aan slaap- en restauratierijtuigen op redelijke voorwaarden wordt voorzien door contractuele regelingen tussen de autoriteiten van de krijgsmacht en de ondernemingen die zulke diensten op commerciële basis ter beschikking van andere gebruikers stellen.

Artikel 59

2.

De veldpostkantoren kunnen open of gesloten postzendingen van de krijgsmacht, de civiele dienst, hun leden en gezinsleden aan de Duitse Bondsposterijen verzenden of van die posterijen ontvangen. Internationale overeenkomsten die van kracht zijn tussen de Bondsrepubliek en de betrokken staat van herkomst, zijn van toepassing op het postverkeer tussen de veldpostkantoren en de Duitse Bondsposterijen, tenzij tussen de Duitse autoriteiten en de autoriteiten van de krijgsmacht bijzondere overeenkomsten worden gesloten inzake de posttarieven of bijzondere diensten. Wisselkantoren worden opgericht met wederzijds goedvinden.

3.

Postzendingen, die bij veldpostkantoren ter post worden bezorgd, kunnen met postzegels van de betrokken staat van herkomst worden gefrankeerd.

4.

Indien een onderdeel van een krijgsmacht geen eigen veldpostkantoor heeft, kunnen dat onderdeel, zijn civiele dienst en de leden en gezinsleden hiervan gebruik maken van de veldpostdienst van een andere krijgsmacht. Indien een zodanig gebruik van blijvende aard of langere duur moet zijn, worden de Duitse Bondsposterijen daaromtrent zo spoedig mogelijk ingelicht.

Artikel 60

1.

Voorzover dit artikel niet anders bepaalt, maken een krijgsmacht, een civiele dienst, hun leden en gezinsleden gebruik van de openbare verreberichtgevingsdiensten van de Bondsrepubliek. Op dit gebruik zijn de geldende Duitse voorschriften van toepassing, voorzover bij administratieve overeenkomsten niet anders is overeengekomen. Bij de toepassing van deze voorschriften wordt een krijgsmacht geen minder gunstige behandeling toegekend dan de Duitse strijdkrachten genieten.

2.

Voor zover zulks voor militaire doeleinden vereist is, kan een krijgsmacht:

6.

De bepalingen van het vijfde lid van de bij dit artikel behorende afdeling van het Protocol van Ondertekening zijn van toepassing op radiofrequenties en hun specifieke kenmerkende gegevens.

10.

Op verzoek van een krijgsmacht behartigt de Bondsminister van Post en Telecommunicatie, binnen de grenzen van zijn verantwoordelijkheid, de belangen van de krijgsmacht bij de uitlegging en toepassing van dit artikel.

Artikel 61

1.

Onverminderd de vrijstellingen op het gebied van belastingen en in- en uitvoerrechten, voorzien in het NAVO-Status Verdrag, in deze Overeenkomst of in enige andere toepasselijke overeenkomst, dienen de prijzen voor de leverantiën en diensten aan een krijgsmacht of een civiele dienst overeen te stemmen met het in het Bondsgebied geldende prijsniveau. Deze prijzen mogen de voor leverantiën en diensten aan Duitse autoriteiten toelaatbare prijzen niet te boven gaan. Indien goederen gesubsidieerd zijn in het belang van de individuele Duitse verbruiker, kan een krijgsmacht of een civiele dienst geen aanspraak maken op dergelijke subsidies, tenzij die goederen bestemd zijn voor gebruik of verbruik door personen behorende tot de groep burgerwerknemers in de zin van artikel 56.

2.

Op de bepalingen van deze Overeenkomst met betrekking tot arbeidslonen en tarieven voor vervoer en voor verreberichtgeving wordt geen inbreuk gemaakt door de bepalingen van het eerste lid.

Artikel 62

1.

Wanneer ten behoeve van een krijgsmacht of een civiele dienst vorderingsmaatregelen (Anforderungsverfahren) volgens de Duitse vorderingswetgeving worden genomen, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

2.

De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing met betrekking tot de Wet beperking grondeigendom en de Wet inzake de verwerving van terreinen.

Artikel 63

1.

In de gevallen en in de mate waarin zulks in het tweede tot en met zevende lid is bepaald, worden geen betalingen gedaan voor goederen en diensten waarvan een krijgsmacht of een civiele dienst gebruik maakt voor haar eigen doeleinden of welke hun voor deze doeleinden ter beschikking zijn gesteld.

2.

