Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd
De Comité's van geïnterneerden moeten het lichamelijk, moreel en geestelijk welzijn der geïnterneerden bevorderen.
In het bijzonder ingeval de geïnterneerden mochten besluiten in hun midden een systeem van onderlinge bijstand te organiseren, zal deze organisatie tot de bevoegdheid van de Comité's behoren, naast de bijzondere werkzaamheden waarmede zij ingevolge andere bepalingen van dit Verdrag zijn belast.
Artikel 104
Leden van Comité's van geïnterneerden mogen niet tot enige andere arbeid worden verplicht, indien de uitoefening van hun functie daardoor zou worden bemoeilijkt.
Leden der Comité's kunnen onder de geïnterneerden de hulpkrachten aanwijzen, die zij nodig mochten hebben. Alle nodige faciliteiten zullen hun worden verleend, in het bijzonder een zekere mate van bewegingsvrijheid, vereist voor de vervulling van hun taak (bezoeken aan werkgroepen, het in ontvangst nemen van goederen, enz.).
Evenzo zullen alle faciliteiten worden verleend aan de leden der Comité's voor hun correspondentie per post en telegraaf met de gevangenhoudende autoriteiten, de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis en hun gedelegeerden, alsmede met de organisaties tot hulpverlening aan geïnterneerden. Leden der Comité's, die zich in een werkgroep bevinden, zullen dezelfde faciliteiten genieten voor hun correspondentie met het Comité van het interneringsoord waartoe de werkgroep behoort. Deze correspondentie mag niet worden beperkt, noch worden beschouwd als een deel van het in artikel 107 genoemd aantal brieven en briefkaarten.
Geen lid van een Comité mag worden overgeplaatst zonder dat hem een redelijke tijd is gelaten zijn opvolger op de hoogte te stellen van de lopende zaken.
HOOFDSTUK VIII. Betrekkingen met de buitenwereld
Artikel 105
Zodra zij beschermde personen interneren, zullen de gevangenhoudende Mogendheden aan hen en aan de Mogendheid van welke zij onderdanen zijn, en aan hun beschermende Mogendheid de maatregelen ter kennis brengen, welke zij tot uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk hebben genomen. Evenzo zullen zij iedere wijziging in deze maatregelen ter kennis van de betrokken Partijen brengen.
Artikel 106
Zodra hij is geïnterneerd of uiterlijk één week na aankomst in een interneringsoord en evenzo in geval van ziekte, overbrenging naar een ander interneringsoord of naar een ziekeninrichting, zal iedere geïnterneerde in de gelegenheid worden gesteld enerzijds aan zijn familie en anderzijds aan het Centraal Bureau, bedoeld in artikel 140, rechtstreeks een interneringskaart te zenden, zo mogelijk overeenkomstig het als bijlage aan dit Verdrag gehecht model, welke hen inlicht over zijn internering, adres en gezondheidstoestand. Bedoelde kaarten moeten met de grootst mogelijke spoed worden doorgezonden en mogen op geen enkele wijze worden opgehouden.
Artikel 107
Geïnterneerden zijn gerechtigd brieven en briefkaarten te verzenden en te ontvangen. Indien de gevangenhoudende Mogendheid het noodzakelijk acht het aantal door iedere geïnterneerde te verzenden brieven en briefkaarten te beperken, mag dit aantal niet lager worden gesteld dan twee brieven en vier briefkaarten per maand, zoveel mogelijk overeenkomstig de als bijlagen aan dit Verdrag gehechte modellen. Indien de tot geïnterneerden gerichte correspondentie moet worden beperkt, mag dit slechts worden voorgeschreven door de Mogendheid van welke zij onderdanen zijn, eventueel op verzoek van de gevangenhoudende Mogendheid. Deze brieven en briefkaarten moeten binnen een redelijke termijn worden vervoerd; zij mogen niet worden opgehouden of achtergehouden bij wijze van tuchtmaatregel.
Geïnterneerden die sedert lang zonder bericht van hun naaste familieleden zijn, of die niet in de gelegenheid zijn langs de gewone weg bericht van hen te ontvangen of aan hen te zenden, evenals degenen die zich zeer ver van de hunnen bevinden, zijn gerechtigd telegrammen te zenden, tegen betaling van de telegraafkosten in de muntsoort waarover zij beschikken. Deze maatregel zal eveneens voor hen van toepassing zijn in als dringend erkende gevallen.
In den regel zal de correspondentie van geïnterneerden in hun moedertaal worden gevoerd. De Partijen bij het conflict kunnen correspondentie in andere talen toestaan.
Artikel 108
Geïnterneerden zijn gerechtigd, per post of op iedere andere wijze, persoonlijke of collectieve zendingen te ontvangen, welke in het bijzonder bevatten levensmiddelen, kleding, geneeskundige benodigdheden, alsmede boeken en voorwerpen tot voorziening in hun behoeften op godsdienstig terrein of op het gebied van ontwikkeling of ontspanning. Deze zendingen zullen de gevangenhoudende Mogendheid in genen dele ontheffen van de verplichtingen welke krachtens dit Verdrag op haar rusten.
Ingeval het om militaire redenen noodzakelijk is de hoeveelheid van deze zendingen te beperken, moeten de beschermende Mogendheid, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan de geïnterneerden, belast met het verzenden van deze zendingen, daarmede behoorlijk in kennis worden gesteld.
De wijze van verzending van persoonlijke of collectieve zendingen zal, zo nodig, worden geregeld bij bijzondere overeenkomst tussen de belanghebbende Mogendheden, welke in geen geval vertraging in de ontvangst door de geïnterneerden van zendingen tot hulpverlening mag veroorzaken. Zendingen van levensmiddelen of kleding mogen geen boeken bevatten; zendingen van geneeskundige benodigdheden zullen in het algemeen in collectieve pakketten worden verzonden.
Artikel 109
Bij gebreke van bijzondere overeenkomsten tussen Partijen bij het conflict over de wijze van ontvangst en verdeling van collectieve zendingen tot hulpverlening, zal het reglement betreffende collectieve zendingen, hetwelk als bijlage aan dit Verdrag is gehecht, van toepassing zijn.
Bovenbedoelde bijzondere overeenkomsten mogen in geen geval het recht van de Comité's van geïnterneerden beperken om bezit te nemen van voor geïnterneerden bestemde collectieve zendingen tot hulpverlening, over te gaan tot de verdeling daarvan en daarover te beschikken in het belang van de geadresseerden.
Deze overeenkomsten mogen evenmin het recht beperken van de vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan geïnterneerden, belast met het verzenden van deze collectieve zendingen, om toe te zien op de verdeling daarvan onder de geadresseerden.
Artikel 110
Alle zendingen tot hulpverlening aan geïnterneerden zullen vrijgesteld zijn van invoerrechten, accijnzen en andere rechten.
Alle postzendingen, pakketten tot hulpverlening en geldzendingen inbegrepen, uit andere landen gezonden aan geïnterneerden dan wel door hen verzonden per post, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de Informatiebureaux, bedoeld in artikel 136, en het Centraal Informatiebureau, bedoeld in artikel 140, zullen vrijgesteld zijn van port, zowel in het land van herkomst en van bestemming, als in de landen van doorvoer. Te dien einde zullen, in het bijzonder, de vrijstellingen, voorzien in het Wereldpostverdrag van 1947 en in de overeenkomsten van de Wereldpostvereniging ten behoeve van burgers van vijandelijke nationaliteit, vastgehouden in kampen of in burgergevangenissen, worden uitgebreid tot de andere geïnterneerde personen die krachtens dit Verdrag worden beschermd. De landen die niet zijn aangesloten bij bovengenoemde regelingen, zijn verplicht port-vrijdom te verlenen onder dezelfde voorwaarden.
De vervoerkosten van zendingen tot hulpverlening, bestemd voor geïnterneerden, welke, ten gevolge van haar gewicht of om enige andere reden, hun niet per post kunnen worden toegezonden, zullen ten laste komen van de gevangenhoudende Mogendheid in alle gebieden welke zich onder haar gezag bevinden. De overige Mogendheden die partij zijn bij dit Verdrag, zullen de vervoerkosten in haar onderscheiden gebieden dragen.
De uit het vervoer van deze zendingen voortvloeiende kosten welke niet worden gedekt door de bepalingen van de voorgaande leden, zullen ten laste komen van de afzender.
De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen er zoveel mogelijk naar streven de tarieven, berekend voor telegrammen welke door geïnterneerden verzonden of aan hen gericht worden, te verlagen.
Artikel 111
Ingeval militaire operaties de betrokken Mogendheden zouden beletten de op haar rustende verplichting na te komen om het vervoer van de zendingen, bedoeld in de artikelen 106, 107, 108 en 113, te verzorgen, mogen de betrokken beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie die daarvoor toestemming van de Partijen bij het conflict heeft ontvangen, trachten het vervoer van deze zendingen te doen plaats vinden met passende middelen (spoorwegwagons, vrachtauto's, vaartuigen of vliegtuigen, enz.). De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen trachten hun tot dat doel deze vervoermiddelen te verschaffen en het verkeer ervan toe te staan, in het bijzonder door het verstrekken van de nodige vrijgeleiden.
Deze vervoermiddelen mogen eveneens worden gebruikt om te vervoeren:
- a. de correspondentie, lijsten en rapporten, uitgewisseld tussen het Centraal Informatiebureau, bedoeld in artikel 140, en de nationale Bureaux, bedoeld in artikel 136;
- b. de correspondentie en rapporten betreffende geïnterneerden, welke de beschermende Mogendheden, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan de geïnterneerden, uitwisselen hetzij met hun eigen gedelegeerden, hetzij met de Partijen bij het conflict.
Deze bepalingen beperken in genen dele het recht van iedere Partij bij het conflict om, indien zij zulks verkiest, het vervoer op andere wijze te organiseren en vrijgeleiden te verstrekken op overeen te komen voorwaarden.
De kosten, veroorzaakt door het gebruik van deze vervoermiddelen, zullen naar evenredigheid worden gedragen door de Partijen bij het conflict, wier onderdanen daarvan profijt trekken.
Artikel 112
De censuur van aan geïnterneerden gerichte of door hen verzonden correspondentie moet zo snel mogelijk geschieden.
Het onderzoek van voor geïnterneerden bestemde zendingen mag niet op zodanige wijze geschieden, dat de daarin aanwezige levensmiddelen aan bederf worden blootgesteld en zal worden uitgevoerd in tegenwoordigheid van de geadresseerde of van een door hem gevolmachtigd mede-geïnterneerde. De uitreiking van persoonlijke of collectieve zendingen aan geïnterneerden mag niet worden vertraagd onder voorwendsel van moeilijkheden bij de censuur.
Ieder verbod om te corresponderen, door de Partijen bij het conflict om militaire of politieke redenen uitgevaardigd, mag slechts van tijdelijke aard en van zo kort mogelijke duur zijn.
Artikel 113
De gevangenhoudende Mogendheden zullen alle redelijke faciliteiten verlenen voor de verzending, door tussenkomst van de beschermende Mogendheid of het Centraal Bureau, bedoeld in artikel 140, of op andere wijze, van testamenten, volmachten of andere documenten, bestemd voor geïnterneerden of door hen verzonden.
In alle gevallen zullen de gevangenhoudende Mogendheden voor de geïnterneerden het opstellen en legaliseren van deze documenten in de juiste en wettige vorm vergemakkelijken; te dien einde zullen zij hun in het bijzonder toestaan een rechtsgeleerde te raadplegen.
Artikel 114
De gevangenhoudende Mogendheid zal aan geïnterneerden alle faciliteiten verlenen om hen in staat te stellen hun eigendommen te beheren, voor zover zulks verenigbaar is met het geïnterneerd zijn en met de van kracht zijnde wetten. Te dien einde kan deze Mogendheid hun, in dringende gevallen en indien de omstandigheden zulks veroorloven, toestaan het interneringsoord te verlaten.
Artikel 115
In alle gevallen waarin een geïnterneerde partij is in een proces voor welk gerecht ook, moet de gevangenhoudende Mogendheid, indien de geïnterneerde zulks verzoekt, het gerecht op de hoogte stellen van zijn internering en binnen de wettelijke grenzen zorg dragen, dat alle noodzakelijke maatregelen worden genomen, opdat hij geen nadeel ondervindt van het feit van zijn internering, wat betreft de voorbereiding en het voeren van zijn proces of de tenuitvoerlegging van iedere uitspraak van het gerecht.
Artikel 116
Aan iedere geïnterneerde zal worden toegestaan, met geregelde tussenpozen en zo dikwijls mogelijk, bezoek te ontvangen, in de eerste plaats van zijn naaste verwanten.
In dringende gevallen en voor zover mogelijk, in het bijzonder in geval van overlijden of ernstige ziekte van een familielid, zal aan de geïnterneerde worden toegestaan zijn gezin te bezoeken.
HOOFDSTUK IX. Strafrechtelijke en tuchtrechtelijke sancties
Artikel 117
Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk, blijven de wetten welke van kracht zijn op het grondgebied waar de geïnterneerden zich bevinden, van toepassing op geïnterneerden die gedurende de internering vergrijpen plegen.
Indien wetten, reglementen of orders handelingen, begaan door geïnterneerden, strafbaar stellen, terwijl dezelfde feiten niet strafbaar zijn wanneer zij worden begaan door niet-geïnterneerde personen, mogen zodanige handelingen slechts tuchtrechtelijke straffen ten gevolge hebben.
Een geïnterneerde mag slechts éénmaal worden gestraft voor hetzelfde feit of op dezelfde telastelegging.
Artikel 118
Bij het bepalen van de straf, moeten de gerechten of autoriteiten, in zo ruim mogelijke mate, rekening houden met het feit, dat de verdachte geen onderdaan is van de gevangenhoudende Mogendheid. Zij zijn vrij de straf, gesteld op het vergrijp waarvan de geïnterneerde wordt beschuldigd, te verminderen en zijn derhalve niet gehouden de voorgeschreven minimum-straf op te leggen.
Opsluiting in lokaliteiten zonder daglicht en, in het algemeen, iedere vorm van wreedheid zijn verboden.
Geïnterneerden die een tuchtrechtelijke of gerechtelijke straf hebben ondergaan, mogen niet verschillend van de andere geïnterneerden worden behandeld.
De duur van de voorlopige hechtenis, door een geïnterneerde ondergaan, zal in mindering worden gebracht op iedere tuchtrechtelijke of gerechtelijke vrijheidsstraf welke hem mocht worden opgelegd.
De Comité's van geïnterneerden zullen op de hoogte worden gesteld van alle gerechtelijke stappen, ondernomen tegen de geïnterneerden die zij vertegenwoordigen, alsmede van de resultaten.