Een krijgsmacht of een civiele dienst kan kosteloos gebruik maken van openbare wegen, hoofdverkeerswegen en bruggen.

3.

Een krijgsmacht of een civiele dienst geniet kosteloos de diensten en bijstand van openbare diensten, met inbegrip van de diensten van de Duitse politie, de openbare gezondheidsdienst en de brandweer, alsmede van de meteorologische, topografische en cartografische diensten, in tenminste dezelfde mate als de Duitse strijdkrachten. Hetzelfde geldt voor het gebruik van bevaarbare wateren.

Artikel 64

De leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst of gezinsleden kunnen zelfstandig kosteloos gebruik maken van dienstverlenende instanties, met inbegrip van de diensten van de Duitse politie, openbare gezondheidszorg en brandweer, alsmede van meteorologische, topografische en cartografische diensten en andere openbare diensten en van openbare inrichtingen, in dezelfde mate als andere personen op het gebied van de Bondsrepubliek van deze inrichtingen en diensten kosteloos gebruik kunnen maken. Hetzelfde geldt voor het gebruik van openbare wegen, hoofdstraatwegen, bruggen en bevaarbare wateren.

Artikel 65

2.

De vrijstellingen bedoeld in het eerste lid van dit artikel zijn ook van toepassing ten aanzien van goederen die door een krijgsmacht of een civiele dienst zijn ingevoerd of aangebracht om ze aan hun leden of gezinsleden voor particulier gebruik of verbruik te vervreemden. Tenzij in bepaalde gevallen de autoriteiten van de krijgsmacht en de Duitse autoriteiten anders overeengekomen zijn, mag de vervreemding slechts geschieden door tussenkomst van bepaalde organen van de krijgsmacht of de civiele dienst of van te hunnen dienste staande organisaties, waarvan de namen aan de Bondsregering medegedeeld worden.

3.

Een krijgsmacht en een civiele dienst zijn gerechtigd goederen in het Bondsgebied te vervreemden aan personen die geen lid van de krijgsmacht of de civiele dienst of geen gezinslid zijn, in overeenstemming met nadere met de Duitse autoriteiten te sluiten overeenkomsten. De verwerver van die goederen is verantwoordelijk voor de naleving van de krachtens de Duitse douanewetgeving uit de vervreemding voortvloeiende verplichtingen. De krijgsmacht en de civiele dienst staan de afvoer van de goederen eerst toe, indien de belanghebbende een verklaring van de betrokken Duitse douaneautoriteit overlegt ten bewijze dat hij de nodige regelingen heeft getroffen met de Duitse dienst der douane.

4.

Een krijgsmacht en de bevoegde Duitse autoriteiten treffen alle in aanmerking komende maatregelen ter verzekering van een onbelemmerde en snelle behandeling van in- en uitvoerzendingen van de krijgsmacht en de civiele dienst door de Duitse douane-autoriteiten.

5.

De douanecontrole van door een krijgsmacht of een civiele dienst in- of uitgevoerde zendingen wordt door de Duitse autoriteiten uitgevoerd met inachtneming van de volgende beginselen:

De Duitse autoriteiten nemen echter genoegen met van tijd tot tijd uit te voeren controles die plaatsvinden in overleg met de voor het betreffende luchtvaartterrein verantwoordelijke autoriteiten van de krijgsmacht. De autoriteiten van de krijgsmacht oefenen een regelmatige controle op al deze zendingen uit. Douanecontrole in militaire vliegtuigen waarop bijzondere veiligheidsbepalingen van toepassing zijn, wordt slechts uitgevoerd door speciaal daartoe aangewezen vertegenwoordigers van de krijgsmacht.

6.

Bij de uitvoer van in het Bondsgebied door een krijgsmacht of een civiele dienst verworven goederen moet aan het douanekantoor een officiële verklaring worden overgelegd gelijk aan die bedoeld in artikel XI, vierde lid van het NAVO-Status Verdrag, behalve voorzover op de voet van het tiende lid van dat artikel van deze eis wordt afgezien.

Artikel 66

1.

De leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en de gezinsleden kunnen, naast hun persoonlijke bagage en roerende goederen en hun particuliere motorvoertuigen, ook andere goederen bestemd voor hun persoonlijk of huishoudelijk gebruik of verbruik, vrij van rechten en andere invoerbelastingen invoeren.

Dit voorrecht is niet alleen van toepassing op goederen die aan deze personen in eigendom toebehoren, doch ook op goederen die hun bij wijze van geschenk worden toegezonden of die aan hen worden geleverd uit hoofde van contracten die zij rechtstreeks met niet in de Bondsrepubliek of Berlijn (West) gevestigde personen hebben gesloten.