Artikel 119
De tuchtrechtelijke straffen welke op geïnterneerden mogen worden toegepast, zijn:
-
- een boete van ten hoogste 50 % van het loon, bedoeld in artikel 95, gedurende een tijdvak van niet meer dan dertig dagen;
-
- intrekking van voorrechten welke boven de in dit Verdrag voorgeschreven behandeling zijn verleend;
-
- corvéediensten tot ten hoogste twee uur per dag, in verband met het onderhoud van het interneringsoord;
-
- arrest.
In geen geval mogen tuchtrechtelijke straffen onmenselijk, ruw of gevaarlijk voor de gezondheid van de geïnterneerden zijn. Rekening moet worden gehouden met de leeftijd, sekse en gezondheidstoestand van de geïnterneerde.
De duur van één enkele straf mag in geen geval dertig achtereenvolgende dagen overschrijden, zelfs niet indien een geïnterneerde zich op het ogenblik dat zijn zaak wordt behandeld, mocht hebben te verantwoorden voor meer dan één tuchtrechtelijk vergrijp, onverschillig of deze feiten al dan niet met elkander in verband staan.
Artikel 120
Geïnterneerden die wederom worden gegrepen na te zijn ontvlucht of bij een poging tot ontvluchting, mogen slechts tuchtrechtelijk worden gestraft, zelfs in geval van recidive.
In afwijking van het derde lid van artikel 118, mogen geïnterneerden die wegens ontvluchting of poging daartoe worden gestraft, worden onderworpen aan een speciale bewaking, mits deze hun gezondheid niet ongunstig beïnvloedt, in een interneringsoord wordt toegepast en geen enkele waarborg welke dit Verdrag hun biedt, teniet doet.
Geïnterneerden die behulpzaam zijn geweest bij een ontvluchting of een poging daartoe, mogen uit dien hoofde slechts tuchtrechtelijk worden gestraft.
Artikel 121
Ontvluchting of poging daartoe zal, zelfs in geval van recidive, niet als een verzwarende omstandigheid worden beschouwd indien de geïnterneerde wordt verwezen naar een gerecht wegens tijdens deze ontvluchting of poging daartoe gepleegde vergrijpen.
De Partijen bij het conflict zullen zorg dragen, dat de bevoegde autoriteiten lankmoedigheid betrachten bij haar beslissing of een vergrijp, begaan door een geïnterneerde, tuchtrechtelijk of strafrechtelijk moet worden afgedaan, in het bijzonder wat betreft feiten welke verband houden met een ontvluchting of een poging daartoe.
Artikel 122
Feiten welke tuchtrechtelijke vergrijpen inhouden, zullen onmiddellijk worden onderzocht Dit geldt in het bijzonder voor ontvluchting of poging daartoe; een wederom gevangengenomen geïnterneerde; zal zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteiten worden overgegeven.
In gevallen van tuchtrechtelijke vergrijpen zal het voorlopig arrest voor alle geïnterneerden tot het uiterste minimum worden beperkt en de duur van veertien dagen niet overschrijden; de duur moet in alle gevallen op de vrijheidsstraf welke mocht worden opgelegd, in mindering worden gebracht.
De bepalingen van de artikelen 124 en 125 zullen van toepassing zijn op geïnterneerden die in voorlopig arrest zijn gesteld wegens een tuchtrechtelijk vergrijp.
Artikel 123
Onverminderd de bevoegdheid van gerechten en hoge autoriteiten, mag een tuchtrechtelijke straf alleen worden opgelegd door de commandant van het interneringsoord, of door een verantwoordelijk officier of ambtenaar die hem vervangt, of aan wie hij zijn tuchtrechtelijke bevoegdheden heeft gedelegeerd.
Voordat een tuchtrechtelijke straf wordt opgelegd, moet aan de verdachte geïnterneerde nauwkeurig worden medegedeeld van welke feiten hij wordt beschuldigd. Hem zal de gelegenheid worden gegeven uitleg te geven van zijn gedrag, zich te verdedigen, getuigen te doen horen en, zo nodig, de hulp van een bevoegd tolk in te roepen. De beslissing zal worden uitgesproken in tegenwoordigheid van de beschuldigde en van een lid van het Comité van geïnterneerden.
Tussen het aanzeggen van een tuchtrechtelijke straf en de tenuitvoerlegging daarvan mag niet meer dan één maand verlopen.
Wanneer aan een geïnterneerde een nieuwe tuchtrechtelijke straf wordt opgelegd, zal tussen de tenuitvoerlegging van deze twee straffen een termijn van ten minste drie dagen verlopen, indien de duur van één dezer straffen tien dagen of meer bedraagt
De commandant van het interneringsoord moet een register van opgelegde tuchtrechtelijke straffen aanhouden, hetwelk ter inzage moet zijn voor vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid.
Artikel 124
In geen geval mogen geïnterneerden naar strafinrichtingen (huizen van bewaring, gevangenissen, tuchthuizen, inrichtingen voor dwangarbeid, enz.) worden overgebracht om daar tuchtrechtelijke straffen te ondergaan.
De lokaliteiten waarin tuchtrechtelijke straffen worden ondergaan, moeten aan de eisen van hygiëne beantwoorden en in het bijzonder van voldoend nachtleger zijn voorzien; geïnterneerden die een straf ondergaan, moeten in de gelegenheid worden gesteld zich in een staat van zindelijkheid te houden.
Geïnterneerde vrouwen die een tuchtrechtelijke straf ondergaan, zullen in verblijven, afgescheiden van die der mannen, worden ondergebracht en onder rechtstreeks toezicht van vrouwen staan.
Artikel 125
Aan tuchtrechtelijk gestrafte geïnterneerden zal worden toegestaan dagelijks lichaamsbeweging te nemen en in de open lucht te vertoeven gedurende ten minste twee uur.
Op hun verzoek zal hun worden toegestaan zich op het dagelijks ziekenrapport te melden; zij zullen de verzorging ontvangen, welke hun gezondheidstoestand noodzakelijk maakt, en, zo nodig, worden opgenomen in het ziekenverblijf van het interneringsoord of in een ziekeninrichting.
Hun zal worden toegestaan te lezen en te schrijven, alsook brieven te verzenden en te ontvangen. Pakketten en geldzendingen kunnen hun echter worden onthouden tot na het einde van de straf; deze zullen intussen aan het Comité van geïnterneerden worden toevertrouwd, dat aan het ziekenverblijf de aan bederf onderhevige levensmiddelen welke zien in die pakketten bevinden, zal overhandigen.
Een tuchtrechtelijk gestrafte geïnterneerde mag niet van de voordelen van de bepalingen der artikelen 107 en 143 worden beroofd.
Artikel 126
De bepalingen van de artikelen 71 tot en met 76 zijn op overeenkomstige wijze van toepassing bij vervolging, ingesteld tegen geïnterneerden die zich op het eigen grondgebied van de gevangenhoudende Mogendheid bevinden.
HOOFDSTUK X. Overbrengen van geïnterneerden
Artikel 127
Het overbrengen van geïnterneerden moet steeds op menslievende wijze geschieden. Het moet in de regel per trein of met andere vervoermiddelen worden uitgevoerd en ten minste onder omstandigheden, gelijk aan die waaronder troepen van de gevangenhoudende Mogendheid worden verplaatst. Ingeval, bij uitzondering, het overbrengen te voet moet geschieden, is zulks alleen toegestaan indien de lichamelijke toestand van de geïnterneerden dit veroorlooft, terwijl de overbrenging hen in geen geval aan overmatige vermoeienis mag blootstellen.
De gevangenhoudende Mogendheid moet gedurende de overbrenging aan de geïnterneerden drinkwater en voedsel in voldoende hoeveelheid, hoedanigheid en afwisseling verschaffen om hen in goede gezondheid te houden, zomede de nodige kleding, behoorlijke onderkomens en de nodige geneeskundige verzorging. Zij zal alle vereiste voorzorgen nemen om hun veiligheid gedurende het overbrengen te waarborgen en, vóór hun vertrek, een volledige lijst opstellen van de geïnterneerden die worden overgebracht
Zieke, gewonde of gebrekkige geïnterneerden, alsmede kraamvrouwen, mogen niet worden overgebracht indien hun gezondheid door de reis zou kunnen worden benadeeld, tenzij hun veiligheid zulks dringend vereist.
Indien het gevechtsfront een interneringsoord nadert, mogen de geïnterneerden die zich daarin bevinden, alleen dan worden overgebracht indien hun overbrenging kan plaats vinden onder omstandigheden welke voldoende kans op veiligheid bieden, of indien zij groter gevaar zouden lopen door ter plaatse te blijven dan door te worden overgebracht.
Wanneer de gevangenhoudende Mogendheid besluit geïnterneerden over te brengen, moet zij rekening houden met hun belangen, ten einde in het bijzonder de moeilijkheden van hun repatriëring of terugkeer naar hun haardsteden niet te vergroten.
Artikel 128
In geval van overbrenging zullen de geïnterneerden officieel in kennis worden gesteld met hun vertrek en nieuw postadres; deze mededeling zal hun zo tijdig worden gedaan, dat zij hun bagage kunnen pakken en hun familie waarschuwen.
Hun zal worden toegestaan hun persoonlijke bezittingen, hun correspondentie en de door hen ontvangen pakketten mede te nemen; het gewicht van deze bagage mag, indien de omstandigheden van de overbrenging zulks vereisen, worden beperkt, maar in geen geval tot minder dan vijf en twintig kilogram per geïnterneerde.
Correspondentie en postpakketten, aan hun vroeger interneringsoord geadresseerd, zullen hun onverwijld worden nagezonden.
De commandant van het interneringsoord zal, in overleg met het Comité van geïnterneerden, de nodige maatregelen nemen om te voorzien in het vervoer van de gemeenschappelijke bezittingen der geïnterneerden en van de bagage welke de geïnterneerden niet kunnen medenemen ten gevolge van beperkingen, opgelegd op grond van het tweede lid van dit artikel.
HOOFDSTUK XI. Overlijden
Artikel 129
Geïnterneerden kunnen hun testament deponeren bij de verantwoordelijke autoriteiten, die voor de bewaring daarvan zullen zorg dragen. In geval van overlijden van geïnterneerden, zullen deze testamenten onverwijld aan de door de geïnterneerden aangewezen personen worden toegezonden.
Het overlijden van iedere geïnterneerde afzonderlijk zal door een geneesheer worden vastgesteld; een verklaring zal worden opgemaakt, waarin de doodsoorzaak en de omstandigheden waaronder het overlijden heeft plaats gevonden, worden vermeld.
Een wettig ingeschreven officiële overlijdensakte zal worden opgemaakt overeenkomstig de voorschriften, geldend op het grondgebied waar het interneringsoord is gelegen; een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift zal onverwijld worden toegezonden aan de beschermende Mogendheid en aan het Centraal Bureau, bedoeld in artikel 140.
Artikel 130
De gevangenhoudende autoriteiten zullen zorg dragen, dat de tijdens internering overleden geïnterneerden op eerbiedige wijze, zo mogelijk overeenkomstig het ceremonieel van de godsdienst welke zij beleden, worden begraven en dat hun graven worden ontzien, behoorlijk onderhouden en zodanig aangeduid, dat zij te allen tijde kunnen worden teruggevonden.
Overleden geïnterneerden zullen ieder afzonderlijk worden begraven, tenzij overmacht een gemeenschappelijk graf noodzakelijk maakt. De lijken mogen alleen worden verbrand indien gebiedende hygiënische redenen of de godsdienst van de overledene zulks vereisen, dan wel deze de wens daartoe te kennen heeft gegeven. In geval van verbranding zal dit met opgave van redenen in de overlijdensakte van de geïnterneerde worden vermeld. De as moet met zorg door de gevangenhoudende autoriteiten worden bewaard en zo spoedig mogelijk aan de naaste familie worden overgedragen, indien deze zulks verzoekt.
Zodra de omstandigheden zulks veroorloven en uiterlijk bij het einde der vijandelijkheden, zal de gevangenhoudende Mogendheid, door tussenkomst van de Inlichtingenbureaux, bedoeld in artikel 136, aan de Mogendheden tot welke de overleden geïnterneerden behoorden, de lijsten van de graven der overleden geïnterneerden doen toekomen. Deze lijsten moeten alle bijzonderheden bevatten, nodig om de overleden geïnterneerden te identificeren en de juiste plaats van hun graven vast te stellen.
Artikel 131
Ieder geval van dood of ernstige verwonding van een geïnterneerde, veroorzaakt of vermoed te zijn veroorzaakt door een schildwacht, een andere geïnterneerde of enig ander persoon, evenals ieder overlijden waarvan de oorzaak onbekend is, zal onmiddellijk worden gevolgd door een officieel onderzoek van de zijde van de gevangenhoudende Mogendheid.
Een mededeling daaromtrent zal terstond aan de beschermende Mogendheid worden gezonden. De verklaringen van alle getuigen zullen worden verzameld; een rapport, bevattende deze verklaringen, zal worden opgesteld en aan genoemde Mogendheid worden gezonden.
Indien door het onderzoek de schuld van één of meer personen wordt vastgesteld, zal de gevangenhoudende Mogendheid alle maatregelen nemen voor de gerechtelijke vervolging van de verantwoordelijke persoon of personen.
HOOFDSTUK XII. Invrijheidstelling, repatriëring en onderbrenging op onzijdig gebied
Artikel 132
Iedere geïnterneerde zal door de gevangenhoudende Mogendheid in vrijheid worden gesteld zodra de redenen welke tot zijn internering hebben geleid, niet meer bestaan.
Bovendien zullen de Partijen bij het conflict er naar streven gedurende de vijandelijkheden overeenkomsten te sluiten voor de invrijheidstelling, repatriëring, terugkeer naar de woonplaats of onderbrenging op onzijdig gebied van bepaalde categorieën van geïnterneerden, in het bijzonder kinderen, zwangere vrouwen en moeders met zuigelingen en jonge kinderen, gewonden en zieken of geïnterneerden die een langdurige gevangenschap hebben ondergaan.
Artikel 133
Internering eindigt zo spoedig mogelijk na het staken der vijandelijkheden.
Geïnterneerden op het grondgebied van een Partij bij het conflict, die strafrechtelijk worden vervolgd voor vergrijpen welke niet uitsluitend tuchtrechtelijk kunnen worden afgedaan, mogen worden achtergehouden tot het einde van het proces, eventueel tot het einde van de straf. Hetzelfde zal gelden voor hen die tevoren tot een vrijheidsstraf werden veroordeeld.