2.

Voor bepaalde door de bevoegde Duitse autoriteiten aangegeven goederen die in het bijzonder voorwerp zijn van overtreding van douanevoorschriften, geldt het in het eerste lid neergelegde voorrecht slechts, indien die goederen door leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst of door gezinsleden persoonlijk worden ingevoerd in de door hen medegevoerde bagage, en slechts in hoeveelheden die door de bevoegde Duitse autoriteiten in overeenstemming met de autoriteiten van de krijgsmacht zijn vastgesteld.

3.

In twijfelgevallen zijn de Duitse douaneambtenaren gerechtigd overlegging van een schriftelijke verklaring te vorderen, waarin wordt verklaard dat de ingevoerde goederen bestemd zijn voor het persoonlijke of huishoudelijke gebruik of verbruik van de persoon die die goederen invoert. Dit is echter niet van toepassing ten aanzien van goederen waarvan de invoer in overeenstemming met het tweede lid is beperkt. Bedoelde verklaringen worden slechts afgegeven door een beperkt aantal beambten, die daartoe door de autoriteiten van de krijgsmacht speciaal zijn aangewezen en met wier namen en handtekeningen de Duitse autoriteiten in kennis gesteld zijn.

4.

De leden van de krijgsmacht, van de civiele dienst en de gezinsleden mogen goederen die vrij van rechten zijn ingevoerd of met belastingvrijstelling zijn verworven onderling vervreemden. Overdracht aan andere personen is hun slechts na kennisgeving aan en goedkeuring van de Duitse autoriteiten toegestaan, voorzover deze autoriteiten geen uitzonderingen van algemene aard hebben toegelaten.

6.

De leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst of gezinsleden kunnen door hen in de Bondsrepubliek ingevoerde goederen vrij van uitvoerrechten (Ausgangsabgaben) weder uitvoeren. Zij kunnen voorts goederen die hun in eigendom toebehoren en die niet voor de handel bestemd zijn, vrij van economische uitvoerverboden of -beperkingen en van uitvoerrechten, in met hun economische omstandigheden overeenkomende hoeveelheden, uitvoeren. In twijfelgevallen zijn de Duitse douane-autoriteiten gerechtigd overlegging van een schriftelijke verklaring te vorderen, waarin wordt verklaard dat aan deze voorwaarden is voldaan. Deze verklaring wordt afgegeven in overeenstemming met de voorschriften van de laatste volzin van het derde lid.

7.

Indien de douanecontrole van leden van een krijgsmacht, van een civiele dienst of van gezinsleden plaatsvindt in een douanekantoor waarbij grensliaisonpersoneel van een krijgsmacht is geplaatst, schakelen de Duitse douanebeambten dit personeel in, indien overtredingen worden geconstateerd of moeilijkheden rijzen in verband met de controle.

Artikel 67

1.

Een krijgsmacht is niet onderworpen aan belastingheffing met betrekking tot aangelegenheden die uitsluitend binnen het kader van haar werkzaamheden als zodanig vallen, noch met betrekking tot de voor die werkzaamheden bestemde goederen. Dit is evenwel niet van toepassing op belastingen die voortvloeien uit deelneming van de krijgsmacht aan het Duitse economische leven of betrekking hebben op hiervoor bestemde goederen.

Leveranties en diensten van de krijgsmacht aan haar leden, aan leden van de civiele dienst en aan gezinsleden worden niet beschouwd als deelneming aan het Duitse economische leven.

2.

De ontheffing van douanerechten en andere in- en uitvoerrechten op goederen die door een krijgsmacht of civiele dienst worden in- of uitgevoerd of door hen worden verworven uit douane-entrepots of inrichtingen die onder douanecontrole staan, wordt vastgesteld in overeenstemming met artikel XI van het NAVO-Status Verdrag en artikel 65 van dit Verdrag.

4.

De bijzondere regelingen bedoeld in artikel XI, elfde lid, van het NAVO-Status Verdrag, voor brandstof en smeermiddelen, worden getroffen in overeenstemming met artikel 65, eerste lid onder b, en met het derde lid van dit artikel.

Artikel 68

1.

Leden van een krijgsmacht of van een civiele dienst en gezinsleden verliezen geen belastingvoorrechten waarop zij ingevolge eventuele met de Bondsrepubliek gesloten internationale overeenkomsten recht hebben.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)