Bij overeenkomst tussen de gevangenhoudende Mogendheid en de betrokken Mogendheid zullen, na het einde der vijandelijkheden of van de bezetting van het grondgebied, commissies worden ingesteld om verspreide geïnterneerden op te sporen.
Artikel 134
De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen er naar streven, bij het einde der vijandelijkheden of der bezetting, de terugkeer van alle geïnterneerden naar hun voormalige woonplaats te waarborgen, of hun repatriëring te vergemakkelijken.
Artikel 135
De gevangenhoudende Mogendheid zal de kosten dragen van de terugkeer van de in vrijheid gestelde geïnterneerden naar de plaatsen waar zij op het ogenblik van hun internering woonachtig waren of, indien zij hen heeft aangehouden tijdens hun reis of in open zee, de kosten om hen te veroorloven hun reis te voltooien of naar de plaats van vertrek terug te keren.
Indien de gevangenhoudende Mogendheid de toestemming om op haar grondgebied verblijf te houden weigert aan een geïnterneerde die daar tevoren zijn domicilie had, zal zij de kosten van zijn repatriëring dragen. Indien de geïnterneerde er echter de voorkeur aan geeft naar zijn land terug te keren op eigen verantwoordelijkheid dan wel ingevolge de bevelen van de Regering aan wie hij gehoorzaamheid is verschuldigd, is de gevangenhoudende Mogendheid niet gehouden de kosten van de reis buiten haar grondgebied te betalen. De gevangenhoudende Mogendheid is niet gehouden de kosten te betalen van de repatriëring van een geïnterneerde die op eigen verzoek is geïnterneerd.
Indien geïnterneerden overeenkomstig artikel 45 worden overgedragen, zal de Mogendheid die hen heeft overgedragen, zich met de Mogendheid die hen heeft opgenomen, verstaan omtrent het deel der kosten, dat ieder van haar zal dragen.
Bovenstaande bepalingen doen geen afbreuk aan de bijzondere overeenkomsten welke de Partijen bij het conflict mochten hebben gesloten met betrekking tot de uitwisseling en repatriëring van hun onderdanen in vijandelijke handen.
AFDELING V. Informatiebureaux en Centraal Informatiebureau
Artikel 136
Bij het uitbreken van een conflict en in alle gevallen van bezetting zal ieder der Partijen bij het conflict een officieel Informatiebureau oprichten, belast met het ontvangen en doorgeven van inlichtingen betreffende zich in haar macht bevindende beschermde personen.
Binnen de kortst mogelijke tijd zal ieder der Partijen bij het conflict aan haar Informatiebureau inlichtingen verstrekken betreffende de maatregelen, door haar genomen ten opzichte van ieder beschermd persoon die langer dan twee weken in bewaring is gehouden, aan wie een gedwongen verblijfplaats is aangewezen of die is geïnterneerd. Bovendien zal zij haar verschillende betrokken overheidsdiensten opdragen het genoemd Bureau snel in te lichten aangaande alle wijzigingen in de toestand van deze beschermde personen, zoals overplaatsing, invrijheidstelling, repatriëring, ontvluchting, opneming in een ziekeninrichting, geboorte en overlijden.
Artikel 137
Het nationale Informatiebureau zal met spoed en met de snelste middelen de inlichtingen betreffende beschermde personen doen toekomen aan de Mogendheid van welke de bovenbedoelde personen onderdanen zijn, of aan de Mogendheid op wier grondgebied zij hun woonplaats hadden, door tussenkomst zowel van de beschermende Mogendheden als van het Centraal Bureau, bedoeld in artikel 140. De Bureaux zullen bovendien alle tot hen gerichte vragen betreffende beschermde personen beantwoorden.
De Informatiebureaux zullen de inlichtingen betreffende een beschermd persoon doorgeven, behalve in de gevallen waarin zulks de belanghebbende persoon of zijn familie nadeel zou kunnen berokkenen. Zelfs in dat geval mogen de inlichtingen niet worden geweigerd aan het Centraal Bureau, dat, na van de omstandigheden op de hoogte te zijn gesteld, de nodige voorzorgen zal nemen, zoals aangeduid in artikel 140.
Alle schriftelijke mededelingen van een Bureau zullen worden gewaarmerkt door een handtekening of een stempelafdruk.
Artikel 138
De door het nationale Informatiebureau ontvangen en de door dit Bureau doorgegeven inlichtingen moeten zodanig zijn, dat het mogelijk is de beschermde persoon nauwkeurig te identificeren en zijn familie snel in te lichten. Zij moeten voor iedere persoon ten minste bevatten zijn geslachtsnaam, voornamen, plaats en volledige datum van geboorte, nationaliteit, laatste woonplaats, bijzondere kentekenen, voornaam van zijn vader en geslachtsnaam van zijn moeder, datum en aard van de te zijnen opzichte genomen maatregel, alsmede de plaats waar deze is genomen, het adres waarheen correspondentie aan hem kan worden gericht, benevens de naam en het adres van de in te lichten persoon.
Evenzo zullen geregeld, en zo mogelijk wekelijks, inlichtingen over de gezondheidstoestand van ernstig zieke of zwaar gewonde geïnterneerden worden doorgegeven.
Artikel 139
Het nationale Informatiebureau zal bovendien belast zijn met het verzamelen van alle persoonlijke voorwerpen van waarde, door de in artikel 136 bedoelde beschermde personen achtergelaten, in het bijzonder bij hun repatriëring, invrijheidstelling, ontvluchting of overlijden; het Bureau zal deze voorwerpen toezenden aan de belanghebbenden rechtstreeks, of, indien het zulks noodzakelijk acht, door tussenkomst van het Centraal Bureau. Deze voorwerpen zullen worden verzonden in door het Bureau verzegelde pakketten, vergezeld van verklaringen, houdende nauwkeurige opgave van de identiteit der personen aan wie deze voorwerpen toebehoorden, alsmede van de volledige inhoud van het pakket. De ontvangst en verzending van alle zodanige voorwerken van waarde zullen in bijzonderheden worden aangetekend in registers.
Artikel 140
Een Centraal Informatiebureau betreffende beschermde personen, in het bijzonder betreffende geïnterneerden, zal op onzijdig gebied worden opgericht. Het Internationale Comité van het Rode Kruis zal, indien het zulks noodzakelijk acht, aan de belanghebbende Mogendheden voorstellen doen met betrekking tot de organisatie van een zodanig Bureau, dat hetzelfde kan zijn als dat, bedoeld in artikel 123 van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, van 12 Augustus 1949.
Dit Bureau zal belast zijn met het verzamelen van alle in artikel 136 bedoelde inlichtingen welke het langs officiële of particuliere wegen kan verkrijgen; het zal deze inlichtingen zo snel mogelijk doorgeven aan de landen van welke de belanghebbende personen onderdanen zijn of waar zij woonachtig zijn, behalve in de gevallen waarin zulks de personen op wie de inlichtingen betrekking hebben, of hun familie nadeel zou kunnen berokkenen. Het Bureau zal van de zijde van de Partijen bij het conflict alle redelijke faciliteiten ontvangen om het doorgeven van deze inlichtingen mogelijk te maken.
De Hoge Verdragsluitende Partijen, en in het bijzonder zij wier onderdanen genieten van de diensten van het Centraal Bureau, worden uitgenodigd daaraan de geldelijke steun te verlenen, welke het nodig mocht hebben.
Deze bepalingen mogen niet worden uitgelegd als zouden zij de menslievende werkzaamheden van het Internationale Comité van het Rode Kruis en van de verenigingen tot hulpverlening, bedoeld in artikel 142, beperken.
Artikel 141
De nationale Informatiebureaux en het Centraal Informatiebureau zullen vrijdom van port genieten voor alle poststukken, alsmede de in artikel 110 bedoelde vrijstellingen, en, voor zover mogelijk, vrijdom van telegraafkosten of ten minste belangrijk verlaagde tarieven.
TITEL IV. Tenuitvoerlegging van het Verdrag
AFDELING I. Algemene bepalingen
Artikel 142
Behoudens de maatregelen welke de gevangenhoudende Mogendheden noodzakelijk mochten achten om haar veiligheid te waarborgen of uit hoofde van enige andere redelijke noodzaak, zullen zij aan godsdienstige organisaties, verenigingen tot hulpverlening of enige andere organisatie die de beschermde personen te hulp mocht komen, evenals aan haar gevolmachtigde gedelegeerden, alle nodige faciliteiten verlenen voor het bezoeken van de beschermde personen, voor het verdelen onder hen van zendingen tot hulpverlening of van materiaal van iedere herkomst, bestemd voor opvoedkundige, ontspannings- of godsdienstige doeleinden, of om hen te helpen bij het besteden van hun vrije tijd in de interneringsoorden. Deze verenigingen of organisaties kunnen worden opgericht hetzij op het grondgebied van de gevangenhoudende Mogendheid, hetzij in een ander land, terwijl zij ook een internationaal karakter kunnen hebben.
De gevangenhoudende Mogendheid mag het aantal der verenigingen of organisaties wier gedelegeerden toestemming hebben om hun werkzaamheden op haar grondgebied en onder haar toezicht uit te oefenen, beperken, mits echter een zodanige beperking niet belet, dat aan alle beschermde personen doeltreffende en voldoende hulp wordt geboden.
De bijzondere positie van het Internationale Comité van het Rode Kruis op dit gebied zal te allen tijde worden erkend en geëerbiedigd.
Artikel 143
De vertegenwoordigers of gedelegeerden van de beschermende Mogendheden zijn gerechtigd zich naar alle plaatsen waar zich beschermde personen bevinden, te begeven, in het bijzonder naar plaatsen waar deze geïnterneerd, gevangen of werkzaam zijn.
Zij zullen toegang hebben tot alle bij de beschermde personen in gebruik zijnde lokaliteiten en mogen zich zonder getuigen met hen onderhouden, zo nodig door tussenkomst van een tolk.
Deze bezoeken mogen slechts om redenen van dwingende militaire noodzaak worden verboden en dan alleen bij uitzondering en als tijdelijke maatregel. De frequentie en de duur mogen niet worden beperkt.
De vertegenwoordigers en gedelegeerden van de beschermende Mogendheden zullen alle vrijheid genieten in de keuze van de plaatsen welke zij wensen te bezoeken. De gevangenhoudende of de bezettende Mogendheid, de beschermende Mogendheid en, eventueel, de Mogendheid tot welke de te bezoeken personen behoren, kunnen overeenkomen, dat het aan landgenoten van de geïnterneerden zal worden toegestaan aan deze bezoeken deel te nemen.
De gedelegeerden van het Internationale Comité van het Rode Kruis zullen dezelfde voorrechten genieten. De benoeming van deze gedelegeerden zal onderworpen zijn aan de goedkeuring van de Mogendheid onder wier gezag de gebieden waar zij hun werkzaamheden zullen uitoefenen, zijn gesteld.
Artikel 144
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich de tekst van dit Verdrag, zowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog, zo ruim mogelijk in haar onderscheiden landen te verspreiden en in het bijzonder de bestudering daarvan in de programma's van de militaire en, zo mogelijk, burgerlijke opleiding op te nemen, zodat de beginselen daarvan aan de gehele bevolking bekend worden.
De burgerlijke, militaire, politie- of andere autoriteiten die in tijd van oorlog de verantwoordelijkheid voor beschermde personen op zich nemen, moeten in het bezit zijn van de tekst van het Verdrag en speciaal omtrent zijn bepalingen zijn onderricht.
Artikel 145
De Hoge Verdragsluitende Partijen zullen elkander door tussenkomst van de Zwitserse Bondsraad en, tijdens de vijandelijkheden, door tussenkomst van de beschermende Mogendheden de officiële vertalingen van dit Verdrag mededelen, benevens de wetten en voorschriften welke zij mochten aannemen om de toepassing daarvan te verzekeren.
Artikel 146
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich alle benodigde wettelijke regelingen tot stand te brengen, nodig om doeltreffende strafbepalingen vast te stellen voor personen die één der ernstige inbreuken op dit Verdrag, omschreven in het volgend artikel, hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen daarvan hebben gegeven.
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij is verplicht personen die ervan verdacht worden één van deze ernstige inbreuken te hebben gepleegd, dan wel bevel tot het plegen daarvan te hebben gegeven, op te sporen en moet hen, ongeacht hun nationaliteit, voor haar eigen gerechten brengen. Zij kan hen ook, indien zij daaraan de voorkeur geeft, en overeenkomstig de bepalingen van haar eigen wetgeving, ter berechting overleveren aan een andere bij de vervolging belang hebbende Hoge Verdragsluitende Partij, mits deze Verdragsluitende Partij een met voldoende bewijzen gestaafde telastlegging welke een vervolging rechtvaardigt, tegen de betrokken personen inbrengt.
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij zal maatregelen nemen, nodig om de met de bepalingen van dit Verdrag strijdige handelingen welke niet vallen onder de in het volgend artikel omschreven ernstige inbreuken, tegen te gaan.
Onder alle omstandigheden zullen de verdachten de waarborgen genieten voor een behoorlijke berechting en verdediging, welke niet minder gunstig mogen zijn dan die, voorgeschreven in artikel 105 en volgende van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, van 12 Augustus 1949.
Artikel 147
De ernstige inbreuken, bedoeld in het voorgaand artikel, zijn die welke één der volgende handelingen in zich sluiten, indien deze worden gepleegd tegen door het Verdrag beschermde personen of goederen: opzettelijke levensberoving, marteling of onmenselijke behandeling, waaronder begrepen biologische proefnemingen, het moedwillig veroorzaken van hevig lijden, van ernstig lichamelijk letsel, dan wel van ernstige schade aan de gezondheid, onrechtmatige deportatie of overbrenging, onrechtmatige gevangenhouding, een beschermd persoon te dwingen om te dienen bij de strijdkrachten van de vijandelijke Mogendheid, of opzettelijk een beschermd persoon het recht te onthouden op een regelmatige en onpartijdige berechting overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, het nemen van gijzelaars, vernieling en toeëigening van goederen, niet gerechtvaardigd door militaire noodzaak en uitgevoerd op grote schaal en op onrechtmatige en moedwillige wijze.
Artikel 148
Geen der Hoge Verdragsluitende Partijen mag zich zelf of een andere Hoge Verdragsluitende Partij onttrekken aan enige op haar of op een andere Hoge Verdragsluitende Partij rustende aansprakelijkheid op grond van de in het voorgaand artikel bedoelde inbreuken.
Artikel 149
Op verzoek van een Partij bij het conflict moet, op een door de belanghebbende Partijen overeen te komen wijze, een onderzoek worden ingesteld naar iedere beweerde schending van het Verdrag.
Indien geen overeenstemming over de procedure van het onderzoek wordt bereikt, zullen de Partijen zich met elkander verstaan over de keuze van een scheidsrechter, die omtrent de te volgen procedure zal beslissen.
Wanneer de schending is vastgesteld, zullen de Partijen bij het conflict daaraan een einde maken en deze zo spoedig mogelijk bestraffen.
AFDELING II. Slotbepalingen
Artikel 150
Dit Verdrag is opgesteld in de Franse en de Engelse taal. Beide teksten zijn gelijkelijk authentiek.
De Zwitserse Bondsraad zal officiële vertalingen van het Verdrag in de Russische en de Spaanse taal doen opstellen.
Artikel 151
Dit Verdrag, hetwelk de datum van deze dag draagt, kan tot 12 Februari 1950 worden ondertekend uit naam van alle Mogendheden die vertegenwoordigd waren op de Conferentie welke te Genève op 21 April 1949 werd geopend.
Artikel 152
Dit Verdrag zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd en de akten van bekrachtiging zullen worden nedergelegd te Bern.
Van de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift door de Zwitserse Bondsraad zal worden toegezonden aan alle Mogendheden uit wier naam het Verdrag is ondertekend of de toetreding is medegedeeld.
Artikel 153
Dit Verdrag zal in werking treden zes maanden nadat ten minste twee akten van bekrachtiging zijn nedergelegd.
Daarna zal het Verdrag voor iedere Hoge Verdragsluitende Partij in werking treden zes maanden na het nederleggen van haar akte van bekrachtiging.
Artikel 154
In de betrekkingen tussen de Mogendheden die gebonden zijn door het Haagse Verdrag nopens de wetten en gebruiken van den oorlog te land, hetzij dat van 29 Juli 1899, hetzij dat van 18 October 1907, en die partij zijn bij dit Verdrag, zal dit Verdrag de Afdelingen II en III van het als bijlage aan voornoemde Haagse Verdragen gehecht Reglement aanvullen.
Artikel 155
Van de datum van zijn inwerkingtreding af zal dit Verdrag openstaan voor toetreding door iedere Mogendheid, uit wier naam het Verdrag niet is ondertekend.
Artikel 156
Toetredingen zullen schriftelijk worden medegedeeld aan de Zwitserse Bondsraad en worden zes maanden na de datum waarop zij de Bondsraad hebben bereikt, van kracht.
De Zwitserse Bondsraad zal de toetredingen mededelen aan alle Mogendheden uit wier naam het Verdrag is ondertekend of de toetreding is medegedeeld.
Artikel 157
De in de artikelen 2 en 3 bedoelde omstandigheden zullen de door de Partijen bij het conflict voor of na het begin van de vijandelijkheden of van de bezetting nedergelegde akten van bekrachtiging en medegedeelde toetredingen onmiddellijk in werking doen treden. De Zwitserse Bondsraad zal langs de snelste weg mededeling doen van de van Partijen bij het conflict ontvangen akten van bekrachtiging of toetredingen.
Artikel 158
Ieder der Hoge Verdragsluitende Partijen heeft de bevoegdheid dit Verdrag op te zeggen.
Opzegging zal schriftelijk ter kennis worden gebracht van de Zwitserse Bondsraad. Deze zal daarvan mededeling doen aan de Regeringen van alle Hoge Verdragsluitende Partijen.
De opzegging wordt van kracht één jaar nadat daarvan kennis is gegeven aan de Zwitserse Bondsraad. Echter zal een opzegging waarvan kennis is gegeven terwijl de opzeggende Mogendheid in een conflict is betrokken, in geen enkel opzicht gevolg hebben, zolang de vrede niet is gesloten en in ieder geval niet zolang de werkzaamheden voor de invrijheidstelling en repatriëring van de door dit Verdrag beschermde personen niet zijn beëindigd.
De opzegging zal slechts gelden ten aanzien van de opzeggende Mogendheid. Zij zal geen enkele invloed hebben op de verplichtingen welke de Partijen bij het conflict gehouden zijn te blijven vervullen krachtens de beginselen van het volkenrecht, zoals deze voortvloeien uit de tussen beschaafde volken gevestigde gebruiken, de wetten der menselijkheid en de eisen van het openbaar rechtsbewustzijn.
Artikel 159
De Zwitserse Bondsraad zal dit Verdrag doen registreren bij het Secretariaat van de Verenigde Naties. De Zwitserse Bondsraad zal eveneens aan het Secretariaat van de Verenigde Naties mededeling doen van alle bekrachtigingen, toetredingen en opzeggingen welke de Bondsraad ontvangt in verband met dit Verdrag.
Artikel 1
De hospitalisatie- en veiligheidsgebieden zullen uitsluitend bestemd zijn voor personen, genoemd in artikel 23 van het Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, van 12 Augustus 1949, en in artikel 14 van het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd, van 12 Augustus 1949, alsmede voor het personeel, belast met de organisatie en het beheer van deze gebieden en plaatsen en met de verzorging van de daarin bijeengebrachte personen.
Echter hebben de personen die hun vaste woonplaats in deze gebieden hebben, het recht daar te blijven.
Artikel 2
Personen die zich, in welke hoedanigheid ook, in een hospitalisatie- en veiligheidsgebied bevinden, mogen noch binnen noch buiten dit gebied enige werkzaamheid verrichten, welke rechtstreeks verband houdt met de krijgsverrichtingen of met de vervaardiging van oorlogsmaterieel.
Artikel 3
De Mogendheid die een hospitalisatie- en veiligheidsgebied instelt, zal alle nodige maatregelen nemen om de toegang te ontzeggen aan alle personen die niet gerechtigd zijn het te betreden of zich aldaar te bevinden.
Artikel 4
Hospitalisatie- en veiligheidsgebieden moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
- a. zij mogen slechts een klein gedeelte omvatten van het grondgebied dat onder het gezag staat van de Mogendheid die deze gebieden heeft ingesteld;
- b. zij moeten, in verhouding tot hun opnemingsmogelijkheden, dun bevolkt zijn;
- c. zij mogen geen enkel militair doel noch enige belangrijke industriële of administratieve instelling bevatten, noch in de nabijheid daarvan zijn gelegen;
- d. zij mogen niet gelegen zijn in streken welke, naar alle waarschijnlijkheid, van belang kunnen worden voor de oorlogvoering.
Artikel 5
Voor hospitalisatie- en veiligheidsgebieden gelden de volgende verplichtingen:
- a. de aan- en afvoerwegen en de vervoermiddelen welke zij bevatten, mogen niet worden gebruikt voor de verplaatsing van militair personeel of materieel, zelfs niet voor doorvoer;
- b. zij mogen onder geen omstandigheid militair worden verdedigd.
Artikel 6
Hospitalisatie- en veiligheidsgebieden zullen worden aangeduid door langs de omtrek en op de gebouwen aangebrachte rode kruizen (rode halve manen, rode leeuwen en zonnen) op wit veld.
De uitsluitend voor de gewonden en zieken bestemde gebieden kunnen worden aangeduid door rode kruizen (rode halve manen, rode leeuwen en zonnen) op wit veld.
Des nachts kunnen zij eveneens door een passende verlichting worden aangeduid.
Artikel 7
Iedere Mogendheid zal in tijd van vrede of bij het uitbreken der vijandelijkheden aan alle Hoge Verdragsluitende Partijen een lijst van de hospitalisatie- en veiligheidsgebieden, ingesteld op het onder haar gezag staand grondgebied, doen toekomen. Zij zal eveneens kennis geven van ieder nieuw gebied dat gedurende de vijandelijkheden wordt ingesteld.
Zodra de tegenpartij de hierboven vermelde kennisgeving heeft ontvangen, is het gebied volgens de regels ingesteld.
Indien evenwel de tegenpartij van oordeel is, dat aan één van de voorwaarden van deze overeenkomst niet is voldaan, kan zij weigeren dit gebied te erkennen door zulks onmiddellijk te berichten aan de Partij die verantwoordelijk is voor het bedoelde gebied, dan wel haar erkenning afhankelijk maken van de instelling van het toezicht, bedoeld in artikel 8.
Artikel 8
Iedere Mogendheid die één of meer door de tegenpartij ingestelde hospitalisatie- en veiligheidsgebieden heeft erkend, heeft het recht te eisen, dat één of meer bijzondere commissies toezien of de gebieden aan de in deze overeenkomst voorgeschreven voorwaarden en verplichtingen voldoen.
Te dien einde hebben de leden van de bijzondere commissies te allen tijde vrije toegang tot de verschillende gebieden en kunnen daar zelfs permanent verblijf houden. Ten behoeve van de uitoefening van hun toezicht zullen hun alle faciliteiten worden verleend.
Artikel 9
Ingeval de bijzondere commissies feiten zouden vaststellen welke hun in strijd met de bepalingen van deze overeenkomst voorkomen, zullen zij onmiddellijk de aandacht van de Mogendheid die het betreffende gebied beheert, daarop vestigen en haar een termijn van ten hoogste vijf dagen toestaan om in de aangelegenheid te voorzien; zij zullen de Mogendheid die het gebied heeft erkend, daarmede in kennis stellen.
Indien, na verloop van deze termijn, de Mogendheid die het gebied onder haar gezag heeft, geen gevolg heeft gegeven aan de tot haar gerichte waarschuwing, kan de tegenpartij verklaren, dat zij, wat betreft dit gebied, niet langer door deze overeenkomst is gebonden.
Artikel 10
De Mogendheid die één of meer hospitalisatie- en veiligheidsgebieden heeft ingesteld, en de tegenpartijen die met het bestaan daarvan in kennis zijn gesteld, zullen de personen benoemen, die deel zullen uitmaken van de in de artikelen 8 en 9 bedoelde bijzondere commissies, of hen door onzijdige Mogendheden doen benoemen.
Artikel 11
Hospitalisatie- en veiligheidsgebieden mogen onder geen omstandigheid worden aangevallen, maar moeten te allen tijde door de Partijen bij het conflict worden beschermd en ontzien.
Artikel 12
In geval van bezetting van een grondgebied, moet men de zich daarin bevindende hospitalisatie- en veiligheidsgebieden blijven ontzien; deze moeten als zodanig in gebruik blijven.
De bezettende Mogendheid mag evenwel de bestemming daarvan wijzigen, mits alle maatregelen zijn genomen om de veiligheid van de daarin bijeengebrachte personen te verzekeren.
Artikel 13
Deze overeenkomst is eveneens van toepassing op plaatsen welke de Mogendheden voor dezelfde doeleinden als hospitalisatie- en veiligheidsgebieden zouden gebruiken.
Artikel 1
De Comité's van geïnterneerden zijn gerechtigd de collectieve zendingen tot hulpverlening, waarvoor zij verantwoordelijk zijn, te verdelen onder alle geïnterneerden die administratief bij hun interneringsoord zijn ingedeeld, met inbegrip van hen die zich in ziekeninrichtingen, of in gevangenissen of andere strafinrichtingen bevinden.
Artikel 2
De verdeling van collectieve zendingen tot hulpverlening zal geschieden overeenkomstig de instructies van de schenkers en het door de Comité's van geïnterneerden opgesteld schema; de verdeling van zendingen van geneeskundige voorraden zal echter bij voorkeur plaats vinden in overleg met de met de leiding belaste geneesheren; deze mogen in ziekeninrichtingen en -verblijven van voornoemde instructies afwijken voor zover de behoeften van hun patiënten zulks vereisen. Binnen de aldus bepaalde grenzen moet deze verdeling altijd billijk worden uitgevoerd.
Artikel 3
Ten einde de hoedanigheid en hoeveelheid van de ontvangen goederen te kunnen onderzoeken en dienaangaande in bijzonderheden te kunnen rapporteren aan de schenkers, zijn de leden der Comité's van geïnterneerden gerechtigd zich te begeven naar de spoorwegstations en andere in de nabijheid van hun interneringsoord gelegen aankomstplaatsen van zendingen tot hulpverlening.
Artikel 4
De Comité's van geïnterneerden zullen de nodige faciliteiten ontvangen om te onderzoeken of de verdeling van collectieve zendingen in alle onderafdelingen en dependances van hun interneringsoord overeenkomstig hun instructies is uitgevoerd.
Artikel 5
De Comité's van geïnterneerden zijn gerechtigd formulieren of vragenlijsten, bestemd voor de schenkers en betrekking hebbend op collectieve zendingen (verdeling, behoeften, hoeveelheden, enz.), in te vullen, alsmede te doen invullen door de leden der Comité's van geïnterneerden in werkgroepen of door de niet de leiding van ziekenverblijven en -inrichtingen belaste geneesheren. Deze formulieren en vragenlijsten zullen na invulling onverwijld aan de schenkers worden gezonden.
Artikel 6
Ten einde een geregelde uitdeling van collectieve zendingen aan de geïnterneerden van hun interneringsoord te verzekeren en eventueel te voorzien in de behoeften welke door de aankomst van nieuwe groepen geïnterneerden mochten ontstaan, zijn de Comité's van geïnterneerden gerechtigd passende voorraden van collectieve zendingen aan te leggen en in stand te houden. Te dien einde zullen zij de beschikking hebben over geschikte opslagplaatsen; iedere opslagplaats zal voorzien zijn van twee sloten; het Comité van geïnterneerden zal in het bezit zijn van de sleutels van het ene slot en de commandant van het interneringsoord van die van het andere.
Artikel 7
De Hoge Verdragsluitende Partijen, en de gevangenhoudende Mogendheden in het bijzonder, zullen, voor zover mogelijk en met inachtneming van de voorschriften betreffende de voedselvoorziening van de bevolking, alle aankopen toestaan, welke op haar grondgebied mochten worden gedaan ten einde collectieve zendingen aan de geïnterneerden te doen toekomen; zij zullen op overeenkomstige wijze de overmaking van gelden en het nemen van andere financiële, technische of administratieve maatregelen met het oog op deze aankopen vergemakkelijken.
Artikel 8
De voorgaande bepalingen maken geen inbreuk op het recht van geïnterneerden om collectieve zendingen te ontvangen vóór hun aankomst in een interneringsoord of gedurende overbrenging, noch op de mogelijkheid voor vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid, het Internationale Comité van het Rode Kruis of enige andere organisatie tot hulpverlening aan geïnterneerden, die belast mocht zijn met het verzenden van deze zendingen, om de uitdeling daarvan aan de geadresseerden te verzekeren met alle andere middelen welke zij geschikt mochten achten.
IN WITNESS WHEREOF the undersigned, having deposited their respective full powers, have signed the present Convention.
DONE at Geneva this twelfth day of August, 1949, in the English and French languages. The original shall be deposited in the Archives of the Swiss Confederation. The Swiss Federal Council shall transmit certified copies thereof to each of the signatory and acceding States.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)